Predikatie over Habakuk 2:3b

B. Smytegelt

"Zo Hij vertoeft, verbeidt Hem; want Hij zal gewisselijk komen, Hij en zal niet achterblijven."

Het is een schone spreuk onder de spreuken van Salomo: Een reden op zijn pas gesproken,, is als gouden appelen in zilveren gebeelde schalen, Spreuk. XXV: 11. Is dat niet schoon en sierlijk, als men zilveren gebeelde schalen ziet met: gouden appelen? Zo schoon en sierlijk is 't, dat men een woord op zijn pas spreekt. Dit is schoon in het burgerlijke, maar nog veel beter in het geestelijke. Het is schoon en uitnemend als goede vrienden en bekenden elkaar in bijzondere gevallen weten te troosten, en een woord te spreken, dat gepast is naar de gestalten, en dat elkaar naar het harte spreekt. Dat is schoon in een? particulier Christen, maar bijzonder in een predikant; als een Leraar zo een talent ontvangen heeft, dat hij een gepast woord voort; brengt naar de gestalte der toehoorders. Zo een man was de Apostel Paulus, die kon zeggen: En ik ben de joden geworden als een Jood, opdat ik de Joden winnen zoude; dengenen die onder de wet zijn, ben ik geworden als onder de wet zijnde, opdat ik degenen die onder de wet zijn winnen zoude. Dengenen die zonder de wet zijn, ben ik geworden als zonder de wet zijnde, (Gode nochtans zijnde niet zonder de wet, maar Christo onder de wet) opdat ik degenen die zonder de wet zijn winnen zoude. Ik ben de zwakken geworden als een zwakke, opdat ik de zwakken winnen zoude; allen ben ik alles geworden, opdat ik immers enigen behouden zoude, 1 Cor. 1x: 20-22.

Is het schoon, dat een predikant een gepast woord weet te spreken, naar de gestalte der toehoorders, en dat door eigene ondervinding, die deugd en dat sieraad heeft ook de Leraar der gerechtigheid, de Heere Jezus. En geen wonder; Hij had toch ene tong der geleerden, om 'met de moeden een woord ter rechter tijd te spreken. Wilt ge daar eens een blijk van zien? Zie Matth. V, daar druipen zijne lippen van honig; daar spreekt Hij een gepast woord naar elks gestalte: reinen van harte, zachtmoedigen, hongerigen en dorstigen naar de gerechtigheid, barmhartigen, zij die vervolgd zijn om de name Christi; elk spreekt Hij zalig, van wat gestalten zij mochten zijn. Had God die deugd gelegd in een particulier mens, in een Leraar, en zijn Zoon daarmede begiftigd, het was ook het werk van de Heere zelven. Ziet hier een klaar voorbeeld. Dit was ook een gepast voorbeeld op de gestalte der profeten. Deze profeet Habakuk had een gebed gedaan; de Heere scheen de profeet als t ware pal af te slaan en hem niet te antwoorden De Heere had hem getoond in 't eerste cap. dat de verwoestinge vastelijk besloten was, De profeet houdt evenwel aan, en zegt in 't tweede, capittel: Ik stond op mijne wacht, en ik stelde mij op de sterkte, en ik hield wacht om te zien, wat Hij in mij spreken zoude, en wat ik antwoorden zoude op mijne bestraffing. De Heere voegt zich naar de gang van 't werk; Doe antwoordde mij de Heere, en zei, Schrijft het gezicht, stelt het duidelijk op tafelen, opdat daarin leze die voorbij loopt, en zegt: Want het gezicht zal nog tot enen bestemden tijd zijn, dan zal Ik het op het einde voortbrengen De Heere toont in het derde vers dat Hij getrouw zou zijn aan zijne bedreiging: Ik heb eens gezworen bij mijn Heiligheid, Zou Ik aan David liege, Ps. LXXXIX: 36 Daarop wordt dan door de profeet getoond wat de gestalte van de vrome omtrent Hem zou zijn, zeggende; Maar de rechtvaardige zal door zijn geloof leven. De gestalte des goddelozen daarentegen: Ziet zijne ziele verheft haar, zij en is niet recht in hem; daarom mocht de profeet vragen: wel, Heere, hoe zal 't dan gaan met de vijanden? De Heere toont daarop, hoe Hij de vijanden verdelgen zou, tot op het einde van dit Kapittel.

Vervolgens bidt hij in 't 3de kapittel voor de gevangenen en gebruikt drangredenen van de vorige handelingen Gods met zijn volk in de woestijn. Daarop toont de profeet zijne kloekmoedige gestalte en zegt, schoon hij te voren beroerd was geweest, evenwel alhoewel de vijgenboom niet bloeien en zal, en geen vrucht aan de wijnstok zijn en zal, dat het werk des olijfbooms liegen zal, en de velden geen spijze voortbrengen, dat men de kudde uit de kooi afscheuren zal, en er geen rund in de stallingen wezen en zal: Zo zal ik nochtans in de Heere van vreugde opspringen, Hab. III: 17, 18. Wij hebben laatst gesproken over de woorden:

De uitgestelde hope krenkt het herte; maar de begeerte die komt, is een boom des levens. Spreuk. XIII: 12, zo dachten wij het niet onnut te zijn, nu te spreken over deze woorden: Zo Hij vertoeft verbeidt Hem, want Hij zal gewisselijk komen, Hij en zal niet achter blijven.

Hier hebben wij te bezien;

I. Ten eerste, de Persoon die gewacht wordt;

II. Ten tweede, het vertoeven;

III. Ten derde, de werkzaamheid, 't verwachten;

IV. Ten vierde, de redenen; Hij zal gewisselijk komen, Hij en zal niet achterblijven.

I. Wat het eerste aangaat: wie is hier de persoon die gewacht wordt?

1. Ten eerste, sommigen denken dat het is de koning van Babel. Dan zou dit de zin zijn: de koning van Babel zal gewisselijk tegen deze stad komen, hij zal niet achterblijven: En is 't dat Hij nog wat vertoeft, komt Hij zo gauw niet, verbeid Hem, wordt niet toornig gelijk Jona, omdat het gezicht zo wakker niet en komt.

2. Ten tweede, anderen denken dat het de Heere Jezus is; dat de Heere hier belooft aan de Profeet dat Hij zijn Zoon zekerlijk zenden zal. De reden waarom wij dat ook denken zijn deze:

1. Vooreerst, omdat de Heere hier de profeet antwoord geeft, om hem te vertroosten; want wat troost zou daarin gelegen zijn, dat de koning van Babel tegen de stad zou optrekken?

2. Ten tweede, de reden waarom wij denken, dat hier de Heere Jezus de persoon is die beloofd wordt, is, omdat Paulus de woorden van 't volgende vers met weinige verandering duidt op Christus; want Paulus zegt: (Hebr. X: 38) die ziele die zich onttrekt, mijne ziele heeft in hem geen behagen. Maar de rechtvaardige zal door zijn geloof leven, onttrekken of zich verliezen, dat is hetzelfde; het eerste sluiten wij niet uit, gij kunt het allebei nemen, ziet vs 39. Nu moeten wij dan bezien hoeveel komsten van de Heere er zijn.

1. Ten eerste, daar is ene komst in het vlees, dat is, zijn geboorte; daar lezen wij van Micha V: 1. Uit u zal Mij voortkomen die een Heerser zal zijn in Israël; die Heere dien gijlieden zoekt, te weten, de Engel des Verbonds, aan denwelken gij lust hebt, ziet Hij komt, Mal. 111: I; dan zegt Hij zelf: Ziet Ik kome, in de rolle des boeks is van Mij geschreven. Ik hebbe lust, o mijn God, om uw welbehagen te doen, Ps. XL: 8, 9.

2. Ten tweede, daar is ene komst van de Heere tot ene verlatene ziele, daar zag de Bruid op: "Dat mijn Liefste tot zijnen hof kwame, en ate zijne edele vruchten! Hoog1 iv: 16.

3. Ten derde, er is ene derde komst van de Heere ten oordeel, En van deze heeft ook Enoch, de zevende van Adam, geprofeteerd, zeggende: "Ziet, de Heere is gekomen met zijne veel duizend heilige, om gericht te houden tegen alle, en te straffen alle goddeloze tegen haar", Jud.: 14, I5. De komst van de Heere Jezus in de vlese, die komst vertoefde, ja wel 3 à 4000 jaren eer de Heere Jezus kwam. Eva mocht al zeggen: Ik hebbe enen man van de Heere verkregen, Gen. IV: 1; Abraham mocht verlangen om dien dag te zien; doch dat bleef zo al, de Heere vertoefde te komen, Voor ene tweede komst vertoefd de Heere met vertroostingen tot ene verlatene ziele. Die ziele moet klagen: Ik vinde mijnen Heere zo niet naar oude wijze! Zij moet zeggen: Waarom verbergt Gij uw aangezicht, Joh. XIII: 24, hetzij in 't Avondmaal of op andere gelegenheden. Voor ene derde komst vertoeft de Heere wel eens, zodat de spotters beginnen te spotten en zeggen: Waar is de belofte zijner toekomst? 2 Petri III: 4. Ja, de Heere vertoeft die komst zo lang, zodat de zielen onder de altaar roepen en zeggen: Hoe lange, o heilige en waarachtige Heerser, en oordeelt en wreekt Gij ons bloed niet van degene, die op aarde wonen? Openb. VI: 10. Ja, zo lange dat het ganse schepsel zucht naar de openbaring der heerlijkheid der kinderen Gods, Rom. VIII; dat de ganse Kerke roept: Amen. Ja kom Heere Jezu, Openb. XII: 22.

II. Weet ge welke de reden was waarom Hij zijne eerste komst zo lang vertoefde? Om redenen aan de zijde van God de Vader, welke deze zijn:

1. Vooreerst, Hij wilde zijne wijsheid tonen dat Hij door zulke geringe schaduwen, en door zulke kleine beginselen zulk ene grote zaak zou voortbrengen.

2. Ten tweede, al wachtte Hij lang, Hij wilde zijne waarheid tonen, al liep er wat tussen beide, de Heere zou zijn woord waar maken.

3. Ten derde, Hij wilde zijne goedheid tonen; Hij wou ons tonen, dat Hij voor de latere dagen wat beters voorzien had.

Daar waren redenen aan de zijde van de kerke; die zijn deze: 1. Vooreerst, al de zonden moesten eerst bedreven zijn, de scepter mocht van Juda geweken zijn, (Gen. XLIX: 10,) kerk en staat in een diep verval zijn, de sleutel der kennisse verloren; want daar de Profetie ontbreekt, wordt het volk ontbloot

2. Ten tweede, Hij moest hoog nodig geschat worden van degenen, die Hem verwachten tot zaligheid, zo als een Simeon en Anna (Luc. II). 3. Ten derde, vrede aan de zijde van God, God de Zone, opdat Hij welkom zou zijn. De Bruid riep al: Och, dat ge mij als een broeder waart, zuigende de borsten mijner moeder! dat ik u op de straat vonde, ik zoude u kussen, Hoogl. VIII: 1. Vele Koningen en profeten hebben begeert te zien hetgene gij ziet, Luc. X: 24. Waarom stelt de Heere de tweede komst dikwijls zo lang uit?

1. Vooreerst, daar zijn zonden, die scheiding maken tussen de Heere en de ziele, zo lang als er boelen in het hart zijn, wil de echte man niet komen, dat toonde de Heere aan de bruid: Wel, 't is de zonde, die zulke scheiding maakt. De Heere zei: zo lang gij niet vernederd zijt, geeft o gij mij reden om te vertrekken (Hos. V: 15). 2. Ten tweede, de Heere stelt zijne komst tot ene verlatene ziele dikwijls lang uit. Wel, de Heere zegt: Ik zie zo gaarne dat ge worstelt en schreit; gelijk de Emmausgangers, O, zij moeten eerst hun begeerten en hun ganse hart uiten, eer dat: de Heere zich aan hen ontdekt. Hij zei tot hen als tot de Bruid: Toont Mij uwe gedaante, doet Mij uwe stemme horen; want uw stemme is zoet, en uwe gedaante is lieflijk, Hoogl. II: 14.

3. Ten derde, de Heere wil u eens beproeven of met de genade wel tevreden zijt; gelijk Hij zei tot Paulus: Mijne genade is u genoeg, 2 Cor. XII: 9. Vele houden meer van de bloem als van de knop; ik zegge van de vertroostende genade, als van de beproevende genade. 4. Ten vierde, de Heere verbeidt zijne komst, als ge uw licht mist, dat ge het onverdrietig zoeken zoudt, en als ge 't hebt, dan blijde zoudt zijn en het zoeken te bewaren. (Openb. III: 3.) 5. Ten vijfde, opdat gij niet te weelderig groeien zoudt. Weet ge nu welke de reden is, dat de Heere zijne derde komst vertoeft? 1. Vooreerst, daarom, al de profetieën moeten nog eerst vervuld worden.

2. Ten tweede, om de goddelozen buiten klachten te stellen, opdat zij niet zouden zeggen: gij hebt ons geen tijd gegeven! De Heere gaf aan de inwoners van Kanaän 430 jaren tijd!

3. Ten derde, wel, al de vromen moeten eerst bekeerd en ondergebracht zijn. 't Gaat hiermee gelijk de Engelen tegen Lot zeiden: Haast, behoudt u derwaarts; want ik zal niets kunnen doen, totdat gij daar henen ingekomen zijt, Gen. XIX: 22.

4. Ten vierde, al de vromen moeten tot zo ene hoge mate van genade komen als de Heere besloten heeft. Nu hebben wij dan gezien: Zo Hij vertoeft.

III. Wij hebben nu ons derde stukje; de werkzaamheid: Zo Hij vertoeft, verbeidt Hem, 't verbeiden stelt iets vast.

1. Ten eerste, 't stelt vast de zekerheid van zijne komst. 2. Ten tweede, de Heere had beloofd de eerste komst al (Gen. III: 15, Jes. VII;) de tweede komst (Jes. LXV), de derde komst (Jes. LXV: 17).

3. Ten derde, 't verbeiden stelt ook vast dat de komst aangenaam zal zijn.

Wat is nu het verwachten?

1 Ten eerste, 't is al de hinderpalen weg te doen, die zijne komst kunnen verhinderen; alles weg te doen! Zo schikt u, ô Israël, om uwen God te ontmoeten, Amos IV: 12.

2. Ten tweede, het verbeiden bestaat in: met verlangen uit te zien, of de Heere niet komt, gelijk de moeder van Sisera, keek uit door de vensters, en schreeuwde door de tralies: Waarom vertrekt zijn wagen te komen? waarom blijven de gangen zijner wagenen achter, Richt. V: 28.

3. Ten derde, daar is een werkzaam stil zijn met de Beloften in de gebed.

4. Ten vierde, het bestaat in dat taai geduld: de ziele zegt: wat zou ik er aan hebben, dat ik ging uitscheiden. Wees stil, mijne ziel, zegt ze, hoop op God Dat is nu dat verwachten.

IV. Wel, is dat nu een mensenwoord, dat Hij zal komen en niet achterblijven? Alle mensen zijn leugenachtig. Wilt ge nog geen staat er op maken? Wel, ziet dan in de vierde plaats.

1. Ten eerste, de eerste reden; Hij kan niet achterblijven Daar ligt zijn raad. In Ps. II: 7 zegt Hij zelf: Ik zal van het besluit verhalen. De Heere heeft tot Mij gezegd: Gij zijt mijn Zone, heden heb ik U gegenereerd, en Psalm XL: 8, 9. Ziet, Ik kome; in de rolle des hoeks is van Mij geschreven: Ik hebbe lust, ô mijn God, om uw welbehagen te doen. God heeft het door twee onveranderlijke dingen gezegd, de eed en zijn raad, in welken 't onmogelijk is, dat Hij liegen zou. Zo is Hij met een eed daar tussen gekomen, opdat zij te sterker vertroostinge hebben zouden, (Hebr. VI: 18).

2. Ten tweede, daar liggen al die klare beloften. Hij kon niet achterblijven, want uit kracht van de beloften kenden zij Hem als Borg. Toen was er nog niet betaald; zij werden toen zalig op de Borggerechtigheid.

3. Ten derde, Hij kon niet achterblijven. Daar liggen al de schaduwen, profetieën en voorbeelden. Waar is er een lichaam zonder schaduw? Waar zijn er voorbeelden zonder tegenbeeld? God had het laten voorzeggen. De Vader kon hier zeggen: Hij zal gewisselijk komen. Hij zal niet achterblijven. Hij kende het hart van zijn Zoon, dat Hij niet in de zin had, om hen te verlaten; gelijk Jozef eens wilde doen omtrent zijn ondertrouwd wijf.

Aangaande de tweede komst; de Heere zal ook zekerlijk komen tot ene verlatene ziele, want Hij zegt: de geest zoude van voor mijn aangezicht overstelpt worden, zij zouden door te grote droefheid overstelpt worden. De derde komst zal de Heere ook zekerlijk komen, want:

1 Ten eerste, God heeft dien dag vastgesteld.

2. Ten tweede, de zonden roepen om straffe.

3. Ten derde, Gods kinderen worden onderdrukt en Gods rechtvaardigheid eist, dat zij die verdrukt werden, verkwikt worden, en de verdrukkers gestraft.

Geliefde toehoorders, mogen wij niet wel zeggen: Dit is een getrouw woord, 1 Tim. III: 1; want wij zien Christus al lang gekomen. Zo is dan de eerste komst waar gemaakt. De tweede komst? Wel, is hier ene verlatene ziele, daar de Heere zich aan ontdekt heeft, die is er een bewijs van. Alzo zeker is de laatste komst.

Is hier iemand, die zegt: 't is zo duister over 't land, de Kerke, mijne familie, of naar de ziele: 1; ik zie de Heere niet! Wij vragen u: zijt gij van 't rechte volk, dat de Heere verwacht? Hij zal gewisselijk komen, Hij en zal niet achterblijven. Is hier ene klagende ziele, die moet zeggen: zie ik ter rechterhand, zie ik ter linkerhand, ik zie Hem niet; in mijn bidden ben ik vadsig, dodig, en is er nog een aanblikje, 't is zo klein. Wij antwoorden u: 1. Ten eerste, Hij zal zeker komen.

2 Ten tweede, acht u gelukkig. dat gij wachten moogt. Zijt echter niet vergenoegd met uwen, tegenwoordige toestand, onderzoekt eens naar de reden waarom de Heere zijn aangezicht verbergt, hebt gij altemet niet een lust of verdorvenheid, die geworden is als een rechter oog en hand, en daarvan gij niet afwilt. ô! Dit kan ene oorzaak zijn, waarom de Heere Jezus zich niet ontdekt aan uwe ziele; ziet het in de Bruid, Hooglied V:3-6; of steunt gij niet meer op de ontvangene genade, dan op de Heere Jezus, als de gedurige verse en levende weg, die gij in en tot alles nodig hebt. Het kan ook zijn, dat uwe ziel niet genoeg ontledigd is, in de weg van ware geestelijke ontdekking en ontbloting, daar de belofte is voor die hem gewend zal hebben tot het gebed desgenen die gans ontbloot is, (Ps. CII: 18.) Het kan ook wezen, dat gij historiële kennisse des geloofs neemt voor het ware geloof des harten, zonder uwe vrucht uit Christus te halen. Geloof aan Jezus, is nog geen geloof in Hem. Maar hebt gij ene recht wachtende en uitziende ziele naar Hem. ô! Zo Hij vertoeft, verbeidt Hem; Hij zal, gewisselijk komen en al uwe zwarigheden wegnemen,

3. Ten derde, klopt aan de deur in de middelen, Vromen, pleit In uw gebed op 't verbond, met de beloften; dringt, pleit en luistert eens of de Heere geen antwoord geeft; houdt aan gelijk de Kananese vrouw, ofschoon de Heere u afsloeg; ja, zinkt niet moedeloos weg. Hoe velen zijn u voorgegaan! Denkt: wat redenen heb ik God gegeven en vernedert er u over. Slaat zo dien weg in. God zal u helpen. Hij zal zeggen: Ik stond er bij, Ik heb uwe tranen, uw worstelen gezien, het was Mij welgevallig. Hij zal zeggen: ziet, hier ben ik dan. Hij is gekomen! zult ge moeten uitroepen: Hij is gekomen, Hij zal al mijne banden losmaken! Wij zullen hierop laten volgen het laatste vers van Jes. XL.

Maar gij, zondaar, die met de komst van de Heere wilt spotten, omdat het oordeel niet haastelijk komt op de boze daad, met een hart vol om kwaad te doen. Hij zal komen, Hij zal op 't laatst de treden verdubbelen, Hij is wel lankmoedig, Hij zal komen met vele duizenden der engelen, met de geopende boeken, Hij zal u verdoemen! Zult gij, om een korten tijd uw lust te volgen, een eeuwige pijn willen uitstaan? Vergist u niet; de pijn zal zwaar zijn! Overlegt dit! Wij hopen, dat de schrik des Heeren u mag bewegen tot het geloof in de Heere Jezus.

Amen.