Dienaar van het evangelie
te Trowbridge,
(Schrijver van
ìWeldadigheden van een Verbonds-Godî),
geschreven aan zijn zoon,
bij de aanvang van diens
bediening te Southill
Uit het Engels bewerkt
door D. Schot, Tholen
De Uitgever verzocht mij een enkel woordje te plaatsen voor de brieven van
wijlen de Eerw. en godzalige leraar J. Warburton, die U in dit geschriftje
worden aangeboden.
Ik dacht mij hieraan niet te moeten onttrekken, lettende op de vrucht en
stichting, die het arme Sion Gods, ook in ons zinkend Vaderland, heeft mogen
trekken, uit diens levensbeschrijving, nu een korte tijd geleden, door de pers
onder ons bekend gemaakt.
Hoeveel hebben wij horen meedelen hoe het in hun ziel was ingeslagen, als
zij vernamen wat die man, bij dagen en bij nachten leerde beoefenen en zij
kwamen te missen.
Want immers wat had deze Warburton een zondestervend en zondedodend leven!
En o, dat gedurig kleiner worden en dat hoe ouder, hoe armer! Hoe hij meer
doorleven en bevinding kreeg van Gods eeuwige Verbondstrouw, hoe afhankelijker
en hulpbehoevender hij zich leerde kennen, hoe bij al meer in de dagelijkse
behoefte kwam om met al zijn noden voor de tijd en voor de eeuwigheid aan de
Genadetroon gebonden te liggen.
Door smartelijke wegen voor vlees en bloed geoefend, leerde bij met
verzaking van alles, uit vrije genade alleen, op Hem leunen als de enige
Grondslag, sterktetroost en blijdschap van zijn ziel.
Anderen van Gods volk is dat geschriftje geweest tot troost en bemoediging,
voor degenen namelijk, die door dezelfde paden van druk en kruis geoefend, een
medegetuigenis der ziel daarin gevonden hebben.
Weer anderen is het geweest tot een onderwerp van spot en smaad. Het leven
daarin verklaard was voor hen te arm, te vleselijk, te veel tijdelijke
uitreddingen. Deze hebben over het hoofd gezien dat van de uitreddingen die de
Heere zijn Kerk schenkt, de meesten betrekking hebben op tijdelijke
omstandigheden, (zie Huntington, "Kassier der armen".)
Mogelijk zijn er onder degenen die zich daaraan gestoten hebben, die
vastzitten in hun bolwerk van Godsdienst en redeneerkracht, waardoor ze onder
de schijn van Godzaligheid hun brood bedelen, dat ze ergo, zo ver verzonken
zijn, dat ze dit afhankelijke leven niet eens meer verstaan willen. En waarom?
Omdat hun leven er door veroordeeld wordt.
Weer anderen zijn door Warburtons boek veroordeeld, dat ze alle middelen
durven aanwenden, om de tijdelijke noden te ontgaan.
O, wat al droeve omstandigheden, die wij liefst wilden verzwijgen! Gave God
dat wij mistasten ook ten opzichte van vele bedienaren van het Woord van God!
Hoeveel voor wie deze bediening een goudwinkel is geworden; hoeveel die
volgens Ezech. 34, zich bekleden met de wol en liet gemeste slachten, maar niet
de schapen weiden.
Weer anderen zijn in de bediening zo hoog opgerezen, dat ze durven spotten
met liet bekommerd leven van een Warburton. Deze staan in de Bediening
onbeweeglijk als een rots; zeggen alles in God te zijn kwijtgeraakt; worden
nooit of te nimmer bewogen. Zij spreken het uit: " Dwaze Warburton".
O, mochten zulken eens omzien, en Davids leven gaan naspeuren, die wel
verzekerd was en toch veelvoudig bewogen werd.
Nog zijn er anderen, laat mij zeggen, van de beste in deze tijd, zo
gebolwerkt in de studie, dat ze lachen om de armoede van een Warburton. Wel
wordt de armoede besproken en zelfs in het gebed naar voren gebracht, doch het
is om de ogen van anderen te verblinden. Waren deze eerlijk voor God, zij
beleven er niets van, ja walgen van die waarachtige armoede des geestes en
daarom blijven zij uit de banden en uit de angsten, maar ook hebben zij niets
van de vertroostingen.
Voor zulken was Warburtons boek, een boek voor leerjongens, voor kinderen,
voor Zondagscholen. In geen geval iets voor zulke hoog beweldadigde leraars,
die de armoede zeer ver te boven zijn.
O, hebben zulken er ooit iets van gekend, wat is het dan vergezonken, dat
het lezen van die waarachtige armoede niet eens meer aanslaat in het gemoed.
Wij zullen er van afstappen. Er is over het leven van Warburton veelvoudig
geoordeeld, meer wel dan wij hier genoemd hebben. Dit wetende, zagen wij er
tegen op, toen ons gevraagd werd andermaal een voorwoordje te plaatsen voor een
der werkjes van de Heer Warburton.
De brieven die bier worden aangeboden zijn door de ouden Warburton
geschreven aan zijn zoon, die zoon, die, gelijk in de "Weldadigheden van
een Verbonds-God" beschreven wordt, uit zijns Vaders huis was weggegaan en
in de kazerne te Plymouth door Soevereine Genade is gearresteerd geworden. God
greep hem daarin liet hart en heeft hem daarna tot het werk der bediening
uitgestoten.
Naar aanleiding nu van de aanvang van diens bediening te Southill zijn deze
briefjes geschreven.
De brieven zelf zullen geen aanprijzing van onszelf nodig hebben.
Voorzover wij ze doorbladerd hebben, dachten wij, kon het nog dienen tot
bemoediging van deze of geen ellendige of ongelukkige, die met de Apostel van
dag tot dag in zijn ellende, dood en armoede wordt ingeleid.
Hierin schrijft de oude man, die 'grijs geworden was in het werk der
bediening, ja vijftig jaren daarin was werkzaam geweest met veel vrucht voor
het Zion Gods, onder de bedauwing van God de heilige geest, aan zijn zoon, af
te laten van alles wat geen God is en maar alleen te leunen en te steunen op
Hem.
Deze zijnde in het eerste van zijn bediening, schreef gedurig uit zijn
diepe banden, aan zijn vader, waarop de oude man hem telkens komt te
onderrichten.
O mocht het nog eens verstaan worden in deze dagen om God nodig te krijgen
in allen weg, opdat wij onze afgoden waarin wij thans opgaan en waaromheen wij
als weleer de Ba”lspriesters dansen, ja alles voor opzetten, varen lieten.
Hoe ver, zeer ver staan wij van God af en verkiezen de vorm boven het wezen
en wat wordt dit in alles openbaar, in hart, in huis, in Kerk en Staat.
Wij gaan op in geld en goed en offeren er het leven van onze ziel aan op,
ja zinken al verder weg in de geest van de tijd, want dit kenmerkt zich in
alles.
Gave God dat deze eenvoudige letteren van Vader aan Zoon ertoe mochten
leiden om onze dwaasheid te leren zien en te verstaan en er een waarachtig
terugkeren mocht gevonden worden tot dien God, die ons gemaakt heeft.
Immers deze brieven moeten voor de opmerkende, veroordelen al het
hedendaags gedoe, want hoe weinig wordt een Gods eer bedoelend leven gevonden,
en wat is er daarentegen een opgang in beschouwing, gevoel, gemoed, kennis,
gaven, rede en wijsheid.
Daarmee blijven wij uit de ware banden en missen wij de dagelijkse
afhankelijkheid, de ware armoede. En toch alleen die wil God kronen niet Zijn
lieve Geest en Genade.
De God aller genade mocht dit geschriftje nog willen dienstbaar stellen tot
onze nut, opdat onze ogen ontsloten worden voor de gevaarvolle tijden die wij
beleven en wij onze afstand bemerkende, ze leren bewenen voor het aangezicht
Gods.
Leerden wij met een EfraÔm op de heup kloppen en al rouwklagende uitroepen:
"Wij hebben God op 't hoogst misdaan en zijn van 't Heilspoor afgegaan.
ja, wij en onze Vad'ren tevens".
Dat die dag eens aanbreke over het Sion Gods, want dan zou de Heere volgens
Ps. 12 immers opstaan: "Om de verwoestingen der ellendigen, om het kermen
der nooddruftigen zal ik nu opstaan zegt de Heere".
De Heere die in en met alles zijn eigen einde bekomen zal, zegene dit
geschriftje tot Zijn eer en onze nut, is onze wens en bede.
Tholen, 4 juni 1929.
W. BAAIJ Pz.
Ý
Trowbridge, 29 November 1843.
Beminde zoon.
Ik hoop dat de Heere U de weg wijzen zal in alle omstandigheden, rakende en
lichaam en ziel en dat gij dagelijks zult mogen gebonden liggen aan de troon
der genade om Zijn wil te verstaan, hoe gij leven, wandelen, spreken en
handelen moet, want immers de lippen der Waarheid verklaren ons, (en wij weten
dat dit waarheid is): "Zonder Mij kunt gij niets doen".
O, dat de Heere u maar dicht bij Zich boude, u doende zien op Zijn kracht
en invloed tot alles, en u doe vrezen om Hem te mishagen.
Mocht het onze spijs en drank zijn om Hem te verheerlijken; Zijn Naam komt
de eer toe.
Hij heeft en voor u en voor mij grote dingen gedaan, en dat zulke
onwaardige schepselen, die als zovele duizenden, aan zichzelf konden
overgelaten worden, om de maat der ongerechtigheid vol te maken en zo in de bel
te storten.
Maar o, soevereine, vrije, onderscheidende, verkiezende liefde, vrije gunst
en onverdiende genade; want immers zijn wij waardig niet de verdoemden in de
hel, verstoten te worden, waar hun worm niet sterft en het vuur niet uitgeblust
wordt". Mark. 9: 44.
Wij zullen tot in het eindeloze eeuwigheid geen ander lied kunnen
aanheffen, dan het lied van vrije genade, geen ander lied terwijl wij nog in
dit tranendal zijn, noch ook wanneer wij over het graf heen zijn; en God zij
geloofd, wij begeren ook geen ander, dan dit: maar God, die rijk is in
barmhartigheid, door Zijn grote liefde, waarmee Hij ons liefgehad heeft. Ook
toen wij dood waren door de misdaden, heeft hij ons levend gemaakt met Christus
(uit genade zijt gij zalig geworden)! Het is door het geloof en niet uit
onszelf, het is Gods gave; niet uit de werken opdat niemand roeme: Want uit
Hem, en door Hem en tot Hem zijn alle dingen, Hem zij de heerlijkheid, tot in
eeuwigheid. Amen. Ephez. 2: 4, 5, 8, 9.
En hoe groot is Zijn goedertierenheid jegens ons, als de God der
voorzienigheid.
Tot op deze dag toe, heeft Hij ons gegeven ons dagelijks brood, het heeft
ons aan niets ontbroken, en dat niettegenstaande al ons vervloekt ongeloof en
de duivelse bewegingen van ons hart.
Zijn belofte heeft niet gefaald. Uw brood wordt U gegeven, Uw water zal
gewis zijn. Jes. 33: 16.
Weest dan niet bezorgd tegen de morgen, want de morgen zal voor het zijn
zorgen. Matt. 6: 34.
God Almachtig zegene ons met een nabij leven, en zegene hij U mijn lieve
zoon en Uw huisvrouw met een gezegende oefening van Zijn vrees in Uw harten en
dat gij zijn gunst ervaren mag in Hem te dienen met eerbiedigheid en
godvruchtigheid en het zal U wel gaan. Wel moeten ze varen die de Heere vrezen.
Wij allen maken het tamelijk goed. Laat ons per kerende post weten of gij deze
in orde hebt ontvangen.
Van Uw toegenegen Vader,
J. Warburton.
Ý
Trowbridge, 9 Februari 1844.
Beminde zoon.
De Uwe heb ik ontvangen en in antwoord daarop moet ik U even zeggen dat ik
Woensdagavond van de kerk van Ds. Gadsby een briefje ontvangen heb, waarin men
mij verzocht de begrafenis van Ds. Gadsby bij te wonen en dan een paar Zondagen
bij hen te blijven.
Ik zond hun omgaand antwoord dat de reis zo lang en de tijd zo kort was en
dat ik hoopte dat zij het mij niet kwalijk zouden nemen als ik dit moest
afslaan, want in aanmerking van mijn leeftijd en van de vele zwakheden die mij
aankleven, kan ik niet geloven dat het goed voor mij zijn zou de reis te
ondernemen.
Ik deelde hen ook mee, dat ik beloofd had de volgende dag buiten de stad te
prediken en ook dat wij geen plaatsvervanger hadden voor onze eigen gemeente op
de aanstaande dag des Heeren.
Dinsdagmiddag j. l. ontving ik andermaal een schrijven van een der
diakenen, die mij verzocht de volgende Zondag voor hen te prediken, dat zou dus
zijn op de elfden, en dan nog een paar Zondagen onder hen door te brengen.
Per kerende post deed ik een berichtje terug er op wijzende dat de reis
ongeveer driehonderd mijlen met de trein was en als ik in dit jaargetijde lang
reizen deed, ik veel leed aan reumatische pijnen in de rug, dat ik derhalve
niet durfde beloven om de volgende Zondag te komen.
Wensten zij echter dat ik toch eens kwam dan wilde ik, als het des Heeren
wil was, komen op de laatste Zondagen van deze maand.
Ik zou dan een plaatsvervanger voor onze eigen gemeente opzoeken en dan op
Maandagmorgen willen vertrekken, zou ÈÈn dag doorbrengen bij de Heer Cloud,
vandaar naar Londen gaan, ook daar ÈÈn dag en ÈÈn nacht blijven en voorts mijn
weg vervolgen.
Gisterenavond echter ontving ik van genoemde diaken een antwoord, mij
meldende, dat, wanneer ik aanstaande Zondag niet kon komen, zij met Ds. Kershaw
ene overeenkomst zouden kunnen aangaan, om gedurende vijf weken bij hen te
komen prediken, daarbij dachten ook zij dat de reis wat ver was om slechts twee
Zondagen bij hen te kunnen zijn, en zij wensten dat ik in de toekomst
gelegenheid zou kunnen vinden, om voor enige weken te komen.
Zo liep deze zaak al, waaruit ik de gevolgtrekking maakte dat het de wil
van God niet was dat ik mij haasten zou en op mijn leeftijd, driehonderd mijlen
ver van huis gaan en dat in twee dagen, teneinde de begrafenis te kunnen
bijwonen, temeer nog waar Ds. Kershaw daar ter plaatse was.
Misschien zou het voor de familie en ook voor de kerk aangenaam geweest
zijn, wanneer ik daar had kunnen zijn en had ik kunnen geloven dat het de wil
van God was, ik zou getracht hebben daar te zijn.
In antwoord op Uw schrijven diene, dat ik in het geheel niet verwonderd
stond, gelijk gij U voorstelde, toen ik hoorde dat gij in de Naam des Heeren
trachtte te spreken.
Mijn lieve jongen, ik heb U niet meegedeeld, noch mondeling noch bij
geschrift, wat mijn ziel heeft ondervonden en welke gebeden en verzuchtingen ik
voor de Heere heb uitgestort, sedert Hij U stuitte in uw dwaze zondeloop, want
ik ben wakende en uitziende geweest om na te speuren of mijn smekingen,
verzuchtingen en tranen uit het vlees voortkwamen of van God.
O, de vele, vele keren dat deze woorden: "Bidt dan de Heere des
oogstes, dat Hij arbeiders in Zijn Wijngaard uitstootte", op mijn ziel
gebracht zijn; en dat met zulk ene kracht, dat zij mijn lichaam verzwakten.
En dan bent gij krachtig op mijn ziel gebonden geworden en heb ik u vele
malen in mijn armen de Heere opgedragen, zeggende: "Hier is de arme
jongen, die Gij als een hout uit het vuur gerukt hebt, hebt Gij enig werk voor
hem in Uw wijngaard"?
En dan heb ik zulk ene vrijheid en toenadering tot God, met betrekking tot
deze zaak gehad, en heb dit nog menig keer, dat ik moet geloven, mijn kind, dat
God een werk voor u te doen heeft.
Toen gij mij de brief zond, waarin gij mij vraagde, U vijf pond te lenen,
en gij mij mededeelde, dat gij weinig of geen werk had, kwamen deze woorden in
mijn gemoed: ìWaarom staat gij leeg? Ga en werk heden in mijn wijngaard",
Matth. 20: 6, 7; en gij werd mij zo krachtig op het hart gebonden, dat ik wel
een uur worstelen moest met mijn God. Ik smeekte Hem, dat wanneer het Zijn
Goddelijk voornemen was de armen Jan te verwekken om hem met een boodschap van
zaligheid tot zijn dierbaar volk te zenden, Hij hem dan geen rust in zijn ziel
laten wilde, maar dat Zijn dierbaar Woord der Waarheid in zijn hart mocht
branden als een vuur, opdat hij zich zou genoodzaakt vinden, zijn mond te
openen, tot verlichting van zijn ziel.
Ik sta in 't geheel niet verwonderd van de gevolgtrekkingen die gij maakte
toen de Heere Zijn aangezicht verbergde, en de oude duivel u werk maakte en u
uitbeeldde als de grootste dwaas in de wereld en u zei, dat gij nog vermeteler
was dan Uzza, die gedood werd, omdat hij zijn hand aan de ark uitstak, want gij
bent lange jaren een zeer getrouwe dienaar van de duivel geweest.
Maar toen God de wettig gevangene verloste, was het zijn helse geest tot
bitterheid, dat gij zoudt heengaan om zijn duivelse bedriegerijen ten toon te
stellen.
Nu kan ik hieraan nog maar enkele woorden toevoegen, want ik ben deze week
naar Allington geweest en zo-even teruggekomen en ben erg vermoeid.
Ik kan alleen dit zeggen, mijn lieve jongen, als de Heere het in de harten
van zijn lieve kinderen geeft, om u uit te nodigen en tot ben te spreken in de
Naam des Heeren, ga dan, zonder met het vlees te raadplegen en hang geheel af
van de Heere, dat Hij u geve en de zaak en de woorden. Roep tot Hem de gehele
dag, dat Hij u onderwijze in alle dingen, dit is ook mijn grootste studie en
mijn gebed, somwijlen ieder uur.
Tracht nooit gebruik te maken van een anders schetsen, die immers voor het
grijpen liggen, en mag de God van alle barmhartigheid en waarheid met U en de
Uw zijn,om U te zegenen, te onderwijzen, te ondersteunen en uit te helpen in al
uw noden. Dit is de bede van
Uw toegenegen Vader,
J. Warburton.
Trowbridge, 29 Februari 1844.
Beminde zoon.
Uw laatste brief heb ik ontvangen en was blijde daaruit te verstaan dat het
U allen wel ging. Ik veronderstel dat gij de vorige Zondag te Rochester was en
zou er prijs op stellen dat gij mij enig verhaal zoudt doen hoe het U gegaan
is.
Ik had verleden Zaterdag en Zondag meer met U dan met mijzelf te dragen en
ik heb een hoopje dat het van God is en zo het van God is, dan zal Hij liet
openbaren door tekenen die er op volgen.
Het is mij tot verwondering, hoe gij op mijn hart gebonden wordt, en welk
ene vrijheid ik tot de Heere vind, in het uitstorten van mijn ziel voor hem,
dat Hij U uitstoten mag in de bediening met ene dubbele mate van de Heilige
Geest in uw ziel en dat Hij de zaken in uw hart doe opborrelen als uit een
springende fontein en U begiftige met een tong der geleerden om met de moeden
een woord op de rechte tijd te spreken.
Zou iets voor de Heere te wonderlijk zijn?
Ik hoop dat de Heere in uw hart geve, om altijd wanneer de gelegenheid
zulks toelaat, Zijn dierbaar Woord te onderzoeken, met biddingen en smekingen
tot Hem, dat Hij U de ogen opene, opdat gij mag aanschouwen de wonderen Zijner
Wet. Ps. 119: 18.
Het is God de Heilige Geest alleen, die kan onderwijzen te uw nut en die de
heerlijkheid van Zijn Woord aan Uw ziel kan openbaren, ja gaven en bekwaamheden
meedelen kan om het tot het volk uit te dragen en het te doen neerdalen als de
regen, op de planten die Zijn rechterhand geplant heeft. En Zijn naam zij
geloofd, Hij veracht een kind in kennis niet.
Hebt gij nooit gelezen: "Uit de mond der jonge kinderen en der
zuigelingen hebt Gij U lof toebereid". Matth. 21: 16.
En Hij nam een kindeke en stelde dit in het midden van hen, en zei: Indien
iemand wil groot genaamd worden, laat hen worden gelijk dit kindeke.
Mijn lief kind, zie nooit om naar een anders werken, en volg nooit anderer
mensen denkbeelden. Mijns harten wens is, dat de Heere U nauw aan Zijn Woord
gebonden houd, met dagelijkse verzuchtingen en tranen dat Hij u leiden,
onderwijzen, ondersteunen en beschermen zal en altijd voor u zal heengaan.
Nooit in mijn gehele leven gevoelde ik mijn afhankelijkheid van God, meer
dan nu; nooit zag en gevoelde ik mijn nietigheid, mijn ledigheid, mijn onkunde,
kortom mijn gemis van alles goeds in mijzelf, zoals ik dit nu doe. Maar geloofd
zij Zijn Naam! ik ontmoet menig zoet ogenblikje, waarin Hij mij betoont te
zijn, een helper van de hulpbehoevenden, een onderwijzer van de dwazen, een
ondersteuner van de nooddruftigen, een die ontzet degenen die in aanvechtingen
zijn, die de mond der stommen opent, die de duisternis ten lichte maakt, een
die de kerker stelt tot een paleis. ja onze God en Zaligmaker is het al in
allen, want het is uit Hem en door Hem en tot Hem, dat alle dingen zijn; Hem
zij de heerlijkheid tot in eeuwigheid. Amen.
Tot wie anders kunnen wij heengaan? Hij en Hij alleen heeft de woorden van
het eeuwige leven; alle volheid is in Hem en uit Hem. Hij opent en niemand
sluit; Hij sluit en niemand opent. Er is niet een zegen noch voor de tijd, noch
voor de eeuwigheid, noch voor lichaam, noch voor ziel, of het is allemaal
opgelegd in onze Heere en Zaligmaker Jezus Christus.
Hij is been van onze een en vlees van ons vlees.
Hij is onze beminde Broeder, die geboren werd om verdrukking te lijden, die
al onze zonden gedragen, al onze smarten op zich genomen en over alle vijanden
getriomfeerd heeft.
Hij is gezeten aan de rechterhand des Vaders, waar Hij altijd leeft als
tussentreder voor een ieder die door Hem tot God gaat.
Mijn lief kind, wat is het een grote genade dat Hij u en mij zodanig
bearbeid heeft dat wij niet kunnen naderen tot een Heilige God, dan alleen in
de Naam van de Heere Jezus Christus, en welk ene dierbare bemoediging wordt ons
gegeven: Al wat gij bidden zult in Mijn Naam, dat zal Hij u geven". Joh.
16: 23.
O, dierbare Trooster, Hemelse Duif, onderricht ons en helpt ons te bidden
in Zijn naam; want er is een bidden, op hetwelk niets ontvangen wordt; want er
is een kwalijk bidden, opdat wij hetgeen waarom wij bidden in onze wellusten
zouden doorbrengen. Jak. 4: 3.
O, dat de Heere ons maar altijd leert, hoe te bidden en waarom te bidden,
want niemand weet hetgeen Gods is dan de Geest Gods, en dien het de Geest wil
openbaren. 1 Corinth. 2: 12.
Mijn ziel verlaat zich op Hem, gelijk een kind zich verlaat op de armen
zijner moeder en menigmaal vrees ik dat Hij mij aan mijzelf laten zal en ik
moet vallen als Hij mij loslaat.
O, wat al zuchtingen en tranen heb ik bij de ogenblikken uitgestort, dat
Hij mij wilde toelaten zijn arm te grijpen en dat Hij met mij gaan wilde, want
ik ben bevreesd aan mijzelf gelaten te worden, en ik heb een ongelovigen duivel
in mijn hart, die gedurig nacht en dag in mij in en uitgaan, in mijn neerliggen
en in mijn opstaan, de gelegenheid verbeid, dat ik aan mijzelf zal overgegeven
worden, want de duivel weet wat een dwaas ik ben.
En o, wat is mijn arme ziel al menigmaal bedrogen, dat het mij heeft doen
waggelen als een dronken man, of doen brullen als een beer en kirren als ene
duif, dat het mij heeft doen sidderen uit vrees dat de Heere mij verlaten zou.
Ik ben bezig twee zaken te leren, bijna vijftig jaren, de ene is dat ik
zonder de Heere niets doen kan en de andere dat ik alles vermag door Christus
die mij kracht geeft.
Tot zover ben ik gekomen mijn kind en geen haarbreedte verder - door de
Genade Gods, ben ik die ik ben - en geloof het, het zal zo blijven tot aan het
einde toe.
En welk een grote genade zal het zijn, indien ik zal mogen gevonden worden
onder die gelukkige schare, die als de hoeksteen zal worden toegebracht, zullen
uitroepen: "Genade, Genade zij denzelve". Zach. 4:7.
Ik verwacht zeker een briefje van U aanstaanden Dinsdagmorgen. Mijn
vriendelijke groeten aan Emma en ik hoop, dat het haar en de kleinen wel gaat.
Van uw toegenegen Vader,
Trowbridge 12 Maart 1844.
Beminde zoon.
Ik heb uw brief ontvangen en het spijt mij te horen dat het huisgezin zo
ongesteld geweest is, maar ik hoop dat de Heere U allen de gezondheid doe
rijzen en wederom krachten verlenen wil.
Ik hoor dat er deze winter in Trowbridge veel ellende geheerst heeft, maar
door genade zijn wij allen tamelijk wel, en in de kerk gaat het zeer aangenaam
toe, wat immers geen geringe zegen is, en menigmaal wordt de tegenwoordigheid
en liefde van een Verbonds-God krachtig ondervonden, wat nog groter zegen is.
Ik weet echter niet mijn jongen, wat ik moet zeggen van naar Feversham te
gaan, want ik was vast besloten nergens buiten Londen te gaan, dan alleen naar
Welwyn; maar gij schijnt zozeer aan te dringen, dat ik veronderstel te moeten
gaan, als ik gelegenheid vinden kan.
Dus indien de Heere wil, ben ik voornemens daar te prediken op
Donderdagavond, de 18en April. Ik gevoel wel geen genegenheid om te gaan, doch
om uwentwil zal ik er in toestemmen.
Lieve jongen, gij moet vele veranderingen wachten, op en neer en
verschillende zwarigheden, maar - God lof - gij zult uw Verbonds-God altijd, zo
getrouw bevinden als Zijn Woord. Geen nacht is er of er volgt een morgen op,
geen neergeworpen zijn of een oprichten volgt, geen wintergetij, of een lente
volgt, gij zult het altoos bevinden dat uw sterkte is, gelijk uw dagen en geen
overschot.
O, welke wonderlijke ogenblikken heb ik wel doorleefd, bij het terugzien op
de weg, dien mijn Verbonds-God mij nu gedurende bijna vijftig jaren geleid
heeft door deze donkere wildernis. O, de beproevende tijden van armoede,
verdrukkingen, verzoekingen, vervolgingen en dan de bespottingen en
verachtingen beide van belijders en anderen, maar onder dit alles heeft mijn
God mij ondersteund en door dit alles heeft Hij mij veilig heen geholpen en uit
dit alles heeft Hij mij wonderlijk verlost. Niet een woord is er ter aarde
gevallen; hetgeen Hij beloofd heeft is allemaal gekomen.
Gezegend zij Zijn heiligen en heerlijke naam, mijn ziel is bij de
ogenblikken door Zijn goedertierenheid zo overwonnen, dat ik mij niet kan
weerhouden, met de dichter uit te galmen:
Uw gena mijn God, is de
grond van mijn lied,
De blijdschap mijns harten, mijn enig geniet,
Uw vrije gen’, van 't begin tot het nu,
Overwon mijn ziel en bond mij aan U,
Uw gen’ is meer dan een vuur voor mijn hart,
Waardoor het gevoelt dat zijn hardheid versmelt,
Door Uw trouwe versmolten, val 'k op de grond,
En ween tot de lof van gen’, die ik vond.
O, welk een zegen, nu en dan beweldadigd te worden met ene zoete bevinding
van de tedere barmhartigheden van een Verbonds-God. Ik sta niet verwonderd over
Davids uitroep: "Laat uw goedertierenheden mij overkomen, opdat ik leeft,
want Uw Wet is mijn vermaking". Ps. 119.
O, wat is alle belijdenis van godsdienst zonder dit? Het is enkel vertoon,
zonder wezen. Mijn lieve jongen, indien gij en ik verwachten maar altijd
vertroostingen te zullen hebben, dan zullen wij - en dit is goed hoor - zeer
teleurgesteld worden, want God heelt bepaald en dit zal onbeweeglijk staan: ìIn
de wereld zult gij verdrukkingen hebben, maar in Mij zult gij Vrede
hebben".
Daarom mijn kind, mag de Heere u houden, ziende, leunende, rustende op Hem
en vertrouwende in Hem, die immers beloofd heeft: "Uw brood wordt U
gegeven, Uw water zal gewis zijn". Jes. 33: 16.
Zend mij aanstaanden Dinsdag nog een brief, want dit is mij zeer aangenaam
en ik heb er behoefte aan.
Van Uw toegenegen Vader,
J. Warburton.
Trowbridge, 20 Maart 1844.
Beminde zoon.
Ik heb de Uwe ontvangen en was blij te vernemen dat het met Uw lichamelijke
gezondheid tamelijk wel gaat. Dit komt door de tedere barmhartigheden van een
Verbonds-God, want: ìIn Hem leven wij, bewegen en zijn wijî. Hand. 17: 28. Wat
een weldaad is de gezondheid en de kracht van ons lichaam, het gebruik van onze
ledematen en zintuigen.
Ik ben deze winter erg aangedaan met reumatiek, doch ben er niet door onder
de voet geraakt, waarvoor ik mij dikwijls tot dankbaarheid heb verplicht
gevoeld.
Ik heb uw brief niet troost en genoegen gelezen en verheugde mij daarin dat
de Heere u onder een levendige indruk houdt, dat gij dagelijks om genade moet
bedelen en dat de hulp die gij ontvangt, van Hem komt als ene soeverein vrije
gift.
Er is geen gevaar van te zullen vallen als we maar laag in het stof
gehouden worden, belast en terneer gebogen aan Zijn voeten met de uitroep:
"Heere, spreekt want uw worm hoortî. Hier is geen gevaar mijn kind, dat
men de een breken zal, alhoewel het vlees en bloed niet aangenaam is, maar
vlees en bloed zijn ook geen vrienden noch van onze onsterfelijke zielen, noch
van God. Daarom ook kunnen wij er geen schade van hebben als het verdorven,
vernietigd en in stukken verbroken wordt, want er kan nooit enige vrijheid en
dankbaarheid tot God zijn tenzij wij daar komen.
En o, wat een zaligheid als wij voor onszelf het bewijs krijgen dat God in
de hemel is en dat Hij onze arme verzuchtingen en stille tranen hoort en ziet
en ze beantwoordt, want dan ervaren wij in eigen ziel, de waarheid van Zijn
gezegend Woord: "Een man heeft blijdschap in het antwoord zijns monds, en
hoe goed is een woord op zijn tijd!" Spreuk. 15: 28.
"Zij zullen Mijn naam aanroepen en Ik zal het verhoren; Ik zal zeggen:
"Het is mijn volk en zij zullen zeggen: De Heere is mijn God". Zach.
13: 9.
Bij al deze dingen leeft men en in al deze is het leven van onze Geestes en
David zegt dat zij, bij wie geen verandering is, God niet vrezen.
"De Heere proeft de rechtvaardigen" Ps. 11: 5. Onze God verklaart
in Zijn Woord en dat staat onwankelbaar en het zal al zo zeker vervuld worden
als Hij het gesproken heeft: "En wie zichzelf verhogen zal, die zal
vernederd worden; en wie zichzelf zal vernederen, die zal verhoogd
worden". Matth. 23: 12. "Hij heeft machtigen van de tronen
afgetrokken en nederigen heeft Hij verhoogd". Luk. 1: 52.
"Nederigheid gaat voor de ere." "Vernedert u onder de
krachtige hand Gods, opdat Hij u verhoge tot Zijn tijd". 1 Petr. 5: 6.
O, dat de Heere beiden, u en mij zegene met deze dierbare vernedering in
onze harten en wij waarlijk zijn mochten als een kindeke, handelbaar in alles,
opdat de Heere verheerlijkt worde. "Leer van mij", zegt onze
gezegende Verlosser "dat ik zachtmoedig ben en nederig van hart; en gij
zult rust vinden voor uw zielen". Een nederige en zachtmoedige geest is
kostelijk voor God - want de Heere heeft een welgevallen in Zijn volk en Hij
zal de zachtmoedigen versieren met heil. Echter groeien deze dingen niet in de
hof der natuur, maar zij zijn vruchten van de Heilige Geest, door Hem
meegedeeld wanneer het Hem behaagt, en aan wie het Hem behaagd. O, wat is het
ene grote barmhartigheid, dat er zijn "Gaven voor mensenkinderen, zelfs
voor wederhorigen, opdat zij zouden wonen bij de Heere God. Ps. 68: 19.
Mijn lief kind, vrees nooit de gesel der tongen, die tegen u zouden opstaan
en die u door liet land dragen omdat gij spreekt in de Naam des Heeren; dit
moet gij verwachten, inzonderheid als de Heere werk voor u heeft en ik moet
geloven, dat dit zo is.
De duivel weet wel geraas te maken, maar sla er geen acht op, want ik
geloof dat de Heere uw bewaarder is en uw schaduw ter rechter en ter linkerhand
en niemand zal u aantasten om u kwaad te doen. "Als God voor ons is, wie
zal tegen ons zijn"?
Indien Uw oog eenvoudig is, zo zal uw gehele lichaam verlicht zijn" en
ik heb ene goede hoop dat de Heere uw oog eenvoudig gemaakt heeft tot Zijn
heerlijkheid.
Vele malen heb ik ene goede mate van vrijheid tot God ten opzichte van U in
deze aangelegenheid, dat ik overreed ben dat de Heere met U is, in uw uit en
ingaan, van nu aan en voor altijd.
Wat voor een naspraak gij ook van wereldse tongen horen mag, wees doof en
geef er geen antwoord op; laat hun tong voortrammelen totdat zij zelf er genoeg
van hebben.
In mijn vroegere dagen was ik soms zo neergedrukt onder valse geruchten,
dat ik mij er ellendig door gevoelde maar God lof, reeds een goed aantal jaren
ben ik in staat gesteld geworden en belijders, en bezitters in de hand van God
te laten en meer acht te geven hoe de zaken stonden tussen God en mijn eigen
ziel.
O, het voorrecht ene goed geweten te hebben voor God en de mensen. Ik hoop
dat de Heere U en mij bewaren zal in de vrees van Zijn Naam, al onze dagen en
dat wij bevreesd mogen zijn van Hem te onteren, en als de Heere zijn welgevallen
toont en een toeknik in mijn hart doet ontwaren, dan heb ik niet in het minst
last van de afgunstige en misnoegde blikken der mensen. ìLaat dan af van de
mens, wiens adem in zijn neus is, want waarin is hij te achten?" "De
grimmigheid des mensen zal Hem loffelijk maken en het overblijfsel der
grimmigheden zal Hij opbinden". Indien uw wegen de Heere behagen, zo zal
Hij ook uw vijanden met U bevredigen.
Wie kan ons schaden als wij navolgers zijn van het goede?
Neen, niets, noch van de wereld, noch van de hel, noch mensen, noch
duivelen.
O, dat de Heere ons nabij blijft met zijn vernederende trekkende zalving en
wij zullen Hem aankleven, waar immers alle vrede, rust, vrijheid, eer,
heerlijkheid en blijdschap te vinden is.
ìWant het heeft de Vader behaagd, dat in Hem alle volheid wonen zou",
opdat Hij de armen en de nooddruftigen zou voorzien van iedere genade die zij
nodig hebben, hetzij voor lichaam of ziel, hetzij voor tijd of eeuwigheid.
Dus hebben wij geen oorzaak om te vrezen wat ons mensen of duivelen zouden
kunnen doen, want zij zijn in de hand van Hem die zegt: ìTot hiertoe en niet
verder", en zij allen moeten Hem gehoorzaam zijn.
Wat uw hand vindt om te doen, doet dat met uw macht, ziende op Jezus, de
auteur en voleinder van het geloof, die voor de vreugde die Hem voorgesteld
was, het kruis heeft verdragen en schande veracht en is gezeten aan de
rechterhand des troons Gods. Want aanmerkt deze, die zodanig een tegenspreken
van de zondaren tegen Zich heeft verdragen, opdat gij niet verflauwt en bezwijkt
in uw zielen.
"Gij hebt nog tot de bloede toe niet tegengestaan, strijdende tegen de
zonde". Hebr. 12: 2- 4.
De Heere houd uw en mijn ziel dicht bij Zich en alles zal recht en goed
zijn.
Onder ons gaat het als kerk en volk aangenaam toe, wij leven in vrede,
liefde en vereniging en er zijn geen twisten, wie wel de meeste zou mogen zijn.
Hoe lieflijk is het dat broeders ook te samen wonen. Ps. 133: 1.
De Heere is zeer goedertieren over mij en verwaardigt mij met vele zoete
blijkjes van Zijn vriendelijk aangezicht, ofschoon ik ook door vele diepe
duisterheden heen moet en onder hardheid van het hart, vleselijkheid en
doodheid der ziel gebukt ga en dit is mij zeer smartelijk.
O, wat al bittere weeklachten moet ik uitstorten, en dan mijn ellendig
afmaken tegenover God, die zo goedertieren over mij geweest is, al deze jaren.
Hij heeft mij nooit doen beschaamd staan, maar in mijn grootste moeilijkheden
stond Hij mij bij, ja, verloste mij uit die allen.
En dan nu te ontwaren hoe slecht ik het voor Hem afmaak, hoe ellendig ik
Hem wantrouw, hoe hard en ondankbaar ik soms ben, dit smart mij aan het hart en
niettegenstaande dit alles, is Hij vriendelijk en genadig.
God Almachtig zegene U en zij U een beschutting met uw vrouw en kinderen,
Hij ga voor Uw aangezicht heen en zij uw achtertocht en dat gij mag sterk zijn
in de genade, die in Christus Jezus is, dat ik geloof dat Hij doen zal.
Van uw toegenegen Vader,
John Warburton.
Ý
Trowbridge, 10 Mei 1844.
Beminde zoon.
Ik ontving de Uw en was blij te horen dat het u allen welgaat. In ben
veilig tehuis gekomen en trof het huisgezin en de vrienden in goede welstand
aan; toch ben ik nog niet geheel verlost van de reumatiek, ofschoon ik hoop dat
het geleidelijk minder worden zal. Hoe spoedig wij aan het eind van onze dagen
zijn zullen, weten wij niet.
Wat een onuitsprekelijke genade voor onszelf te kennen hetgeen de apostel
uitroept: Want het leven is mij Christus, het sterven mij gewin. Phil. 1: 21.
Blijde was ik te vernemen dat de Heere u nabij was op de laatste rustdag.
Zijn naam zij prijs; Hij kan alle zegeningen schenken, die zulke arme wormen
mochten nodig hebben en tot wie anders zullen wij heengaan?
Neen, geloofd zij Zijn Naam, wij kunnen nergens anders gaan. Mag de Heere u
en mij daar houden, dat wij maar klein zijn in eigen oog en zitten dicht aan de
voeten van een dierbare Jezus. Mijn kind, vrees maar altijd de hoogmoed, door
God verfoeid. "Als EfraÔm sprak, zo beefde men; hij heeft zich verheven in
IsraÎl: maar hij is schuldig geworden Ba”l en is gestorven". Hos. 13: 1.
"Hij heeft machtigen van de tronen afgetrokken en nederigen heeft Hij verhoogd".
Luk. 1: 52. "Leert van Mij, dat ik zachtmoedig ben en nederig van hart en
gij zult rust vinden voor uw ziel". Matth. 11: 29.
Dat de dierbare Vertrooster u en mij mag zegenen om veel daar te verkeren
en het zal ons wel gaan. Wens niets te weten, waar gij ook gaat, dan Jezus
Christus en dien gekruist. 1 Corinth 2: 2. Houdt u doof en stom tegenover de
klapachtige tongen, want zij brengen u niets toe dan dienstbaarheid en ellende,
maar zie op de Heere allÈÈn, voor gaven, bekwaamheid, kennis, onderwerp,
uitspraak en kracht om dit te behandelen; want een dierbare medelijdende Jezus
wil dit alles schenken aan onwaardigen. "Hij is opgevaren in de hoogte,
Hij heeft de gevangenis gevankelijk gevoerd, Hij heeft gaven ontvangen (Eng.
Vert.) om uit te delen onder de mensen; ja ook de wederhorige, om bij U te
wonen o Heere God". Ps. 68: 19.
Hier is de plaats, mijn kind, waar dwazen wijsheid bekomen kunnen. "En
indien iemand van U wijsheid ontbreekt, dat hij ze van God begere, die een
ieder mildelijk geeft en niet verwijt en zij zal hem gegeven worden". Jak.
1: 15.
Uw toegenegen Vader,
J. Warburton.
Trowbridge, 5 Sept. 1844.
Beminde zoon.
De Uw heb ik ontvangen en het deed waarlijk mijn ziel goed te horen van de
goedertierenheid van een Verbonds-God ten opzichte van u. Hij is een
gebedshorend en gebedsbeantwoordend God.
Mijn ziel kan zeggen: ìIk heb lief, want de Heere hoort mijn stem, mijn
smekingen" Ps. 116: 1. Zeldzaam, wanneer mijn ziel aan de troon der genade
is voor mijzelf, of ik draag u mee.
Moeder, Emma, Rachel en Ruth en ikzelf schreiden allen op het horen van de
goedertierenheid Gods over U, ik kan niet twijfelen of de Heere zal U nabij
zijn, nochtans moet gij stormen en aanvallen van de duivel verwachten, want bij
is een gezworen vijand en haat in zijn helse geest, het beeld van de Zoon van
God; toch is het beter zijn haat, dan zijn gunst te ontmoeten.
Hij kan U nooit enige schade toebrengen, God zal al zijn vurige pijlen
beheersen en ze doen strekken te uw beste en Zijn heerlijkheid.
Ik hoop dat de Heere U dicht bij zich houden mag, met gebedsworstelingen om
Zijn wil te verstaan, om leven, teneinde gij Zijn levendmakende kracht mag
ervaren, om liefde, opdat gij Zijn dierbare Waarheid mag omhelzen; om
vernedering, opdat gij veel mag neerzitten aan Zijn gezegende voeten, om
kracht, teneinde Zijn waarheid op het hart te binden en het mag openbaar
worden, door tekenen die er op volgen, dat God met u is.
Het is ellendig gesteld mijn kind, met predikers, die dodemans hersenen tot
het volk uitbrengen, immers een prediker moet dingen voortbrengen, die hijzelf
gesmaakt heeft en die hij van God ontvangen heelt in antwoord op zijn geroep en
tranen.
Levende zielen hebben tastbare bewijzen nodig van de levende God. Alle
zegeningen, beide voor het lichaam en voor de ziel, voor de Kerk en voor de
wereld, voor de tijd en voor de eeuwigheid, zijn in Christus, die ze allen als
vrije giften, zonder prijs en zonder geld, wegschenkt aan bedelaars en
hulpbehoevenden en aan zulken die nergens anders heen kunnen.
Geloofd zij Zijn Naam! als hun tong van dorst versmacht en zij het als een
volkomen verloren zaak moeten opgeven, terwijl de duivel nog in hun oren brult:
Jaagt na en grijpt hem, want God heeft hem verlaten". Ps. 71: 11, wat een
wonder dan als een God der liefde Zijn wonderbare schatten van barmhartigheid
en genade ontsluit in Christus, en deze uit hem in hun arme, van de duivel
voortgedreven zielen afdalen.
Hoe versmelten dan immers de bergen voor Zijn aanschijn! Hoe vlieden de
duivelen voor Zijn kracht! Welke wondervolle stromen breken er uit de
wildernis! en hoe zingen die arme verdrevenen als een nachtegaal! Hoe springt
de kreupele als een hert en de arme, bevreesde, hulpeloze worm wordt zo sterk
als een reus en verkrijgt kracht om bergen te dorsen en te vermalen en de
heuvelen te stellen als kaf.
O, mijn kind, mag de Heere u biddende en wakende houden aan de poorten der
wijsheid. Hebt gij wijsheid nodig in het Woord van God, Hij kan ze u geven;
behoeft gij bekwaamheid om de Waarheid voor het volk uit te dragen, Hij kan ze
u geven; indien gij de vrijheid der Waarheid wenst te ervaren, Hij kan ze
schenken. Wanneer gij wenst Gods getuigenis in de harten van Zijn volk
bevestigd te zien, het is Zijn eigen gift,
O, welk ene heerlijkheid en schoonheid ontdekt zich in vrije giften aan
bedelaars, die geen geld hebben om te kunnen kopen! Wat zou ik hebben moeten
aanvangen waren deze vrije giften er niet geweest! Ik had moeten wegzinken om
nimmer weer op te staan; niettemin heb ik een beproevend werk bevonden en
bevind dit alsnog, als ik telkens, en uur aan uur en dag aan dag en nacht aan
nacht heb moeten bedelen en het mij toescheen alsof de hemel van koper was en
ik niets anders kon vaststellen, dan dat mijn zuchtingen niet boven mijn hoofd
klommen.
Honderden keren nam ik het besluit niet langer aan te houden, want ik was
er van overtuigd als mijn eigen bestaan dat ik de lankmoedigheid van God had
uitgeput. Hij heeft mij zo menigmaal uitgeholpen en zo dierbaar ondersteund en
dat telkens en bij vernieuwing, maar ik heb Zijn tedere zorg, vriendelijkheid
en liefde, door mijn vleselijkheid, omzwervingen, hardheid, ondankbaarheid en
verdorvenheden, alle beschrijving te boven gaande, zo slecht beantwoord, dat ik
vele, vele malen hang geweest ben, dat ik de Heere gans vermoeid had. Doch wat
moest ik aanvangen? Ik trachtte het op te geven, maar ik kon het niet; ik
poogde terug te keren de wereld in, maar ik kon niet; dus was ik genoodzaakt
neer te zitten en mijzelf te verfoeien in stof en as en daar te blijven en uit
te zien wat de Heere met mij doen zou.
Wanneer Hij mij als met een klop had willen wegdoen, ik had er amen op
moeten zeggen; doch wanneer Hij merkte op mijn geschrei en mij uithielp, dan
kroonde ik Hem als Heere der Heeren; en hier ben ik geweest, dan vrezende, dan
hopende, dan wenende over mijn ellendige gesteldheid, dan weer trachtende mij
in mijn smarten te verharden en om niets te geven, hetzij ik verdoemd of
gezaligd werd; en dan wederom onder vrees dat God mij zou doden om mijn
vreselijke onbeschaamdheid en dan wederom uitschreeuwende van uit het diepst
van mijn ziel: "O Heere, ik worde onderdrukt, wees Gij mijn Borg"
Jes. 38: 14.
"Kom ik om, dan zal ik omkomen tot u roepende".
En geloofd zij zijn Naam (want Hij heeft een Naam boven alle naam) dat hij
opstond ter verlossing: Om de verwoesting der ellendigen, om het kermen der
nooddruftigen zal Ik nu opstaan, zegt de Heere; Ik zal in behoudenis zetten,
dien hij aanblaastî. Ps. 12:6.
O, de zoete kracht van Zijn liefde en barmhartigheid, die mijn arme ziel
uit het stof heeft opgericht en mij volkomen uit de drek verhoogde, om te doen
zitten bij de Prinsen, bij de Prinsen Zijns volks. Ps. 113: 7, 8.
Wat is het heerlijk en schoon, hoe vol van majesteit om tot de prinsen te
spreken van de liefde, eer, kracht, getrouwheid, vriendelijkheid,
lankmoedigheid en tedere barmhartigheid van de ìVorst des Vredes", en hoe
arm is onze tong om zijn schoonheid, dierbaarheid en heerlijkheid uit te
spreken. Waarlijk de dichter heeft gelijk wanneer bij zingt
"De woorden zijn
slechts adem
De tong is enkel stof,
Uw God'lijk mededogen,
Gaat boven allen lofî.
Dit zijn de zaken die een dienaar van God stellen als een brandende en
lichtende kaars voor Zion, de stad des levenden Gods. Deze zijn de mannen die
de aanstoot uit de weg nemen, de banier voor het volk opheffen en die de bazuin
een zeker geluid doen geven.
De Heere zegene u mijn zoon, met een dubbele mate van de Heilige Geest,
opdat gij u mag opmaken in de Naam van het Heilig kind Jezus. De kracht van God
vergezelle uw werkzaamheden en uw ziel worde overvloedig vervuld van de
goedertierenheden des Heeren.
Wacht u van ijdel gesnap en van te praten over een anders zaken, want
zonder twijfel zal men u van alle zijden wat aandragen, doch houdt u doof en
stom tegenover zulke handelingen.
Behartig de zake Gods en zoek niets te weten dan Jezus Christus en dien
gekruist".
De Heilige Geest onderwijze uw hart in de liefde Gods en in een geduldig
wachten op Christus. Dit is de bede van
Uw onwaardigen Vader,
John Warburton.
Trowbridge, 18 Oktober 1844.
Beminde zoon.
De uw ontving ik hedenmorgen en ik veronderstel dat u op dezelfde tijd de
mijne ontving. Ik schrijf u even om mee te delen, dat ik een indruk heb op mijn
gemoed, dat voor zover ik kan oordelen, gij goed doet, de uitnodiging naar
Southill aan te nemen.
Het schijnt mij toe dat de hand der voorzienigheid dit bewerkt en wat
aangaat uw onbekwaamheid waarover gij klaagt en uw gemis aan stof, om gedurende
drie maanden voor dit volk te spreken, laat mij u dit dan zeggen mogen, dat als
de stof om te kunnen spreken moest voortkomen uit uw eigen verdorven geest, dan
zoudt gij het geen twee Zondagen kunnen volhouden, althans niet voor de levende
zielen van Gods dierbare kinderen; edoch er is overvloed van stof, overvloedige
gaven, overvloedige kennis opgelegd in het fonteinhoofd Jezus, de Heere des
levens en der heerlijkheid. En ja, geheel kosteloos wordt dit meegedeeld aan onwaardigen.
Daar moet gij gaan en bedelen en roepen, kermen en zuchten en niet aflaten,
want Hij heeft beloofd: "Doet uw mond wijd open en ik zal hem
vervullen". Ps. 81: 11. "En indien iemand van u wijsheid ontbreekt,
dat hij ze van God begere, die een ieder mild geeft en niet verwijt en zij zal
hem gegeven worden". Jak. 1: 5. "Zoekt en gij zult vinden, klopt en u
zal open gedaan worden, en wat gij begeert in Mijn Naam, het zal u gegeven
worden".
Deze zijn de woorden van Hem die niet liegen kan, wiens woorden nooit
feilden, noch ooit zullen feilen. Daarom hebt gij niet te vrezen als de Heere
uw ziel hulpbehoevend houdt en klein in uw eigen ogen, ja een arme bedelaar om
Zijn genade. De milddadigheid Gods zal u voorzien van alle nodige dingen in de
bediening, het huisgezin en de wereld, alles is toch in Hem en nergens elders.
O, dat de Heere U maar dicht bij zich houd en wacht u er voor deur uit en
deur in te lopen en godsdienst met een loze tong te behandelen.
Welk een dierbare en kostelijke raad geeft Paulus aan Timothe¸s:
"Benaarstig U om uzelf Gode beproefd voor te stellen, enen arbeider die
niet beschaamd wordt, die het Woord der Waarheid recht snijdtî. 2 Tim. 2: 15.
God Almachtig zegene u met een worstelend, roepend, biddend leven aan de troon
der Genade; en dat de Heere van tijd tot tijd Zijn goedkeuring in uw ziel doe
ervaren, ja dat Hij uw Heere is, uw deel, uw licht, uw leven, uw ondersteuner,
uw God, uw alles. Dit zal uw ziel en de zielen van het volk meer goed doen, dan
veel bezoeken afleggen en veel gebabbel in de wereld.
Van uw toegenegen Vader,
John Warburton.
Ý
Trowbridge, 8 Dec. 1844.
Beminde zoon.
Uw schrijven kwam in mijn bezit en mij dunkt dat gij lang gewacht hebt,
voor gij schreef, ook kan ik de reden van uw lang stilzwijgen maar niet vatten.
Wij verwachten tenminste iedere veertien dagen een brief van u en hoe het met u
gaat
Gij had meestal geen tijd of was zo druk bezet met uw werkzaamheden, doch
nu hebt gij tijd genoeg, het schijnt veeleer dat gij er noch hart, noch lust
toe hebt. Nu ik heb geen steen om op u te werpen, want toen uw brief mij ter
hand kwam, was ik zelf zo stomp als een muilezel en had noch hart, wens, noch
begeerte om te leven, te bidden of Gods Woord te overdenken, net zo min dan een
beest en zo bleef het met mij de gehele Zaterdag en Zondagmorgen.
In deze toestand ging ik naar de Kapel, met een gevoel alsof het mij
onmogelijk was te zullen kunnen prediken en gelovende van mijzelf, dat ik een
onkundig dwaas en ellendig mens was.
Ik geloofde waarlijk dat mijn prediking teneinde liep en dat ze met deze
dag zou besluiten. In mijn hart ook beklaagde ik de mensen die opgekomen waren
om naar zulk een dwaas te luisteren en ik beefde zeer toen ik de predikstoel
beklom.
Onder het lezen van het Hoofdstuk was mijn hart zo hard als een steen, doch
het verbrak onder het bidden, want het werd mij inderdaad een genadeweldaad dat
ik nog niet in de hel was en ik moest mij verwonderen hoe de levende God zo
goedertieren met mij handelen kon, door mij niet met een klop van voor zijn
aangezicht weg te doen.
Doch in plaats van mij in de hel te verstoten, gaf Hij mij, toen ik de
tekst las, een heropenden mond en een uitgebreid hart om iets te mogen ontwaar
worden en te mogen spreken van Zijn soevereine genade en wij hadden eenÝ goede dag.
O, welke ellendige schepselen zijn wij, als wij aan onszelf gelaten worden;
nooit kunnen wij met ellendiger duivels te kampen hebben, dan met ons eigen
duivels bestaan, en welk een goedertieren God hebben we, die zulke duivels in
menselijke gedaante nog dragen en verdragen wil.
Evangeliedienaren die door deze diepten heen moeten behoeven nooit
aangedrongen te worden om vrije genade te prediken en het schepsel laag in het
stof neer te leggen.
Dit is geen prediking die smakelijk is voor een ledige belijder van de
godsdienst, doch het is de enige prediking die past voor de armen en
nooddruftigen. En om te kunnen ingaan in de harten van Gods lieve kinderen
moeten wij kennis hebben aan dezelfde worstelingen, smarten, benauwdheden,
ellenden en neerwerpingen, teneinde wij zouden mogen bekwaam zijn om de stenen
des aanstoots uit de weg te ruimen en een banier voor het volk op te heffen.
Niettemin is het een vreemde weg voor vlees en bloed, doch een wonderlijke
weg om de hoogmoed gedood te krijgen en de mond te stoppen van ijdele roem,
maar om dan ook de kroon te leren zetten op het hoofd van een dierbare Jezus en
Hem te roemen als de Heere boven allen.
Laat enige aanstotingen van de duivel en van de helse bende die in uw hart
is, niet afschrikken, mijn jongen, want die met ons zijn, zijn meer dan die
tegen ons zijn. De woede en tegenkanting van uw oude duivelse natuur, bewijst
dat zij onvergenoegd zijn, beide over de godsdienst en ook over uw prediking.
Ga tot God met al uw noden en behoeften, Hij is een vriendelijk Vader,
ofschoon Hij soms lang vertoeft om uit te helpen en het wel schijnt dat Hij
geen acht slaat op uw gekerm en op uw verzuchtingen; want dit alles doet Hij in
Zijn liefde. hij weet Zijn eigen tijd om Zion genadig te zijn. Hij heeft Zijn
woord verpand: "Om de verwoesting der ellendigen, om het kermen der
nooddruftigen zal ik nu opstaan zegt de Heere: Ik zal in behoudenis zetten,
dien hij aanblaast", Ps. 12: 6 en Hij is nooit te kort geschoten in
hetgeen Hij beloofd heeft.
Tot op deze dag vind ik het zwaar werk bergopwaarts en dikwijls, zeer
dikwijls moet ik stilstaan en dan kan ik noch terug, noch voorwaarts gaan, ja,
dan schijnt het mij toe dat ik zulk een volkomen dwaas ben, die niets weet dan
hetgeen mij ongelukkig en ellendig maakt en dit noodzaakt mij weer tot de oude
plaats te gaan, zo zwart als de duivel zelf en daar om genade te bedelen in de
Naam van de dierbare Jezus en Hem te smeken om bij vernieuwing op mij neer te
zien en dat om Zijns Naams wil: "Laat mij uw barmhartigheden overkomen,
opdat ik leeft: Want uw wet is al mijn vermaking", Ps. 119:77.
En geloofd zij Zijn Naam, op Zijn eigen tijd en in Zijn Weg verhoorde Hij
mijn verzuchtingen en geschrei en Hij zal nooit verachten, noch verfoeien het
gekerm der nooddruftigen en Hij zal niet versmaden hunlieder gebed.
De Heere geve u tot Hem te gaan met al wat u drukt, want in Zijn hand is
alles om te kunnen geven wat hulpelozen en onwaardigen behoeven en nodig
hebben, om het even wat het zijn mag, Hij kan en wil het vervullen,
overeenkomstig Zijn rijkdom en heerlijkheid door Christus Jezus.
Hoe kunt gij zinken, met zulk een steunpunt als uw eeuwige God? die de
aarde vast zet door Zijn kracht en de sterren aan de hemel doet lichten.
Wordt krachtig in de Heere en in de sterkte Zijner macht want uw schoenen
zullen ijzer en koper zijn en uw sterktegelijk uw dagen.
"Alle instrument dat tegen u bereid wordt zal niet gelukken en alle
tong die in het gericht tegen u opstaat, zult gij verdoemen, dit is de erve der
knechten des Heeren en hun gerechtigheid is uit Mij, spreekt de Heere".
Jes. 54: 17.
Wij allen zijn in goede welstand, maar moeder en de anderen zijn soms een
beetje uit hun humeur, dat gij ons zo weinig laat weten, hoe het met u gaat.
Gij weet het, waar grote liefde en toegenegenheid is, daar is een grote
begeerte om dikwijls te vernemen hoe de zaken staan, ik hoop dus dat gij
meermalen zult schrijven.
Voor zover ik kan oordelen, toen ik te Liverpool was, is daar grote dorst
naar de zuivere bevindelijke Waarheid.
Mijn vriendelijke groeten aan de heer Bennet en aan de vrienden die naar
mij vragen.
Van uw toegenegen Vader,
John Warburton.
Trowbridge, 25 januari 1845.
Beminde zoon.
Ik heb de uw ontvangen en de inhoud daarvan verheugde waarlijk mijn hart.
Wie is een God gelijk onze God? die het gebed hoort en die een hulp is in de
tijd van benauwdheden. O, maak Zijn Naam groot. Hij weet te vernederen, ook te
verhogen opdat Hijzelf de eer en heerlijkheid bekomen zou.
Ik hoop dat de Heere Emma zal verwaardigen met een vernederend gezicht van
de goedertierenheid van een God des Verbonds en Zijn tedere barmhartigheden
hoop ik, zullen bekend worden door haar op te richten, tot Zijn eer en
heerlijkheid.
Wat is Hij een vriendelijk barmhartig Vader voor zulke onwaardige
schepselen! Wat is het zoet en aangenaam Hem te loven en te prijzen, wanneer
wij een vernederende indruk van Zijn goedertierenheid en vriendelijkheid in
onze harten geschonken worden: ìLoof de Heere mijn ziel en vergeet geen van
Zijn weldaden". Ps. 103:2.
Het is een zoete zaak, mijn jongen, God te leren kennen als onze
gebedshorend en gebedsbeantwoordend God.
Zulk een heeft blijdschap in het antwoord zijns monds en hoe goed is een
woord op zijn tijd! Spreuk. 15: 23.
Duizenden ledige belijders zijn volkomen bevredigd met hun ledige gebeden,
maar het arm, belast, beproefd, verdrukt en ontmoedigd Kind van God heeft een
antwoord nodig, aleer zijn ziel kan zingen en zeggen: ìIk heb lief, want de
Heere hoort mijn stern, mijn smeking". Ps 116: 1.
God zegene u, mijn kind, met vele van zodanige dierbare openbaringen,
waarin Hij bewijst uw God te zijn; Hij die heeft verlost en nog verlost en nog
verlossen zal.
Mijn zoon, wees sterk in de genade, die in Christus Jezus is, Hij is uw
God, en Hij zal u nooit begeven, noch verlaten.
Kleef Hem achter aan ter vervulling van al hetgeen gij mocht nodig hebben,
en in het openbaar en in het verborgen, voor het huisgezin en voor de Kerk.
Alles is in Zijn handen en Hij wil om dit alles gevraagd en gebeden zijn. Laat
al van uw eigen wijsheid, vertrouwt op de Heere en voedt u met getrouwheid. Ps.
37: 3 ìwant zij die op de Heere vertrouwen, zijn als de berg Zions, die niet
wankelt, maar blijft in eeuwigheid. Ps. 125: 1.
Er gaat nauwelijks ÈÈn dag voorbij, of gij bent met mij in mijn toenadering
tot de troon der genade en dan ontmoet ik zulk een opening en toegang tot God,
wat u aangaat, dat mijn ziel bij tijden als overwonnen is, door des Heeren
goedertierenheid, in het aannemen van mijn geringe verzuchtingen om Christus
wil, dat ik moet uitroepen: "Gij bent mijn God, daarom zal ik u
verhogen!"
De Heere beware u om niet uw mond te steken in een andermans zaken. Volgt
altijd het goede na en dan kunnen mensen noch duivelen u schaden en zie ook
gedurig op tot God, om wijsheid, om stof, om leven, licht en vrijheid voor de
predikstoel.
Sla geen acht op de ellendige tongen van nietige sprinkhanen, de een zal
dit, de ander wat anders zeggen, "Want niet die zichzelf prijst, maar dien
de Heere prijst, die is beproefd. 2 Corinth. 10: 18.
Dit woord zal eeuwig waarheid zijn, want zegt de Heere
"Die Mij eren zal Ik eren, maar die Mij versmaden zullen licht geacht
worden". 1 Sam. 2: 30.
De Heere onderwijze u, onderhoude u, lere u, beschutte u en zij met u en
dan is er niets te vrezen, noch van hemel, aarde, engelen, mensen noch
duivelen.
Blij was ik te horen, dat de Kapel vol was. Laat mij weten hoe gij het
maakt te Southill. Met ons gaat het de gewone gang, de Heere is zeer goed en
doet ons zijn barmhartigheden zo voor ziel als lichaam rijkelijk ontmoeten
Uw onwaardigen Vader,
John Warburton.
Trowbridge, 14 Mei 1845.
Beminde zoon.
De uw is in mijn bezit, ik was inderdaad nieuwsgierig wat wel de oorzaak
zijn mocht, dat gij niet schreef, want ik ben er zeer opgezet te mogen weten,
hoe het met u gaat.
Het zwaarmoedig verhaal dat gij van uzelf doet maakt mij niet wanhopig.
Beter is dat gij tot aan de hals in de mesthoop zit, dan dat gij zoudt
opgeblazen zijn in hoogmoed, vermetelheid en trots: "Beter is het nederig
van geest te zijn met de zachtmoedige, dan roof te delen met de hovaardige,
Spreuk. 16: 19, want God heeft voorgenomen machtigen van de tronen al te trekken
en nederigen te verhogen". Luk. 1: 52. Echter is het een ellendig en
dodend werk voor ons vlees en bloed, om ontdaan te worden van al onze
vertroostingen, van al ons licht, leven, geloof, liefde, geduld, gebed en
dankbaarheid en dat we niets overhouden dan juist zoveel licht en leven, om ons
te doen beseffen dat wij volkomen ellendig zijn en dat ons doet uitroepen: Ik
ellendig mens! O, monster die ik ben! Waarlijk zulk een ellendige als ik ben,
is er niet!"
Mijn lieve jongen, ik ken er iets van en honderden keren in deze mijn ellendige pelgrimstocht, heb ik met smart gevoeld, wat het is door deze diepten heen te moeten; dus is het mij niet vreemd, want ook het grootst gedeelte van de tijd sedert ik van mijn reis ben thuis gekomen, heb ik in mij ontwaard bijna niets dan vleselijkheid, duisternis, onvruchtbaarheid, hardheid en ellendigheid, alle beschrijving te boven gaande.
Wat zijn wij mijn kind, als de Heere ons overlaat aan de duivel en ons
eigen boze hart? een samenstel van zonden en niets dan dat en hier moeten wij
gebracht worden om het bij bevinding in onze ziel te leren kennen dat in ons,
dat is in ons vlees, geen goed woont.
Wat anders is het, hierover wat te lezen en er over te praten en wat anders
dit te gevoelen en te ondervinden.
Door zielservaring kunnen wij getuigen dat het God is die levend maakt en
die het leven onderhoudt, dat God het is die trekt en anders is er in ons geen
beweging om Hem te volgen; dat het God is die vernedert en anders kunnen wij
niet zitten aan Zijn voeten; dat het God is die Zijn licht doet schijnen en
anders is er niets dan duisternis, dat het God is die ons ophoudt en anders
moeten wij verzinken, dat het God is die eeuwig redt en anders zijn wij eeuwig
verloren.
Doch, geloofd zij Zijn Naam, dit is de weg dien Hij inslaat om Zijn
dierbare Waarheden ons te leren en om mij te brengen tot Hem met smekingen en
geween, om te verkrijgen die dierbare genaden en zegeningen die Hij in Christus
heeft opgelegd ten behoeve van arme bedelaars; want Hij heeft in Christus
oneindige zegeningen bereid en die allen kunnen verkregen worden zonder geld en
zonderprijs.
God geve ons, arme, kreupele, hulpbehoevende, waardeloze, helverdiende
schepselen tot Hem te komen, met al onze noden, want Hij wil al onze nooddruft
vervullen naar Zijn rijkdom in heerlijkheid door Christus Jezus. Filip. 4: 19.
Nooit heeft Hij de ellendigen en nooddruftigen aan zichzelf gelaten en ik
ben er van overtuigd, dat Hij dit nooit doen zal.
Van uw toegenegen Vader,
John Warburton.
Trowbridge, 22 Aug. 1845.
Beminde zoon.
De uw heb ik ontvangen en ik was zeer blij daaruit te vernemen dat het u
allen welgaat en gelukkig verkeren ook wij nog in goede welstand. Uit uw brief
zie ik, dat dwaasheid, onvruchtbaarheid, hardheid, blindheid, kortom allerlei
soort van duivelse dingen te Southill zijn, evenzeer als te Trowbridge. Sedert
ik ben thuis gekomen, heb ik veel daarvan in mijn hart ontmoet, want een
veertien dagen achtereen, scheen het mij werkelijk toe, dat geheel mijn
godsdienst en mijn prediking teneinde gelopen was en mij niets was overgebleven
dan nu en dan een diepe zucht tot God, dat Hij nog eens op mij wilde neerzien
en dat Hij in tedere barmhartigheid mij wilde opvoeren, uit de afgronden der
aarde, en mij niet overlaten aan de duivel en mijn eigen hart.
Ik vreesde echter dat ik een vriendelijk God beledigd had, dien God die mij
zovele jaren tot een tijdige hulp geweest was en dat in zeer moeilijke en
smartende omstandigheden, ja dat Hij mij ten laatste geheel los gelaten had en
Hij mij niet langer wilde noch kon verdragen. Dit stond als een paal boven
water in mijn gemoed, dat als God mij verlaten had, het met mij gedaan zou zijn
en dit deed mijn ziel Hem achteraan kleven.
O, het kermen, de zuchtingen, de tranen en de worstelingen die ik uren
achtereen had! maar geen antwoord. Wat te doen? Waarheen het te wenden? Laat
Gij mij los, dan kan ik geen rust vinden in de dingen der wereld; daarin heeft
mijn arme ziel om en omgedoold, maar het was mij alles ijdelheid en kwelling
des geestes. Ik kan niet leunen op een vleselijke arm, want bij de gedurigheid
heb ik bevonden, dat de oprechtste is als een doornhegge.
Ik kan niet zien op mijn welbesteed leven, want mijn goedheid raakt niet
tot u. Ps. 16: 2. Ik ben een laag, ongehoorzaam schepsel. Ik kan niet zien op
mijn goddeloos hart, want dat schijnt mij toe een werkplaats des duivels te
zijn. Ik kan niet zien op de Bijbel, want dat is een verzegeld boek.
Op mijn geloof kan ik niet zien, want ik heb dit niet, dan alleen in
zoverre dat ik de hel verdiend heb, even goed als de slimste duivels.
Mijn ziel riep uit Heere waar zal ik heengaan dan tot U?" En ik
gevoelde in mijn hart, dat ik moest opzien tot de bergen, vanwaar mijn hulp
komen zal.
O, mijn kind, het is een harde arbeid, hier elk ogenblik te liggen worstelen,
onder liet brullen der duivelen, terwijl het hart allerlei vuil en zonde
opwerpt, het geweten beschuldigt, de Bijbel verzegeld is, de wereld grimt en
God zijn aangezicht verbergt.
Doch niettegenstaande al hetgeen de duivel en mijn duivels bestaan doen kunnen,
houdt God mij nog kermende en worstelende aan zijn genadedeur, dat Hij nog eens
komen wilde in mijn arme zie) en mij een leken ten goede doe ontwaren, dat Hij
mijn God is, dat Hij bij mij is, om mij te leiden, te beschutten, te
ondersteunen en te verlossen.
De duivel en de oude mens brulden vreselijk en zeiden mij dat het een
vreselijke vermetelheid was, mijn zonden te durven belijden voor dien God, die
zo goed voor mij geweest was; en dat ik Hem met zoveel onverschilligheid had
bejegend, dat Hij niet langer met mij wilde te doen hebben. Maar ik riep
wederom uit: "Waarheen zal ik gaan?
Is er een andere plaats waar ik rust en vrede vinden kan?
En terwijl mijn ziel het uitschreeuwde: Is er een andere plaats?" Kan
er een andere plaats zijn die mijn ziel rust en vrede geven kan? daalde er een
zoet woord in mijn ziel, dat het gebeente verbrak: "Keer weer tot uw rust,
o mijn ziel, want de Heere heeft aan u wel gedaan. Ps. 116: 7.
Het was niet alleen een zacht antwoord dat het gebeente verbrak, maar het
ging vergezeld met zulk een gloed van licht en heerlijkheid, dat ik kon zien,
dat goedertierenheid en weldadigheid mij al de dagen des levens gevolgd waren
en dat ÈÈn woord ter aarde gevallen was, van al de woorden die Hij ooit beloofd
had. Zij waren allemaal gekomen.
Ook was het niet slechts een woord van licht, maar het was een woord van
geest en leven, want ik gevoelde mijn hardheid wegwijken en verbreking,
vernedering, dankbaarheid, liefde, vrede, blijdschap en alles wat mijn ziel
wensen kon, kwam in de plaats. Ik was zo onder de indrukken van de tedere
barmhartigheden van een God des Verbonds, gedurende een half uur, dat ik mij
geheel verloor in de wil des Heeren en uit grond mijns harten kon ik zeggen:
"Niet mijn wil, maar Uw wil geschiede". Matth. 6: 10. O, wie is een
God gelijk onze God! die nog draagt en verdraagt zulke Godonterende schepselen.
Enige lessen als deze, mijn jongen, zullen ons onderwijzen hoe wij zullen
prediken de eeuwigdurende liefde en de verkiezing van God de Vader; de
rechtvaardigende gerechtigheid en de algehele en eeuwige zaligheid door het
verzoenend bloed van God de Zoon; de zekerheid van het werk der genade,
begonnen, voortgezet en tot in eeuwigheid volmaakt door God de Heilige Geest in
de harten van al de uitverkorenen en de zekerheid dat ze vruchten der genade
zullen voortbrengen in hun leven, door het verzaken van de goddeloosheid en de
wereldse begeerlijkheden en door godzalig en oprecht te leven in deze
tegenwoordige boze wereld. Wie is een leermeester als onze God? Mag de Heere u
en mij maar ten allen tijde onderwijzen, twee arme hulpeloze, nietige
zuigelingen, die ik hoop, dat God in de bediening gesteld heeft, tot eer van
Zijn naam.
Het is veelmalen tot verwondering van mijn ziel, dat Hij ooit Zijn keus
heeft laten vallen op twee zulke dwaze schepselen. Zo ongeschikt om te worden
verkozen, zo onwaardig ÈÈn kruimeltje genade en om de mond 6ods te zijn, een
gouden pijp waardoor de heilige olie afvloeit tot de gouden kandelaar; een vat
voor de hemelse schatkamer, een rentmeester voor de Koning der Koningen, om
Zijn huishouding waar te nemen, Zijn boodschappen te doen en Zijn prinsen en
prinsessen te bedienen.
Dit overweldigt mij, mijn kind! O, dat de lieve God ons nederig houd aan
Zijn voeten, bedelende om en wachtende op een boodschap, om die uit te dragen
tot Zijn volk.
Het is mijn ervaring en dat zal het blijven zolang ik in dit tranendal zijn
zal, dat de huishouding van het geloof niemand heeft nodig gehad noch ook
iemand zal nodig hebben, die haar lere, maar gelijk diezelfde zalving haar
leert van alle dingen, zo is zij ook waarachtig en geen leugen. 1 Joh. 2: 17.
En wie bij ook zij of wat hij ook zij, die tot het levende huisgezien van God
komt, ontbloot van de heilige zalving van God de Heilige Geest, bij zal niets
zijn dan een klinkend metaal. Hij mag een groot geluid geven, maar het is geen
leven gevend geluid; hij mag spreken over genade, maar er is geen zout in om
het smakelijk te maken; en wordt ook het onsmakelijke gegeten zonder zout?
Hij mag een overvloed van woorden hebben, maar wat is dit zonder de kracht
van God? het Koninkrijk Gods is niet gelegen in woorden maar in kracht". 1
Corinth. 4: 20.
O, dat de Heere u en mij daar houden mag, wakende en bedelende aan de
genadedeur, om elke nodige zegen; want die kan Hij en wil Hij geven aan armen
en nooddruftigen.
O, dat de Heere ons bewaren mag voor een vleselijke, levenlozen, wereldse
geest en dat Hij onze zielen levendig houd in Zijn Waarheid, opdat wij van dag
tot dag mogen wandelen in de vrees des Heeren en de leer van God onze
Zaligmaker versieren in ons leven, met ons gedrag en samenspreking in de
wereld, in de kerk en in ons eigen huis; opdat wij weldoende de mond stoppen
mogen van de tegensprekers. En wie zal ons kwaad doen, als wij navolgers zijn
van het goede".
Daarom, mijn zoon, wees sterk in de genade die in Christus Jezus is; want
iedere nodige zegening is in Hem verborgen. "Want het is des Vaders
welbehagen dat in Hem al de volheid wonen zou". Kol. 1: 19. Het is uit
Zijn volheid dat wij ontvangen genade voor genade en het is een ellendig werk,
wanneer mannen die belijden, bedienaars van het Evangelie te zijn, wat dodemans
hersenen moeten doorsnuffelen, om voor de levende Kerk van God te kunnen
prediken.
Is dit niet de dood in de pot? Het mag voor dode belijders genoeg zijn,
voor levende bezitters is het te kort, want zij zien uit naar ene levende
bediening.
Mag de dierbare Vertrooster, in uw uit en ingang, U zegenen met Zijn
dierbare zalving en dat de vrees Gods u dagelijks vergezelle op alle paden die
gij gaan moet, opdat gij niet terzijde afdwaalt en u afkeert van Uw God en
Zaligmaker om Hem te dienen, te gehoorzamen, te prijzen en te verheerlijken.
Hij immers heeft grote dingen voor u gedaan en ook heeft Hij de roede gereed
voor de ongehoorzamen.
De Heere geve ons ene tedere consciÎntie en die ons vrezen van Hem te
beledigen. Geve Hij u ook liefde voor het dierbare Bijbelwoord, opdat gij
daaruit mag ervaren, dat het een licht op uw pad en een lamp voor uw voet is en
verwaardige Hij u met verstand om zijn volk met wetenschap en verstand te
kunnen voeden.
Doch ik moet deze afsluiten, want ik begin te denken dat gij zult vermoeid
zijn van het lezen van dit gekrabbel.
Mijn vriendelijke groeten aan Emma, ik hoop dat het haar en de kinderen
welgaat. Mijn groeten ook aan allen die naar mij vragen. Ik denk de volgende
week Woensdag van huis te gaan naar Manchester, des avonds te Bath te blijven,
Donderdagsmorgen verder te gaan en te Manchester diezelfde avond aan te komen.
De Heere, hoop ik, zal met mij gaan, anders zal liet een ellendige onderneming
zijn. Dat, God u zegene, mijn kind, is de bede van uw toegenegen Vader
J. Warburton.
Trowbridge, 21 Nov. 1845.
Beminde zoon.
Uw laatste brief in Oktober heb ik ontvangen, echter had ik voor deze nog
een brief verwacht. Ik veronderstel dat gij gereed bent te zeggen, dat gij er
ook reeds lang een van mij verwacht hebt. Dit geloof ik, maar na mijn terugkeer
van Manchester ben ik verscheidene weken erg aangetast geweest met spit in de
rug, zodat ik niet in staat geweest ben te schrijven tot nu toe.
O, wat een barmhartig, vriendelijk, onveranderlijk God en Vader hebben wij;
wat ene verdraagzaamheid oefent Hij dagelijks tegenover zulke ongelovige,
waardeloze schepselen; welke tere barmhartigheden doet Hij ons dagelijks
ontmoeten.
Mijn ziel is bij de ogenblikken als verslonden in Zijn goedertierenheden,
want Hij ontsluit Zich als een God der Voorzienigheid en der Genade en dat aan
een zo onwaardig schepsel als ik ben; de minste van al de heiligen. Maar ach,
wanneer Hij wijkt met de indrukken Zijner goedheid, dan ben ik zo ongevoelig
als een beest en als de snoodste goddeloze op de gehele wereld.
Het schijnt mij soms toe, dat ik niet meer geloof, liefde, geduld, gebed of
geestelijke zegen in mijn hart heb, dan er in de duivelen is.
O, mijn kind, wat doet dit mij heen en weer waggelen gelijk een dronken
man, verwonderd uitziende wat wel het einde zal kunnen zijn. Zal ik ten laatste
nog als een afvallige openbaar worden? Kan het mogelijk zijn, dat God mij nog
langer zal willen dragen? En ik draag de gewisse overtuiging in mij om, dat Hij
dit niet zou kunnen doen, waren Zijn gedachten gelijk mijn gedachten en Zijn
wegen gelijk mijn wegen. Maar geloofd zij Zijn Naam, Hij is de Heere, die niet
verandert, daarom ben ik, arme worm, niet verteerd; en daarin heb ik oorzaak om
Hem te aanbidden, te danken, te beminnen, te prijzen en Hem te kronen als de
Heere alleen.
O, als Hij invloeit met Zijn goedertierenheid en door Zijn tedere
barmhartigheden mijn hart in stukken breekt, de armen bedelaar uit het stof
doet opstaan en de nooddruftige uit de drek verhoogt, hem doet zitten onder de
prinsen Zijns volks, o, mijn kind, dan moet ik spreken van de heerlijkheid van
Zijn Koninkrijk en vertellen van Zijn macht.
Dan moet ik spreken van niets anders dan van des mensen leegheid en van
Christus' volheid; van des mensen naaktheid en van Christus' gerechtigheid; van
des mensen bederf en van het reinigend bloed van Christus; van des mensen
hulpeloosheid en van Christus' almachtige kracht; van des mensen nietigheid en
van Christus' algenoegzaamheid. Alzo is het alles uit Hem en door Hem en tot
Hem, Hem zij heerlijkheid tot in eeuwigheid. Amen.
Geloofd zij Zijn Naam! Wat betoonde Hij mij steeds een vriend te zijn!
Wanneer ik niets anders kon verwachten dan een norse blik, dan heeft Hij mij
toegelachen; wanneer ik niets anders in 't gezicht had dan verdoemenis, heeft
Hij mij zaligheid geschonken; wanneer ik niets tegemoet zag dan te sterven in
de kerker, heeft Hij mij gebracht in Zijn paleis; wanneer ik dacht door de duivel
te zullen worden verslonden en mijn eigen goddeloos hart mij overstelpt had,
zodat de arme bedelaar maar even zoveel kracht behield om te kunnen uitroepen:
"Laat de put Zijn mond niet over mij toesluiten", dan heeft Hij zich
in gunst geopenbaard.
Lof zij Zijn Naam! dan heeft Hij het geroep van de ellendige gehoord en is
Hij ontwaakt als een machtig held om al mijn vervloekte vijanden op de
kinnebakken te slaan dan heeft Hij mijn ziel gered uit de leeuwenkuil en mij in
vreugde van het hart doen uitroepen: ìVerblijdt u niet over mij, o mijn
vijandin, wanneer ik gevallen ben, zal ik wederom opstaan, wanneer ik in
duisternis zal gezeten zijn, zal de Heere mij een licht zijn". Micha 7: 8.
Ofschoon een oorlog tegen mij opstond, dan zal ik vertrouwen op de Naam des
Heeren.
Daarom kan ik Hem loven, zulk een vriend van arme bedelaars. Mijn lieve
jongen, ik was zeer blij, uit uw laatste brief te verstaan dat gij op de lijst
der bedelaars stond.
God heeft nooit ene ziel op Zijn bedelaarslijst gehad en zal er ook nooit
een op krijgen, die niet de overwinning over haar vijanden bekomen heeft en die
niet heeft kunnen uitroepen: overwinning, overwinning!"
Toen Ezau de arme Jakob tegemoet kwam met vierhonderd mannen, ging deze tot
Zijn God als een bedelaar en welk ene wonderlijke overwinning verkreeg hij.
IsraÎl was besloten aan de Rode Zee en zag niets dan de dood voor ogen, doch
Mozes ging als een bedelaar tot de Heere en o wonder, Hij hoort en beantwoordt,
brengt IsraÎl door de zee, doch al zijn vijanden om het leven.
Amalek beoogde IsraÎls ondergang, de arme bedelaars gingen met hun geroep
tot hun nooit beschamende rotssteen en zij verkregen de overhand en zeiden:
"De Heere zal de gedachtenis van Amelek geheel uitdelgen van onder de
Hemel.
De arme Elia werd door een hoofdman en zijn vijftigen bevolen van de berg
al te komen, opdat zij hem zouden mogen overleveren aan de Koning, maar Elia
riep tot zijn God en een vuur daalde neer van de hemel en verteerde hem en zijn
vijftigen. 2 Kon. 1: 10. Eliza werd omsingeld door het leger der AssyriÎrs,
maar hij riep tot zijn God, dat bij ze met blindheid slaan mocht en hij leidde
het ganse leger tot in het midden van Samaria en gaf ze in de hand van de
Koning IsraÎls. 2 Kon. 6: 20.
Achitofel beoogde Davids ondergang, maar Davids geschrei klom op tot God:
"Heere maak Achitofels raad tot zotheid" en God verdwaasde zijn raad
en hij ging een en verhing zichzelf. 2 Sam. 17: 23.
Hiskia was omringd met een geweldig leger, dat gereed stond om hem en
Jeruzalem als op te slokken, doch hij riep tot zijn God en de Heere stond op en
sloeg in het leger der AssyriÎrs honderd vijfentachtig duizend en als zij zich
ës morgens vroeg opmaakten, ziet! het waren allen dode lichamen. 2 Kon. 19:35.
O, mijn lieve jongen, wat een genade, wat een eer! op de bedelaarslijst
geplaatst te zijn, elke ziel die bier op voorkomt zal iedere storm doorstaan en
de overwinning behalen. Gij behoeft er niet beschaamd over te staan, omdat gij
daar op voorkomt.
Ik weet het, het vlees heeft er geen zin aan, maar wat is het vlees, het is
geen vriend, noch van u noch van mij; wij hebben dit telkens ondervonden, het
is een gezworen vijand van God en van de ziel en begeert altijd tegen het
vlees, zodat wij niet kunnen doen hetgeen wij willen.
Ik sta bijna vijftig jaar op de bedelaarslijst en ik moet er nu nog meer
gebruik van maken dan vroeger. Geloofd zij God, dat Hij mij bedelende houdt aan
Zijn genadedeur, om mij te onderwijzen, te leren, mij te helpen, mij te
beschermen, mij te verzorgen en dat Hij mij nooit verlaten, noch begeven zal,
want mijn ziel weet het, dat ik zonder Hem niets doen kan.
Honderden keren ben ik in vrees geweest dat ik Zijn lankmoedigheid had
uitgeput en dat Hij nooit weer verschijnen zou. Maar God zij geloofd "De
liefde vergaat nimmermeer" en ik geloof dat Hij nog vriendelijker,
tederder en medelijdender is dan Hij ooit geweest is. Ik ben zo hulpbehoevend,
zo onkundig en zo'n zuigelingetje, dat ik elk ogenblik Zijn tedere ontferming
nodig heb.
Wat is het een genade aan Jezus' voeten neer te zitten, om van Hem te leren
dat Hij zachtmoedig is en nederig van hart, geen boosheid, vooroordeel, kwaad
spreken, wordt hier gevonden, maar ootmoedigheid, rust en vrede.
O mijn kind, dit vergunne God aan uw en mijn ziel, dit is de plaats waar
het kwaad overwonnen wordt door het goed, om te zegenen, wanneer men ons
vloekt, om te bidden voor degenen die ons geweld aandoen en om goed voor kwaad
te vergelden.
Wat beduidt praten als er geen ootmoedige wandel mee vergezeld gaat;
"het spreken der lippen leidt alleen tot gebrek".
Ik zag uit uw schrijven dat gij enige ontmoet had, die zulk een liefde tot
u schenen te hebben dat zij hun ogen, indien mogelijk zouden hebben uitgegraven
en ze u gegeven, doch die nu uitroepen: "Weg met hem!"
O, mijn kind, gij zult hiervan meer ontmoeten als gij in staat gesteld
wordt om de volle raad Gods te verkondigen, hetzij men het horen wil of niet.
Maar wat gaat u dit aan?
De grimmigheid des mensen zal Hein lollelijk maken en het overblijfsel der
grimmigheden zal Hij opbinden. Ps. 76: 11.
Geef geen acht op de woede des mensen, God kan en zal ze besturen veel
beter dan wij dit kunnen: "Mijn is de wraak, Ik zal het vergelden, zegt de
Heere". Hebr. 10: 30 en dit heb ik veelvuldig gezien gedurende mijn
pelgrimstocht door deze wereld.
Ik hoop dat gij mij spoedig een lange brief schrijven zult en laat mij
daarin weten hoe gij het te Southill maakt en hoe de zaken staan te Leicester.
Schrijf eens wat meer bijzonderheden en niet zo maar alleen de voornaamste
dingen. Met ons gaat het tamelijk wel, ook in de kapel zeer aangenaam; onze
vriendelijke groeten aan de heer en mejuffrouw Harrison en aan alle vrienden
die ik liefheb in de Heere. Ik hoop dat de Heere onder ulieden zij en dat Hij
Zijn machtige arm bekend maakt, betonende dat Zijn Koninkrijk niet bestaat in woorden
maar in kracht; dit is de wens van uw onwaardige doch toegenegen Vader,
John Warburton.
Ý
Trowbridge, 8 Dec. 1845.
Beminde zoon.
Het leeft wel in mijn gemoed om eens een Zondag naar Southill te komen,
maar ik geloof dat het beste zal zijn te trachten het daarheen te leiden, dat
dit kan zijn op de laatste Zondag in Maart, de dag ook waarop gij het oog hebt.
Ik sta er verwonderd over dat er nog ÈÈn mens is, die kan uitzien naar zo
een ouden dwaas als ik ben, die dan zou trachten te spreken in de naam des
Heeren Heeren, die de hemel en de aarde gemaakt heeft. Ik zie en gevoel mijzelf
zo'n onkundigen dwaas in het Woord van God, dat het mij soms toeschijnt als
verregaande onbeschaamdheid, het te durven wagen om op te treden in de Naam des
Heeren en dan is het mij een wonder hoe ik het al deze jaren heb kunnen
volhouden; het schijnt mij een droom te zijn.
Ik ben inderdaad zo vleselijk, zo dom, zo blind, zo doods, zo duivels, als
had ik geen greintje of sprankeltje genade in mijn ziel en ik ben er ook van
overtuigd, dat niet meer genade is in de oude mens, dan er is in de duivel.
O, de smart en droefheid die in mijn hart te voorschijn gebracht wordt,
door het zien en gevoelen van mijn ellendige omzwervingen van de fontein van
het water des levens! Al mijn ongeluk en ellende spruit uit mijzelf, ik behoef
anders nergens heen te zien, van waaruit dit zou kunnen voortkomen, dan in
mijzelf. "O, ellendig mens" Rom. 7: 24.
Ik kan geen stenen opnemen om ze te werpen op huichelaars, dronkaards,
hoereerders, leugenaars, vloekers, moordenaars, neen, zelfs op geen duivels. Ik
hoop dat ik in een kleine mate er iets van ken wat Paulus bedoelt, als hij
zegt: "Wat onderscheidt u en wat hebt gij dat gij niet ontvangen
hebt". 1 Corinth. 4:7.
Maar gij zult gereed zijn te zeggen: Hebt gij niets te zeggen tegen de
Heere? Mijn lieve jongen, niet ÈÈn woord kan ik tegen God ten kwade aanvoeren.
"Hij heeft alles welgedaan, en Hij heeft zich altijd bewezen een krachtige
hulp in benauwdheden".
Als er geen oog was dat medelijden met mij had, geen arm om mij te helpen,
dan heb ik Zijn eeuwige armen gevoeld, mij ondersteunende, mij bewarende van
niet weg te zinken, doch Hij beproeft mij bij de ogenblikken door verberging
van Zijn aangezicht waaruit die grote vrezen, bevingen en verschrikkingen
voortspruiten, dat Zijn goedertierenheden voor altoos een einde hebben en dat
Hij mij nooit wederom begunstigen zal en dan moet mijn ziel uitroepen: hebt gij
uw barmhartigheden door toorn toegesloten?" O Heere breng mijn ziel uit de
gevangenis om uw naam te loven". Ps. 142:8.
En geloofd zij Zijn dierbare Naam, op Zijn eigen tijd en Zijn eigen weg
brengt Hij de armen, ouden, blinden dwaas uit en dat door een weg dien bij niet
weet en bij leidt hem door paden die vlees en bloed niet kunnen bezien en maakt
de duisternis tot licht.
Dan wordt het oude versje weer nieuw voor mij: "De Heere is mijn licht
en mijn heil, voor wie zou ik vrezen?". Ps. 27: 1.
Zo ziet gij, mijn lieve jongen, dat ik van de bediening der liefde moet
afhangen en wat ene grote genade dat de liefde nooit te kort schiet. De liefde
heeft mij bijna een vijftig jaren verzorgd, in mijn hinken, in mijn op en neer,
op het vanouds betreden pad der verdrukking en zij heeft mij nog niet verlaten
en dat niettegenstaande ik bij de ogenblikken zo diep was terneer gezonken en
vreesde dat ik Zijn goedertierenheden had uitgeput, benevens de vrees of ik zou
volharden tot het einde toe. En gij kent het woord: "Die volharden zal tot
het einde toe, die zal zalig worden". Matth. 24: 13.
O, dat ik mag gevonden worden onder die 'gelukkigen, die zich niet
onttrekken ten verderve, maar geloven tot behouding der ziel. Hebr. 10: 39.
Ik hoop dat ik nooit mag worden overgegeven aan een verhard, ongevoelig en
vermetel vertrouwen. Ik heb behoefte aan dat sterk vertrouwen, dat vergezeld
gaat met de vrees Gods, teerheid van het geweten, vernedering en
zelfverfoeiing. Dit alleen doet mijn ziel uitgaan in liefde tot God en om Hem
de ere te geven; en dit doet mij bevreesd zijn, van Hem te beledigen met
gedachten, woorden en werken.
Mijn ziel bemint die godsdienst, die mij aan het beeld van Christus
gelijkvormig maakt. O, de genadeweldaad om van Hem te leren, dat Hij
zachtmoedig is en nederig van hart; hier is de ware rust en nergens anders.
Het is een uitnemende zegen, mijn kind, om klein gehouden te worden in
eigen oog en de minste van al de heiligen. Niemand die onwettig gestreden heeft
zal gekroond worden. God heeft bepaald en mens noch duivelen kunnen dit teniet
doen, dat hij die het grootst geacht wordt door het volk van God, de minste is
in eigen schatting.
Wat een kostelijke plaats is het daar te zijn; daar heerst geen
vooroordeel, geen jaloersheid, want zij is zo hard als het graf. De lieve God
beware u en mij van eigendunk, waardoor wij geloven dat wij nog iets zijn. De
Heere zegene u allen, dit is de bede van uw toegenegen Vader,
John Warburton.
Trowbridge, 27 juni 1846.
Beminde zoon.
De uwe kwam in mijn bezit en ik was blij daaruit te vernemen dat het u
allen welgaat, ook ons gaat het door genade goed. Uit uw schrijven zie ik dat
gij nog niet ontdaan bent van vlees en bloed, doch dat gij daarvan nog een
goede portie bezit. Al uw redenering die gij aanwendt om niet naar Trowbridge
te komen, teneinde een paar Zondagen mijn plaats te vervangen, komt voort uit
het vlees.
Ik vroeg u dit niet uit vleierij, doch daar ik mij aan andere gemeenten
verbonden heb voor zeven weken aan ÈÈn en daar ook onze kerk en vergadering het
zeer op prijs stelde dat u kwam, scheen het mij toe de wil des Heeren te zijn,
dat gij komen zoudt; en wat betreft uw uitdrukking dat het volk te Trowbridge
gewoon is neer te zitten onder de uitstekendste bediening en het derhalve voor
u niets is om te komen met wat minderwaardigs, hoop ik dat gij dit woord niet
meer zult gebruiken.
Sedert de Heere uw mond geopend heeft, hebt gij niets anders te doen gehad
dan aan ellendigen en nooddruftigen een volkomen, vrije, volmaakte en
volbrachte zaligheid door Christus Jezus, uit te roepen. En noemt gij dit iets
minderwaardigs? Ik kan niet geloven dat gij dit meent en laat dan voortaan ook
dit woord achterwege.
Een ieder die God in Zijn wijngaard heeft uitgestoten, moet komen met de
verborgenheden Gods en dat overeenkomstig de bekwaamheden die God hem gegeven
heeft; en een ieder moet zijn eigen werk doen.
Ik twijfel niet of God heeft u uitgestoten en niemand kan uw werk doen, ook
kunt gij niet een anders werk doen.
De Heere beware u van te zien naar of te vrezen voor de afkeuring van
mensen; noch opgeblazen te zijn door hun toelachingen.
Hebt gij dit nooit gelezen? ja, dat hebt gij, beide in het Woord van God en
in uw eigen hart. ìUit de mond der jonge kinderen en der zuigelingen hebt gij
Uw lof toebereid". Matth. 21: 16. En wie zal Zijn besluiten keren? Geheel
de duivelse inbeelding van het boze hart niet, noch ook de toorn van de bel en
de zonde.
Zijn raad zal bestaan en Hij zal al Zijn welbehagen doen. Jes. 46: 10. Met
betrekking tot de onkosten die uw komst meebrengen, geloof ik dat twee pond
voor een Zondag dus vier pond voor twee Zondagen voldoende is, vermeerderd met
uw reiskosten.
Ik hoop nu dat gij mij antwoord zenden zult, dat (zo de Heere wil) gij zult
komen en mijn plaats gedurende twee Zondagen in Augustus zult willen vervullen,
dit zal dan zijn op zestien en drieÎntwintig Augustus.
Ik ben er verblijd mee, dat het u te Southill naar wens gaat. Ik hoop dat
Emma en de kinderen in goede welstand verkeren. Mag de Heere u zegenen en met u
zijn, dit is de bede
Van uw toegenegen Vader,
John Warburton.
Einde