Maar vergadert u schatten in de hemel, waar ze noch mot noch roest verderft, en waar de dieven niet doorgraven noch stelen.
Matth. 6:20
Wij lezen in Spreuken 23:5:
“Zult gij uw ogen laten vliegen op dat wat niets is? Want het zal zich gewis
vleugelen maken, gelijk een arend die naar de hemel vliegt.” De aardse dingen
dragen bijzonder slechte namen in het Woord. De wijze Salomo zegt: “IJdelheid
der ijdelheden: het is al ijdelheid”. En hier noemt hij de aardse dingen een
“niet”. Waarom dragen de aardse dingen zulke slechte namen?
Ten eerste omdat ere
niets in is, dat een verontrust geweten kan verkwikken. Al was Adam in het
paradijs, toen hij gezondigd had, kon het gehele paradijs hem niet verkwikken.
Al was Saul een koning,
toen hij bij die toveres zo verschikt was, kon zijn gehele koninkrijk hem niet
verkwikken. Al zat Belsazar aan een schitterend feestmaal, toen die schrijvende
hand aan de want kwam, viel alles weg en bleef er een sidderende man over. Al
had Judas de dertig zilverlingen, toen zijn geweten hem benauwde, kon het geld
hem niet tot rust brengen.
Al had iemand nog zoveel
goed, hij kan er zijn bang gemoed niet mee bevredigen.
Ten tweede: het aardse
goed is zo gering dat het niets betekent voor iemand die de hemel in het oog
heeft. Als iemand het zonlicht ziet, hoe klein wordt dan een kaarsvlam!
Wanneer iemand de hemel
en de hemelse dingen in het oog heeft, dan doet men zoals we lezen in
Handelingen 4: “Zij legden hun geld aan de voeten der apostelen”.
Ten derde: aardse dingen
zijn niets als men gaat sterven. Niemand is beter in staat om over aardse
dingen te oordelen dan een stervende.
Dan ziet men de
nietigheid van al het aardse. Dan ziet men de dingen van de wereld in hun
naaktheid!
Dan zal men zeggen:
“Houdt de dingen van de wereld maar voor u; als mijn arme ziel maar gelukkig
mag zijn”.
Ten vierde: de dingen van
de wereld zijn niets als zij ons moeten troosten in ziekte of pijn. Dat ziet u
wel als rijken met ziekten bezocht worden. Al hun geld en goed kunnen hun
ziekte en pijn niet wegnemen, noch hen daarin vertroosten.
Ziet u wel geliefden, hoe
gering al het aardse is? U kunt er niet één zonde mee afkopen! En als u zou
menen dat u Gods gunst ermee kon kopen, dan zou men tot u moeten zeggen: “Uw
geld zij met u ten verderve!”
Als uw geweten
verontrust, als u de hemel in het oog hebt, als u op uw sterfbed ligt of als u
ziet dat u er niets mee kunt kopen voor uw ziel, dan worden de dingen van de
wereld zo klein!
Geliefden, als die dingen
dan zo klein worden dan kan het niet anders of u zult zeggen: “Is er niet een
beter goed?”
Ja, er is een beter goed.
En daartoe dient deze les van onze lieve en getrouwe Zaligmaker. Hij heeft
nooit iemand bedrogen en Hij zal het ook nooit doen.
Wat zegt Hij van het
aardse goed? “Vergadert u geen schatten op de aarde: de dief steelt ze, de mot
verteert ze, de roest verderft ze”.
Wel Heere, wat dan?
“Vergadert u een schat in
de hemel, waar de mot niet bij kan, waar de roest geen verderf kan aanbrengen
en waar de dief niet doorgraven kan”.
Heere, hoe gaat dat dan?
“Dan zult u hemels leven,
want waar uw schat is, daar zal ook uw hart zijn. Is uw schat aards, dan zult u
met uw schat verloren gaan.
Is uw schat hemels, dan
zal zij u in de hemel brengen”.
Wij dachten: laten wij u
deze schat eens doen zien. Het is de ware schat, terwijl geheel de
wereld bezig is met het zieken en vergaderen van valse schatten.
Geliefden, elke rustdag
is een geestelijke marktdag. Mogen anderen zo druk bezig zijn op de aardse
markt, en zouden wij op de geestelijke markt niet iets voor onze zielen kopen?
De Zaligmaker hield in
Matth. 5, 6 en 7 zulke heerlijke preken! In het vijfde hoofdstuk preekte Hij,
hoe wij ons tegenover God gedragen moeten. In het zesde hoofdstuk hoe wij
handelen moeten met onszelf. En in het zevende hoe wij ons gedragen moeten
tegenover onze naasten.
In dit zesde hoofdstuk
leeft Hij, hoe wij ons tegenover onszelf gedragen moeten. Hij zegt: hebt u enig
vermogen? Geef dan eens wat aan de armen! En dat niet alleen, maar bid
dikwijls. Weet u niet hoe u uw vermogen beleggen moet? Ik zal u een kort
voorschrift geven.
U denkt wellicht:
allerliefste Heere, U geeft ons vijf beden voor de ziel en maar één voor het
lichaam; en dan nog met woorden die soberheid uitdrukken. En dan zegt U nog,
dat wij soms eens vasten moeten! Wij vrezen dat wij arm zullen worden.
Maar de Heere zegt: wel,
dan zult u rijk worden naar de ziel! Al kunt u dat niet inzien, geloof het toch
maar. Het is met het oog van de ziel als met het oog van het lichaam. Heet
gehele lichaam wordt door het oog geregeerd. Laten zo ook uw geestelijke ogen
uw ziel regeren. Zou u Mij en de wereld elk wat willen geven? U kunt die twee
heren niet tegelijk dienen! Zoekt eerst het koninkrijk Gods en Zijn
gerechtigheid en de anderen dingen zullen u toegeworpen worden. Laat het
zwaarste bij u het zwaarste wegen en dan zal God u op die grote en eeuwige
goederen die kleinigheden toegeven.
Dan doet Hij als een
koopman, die een flinke partij verkoopt. Hij geeft wat kleinigheden op de koop
toe. Daar hebt u zo in het kort het zesde hoofdstuk.
We willen nu verder
spreken over:
In onze eerste gedachte
wordt gesproken over de hemel, die prachtige plaats! Hoe schoon is zij!
Bekijkt u de hemel wel eens met aandacht? Er is een hemel waarin de vogels
vliegen en waarin wij leven.
Dan is er een hemel
waarin de zon, maan en sterren zich aan ons vertonen.
Dan is er het paradijs
van God, de hemel der hemelen, dat prachtige paleis. Daar is het zo heerlijk!
Weet u waarom? Vanwege de grootheid, sierlijkheid en heiligheid van die plaats;
vanwege het voortreffelijke gezelschap. Daar is God Drie-enig, de Vader, de
Zoon en de Heilige Geest. Daar is de heerlijke Middelaar, daar zijn de
miljoenen engelen, daar is het schone en zoete gezelschap van al de gelukzalige
mensen, die u daar verwachten en waarnaar u hier zo verlangt.
In die hemel zijn schatten,
zegt de lieve Heere Jezus.
Er zijn schatten in de
hemel, die hemels zijn en die op de aarde worden genoten.
Er zijn ook hemelse
schatten, die in de hemel worden genoten, die echter op de aarde verkregen
worden.
Hiskia toonde al zijn
schatten aan de gezanten van de koning van Babel. God nam hem dar zeer kwalijk.
Maar God zal het niet kwalijk nemen als wij u de schatten van onze God tonen,
om u op te wekken om die te begeren en te vergaderen.
De wijzen uit het Oosten
openden hun schatten.
Zo komt God ook als uit
de hemel en Hij opent Zijn goede schat, de genade in Christus voor arme
zondaars en al de zaligheid die zij eeuwig zullen genieten.
Welke zijn de hemelse
schatten die op de aarde verkregen en genoten worden?
Het is: de drie-enige God
tot zijn deel te hebben. Men kan dan zeggen: “De Heere is mijn Deel, zegt mijn
ziel”. “Gij ziet de Rotssteen van mijn hart en mijn Deel in eeuwigheid”. “De
Heere is het Deel van mijn erve en mijn beker. De snoeren zijn mij in lieflijke
plaatsen gevallen, ja, een schone erfenis is mij geworden”.
Wat is dat een
onvergelijkbare schat voor Gods kinderen! Zij mogen dat in stilte overdenken:
“De eeuwige God, de almachtige God, de algenoegzame God, de getrouwe God, de
goedertieren God, die God Die alles geschapen heeft en nog onderhoudt, die
drie-enige God is mijn God. Hij is mijn overvloedig goud en mijn
krachtig zilver!” Wat zegt u? Is dat niet de allerhoogste Schat?
Ook de Heere Jezus is die
Schat. U dan, die gelooft, is Hij dierbaar. Wie is de Schat in de akker van de
wereld? Wie is de Parel van grote waarde? Is het niet de Heere Jezus?
Die Schat is de Geest van
God met al Zijn genadegaven. Is de Geest geen kostbare Schat? Het is één van de
grootste en dierbaarste beloften van het evangelie: “Ik zal Mijn Geest geven in
het binnenste van u”.
Die schat houdt in al de
genadegoederen die God meedeelt uit kracht van het genadeverbond, zoals het
nieuwe geestelijke leven, de roeping, het geloof, de rechtvaardigmaking, de
heiligmaking, de bewaring, de geestelijke blijdschap en de onderpanden van de
eeuwige zaligheid.
Die schat is het
evangelie van de vervulling met al de schone beloften en de waardige bediening
van het Woord. Dat werd als zo’n grote schat voor het oude Israël aangemerkt!
Hij maakt Jakob Zijn woorden bekend; Israël Zijn inzettingen en Zijn rechten.
Dat Woord is begeerlijker
dan goud, ja dan veel fijn goud, zegt David. En in Ps. 119 zegt hij: “De wet
Uws monds is mij beter dan duidenden van goud of zilver”.
Onze voorouders hadden er
alles voor over. Zij wilden liever alles laten varen en kwijt zijn, dan het
dierbare Woord en de waardige bediening daarvan.
U zult misschien in uw
gedachten zeggen: “Die schatten worden bezeten op aarde; waarom noemt u ze dan hemels?”
Omdat het in de hemel
bepaald en vastgesteld is waarin die schatten zullen bestaan, wie de bezitters
van die schatten zijn en hoeveel ieder daarvan hebben zal.
Voorts komen die
schatten van God uit de hemel als goede gaven. God doet als het ware de
vensters van de hemel open en Hij doet die schatten op de aarde neerdalen.
De schatten zijn hemels
in tegenstelling met de koninkrijken van deze wereld. Deze schat bestaat niet
in spijs of drank, maar in gerechtigheid, vrede en blijdschap door de Heilige
Geest. Deze schatten geleiden de mens naar de hemel. Zij maken de bezitter
hemels in zijn gedachten. Hij zoekt en bedenkt de dingen die boven zijn. Hij
doet hemels werk. Hij bidt alle dagen om Gods wil te mogen doen, zoals in de
hemel. Hij zucht naar de hemel, hij zegt: ach, wanneer komt die dag!
In de hemel zal alles
volledig en volmaakt zijn! Als die schat in het hart is, dan rust de mens niet
of hij moet in de hemel zijn. Hij jaagt naar de prijs van de roeping van God
die van boven is. Hij jaagt naar het eeuwige leven.
Nu zijn er ook schatten die
op aarde wel verkregen worden, maar die alleen in de hemel bezeten worden. Die
heeft men hier op aarde in de voorbereiding en later in de hemel in bezit.
Gods kinderen ontvangen
die schatten in de voorbereiding op het ziek- en sterfbed.
Zij worden dan losgemaakt
van de wereld en van hun liefste betrekkingen. Abraham was zo los van zijn Izak
en van zijn Sara. Een godvrezende man zegt: “Ik ben zo los van mijn geliefde
vrouw”. Een godvrezende vrouw zegt: “Ik geeft mijn man, of mijn dierbaar kind
aan de Heere over. Ik ben er los van”.
Als de dood komt, zijn
zij er niet verschrikt voor. Zij vrezen niet in het dal van de schaduw van de
dood. Dan komen in hun hart goede gedachten.
Zij zijn dan zo hemel in
hun woorden! Zij spreken dan alles eens uit wat zij zo lang opgekropt hadden.
Zij spreken dan dikwijls een taal die de omstanders niet verstaan. Alleen
degenen die genade ontvangen hebben, die verstaan het wel. De hemel komt als
het ware in hun hart. Zij komen in zo’n helder licht, dat ze zijn als Mozes op
Nebo en als de discipelen op Thabor. Zij liggen te verlangen om ontbonden te
worden en bij de Heere Jezus te zijn. Zij zeggen: “O dood! Kom maar spoedig en
doe uw laatste geweld aan mij”. En zo geven zij een snik en ze zijn weg.
Op die voorbereiding
volgt het bezit van die schatten in de
hemel.
Zodra
zij sterven gaat de ziel direct naar de Heere Jezus, hun Hoofd; Hij zegt: “Heden zult gij met Mij in
het paradijs zijn”. Die ziel krijgt een heerlijk geleide van engelen voordat
het lichaam in het graf gelegd wordt. Dan zullen ze zeggen: “Mijn God! Ik ben
al mijn pijnen kwijt! Al mijn ellende, al mijn kommer is weg! Heere, ik heb nu
niet eens een kruis meer, nu heb ik geen strijd meer! Heere, hier is geen wolk
die Uw gezicht voor mij verbergt! Hier is niet één zonde om mij te bevlekken!”
En
dat zal zo een eindeloze eeuwigheid duren. Dat is die schat in de hemel, die
hier verkregen en daar bezeten wordt. Daar bezitten ze alles wat hun verkrikken
en verblijden kan. Daar zijn ze bij de drie-enige God. Hij is hun algenoegzaam
Deel. Nu ontbreekt hen niet meer!
Zij
zeggen: “Heere, het is mij zo goed geweest nabij U te zijn op aarde, maar hier
is het nog veel beter. Hoe heilig word ik nu, door U zo onmiddellijk te zien!
Wanneer ik op aarde eens waardig gekeurd werd om Uw heerlijkheid als in een
spiegel te zien, dan werd ik al als van gedaante veranderd. Dan lag er zo’n
glans op mij! Maar nu ik U zo onmiddellijk mag zien, nu word ik als doortrokken
van de heiligheid. Nu ligt er een volmaakte glans op mij. Op de wereld was mijn
liefde maar een liefde van verlangen, maar hier is het een liefde van genieten.
Op de wereld was ik wel eens verheugd, maar nu springt mijn hart op in de volle
verzadiging van vreugde”.
Dit
is de schat in de hemel voor de ziel.
In
de opstanding echter zal ook het lichaam de schat in de hemel bezitten.
Als
de ziel van het lichaam gescheiden is, dan gaat de ziel verlangen. “Ik schrok
ervan terug om te scheiden van mijn lichaam”, zo zal zij zeggen, “maar nu
verlang ik om er weer mee verenigd te zijn. Ach, wanneer komt die dag! Dan zal
ik eerst echt verzadigd zijn. Naar de ziel ben ik nu al verzadigd, maar ik heb
een verlangen om ook naar het lichaam verzadigd te zijn. Het is óók een deel
van mij”.
Dan
zegt God: “Wees maar stil. Ik zal uw stof bewaren. Verlaat u maar op Mij”.
O,
dan zal de ziel de Bijbel kennen, ook in het deel van de opstanding van de
doden. Het artikel van de wederopstanding van haar lichaam zal de ziel dan
volmaakt kennen en geloven.
Als
dan de dag van de algemene opstanding komt, zal God Zijn hand tot het graf
uitstrekken en zeggen: “Waakt op en juicht, gij die in het stof woont! Wordt
weer levend! Ge hebt lang genoeg in het graf gewoond!”
O,
dan zal het sterfelijke onsterfelijkheid aandoen, en het verderfelijke
onverderfelijkheid. Dan zullen zij aan het heerlijke lichaam van Christus
gelijkvormig gemaakt worden. Zij zullen geen gebreken meer hebben. Daar zal
geen hinkende Jakob zijn, geen kreupele Mefoboseth, geen zieke Lazarus, geen
zwakke Timotheüs. O, van al die lichamelijke gebreken, waaronder Gods kinderen
hier op aarde zo dikwijls moeten zuchten, zullen zij eenmaal en voor eeuwig
bevrijd worden.
Naar
ziel en lichaam beiden hebben Gods kinderen nog meer schatten te wachten. Weet
u welke?
Zij
zullen in het oordeel staan aan Gods rechterhand. De Heere zal dan zeggen:
“Scheidt nu Mijn kinderen af van die grote massa en zet hen aan Mijn
rechterhand. Ik wil Mijn schapen niet langer onder de bokken hebben”.
Zij
zullen openlijk door de rechter vrijgesproken worden. Al hun erf- en dadelijke
zonden en van alle straffen die zij daardoor verdiend hadden.
Zij
zullen daar door de engelen worden opgenomen. De Heere zal Zijn gedienstige
geesten uitzenden om hen te brengen door lucht en wolken.
Zo
zullen ze als Henoch en Elia opgenomen en in de hemel gebracht worden, in het
paleis van God, in het huis van hun Vader, in de stad die fundamenten heeft.
En
hoe zal het zijn wanneer ze daar komen? Dan zullen ze tot een schat hebben, da
zij volmaakt de drie-enige God kennen. Zij zullen geheel de Bijbel kennen. Ze zullen
Gods voorzienigheid kennen, waarin Hij in de natuur en in de genade, zowel over
de wereld en over de kerk, als in het bijzonder over hen gehandeld heft. Daar
zullen ze God uit alle macht verheerlijken en dienen.
Daar
zullen zij genieten dat wat geen oog gezien en geen oor gehoord heeft en wat in
geen mensenhart is opgeklommen.
Bekoort
het u niet, geliefden! Is dit geen kostbare schat! God te kennen zonder
duisternis, te dienen zonder zonde, te verheerlijken zonder vermoeidheid, te
genieten zonder verstoring? En dat zo eeuw in, eeuw uit. Alle vrienden en alle
goed zullen binnen en alle vijanden en alle kwaad zullen buiten zijn.
Mag
de Zaligmaker dit nu niet met recht een schat noemen? De wereld mag het verachten, maar de
Heere Jezus noemt het een schat. En alle ogen die verlicht zijn moeten zeggen:
“Het is een schat der schatten!”
Wat is een schat? Het is
een groot, zeldzaam en kostbaar goed, dat men met veel moeite en kosten
vergaart en zorgvuldig bewaart. Het maakt ons aanzienlijk en men kan er zich in
tijd van nood van bedienen. Zo is het ook met deze hemelse schat.
Deze schat is óók een groot
goed.
“Hoe groot is het goed
dat Gij weggelegd hebt voor degenen die U vrezen!”
Het is een zeldzaam goed, dat door weinigen gekend en door nog minder mensen genoten
wordt. Ja, vanouds heeft men het niet gehoord, noch met oren vernomen, geen oog
heeft het gezien, behalve Gij, o God! wat Hij doen zal aan die, die op Hem
wacht.
Deze
schat is een kostbaar goed. Het is rijkdom en eer, duurzaam goed met gerechtigheid.
Is er iets te vergelijken met genade hier en heerlijkheid hiernamaals? De
engelen zijn begerig geweest om erin te zien! Allen die deze schat hebben,
zeggen: “Nevens die schat lust mij niets meer op aarde”. Mozes achtte het
allerminste van die schat meerdere rijkdom, dan alle schatten van Egypte.
Deze
schat is een goed dat zijn bezitter aanzienlijk maakt. Maken genade en
heerlijkheid een mens niet aanzienlijk? Wie worden dor God geëerd als degenen
die Hem vrezen? De rechtvaardige is voortreffelijker dan zijn naaste. Tien
rechtvaardigen werden door God méér geacht dan vier steden (Gen. 18:34).
Een
schat spreekt men aan in tijd van nood. Zo doen Gods kinderen ook met deze
schat. Zij vertroosten er zich mee. Zij maken in tijden van moeilijkheden gebruik
van Gods Woord, van de Heere Jezus, van de Heilige Geest, ja van de drie-enige
God zelf. Zij kunnen zingen:
Als ons de nood overvalt krachtig,
ons Burcht en Heil is God almachtig:
Zulks bevinden wij in de nood,
en hebben in Hem troost zeer groot.
Dies vrezen wij in genen dinge,
al waar ’t dat de wereld verginge,
en de bergen zich wierpen snel
In ’t midden der zee diep en fel.
Een
schat bewaart men goed, men bergt ze goed op. Deze schat is bij God weggelegd
en bewaard. Het is dat bestendig goed, dat voor de oprechten is weggelegd.
Men
verkrijgt een schat niet gemakkelijk. Het kost veel arbeid en moeite voordat
men die kan verkrijgen. Zo is het ook met deze schat. Wat al tranen en gebeden,
wat een worstelingen kost het, voordat men die schat verkrijgt. Wat is er veel
te strijden voordat men in het volle bezit ervan komt.
Geliefden,
u hebt nu gezien waarin de rijkdommen van Gods kinderen bestaan en waarom zij een schat
genoemd
worden. Wat moesten wij er begerig naar zijn! Het moeten wel dwazen en blinden
zijn, die er geen werk van maken, maar die zich alleen bezig houden met de
valse schat. Als u deze schat vergelijkt met de valse schat dan zult u
uitriepen: “Wet wereld met al uw begeerlijkheden, u bent mijn hart niet waard,
om u te beminnen. Ja, u bent mijn hand niet waard, om u op te rapen!”
Wij
zullen u nog eens tonen het grote onderscheid tussen de ware en de valse schat.
Een
klein beetje van de hemelse schat is veel meer dan de overvloed van vele
goddelozen.
Hoe
kunnen Gods kinderen zich met hun schat troosten in al hun droefheid hier op
aarde!
Moeten
zij treuren over het verlies van aardse vrienden, zij troosten zich met hun
geestelijke en hemelse vrienden. Wanneer zij van hun tijdelijke goederen
beroofd worden, zeggen zij: “Geen nood! Wij hebben een beter en blijvend goed
in de hemel”. Ja, al moeten zij sterven, dan zeggen zij: “God is de Rotssteen
van mijn hart”. En dan zingen zij:
Want in de dood, de bangste nood,
is Godes Zoon ons ’t leven.
Deze
schat kan door geen mot noch roest verderven en door geen dieven gestolen
worden. De Heere Jezus zei: “Simon, Simon, zie, de satan heeft u zeer begeerd
te ziften als de tarwe, maar Ik heb voor u gebeden, dat uw geloof niet
ophoude”. De poorten van de hel zullen Gods kerk niet overweldigen. Geen dief,
noch rover, noch andere vijanden kunnen Gods kinderen beroven van hun
geestelijk leven, noch van hun geloof, noch van hun hoop, noch van hun liefde,
noch van hun voorrechten. Kinderen van God, wees dan nooit bevreesd! De
vijanden kunnen uw lichaam wel doden en uw tijdelijke goederen wel roven, maar
zij kunnen uw geestelijke en hemelse schat niet van u nemen. De apostel zegt:
“Want ik ben verzekerd, dat noch dood, noch leven, noch engelen, noch
overheden, noch machten, noch tegenwoordige, noch toekomende dingen, noch
hoogte, noch diepte, noch enig ander schepsel ons zal kunnen scheiden van de
liefde Gods, welke is in Christus Jezus, onze Heere”.
Deze
schat is eeuwig. Deze rijkdom gaat met u mee als u al het andere moet verlaten.
Als de mensen van deze wereld, van wie het deel alleen in dit leven is, moeten
zeggen: “Ik ben rijk geweest, ik heb die en die schatten bezeten”, dan kunnen
Gods kinderen zeggen: “Ik ben rijk geweest, ik ben nog rijk en ik ga nog rijker
worden”. Als zij gaan sterven, dan kunnen zij zeggen: “Ik ga heen om mijn
onvolmaakte schatten voor volmaakte en eeuwige rijkdommen te verwisselen. Ik ga
heen om volkomen bezit te nemen van al die rijkdom en eer, van al het duurzaam
goed dat mijn Vader voor mij bereid heeft”. En als zij in de hemel komen, dan
wordt hun de kroon der heerlijkheid opgezet en tot hen gezegd: “O gij
gezegenden des Vaders, beërft nu het
koninkrijk, dat u bereid is voor de grondlegging der wereld, en geniet nu
verzadiging van vreugde en lieflijkheden aan Gods rechterhand, eeuwig en
altoos”.
Geliefden,
wordt u nu nog niet verliefd op deze schatten? Wordt uw hart niet begerig
gemaakt om er ook deel aan te mogen krijgen? Wanneer dit zo is, dan zal de les
van de Zaligmaker ook ingang bij u vinden: “Vergadert u schatten in de hemel”.
Probeert
daar deel aan te krijgen, niet alleen voor uzelf, maar ook voor anderen, voor
uw man, vrouw en kinderen, voor uw vrienden en bekenden.
Wat
wil dat zeggen: “Schatten vergaderen”?
Dat
betekent, dat men die schat heeft leren kennen, want onbekend maakt onbemind.
Hoe komt het, dat de wereld deze schat niet vergadert? Zij ziet hem niet en
kent hem niet. Zal men deze schat gaan vergaderen, dan moet men er eerst kennis
van krijgen.
Het
betekent, dat men die schatten hoogacht. Wie de kostbaarheid en de
noodzakelijkheid van deze schatten heeft leren kennen, zet er zijn zinnen op.
Men kan ze dan niet uit zijn hart krijgen. Dat is het bedenken van de dingen
die boven zijn. Zij zeggen: “Heere, wat zijn er een kostbare schatten en ik heb
ze nooit gekend of gezocht”. Zij denken erover op straat, zij komen ermee
thuis. Zij achten alleen maar gelukkig wie deze schat heeft en zij achten ieder
ongelukkig die deze schat mist.
Die
schatten vergaderen wil zeggen, dat men ze van nature niet bezit. Zulke mensen
zeggen: “Ik meende vroeger dat ik rijk en verrijkt was en aan geen ding gebrek
had en ik wist niet dat ik ellendig, jammerlijk, arm, blind en naakt was.
Heere, wat ben ik toch een arm schepsel! Ik ben vervreemd van het geestelijk
leven. Ik ben vervreemd van het burgerschap van Israël en van de verbonden van
de belofte. Ik leeft zonder God, zonder Christus en zonder hoop. Ik ellendig
mens!”
Zij
begeren deel te krijgen aan die schat. Zij zeggen: “Heere, wat U er ook voor
zou eisen, ik zou het U geven. Ik zou liever een bedelaar zijn zoals Lazarus,
als ik die schat maar mocht bezitten, dan een rijke men en die schat te
missen”.
Dan
raken zij los van de valse schat. Wat voor hen vroeger gewin was, dat achten zij
nu als niets. Nu willen ze al hun rijkdom, vrienden, eer en status, waar de
wereld zoveel mee op heeft, werpen voor de mollen en de vleermuizen, om maar
deel aan de ware schat te verkrijgen.
Schatten
vergaderen wil zeggen: alle middelen gebruiken om die te verkrijgen. Wanneer
een mens deze schatten in hun volstrekte noodzakelijkheid en dierbaarheid heeft
leren kennen, dan kan hij niet rusten voordat hij er deel aan heeft. Dan gaat
men direct vragen: “Wat moet ik doen om deze schatten te verkrijgen?” Wat wordt
men dan ijverig in het gebruiken van de genademiddelen! Wilt u zo iemand
vinden, dan moet u hem zoeken in het verborgene, op zijn knieën, of met de
Bijbel in zijn hand, of onder het gehoor van het Woord. Hij is als die vrouw
die naar haar verloren penning zocht. Zij ontstak een kaars en zocht naarstig
totdat zij hem vond. Al zijn zij bezig in hun beroep, die schatten zijn steeds
in hun gedachten. Zij zuchten erom: “Geef mij Jezus of ik sterf! Geef mij Uw
Geest, geef mij Uw genade! Laat mij deel hebben aan de goederen van Uw
koninkrijk! Laat mij ook een naam en een plaats hebben in Uw huis en binnen Uw
muren, zoals Uw kinderen! Heere, laat mij ook kunnen zeggen: “God is de
Rotsteen van mijn hart en mijn Deel in eeuwigheid”.
Zij
worden geestelijke worstelaars om die schatten. Zij zeggen met Jacob: “Heere,
ik laat U niet gaan, voordat ik deel aan die schatten gekregen heb”.
Zij
zeggen ook: “Al ben ik geen kruimel genade waard, al is het allerminste van
deze schatten meer waard dan een gehele wereld met al haar volheid, ik wil toch
met de eerste beginselen niet tevreden zijn”.
Paulus
zei: “Wij, die de eersteling van de Geest hebben, wij ook zelf, zeg ik, zuchten
in onszelf, verwachtende de aanneming tot kinderen, namelijk de verlossing van
ons lichaam”. Zij jagen naar de volmaaktheid en zij houden niet op met het
vergaderen, totdat zij in het volle bezit van de hemelse schatten gebracht
zijn. Nu het laatste stuk, namelijk de aandrang door het woordje “maar”. Kiest en vergadert
de valse schatten toch niet! Wat hebt u er toch aan? U bent al die aardse
schatten zo vlug kwijt! Zij kunnen u niet troosten wanneer u gaat sterven. Dan
moet u net zo arm uit de wereld gaan als u erin gekomen bent. Wat hebt
u er dan aan? Waarom geeft u dan uw geld uit voor dat wat geen brood is, en uw
arbeid voor dat wat niet verzadigen kan?
Wat
moet u dikwijls zweten en zwoegen om die aardse schatten te verkrijgen en dan
kosten zij nog uw arme ziel!
Als
u op uw sterfbed ligt, waar zult u dan om roepen? Zult u roepen om spijs en
drank? Zult u dan roepen om goud of zilver of om uw zakken met geld of om uw
obligaties?
Als
men dan alle aardse schatten bij uw sterbed bracht, zou u dan niet roepen:
“Breng ze weg! Wat kan dat alles mijn ziel baten, als die verloren moet gaan!”
Wat zult u dan om die hemelse schatten schreeuwen! Dan zult u roepen: “Ik moet
genade hebben! Ik moet deel hebben aan de Heere Jezus en aan Zijn Geest! Ik
moet met God verzoend zijn! Ik moet een erfdeel hebben onder de geheiligden!”
Zal
uw roepen dan nog kunnen baten? De vindenstijd is dan spoedig voorbij. De
geestelijke marktdag is afgelopen en dan zou u zonder de ware schat en zonder
enige mogelijkheid om die ooit te kunnen verkrijgen, naar een rampzalige
eeuwigheid heengaan.
De
Heere Jezus wil u zeggen: “Weest dan zo dwaas niet, dat u uw ogen hecht aan
deze aarde. Zoek liever het koninkrijk van God en Zijn gerechtigheid! Werk om
de spijs die niet vergaat. Doe liever als Abraham, Mozes, Asaf en als Maria,
die de hemelse schatten kozen. Zij zochten het beste deel, dat zij in
eeuwigheid niet konden kwijt raken.”
Geliefden,
hoe staat u erbij? Bent u het eens met de Heere Jezus? Acht u de hemelse
schatten ook ver boven de aardse schatten?
Allen
die God vrezen zijn het ermee eens. Er is er niet één uit de Bijbel bekend, of
hij is het eens met de Heere Jezus en er is ook nu iet één vrome, of hij is het
met Hem eens.
Zo
was het ook met onze voorouders. De genade, de heerlijkheid, het Woord, het
geloof, dat waren de schatten waar zij naar zochten. Hoe hoog stonden deze
schatten bij hen aangeschreven! Als onze godvruchtige voorouders eens
opstonden, zouden zij niet tot velen van ons moeten zeggen: “U bent onze
kinderen niet”? Zij stonden zelfs ’s nachts op om naar de kerk te gaan! Zij
moesten het doen met gevaar van hun leven of p straf en boeten van verbanning.
U
kunt de genademiddelen zo overvloedig en gemakkelijk waarnemen, maar u zou er
soms niet eens voor van uw tafel opstaan! U schat de aardse goederen hoger. U
pronkt met uw parels, met uw diamanten of andere schatten. Dáár zit uw hart in.
U maakt uw hart los van de hemel en vast aan de aarde.
Geliefde,
mocht u niet uit de kerk gaan zonder begerig geworden te zijn naar die hemelse
schatten! Wij zullen van Godswege nog eens proberen u daartoe aan te dringen!
Deze
schatten zijn zo noodzakelijk! Kunt u Gods genade en barmhartigheid, kunt u de
Middelaar, kunt u de Heilige Geest met Zijn werkingen, ja kunt u de drie-enige
God wel missen? O, u zou eerder uw beide ogen of uw beide handen en voeten
kunnen missen, dan deze schatten! Kunt u wel zalig worden, kunt u wel in de
hemel komen zonder deze schatten?
In
die schatten is zoveel vergenoeging. Is er wel enig vermaak in de wereld, als
God er niet in is en als u deze hemelse schatten mist? Is het iets anders dan
een zondig en ijdel vermaak, waar de eeuwige smart op volgt?
Ezau
zocht zijn genoegen in de spijs en hij verloor er zijn eerstgeboorterecht door.
Maar
hoe groot is het vermaak van een mens die naar de hemel gaat! Hij zou zijn
vreugde niet willen verwisselen voor alle vermaken van de wereld. Als u deel
hebt aan de hemelse schatten dan zult u vermaakt hebben in Gods Woord, in het
gebed, in de gemeenschap en dienst van God en in de omgang met de
godvruchtigen.
Het
zijn zulke nuttige schatten. Bezie als u thuiskomt uw schatten eens. Doe uw
koffers of kabinetten eens open. Als u ze vergelijkt met de hemelse schatten,
zal al het aardse in uw ogen waardeloos moeten worden. Als u naar uw geld keek,
en u zag dat het allemaal vals geld was, hoe zou u schrikken! Maar arm mens, zo
is het met al uw aardse schatten. U kunt er niets mee doen voor uw kostbare
ziel noch voor de toekomende eeuw. Als u de hemelse schatten niet hebt, blijft
de vloek op u rusten.
De
hemelse schatten alleen maken u gezegend en eeuwig gelukkig. Dan geldt voor
alles wat u ontvangt of wat u overkomt, dat het is van Gods vaderlijke
liefdehand in Christus.
Deze
schatten zijn in zekere zin goedkoop! U kunt er gemakkelijk aankomen. Kunt u ze
wel goedkoper begeren, dan voor niets en zonder prijs of geld? De Heere wil ze
u geven voor een oprechte zucht of traan. Sloeg u maar eens ootmoedig op uw
borst of val maar eens op uw knieën om uw Rechter van harte om genade te
bidden! De liever Heere eist wel geloof en bekering, maar Hij wil u Zelf Zijn
Geest geven om dat in u te werken. Hij wil u een gewillig hart geven, zodat u
alles gaat verkopen om deze schatten te verkrijgen.
Als
u deze schatten bezit, dan mag u overkomen wat wil. Al ontmoette nog zoveel
kruis en tegenstand u, u zou er geen berouw van hebben. Vraag het aan allen die
deze schatten bezitten, of het hen berouwt dat ze ze vergaderd hebben. Zij
zullen allen als uit één mond zeggen: “Had ik het niet gedaan, ik begon het
vandaag nog te doen. Ik wil om die hemelse schatten alles uitstaan wat
uitgestaan kan worden en alles missen wat gemist kan worden. Al werd het nog zo
donker en al moest ik opnieuw beginnen, ik zou naar de Heere gaan en zeggen:
“Ach Heere, ik moet deel hebben aan Uw hemelse schatten of ik kan niet leven”.
Zij zeggen: “Als ik er berouw van had, dan had ik tijd gehad om ervan terug te
komen. Maar nu zoek ik de hemelse schatten. Ik zoek het vaderland dat boven is;
de stad die fundamenten heeft.”
Zo
spreken de ware kenners van deze schatten, al gaat de duivel ook rondom hen om
hem te verslinden. Zij hebben de Schepper gekozen boven het schepsel; het
onzienlijke boven het zienlijke, het leven in plaats van de dood, de eeuwigheid
in plaats van de tijd en de gelukzaligheid in plaats van de verdoemenis.
Wanneer
u deze schatten vergadert, zult u er geen berouw van hebben in uw leven en nog
veel minder op uw sterfbed en in het laatste oordeel. Geliefden, wat zegt uw
hart nu? Wordt het nog niet bewogen om deze kostelijke schatten te vergaderen?
Of zegt u: “U beweegt mij bijna …, maar ik zal het nog wat uitstellen”?
Wel,
wij antwoorden u: de tijd is kort en gaat vlug voorbij. Ik en u kunnen spoedig
weg zijn. Hoeveel van hen, die tot voor kort onder ons gehoor waren, zijn al
weg en binnen weinig ogenblikken kunt ook u in de eeuwigheid zijn. En of u al
zeventig of meer jaren leefde, wat is de tijd vergeleken met de eeuwigheid?
Uw
leven is maar als een ogenblik; uw dagen zijn maar een handbreed. En als dan uw
tijd voorbij is, wat zult u dan kermen, dat u uw kostbare tijd niet hebt
besteed om die hemelse schatten te vergaderen!
Wat
helpt al de glans van de wereld? Hoe spoedig kunt u alles kwijt zijn! Zou u het
nog langer uitstellen? Wie heeft u verzekerd dat u morgen nog zult leven? En a
leefde u nog heel lang, hoe langer u wacht, hoe minder tijd u hebt om te
vergaderen en hoe meer uw afkeer van de hemelse schatten zal toenemen. Wij
roepen u dan toe: “Heden, heden, terwijl u Gods stem hoort, verhardt uw harten
niet”.
Zult
u durven weigeren of nog uitstellen wat u zo ernstig bevolen is? Het is alsof
de Heere Jezus Zelf op deze preekstoel stond en u toeriep, dat u de hemelse
schatten moet vergaderen. Kunt u het dan over uw hart verkrijgen om dat te
weigeren?
Meent
u dat de Heere het u niet kwalijk zal nemen, dat u zulke kostbare schatten
versmaadt? Zou Hij het Zich niet aantrekken, dat u maar uit sleur naar de kerk
gaat; dat u zo ongodsdienstig leeft; dat u geen werk maakt van uw bidden,
zoeken en kloppen, om deel te krijgen aan de hemelse schatten? Ja, zou de Heere
het u niet kwalijk nemen, dat u deze versmaadt en wel zou willen bidden als de
Gadarenen, dat de Heere Jezus met Zijn schatten maar uit uw landpalen mocht
vertrekken. Hoe zwaar zal uw verantwoording zijn en wat een verschrikkelijke
straf hebt u dan te wachten!
Als
u weigert, dan bedroeft u ook Gods getrouwe dienstknechten en kinderen; dan
bedroeft u uw vrome ouders en vrienden die zo graag zouden willen dat u deel
kreeg aan de hemelse schatten. Zij zouden wel voor u op de knieën willen vallen
en u met tranen in de ogen bidden dat u er toch naar zou zoeken!
Meent
u, dat dit een lichte zaak is?
Zondaar,
als u weigert, doet u uzelf smart aan. U wilt dikwijls blij zijn, maar u kunt
niet. U kunt de beschuldiging van uw geweten niet de baas. Zult u nog langer
weigeren?
God
beware u voor zo’n verschrikkelijke misdaad! U zult in de eeuwigheid zeggen:
“Dat
is nu door mijn eigen verzuim en onachtzaamheid. Ik heb de rijkdom van Gods
lankmoedigheid veracht! O God, wat heb ik gedaan?”
Wat
zegt u zondaar? Kan dit alles u nog niet bewegen? Ga dan voort in het versmaden
van God en van de Middelaar en van de Heilige Geest, en van al de hemelse
schatten, totdat u in de hel uw tanden knerst, uw tong kauwt en uitroept:
“Acht, ik lijd smart in deze vlam!”
Maar
heeft het koninkrijk der hemelen geweld op u gedaan?
Stel
dan het vergaderen van die schatten niet langer uit! Haast u, zondaar, terwijl
de geestelijke markt dag nog duurt! Geloof, dat de grote Eigenaar van alles
deze schatten ook aan u voor niets wil schenken!
Hij
roept u nog toe: “Die Mij vroeg zoeken, zullen Mij vinden”.
Nu,
kinderen van God, voordat wij eindigen moeten wij nog een kort woord tot u
spreken. Waar komt het vandaan dat u de hemelse schatten bent gaan vergaderen
en er aanvankelijk deel aan gekregen hebt?
U
zult zeggen: “Het is door Gods onderscheidende genade. Wij waren tevoren óók
dwaas. Wij hongerden tevoren ook naar dat wat geen brood is. Maar het is God
Die ons licht gegeven heeft. Wij hebben het verstand gekregen om te zien dat de aardse
schatten ons
hart niet waard waren. Onze ogen zijn geroepen, om de heerlijkheid en
schoonheid te zien van de hemelse schatten, zodat wij gewillig
geworden zijn om er alles voor te verkopen.
Waarom
leeft u dan nog zo ondankbaar?
Waarom
bent u nog zo verkleefd aan uw aardse schatten? Waarom bent u niet meer bezig
in het zoeken van de dingen die boven zijn? Waarom verlustigt u zich er niet
méér in? Waarom roemt u niet méér in de verwachting van al die schatten, die in
de hemel voor u bewaard worden? Kinderen van God, schaamt u over uw ondankbaarheid,
uw aardsgezindheid en over uw traagheid en richt op uw trage handen en slappe
knieën. Wat moest u standvastig, onbeweeglijk en altijd overvloedig zijn in het
overdenken en vergaderen van de hemelse goederen, wetende dat uw arbeid niet
ijdel zou zijn in de Heere.
Tenslotte,
kinderen van God die deel gekregen hebt aan de hemelse schatten: prijs ze aan
bij anderen. Zoekt deze ook te vergaderen voor uw naaste, vooral voor uw naaste
betrekkingen. Kunt u ze dan geen goud of zilver geven, dan zal de vrees van de
Heere hun schat zijn; dan zal de Almachtige hun overvloedig goud en hun
krachtig zilver zijn.
Wanneer
u dan gaat sterven, dan zult u volmaakt deel krijgen aan al dat duurzaam en
bestendig goed, dat al uw schatkamers kan vervullen. Dan zult u genieten
volmaakte rijkdom en eer en beërven dat koninkrijk, dat voor u bereid is voor
de grondlegging van de wereld.
Amen.