De brieven

van

Samuel Rutherford

in leven professor en predikant aan de academie en kerk van St. Andrew’s in Schotland

In het Nederlands vertaald door

Jakobus Koelman

bedienaar van het Heilig Evangelie te Sluis in Vlaanderen

Hieraan zijn toegevoegd twee voorredenen, de ene aan de gemeente van Sluis; de andere aan de gevluchte Fransen, vervolgd en verdrukt, wegens hun vast aankleven aan Christus’ waarheid

362 Brieven in drie delen

Deel 3, brieven 201-362

Inhoud

Brief van toeëigening aan de gemeente van Sluis in Vlaanderen *

Aanspraak aan de verdrukte en vervolgde vluchtelingen uit Frankrijk zowel leraars als ledematen *

De laatste brieven van Mr. Samuel Rutherford *

201e brief. Aan zijn eerwaarde en lieve broeder Mr. Johannes Nevay *

202e brief. Aan mevrouw Boyd *

203e brief. Aan Mr. Alexander Colvill van Blair *

204e brief. Aan Mr. Johannes Row *

205e brief. Aan de vrouw Culross *

206e brief. Aan Alexander Gordon van Knockgray *

207e brief. Aan de heer van Carletoun *

208e brief. Aan Robbert Gordon van Knockbrex *

209e brief. Aan mijnheer Craighall *

210e brief. Aan de Heer Craighall *

211e brief. Aan mevrouw Culross *

212e brief. Aan Alexander Gordon, van Earlestoun *

213e brief. Aan Robbert Gordon van Knockbrex *

214e brief. Aan mijnheer Lowdoun *

215e brief. Aan een godzalige vrouw N. N. *

216e brief. Aan de Gravinne van Kenmure *

217e brief. Aan de gemeente van Kilmacolme *

218e brief. Aan een Godzalige vrouw N. N. *

219e brief. Aan de uitverkorene en edele vrouw, mevrouw Kenmure *

220e brief. Aan mevrouw Kenmur *

221e brief. Aan Johannes Kennedy *

222e brief. Aan mevrouw Kenmur *

223e brief. Aan mevrouw Kenmur *

224e brief. Aan mevrouw Kenmur *

225e brief. Aan mevrouw Kenmure *

226e brief. Aan mevrouw Kenmure *

227e brief. Aan mevrouw Kenmur *

228e brief. Aan mevrouw Kenmur *

229e brief. Aan mevrouw Kenmur *

230e brief. Aan mevrouw Kenmure *

231e brief. Aan mevrouw Kenmur *

232e brief. Aan mevrouw Kenmur *

233e brief. Aan mevrouw Kenmur *

234e brief. Aan mevrouw Kenmur *

235e brief. Aan mevrouw Kenmur *

236e brief. Aan mevrouw Kenmure *

237e brief. Aan mevrouw Kenmur *

238e brief. Aan mevrouw Kenmur *

239e brief. Aan mevrouw Kenmur *

240e brief. Aan Earlestown, de oude *

241e brief. Aan Maria Mac-Knaught *

242e brief. Aan Maria Mac-Knaught *

243e brief. Aan Maria Mac-Knaught *

244e brief. Aan Maria Mac-Knaught *

245e brief. Aan Maria Mac-Knaught *

246e brief. Aan Maria Mac-Knaught *

247e brief. Aan Maria Mac-Knaught *

248e brief. Aan Maria Mac-Knaught *

249e brief. Aan Maria Mac-Knaught *

250e brief. Aan Maria Mac-Knaught *

251e brief. Aan Maria Mac-Knaught *

252e brief. Aan Maria Mac Knaught *

253e brief. Aan Maria Mac-Knaught *

254e brief. Aan Maria Mac-Knaught *

255e brief. Aan Maria Mac-Knaught *

256e brief. Aan Maria Mac-Knaught *

257e brief. Aan Maria Mac-Knaught *

258e brief. Aan Maria Mac-Knaught *

259e brief. Aan Maria Mac-Knaught *

260e brief. Aan Maria Mac-Knaught *

261e brief. Aan Maria Mac-Knaught *

262e brief. Aan Maria Mac-Knaught *

263e brief. Aan Maria Mac-Knaught *

264e brief. Aan Maria Mac-Knaught *

265e brief. Aan Maria Mac-Knaught *

266e brief. Aan Maria Mac-Knaught *

267e brief. Aan Maria Mac-Knaught *

268e brief. Aan Maria Mac-Knaught *

269e brief. Aan Maria Mac-Knaught *

270e brief. Aan Maria Mac-Knaught *

271e brief. Aan Maria Mac-Knaught *

272e brief. Aan Maria Mac-Knaught *

273e brief. Aan Maria Mac-Knaught *

274e brief. Aan Maria Mac-Knaught *

275e brief. Aan Maria Mac-Knaught *

276e brief. Aan Maria Mac-Knaught *

277e brief. Aan Maria Mac-Knaught *

278e brief. Aan Maria Mac-Knaught *

279e brief. Aan Maria Mac-Knaught *

280e brief. Aan Maria Mac-Knaught *

281e brief. Aan Maria Mac-Knaught *

282e brief. Aan Maria Mac-Knaught *

283e brief. Aan Maria Mac-Knaught *

284e brief. Aan een edele vrouw *

285e brief. Aan Willem Fullertown, opperschout te Kirkcudbright *

286e brief. Aan de recht eerwaarde vrouw, de Markgravin van Kenmur *

287e brief. Aan de recht eerwaarde hoogedele vrouw, de Markgravin van Kenmur *

288e brief. Aan Johannes Henderson in Rusco *

289e brief. Aan de Markgravin van Kenmur *

290e brief. Aan de vervolgde Kerk in Ierland *

291e brief. Aan zijn eerwaarde en veelgeëerde broeder Dr. Alexander Lighton, Christus’ gevangene in de banden te Londen *

292e brief. Aan Mr. Hendrik Stuart, en aan zijn vrouw, en aan zijn twee dochters, zijnde allen gevangenen in Christus te Dublin *

293e brief. Aan juffrouw Pont, gevangene te Dublin *

294e brief. Aan Mr. Jacobus Wilson *

295e brief. Aan mevrouw Boyd *

296e brief. Aan zijn zeer lieve vriend Johannes Fennick *

297e brief. Aan de zeergeëerde Petrus Sterling *

298e brief. Aan mevrouw Fingask *

299e brief. Aan zijn eerwaarde en lieve broeder Mr. David Dickson *

300e brief. Aan mevrouw Boyd *

301e brief. Aan Agnes Mac-Math *

302e brief. Aan Mr. Mattheüs Mowat *

303e brief. Aan de huisvrouw van Jacobus Murray *

304e brief. Aan mevrouw Kenmure *

305e brief. Aan de recht eerwaarde vrouw, mevrouw Boyd *

306e brief. Een brief van Samuel Rutherford, staande voor zijn predikatie over Dan. 6:26 te Londen op een vastendag, de 31e januari 1644 *

307e brief. Aan de recht eerwaarde vrouw de markgravin van Kenmur *

308e brief. Aan de recht eerwaarde vrouw, mevrouw Boyd *

309e brief. Aan juffrouw Taylor *

310e brief. Een brief van Samuel Rutherford, staande voor zijn predikatie over Luk. 8:22 enz. te Londen op een vastendag, de 26e juni 1645 *

311e brief. Aan Barbara Hamilton *

312e brief. Aan de HoogEdele en zeer machtige heer Archbald, Markies van Argyl *

313e brief. Aan de lezer *

314e brief. Aan juffrouw Hum *

315e brief. Aan de markgravin van Kenmur *

316e brief. Aan Barbara Hamilton *

317e brief. Aan de rechteerwaarde vrouwe, mevrouw Johanna Cambel, markgravin van Kenmur, zuster van de recht edele en machtige markies van Argyl *

318e brief. Aan een Christenvriend, op de dood van zijn vrouw *

319e brief. Aan een Christelijke broeder *

320e brief. Aan een christelijke vrouw *

321e brief. Aan mevrouw Kenmur *

322e brief. Aan Mr. J. G. *

323e brief. Aan Mevrouw Kenmur *

324e brief. Aan mevrouw Ardross *

325e brief. Aan de rechteerwaarde en Hoog-Edele heer, de graaf van Loudon, kanselier van Schotland, en van de academie van St. Andries *

326e brief. Aan M. O. *

327e brief. Aan Earlestoun, de Oude *

328e brief. Een brief van Mr. Samuel Rutherford, staande voor zijn boek, genaamd: "Christus stervende en trekkende zondaars tot Zichzelf;" over de tekst Joh. 12:27—33 *

329e brief. Aan de rechteerwaarde vrouw, mevrouw Kenmur *

330e brief. Aan zijn eerwaarde en waarde broeder Mr. Georgus Gillespie *

331e brief. Aan juffrouw Gillespie *

332e brief. Aan de waarde en zeer geleerde kolonel Gilbert Ker *

333e brief. Aan de waarde en zeer geëerde kolonel Gilbert Ker *

334e brief. Aan de waarde en zeer geëerde kolonel Gilbert Ker *

335e brief. *

1. Latijn: Adolescentibus S. Theologiae Candidatis, allisque Christianis lectoribus, Gratia et pax *

2. Nederlands: Aan de Jongelingen, Studenten van de H. Theologie, en aan andere Christenlezers *

336e brief. Aan Mr. Wilhelmus Guthry *

337e brief. Aan de zeer geëerde, en waarlijk waarde kolonel Gilbert Ker *

338e brief. Aan de zeer geëerde en waarlijk waarde kolonel Gilbert Ker *

339e brief. Aan de waarde en zeergeëerde kolonel, Gilbert Ker *

340e brief. Aan Mevrouw Kenmur *

341e brief. Aan de rechteerwaarde en christelijke vrouw Mevrouw Kenmur *

342e brief. Aan Grissal Fullertown *

343e brief. Aan Mevrouw Kenmur. *

344e brief. Aan de geëerde en recht waarde kolonel Gilbert Ker *

345e brief. Aan mevrouw Kenmur *

346e brief. Aan Mr. Johannes Scot, te Oxnam *

347e brief. Aan Mevrouw Kenmur *

348e brief. Aan mevrouw Kenmur *

349e brief. Aan Mr. Johannes Scot te Oxnam *

350e brief. Aan Mr. Johannes Durham, dienaar des Evangelies te Glasgow, enige weinige dagen voor zijn dood *

351e brief. Aan Mr. Johannes Scot te Oxnam *

352e brief. Aan Mr. Johannes Scot te Oxnam *

353e brief. Aan de gemeente te Aberdeen *

354e brief. Aan mevrouw van Kenmur *

355e brief. Aan mevrouw Kenmur *

356e brief. Aan de rechteerwaarde vrouw, mevrouw de markgravin van Kenmur *

357e brief. Aan juffrouw Craig *

358e brief. Aan enige broeders predikanten *

359e brief. Aan zijn eerwaarde, en lieve broeders Mr. Jac. Guthrie, Mr. Trail, en de rest van haar broeders, gevangen gesteld in ‘t Kasteel van Edinburgh *

360e brief. Rutherfords oordeel over een ruw concept of minute van een verzoekschrift van Mr. Guthry en anderen *

361e brief. Aan mijn eerwaarde broeder, Christus’ krijgsknecht in de banden, Mr. Jacobus Guthry, dienaar van het Evangelie te Stirling *

362e brief. Aan Mr. Robert Campell *

Brief van de synode van Londen, aan de predikanten van Nederland *

1. Reverendi admodum Viri, et Fratres in Christo dilectissimi *

2. Zeer eerwaarde mannen, en zeer geliefde broeders in Christus *

Een brief geschreven door de vermaarde en getrouwe dienstknecht van Christus, Mr. Johannes Livingstoun, aan zijn gemeente te Ancram in Schotland *

Register van de namen van degenen, aan welke al de voorgaande brieven geschreven zijn *

Register van de verschillende stoffen van al de 362 voorgaande brieven van Rutherford *

 

 

 

  1. Brief van toeëigening aan de gemeente van Sluis in Vlaanderen
  2. Mijn waarde vrienden, geliefde broeders en zusters!

    Ziet, de Heere geeft mij een nieuwe goede gelegenheid, om ulieden in het publiek aan te spreken, en ik verblijd mij, als ik die ontvang; omdat ik nu wederom mijn hartsgenegenheid omtrent ulieden kan verklaren en uitstorten, en tegelijk enige besturing en verwakkering geven tot welstand van uw zielen. De Heere weet, dat gijlieden zo eng niet bent in mijn ingewanden, of ik heb meermalen pijnigende begeerten en verlangens, om tot uw behoudenis en opbouwing iets toe te brengen. Doch door mijn afstand van ulieden, en het durende geweld en inbinding op mij gelegd door de machtigen van het land, heb ik weinig of geen toegang, om verder dan door enig publiek geschrift tot ulieder opwerking te spreken: want geheime brieven kunnen zeer weinigen raken; ook heb ik lange tijd herwaarts van zeer weinigen enig schrijven ontvangen, zodat ik de particuliere gestalten of ongestalten van de zielen, niet recht ken; hoewel ik niet geheel onbewust ben, hoe het onder ulieden in ‘t algemeen toegaat; en dat kost mij meermalen nare zuchtingen en bezwarende gedachten; omdat het alleszins openbaar, en door velen uitgeroepen wordt, dat die wijnstok te Sluis nu vrij verbasterd is, en geenszins gelijkt, naar hetgeen zij voor twaalf jaren was; de liefde is zeer verkoud, de ongerechtigheid is vermenigvuldigd, ‘s Heeren dag (weleer, zo u weet, zo nauwkeurig door de menigte gevierd) wordt nu door velen openlijk geschonden, de ergernissen zijn vele, en weinig wordt de tucht gebruikt: want ook worden nu sommigen tot opzieners gesteld, die van het slechtste slag in de gemeente zijn. En wat zal ik meer ophalen? De Heere is zeer merkbaar met zijn Geest geweken, en de heerlijke gangen van de Koning worden nu niet meer bespeurd, gelijk in vorige dagen. Gijlieden die met blijdschap placht op te merken, hoe de Heere de prediking vergezelde met Zijn krachtige bewerking van de zielen, staat nu verbaasd, en beschouwt met droefheid, hoe die hof des Heeren nu veelszins als woest ligt. Mijn openlijk gegeven waarschuwingen en vermaningen zijn van velen niet eens verwaardigd te lezen, en van weinigen zijn ze herkauwd, en op ‘t hart gelegd; evenwel staan ze daar, en zullen er staan tot getuigenissen tegen de ongehoorzamen en afkerigen.

    Och, wat een droefheid is het voor mij, dat ik voor ulieden zo weinig nuttig ben, die u tot een herder gegeven is door de opperste Herder van de schapen, terwijl ik hier en daar, waar de Heere gelegenheid geeft, mijn talent, zo goed als ik kan, zoek aan te leggen; wat de Heere daardoor tot zaligheid en vordering van anderen werkt, kan en behoef ik hier niet te zeggen. Maar mij dunkt, ‘t is een roepende onderdrukking, dat ik verhinderd word ulieden te weiden, en als een tere voedster de onvervalste melk toe te dienen, en zo ulieden naar de zaligheid te leiden. O wat zou het mij een genoegen van de ziel zijn, mocht ik mijn stem weer onder ulieden verheffen, mijn krachten, die nu weinig minder zijn, dan wanneer ik bij u was, in de predikdienst daar verteren, en nieuwe aanzoeking doen uit mijn Heere Jezus Zijn Naam, om veel zielen, die nog omzwerven, tot een onverbrekelijke vereniging met die Bloedbruidegom te brengen! Maar neen; tot nog toe blijkt het niet anders, of de Heere wil mij onder ulieden niet laten komen; of het ooit veranderen zal, en of de ijzeren deuren, die voor mij gesloten zijn, eens zullen opengebroken worden, weet Hij die alles werkt naar de raad van Zijns wil. En het betaamt mij en ulieden allen, in Zijn welbehagen te berusten, en met vertrouwen stil te zijn, en dat zal onze sterkte zijn. Tot op deze dag nemen de kerkelijken (die het de Heere afeist) het ongelijk en de verdrukking, mij door de hoge machten aangedaan, niet ter harte, niettegenstaande, dat ze immers nu al wel weten, of weten kunnen, dat hun voorgaande verdenkingen of jaloersheden, dat ik scheuring of afscheiding van de kerk mocht zoeken aan te richten, geheel ongegrond en liefdeloos zijn geweest; omdat ik in deze twaalfjarige verstoting zoveel blijken van het tegendeel heb gegeven, dat zo wie door geen vooroordelen of hartstochten geheel verblind is, zal moeten bekennen, dat de synoden en kerkeraden zonder reden hun besluiten tegen mij genomen hebben, alsof er schade voor de kerk door mij te verwachten was. Desniettegenstaande houdt men zich stil, alsof ik er niet was, en alsof de Heere Jezus een van Zijn dienaren, als een overtollige, boven ‘t nodige getal gesteld, en last tot werken gegeven had; waarom zijn mededienstknechten hem geen bijzonder werk willen in handen geven; of zo hij evenwel gaat arbeiden in de oogst, omdat hem van zijn Heere en Meester de nood is opgelegd, zij hem met de schouderen stoten, met hem twisten, en hem bij de overheden aanklagen, als komende zijn sikkel in een andermans oogst slaan. Doch hoe zij dit voor de Heere des oogstes, Die alle arbeiders uitstoot, en last geeft om te werken, zullen verantwoorden, kan ik niet bevatten. Hij Zelf brenge het eens op hun hart; het zal hen niet alleszins verschonen, dat zij zouden menen in te brengen, dat de Heren Staten de hindering gelegd hebben: want zij, ja zij bijzonder moesten weten, en tonen te weten, dat er geen Heere in de kerk is, dan onze Heere Jezus Christus, de Vorst van de koningen van de aarde, Die de Vader tot Koning gezalfd heeft over Zijn heilige berg; en dat geen heer of koning op aarde, hoe hoog of mogend hij ook is, in Zijn huis een tegenbevel geven kan of mag, tegen Zijn volstrekt opperbevel, aan iemand van Zijn dienaren gegeven. Zij zouden dan voor ‘t recht en de onweersprekelijke oppermacht van Koning Jezus hun klachten en tegenbetogen inbrengen bij die heren, om de plaag, die Jezus’ hand en ijzeren scepter of roede hen dreigt, af te keren of te voorkomen. Doch dat doen zij niet.

    Mij aangaande, gelijk ik meermaal u gezegd heb, Ik ben in deze enigszins als een gespeend kind geworden. Gelieft mij de Heere niet wederom te doen slaan, en te doen weiden de kudde; ja gelieft het Hem, Die de soevereine Heere is, mij tot mijn dood toe, zoals Jozef, afgescheiden van mijn broederen te laten zijn, daar niemand ervan meer naar vraagt, of over bekommerd is, ik ben tevreden, en buig mij onder Zijn vrijstelling; Hij is de Heere, hier ben ik, Hij doe met mij, zoals goed is in zijn ogen; al Zijn wegen zijn heilig, zij zijn enkel goedertierenheid en waarheid dengenen, Die Zijn verbond bewaren; Hij make mij maar als Jozef een vruchtbare tak aan een fontein, Hij doe mijn boog in stijfheid blijven, en sterke mijn armen door Zijn handen. Ja, geloofd zij zijn Naam eeuwiglijk, dat Hij mij wel uit mijn plaats en bijzondere gemeente, maar niet uit mijn werk als leraar en bedienaar des Evangelies in zijn algemene kerk (niettegenstaande al het tegenspreken en tegenwerken van velen) laat verstoten zijn, tot op deze dag. En daar sommigen wel denken, ja bestaan te zeggen, dat ik bezwaard en leeddragende mocht zijn, dat ik zozeer op die twee, in hun ogen zo klein en gering, punten, van de verwerpelijkheid van de Formulierdienst en Feestdagen, gestaan heb, waardoor mij dan dit lijden eerst is overkomen; zo mag en moet ik verklaren, niet alleen voor ulieden maar ook voor de kerk in heel Nederland, ja ook voor de buitenkerken, die op deze zo ongewone verstoting, met de genomen oorzaken van die, gelet hebbende, zich ook soms daaromtrent bezondigd hebben, dat ik, op veel studiën en overpeinzingen, en gebeden zulk een volle en brede verzekerdheid heb, dat die, punten met recht, en Gode behagelijk door mij (hoewel in veel zwakheid) zijn staande en vastgehouden, als ik heb over enige waarheden van de belijdenis. En hoe gering zelfs vrome leraars die punten nu achten, zo zijn ze toch in mijn ogen zo gewichtig en van zo’n groot belang, dat ze niet alleen dit mijn geringe, ras voorbijgaand lijden waardig zijn, maar indien daarbij mijn eeuwige zaligheid in de weegschaal gelegd werd, ze oneindig te licht daarbij zou bevonden worden; omdat de eer van de Koning der koningen hierin, gelijk in andere punten van Zijn waarheid, oppermacht en soevereine heerschappij in Zijn kerk, verbonden is. De Heere heeft deze waarheden zozeer op mijn hart verzegeld (zo ik iets weet van de verzegeling van enige waarheid door Zijn Geest op mijn hart) dat ik zowel voor deze als voor enige andere Goddelijke waarheid willig en volvaardig zou zijn, op de Heere Zijn roeping, mijn bloed te storten, en mijn leven te geven. En ‘t heeft mij niet weinig verkwikt en versterkt, dat vele beproefde vromen, en getrouwe mannen Gods in Engeland en Schotland, waaronder ook is de schrijver van deze brieven, die waarheden met hun lijden verzegeld hebben, nadat ze die door des Heeren Geest op hun harten verzegeld hadden gekregen.

    Gijlieden, mijn waarde vrienden, weet, of kunt gedenken, en nog nalezen, dat ik in de tijd, als ik nog onder ulieden was, tot u gezegd heb in mijn Toeëigeningsbrief van de eerste honderd vertaalde brieven, in het jaar 1673, dat het vertalen ervan mij zonderling had vervrolijkt, en tot ondersteuning gediend, wanneer ik op diezelfde tijd veel bittere tegenkanting van velerlei mensen verdroeg, ter oorzake van mijn eerste nalaten en ter zijde leggen van de Formulierdienst. En nu moet ik ulieden wederom zeggen, dat het vertalen van de laatste honderd tweeënzestig brieven mij tot zonderling genoegen en troostelijke verwakkering gestrekt heeft, omdat ik daarin zag, hoe God deze zijn uitgelezenen en uitmuntend getrouwe dienstknecht door Zijn allerbijzonderste vertroostingen en liefdeontdekkingen, krachtdadig vergewist en verzegeld heeft, dat hij Hem welbehaaglijk was, in het lijden van die onrechtvaardige uitstoting uit zijn bediening, wegens dat hij weigerde, zich onder menselijke instellingen en vonden op het stuk van godsdienst en kerkregering te buigen, zodat ik, behalve de menigerlei andere blijken van Gods goedkeuring van mijn onbeweeglijkheid in de formulierdienst en feestdaghouding, en de overweldiging en aanmatiging van de kerkelijke macht, ja van Christus’ koninklijke oppermacht, door de hoge overheden, te verwerpen, en als Godtergend te verfoeien, ook de verzegelde ondervindingen van deze heilige man, mij heb mogen en kunnen toepassen als Goddelijke getuigschriften, en als hemelse betuigingen aan mijn ziel, van dat de Heere Jezus ook de verongelijkingen en onderdrukkingen, door politieken en kerkelijken mij toegebracht, met medelijden en goedkeuring ter harte neemt, en erkent, als mij enkel wegens zijn Naam en waarheid aangedaan. Zodat het mij weinig of niet beweegt, dat de leraars in ‘t algemeen mijn lijden kwaad keuren en verachten, alsof het van de God des hemels niet was of werd aangenomen, als voor Hem ondergaan: omdat zij zelfs deze brieven lezende zullen zien, wat een achting de Heere voor dergelijk lijden heeft. Want, om deze ene reden een weinig aan te dringen, bijzonder op vrome leraars, die enige eerbied hebben voor Gods verzegelingen, en enige ondervinding van de Heere Zijn troostelijke en krachtdadige overreding: want de anderen zijn toch blind, en verachten op een godloochenende wijze die geheime verzekeringen en getuigenissen van de Geest, een van drieën, of zij zullen moeten verloochenen, dat die vertroostingen en zielsverrukkende openbaringen van Christus, waarvan Rutherford hier zo overvloedig en in volle verzekerdheid spreekt, waarlijk goddelijk of hemels waren; of zij zullen moeten geloven, dat God zulke hoge vertroostingen en allerlieflijkste ontmoetingen zonder bijzondere reden of gelegenheid geeft, en ze als een zegel stelt op een wit papier daar niets op geschreven staat, en daarom niets uit te besluiten is, waardoor zij dan de Heere ongerijmdheid zullen schijnen toe te schrijven. Doch geen van beide kan ik van teerhartige beproefde leraars verwachten. Of eindelijk, zullen zij moeten erkennen, dat de Heere Christus daardoor dit brede getuigenis van de hemel neergezonden en gegeven heeft, dat het Hem een zeer aangename dienst was, wanneer deze heilige, ook tot uitstoting toe, beschermde en vasthield, dat geen mens, ‘t zij kerkelijk of burgerlijk, mocht erkend of opgevolgd worden, wanneer hij op het stuk van zijn dienst en kerkregering, iets anders beval, oplegde en opdrong (bijzonder nog onder een onrechtmatige titel) dan ‘t geen van Hem Zelf, de enige Heere in Zijn huis, goedgevonden en opgelegd was; en zo zullen zij dan mijn lijden op dezelfde of dergelijke gronden moeten goedkeuren. Doch hoe dan zulke leraars zullen kunnen blijven in het stil gebruik van die menselijke inzettingen en vonden, zijnde zo geheel buiten, ja genoegzaam tegen Gods geboden en inzettingen, en zwijgen omtrent die openbare inbezitneming van Jezus’ macht en kroon, tegen mij gepleegd door de hoge overheden, zonder te vrezen, dat hun dat op enige dag, (bijzonder als zij zullen moeten opkomen, om rekenschap van hun bediening voor de Heere Jezus te geven) tot een aanstoot zal zijn, dat laat ik hun in hun bedaardste gedachten zelf overwegen.

    Het is mij nu genoeg, dat ik in dit voorbeeld zo klaar zie, dat Christus op de allerzoetste wijze voor zo’n lijden om dergelijke oorzaken, Zijn goedkeurend getuigenis geeft; al mocht het met mij die uitslag niet hebben, gelijk het waarschijnlijk niet hebben zal, die het met Rutherford gehad heeft, als die na twee jaren gebannen, en te Aberdeen bepaald geweest te zijn, hersteld werd in zijn gemeente te Anwoth, en daarna in een groter gemeente verplaatst werd, alwaar hij nog over de twintig jaren in de Heere Zijn wijngaard gearbeid heeft. Doch ik heb nu minder hoop op herstel, omdat, (nadat in het jaar 1685 op de rekesten van magistraat en kerkeraad te Sluis, bij hun Hoog-Mog. in beraad was genomen, of ik zou mogen hersteld worden, en hun Gedeputeerden daarover ettelijke malen waren samengekomen, zonder iets tot bevordering van mijn recht tot stand te brengen, of te besluiten, gelijk ik dat in mijn Aanspraak tot de Gereformeerde Kerken van het Verenigde Nederland, staande voor mijn boek van de Sabbat, breed verhaald heb) het hun Hoog-Mog. geliefd heeft, in het einde van dat jaar 1685, de 18e december, op de aanklacht van ene Christoffel del Corne, Baljuw van ‘t Sas van Gent (wegens dat ik zestien maanden tevoren eens daar was gekomen, en in een burgerhuis ‘s avonds een heilige oefening had gedaan voor enige begerige zielen, waarover mij, en in mij aan de Heere Jezus, de hoogste smaad en belediging was geschied door die Baljuw, gelijk hun Hoog-Mog. niet onbekend was, nochtans daarom, zonder enige andere reden) tegen mij te besluiten, onder anderen, dat mij zou gelast worden, op straffe van een boete van duizend gulden, niet te komen (niet alleen niet te Sluis) maar ook niet in het direct van de Generaliteit daaromtrent, en was getekend, A. Gerlacius. Ik weet niet, of enig jezuïet of priester, die pesten van de Staat, komende tegen de plakkaten van de landen in onze provinciën, op hoger boete staan dan zeshonderd gulden; maar dit weet ik, dat papen, monniken en jezuïeten met menigte in ons land komen, geduld en toegelaten worden, zelfs hun afgodische diensten te doen, en hun zielverderfelijke leringen te zaaien, zonder dat enige boete van hen geëist wordt. Doch mijn lot is dit alles te lijden van mijn overheden, dat ik ook gewillig, en, omdat ‘t wegens Christus’ zaak is, blijmoedig doe, buigende in deze onder Zijn wil, en mij ondertussen houdende aan mijn formele en uitdrukkelijke protestatie, die in het jaar 1683 gedrukt en uitgegeven is, alsmede aan die van mijn andere protestaties in het jaar 1685, staande voor ‘t gemelde boek van de Sabbat. Doch hiervan genoeg, indien niet te veel.

    Gijlieden verwacht nu, dat ik tot bevordering van uw vrede, heiligheid en zaligheid iets toepasselijke schrijven zou, dat ik graag wil doen; doch ik moet dit vooruit zeggen, dat ik vertrouw, dat u vrij meer voordeel zult ontvangen door ‘t lezen van Rutherfords brieven, dan van enige van de mijne; derhalve gebruikt deze mijn arbeid, in ‘t vertalen besteed; leest ze tot uw verwakkering, doch leest er maar een of twee gelijk, en overdenkt hetgeen u leest; bijzonder verzoek ik, dat u leest de brieven, die Rutherford en Livingstone schreven aan elk van hun gemeente; namelijk, de tweede, de veertiende, de honderd negenenveertigste, en honderd een en negentigste, en de laatste; en maakt er enige toepassing en gebruik van, alsof ik aan ulieden schreef. Voorts kunt u door ‘t register bestuurd worden, om te lezen van wat stof u wilt. Nu is mijn voornemen een enige zaak te doen. namelijk, ulieden enig behulp toe te dienen, tot kennis van uw staat voor God. Het is gewis een zaak van het grootste gewicht, recht te weten, of u genadeloos, of begenadigd bent; vermits hiervan afhangt uw ziel, uw al, uw eeuwigheid; want hierin mis te vatten, en in te beelden, dat het met uw ziel wel is daar het kwalijk is, is de gebaande weg ter verdoemenis: want zolang u zo misvat, zult u Christus niet recht zoeken; want die niet ziek is, en zijn wond niet ziet noch voelt, zoekt geen medicijnmeester, en hij gebruikt geen pleister; en dat is de oorzaak van de gewone onbekommerdheid, en zorgeloze gerustheid onder de belijders; een grote menigte van hen is bedrogen omtrent hun zielestaat. En waarlijk, ‘t is zeer licht, in dit stuk mis te vatten, vanwege de bedrieglijkheid van de mensen hun hart, en de natuurlijke blindheid en onverstand omtrent het wezen en de werkingen van de ware genade; vele dingen gaan onder de naam van genade en bekering, en van bewijzen van die, die het niet zijn; er is veel schijn genade, en schijn-godzaligheid, die aan de toets gebracht zijnde, bevonden wordt zover van de zaligmakende genade en ware godzaligheid te verschillen, als dood en leven, duisternis en licht. Wie niet alleen in een staat van de genade is, maar zelfs ook weet, dat hij genade heeft, dezelve is uitnemend gelukkig boven al die vromen, die daaromtrent duister en twijfelende zijn: want hij heeft uit kracht en ingevolge daarvan een zeer dierbare vrede, troost en blijdschap, ja een kleine hemel op aarde; zijn liefde tot God wordt zeer verwakkerd door de aanmerking, en verzekering, dat Gods liefde hem voorgekomen is, en dat de hemelse erfenis voor hem bereid is en bewaard wordt. Zijn geloof gaat zeer vrijmoedig en werkzaam uit, omdat hij al de beloften van ‘t Genadeverbond als zijn eigen aan ziet; zijn dank- en lofzeggingen tot de Heere zijn menigvuldig, en zeer hartelijk, omdat hij durft zeggen, God is mijne, en al de zegeningen, door Christus’ bloed verworven, zijn mijne. Verdrukkingen vallen hem daarom lichter te dragen; de dood is hem niet verschrikkelijk, en iedere weldaad heeft dubbele zoetheid, omdat hij op goede grond vertrouwt, en zeker is, dat het Gods liefde en genade is, die ‘t een en ander hem toezend. Daarom behoort een ieder christen zijn best te doen, om zekerheid en klaarheid te hebben omtrent zijn staat; elk moet de nauwkeurigste proeven nemen, om zichzelf onfeilbaar te kennen; niemand moet zijn hart, als het hem van vrede spreekt, verder geloven, dan het bewijs kan brengen, en dadelijk brengt, uit Gods Woord; want gelijk Salomo zegt: die op zijn hart vertrouwt is een dwaas; overweegt de navolgende teksten: Spr. 28:26; Gal. 6:4,5; Openb. 3:1,16,18; Spr. 30:12; Matth. 25:1—10; Luk. 13:25,26; Matth. 7:22,23; Job 15:31; Jes. 48:1,2; 58:2,3; Jer. 7:1,8—11; 2 Tim. 3:5; Rom. 2:28,29; 1 Kor. 10:12. Het is een kwaad en droevig teken, indien wij onwillig zijn, moeite aan te wenden, om op zekere gronden te weten, hoe onze zaken voor God staan, en of wij geestelijk levendig of dood zijn; gelijk het integendeel een bewijs is, zo men hartelijk, willig en volvaardig is, geen arbeid te ontzien, om door ‘t werk van onderzoek (recht naar Gods voorschrift betracht) vastheid van zijn genadestaat te krijgen. Nu ik kan ulieden hiervan verzekeren; daar is een weg, om tot gewisse kennis van uw geestelijke staat te komen, hetzij die goed of kwaad is. De oprechten kunnen hun welstand te weten komen: want God heeft niet alleen in Zijn Woord merktekenen gesteld, opdat zij die geloven in de Zoon van God, zouden weten, dat ze het eeuwige leven hebben, en opdat ze alzo vrijmoediger en verzekerder zouden geloven in Zijn Naam, gelijk Johannes zegt, 1 Joh. 5:13. Maar Hij heeft ook Zijn Geest tot dat doeleinde aan de Zijnen gegeven, opdat ze zouden weten de dingen, die hun van God geschonken zijn, en opdat die Geest hen troostelijk zou verzegelen en medegetuigen hun kindschap en verlossing, 1 Kor. 2:12; Rom. 8:16; Ef. 1:13,14; Joh. 16:13,14; Ef. 4:30; Joh. 14:16,17,26. Ook heeft de Heere ons belast, Hem te dienen in volle verzekerdheid des geloofs, en van de hoop, en tot dat einde alle naarstigheid aan te wenden, om onze roeping en verkiezing vast te maken, en om te weten, dat Christus Jezus in ons is, en dat wij in het geloof zijn; gelijk ook degene, die in de Zoon Gods gelooft, het getuigenis in zichzelf heeft. Hebr. 6:11,12; 10:22; 2 Petr. 1:10; 2 Kor. 13:5; 1 Joh. 5:10. Aan de andere zijde de onoprechten en genadelozen kunnen weten, zo zij ‘t willen weten, dat zij alsnog zonder ware levendige genade zijn; ‘t Woord des Heeren geeft hun de blijken van hun staat; ja zo zij maar hun hart en leven willen leggen bij de tekenen van begenadigden, zij zullen kunnen en moeten besluiten, dat ze alsnog buiten de staat van Gods kinderen zijn.

    Om dan nu de een en de ander enigszins te helpen, zal Ik hier enige klare en kortbondige vragen voorstellen, die het wezen en de kracht van de godzaligheid bevatten en uitdrukken; welke, zo u de Heere met ja kunt beantwoorden, dan mag ik ulieden uit des Heeren Naam, Woord en last verzekeren, dat gijlieden genade gevonden hebt in des Heeren ogen, dat uw zonden vergeven zijn, en dat u erfgenamen bent van de kroon des levens. Ik weet wel, dat ettelijke oprechte zielen wegens hun zwakheid van de genade, duisternis en kleinwetendheid, en kracht van de verdorvenheid, hier meermalen zullen stilstaan, en niet durven antwoorden, dat het zo met hun is; doch omdat de wortel van de zaak, het zaad, en de grond van alles bij hun gevonden wordt, en zij verlangen en pogen, om ‘t geen zij niet hebben, of maar zeer gebrekkelijk vinden, door Christus vervuld te krijgen; zo mogen zij daardoor niet in twijfeling over hun staat gehouden worden, voornamelijk, omdat veel andere wezenlijke dingen, hier genoemd, in waarheid bij hen gevonden worden. Dit nu zijn de vragen, waarop u moet antwoorden.

    Vraag 1. Hebt u een geestelijk en zielaandoend gezicht van de verdorvenheid van uw natuur, van de wortel en oorsprong van al uw dadelijke zonden, van dat boze en onreine hart, van die hebbelijke en natuurlijke kwaadaardigheid en zondigheid? En ziet u meer hatelijkheid en gruwelijkheid in uw hart, dan in uw leven? Rom. 7:24; Ps. 51:7; Matth. 15:18,19.

    Vraag 2. Kunt u in geestelijke zonden, zo grote, of ook wel groter zondigheid zien, dan in uitwendige of vleselijk zonden, namelijk in geestelijke hoogmoed, geveinsdheid, ongeloof, zelfzoeking, gierigheid, aardsheid, ijdele eerzucht, werkingen van inwendige godloochening en afgoderij, verhardheid, Godvergeting, haat tegen vromen, en tegen kracht van godzaligheid? Joh. 15:22; Hebr. 3:12; Joh. 3:19—21; Matth. 23:24.

    Vraag 3. Hebt ge uw ellende en zondigheid zodanig aan u ontdekt gekregen, dat ge daardoor bewogen bent, om uw zaligheid boven alle dingen in de wereld ter harte te nemen, en alle vertrouwen op uzelf, ook op uw beste dingen te verwerpen, en Christus de Verlosser zeer dierbaar te achten, en voor de zonde in ‘t vervolg van uw dagen te vrezen, en tevreden te zijn, dat de Heere u maar zalig maakt op Zijn wijze? Hand. 2:37; 16:30; Rom. 7:4; Filip. 3:3; Matth. 9:12; 11:28,29

    Vraag 4. Hebt ge u voor Jezus wijd geopend, met een hartelijke inwilliging, consent en toestemming, de Middelaar aannemende, zoals Hij u in het Evangelie wordt voorgesteld, en Hem omhelzende op Zijn Eigen voorwaarde, dat is, geheel en al, om niet, en tot alle einden en gebruiken, waartoe u Hem nodig hebt, om tot de zaligheid gebracht te worden? Openb. 3:20; Ps. 24:7—10; Joh. 1:12; Kol. 2:6; 1 Kor. 1:30.

    Vraag 5. Is uw oog van de ziel zo op Christus gevestigd, en uitziende, als algenoegzaam, en machtig, en willig, om in allerlei noden te helpen, dat u ook dadelijk al uw lasten op Hem werpt, en tot Hem loopt met uw twijfelingen, zorgen, zwakheden, beschuldigingen, gevallen, feilen en plichten, en met al wat u te doen hebt? Hebr. 7:25; 6:18; Matth. 11:28; Jes. 45:22,24.

    Vraag 6. Hebt ge een klaar en blijvend gezicht gekregen van de ijdelheid, levendigheid en nietigheid van de schepselen en schepseltroost, zodat u nu niet meer oordeelt, gelijk te voren, dat in rijkdom, eer, of plezieren te bezitten en te genieten, een groot geluk en kostelijk deel bestaat, maar dat u ze in vergelijking van Christus, en de genade en gunst Gods, de vergeving van de zonden, en de troost en vrede van een goed geweten, zeer laag stelt, als verzekerd en klaar beseffende, dat er een zielsvoldoende en geruststellende volheid in Jezus is, welke u als uw vergenoegend deel omhelst en verkiest? 2 Kor. 4:17,18; Pred. 1:2; Hebr. 11:25,26; Filip. 3:8,19,20; Luk. 16:25; Ps. 16:5,6,11; 73:25,26.

    Vraag 7. Zijn de zonden en verdorvenheden u zware en drukkende lasten, bijzonder ook deze inwendige geestelijke hartzonden. 1. Ongelovigheid; 2. liefdeloosheid; 3. dodigheid; 4. aardsheid; 5. lust tot vleselijkheid; 6. zorgeloosheid; 7. Iauwheid in godsdienst; 8. afzwervendheid in heilige plichten; 9. ijdelheid van de gedachten, begeerten en wensingen; 10. afwijking met het hart van de Heere. 11. afkerigheid, onwilligheid, traagheid en vadse loomheid tot uw plicht; 12. nijdigheid en droefheid, als het anderen in verscheidene opzichten beter gaat; 13. wraaklust en kwaadwensendheid, aan die u verongelijkt hebben; 14. hardheid en ongevoeligheid van het hart; 15. harteloosheid, onblijmoedigheid en onsmakelijkheid in ‘t betrachten van uw plicht? Ps. 19:13; Jes. 63:l7; Ps. 119:113; Rom. 7:15,24.

    Vraag 8. Is dit uw bijzonder werk en zorg, te waken en op de wacht te staan tegen uw geestelijke vijanden, te waken over uw hart, over al wat er in en uitgaat, uzelf te bewaren, dat de boze u niet vat, te waken tot, en in het gebed, te waken tot uw plichten, om die op de rechte tijd waar te nemen? 1 Joh. 5:18; Spr. 4:23; 1 Petr. 5:7, 8; Mark. 13:33,34,37; Luk. 21:34,36; Kol. 4:2.

    Vraag 9. Bent u vlijtig, ernstig en oprecht bezig, in ten onder te brengen, en te doden de ongedode en werkzame begeerlijkheden, driften en hartstochten, die u in uw hart vindt woelen, en in uw hart te reinigen, en te verbeteren, en in te arbeiden, dat uw hart mocht zijn nederig, hemels, geestelijk, ijverig, ernstig en levend in het goede? Gal. 5:24; 1 Joh. 3:3; Kol. 3:5; 2 Kor. 7:1; Spreuk. 4:23; Jak. 4:8; Jer. 4:14; Ps. 51:12; 86:11, 119:10,11,36,80.

    Vraag 10 Is het uw gestadige oefening, zorg en poging, God naar Zijn wil en instelling te dienen, namelijk in de Geest, oprecht, geestelijk, hartelijk, in de waarheid, en met een waarachtig hart, om Hem zo te behagen, en de eer van Zijn Naams te geven? Filip. 3;3; Joh. 4:23,24; Hebr. 10:22; 2 Kor. 5:9; Ps. 29:1,2; 1 Thess. 4:1.

    Vraag 11. Maakt u het tot uw dagelijks werk, uw ongerechtigheden na te vorsen, en de bedriegerijen van uw hart en wegen uit te vinden, teneinde u over uw zondigheid meer vernederd mag zijn, en berouw en boetvaardigheid oefenen? Is dat uw ernstige begeerte en vlijtige bezigheid, in al uw plichtoefeningen, in alle staten, gevallen en beproevingen, meer kennis te zoeken van uw zondigheid zelf, en van de plagen, dwalingen en snoodheden, die in uw hart en handelingen zijn, teneinde u voorzichtiger en ootmoediger met God mag wandelen, en het kwade door Zijn kracht verbeteren? Zef. 2:1. Ps. 77:6; Job 34 22; Micha 6:8; Ef. 5:15.

    Vraag 12. Kunt u met waarheid en verzekerdheid zeggen, dat u geestelijke en hemelse begeerten en verlangens hebt, en gestadige wensingen naar de navolgende dingen. 1. Dat u heiliger mocht zijn in al uw wandel, vruchtbaarder in ieder goed werk, wandelende waardiger voor God in alle behaaglijkheid, en schikkende uw hart en leven meer naar de wil van God. 2. Dat u een innige, levendige en gestadige gemeenschap met Christus mag houden, en Hem meer door ondervinding kennen in de kracht van Zijn dood, opstanding en voorbidding. 3. Dat uw oude mens met zijn bewegingen meer gedood, en uw hart meer van zonden gereinigd wordt. 4. Dat u God meer mag vrezen, liefhebben, vertrouwen, behagen, dienen en verheerlijken. 5. Dat Christus alleen in uw hart heerst, en al Zijn en uw vijanden daar neerwerpt en uitwerpt. 6. Dat het Evangelie zijn loop heeft, en verheerlijkt wordt in de bekering van velen. 7. Dat Christus’ koninkrijk uitgebreid en bevestigd wordt. Joden en Heidenen toegebracht worden, en het rijk van de duivel en de antichrist verbroken wordt. 8. Dat er in de belijders van Christus’ waarheid veel Evangelische heiligheid, liefde, geloof, nederigheid, hemelsgezindheid en ijver gevonden wordt? Jes. 26:8,9; Ps. 38:10; Matth. 5:6; Openb. 22:17; Neh. 1:11; Spr. 11:23; Ps. 10:17; 63:1,2; Jes. 2:2,3; Kol. 1:10; 2 Kron. 15:15.

    Vraag 13. Kunt u uw geloof en rust op God vestigen, in de beloften niet alleen van de vergeving van de menigvuldige zonden aan de goddeloosten? Jes. 55:7—9; Ex. 34:6,7; Jer. 33:8,9. Maar ook in deze navolgende zonderlinge beloften? 1. Dat Hij u bekering en vergeving zal geven, wanneer u die nodig hebt, Hand. 5:31. 2. Dat Hij uw afkeringen zal genezen, en vrijwillige liefde tonen. Hos. 14:5. 3. Dat Hij de Geest zal uitgieten en meer genade geven, Joël 2:28; Hand. 2:17; Jes. 44:3; Zach. 12:10; Joh. 7:38; 10:10; Jak. 4:6. 4. Dat Hij de hardheid en weerspannigheid van uw hart zal wegnemen, meer en meer, en geven een buigzaam en week hart, Ezech. 11:19—30; 36:26. 5. Dat Hij Zijn vrees in uw hart zal geven en houden, en wijken van u niet af, en verhinderen dat u niet geheel van Hem afwijkt, 32:39,40. 6. Dat Hij u Zelf zal leren, Jes. 54:13; Joh. 6:45; Jer. 31:33,34; Hebr. 8:10—12; 1 Joh. 2:27. 7. Dat Hij u genade en heerlijkheid zal geven, en geen goed zal laten ontbreken, maar al uw gebrek vervullen naar Zijn rijkdom in heerlijkheid, I’s. 84:12; Filip. 4:19; I Tim. 4:8; 2 Kor. 8:9. 8. Dat Hij u nooit zal verlaten of begeven, of ‘t zal maar een ogenblik zijn, Hebr. 13:5,6; Jes. 49:14—16; 54:7,8. 9. Dat Hij u zal doen wandelen in Zijn wegen, en maken het krachtdadig, dat u gehoorzaam zult zijn, Ezech. 11:20; Ps. 119:35—37. 10. Dat alles u ten goede zal strekken en medewerken, ook de scherpste kastijdingen, Rom. 8:28; Ps. 119:67,71,75; Hebr. 12:6,10; Jes. 27:9; 1 Kor. 11:32. 11. Dat Hij uw verdorvenheden zal dempen, verbreken en ten onder brengen en uw hart en leven daarvan reinigen, Ezech. 36:25,26; Micha 7:18,19; Jer. 33:8,9. 12. Dat Hij uw zwakheden zal te hulp komen, en u bekrachtigen, nadat u nodig hebt, Rom. 8:26; 1 Kor. 10:13; Kol. 1:11; Ef. 3:16; Jes. 45:24. 13. Dat Hij uw gebeden zal verhoren, Ps. 50:15; 1 Joh. 5:14,15; Joh. 14:13,14; Jes. 58:9; 65:24. Zijn deze beloften, zowel als die van vergeving uw vermaak en troost, uw grond, rust en hoop?

    Vraag 14. Hebt u een evangelische droefheid over uw zonden, een droefheid naar God, en drukt u dat uit in de navolgende dingen? 1. Is uw droefheid niet alleen over die, dat de zonde uitbreekt, en gezien wordt, maar bijzonder omdat de zonde in uw hart is, en woont, en u er niet van kunt ontslagen worden? 2. Is uw droefheid niet alleen, niet zozeer wegens de straf, die op de zonde volgt, of volgen mocht, maar wegens ‘t kwaad dat in de natuur van de zonde is, en dat in de uitwerking of vruchten van de zonde is, als namelijk: wegens dat God een heilig en groot God, daardoor vertoornd, mishaagd, klein geacht, en onteerd is; wegens dat Christus daardoor gekruist is; wegens dat de Geest daardoor bedroefd is, het evangelie daardoor ontsierd is, uw ziel daardoor bevlekt en verzwakt is, uw naaste daardoor ontsticht is? 3. Is uw droefheid over alle zonden, die u weet dat uw zonden zijn, niet allen over grove, maar ook over minder zonden, niet alleen over uitwendige uitbrekende en bekende zonden, maar ook over inwendige en geestelijke en geheime zonden, ook over de onreinheden van uw godsdienst? 4. Is uw droefheid niet bij vlagen, nu en dan op roerende predikatie, of smartend kruis, maar dagelijks, gelijk de zonde dagelijks is, en vernieuwd wordt? 5. Is uw droefheid temeer, en niettemin, als u geloof oefent omtrent Christus, de genade, en de beloften, en het evangelie Gods? Is uw droefheid teer en smartelijker, als u in geloof kunt aanmerken, en vasthouden, dat er genade voor u is, vrije, grote, onveranderlijke en eeuwige genade, dat Christus voor u gestorven, en gekruist is, dat uw zonden vergeven zijn, dat God u liefgehad heeft, dat Hij u weleer van Zijn gunst verzekerd heeft, en nu verzekert? 6. Verwekt die droefheid over uw zonden in u drie dingen: 1. toorn en wraak tegen uzelf; 2. omzichtige bekommering en zorg, om die zonde te verlaten, en te vermijden; 3. kinderlijke vrees, van in het toekomende God zo te vertoornen, en op die wijze weer te zondigen? 2 Kor. 7:9—11; Zach. 12:10—12; 13:1. Rom. 7:19,23,24; Ps. 51:5,6; 2 Sam. 24:10; Jer. 31:18; Matth. 5:4; Ps. 6:6; Luk. 7:38,47; Matth. 26:75; Micha 7:9.

    Vraag 15. Zijn deze navolgende acht dingen u tot een last? 1. Dat u zo’n bedrieglijk en afleidend, en verraderlijk hart hebt. 2. Dat u zich in uw plichten en heilige oefeningen zo dikwijls verstrooid, en afgetrokken vindt. 3. Dat u zo weinig hemelsgezindheid en verlustiging in God en zijn dienst gevoelt. 4. Dat u zo’n onrein en ijdel hart hebt. 5. Dat u zo weinig voordeel doet met de middelen van de genade. 6. Dat u zo weinig nuttig bent in de wereld. 7. Dat God zo weinig door u verheerlijkt wordt. 8. Dat uw verdorvenheden nog zo sterk en woelende zijn? Zijn deze dingen alle als zware bergen op uw hart, waarvan u ernstig en hartelijk wenst en verlangt ontslagen te zijn, als die u ‘t leven bitter maken? Jer. 17:9; Jes. 44:20; Hebr. 3:13; Ps. 86:11; Hebr. 5:11,12.

    Vraag 16. Leeft u door geloof op Christus, hangende steeds van Hem af om levendige invloeden, kracht, en genade, en dat in alle bezigheden, niet alleen als u godsdiensten betracht van bidden, ‘t Woord horen, enz.; maar ook als u natuurlijke, zedelijke en burgerlijke daden betracht, in uw beroep, in uw eten, drinken, slapen, waken, kopen, en onderhandelen met mensen, om zo alleszins voor Hem en voor Zijn eer te zijn? En kwelt het u als u daarin nalatig bent geweest? Hebr. 10:38; Rom. 1:17; 2 Kor. 5:7; Gal. 2:20; Spr. 3:5,6; 1 Petr. 5:7; Ps. 37:3,5; Spr. 18:10; Ps. 62:8; Jes. 55:24; Zach. 14:20,21; Jes. 23:18; 1 Kor. 10:31; Jer. 10:23.

    Vraag 17. Zijn de zonden van anderen u tot hartelijke droefheid en smart, de gewone gruwelen en goddeloosheden van het land, en de zonden van de belijders, niet alleen van uw nabestaanden, maar ook anderen, en dat om deze redenen, omdat ze God onteren en tergen, omdat ze de zielen ten verderve zijn, omdat ze de heilige leer doen lasteren, en velen doen struikelen, en omdat ze plagen over land en kerk brengen? Ps. 119:53,136,151; Jer. 13:17; 9:1; 2 Petr. 2:7,8; 1 Kor. 5:2; Ezech. 9:4,6; Ps. 107:33,34; Hand. 8:23.

    Vraag. 18. Is het u bijzonder tot een wond in uw ziel, en tot benauwdheid en kwelling des geestes, als u ziet of hoort de verkeerde gedragingen, merkbare buitensporigheden, van degenen die vroom zijn, en voor godzaligen gerekend worden; bijzonder ook van leraren, ouderlingen, diakenen en overheden van het volk, die voorbeelden in heilige wandel moesten zijn? Niet alleen wanneer die in grove godslasteringen uitbreken, maar ook als enige van de navolgende zonden in hen gevonden worden; als gelijkvormigheid aan de wereld, liefdeloosheid, losheid, ontederheid en ruimheid in gevallen van geweten, zwijgen van het goede, nalating van bestraffing, gezetheid op overdadig eten en drinken, zorgeloosheid en verzuim in de zaken Gods, en van Zijn dienst, twist, achterklap, en laster omtrent de goede, gierigheid en baatzucht, onbarmhartigheid, hardheid, bitterheid, onderdrukking, lichtvaardig veroordelen, hoogmoed, sabbatsontheiliging, slapheid en slaperigheid in de Heere Zijn werk? En dat, omdat hun zonden meer dan van anderen, zijn tot smaad en kleinachting van ‘t evangelie, tot beschaming van de vromen, tot stuiting van de ijver van anderen, en tot oneer van de Heere Jezus? 2 Kor. 11:29; Phil. 3:18,19; Ef. 5:11; 1 Kor. 5:1—3; Tit. 2:2—5,7—10.

    Vraag 19. Valt het u lastig en droevig op ‘t hart. dat u ziet of hoort, dat vrome lieden worden verdrukt, en verongelijkt, dat belijders van de waarheid om Christus’ wil worden gesmaad, vervolgd, beroofd, geplunderd, gepijnigd, en in gevangenissen geworpen, verdreven, verbannen, en verjaagd, en dat publieke en bijzondere vergaderingen tot godsdienst en stichting worden verhinderd? En verwekt dat zo’n medegevoeligheid, smart en kwelling, alsof die dingen aan u geschieden? Hebr. 13:3; 2 Kor. 11:29; Rom. 12:15,16; 1 Kor. 12:25—27; Zef. 3:18.

    Vraag 20. Wandelt u elke dag in kinderlijke vrees en beving? Zodat u de Heere dient met eerbied en vrees, niet alleen wegens Zijn hoogheid, majesteit, heiligheid, en rechtvaardigheid, maar ook bijzonder wegens zijn goedheid, genade en liefde; ook niet alleen wegens Zijn woord van de bedreiging, maar ook wegens Zijn woord van het gebod en van de belofte? En maakt die vrees, dat u schrikt voor zonden, en verzoekingen tot zonden, en dat u een afkeer hebt van de schijn van zonde, en naaste gelegenheid tot zonde; en dat u over uzelf jaloers en omzichtig bent, als die weet, dat u gedurig in gevaar van zonde bent, wegens de kracht van uw inklevende verdorvenheid, de bedrieglijkheid en verleiding van uw hart, en de strikken van de wereld? Spr. 23:17; 28:14; Ps. 2:11; Hebr. 12:28,29; Job 31:14,23; Jes. 66:1,2; Hos. 2:5; Jer. 32:39,40, 1 Thess. 5:22; Jud. 1:23.

    Vraag 21. Hebt ge een liefde tot alle mensen, ook tot uw vijanden, om des Heeren wil, zodat u aan allen wenst, en zoekt goed te doen door alle goede middelen; zowel en voornamelijk naar hun ziel, als naar hun lichaam, trachtende hen te onderrichten, te overtuigen, en te bewegen en te winnen tot geloof en bekering; Hand. 26:29; 1 Thess. 1:5—8; 5:14,15; 2 Petr. 1:7; Matth. 5:43—48; Rom. 12:14,15,17—21; 13:8—10; Luk. 10:34,35.

    Vraag 22. Hebt ge de vromen lief, en toont u dat op deze wijze, zoals geen onbekeerd mens de vromen liefheeft? 1. Hebt ge hen lief vroomheidshalve, omdat ze Gods beeld dragen, omdat ze Uw geestelijke broederen zijn, en ware genade hebben, zoveel u zien of horen kunt? 1 Thess. 4:9,10; 1 Joh. 3:14; 2:10; 1 Petr. 2:17; Joh. 13:25; 1 Joh. 5:1,2. 2. Hebt ge alle broederen lief, die u zodanig bekend zijn? Kol. 1:4; Filem. vs. 5; Ef. 1:15; Filip. 4:21. 3. Hebt u hen lief, boven alle anderen, hoe nabestaand, schoon, rijk, geleerd, hoe verhoogd zij ook mochten zijn in de wereld? Ps. 15:4; 16:3; Spr. 12:26; 28:6; Matth. 12:47-50; Mark. 3:31-35. 4. Hebt ge de vromen lief in meerdere of mindere trap, naar evenredigheid, van dat Gods beeld meer of min hebben en vertonen? Rom. 16:5, 7—10, 12, 13; Dan. 9:23; Joh. 13:1,23; 21:20. 5. Hebt ge de vromen zo hartelijk en vurig lief, dat ge dadelijk met liefdewerken naar ziel en lichaam dat zoekt te bewijzen? 1 Petr. 1:22; 4:8, Rom. 12:10, 1 Joh. 3:16—18; Hand. 4:32. 6. Hebt ge de vromen lief, zodat ge ook hun gezelschap meest zoekt, en meest genoegen daarin vindt? Ps. 119:63,79; 16:3; 26:3,4; Filem. vs. 12,13. 7. Hebt ge de vromen gestadig lief, en niet maar bij vlagen? Hebr. 13:1; Spr. 17:17; 1 Kor. 13:8; 1 Joh. 4:15. 8. Hebt ge de vromen lief in alle staten, niet alleen van eer en voorspoed, maar in tegenspoed, verachting, vervolging, krankheid, armoede, dienstbaarheid, gevangenis, of vreemdelingschap? 1 Thess. 4:10; 3. Joh. vs. 5; Rom. 15:26; 2 Kor. 8:1—5; Ps. 101:6,7; Matth. 25:36,37,40. 9. Hebt ge de vromen lief, niettegenstaande enige van deze navolgende dingen? 1. Dat ze u vinnig en hard bejegenen, of scherp bestraffen? 2. Dat ze kleine en zwakke genade, en sterke verdorvenheden hebben en vertonen? 3. Dat ze in enige dwalingen zijn vervallen, en dezelve voorstaan? 4. Dat ze u ten onrechte beschuldigd, of verongelijkt hebben in uw naam, of goed, of anderszins? 5. Dat ze uw staat veroordelen, uw vroomheid niet erkennen, of zeer in twijfel trekken? 6. Dat ze zeer onaangename en lastige humeuren, of naturen hebben? 7. Dat ze u geen, of zeer weinig liefde tonen? 8. Dat ze u niet nuttig of behulpzaam zijn naar ziel of lichaam, of ook niet kunnen zijn? 9. Dat zij uw gezelschap niet zoeken, maar anderen boven u stellen, en liefde en achting geven? 10. Dat ze mismaaktheden en afzichtelijkheden van het lichaam hebben, of met ongewone ziekten en ongestalten bezocht worden? Ps. 141:5; Spr. 27:5,6; Gal. 6:1; 2:11—14; 2 Petr. 3:15; Rom. 14:1—5; 2 Tim. 4:16; Filip. 4:2; 1 Kor. 3:1—4; 2 Kor. 6:12,13; 12:11—16; Hoogl. 8:7.

    Vraag 23. Is uw hoogste en gestadige blijdschap in God, in Christus, in Zijn genade, en liefde, in de Evangelische leidingen, in ‘t verbond der genade, in het doen van Gods wil, en wandelen op de heilige weg? En maakt die blijdschap u sterk, kloekmoedig, en verruimt van hart, om te lopen op de weg van Gods geboden? Ps. 37:4; Filip. 3:1,3; 4:4; Ps. 43:4; Rom. 7:22; Ps. 40:8,9; Jes. 64; 5; Spr. 3:17; Hand. 8:39; 2 Sam. 23:5; Jes. 40:31; Ps. 119:32; Neh. 8:10.

    Vraag 24. Hebt ge Gods Woord recht lief, en toont u dat zo? 1. Hebt ge het hele Woord lief, Wet en Evangelie, niet alleen ‘t woord van de vertroosting en van de beloften, maar ook ‘t woord van de bedreiging, van het gebod en van de besturing, als een regel van uw leven, wat u te geloven en te doen hebt? Ps. 119:6; 92, 97, 128, 140; Jes. 39:8. 2. Hebt u het Woord zo lief, dat u het vlijtig leest, onderzoekt en overdenkt? Joh. 5:39; Hand. 17:11; Kol. 3:16; Hand. 18:24; Ps. 119:97. 3. Hebt ge het Woord liever dan al wat kostelijk is in de wereld, boven spijs en drank, boven rijkdom en eer? Ps. 119:14,72,111,127; 19:11; Job 23:12; Spr. 8:11; 3:14, 15. 4. Hebt ge het Woord zodanig lief, dat het u meest verblijd, en zoeter is dan iets ter wereld? Jer. 15:16; Ps. 19:8; 119:26,47,103,50,92,111. 5. Hebt ge het Woord alzo lief in tegenspoed en ellende als in voorspoed? Ps. 119:50,54,92. 6. Hebt ge het Woord lief, omdat het is ‘t middel tot heiligheid, en het wapen tegen de zonde en beproevingen? Ps. 119:11,55,56,104,140,167; Ef. 6:17. 7. Hebt ge het Woord zo lief, dat ge daar graag van spreekt, en u dus niet schaamt? Ps. 119:172; Jer. 6:10; Mark. 8:38.

    Vraag 25. Durft u zichzelf niet toegeven in enige bekende zonde? Ps. 66:18; 119:1,3; 139:24; Spr. 16:17, 1. Zelfs niet al is ‘t maar een inwendige hartzonde? 2 Kor. 7:1; Jer. 4:14. 2. Al is ‘t een heimelijke zonde? Gen. 39:9; Ezech. 8:12. 3. Al is ‘t een zonde, daar uw voordeel of bevordering van afhangt? Matth. 4:9. 4. Al is ‘t maar een zonde van nalating van een plicht? Matth. 25:42,43. 5. Al is ‘t een kleine of mindere zonde? 6. Al is ‘t uw natuurzonde? Ps. 18:24; Matth. 5:28,29.

    Vraag 26. Tracht u God te geven een oprechte en algemene gehoorzaamheid, zodat het is uw wil en begeerte, uw voornemen, neiging en poging, de Heere in alles te gehoorzamen? Ps. 119:5,6,59,112,173; Hand. 24:16; Hand. 13:22; Hebr. 13:18; Luk. 1:5,6. Rom. 7:12,16,18. En bij gevolg. 1 Tracht u ook zulke geboden te gehoorzamen, die u kostelijk zullen vallen, als zullende misschien daardoor profijt, eer of gunst, of gezondheid verliezen? Matth. 19:20—25,27. 2. Tracht u ook die geboden plichten na te komen, die u binnenshuis, in uw beroep, als man of vrouw, als vader of moeder, heer of knecht, vrouw of dienstmaagd, moet betrachten? Ef. 5 en 6; Kol. 3:3. Tracht u bevestigende geboden zowel als ontkennende te gehoorzamen? Matth. 25:24—31. 4. Poogt u God zowel in ‘t geestelijke, en in de rechte wijze, en omstandigheden van ‘t gelood te gehoorzamen, als in de letter en stof van de geboden? Matth. 5:21,22,27,28; Rom. 7:9; 2 Kor. 1:12; 1 Thess. 2:10; Ps. 110:3; Jes. 1:11,15.

    Vraag 27. Hebt u een oprechte haat tegen de zonde, in u en in anderen? En derhalve, 1, is uw haat tegen alle zonde? 2, ook bijzonder tegen uw boezemzonde, de zonde van uw humeur, natuur en gemoedstoestand, de zonde, die u naast bij ligt, waartoe u meest uzelf genegen vindt, waartoe u meest verzocht wordt, waar u meest en licht in valt, en minst kracht tegen voelt, om die te voorkomen? 3. Is uw haat vast en geworteld, onverzoenlijk, en doende u gedurig tegen de zonde strijden en worstelen? 4. Haat u zo, dat u van de zonde walgt, en die verfoeit, Ja uzelf verfoeit wegens de zonde? 5. Haat u de zonde daarom, omdat ze is tegen de wet Gods, en tegen de eer Gods, en omdat ze uw ziel verontreinigt, en u onbekwaam maakt tot uw wandel met God en tot stichting van uw naasten? Rom. 7:15; Ps. 119:104,113,128; Amos 5:15; Spr. 8:13, Ps. 18:24; Ps. 97:10; Rom. 12:9; Matth. 5:28,29; Hebr. 12:1; 2 Kor. 7:1; Jes. 59:1,2.

    Vraag 28. Bent u vrolijk en ingenomen met geestelijke bevindingen van de Heere Zijn goedheid en getrouwheid? Namelijk hebbende ontvangen, of nog ontvangende. 1. Bijstand, ondersteuning, invloed en hulp tot uw plichten. 2. Verwakkering en vrolijkheid in geestelijke oefeningen. 3. Tijdige hulp en uitredding uit strikken, verzoekingen en zwarigheden. 4. Vervrolijking en verzegeling van gunst en vrede, in droefheid en bezwaardheden van het geweten wegens schulden. 5. Opklaring en geruststelling. in twijfelingen, duisternissen en vrezen. 6. Weekmaking en smelting in hardheid van het hart. 7. Verwijding en verruiming in engten, dorrigheden en droogten van de ziel. 8. Antwoorden en verhoringen van gebeden en zuchtingen om tijdelijke of geestelijke zaken? Matth. 9:2; Ps. 116:1,3,4,7,8; 138:3; 66:6,17,19; 1 Sam. 17:34,35; 2 Kor. 1:10; Ps. 34:7; 40:2,3,4,6.

    Vraag 29. Als u Gods Woord hoort prediken, tracht u dan God Zelf te horen, en Christus en Zijn Geest Zelf te ontmoeten onder ‘t Woord? En beoogt u in dat horen de navolgende einden? 1. Hoort u, om uw eigen zonden, dwalingen en bedriegerijen meer aan u ontdekt te krijgen? 2. Om Christus en Zijn wil, Zijn genade, weldaden, beloften, en ‘t hele genadeverbond meer en beter te kennen? 3. Om te groeien in genade en in alle werkdadige godzaligheid, 4. Om uzelf beter en betamelijker, en behaaglijker, in alle staten en gelegenheden, omtrent God en de mensen, in het toekomende te dragen. 5. Om meer verwakkerd en gesterkt te worden tot uw plichten. 6. Om door ‘t Woord van de genade meer gereinigd en geheiligd, en uw begeerlijkheden, hartstochten en verdorvenheden meer gedood te krijgen? 7. Om vruchtbaarder te worden in alle goede werken, en ‘t Evangelie van Christus meer te versieren door uw wandel? Hand. 9:6; 1 Sam. 3:2; Jes. 30:20,21; Ezech. 40:4; Exod. 20:4; 1 Thess. 1:5; 2:13; Luk. 8:15; Luk. 10:16; Joh. 15:3; 17:17; Spr. 10:14.

    Vraag 30. Doet u oprechte belijdenis van uw zonden? Te weten: 1 Belijdt u de zonden vrijwillig, en niet afgeperst? 2 Belijdt u alle zonden, zonder enige te verloochenen, of te verzwijgen? 3. Hartelijk, en niet alleen met woorden en lippen? 4. Bijzonder, en niet alleen over ‘t geheel, en verward? 5. Met verzwarende omstandigheden en hoedanigheden? 6. Ootmoedig, droevig, met smart, schaamte, walging en verfoeiing, ook treurende, dat u er niet meer gevoelig en treurig over bent? 7. Met geloof en enig vertrouwen, van bij God in Christus genade te zullen vinden? 8. Met een ernstig voornemen en poging, om de zonde te verlaten, en weg te doen? Ezra 9:9; Dan. 9:5 enz.; 1 Tim. 1:13; Hand. 26:10,11; Richt. 10:10,15,16; Luk. 18:13; Ps. 38:9; Ezra 10:2,3; Spr. 28:13; Job 34:31,32.

    Meer vragen zal ik er niet toedoen. Ik bid ulieden, zet uw hart menigmaal tot overdenking, en onderzoeking, over ‘t geen ik u hier heb voorgehouden. En de Heere geve ulieden licht en verstand in allen deze. Ik blijf, die ben

    Uw heiltoewensende leraar, Jakobus Koelman

    Amsterdam, 28 februari, 1687

  3. Aanspraak aan de verdrukte en vervolgde vluchtelingen uit Frankrijk zowel leraars als ledematen
  4. Waarde, en geliefde broeders in Christus!

    Hebbende de vertaling van deze brieven van Mr. Sam. Rutherford teneinde gebracht, dacht ik hier een goede gelegenheid te hebben, om een tijdig woord tot ulieden te spreken, hopende dat onze taal ulieden niet lang onverstaanbaar zal zijn, nadat gijlieden enige tijd onder ons zult verkeerd hebben. Wij weten, en zijn ten hoogste overtuigd, dat de onderdrukkingen, ulieden door de kinderen van Babel toegebracht, ongemeen zwaar zijn geweest, want ulieder schriften hebben ons daarvan volle onderrichting en opklaring gegeven, inzonderheid het boekje genaamd: Les Plaintes des Protestans, cruellement apprimez, dans le Royaume de France. En daarom, gelijk billijk en christelijk is, wij ontvangen en omhelzen en verwelkomen ulieden onder ons, met veel genegenheid, als onze verdrukte broeders en geloofsgenoten. De werken van liefde omtrent ulieden gepleegd, zijn maar onze schuldige plicht, en wij zijn gehouden, om Christus’ wil, meer aan ulieden te doen, bijzonder om ulieder zielen enig goed toe te brengen. Het is uit die hoofde, en tot die einde, dat ik (terwijl ik niet anders heb) ulieden hier kom aanbieden deze vertaalde brieven van een zeer beproefd en vermaard dienaar van Christus, die boven anderen uit eigen ervaring wist te spreken, wat zoetigheden Christus aan de Zijnen geeft, dewelke houdende een goed geweten, en wandelende voor Hem in oprechtheid, als getrouwe getuigen voor Zijn zaak lijden.

    Mijn wens en verzoek is, dat gijlieden, die nu vers uit de oven van de verdrukking komt, deze brieven mag in handen nemen, en ze niet alleen doorbladeren, maar ook de stof daarvan goed overwegen, herkauwen, en naar uw gelegenheid gebruiken. Want hier zult u op een levendige wijze vinden uitgedrukt en voorgesteld, hoe zoet Christus’ kruis voor een begenadigd, opgeklaard gemoed is; wat verrukkende genietingen van Christus’ liefde en goedkeuring, daaronder ondervonden worden; en hoe Jezus Zich in Zijn uitnemende schoonheid en beminnelijkheid openbaart, en zo de wereld met al wat er in is, zeer gering en verachtelijk maakt, aan degenen, die in ootmoedigheid, met een werkzaam geloof Hem aankleven, en veel verdrukking voor Zijn Naam en waarheid lijden. Hier zult u veel troostelijke zielondersteunende redenen vinden, die een verdrukte in allerlei ongeval zeer te pas komen. Hier zult u Gods vrije onderscheidende genade aan de Zijnen, in hun heerlijkheid beschreven en voorgesteld zien, alsmede vele kostelijke lessen, aan degenen, die met een ongemeen kruis bezwaard gaan. Hier worden u opgelost vele klachten en twijfelingen, die aan een worstelenden gelovige veel nare gedachten over zijn staat kosten; en veel verwakkerende opwekkingen worden er gegeven, om zijn staat goed te beproeven, en in een goede gang kloekmoedig in geloof voort te gaan. De dood, en ‘t oordeel, de hemelse gelukzaligheid, en eeuwige verdoemenis worden hier op ‘t nadrukkelijkst voorgehouden, van een, die op de tijd, als hij de brieven schreef, onder de levendigste beseffens was van de goddelijke waarheden, en in de gevoeligste nabijheid bij de Heere Jezus. Die onherboren is, zal hier uitgelezen woorden, als nagelen diep ingeslagen, zien voorgehouden van een die een wijs bouwmeester en meester van de verzameling was. Hoedanig ook uw staat is, u zult onder ‘t lezen gewaar worden, dat deze heilige ‘t pit van de zaak, en niet enkel de schors aanraakt, en dat hij als een ware Godgeleerde, woorden op zijn pas voortbrengt, en toepast. Doch ik laat af, van meer daartoe te zeggen, willende, dat u maar komt, beproeft en smaakt, wat ulieden hier wordt voorgehouden (hoewel ‘t oogmerk van deze schrijver nooit is geweest, dat deze brieven ‘t licht zouden zien) en u zult meer daarvan zeggen en geloven, dan ik hier kan uitdrukken.

    Maar teneinde ik de weg baan, opdat u met deze brieven voordeel mag doen, zo geeft mij verlof, waarde broeders, dat ik hier eens openhartig en getrouw met ulieden handel; omdat er vele dingen op mijn hart liggen, die ik graag tot uw stichting zou uiten. ‘t Gebeurt ulieden zelden of nooit, van een Nederlandse leraar vrijmoedig gewaarschuwd en aangesproken te worden; nochtans gaan verscheidene vrome leraars in dit land, met droeve bekommernissen over van uw geestelijken staat, zwanger. Want wij kunnen ulieden in ‘t gemeen niet aanzien, als heilige broeders, die van de hemelse roeping deelachtig zijnde, waardig en betamelijk de roeping gewandeld hebt, en Christus’ waarheid door een heilig leven in ‘t midden van het onreine Babel versierd hebt; maar als zulken, die meestendeels uw belijdenis van de heilige leer zodanig door uw gedrag verduisterd en te schande gemaakt hebt, en bijgevolg de heilige waarheid en des Heeren Naam zo hebt doen lasteren onder de vijanden, dat het de Heere eindelijk, na al Zijn verdraagzaamheid en lankmoedigheid over u, nodig gevonden heeft, voor Zijn eer, en tot uw bestwil, u zo bitterlijk door dat slangen en adderengebroedsel te geselen. Dit zal misschien door velen van u voor een liefdeloos oordeel gerekend worden: maar ik mag ulieden verzekeren, dat wij niet uit bitterheid, of enige afkeer, noch uit gebrek aan sympathie over uw verdrukte staat, zo oordelen of spreken: want het tegendeel is niet alleen voor de Heere bekend, maar ook door onze veelvuldige smekingen, tot God voor ulieden opgezonden, ook lang voordat gijlieden herwaarts gekomen bent, voor de gemeenten gebleken. Ook spreken wij niet van allen, als vertrouwende, dat de Heere onder ulieden enig overblijfsel van oprechte teerhartige christenen gehad heeft en nog heeft. Maar ‘t is ons van over dertig of veertig jaren meermalen ter oren gekomen, door ooggetuigen die onder ulieden een tijd lang verkeerd, en uw wandel van nabij gezien hebben, dat de kracht van de godzaligheid in ‘t gemeen onder u zeer vervallen en verloochend was, en dat gijlieden de ijdele wereld zodanig gelijkvormig was geworden, dat u nauwelijks iets meer dan de uiterlijke belijdenis van de waarheid behouden had. Laat mij dan ditmaal toe, dat ik ulieden enige bijzonderheden voorleg en te overwegen geef, die mij en meer anderen, u aangaande, bezwaren, en tot verwondering zijn geweest, en nog zijn.

    Vooreerst, het is mij tot ontzetting en bedroeving geweest, dat gijlieden allen, die leraars van de gemeente was, ten tijde wanneer die verbondbrekende koning ulieden uit het rijk verbande, en binnen zo weinig dagen gelastte te vertrekken, beide ‘t land en de kudden, u toevertrouwd, verlaten hebt, vliedende, en maar voor uw welvaart zorgende, terwijl gijlieden de schapen van Christus in ‘t hoogste zielsgevaar liet. ‘t Is ongetwijfeld, dat het voor een leraar niet ongeoorloofd is te vlieden, bijzonder wanneer de vervolging personeel is, en de kudde daardoor niet in de klauwen van de wolven en leeuwen gelaten wordt. Maar gijlieden wist volkomen, dat het daarop aangelegd was, ulieden de herders tot dat einde weg te zenden, opdat men de gemeenten te gemakkelijker zou verwoesten, en door allerlei verzoekingen en onderdrukkingen tot afval brengen; zodat indien ooit, nu bovenal, ulieder tegenwoordigheid, ondersteunende vertroosting, en voorbeeldige kloekmoedigheid in het midden van hen nodig was. Maar nu kan ik geheel niet zien, hoe gijlieden ‘t vreselijk gewicht van die woorden van onze Heeren Jezus kunt ontgaan, als tot ulieder beschuldiging en veroordeling gesproken; Joh. 10:11-13: Ik ben de goede Herder: de goede herder stelt zijn leven voor de schapen; maar de huurling, en die geen herder is, wien de schapen niet eigen zijn, ziet de wolf komen, en verlaat de schapen, en vliedt; en de wolf grijpt ze, en verstrooit de schapen; en de huurling vliedt, omdat hij een huurling is, en heeft geen zorg voor de schapen. Wanneer David, zijn vaders schapen hoedende, een leeuw en een beer op zijn schapen zag aankomen, stelde hij zijn leven daarvoor in gevaar, en beschermde ze, 1 Sam. 17:34—36. Dit deed hij voor beesten, die tegen het leven en zaligheid van mensen op ‘t duizendste deel niet te waarderen zijn. Doch gijlieden hebt Christus’ schapen verlaten, wanneer zij ulieder bijstand ten hoogste nodig hadden; gijlieden wist, dat na uw vertrek zware wolven zouden inkomen, die de kudde niet zouden sparen; moest gijlieden dan geen beter acht gegeven hebben op uzelf, en op de hele kudde, over die u de Heilige Geest tot opzieners gesteld heeft, om de gemeente Gods te weiden, welke Hij verkregen heeft door Zijn Eigen bloed? Opdat ik Paulus’ nadrukkelijkste woorden hier toepas, Hand. 20:28,29. Zal niet die verwoesting van de kudde enigermate op ulieder rekening komen, als die, uw trouw en plicht omtrent Christus en Zijn gemeente verlatende, uw eigen lichamelijke welvaart boven de behoudenis van de kudde gesteld hebt, latende die verleiden, verstrooien en tot afval drijven, en vliedende op ‘t gebod en bedreiging van een sterfelijk mens, die hooi worden zal, en zijn adem in zijn neus draagt, en dus meer vrezende degenen die het lichaam kunnen doden, dan Hem, Die beide ziel en lichaam kan verderven in de hel? Waartegen Christus zo ernstig en beweeglijk gewaarschuwd heeft; Luk. 12:4, 5. Hebt gijlieden in dit vluchten niet het werk van huurlingen gedaan, die de schapen in opzicht van de genegenheid niet als eigen zijn, maar om loon werkende, ‘t gevaar niet wilden doorstaan, noch zorg dragen voor de schapen? Christus leert ons in die woorden, dat goede en getrouwe herders ‘t goede van de kudde zelfs boven hun eigen leven stellen, en dat gelijk Hij Zijn leven voor Zijn schapen geeft, tot hun rantsoen, ook Zijn dienstknechten uit liefde tot Hem en de schapen, besloten moeten zijn, hun leven niet dierbaar te achten, maar volvaardig het af te leggen, tot verzegeling van de waarheid, tot bevestiging van ‘t geloof van de gemeente, en tot vervulling van haar bediening; gelijk Paulus zichzelf daarvan tot een voorbeeld gesteld heeft. Hand. 20:24; 21:13; Filip. 1:12-14; 2:17; Kol. 1:24; 2 Tim. 2:10. Nu is ‘t gebeurd, dat op deze trouweloze verlating van de kudde, op enige plaatsen, sommigen, die geen roeping noch zending hadden, hebben ondernomen niet alleen te gaan prediken tot een gemeente van ettelijke honderden, maar ook onder dezelve het heilige Avondmaal uit te delen: want aldus verhaalt ons de schrijver van de Pastorale Brieven, 3me lettre. Dieu leur suscita du milieu deux des personnes, qui sans étude, et sans science se mirent a la tête de ces assemblées, pour les edifier; il y eut un particulier à la Parole duquel Dieu donna tant d’efficace, qu’ après quelques assemblées, au peu de gens se trouverent, une nuit il eut la joye, de consoler plusieurs centaines de personnes.... On eut la consolation, d’y entendre deux excellentes prieres, et une predication; après quoi tous ceux, qui avoient en le courage, de resister à la tentation, participerent au sacrament de la Cene du Seigneur; dat is: God verwekte uit het midden van hen enige personen, die zich zonder studie en zonder wetenschap voorstelden aan deze vergaderingen, om dezelve te stichten; daar was een particulier man, aan wiens woord God zoveel krachtdadigheid gaf, dat hij, na enige vergaderingen, waarin maar weinigen gevonden werden, op een nacht de blijdschap had, vele honderden personen te troosten.... Men had de vertroosting, daar twee voortreffelijke gebeden en een predikatie te horen, waarna al degenen, die de moed hadden, om de verzoeking tegen te staan, het sacrament van des Heeren Avondmaal ontvingen. En daarna in de 4e brief, wordt verhaald van een student in de theologie, genaamd Fulcan Rey, dat hij ook door een heilige vuur ging prediken, en dat ‘t volk na de predikatie deze twee dingen deed. 1. Dat ze verscheidene ouderlingen verkozen voor verscheidene kwartieren. 2. Dat zij die student de macht gaven, om de Sacramenten te bedienen. Gewis, het was niet te prijzen, dat een onbeproefde en ongestudeerde zo voor honderden in het openbaar ging prediken, en ‘t Avondmaal bedienen; en dat ‘t volk zo schielijk op een predikatie van een student, hem de macht gaf van bediening van Sacramenten; zij konden hun leraars nog tot zich roepen, en hen aandringen op hun plicht, immers het vluchten van al de leraars heeft gelegenheid gegeven tot deze en dergelijke misslagen van het volks; het schrijven van pastorale brieven, nadat men gevloden is, kan niet voldoen noch de plaats vervullen voor de pastorale zorg en opzicht, en wijding welk alle herders moesten hebben.

    Ten andere. ‘t Is ons tot ontzetting en bedroeving geweest, dat wanneer de leraars en gewone lidmaten tot ons overkwamen en vluchtten, zij geen merkelijk besef noch diepe indruk hebben vertoond van Gods verbolgenheid tegen alle gereformeerde Franse kerken, noch zelfverfoeiing en benauwdheid van de geest, wegens hun zondig en tergend gedrag in hun land; alsof zij niet geloofden dat de menigerlei zonden, die onder leraars en belijders waren in zwang gekomen, de Heere getergd en verwekt hadden, om die zware verzoeking en vervolging over die kerken te laten komen. Wij hadden billijk verwacht, dat de verdrukte belijders, herwaarts hun toevlucht nemende, door levendige overtuigingen van hun geweten, door de Geest Gods bij gelegenheid van de plagen wakker gemaakt, daartoe zouden gebracht zijn geweest, dat ze door een oprechte belijdenis van hun onvruchtbaarheid, sleurdienst en halve wereldsheid, God de eer van Zijn rechtvaardigheid zouden gegeven hebben, in hen zo bitter te laten mishandelen door dat wrede antichristendom. Deze of dergelijke klachten of erkentenissen zou men denken, dat van hen zouden gekomen zijn. "Helaas, wij hebben de Heere niet gevreesd, maar ten uiterste getergd, en daarom heeft Hij Zijn wijnstok daar laten verbreken en uitroeien; wij hebben de heilige leer niet door ons leven uitgedrukt, noch met goede werken versierd; ja wij hebben nauwelijks iets meer dan een ledige vertoning, en enkele schaduw van de ware belijdenis gehad; en daarom heeft God ons alzo gedaan en niet gespaard. Wij hebben meest de heilige waarheid maar in de mond, en niet op het hart gehad; en onze wandel was die van ‘t vervloekte pausdom in een groot deel gelijk geworden, onze leraars hebben ons niet getrouw gewaarschuwd; en ook namen wij niet ter harte de waarschuwingen en bedreigingen, die nog soms door hen voorgesteld werden. Wij waren Laodicees verwaand en gerust, terwijl wij noch koud, noch heet waren, maar lauw en sleurdienstig, en zo nabij, om van de Heere Jezus uitgespuwd te worden; arm, naakt, blind en jammerlijk waren wij, terwijl wij ons inbeeldden, te zijn ruk en verrijkt geworden, en geen ding gebrek hebbende; op de rustdag gingen wij eens naar de kerk, maar een deel van de dag brachten wij door in wereldse en ijdele gesprekken en betrachtingen, wij behaagden ons met kerkgangen en Avondmaalgangen, en psalmen op de weg te zingen; maar ‘t pit van de predikatiën, en de kracht van ‘t Avondmaal was weinig op ons hart; ja velen van onze brachten een goed deel van ‘s Heeren dag door: in herbergen te bezoeken, te springen en te dansen, te spelen met het lot, en ijdele lichtvaardige liederen te zingen en erger. Wereldse ijdelheden en nieuwe modes werden door allen opgevolgd; leugenachtige complimenten maakten wij heet sieraad van onze redenen; huisgodsdiensten waren bij ons meest buiten gebruik; onze kinderen hebben wij de ijdelheid en hovaardij van de jeugd af ingeplant; en een menigte andere zonden hadden bij ons de overhand, en zulks, niettegenstaande de Heere ons vele jaren lang veelszins verbrak, en krenkte, geheugende, en het zo besturende, dat onze wederpartijders, met alle listigheid, meinedigheid, leugen en bedrog, ons vertraden en uitmergelden, door veel onderdrukkende verordeningen en koninklijke orders, de een na de ander. Doch dit alles bracht geen bekering noch vernieuwing van leven onder ons, totdat de Heere ons eindelijk naakt en bloot het land heeft uitgejaagd, terwijl de andere overgeblevenen tot afval en onderschrijving van de paapse dwalingen met geweld gedreven zijn." Dusdanige belijdenissen en klachten, meenden wij, zouden in hun monden gepast hebben. Maar het is ver vandaar geweest; alleen hoorden wij hen spreken van de ongehoorde wreedheden en barbaarse mishandelingen, gepleegd door middel van de dragonders aan de belijders van de waarheid, alsmede van hun verlies van goederen, en van hun tegenwoordige armoede. Van gelijken dachten wij, dat de vluchtende leraars tot erkentenis gekomen zouden zijn van hun misdragingen, en dat ze ons moesten gesticht hebben door hun diepe verootmoediging en hartgrondige belijdenis van hun nalatigheden, verzuimen en ontrouwheden, van hun ergerlijke gelijkvormigheden met de ijdele wereld, en andere gebreken, waardoor zij niet weinig Gods toorn tegen die kerken hadden verwekt en verhaast. Want ‘t is ons veel gezegd van geloofwaardige vrome lieden, die onder ons gereisd hebben, dat de leraars veelszins waren gelijk ‘t volk, immers geenszins voorbeeldig in heiligheid, dat ze de zwier van de wereld volgden, in kledingen, pruiken, enz. en dat hun huisgezinnen niet christelijk tot een voorbeeld voor anderen geregeerd werden; maar dat hun vrouwen en kinderen, zozeer als iemand, de wereldse ijdelheid en lichtvaardigheid uitdrukten. Dat ze hun predikatiën met woorden van wereldse wijsheid opsmukten, gebruikende veel een welsprekendheid, die zij uit de romans geleerd hadden, vertonende meer hun geleerdheid en geestigheid, in ‘t doen van korte predikatiën, met weinig en zeer algemene toepassingen, dan een liefhebbend hart, brandende van vuur, om zielen tot Christus te brengen; ja zoekende meer met verwondering en toejuiching over hun aardige uitdrukkingen en vloeiende tong en taal, zowel in ‘t bidden als in het preken, gehoord te worden, dan de mensen aan zichzelf bekend te maken, en de kracht en schoonheid van ‘t Evangelie te ontdekken, en op het volkshart te brengen. Dat ze de heilige leer van de genade, en van de toerekening van Adams eerste zonde bestreden hebben, sprekende, schrijvende, en predikende van een algemene genade, en een algemene verlossing en dood van Christus, en erkennende geen andere erfzonde, dan de inklevende verdorvenheid, behalve dat ze ook zover af geweest zijn, van een christelijke sympathie te tonen, ik zal nu niet zeggen met onze Nederlandse kerk, in de tijd als hun verbondbrekende koning, om zijn glorie, in ons land viel met zijn troepen, en ons half verwoestte; maar, met de getrouwe lijdende Presbyterianen in Engeland en Schotland, dat ze veeleer omtrent die vervolgingen en onderdrukkingen olie in ‘t vuur gegoten hebben, veroordelende ten grote dele de teerhartigheid van de Non-conformisten, die voor de zuiverheid in ‘t stuk van godsdienst, en regering van de kerk naar het Woord Gods, en wegens hun tegenstaan en verwerpen van mensenvonden, en inzettingen in de dienst Gods, en van een kerkelijke opperhoofdigheid en heerschappij van de bisschoppen, en van de koning, uitnemend veel leden. Doch zo’n beklag van zonden is in ‘t gemeen uit hun monden niet gehoord.

    Ten derde. Het is ons tot verbazing, en geen kleine aanstoot, dat wij bevonden hebben, dat de vluchtelingen, bijzonder die in hun land niet afgevallen waren, noch getekend hadden, in het algemeen zowel gerust zijn over hun geestelijken staat, zo onbekommerd over hun wedergeboorte, en zowel tevreden en vergenoegd met hun belijdenis, en vasthouding van de waarheid, dat ze zich schijnen in te beelden, dat ze alle zeker kinderen Gods en ware begenadigden zijn, die geen vrees behoeven te hebben van verloren te gaan, als zijnde in een veilige en zalige staat; te weten, dit zou het grote blijk en zeker merkteken zijn, dat ze God behagen, omdat zij niet alleen de ware godsdienst hebben, maar die ook hebben aangekleefd, en niet verzaakt, in de tijd van deze grote verzoeking, verlatende liever land en goed, bloedverwanten, en alle gemak en plezier. Zo zien wij, dat de schrijver van de brieven, genaamd: Lettres des Protestants de France, pag. 78, 83, 153, volmondig zegt, dat zij Gods kinderen zijn, en ijveren voor Zijn eer; dat de vertroostingen van Christus in hun lijden overvloedig zijn; dat ze een vrede des gemoeds genieten, die alle verstand te boven gaat; dat zij Gode zeer lief zijn; en dat het offer, aan God door hen toegebracht, van al wat zij in de wereld hebben, Hem zeer aangenaam is. Maar hoewel wij niet willen, noch kunnen twijfelen, of de Heere heeft onder hen enige geliefde kinderen, en ettelijke hebben waarlijk de vertroostingen van de Geest in hun vreemdelingschap en uitstoting, en de Heere heeft het Zich laten welgevallen, dat zij de beroving, van al wat naar het vlees dierbaar was, hebben verkozen, om hun geweten niet te besmetten met verloochening van de heilige waarheid; en hoewel wij een schrik hebben, en wensen zeer ver te zijn van iemands welgegronde vrede te storen, of smart aan te doen, en degenen te bedroeven, die God niet wil bedroefd hebben; zo zouden wij nochtans graag uit medelijden met zelfbedrogen zielen, en tot wakkermaking van de zielen, die zorgeloos op ongezonde gronden gerust zijn, iets toebrengen tot storing van een vrede, die niet is Gods of Christus’ vrede, maar alleen een ingebeelde welstand, die in eeuwige onrust zou eindigen. Want wij bevinden, dat velen van de gevluchten geheel niet teerhartig en nauwkeurig in hun wandel zijn, maar dat ze zich toegeven in blijkelijke zonden, als namelijk dat ze weinig gewetenszaak maken, van de vreselijke Naam des Heeren ijdellijk te gebruiken, van met kaart of dobbelsteen te spelen, van de wereld in vele ijdelheden gelijkvormig te zijn, van de dag des Heeren te schenden, van onnutte gesprekken te voeren, en andere ergerlijke uitbrekingen. Nu ‘t is niet te bevatten, hoe zo’n gedrag van lieden, die onder de Heere Zijn kastijdingen liggen, met een gereinigd en bevredigd geweten, en met het ware kindschap en verzekerdheid van die kan bestaan. Daarenboven wordt bij de meesten ook ondervonden grote onkunde en vervreemding van het ware werk van de wedergeboorte; zij verstaan de taal niet, aangaande het inwendige genadewerk, de krachtdadige trekking, en vernieuwing van de mens; ‘t is hen als een donker raadsel; zodat het schijnt, dat ze al de godzaligheid stellen, behalve in burgerlijke eerbaarheid, in belijdenis van de waarheid, en in plichtplegingen, van predikatiën te horen, psalmen te zingen, en het Heilig Avondmaal te genieten; dat toch maar is de gedaante en schors, en niet de kracht van de godzaligheid. En wat het bidden aangaat; ‘t schijnt, dat ze meest allen de Geest en genade van het gebed niet kennen, als houdende zich maar gewoon aan formuliergebeden, gelijk zij ook hun leraars meestentijds uit het boek zien bidden. Doch men zou denken, indien er enige ware genade in ‘t hart was, dat de ziel, bijzonder onder zo’n ongemeen lijden, en verdrukking, zich niet meer zou kunnen vasthouden aan zo’n formulierdienst, sleurdienst en formaliteit, of daarmede tevreden zijn: maar dat ze zich op een geheel andere en recht levendige wijze met hartgrondige zuchtingen zou willen uitstorten; gelijk wij dit in anderen, die onder vervolgingen en bitter Jijden zijn geweest, en tot ons overgekomen zijn, namelijk de Engelsen en Schotten, ondervonden hebben; als uit welken hun bidden men merken kon, dat zij uit grote verdrukking kwamen, in welke zij veel met God geworsteld hadden. ‘t Bidden is toch de pols van de ziel. Als die dan niet slaat of zeer kwalijk slaat, kan men wel oordeel vellen, hoe ‘t met de ziel staat. Zodat wij dan oordelen, en geven het in bedenking dat die gevluchte belijders niet dienden te blijven, of gelaten worden in die geruste inbeelding, van dat ze allen zijn gelovigen, kinderen Gods, door Christus verlost, en zo in een staat van zaligheid; waarvan zij zo weinig blijk geven. Want als men niet ziet een algemene haat en bestrijding van zonden, geen oprechte gehoorzaamheid aan al Gods geboden, noch enige bekommering over ‘t inwendige werk van de genade, dan zou men dat niet goed durven of mogen aanzien en houden voor wedergeboren kinderen Gods, al hadden zij nog zoveel verlaten, omwille van de godsdienst. Omdat men ook zonder de liefde Gods te hebben, niet alleen zijn goederen kan verlaten, maar ook zijn lichaam geven, om verbrand te worden, en zijn steeds niet meer, dan een luidende schel, of klinkend metaal, gelijk de apostel dat klaar te kennen geeft, 1 Kor. 13 1,2,3. Het is geen zeker teken van godzaligheid of zaligheid, dat mensen, van de jeugd aan wel onderwezen in de waarheid van de Gereformeerde godsdienst, en van de valsheid, afgodischheid en bijgelovigheid van de paapse godsdienst, bijzonder die ook de gruwelen van de godsdienst zolang in de praktijk gezien hebben, en zo openlijk voor gereformeerden bekend zijn geweest, niet van godsdienst willen veranderen, al zou het al hun goed kosten, en meer, omdat zij met een vol opgeklaard oordeel wel kunnen zien, dat ze die snode paapse godsdienst aanvaardende, zich met opzet en gewillig in de hel, en onder Gods toorn werpen, als wetende het woord van Christus: die Mij verloochent, en zich Mijner of Mijner woorden schaamt, die zal Ik ook verloochenen, en Mij schamen voor Mijn Vader, Matth. 10:32,33; Mark. 8:38; Luk. 9:26; 12:8,9; 2 Tim. 2:12; 1 Joh. 2:23. Daarom dunkt ons, dat het ten hoogste nodig was, dat de Franse leraars de gewone zorgeloosheid en ijdele waan, zowel van belijdende vluchtelingen, als van andere, in hun predikatiën en particuliere aanspraken veelszins in de grond ontdekten, en op de zaken van de innige kracht van de godzaligheid, van ‘t werk van de wedergeboorte, en van ‘t geestelijk bidden, stonden, en drongen, en dat op een zeer gemeenzame, klaar verstaanbare wijze, met nadrukkelijke toepassingen, in plaats van veel opgepronktheid, met een woordenzwier, hoger stijl, wereldse geleerdheid, etc.

    Ten vierde. Het heeft sommigen van ons niet alleen vreemd gedacht, maar ook bedroefd en ontsticht, dat niet alleen gewone belijders uit Frankrijk vluchtende, maar ook enige van hun leraars zich en anderen zo opgehouden en getroost hebben, met het verhaal, dat in de nabijheid van de stad Orthez in Bearn en ook elders in het jaar 1685, wijzen en gezangen van psalmen in de lucht, meermalen en door velen, gehoord zijn, dat men wil geloven, dat geschied is door de heilige engelen, van God uitsluitend daartoe gezonden, om hun ‘t nalaten van dat psalmzingen te verwijten, en Gods goedkeuring van zulk zingen aan ‘t pausdom te tonen, en om de gelovigen tot troost als te beloven, dat men weldra weer in Frankrijk de psalmen zal zingen. De schrijver van de pastorale brieven heeft de geloofwaardigheid van dit rapport door verscheiden attestaties breed gezocht te bewijzen, en eindelijk maakt hij dusdanige conclusies daaruit: Lettre 7me. Les unes sont pour nous, et les autres contre nous. Contre nous, car c’est un reproche, que la providence de Dieu nous fait, de ce que vous vous étes si facilement laissé fermer la bouche, et de ce que vous n’ osés plus, et ne voulez plus charter ses Louanges, et ses cantiques, qui vent les symboles de vôtre Reformation. Dieu s’est fait des bouches au milieu des airs, et il fait sortia ses louanges des pierres, et rochers. Et ne doutez pas, que les rochers, et ces bouches invisibles ne se levent en jugement contre ceux, qui craignent les hommes, et ne veulent pas glorifier Dieu hautement, et en presence des persecuteurs. Les autres conclusions sont pour nous, et contre nos persecuteurs. Cet evenement parle, et leur dit, Si ceux-ci se taissent, les pierres parleront. Vous devez rendre graces à Dieu, de ce qu’il approuve vôtre culte, per un signe aussi considerable, et per un temoignage aussi evident. Qu’ on ne vous dise pas, que l’illusion a fait cela: Car toutes les illusions viennent du demon, qui est le Pere de mensonge, et qui a en horreur les louanges de Dieu. Enfin regardez cet evenement comme un heureus presage, que Dieu ne veut pas laisser mourir vos voix, et vos cantiques, que les Anges s’ en vent saisis, et que bien tòt ils vous les rendront, pour les faire vous-memes retentir dans les airs. II vous faut un grand changement devie, pour vous rendre dignes, de recevoir de Dieu cette grace C’est pourquoy vous devez penser à renoncer à ces vanitez mondaines, d’habits, de manieres, de conduite, de paroles, de repas, de maisons, de meubles, de plaisirs, et divertissemens, pour prendre le sac et la cendre, pour vous revetir d’une humulitè et d’une modestie veritablement chretienne. Le temps de votre delivrance est prés, mais il ne viendra pas, que celui de vôtre repentance ne soit venu, et 1’esprit de vie ne reviendra point, que l’esprit de pieté et de devotion ne soit t’entre en vous". Dat is: "enige besluiten zijn voor ons, en andere zijn tegen ons. Tegen ons: want het is een smaad, die Gods voorzienigheid ons doet, daarom dat u uw mond zo licht hebt laten sluiten, en dat gijlieden niet meer durft, en niet meer wilt Zijn lof, en Zijn gezangen zingen, die de tekenen zijn van ulieder hervorming. God heeft zich monden gemaakt in ‘t midden van de lucht, en Hij doet Zijn lof voortkomen van de stenen en rotsen. En twijfelt niet, of de rotsen, en die onzichtbare monden zullen in ‘t oordeel opstaan tegen degenen, die voor mensen vrezen, en God niet willen verheerlijken met luide stem, en in de tegenwoordigheid van de vervolgers. De andere besluiten zijn voor ons, en tegen onze vervolgers. Deze geschiedenis spreekt, en zegt tot hen, indien deze zwijgen, zo zullen de stenen spreken. Gij behoort God te danken, daarover, dat Hij door zo’n opmerkelijk teken, en door zo’n blijkelijk getuigenis uw godsdienst goedkeurt. Dat men u niet zegge, dat enig spook dit gedaan heeft: want alle spoken komen van de duivel, die de vader van de leugens is, en die een schrik heeft van de lof Gods. Eindelijk ziet deze geschiedenis aan, als een gelukkige voorspelling, van dat God uw stemmen en uw gezangen niet wil laten sterven; dat de engelen die nu opgenomen hebben, en dat ze die binnenkort u weer zullen overgeven, opdat ge die zelf doet uitklinken in de lucht. Gijlieden hebt een grote verandering van het levens nodig, om u waardig te maken, om deze genade van God te ontvangen: daarom moet u denken, om te verzaken die wereldse ijdelheden, van kledingen, manieren, omgang, woorden, maaltijden, huizen, meubelen, plezieren en vermaken, om in zak en as te zitten, om u met nederigheid en recht christelijke zedigheid te bekleden. De tijd van uw verlossing is nabij, maar zij zal niet komen, voordat de tijd van uw bekering gekomen is; en de Geest des levens zal niet wederkomen, voordat de Geest van godzaligheid en godsdienstigheid weer in u gekeerd zijn.

    Ik wil niet zeggen, noch denken, dat degenen, die ‘t rapport hiervan eerst gedaan hebben, geen dadelijk gezang gehoord hebben, of dat het enkel maar in hun verbeelding was; maar de vraag is en blijft, door wie dat gezang veroorzaakt is. ‘t Is zeker, dat de engelen eens gehoord zijn, te zingen in de lucht over Christus’ geboorte, en wij durven niet zeggen, dat zoiets nooit meer gebeuren zal, maar ik oordeel, dat zo wie een recht gezicht heeft van Gods rechtvaardige toorn, die zich in de schrikkelijke bezoeking over die kerken vertoont, bezwaarlijk zal kunnen inbeelden, en geloven, dat het waarschijnlijk is, dat de Heere voor dat volk, dat Hem zozeer getergd heeft, juist met het vleselijk zingen van Zijn psalmen en gezangen, zo’n wonder of mirakel zal doen, en dat juist op die tijd, als Zijn grimmigheid op het ijselijkst tegen hen uitgaat, tot uitroeiing en afbreking van Zijn ganse wijnstok, nadat men op menige waarschuwingen door Zijn Woord en roeden gegeven, geen acht genomen heeft. Gewis er is weinig reden, om te denken, dat het psalmzingen van de Fransen, terwijl zij in hun ijdelheid, wereldsgezindheid, losheid, en andere tergende zonden wandelden, en de kracht van de godzaligheid veelszins verloochenende, op de gedaante en op hun uiterlijke oefeningen, waaronder bijzonder hun psalmzingen was, rustten, en bouwden, de Heere zo zou behaagd hebben, dat Hij juist tot dat einde, om Zijn goedkeuring van hun psalmzingen te tonen, en ‘t nalaten van die te verwijten, Zijn engelen zou uitgezonden hebben, om meermalen, ja een maand drie of vier achtereen, gelijk verhaald wordt, onze rijmpsalmen, ook op onze wijzen te zingen, zodat men ook onderscheidenlijk, gelijk de schrijver verhaalt deze woorden van psalm 138 zou gehoord hebben: En ton saint temple adorerai, celebrerai ta renommée, pour l’amour de ta grande bontè, tent estimée, dat onze Dathenus aldus naar zijn wijze rijmde: Ik wil in uw tempel staan, U bidden aan, en eer bewijzen, en U danken om Uw goedheid, en getrouwheid, niet om te volprijzen. Mij dunkt, dat zij veeleer dienden te geloven, dat de Heere ook enigszins van hun psalmzingen gesproken heeft, ‘t geen bij de profeet staat: Doet het getier van uw liederen van Mij weg, Ik mag het niet horen, Ik ben er moe van, Ik verberg Mijn aangezicht daarvan, Amos 5:23; Jes. 1:11—15; 66:3; Jer. 6:20. Immers terwijl het volk nog genoeg gereed is, om op die uiterlijke betrachting te bouwen, terwijl hun leven nog zeer verdorven is, diende men hun geen indruk te geven, dat de Heere met hun psalmzingen ingenomen is.

    Ten vijfde. Dit is ons tot bedroeving en aanstoot, dat deze gevluchte leraars zichzelf en het volk wijs maken, dat de tijd van hun uitwendige verlossing nabij is; en dat hun herstel binnen korte tijd wezen zal; dat Babel nu haast zal vallen, en dat de heerlijke staat van de kerk nu zo op handen is, dat dit geslacht het zien en genieten zal; dit spreken zij met grote verzekering, menende, dat ze nu de rechte sleutel en zin van de profetieën, aangaande de tijd van de vervulling van die grote bedreigingen en beloften, gevonden hebben; te weten dat het nu maar zo weinig maanden of dagen zal aanlopen, en daar zal een heerlijke opstanding van de kerk, met de verbreking van de antichrist, wezen. Dus heeft een van hen, M. Jurieu, tot onze verbazing en aanstoot, aan de tekst Openb. 11:7—13, deze nieuwe verklaring gegeven: Dat door de twee getuigen, aan welke het beest de krijg heeft aangedaan, en dezelve overwonnen en gedood, en die onbegraven gelaten werden op de straat van de grote stad, en in welke na drie en een halve dag een geest des levens zal ingaan, zodat ze zullen staan op hun voeten, en vreze zal vallen op degenen die hen aanschouwen, verstaan worden, de Gereformeerden in Frankrijk, aan wie de antichrist nu onlangs krijg heeft aangedaan, hen aanvallende met de dragonders, en hen zo overwinnende en dodende, dat ze wegens de pijnigingen zijn bezweken en gevallen, verlatende hun belijdenis van de waarheid. Doch dat de Heere na drie en een half jaar, te rekenen van de verbreking van het Edict van Nantes, welke was in ‘t jaar 1685, die afgevallen en als dode Fransen weer op hun voeten zal stellen, met de belijdenis van de waarheid, en dat ze verschrikkelijk zullen zijn aan het pausdom, en dat daarop dan de val van de antichrist zal volgen, en de koninkrijken zullen worden van onze Heere en Zijn Christus. Ja zij menen ook het werktuig, dat de grote hervorming door Gods hulp zal verrichten, al in ‘t oog te hebben, en te kennen. Want zo spreekt één van die vluchtelingen (die zich een advocaat van de protestanten noemt) in de Voorrede van zijn boekje van de Scheuring: je l’espere, la Reformation de l’eglise gallicane, d’un grand Prince, qui a l’example de Salomon, a qui il ressemble en beaucoup de choses, batira en son temps un temple nouveau a J. Christ; que Dieu ne veut pas étre aujourdhuy bati per des mains, qui se sont trop souillées de sang, pour ne rien dire d’avantage. Dat is: ik hoop de hervorming van de Kerk van Frankrijk van een groot Prins, die naar ‘t voorbeeld van Salomo, op wie hij in vele zaken gelijkt, in zijn tijd voor Jezus Christus een nieuwe tempel zal bouwen, die God heden niet wil gebouwd hebben, door de handen, die zich te veel met bloed besmet hebben, om niet meer te zeggen." Doch hetwelk opmerkelijk is, deze zelfde man zegt ons op dezelfde plaats, dat hij lange jaren tegen zijn licht met vele anderen ik de schoot van de Roomse Kerk is blijven zitten, verwachtende dat de hervorming zou komen door de Paapse Clergé, of genaamde geestelijken; maar dat hij, ziende deze laatste vervolging, zich in zijn verwachting had bedrogen gevonden. ‘t Oude spreekwoord is: Sperant omnes quae cupiunt nimis, en het woord van de profeet Vergilius was: credimus, an qui amant ipsi sibi somna signunt? Allen hebben hoop, van ‘t geen zij zeer begeren, en die iets zeer liefhebben, versieren zich dromen; ook was ‘t al ten tijde van Euripides een spreekwoord: hai d’ elpides boskousi fugadas, hoos logos, spes exules alunt, ut habet adagium. Vluchtelingen voeden zich met hoop, zij maken hun berekeningen, en geven de tekst een zin, zoals zij ‘t graag hadden. ‘t Is niet nodig, dat iemand het boek van Mr. Jurieu weerlegt, omdat hij de tijd zo nabij bepaald heeft, dat hij en anderen, die hem geloven, waarschijnlijk nog zijn bedrog en misrekening zullen zien, en beschaamd zijn; het zou goed zijn, eer het hoger gaat (want hoger zal het komen, en Nederland zal van de plagen niet uitgezonderd worden, en veel minder zullen de afvalligen ‘t werk doen) dat deze mannen de tekenen van de tijden beter leerden onderkennen; want deze winterse en geesteloze gestalte van de Kerk toont wel, hoe ver wij nog af zijn van de lieflijke dagen, waarop de Heere Jezus die woorden zonderling tot Zijn Kerk zal gebruiken: Sta op, mijn vriendin, en kom; want zie de winter is voorbij, de plasregen is over, enz. Gewis, ‘t zou veel beter zijn, en recht tijdig, dat de leraars ‘t volk zochten te brengen tot diepe inkeer, tot uitvinding en beklag van hun gebreken, en tot diepe verootmoediging vanwege de schrikkelijke blijken van Gods toorn tegen hen, en tot kermen en roepen om vergeving en genezing, gaande zelfs voorbeeldig voor. Doch omdat zij nu de verlossing zo nabij en zeker in haar dagen stellen, op zulke losse gronden, houden zij ‘t volk op met ijdele woorden, sprekende bijna, gelijk de valse profeten weleer: Ziet, de vaten uit des Heeren huis zullen nu haast, ja in nog twee volle jaren uit Babel teruggebracht worden, en de Heere zal het juk van Nebukadnezar, de koning van Babel, in nog twee volle jaren verbreken van de hals aller volkeren. Doch Jeremia zeide: Hoort niet naar de woorden van uw profeten, die u zo profeteren: want zij profeteren u valsheid, opdat u omkomt, u en de profeten die u profeteren. Jer. 27:15,16; 29:4,8,28; 28:3,9,11. Het is gewis meer tot verderving en verharding in zorgeloosheid, dan tot verhaasting van bekering, dat men tot en van zulke afvalligen (die in hun land zijn gebleven, en de waarheid hebben verloochend, om in hun goed te mogen blijven zitten) zegt: de tijd van uw verlossing is nabij; er is van ulieden geprofeteerd, dat binnen drie en een half jaar de Geest weer in u komen zal, en u zult verschrikkelijk zijn voor de wederpartijders, en dan zal het antichristendom vernield worden.

    Ten zesde. Dit is ons een merkelijke aanstoot, dat de gevluchte leraars (in plaats van iets tijdigers te doen) aan de ene zijde arbeidzaam zijn, om door hun schrijven de Protestantse koningen, vorsten, en staten op te wekken, om zich tegen het antichristendom te verenigen, en de redenen en twisten van de Luthersen tegen de Gereformeerden weg te nemen, en aan de andere zijde, de vluchtelingen hier, en de afvalligen in Frankrijk brieven of boeken toezenden, of ter hand stellen, om hen met goede antwoorden te voorzien, op de verleidende geschriften en tegenwerpingen en uitvluchten van de partijen. Van het eerste zien wij in de Lettres de Protestans de France Lett. 4me, en in ‘t boek van Monsr. Jurieu, genaamd: Prejuges Legitimes; in zijn Avis aux Protestans De 1’Europe. Het tweede is onder anderen ook het oogmerk van de schrijver van de Lettres Pastorales. Maar wat het eerste betreft: dit is het politiek plan, vloeiende uit die stijve indruk en inbeelding, dat de tijd van de grote verlossing zo nabij is; en dat er een Ligue en Verbintenis moest gemaakt worden tussen Luthersen en Gereformeerden, om ‘t werk te gaan uitvoeren, immers om de uitbreiding van de macht van ‘t pausdom tegen te gaan, en te verhinderen; waartoe men dan vaststelt, en breed bewijst die grondslag en grondregel, dat er geen middel is tot stuiting van de vorderingen van het pausdom, dan de vereniging van de Protestanten. Deze theologanten, wat voor politiek vernuft zij ook mochten vertonen, schijnen niet te spreken noch te schrijven, als rechte zieners en trouwe wachters, die weten, wat er is van de nacht, en die Gods raad recht kunnen doen horen, als niet wel ervaren (met de kinderen Issaschars) in het verstand van de tijden, om te weten, wat Israël doen moet. Omdat er vrij staat eerst een ander werk te doen, indien men hoop zou hebben, dat de Luthersen en Gereformeerden, samen verenigd, gezegende werktuigen zouden zijn in Gods hand, om iets goeds, tot vordering van Christus’ Koninkrijk, en tot afbreuk van dat van de antichrist, uit te voeren. Want wat de Lutherse kerken aangaat, zo wie ze recht kent, zal bekennen, dat zij vol tergende zonden zijn, en dat de kracht van de godzaligheid daar in het algemeen verloochend is, en maar een enkele sleurdienst zonder geest of leven behouden is, zodat de Heere ver van uit het midden van hen geweken is. Ziet men op de Gereformeerden in Europa, die hebben door vele roepende stoute en langdurige zonden de Heere Zijn lankmoedigheid ook zo getergd, dat ze de vreselijke bewijzen van Zijn verbolgenheid te vrezen hebben. Derhalve moesten de Protestanten niet zozeer, noch in de eerste plaats denken, om samen een verbond te maken tegen ‘t pausdom, als wel van politieke en kerkelijke middelen aan te wenden tot wegneming van de tergende gruwelen en verfoeiselen, die onder hen zijn; en dan nog vooral een Nieuw Verbond met de levende God Zelf te maken. Hervorming, hervorming moet er onder de Protestanten komen, of zij hebben niet anders dan de grimmigheid van de Heere tegen zich te verwachten. Dit is ‘t geen alle getrouwe leraars in deze dagen in preken en geschriften zullen aanbevelen. Ik wilde hier gebruiken de woorden van de Heere bij de profeet Jeremia 23:16,19,20,22: en hoort niet naar de woorden van de profeten, die u profeteren, zij maken u ijdel; zij spreken het gezicht huns harten, niet uit des Heeren mond. Ziet een onweder des Heeren, een grimmigheid is uitgegaan, ja een pijnlijk onweder, het zal blijven op des goddelozen hoofd. Des Heeren toorn zal zich niet afwenden, totdat Hij zal hebben gedaan, en totdat Hij zal hebben daargesteld, de gedachten Zijns harten. In het laatste der dagen zult u met verstand volkomen daarop letten. Maar zo die profeten in Mijn raad hadden gestaan, zo zouden zij Mijn volk Mijn woorden hebben doen horen, en zouden hen afgekeerd hebben van hun boze weg, en van de boosheid van hun handelingen. Wat het tweede aangaat, het schrijven van boeken of schriften van twist tegen ‘t pausdom, tot stijving van de vluchtelingen, bijzonder om de half afvalligen in Frankrijk een antwoord in de mond te leggen, tegen hetgeen nu enkele bisschoppen of papen voortbrengen tot overreding ervan, om de paapse godsdienst volkomen en met hun hart te omhelzen. Dat is het voorname middel niet, dat bijzonder in deze tijd zou gebruikt worden, nadat die verschillen zo menigmaal, en zo klaar en zo overtuigend verhandeld zijn, om de wankelenden of half afgevallenen te bewaren, van de dwalingen van het pausdom toe te vallen: want de waarheid van de gereformeerde godsdienst, en de snoodheid en vuilheid van ‘t pausdom, en de ongegrondheid van hun leer, is bij meest al de gewezen protestanten in Frankrijk zo zonneklaar, en aan hun geweten zo openbaar geworden, dat indien het niet was de dwang, en vrees, of hoop van bevordering, niet één van honderd ja van duizend zich in de belijdenis en praktijk van de paapse godsdienst zou willen houden. Het schort de mensen aan hun wereldsheid, vleselijkheid, heiligschennis, en gebrek aan vrees van God, en dat doet hen Gods waarheid tegen beter weten verloochenen; en daarom luisteren en zoeken zij naar enige deksels en voorwendsels voor hun goddeloosheid en afval; en de Heere laat in Zijn rechtvaardig oordeel strikken regenen over degenen, die de liefde der waarheid niet aangenomen hebben, ja die aan al de voorbeelden van Gods oordelen over verloochenaars van de bekende waarheid, als Franciscus Spira en anderen, zich niet hebben willen spiegelen. Heeft het de afvallige predikanten in Frankrijk aan licht ontbroken, of zouden zij door redetwisten, bijzonder ook uit de oudheid, terecht te brengen zijn; was het iets anders dan werelds voordeel en bevordering, dat die advocaat van Montpelliers Monsr. de Brueys heeft aangedreven, om die allerschandelijkste afval en herroeping van de waarheid te doen, nadat hij even tevoren zo gezond en grondig tegen ‘t boekje van Monsr. de Condom geschreven had? Ja hebben niet de papisten zelfs geoordeeld en geweten, dat met het redetwisten in Frankrijk niet meer te doen was omtrent de Gereformeerden, die kennis van de Schrift en van de verschilpunten hebben? En waar hebben de leraars en de gewone belijders meer bekwaamheid, om tegen ‘t pausdom te redetwisten, dan in Frankrijk? Daarom hebben de listige slangen, onderwezen van de rode bloedige draak, de lidmaten van de kerk, beroofd en verlaten van hun leraars, door een andere weg, en met andere verzoekingen willen aankomen, wel wetende, waar zij zwak en onoverwinnelijk waren; wat hen dan zodanig is gelukt, dat zij in een korte tijd, van vijftienhonderd duizend protestanten, gelijk men ons schrijft dat er geweest zijn, ten minste duizendmaal duizend tot volstrekte verveinzing, indien niet tot afval en verloochening van de godsdienst gebracht hebben, onderschrijvende en belovende zonder de minste overtuiging van de valsheid van onze godsdienst, dat ze geen gereformeerde godsdienst meer zullen betrachten. De schrijver van de Pastorale brieven, sprekende (Lettre 12e) van ettelijke belijders in de Provincie van Languedoc, die onlangs zeer bitter zijn mishandeld, zegt: Qui peut douteur, que ce ne soit la un juste chatiment de là lésche action, que ce pays s’éstoit 1aissè extorquer. La crainte avoit oblige un grand nombre de gens a signer, que desormais ils seroient tous les devoirs de bons Catholique Romains, qu’ ils ne se trouveroient plus aux assemblees, qu’ ils decouvriroient leurs parens, et leurs amis qui s’y trouveroient, qu’ ils communieroient, et que s’ ils manquoient a tout cela, ils prioient le Roy, de les chatier severement. Qui doute, qu’ une actionpareillene soit capable d’attirer les plus effroyables jugemens de Dieu? C’est la violence, dirat-on, qui extor que cela. Je n’en doute nullement. Mais quand on a de l’honneur et de la conscience, on a aussi une vie a doneer plutót, que de consentir a ces bassesses, indignes de l’homme d’honneur, aussi bien que de l’homme Chretien. Dat is: wie kan er aan twijfelen, of het is een rechtvaardige kastijding over die lafhartige daad, die ‘t volk van dat land zich hebben laten afpersen. De vrees had een groot aantal mensen doen tekenen, dat ze voortaan al de plichten van goede rooms-katholieken zouden doen, dat ze zich niet meer in de vergaderingen zouden laten vinden, dat ze hun bloedvrienden en hun andere vrienden, die zich daar lieten vinden, zouden aanbrengen, dat ze naar de communie zouden gaan, en indien zij in dit alles in gebreke bleven, zij baden de koning, dat hij hen gestreng zou kastijden. Wat twijfelt er aan of zo’n daad is bekwaam om de allerschrikkelijkste oordelen van God over hen te halen? Men zal zeggen: ‘t is het geweld, dat dit afperst. Ik twijfel er geenszins aan. Maar wanneer men eer en geweten heeft, zo heeft men ook een leven te geven, liever dan zulke lafhartigheden toe te stemmen, die zowel een man van eer als een christenmens onbetamelijk zijn.

    Waaruit klaar genoeg af te nemen is, dat men die ellendige afvalligen niet met twisten, maar met proefondervindelijke stoffen moet terecht brengen of ondersteunen, en tegen ‘t pausdom wapenen. indien dan die leraars willen schrijven, ‘t zij tot nut van hun natie, of van andere volkeren, zij zouden naar mijn oordeel best doen, als zij de oorzaken van Gods toorn tegen hun kerk beschreven, en van de grond af uithaalden.

    Doch ik val licht al te verdrietelijk, met mijn langheid en vrijmoedigheid. Ik zal dan eindigen, waarde broeders, dit alleen daarbij doende, dat er ook waarlijk dingen zijn, waarin wij veel behagen en vreugde geschept hebben, namelijk, dat er zoveel kloekmoedige martelaars, en getrouwe belijders van allerlei slag onlangs in Frankrijk geweest zijn, die hun leven voor de waarheid op spel gezet hebben, of gereed waren hun bloed te storten; alsmede, dat wij ook kennis hebben gekregen, dat enige van de overgekomen leraars vrij een gezicht hebben van de vreselijke tergingen Gods van ‘t gereformeerde volk in Frankrijk, en derhalve ook de mensen tot diepe verootmoediging, nauw onderzoek van ‘t bedrieglijk hart, en tot ware kracht van de godzaligheid roepen; zodat wij hoop hebben, dat de Heere veel uit dat land van de gesneden beelden weggeschikt heeft, en nog wegschikken zal, gelijk Hij weleer deed met verscheidene gevankelijk weggevoerden naar Babel, verbeeld door de goede vijgen, Jer. 24:5—7, namelijk ten goede, zodat Hij Zijn oog op hen zal zetten ten goede, en hun een hart geven om Hem te kennen, en om zich van ganser harte in het land van hun vreemdelingschap tot Hem te bekeren; hoewel wij ook dit vaststellen, wat zij zich ook mochten inbeelden op de wijsmaking van sommigen, dat hun dode lichamen, gelijk de onze, in deze woestijn zullen vallen, en zij zullen niet alleen niet terugkeren naar Egypte, ‘t land waaruit zij komen, maar zij zullen ook de goede en heerlijke dagen niet zien, die de Heere volgens de profetieën zeker zal doen komen, ten tijde, als Hij na Babels verwoesting, Zijn oude volk zal bekeren, en in hun eigen land terugbrengen, dat dan een leven uit de doden voor de wereld zal zijn. O kom Heere Jezus! ja kom haastelijk! Zijn genade zij met u allen. Amen.

     

     

  5. De laatste brieven van Mr. Samuel Rutherford
    1. Aan zijn eerwaarde en lieve broeder Mr. Johannes Nevay
    2. Mijn eerwaarde en lieve broeder!

      Genade, barmhartigheid en vrede zij u. Ik heb aan u uitnemend veel te schrijven; anderszins zou ik wat ruimer zijn in het schrijven; ik verblijd mij dat mijn zoete Meester iemand heeft, om Hem te volgen; o dat mijn koninklijke koningshof zwart, ja zwart van volk zij! O, dat Zijn koninkrijk mag groeien! Het zou mijn vreugde zijn, Zijn huis vol gasten te hebben; behalve dat ik sommige wolkige dagen heb, heb ik de voor het grootste deel een koningsleven met Christus; Hij is geheel welriekend met het poeder des kruideniers; Hij heeft een Konings aangezicht en een Konings geur, Zijn wagen, waarin Hij Zijn arme gevangene invoert, is van ‘t hout van Libanon, zij is bespreid met liefde, is dat niet een zachte grond, om op te wandelen, of te liggen? Ik heb betere gedachten van Christus dan ik ooit had; mijn gedachten van Zijn liefde groeien en zwellen in mij; nooit schrijf ik aan iemand zoveel van Hem, als ik gevoeld heb. Och, of ik een boek van Christus of Zijn liefde kon schrijven! Neem aan dat ik tot witte as gemaakt, en gebrand werd door dezelve waarheid, die de mensen maar achten als biezen knopen, het zou mijn winst zijn, indien mijn as kon uitroepen de waardigheid, voortreffelijkheid en liefde van mijn Heere Jezus; daar is veel aan Christus op te rekenen; ik geef op, om Hem te wegen; de hemel zou niet zijn de boom van de schaal, om Hem te wegen; wat ogen op mij zijn, of wat wind van tongen op mij is, daar vraag ik niet naar; laat mij staan op dit toneel in het kleed van een dwaas, en spelen de rol van een dwaas in ‘t oordeel van deze natie; indien ik maar mijn Welbeminde kan omhoog zetten, en een schoon getuigenis voor Hem geven, ik geef niet een vijg voor haar hosanna; indien ik mij kan inrollen in een slip van Christus’ kleed, ik zal daar liggen en lachen over de gedachten van stervende leemklompen. Broeder, wij hebben reden, om over onze hoermoeder te wenen; haar Man zendt haar naar ‘t bordeel van Rome, dat is de poort, waarin zij goed zin heeft; doch ik verzeker u, daar zal een schoon nagewas voor Christus in Schotland zijn en deze kerk zal de Bruidegom Zijn wederverwelkoming naar Zijn Eigen huis, zingen. De wormen zullen haar eerst eten, eer zij Christus goede nacht zullen doen zeggen aan Schotland; ik word hier besprongen van ‘t musket van de professoren, maar ik dank de Vader van de lichten, zij trekken geen bloed van de waarheid; ik vind geen herberg in ‘t hart van natuurlijke mensen, die koude vrienden van mijn Meester zijn; ik bid u, doe mijn liefdegroet aan die edelman A. E. Mijn hart is aan hem verknocht, omdat hij en ik één Meester hebben; gedenk mijn banden, en bied mijn dienst mijnheer en mevrouw aan; ik wens, dat Christus aan hen liever zij, dan aan velen van hun plaats. Genade zij met u.

      De uwe in zijn zoete Heere Jezus, Samuel Rutherford

      Aberdeen, 5 juli 1637

       

    3. Aan mevrouw Boyd
    4. Mevrouw!

      Genade, barmhartigheid en vrede zij u. Ik geloof, weinigen kennen de pijn en kwellingen van Christus’ toevertrouwde liefde; het borgen van Christus’ tegenwoordigheid is een stof van pijniging. Ik ken een arme ziel, die wel alle riemen in ‘t water wilde leggen om een feest van Christus’ liefde; ik kan niet anders denken, of het moet verrukkend en zoet zijn, te zien de witte en rode zijde van Christus’ schone aangezicht: want Hij is wit en rood, en draagt de banier boven tienduizenden, Hoogl. 5:10. Ik verzeker mij, dat Zijn aangezicht welgemaakt moet zijn; de hemel moet in Zijn gezicht zijn; heerlijkheid, heerlijkheid voor eeuwig moet op dat aangezicht zitten; ik durf het masker en deksel dat op Zijn aangezicht is, niet vloeken, maar o dat er een gat in was! Och of God het masker wilde scheuren; foei, foei ons, dat wij nooit beschaamd waren, dan nu, dat wij ons kwijnen en verlangen niet uitriepen naar Hem. Ik ben verzekerd, nooit sprak een tong van Christus, gelijk Hij is; ik ben steeds van dat oordeel, en zal er altijd van zijn, dat wij die Heilige, Heilige verongelijken, en kleinachten, omdat wij zulke korte en schrale gedachten hebben van Zijn gewicht en waardigheid. Och, dat ik maar verlof kon hebben, om er bij te staan, en te zien hoe de Vader Christus de Zoon weegt, indien het mogelijk was, maar hoe zij Elk Elkaar begrijpen, kunnen wij, die lemen ogen hebben, niet begrijpen: maar is ‘t jammer voor eeuwig en ook meer dan schande, dat zo één als Christus, in de hemel alleen voor ons zou zitten. Zijn werk te maken van daarheen op te gaan alleen om Hem te zien, zou geen kleine heerlijkheid zijn. O, dat Hij de glazen wilde uitslaan, en weg doen deze schone en grote lichten in dit huis, deze neergevallen ziel, en dat hij dan de ziel nabij Christus stelde, opdat de stralen van licht, en de ziel verlustigende aanschouwingen van de schone, schone Godheid mochten door de vensteren inschijnen, en het huis vervullen! Een schoner en nader en dadelijker gezicht van Christus zou plaats maken voor Zijn liefde; want wij zijn maar eng, gedrongen en benauwd in zijn liefde: helaas het was licht, al de liefde die wij tot Christus hebben, te meten met duimbreedten, en te wegen met onsen. Helaas dat wij Hem bij maat en gewicht liefhebben, en dat wij niet veeleer hebben gehele vloeden, en maaltijden van Christus’ liefde! Och, dat Christus wilde terneer breken de oude nauwe vaten van deze enge en ebbende zielen, en ons maken schone, diepe, wijde en brede zielen, om van Christus’ liefde een zee en een vol getij te houden, vloeiende over al zijn banken heen! Och, dat de Almachtige mij mijn verzoek wilde geven! Dat ik Christus weer mocht zien komen tot Zijn tempel, gelijk Hij gereedschap maakt en zo het schijnt meent te doen, en dat het land verootmoedigd was; de gedreigde oordelen, weet ik, zijn met dat voorbehoud, indien wij ons zullen bekeren en berouw hebben. O, wat hemel zou ons ontbreken op aarde, mochten wij Schotland maar zien, gelijk het licht van de zon, en Schotlands zonlicht, zevenvoudig, als het licht van zeven dagen; op de dag als de Heere de breuk van Zijn volks zal verbinden, en de wond, waarmee het geslagen is, genezen, Jes. 30:26. Helaas dat wij Christus niet weer tot Zijn oude tenten willen trekken, om te komen, en te weiden onder de leliën, totdat de dag aanbreekt, en de schaduwen vlieden! O, dat de edelen wilden voortgaan in de kracht en kloekmoedigheid van de Heere, om onze wettige Koning Jezus weer thuis te brengen! Ik ben verzekerd, Hij zal weer in heerlijkheid tot dit land keren; maar gelukzalig waren zij, die Hem konden helpen begeleiden tot Zijn heiligdom, en Hem weer zetten op het verzoendeksel tussen de Cherubijnen. O zon, keer weer tot het verduisterde Brittanië! O Schoonste onder al de kinderen van de mensen! O Allervoortreffelijkste, kom weer thuis, kom thuis, en verkrijg de lof en prijs van de treurigen in Zion, die gevangenen van hoop, die op U wachten! Ik weet, Hij kan ook triomferen in ‘t lijden, Hij kan wenen, en heersen, en sterven, en triomferen, en blijven in het gevangenhuis, en nog Zijn vijanden ten onder brengen. Maar hoe gelukkig zou ik zijn, mocht ik de dag van Christus’ kroning zien, dat Zijn moeder, die Hem gebaard heeft, de kroon weer op Zijn hoofd zet, en roept met gejuich, totdat de aarde daarvan zou klinken: Laat Jezus onze Koning leven en heersen voor eeuwig! Genade, genade zij met uw HoogEd.

      Uw HoogEd. zeer gehoorzame in Christus, Samuel Rutherford

      Aberdeen. 1637

       

    5. Aan Mr. Alexander Colvill van Blair
    6. Zeer geëerde Heer!

      Genade, barmhartigheid en vrede zij u. Ik zou wensen te weten, hoe mijnheer mijn brief aannam, die ik hem zond, en hoe ‘t met hem is: ik wens niets, dan dat hij vast en oprecht blijft bij mijn koninklijke Meester en Koning; ik ben alleszins wel; alle lof zij Hem gegeven, in Wiens boeken ik voor eeuwig moet staan, als Zijn schuldenaar; alleen mijn stilzwijgen pijnigt mij; ik had een vreugde buiten de hemel, naast mijn Heere Christus. en dat was, Hem te prediken aan dit ongelovige geslacht; en zij hebben mij die ontnomen; het was mij als de arme man zijn ene oog, en zij hebben dat oog uitgestoken; ik weet, dat het geweld, mij en Zijn arme beroofde bruid aangedaan, voor de Heere opgekomen is; en al zie ik de andere zijde van mijn kruis niet, of wat mijn Heere daaruit zal voortbrengen; nochtans geloof ik, het gezicht zal niet vertoeven, en dat Christus op Zijn reis is tot mijn verlossing. Hij gaat niet traag, maar passeert tien bergen in een schrede; ondertussen ben ik gepijnigd met Zijn liefde, omdat ik de dadelijke bezitting mis. Als Christus komt, zo blijft Hij niet lang, maar gewis het blazen van Zijn adem op een arme ziel is een hemel op aarde; en als de wind naar het noorden keert, en Hij weggaat, zo sterf ik, totdat de wind verandert naar ‘t westen, en Hij Zijn gevangene bezoekt. Maar Hij houdt mij niet dikwijls aan Zijn deur staan; ik word rijkelijk weer betaald voor ‘t lijden voor Hem. Och dat geheel Schotland was gelijk ik ben, uitgenomen mijn banden! O wat een pijn heb ik, omdat ik Hem door mijn lijden niet kan geprezen krijgen! O dat de hemel van binnen en van buiten, en de aarde papier zou zijn, en al de rivieren, fonteinen en zeeën inkt waren, en ik bekwaam was, om dat papier van binnen en van buiten vol te schrijven van Zijn lof, en liefde, en voortreffelijkheid, om van mensen en engelen gelezen te worden! Ja dit is weinig, ik ben mijn hemel wel schuldig voor Christus te geven, en moest wensen, al zou ik nooit ingaan door de poorten van ‘t nieuwe Jeruzalem, mijn liefde en mijn lof over de muur te zenden tot Christus. Helaas, dat tijd en dagen tussen Hem en mij liggen, en dat die onze ontmoeting uitstellen! Het is mijn werk te roepen: O wanneer zal de nacht over zijn, en de dag aanrichten, dat wij elkaar zullen zien! Gelief mijn dienst mijnheer aan te bieden, aan wie ik schreef, en zeg hem, dat ik, wegens zijn genegenheid tot mij, niet kan nalaten voor hem te bidden, en ernstig te begeren, dat Christus hem niet mist uit de rol van degenen, die Zijn getuigen zijn, nu, wanneer Zijn koninklijke eer in twijfel getrokken wordt. Het is zijn eer, Christus’ koninklijke trein op te houden, en een werktuig te zijn om de kroon op Christus’ hoofd te houden. Zeg hem, dat dit mijn ernstige begeerte voor hem is, omdat ik Zijn ware eer en lang bestaande liefheb. Nu ik wens u zegen, en dat de gebeden van Christus’ gevangene op u komen, en dat Zijn zoetste tegenwoordigheid, Wie u dient in de geest, u vergezelschapt.

      Uw tot alle gehoorzaamheid verplichte in Christus, Samuel Rutherford

      Aberdeen, 23 juni 1637

       

    7. Aan Mr. Johannes Row
    8. Eerwaarde en lieve broeder!

      Ik heb de uwe ontvangen; ik loof Zijn hoge en grote Naam, ik heb steeds hoe langer hoe meer zin in mijn Meester; een gezicht van Zijn kruis brengt meer benauwdheid, dan ‘t gewicht van die. Ik oordeel dat het ergste van Christus, zelfs Zijn smaad en Zijn kruis (als ik op die niet zie met schele ogen) veel beter te verkiezen is, dan het lachen, en de wormstekige vreugde van mijn tegenpartijders; och dat zij waren gelijk ik ben, uitgenomen mijn banden! Mijn Getuige is boven; mijn predikdienst is mij naast Christus’ liefde boven alles. Maar ik leg die aan Zijn voeten neer, om Zijn heerlijkheid en om Zijn eer als opperste Wetgever, dat mij liever is. Mijn lieve broeder, indien u wilt aannemen het getuigenis van een arme gevangene van Christus, die nu door de wereld niet durft veinzen; ik geloof zeker, en ik verwacht, dat ik van de Vorst der koningen van de aarde zal bedankt worden wegens mijn geringe gevaren, zodanig als zij zijn, voor Zijn eerwaarde zaak; Wie ik nooit genoeg verhogen kan wegens Zijn overlopende liefde tot mijn droevige ziel, sinds ik hier kwam. O dat ik Hem kon omhoog gezet en geprezen krijgen! Ik zoek niet meer, als de top en wortel van mijn begeerten, dan dat Christus uit mijn lijden heerlijkheid voor Zichzelf, en stichting voor de zwakke trekt. Ik verzoek, dat u mij wilt helpen bidden en prijzen. Genade zij met u.

      Uwe in zijn zoete Heere Jezus, Samuel Rutherford

      Aberdeen, 8 juli 1637

       

    9. Aan de vrouw Culross
    10. Mevrouw!

      Genade, barmhartigheid en vrede zij u. Ik ben zeer verkwikt door uw brief, die nu eindelijk tot mij gekomen is; ik bevind, dat mijn Heere Jezus niet komt op die juiste weg, waarin ik naar Hem wacht; Hij heeft een poort van Zichzelf. O hoe hoog zijn Zijn wegen boven mijn wegen! Ik zie maar weinig van Hem: ‘t is goed dat men niet aanbiedt Hem een les te leren, maar Hem volstrekt Zijn Eigen wil te geven, in ‘t komen, en gaan, in ‘t ebben en vloeien, en in de wijze van zijn genadig werken; mij ontbreekt niets dan een ruggelast van Christus’ liefde; ik wilde wel door de hel, en door ‘t midden van de verdoemde duivelen gaan, om een hartelijk feest van Christus’ liefde te hebben: want Hij heeft mij geboeid met Zijn liefde, en is heengelopen, en heeft mij een geketend man gelaten: het smart mij zeer, dat ik zo los, zo lichtvaardig en genadeloos was in mijn ongelovige gedachten van Christus’ liefde: maar wat kan een ziel, die nog niet in erve is gedaan, wanneer mijn recht verzet en verloren is, anders doen, dan een valse beschuldiging instellen tegen Christus, liefde? Ik weet, mevrouw, uzelf en velen meer zullen getuigen tegen mij zijn, indien ik van mijn ongeloof geen berouw heb: want ik heb de paapse waren gezocht, enige prijs voor de genade binnen mijzelf; ik heb niet geleerd gelijk ik doen zou, mijn kapitaal en heel mijn schat in Christus’ hand te stellen; maar ik wilde een kapitaal van mijzelf hebben; en eer ik het wist, nam ik geld, om van de wet advocaat te zijn, om rechtvaardigmaking te zoeken door de werken. Ik vergat, dat genade de enige krans is, die in de hemel gedragen wordt op de hoofden van de verheerlijkten. En nu ben ik half blij, dat ik krankheid heb, daar Christus op mocht werken; omdat ik wonden moet hebben, zo gaat het mijn ziel wel, dat ik dagwerk heb voor mijn Medicijnmeester Christus; ik hoop aan Christus Zijn Eigen beroep te geven; het voegt Hem wel volkomen, zieken te genezen. Mijn ebbingen zijn zeer laag, en ‘t getij is ver weg, als mijn Beminde weggaat, en dan roep ik: Och wreedheid! De arme man zijn ene oog uit te steken, en datgene te nemen, dat mijn blijdschap was naast Christus, te prediken mijn Welbeminde! Dan maak ik een geraas omtrent Christus’ huis, als zeer vreemd tot Zijn venster inziende, en mijn liefde en begeerten als over de muur heenwerpende, totdat God betere zendt. Ik ben menigmaal tevreden, dat mijn verzoekschriften in de hemel liggen, tot de dag van mijn afscheid, mits dat ik verzekering heb, dat op de rug ervan genade geschreven zal worden. Ik wil er niet naar vragen, dat ik moet afwachten; maar als ik tegelijk een vermoeide arm en een ledige hand intrek, zo is het veel voor mij, mijn gedachten in orde te houden; maar ik ben verlegen met Christus’ liefde. Als ik alles gedaan heb, wat ik kan, wilde ik mij graag voegen naar Zijn stroom, en roepen met Christus en niet tegen Hem; maar ik zie, dat terwijl ik leef, Christus’ koninkrijk in mij niet vreedzaam zal zijn; zoveel gedachten komen er in mij op, tegen Zijn eer en koninklijke macht. Gewis ik heb al Zijn zoete vriendelijkheid omtrent mij niet uitgedrukt; ik laat na dit te doen, opdat ik niet geacht wordt mijzelf te zoeken, maar Zijn adem heeft geroken naar het poeder des kruideniers, en naar des konings nardus. Mij dunkt, ik krijg nieuwe gedachten van de hemel, omdat de kaart en vertoning van de hemel, die Hij mij nu laat zien, zo schoon en zo zoet is, ik verzeker mij, wij zijn spaarzaam en zuinig in het zoeken; ik geloof waarlijk, wij weten niet, hoeveel men in dit leven wel hebben kan; er is nog iets boven al wat wij zien, waarnaar wij dienden te zoeken. O dat mijn liefdekrankheid mij aan ‘t werk stelde, wanneer heel de wereld gerust slaapt, om te roepen en te kloppen! Maar in de waarheid, sinds ik hier kwam, ben ik verwonderd geweest. dat ik, na mijn aanhouden om mijn bekomst van Christus’ liefde, niet een dadelijk teken heb gekregen, maar van Hem gekomen ben, roepende: honger, honger; ik oordeel, dat Christus mij in mijn uiterste honger spijs laat zien, en dat Hij er mij niets van geeft. Als ik nabij de appel ben, zo trekt Hij Zijn hand terug, en Hij gaat heen, om mij te volgen; en wederom als ik ben binnen een armlengte bij de appel, zo maakt Hij een nieuwe draai, naar de deur toe, en ik heb Hem opnieuw te zoeken; Hij schijnt Zich niet te ontfermen over mijn kwijnen en mijn bezwijmen naar Zijn liefde; ik durf Hem soms mijn honger opdragen, om geoordeeld te worden, of ik Hem niet zou willen kopen voor een duizend jaar in de heetste oven van de hel, mits dat ik Hem moest genieten: maar mijn honger wordt geboet met gebrek en afwezen. Ik honger, en ik heb niet; maar mijn troost is, wachtende te liggen, en mijne arme ziel en mijn lijden te stellen in Christus’ hand; laat Hem van Mij maken wat Hij wil; indien Hij maar verheerlijkt wordt in mijn zaligheid: want ik weet, ik ben voor Hem gemaakt. Och dat mijn Heere Zijn Eigen genadig eind in mij mocht verkrijgen; ik zal niet tevreden zijn, terwijl ik zo ver van Hem afsta. Och dat ik nabij Hem, en met Hem was, opdat deze arme ziel met Hemzelf mocht verzadigd worden! Uw schoonzoon W. E. is nu waarlijk geëerd voor de zaak van zijn Heere en Meester; als de Heere Zion want, zo is ‘t een goed teken, dat hij is een ware rank van de wijnstok, dat de Heere hem eerst begint te besnoeien; hij is sterk in de Heere, gelijk hij mij geschreven heeft; en zijn vrouw is zijn aanmoedigster, hetwelk u vrolijk moest doen zijn. Betreffende uw zoon, die u tot droefheid is; uw Heere wachtte op u en mij, totdat wij rijp waren, en Hij bracht ons in; het staat u toe, te bidden en te wachten op Hem; als hij rijp is, zal er voor hem gesproken worden; wie kan gebieden, dat de wind van onze Heere waait? Ik weet het zal eindelijk tot uw goed zijn: dit is een van uw wateren die u over moet naar de hemel; u kunt er niet toe doen; te minder zijn er nog achter. Ik gedenk aan u, en aan hem, en aan de uwen, naar dat ik kan. Maar helaas men gelooft, dat ik iets ben, en ik ben niets dan een leeg riet, gebrekkigheden zijn mijn beste rijkdommen, omdat dezelve mij vervuld worden door Christus; doe mijn hartelijke liefdegroet aan uw broeder. Ik weet, hij pleit met zijn hoermoeder wegens haar afval. Ik weet ook, dat u vriendelijk bent tegen mijn waarde vrouw van Kenmur, een vrouw van de Heere bemind, die aan mijn banden zeer gedachtig is geweest; de Heere geve haar barmhartigheid te vinden, en ook haar kind in de dag van Christus. Grote lieden zijn droog en koud, in voor mij iets te doen; het klinken van de ketenen wegens Christus, verschrikt hen; maar laat mijn Heere al mijn afgoden breken, ik zal Hem nog loven. Ik ben verplicht aan mijnheer Lorn; ik wens hem barmhartigheid; gedenk mijn banden met lofzeggingen; en bid voor mij, dat mijn Heere het noorden mocht ontsteken door mijn banden en lijden. Genade zij met u.

      De uwe in zijn zoete Heere Jezus, Samuel Rutherford

      Aberdeen, 9 juli 1637

       

    11. Aan Alexander Gordon van Knockgray
    12. Lieve broeder!

      Genade, barmhartigheid en vrede zij u. ‘t Is buiten kwestie, onze moederkerk heeft een Vader, en zij zal niet sterven, zonder een erfgenaam, zodat haar vijanden de berg Zion niet zullen maken tot hun erfenis. Wij zien, waar ook de vijanden van Zion gaan, neem dat zij vele mijlen onder de grond delven, nochtans onze Heere vindt hen uit, en Hij heeft wraak voor hen opgelegd, en de arme en gebrekkige zal niet altijd vergeten worden. Onze hoop was kwijnende en verwelkende, en de mensen zeiden, wat kan God maken van die oude dorre beenderen van de begraven kerk? De bisschoppen en hun navolgers waren een graf boven ons; ‘t is waarschijnlijk dat onze Heere onze graven zal openen, en dat Hij voor heeft, Zijn twee gedode getuigen te doen opstaan op de derde dag. O hoe lang wacht ik, om onze wenende Heere Jezus wederom te horen zingen, en triomferen, en vrolijk zijn, en de buit delen! Ik bevindt het een zwaar werk, te geloven, wanneer de richting van de voorzienigheid recht tegen ons geloof aangaat, en als verduisterende zielen in donkere nacht het oosten van het westen niet kunnen onderscheiden, en als ons zeekompas ons schijnt te feilen. Elk mens is een gelovige, als het daglicht is; een schone dag schijnt geheel gemaakt te zijn van geloof en hoop: wat een toetsing van goud is het, het een weinig over ‘t vuur te roken? Maar het goud volmaakt geel van kleur te houden in ‘t midden van de vlammen; en van vat tot vat gegoten worden, en nochtans te maken, dat onze oven de lof van de Heere uitroept, uitspreekt, en doet klinken, dat is wat anders. Ik weet, mijn Heere heeft mij niet gemaakt voor ‘t vuur; hoewel Hij mij enigermate bekwaam gemaakt heeft voor het vuur; ik loof Zijn hoge Naam, dat ik niet bleek word, noch de kleur van goud verloren heb; en dat Zijn vuur mij wat verdund heeft: en dat mijn Heere mij mag gieten, in welk vat het Hem gelieft. Voor een klein loon mag ik wel met recht verlaten mijn deel van deze wereld zijn lachen; en de tijd laten varen, en al de plezieren van deze wereld. Ik ken een mens, die zich verwonderde iemand in dit leven te zien lachen en spelen; gewis onze Heere zoekt dit van ons, ten opzichte van enige verblijding over tegenwoordige vergankelijke dingen. Ik zie over alle dingen heen; en merk, dat wij neer dienden te zitten, en armen en benen te vouwen, en onszelf uitstrekken op Christus, en lachen met de pluimen, die de kinderen hier najagen: want ik acht, dat de mensen van deze wereld zijn gelijk kinderen, die in een gevaarlijke storm ter zee, spelen met het witte schuim van zijn golven, die opkomen om hen te verdrinken, en te doen zinken; zo spelen de mensen dwaas met het witte plezier van een stormachtige wereld, die hen zal doen verzinken. Maar helaas, wat hebben wij te doen met hun spel, dat ze maken! Indien Salomo zeide van het lachen, dat het uitzinnig was, wat mogen wij dan zeggen, van deze wereld hun lachen en spelen met goud, en zilver, en eerambten, en hof, en brede, wijde overwinningen, dan dat zij arme zielen zijn, die in de hoogte en razernij van een koorts buiten hun zinnen zijn? Een stro dan, een vijg voor alle geschapen spel en vermakelijkheid buiten Christus. Ja, ik oordeel, dat deze wereld in haar hoogte en volmaaktheid, als zij gekomen is tot de top van haar voortreffelijkheid, en tot het pit daarvan, mocht gekocht worden voor een halve penning; en dat zij nauwelijks de waarde van een dronk water zou overwegen. Er is niets beter, dan het te schatten onze gekruiste afgod, die dood en geslacht is, gelijk Paulus deed, Gal. 6:14. Laat dan de plezieren, de rijkdommen ‘t hof en de eer gekruist worden; en aangezien de apostel zegt, dat de wereld hem gekruist is, zo mogen wij deze wereld stellen in het vonnis van een gehangen mens, en aan de galg, en wie zal veel geven voor een gehangen man? En weinig zouden wij alzo geven voor een gehangen en gekruiste wereld. Nochtans wat heeft deze dode kreng een zoete reuk voor vele dwazen in de wereld, en hoeveel vrijers en aanzoekers vindt deze gehangen dode kreng? De dwazen trekken hem van de galg, en twisten er om. O wanneer zullen wij leren, gekruiste mensen te zijn, en ons bekomst te hebben van deze dingen, die maar hun kort zomerverblijf van dit leven hebben! Indien wij zagen onze Vader Zijn huis, en die grote en schone stad, het nieuwe Jeruzalem, hetwelk is boven de zon en maan, wij zouden uitroepen, om over ‘t water te zijn, en om in Christus’ armen gevoerd te worden uit deze geleende gevangenis. Genade, genade zij met u.

      De uwe in zijn zoete Heere Jezus, Samuel Rutherford

      Aberdeen, 1637

       

    13. Aan de heer van Carletoun
    14. Waarde heer!

      Genade, barmhartigheid en vrede zij u. Ik heb uw brief ontvangen en ben hartelijk blij, dat onze Heere begonnen is te werken voor de waarschijnlijke verlossing van deze arme verdrukte kerk. O dat het heil voor Zion kwam! Tegenwoordig ben ik hopende, wachtende, wat mijn Heere met mij, doen wil, en of het mijn zoete Meester zal gelieven, mij wederom onder u te zenden, en een huurling af te houden van mijn arm volk en kudde; het zou mijn hemel zijn, totdat ik thuis kom, dit leven door te brengen, in sommigen tot Christus in te brengen. Ik heb steeds grote bezwaardheid wegens mijn stilzwijgen, en wegens mijn gedwongen ledig staan op de markt, wanneer dit land zo’n een overvloedige rijke oogst heeft: maar ik weet, dat Zijn oordeel, Die het gedaan heeft, onuitvindelijk is. Ik heb geen kennis, om de Heere in al Zijn vreemde wegen, en gangen van diepe en ondoorzoekelijke voorzienigheid te begrijpen: want de Heere is voor mij, en ik ben zo in ‘t duister, dat ik Hem volgen kan. Hij is achter mij, en volgt mij op de hielen, en ik werd Hem niet gewaar; Hij is boven mij, maar Zijn heerlijkheid verbaast zozeer mijn schemering van korte kennis, dat ik tot Hem niet kan opzien; Hij is aan mijn rechterhand, en ik zie Hem niet; Hij is aan mijn linkerhand, en binnen mij, en Hij gaat en komt, en Zijn gaan en komen is een droom voor mij, Hij is rondom mij, en omringt al mijn gangen, en steeds heb ik Hem te zoeken. Hij is overal hoger en dieper en breder, dan de schrale en ebbende handbreedte van mijn kort en donker licht kan bevatten; en daarom wilde ik, dat mijn hart kon stilzwijgen, en neerzitten in het geleerd onwetend verwonderen over die Heere, Die mensen en engelen niet kunnen begrijpen. Ik weet, het middaglicht van de hoogste engelen, die Hem van aangezicht tot aangezicht zien, ziet niet de uiterste paden van Zijn oneindigheid; zij beseffen God nabij zich, maar zij kunnen Hem niet omgrijpen: en daarom is het mijn zaligheid, te zien van ver en nabij te komen, tot de Heere Zijn achterste delen en mijn duistere kaars aan te steken aan Zijn glans van heerlijkheid, en verlof te hebben, om te zitten, en mij tevreden te houden met het licht van een reiziger, zonder het klare gezicht van een genieter. Ik wilde niet meer zoeken, totdat ik in mijn land was, dan een weinig bevochtiging en besprenging van een verwelkte ziel met enige halve uitbrekingen en halve uitzichten van de stralen, en kleine verrukkende toelachingen van het schoonste aangezicht van een geopenbaarde en geloofde Godheid, het weinige van God zou mijn ziel aan alle oevers vol maken: O dat ik maar had ‘t minste dat van Christus afvalt, dat Hij maar het minste van Zijn liefdestralen van Zich wilde laten vallen, zodat ik die mocht vergaderen, en met mij dragen! Ik zou mij niet kwalijk tevreden stellen met Christus, en met bedekte gezichten van Christus, en ik zou niet lekker zijn in Hem te zien en te genieten; een kus van Christus, geblazen als over Zijn schouder, het afval en de kruimeltjes van heerlijkheid, die onder Zijn tafel vallen in de hemel, een stortregen van Zijn liefde zo dun als een Meimist, zou mij groen en sappig en vrolijk maken, totdat de zomerzon van een eeuwige heerlijkheid aanbrak. O dat ik iets van Christus had! O dat ik een teugje of een halve druppel had uit de holte van Christus’ hand, van de zoetheid en voortreffelijkheid van die Beminnelijke! O dat mijn Heere Jezus Zich mijner ontfermde, en mij maar de minste aalmoes gaf van gevoelde en geloofde zaligheid. O hoe weinig zou het zijn voor die oneindige Zee, die oneindige Fontein van liefde en blijdschap, zoveel duizend duizend vaatjes, gelijk ik ben, te vullen, als er minuten van uren zijn, sinds de schepping Gods! Ik vind het waarachtig, dat een arme ziel, ondervindende een halve geur van Christus’ Godheid, begeerten heeft, die het arme hart zo pijnigen en wonden met verlangens, om boven bij Hem te zijn, dat ze het soms doen denken, zou het niet beter zijn, nooit iets van Christus gevoeld te hebben, dan aldus te liggen stervende twintig doden, onder die gevoelde wonden, wegens het missen van Hem? O waar is Hij! O schoonste! waar woont Gij? O nooit genoeg verwonderde Godheid! Hoe kan het leem tot u opkomen, hoe kunnen schepselen van gist machtig zijn, u te genieten? O welk een pijn is het, dat tijd en zonden zouden zijn als zoveel duizend mijlen tussen een beminde en verlangde Heere, en een kwijnende en liefdekranke ziel! O laat dit weinige van onze liefde deze duimbreedte en halve spanlengte van hemels verlangen uw oneindige liefde ontmoeten! Och dat het weinige, wat ik heb, verslonden zou zijn door de oneindigheid van die voortreffelijkheid, die in Christus is! O dat wij kleinen innig verenigd waren met de grootste Heere Jezus! Ons gebrek zou ras verslonden zijn met Zijn volheid. Genade, genade zij met u.

      De uwe in zijn zoete Heere Jezus, Samuel Rutherford

      Aberdeen, 8 mei 1637

       

    15. Aan Robbert Gordon van Knockbrex
    16. Waarde broeder!

      Genade, barmhartigheid en vrede zij u. Ik heb uw brief van Edinburgh ontvangen. Ik zou niet wensen een andere hemel, totdat ik mijn eigen hemel krijg: dan een nieuwe maan, gelijk liet licht van de zon, en een nieuwe zon, gelijk het licht van zeven dagen, schijnende op mijn arme ziel, en op de kerk van Joden en Heidenen, en op mijn verwelkte en van de zon gebrande moeder, de kerk van Schotland; en op haar zusterkerken, Engeland en Ierland, en dat dit geschiedde, om onze grote Koning hoog te zetten; daar was niet aangelegen, al was ik afgescheiden van Christus, en een gevoelen, van tienduizend jaren pijn in de hel, indien dit zou zijn; o gezegend zou zijn de hoge adel, o heerlijk beroemd zou zijn de gewone adel; o gezegend waren de geslachten in dit land, indien zij mijn Heere Jezus Zijn wenend aangezicht afwisten, en de zak van Christus’ lendenen afnamen, en Hem Zijn koninklijke klederen aantrokken! O, dat de Almachtige geen minder loon van mij mocht nemen, dan mijn hemel, opdat dit geschiedt! Maar mijn vrezen zijn steeds, dat nog eens toorn zal komen over Schotland: maar ik weet, haar dag zal opklaren, en heerlijkheid zal zijn op de top van de bergen, en vreugde zal nog eens wezen op het aankomen van het getrouwde wijf. O dat onze Heere ons wilde doen strijden en pleiten, en worstelen door gebeden en tranen, om van onze Man Zijn herstelling in Zijn ontnomen erfenis in Schotland. Lieve broeder, ik ben tegenwoordig in geen kleine strijd tussen gevoelde schuldigheid en verkwijnende verlangens, en hoge koortsen naar de liefde van mijn Beminde. Helaas! Ik denk, dat Christus’ liefde vrekkig is omtrent mij; en ik weet, het is niet door schaarsheid van liefde; er is genoeg in Hem; maar mijn honger voorzegt mij, dat Christus zal inhouden en spaarzaam geven, want ik heb maar weinig van Hem, en weinig van Zijn zoetheid, het is met mij een dure zomer; nochtans is er zulke vreugde in de werkzame en scherpe honger naar Christus, dat ik menigmaal daartoe gekomen ben, dat indien ik geen andere hemel had, dan een gedurige honger naar Christus, zulk een hemel van altijd werkende honger zou mij steeds een hemel zijn. Ik ben verzekerd, dat Christus’ liefde niet wreed kan zijn: het moet een teerhartige, zielsmeltende liefde zijn. Maar ik acht de inhouding van die liefde een halve hel, en het missen van die meer dan een gehele hel; wanneer ik op mijn zondigheid zie, zo merk ik mijn zaligheid aan, als een van de grootste wonderen van de Zaligmaker, die Hij in hemel of op aarde gedaan heeft; gewis ik mocht elkeen uittarten, dat Hij mij een groter wonder toonde. Maar aangezien ik noch waren, noch loon, noch geld heb voor Christus; of Hij moet mij nemen met mijn gebrek, ellende, en verdorvenheid, of Hij moet mij missen. Och, of het Hem geliefde, mededogend en barmhartig te zijn omtrent mijn kwijnende koortsen van verlangen naar Hem, of dat Hij mij uit Zijn hand geeft een dadelijk pand, totdat God een ontmoeting zendt tussen Hem en mij! Maar ik bevind nog geen van beide, hoewel Hij, die afwezig is, niet wreed noch onvriendelijk is, zo is toch Zijn afwezen wreed en onvriendelijk; Zijn liefde is zichzelf gelijk; Zijn liefde is Zijn liefde; maar het deksel en de wolk, het voorhang en het masker van Zijn liefde is meer wijs dan vriendelijk, indien ik mijn bevatting durfde uitspreken; ik maak nu geen proces tegen de inhouding en het uitstel van Gods liefde. Ik zou Hem wel met al mijn hart tien hemelen, en de zoete openbaring van Zijn liefde willen borgen tot op een zekere dag. Gewis, mij dunkt, ik zou Christus veel kunnen geven op Zijn woord; maar mijn ganse pleiten is over het geven en indrukken van verzekerdheid van Zijn liefde. Och, of Hij mij wilde verzekeren dat mijn hart enige ware begeerten naar Zijn liefde heeft, Hij zou de gezette dag van betaling aan Zijn Eigen keur hebben. Maar ik weet, dat het revelende ongeloof zijn last uitspreekt, terwijl het ziet op de schuldigheid, en op dit lichaam van verdorvenheid. O, hoe walgelijk en lastig is het, een dood lichaam, deze oude kreng van verdorvenheid om te dragen! O, hoe wel komt een Zaligmaker te pas, om een zondaar van zijn ketenen en boeien te bevrijden! Ik heb het nu tot een nieuwe kwestie gemaakt, of Christus meer te beminnen is, wegens het geven van heiligmaking, of voor vrije rechtvaardigmaking? En ik houd, dat Hij meer en meest te beminnen is wegens heiligmaking; het is in enig opzicht groter liefde in Hem, te heiligen dan te rechtvaardigen: want in ons te heiligen maakt Hij ons Hem meer gelijk in Zijn wezenlijk beeld en gelijkenis; rechtvaardigmaking maakt ons maar gelukzalig, dat alleen is, de engelen gelijk te zijn; ook is het zo’n ellende niet, een veroordeeld mens te zijn, en onder onvergeven schuldigheid, dan de zonden te dienen, en te werken de werken van de duivel; en daarom denk ik, de heiligmaking kan niet gekocht worden, zij is boven allen prijs; God zij gedankt voor eeuwig, dat Christus een betaalde prijs was voor heiligmaking. Laat een zondaar, indien het mogelijk is, voor eeuwig in de hel liggen, indien Hij hem waarlijk heilig maakt en laat hem daar zijn brandende liefde tot God, blij in de Heilige Geest, en hangende aan Christus door geloof en hoop, dat is een hemel in het hart, en op de grond van de hel. Helaas ik vind hier een zeer slechte oogst, en weinigen die zalig zoeken te worden! Genade, genade zij met u.

      De uwe in zijn beminnelijke en gewenste Heere Jezus, Samuel Rutherford

      Aberdeen, 1637

       

    17. Aan mijnheer Craighall
    18. Mijnheer!

      Ik verzeker mij, dat u niettegenstaande de grootheid van deze beproeving, Christus aan u geen getuige zult laten missen, om Hem voor dit boze geslacht te erkennen. En indien u zich wel beraadt met Gods waarheid, zijnde Christus’ volmaakt testament, welke alle menselijke bijvoegingen tot Zijn dienst verbiedt, en met de recht geleerden en tegelijk geheiligden in dit land, en met die waarschuwer, die binnen u is, die niet in gebreke zal zijn, u op Gods tijd tegen te spreken, indien u nu niet vast en gevestigd voor Christus blijft, dan hoop ik, dat UEd. zich kwijten zal als een kloekmoedig man voor Christus, en weigeren bijgelovig en afgodisch de knie te buigen voor hout of steen, of enig schepsel ter wereld. Ik verzeker mij, dat u ‘t geen ik nu schrijf Gods waarheid zult oordelen te zijn, als u deze wereld verlaten zult. Enige vrezen; dat UEd. zich aan zijn majesteit met belofte verbonden heeft, zijn begeerte te voldoen. Indien ‘t zo is, mijn lieve en waarde heer, zo hoort mij ten goede van uw ziel. Neem gedachten van na deze schipbreuk aan land te zwemmen; en gelief uw ootmoedige verantwoording te schrijven aan zijn majesteit; misschien zal God u gunst geven in zijn ogen. Hoe het ook zij, laat het ver van u zijn te denken, dat een belofte uit zwakheid gedaan, en door de schrik van een koning afgeperst, u zou verbinden, uw Heere Jezus te verongelijken. Maar wat mij aangaat; ik geef geen geloof aan dat gerucht; maar ik geloof, dat u vast zult blijven aan Christus. Aan zijn genade beveel ik u.

      UEd.’s zeer gehoorzame in Christus, Samuel Rutherford

      Aberdeen, 8 juli 1637

       

    19. Aan de Heer Craighall
    20. Mijnheer!

      Genade, barmhartigheid en vrede zij u. Ik ben niet alleen wel tevreden, maar ik verblijd mij uitnemend, dat ik bevind, dat enigen van de regenten van dit land, en inzonderheid UEd. zozeer Christus en Zijn waarheid ter harte nemen, dat ze voor Zijn Naam zelfs in ‘t aangezicht van de monarchen, vrij durven uitspreken, en komen tot ja en neen. Ik hoop, dat Hij, die u daartoe bekwaam gemaakt heeft, meer zal geven, indien u zichzelf kloekmoedig toont, en gelijk Zijn Woord spreekt, een man die op de straten durft spreken voor de Heere. Maar ik bid UEd. geef mij verlof, dat ik bij u recht uitspreek, als een, die uw eer en uw ziel beide, liefheeft. Ik geloof waarlijk, nooit was er afgoderij te Rome, nooit was een afgoderij veroordeeld in Gods Woord door de profeten, indien het godsdienstig knielen voor een gewijd schepsel, staande in die plaats van Christus de Gekruiste, in die daad zelfs, en dat uit eerbiedigheid voor de elementen, gelijk onze Acta dat te kennen geeft, geen afgoderij is. Ook zal uw bedoeling het niet verhelpen, die niet is van het wezen van de godsdienst: want dan zou Aäron, zeggende: morgen zal de Heere een feest zijn, dat is voor het gouden kalf, niet schuldig zijn geweest aan afgoderij: want zijn bedoeling was alleen te ontwijken de aanval van de woede van het volk, niet het kalf te eren. Uw bedoeling, om Christus te eren, is niets, aangezien het godsdienstig knielen door Gods instelling noodzakelijk te kennen geeft een godsdienstige en goddelijke aanbidding, al was onze bedoeling dood en slapende. Anderszins zou het knielen voor een beeld van God, richtende ‘t gebed tot God, geoorloofd zijn, indien onze bedoeling recht was. Mijnheer, ik kan in deze palen niet redetwisten; maar indien Cambridge en Oxford, en de geleerden van Brittanië, dat bewijsgrond kunnen beantwoorden, alsmede het bewijs genomen van gegeven ergernis, waarop UEd. schijnt te staan, zo zal ik een formalist worden, en mijzelf een enkele dwaas noemen, wegens de daad, die ik gedaan heb, in mijn lijden voor deze waarheid. Ik heb grote achting voor Mr. L.’s geleerdheid; maar mijnheer, ik zal beantwoorden ‘t geen hij in deze schrijft, om u van de waarheid af te keren, of houd mij anders niet alleen voor een huichelaar, maar ook voor een ezel; en ik hoop, u zult iets over die stof zien, indien de Heere wil, ‘t welk geen drogreden in Brittannië zal beantwoorden. De bewijsgronden van de hovelingen zijn voor het meeste deel gehaald van hun huid, en zij zijn niet een stro waard voor uw geweten. Het woord van een markies of van een koning zal, wanneer u voor Christus vierschaar staat, lichter zijn dan wind. De Heere weet, ik heb liefde tot uw eer, en tot het bestaan van uw huis: maar ik wilde niet, dat uw huis of eer op zand, hooi en stoppelen gebouwd zou zijn. Maar zeer lieve en waarde heer, laat mij u zeer ootmoedig bidden door de ontfermingen Gods, door de vertroostingen van Zijn Geest, door het dierbaar bloed en de wonden van uw beminnelijke Verlosser, door de zaligheid van uw ziel, en door uw verschijning voor het ontzaglijk gezicht van een zondewrekende en vreselijk Richter, dat u uw zielsvrede, Christus, liefde, en Zijn koninklijke eer, die nu in twist getrokken wordt, niet in vergelijking stelt met uw plaats, eer, huis, of rust, die binnen een handbreed tijd aan een kant zullen gesteld worden. Ik geloof waarlijk, dat Christus nu een getuigenis van u verzoekt, en zegt: En wilt gij Mij. ook verlaten? Misschien zal de wind al uw leven lang zo schoon niet voor u waaien, om, voor anderen, uit te komen en te verschijnen, om Christus de Schoonste onder de mensenkinderen te helpen, de Overste van de koningen der aarde, te begunstigen. Jes. 51:7,8: En vreest niet de smaadheid van de mens, en voor hun smaadredenen en ontzet u niet; want de mot zal ze opeten als een kleed, en het schietwormpje zal ze opeten als wol. Wanneer de Heere zal beginnen, zal Hij een einde maken, en Hij zal Zijn tegenpartijders neermaaien, en zij zullen voor Hem liggen, als verdroogd hooi; en hun bloem zal van hen afgeschud zijn. Let op, hoe vele duizenden u in dit koninkrijk zult doen vallen en struikelen, indien u met hen gaat, en dat u buiten de gebeden van velen zult zijn, die nu voor de Heere staan ten goede van u, en van uw huis. En verder, als de tijd van uw rekening komt, en uw een voet binnen de palen van de eeuwigheid zal zijn, en de oogbanden zullen breken, en ‘t aangezicht zal bleek worden, en de arme ziel uit de vensters van het lemen huis zal zien, verlangende daaruit te zijn; en u zichzelf zult vinden gedaagd voor de Richter van levenden en doden, om te antwoorden over die, dat u uw hand met de rest van de zaken verbonden, tegen Christus gesteld hebt, tot omstoting van Zijn ark, en tot losmaking van de pinnen van Christus’ tabernakel, en u zeker uzelf verontreinigd zult zien in een gang van afval; dan, dan zullen de gunst van een koning en uw wormstekige eer ellendige troosters voor u zijn. De Heere heeft u verlicht met de kennis van Zijn wil, en zo waarachtig als de Heere leeft, zij leiden u en anderen tot een gemeenschap met het grote Babel, de moeder van de hoererijen. En God zeide weleer, en Hij zegt het alsnog tot u: gaat uit van haar, mijn volk, opdat u van haar plagen niet ontvangt. Zult u dan met hen gaan? En zetten uw lip aan de gouden beker van de hoer, en drinken met haar van de wijn van de toorn van God almachtig? O, armelijke hongerige eer! O, vervloekte plezieren! En o verdoemelijke rust, gekocht met het verlies van God! Hoevelen zullen er voor u bidden! Wat een zoete tegenwoordigheid van Christus zult u bevinden, onder uw lijden, indien u uw eer en plaats zult neerleggen aan Christus’ voeten! Wat een schone vergelding van loon! Ik betuig voor de Heere, dat ik u nu ben tonende een weg, hoe het huis van Craighall op zekere pilaren zou kunnen staan; indien u het wilt zetten op verrotte pilaren, zo verongelijkt u uw nakomelingen wreed; u hebt het woord van een Koning voor een honderdvoud meer in dit leven, (indien het goed voor u is) en ook voor het eeuwige leven. Maak Christus niet tot een leugenaar, in aan Zijn belofte te wantrouwen. Lemen koningen kunnen u niet te hulp komen, als u voor Hem staat; zij en hun hongerige hemel, die aan deze zijde van de tijd staat, zijn niets te achten; wat is het toelachen van een worm voor één dag, waardig? Let op degenen die u voorgegaan zijn naar de eeuwigheid, en zouden wel een wereld gegeven hebben voor een nieuwe gelegenheid om die waarheid voor te staan. Het is waar, zij noemen het iets, dat niet wezenlijk is, en wij zijn een spot bij degenen die gerust zijn, wegens dat wij deze dingen daarvoor lijden: maar het is geen tijd, om te oordelen van ons verlies door de morgen; wacht tot de avond, en wij zullen met de beste van hen rekenen. Ik heb door ervarenheid bevonden, sinds de tijd van mijn gevangenzetten, mijn Getuige is boven, dat Christus deze eerwaarde zaak met een andere gemeenschap verzegeld heeft, dan ik ooit tevoren wist. En laat God mij in deze wegen in een effen weegschaal, indien ik het kruis van Christus of Zijn waarheid zou willen verwisselen met de veertien bisschoppen, of met al wat een koning verder geven kan. Mijn waarde heer, waag het, dat ge om Christus’ wil de wind in ‘t aangezicht neemt. Ik geloof, dat indien Hij persoonlijk van de hemel kwam, en eiste de grondbrief van Craighall van u, en verzocht, dat u uw plaats zoudt verlaten, en u zag Zijn aangezicht, u zoudt neervallen aan Zijn voeten, en zeggen: Heere Jezus, ‘t is te klein voor U; indien iemand het niet acht een waarheid, om er voor te sterven, zo ben ik tegen hem. Ik durf er mee naar de eeuwigheid gaan, dat de eer van onze koninklijke Wetgever en Koning, in de regering van Zijn eigen vrije koninkrijk, die aan geen stervende koning behoorde tol te betalen, op deze dag de ware staat van de kwestie is. Mijnheer, wees u aan Christus’ zijde in deze, en neem het woord van een arm gevangene, ja de Heere Jezus zij er Borg voor; u hebt onvergelijkelijk de wijste keuze gedaan. Voor mijn part. ik ben zo in deze gevangenis geweest, dat ik half beschaamd zou zijn, meer te zoeken, totdat ik boven bij de bron ben. Weinigen kennen in deze wereld de zoetheid van Christus’ adem; de voortreffelijkheid van Zijn liefde heeft noch paal noch grond; de wereld heeft een kwaad gerucht gebracht over Christus’ kruis, omdat ze graag op droog land naar de hemel gaan, en niet liefhebben de zeestormen. Maar ik schrijf het met mijn hand, en ik wilde meer zeggen, indien licht een lezer het niet voor geveinsdheid zou houden, mijn verbintenis aan Christus is zo groot, wegens de reuk van Zijn klederen, en wegens Zijn liefdekussen, deze dertig weken lang, dat ik zou verkiezen, en ik begeer het ook te verkiezen, mijn zaligheid uitgesteld te hebben, om vele tongen losgemaakt te krijgen, om Hem mijnentwege te prijzen; en neem aan, dat ik in persoon nooit binnen de poort van ‘t nieuwe Jeruzalem zou gaan, indien Christus nochtans mocht hoog gezet worden en ik de wijsheid had, om mijn liefde en lof voor eeuwig over de muur tot Christus op te werpen, ik zou stilzwijgen, en tevreden zijn. Maar och, Hij is meer dan mijn enge lof bereikt! O tijd, tijd, vlieg snel, opdat onze gemeenschap met Jezus volmaakt mocht worden. Ik wens, dat UEd. mocht aanbrengen Mr. L., dat hij zijn gevoelen gaf aangaande de plichtpleging; en gelief het mij te laten zien, zo ras als ‘t wezen kan, en het zal beantwoord worden. Aan zijn rijke genade beveel ik UEd. en zal blijven

      Uwe in alle eerbiedige gehoorzaamheid in Christus, Samuel Rutherford

       

    21. Aan mevrouw Culross
    22. Mevrouw!

      Uw brief kwam op de rechte tijd tot mij, zijnde nu een gevangene van Christus, en in de banden om het Evangelie. Ik heb mijn vonnis gekregen van afgezet te worden van mijn dienst, en bepaald te zijn binnen de stad van Aberdeen; maar och mijn schuldigheid, de dwaasheden mijner jeugd, ‘t verzuim in mijn beroep, en bijzonder in niet meer te spreken voor ‘t koninkrijk, de kroon en de scepter van mijn koninklijke en vorstelijke Koning Jezus, staat mij zó voor mijn ogen, dat ik toorn aanmerk, in ‘t geen een kroon van blijdschap is voor de dierbare heiligen van God. Dit ontstelde mij voor mijn verschijning, welke was op drie verschillende dagen, en het belast mij nu meer; evenwel Christus en in Hem God verzoend, ontmoette mij met open armen; en dat juist in de ingang van de deur van de zaal van de kanselier, en stonden bij mij, om zo te antwoorden, dat het voordeel dat er van kwam, niet voor hen maar voor Christus was. Helaas! Er is geen reden tot verwondering, dat ik aldus neergehouden word door beschuldigingen: want de wereld heeft mij kwalijk gevat, en niemand weet zo goed, wat schuld in mij is, als die twee (die nu mijn ogen wakende, en mijn hart bezwaard houden) ik versta, mijn hart en geweten, en mijn Heere, Die groter is dan mijn hart. Zeg uw broeder van mijnentwege, dat ik van hem verzoek, dat terwijl hij op de wachttoren is, hij met zijn moeder en met het land twist, en dat hij niet ophoudt van te roepen voor mijn zoete Heere Jezus Zijn schone kroon, die verboden heren van Zijn koninklijk hoofd afrukken. Indien ik vrij was van beschuldigingen, en van ‘t gewicht van hoge lasthebbers binnen mijn ziel, ik zou het niets zwaar achten, naar mijns Vaders huis te gaan door tien doden, voor de waarheid en zaak van mijn beminnelijke, beminnelijke Jezus: maar ik wandel nu in bezwaardheid; indien u mij en Christus in mij lief hebt, mijn lieve mevrouw, bid, bid hierom alleen, dat het gebeurde tussen mijn Heere en mij mag voorbij zijn, en dat Hij wil afgaan van de dagvaardingen van zijn Hoog Commissiehof; en zoek niets voor mij, dan hetgeen Hij voor mij wil doen, en in mij werken. Indien UEd. mij kende, gelijk ik mijzelf; u zoudt zeggen: arme ziel, het is geen wonder; het is niet mijn enkele vrees en mening, die mij dit kruis verwekt; het is al te waarachtig en dadelijk, en het heeft verschillende en zekere gronden. Maar ik wil niet geloven, dat God dit voordeel van mij nemen zal, als ik met mijn rug tegen de muur sta. Hij die verbiedt, verdrukking tot verdrukking toe te doen, zal Hij het Zelf doen? Waarom zou Hij een droog blad, een stoppel vervolgen? Bid Hem, dat Hij mij nu verschoont. Ook doet het droefheid tot mijn droefheid als ik de schone feestdagen gedenk, die Christus en ik in het wijnhuis hadden, alsmede de verstrooide kudde, die mij eens toebetrouwd was, en nu door Hemzelf uit mijn handen genomen is, omdat ik zo getrouw niet was in het eind, als ik was de twee eerste jaren van mijn dienst, wanneer de slaap van mijn ogen week, omdat mijn ziel zo opgenomen was met een zorg voor Christus’ lammeren. Nu heeft mijn Heere mij dit gegeven te zeggen, en ik schrijf het met mijn hand (weest u tot getuigen van de Heere Zijn knecht) welkom, welkom zoet, zoet kruis van kruis! Welkom schone, schone, beminnelijke koninklijke Koning met Uw Eigen kruis, laat ons alle drie samen naar de hemel gaan. En ik vraag er weinig naar, dat ik van ‘t zuiden van Schotland naar het noorden moet gaan, en Christus gevangene zijn onder vreemde aangezichten, in een plaats van dit koninkrijk, om welke lief te hebben ik geheel weinig reden heb. Ik weet, Christus zal Aberdeen maken tot mijn hof van vermaak. Ik ben ten volle verzekerd, dat Schotland zal opeten het boek van Ezechiël, dat van binnen en van buiten beschreven is met klaagliederen, en zuchting en wee. Ezech. 2:10, maar de heiligen zullen een dronk krijgen uit de beek, welke gaat door de straten van ‘t nieuw Jeruzalem, om het neer te zetten. Dus hopende dat u aan Christus’ arme gevangene zult denken, zo bid ik, genade, genade zij met u.

      UEd. in zijn zoete Heere Jezus, Samuel Rutherford

      Edinburgh, 30 juli 1636

       

    23. Aan Alexander Gordon, van Earlestoun
    24. Zeergeëerde Heer!

      Ik bevind kleine hoop van ‘t werk van G’s. Ik heb voor, na de dag van de raadszitting, naar Aberdeen te gaan. De Heere is met mij, en ik vraag er niet naar, wat een mens kan doen; ik ben niemand lastig, en mij ontbreekt niets; geen koning is beter voorzien dan ik ben; zoet, zoet en licht is mijn Heere Zijn kruis. Alle mensen, die ik in ‘t aangezicht zie, (‘t zij van wat rang zij ook zijn, edelen en armen, bekenden en vreemden) zijn mij vriendelijk. Mijn liefste is meer dan gemeen vriendelijk, en liefde uitlatende; en Hij komt mijn ziel bezoeken; mijn ketenen zijn met goud verguld. Alleen de gedachtenis aan mijn goede dagen met Christus te Anwoth, en aan mijn lieve gemeente (welker geval de droefheid van mijn hart is) is edik in mijn gesuikerde wijn; doch beide het zoete en het zure voeden mijn ziel. Geen pen, geen woorden, geen instrument kan u uitdrukken de beminnelijkheid van mijn enige, enige Heere Jezus. Aldus haastende, en gaande naar mijn paleis te Aberdeen, wens ik u en uw vrouw, en uw oudste zoon, en de andere kinderen een zegen. Genade, genade zij met u.

      De uwe in zijn enige, enige Heere Jezus, Samuel Rutherford

      Edinburgh, 5 september 1636

       

    25. Aan Robbert Gordon van Knockbrex
    26. Mijn zeer lieve broeder!

      Ik zie, Christus acht het Zijn schande, (indien ik zo mag spreken) te staan als in het schuldboek van zo’n arm mens, als ik ben. Mij ontbreekt niets; niemand heeft zuur op mij gezien, sinds ik u verlaten heb. Gods zon en schoon weer geleidt mij naar mijn tijdelijk paradijs te Aberdeen. Christus heeft dit ruwe hout van het kruis zo bekwaam naar mijn schouderen gepast, dat het mij geenszins beledigt; mijn schat is boven in Christus’ koffers; mijn troost is groter dan u geloven kunt; mijn pen zal stil liggen, wegens gebrek aan woorden, om die te beschrijven: God weet, dat ik vervuld ben met de blijdschap van de Heilige Geest; alleen de gedachtenis aan u, mijn zeer lieve in de Heere, en aan mijn gemeente en anderen, houdt mij ten onder, zodat ik mij niet bovenmate verhef; Christus’ zoete saus heeft dit zure daarbij vermengd; maar o wat een zoete en vermakelijke smaak! Ik vind weinig hoop aangaande Q.’s zaak. Dit is in haast, mijn groet aan uw vrouw. en aan Willem Gordon. Genade zij met u.

      De uwe in zijn enige Heere Jezus, Samuel Rutherford

      Edinburgh, 5 september 1636

       

    27. Aan mijnheer Lowdoun
    28. Hoogachtbare en mij zeer waarde Heer!

      Genade, barmhartigheid, en vrede zij u. Horende van uw edele ijver en kloekmoedigheid voor Christus onze Heere, in voor Zijn eerwaarde zaak te staan, zo neem ik de vrijmoedigheid (en ik verzoek dat u het mij ten goede houdt) om op papier enige weinige regelen aan u te schrijven (omdat ik geen andere toegang heb) UEd. biddende bij de ontfermingen Gods, en door de eeuwige vrede van uw ziel, en door de gebeden en tranen van onze moederkerk, dat u voortgaat, gelijk u waardig begonnen bent, in ‘t huis van de Heere in dit land te zuiveren, en in ‘t uitrukken van de staken van dat vuile nest van de antichrist, de snode bisschoppelijke regering, en dat zwarte koninkrijk, van welke de goddeloze oogmerken steeds geweest zijn, en nog zijn, deze vette wereld te maken tot het enige kompas waarnaar zij wilden, dat Christus en de godsdienst zal zeilen, en de mens van de zonde, hun Peter de paus van Rome, op te heffen tot op de hoogste trap van Christus troon, en een fluwelen kerk te maken (ten opzichte van de parlementaire grootheid, en wereldse statie, waar hun stinkende adem altijd naar ruikt) en Christus met Zijn waarheid te stellen in zak en as, en in gevangenis, en hun te doen eten het brood der verdrukking, en drinken het water van verdrukking. Een half oog, van elkeen, die niet door de donkerheid van de antichristelijke rook is beneveld, kan zien, dat het zo is in dit land. En nu is onze Heere begonnen de edelen en anderen op te wekken, om te pleiten voor de neergedrukte Christus, en voor Zijn wenend Evangelie. Mijn lieve en edele heer; Christus’ oog is op u; de ogen van vele edelen, vele heiligen, vele geleerde en waarde mannen in onze naburige kerken rondom, zijn op u. Deze arme kerk, uw moeder, en Christus’ bruid, houdt voor hen haar handen en hart op tot God voor u, en zij smeekt u met tranen, dat u zoudt pleiten voor haar man, voor Zijn koninklijke scepter, en voor de vrijheden, die haar Heere en Koning gegeven heeft aan haar, als aan een vrij koninkrijk, dat geen geestelijke tol aan iemand op aarde moet betalen, als zijnde een vrij geboren prins, en dochter van de Koning der koningen. Dit is een zaak, die niet schaamrood behoeft te worden voor God, voor Zijn engelen, voor de wereld, voor zon en maan. Wat is het een heerlijkheid en waarachtige eer, aan Christus uw hand en dienst te lenen, en te zijn onder de opmakers van de bressen van Zions muren, en de oude verwoeste plaatsen te helpen opbouwen, en de gordijnen uit te strekken, en de staken van Christus’ tabernakel in dit land te sterken! O gezegend zijn zij, die als Christus verdreven is, Hem weer terug willen brengen, en Hem nachtverblijf verlenen! En gezegend bent u van de Heere, uw naam en eer zal nooit rotten of verwelken (immers in de hemel) indien u de Heere Zijn schapen, die in de duistere en bewolkte dag verstrooid zijn geworden, verlost uit de handen van vreemde heren en huurlingen, die hen met gestrengheid en wreedheid hebben doen eten van de weiden, die zij met hun voeten neergetreden hebben, en modderig water hebben doen drinken, en die zo’n wereld van roeden-lengten van middelmatigheden in de godsdienst hebben gesponnen, om een web te maken en te weven voor de antichrist (dat niemand tegen de koude zal beschutten) gelijk zij niet anders behartigen, dan dat ze, door eerst tot ons in te brengen de vuile staart van de paus (hun snode en armelijke ceremonieën) daarna mochten inwerpen des antichrist zijn benen en dijen, en zijn buik, hoofd, schouders en dan Christus en het Evangelie als tot niets verlagen, en verhogen de koophandel en de waren van de grote hoer. Vrees niet, mijn waarde heer, uzelf en al wat u hebt, voor Christus en Zijn Evangelie te geven. niemand, die aldus voor Christus gewaagd heeft’ durft zeggen dat Christus hem niet iets honderdvoud volkomenlijk in dit leven, en in ‘t toekomende leven, het eeuwige leven vergolden heeft. Dit is Zijn Eigen waarheid, waar u nu voor pleit; want God en de mensen moeten u prijzen, dat u van een rechtvaardig Vorst recht eist voor de verdrukte Christus, en dat u er voor pleit, dat Christus, die de koning zijn Heere is, in een vrij hof gehoord mag worden, om voor Zichzelf te spreken, nademaal de bestaande en bevestigde wetten van onze natie sterk kunnen pleiten voor Christus’ kroon op de preekstoelen, en voor Zijn stoel, als Wetgever in de vrije regering van Zijn Eigen huis. Maar Christus zei nooit met dit land tevreden en behaagd zijn; ook zal Zijn hete grimmige toorn niet afgekeerd worden, zolang als de bisschop (de mens die in de vuile buik van de antichrist lag, en de antichrist zijn heer baljuw) in des Heeren Jezus’ hof zal zitten, als heer-verkiezer. De bisschop is tegelijk het ei en het nest, om de papisterij te ontvangen en voort te brengen; pleit derhalve van Christuswege om de omstoting van het nest, en de vertrapping van het ei; en last Christus’ koninklijk ambt niet meer smaad en belediging lijden; wees kloek voor uw koninklijke Koning Jezus, twist voor Hem; uw tegenpartijders zullen wormen zijn, die de mot verteren, en zij zullen als mensen sterven. Christus en Zijn eer ligt nu op uw schouders, laat Hem niet op de aarde vallen. Werp uw oog op Hem, Die haast staat te komen, om al de geschillen in Zion te slechten; en gedenk, dat het zand in uw nachtglas zal uitlopen; de tijd zal met vleugelen wegvliegen; de eeuwigheid nadert zeer tot u; en wat zullen u te die dag Christus’ liefdetoelachingen, en het licht van Zijn beminnelijk en zielvermakend aangezicht gewenst zijn, als God in Zijn rechterhand zal nemen dit kleine nachtverblijf van een hemel (gelijk een herder zijn kleine tent opneemt) en vouwen de twee bladeren van zijn tent samen, en stellen de aarde, en al haar meubelen en sieraad in een vuur, en verandert deze aarden afgod, de god van Adams kinderen, in rook en witte as! O welk een prijs, en hoeveel werelden zouden velen dan geven, om een gunstig besluit en vonnis te hebben van de Rechter! Of wat een geld zouden zij niet willen geven, om een berg te kopen, om een graf boven hun ziel en lichaam tegelijk te zijn, om zich voor het vreselijk gericht van een toornige Heere en Rechter te verbergen! Ik hoop, dat UEd. daaraan denkt, en dat u uw hart hebt, beiden, Christus en de koning getrouw te zijn. Nu, de God des vredes zelf, de alleenwijze God, bevestige en versterke u op de rotssteen, die gelegd is in Zion.

      UEd. alleszins gehoorzame in Christus, Samuel Rutherford.

      Aberdeen, 4 juni 1638

       

    29. Aan een godzalige vrouw N. N.
    30. Juffrouw!

      Genade, barmhartigheid, en vrede zij u. Hoewel ik geen kennis aan u heb, vond ik goed, op de begeerte van een christelijke broeder, enige regelen aan u te schrijven, u biddende in de Heere Jezus, dat u onder uw beproevingen een oor open houdt voor Christus, Dewelke voor Zichzelf kan spreken, hoewel uw bezoekingen en uw gevoelen harde dingen mochten dromen van Zijn liefde en gunst. Onze Heere krijgt nooit zo’n vriendelijk gezicht van ons, noch onze liefde in zo’n trap, noch ons geloof in zo’n maat van vastheid, als Hij wel krijgt uit de oven van onze verzoekende vrezen, en scherpe beproevingen. Ik geloof waarlijk (en niet minder zeggen de droeve ondervindingen in mij) dat indien onze Heere onze hoerachtige begeerlijkheid wilde tot stof vergruizen, zelfs de oude as van onze verdorvenheid weer zou levendig worden, en leven, en houden ons onder zoveel dienstbaarheid, dat ze ons zou vernederen en bedroeven, totdat wij in dat land zijn, daar wij geen medicijnen meer nodig zullen hebben. O wat gebruikt onze Heere geweldige middelen, om ons voor Hem te winnen, alsof wij een rechtvaardige prijs waren, waarom Hij strijden zou? Gewis; indien het met een leiding te doen was, Hij zou niet gebruiken het trekken, en het trekken bij het haar. Maar de beste van ons zal een sterke ruk van onze Heere Zijn rechterarm uitstaan, eer wij Hem volgen. Doch dit zeg ik niet, alsof onze Heere altijd de verdrukkingen toewoog, met zoveel van gewicht, als passen op de greinen gewicht van onze schuld. Ik weet, Hij zoekt in velen (en misschien ook in u) niet zozeer dan geloof, hetwelk zomer en winter kan doorstaan in haar uiterste. O hoe dierbaar is voor de Heere dat geloof en die liefde, die nadat men door God Zelf is geslagen, en verdaagd, en voor ‘t hoofd gestoten, nochtans warm is, en voortkomt als liefde vriendelijk, en levendig uitgaande naar Christus, en willende in Hem zijn, ‘t gaat kwalijk of goed, zoals het mag. Acht het niet te veel, dat uw man, of die u het liefst is in de wereld, bewijs geeft, dat hij heeft ingewanden en ontferming als de struisen, dat hij is hard, streng, en wreed; want de Heere neemt zulke gevallenen als deze aan. Ps. 27:10. Ik zou geen zoeter leven, noch meer voldoende uitdrukkingen van vriendelijkheid kunnen wensen, totdat ik boven zal zijn bij die vorst van vriendelijkheid, die de Heere Zijn heiligen ondervinden, wanneer de Heere neemt degene, die de mensen verwerpen, als Hij woning geeft degene, die deze wereld het land uitzuigt, daar niemand naar vraagt. Zijn adem is nooit zo heet, en Zijn liefde geeft nooit zo’n vlam van zich, als wanneer deze wereld, en degenen die onze blijdschap moesten bevorderen, water op onze kool werpen; het is zoet te zien, hoe zij uitwerpen, en God inneemt, hoe zij ons als een uitvaagsel van de mensen wegstoten, en God ons opneemt als Zijn juwelen en schat. Menigmaal maakt Hij goud van schuim, gelijk Hij eens de weggeworpen steen, de steen van de bouwlieden verworpen, maakte tot de hoeksteen. De oversten van deze wereld wilden niet hebben, dat onze Heere Jezus een spijker in de muur zou zijn, of enige plaats in ‘t gebouw hebben; doch de Heere maakte Hem de voorname steen van macht en plaats. God zij dank, dat deze wereld de macht niet heeft, om ons zoveel ponden lager te zetten, gelijk de regenten ‘t lichte goud of zilver afzetten, en lager brengen. Wij zullen zoveel gelden, als onze Muntmeester Christus (wiens munt, wapenen, en afdruksel wij dragen,) zal willen, dat wij gelden; Christus heeft geen zeilende weegschaal. Dank uw Heere, Die uw liefde najaagt door twee koninkrijken heen, en u en uw liefde volgt tot over zee, om u voor Hem Zelf te hebben, gelijk Hij spreekt, Hos. 3. want God legt Zijn heiligen, als de uitverkorenen, uit al de wereld uitgelezen, voor Hem Zelf op, en dit is recht passend Christus en Zijn liefde. O wat is er binnen of buiten de hemel te vergelijken bij de reuk van Christus klederen! ja, neem aan, dat onze Heere Zijn kunst wilde tonen, en maakte tienduizenden hemelen van goede en heerlijke dingen, en van nieuwe vreugden, verzonnen uit de diepte van oneindige wijsheid, zo kon Hij toch niet dergelijke maken als Christus is; want Christus is God, en God kan niet gemaakt worden; en daarom laat ons onszelf bij Christus houden, al mochten wij onze keuze en wil hebben van een heirleger van liefhebbers, zo velen als in de hemelen konden bevat worden. O dat Hij en wij samen waren! O wanneer Christus en u elkaar zult ontmoeten omtrent de uiterste palen en uitgang van de tijd, en bij de ingang in de eeuwigheid, dan zult u op ‘t eerste gezicht de hemel zien in Zijn aangezicht, en de zaligheid en heerlijkheid zittende in Zijn troon, en tussen Zijn ogen. Bezwijk niet, de mijlen naar de hemel zijn maar weinig en kort; Hij is bezig een groen bed van liefde te maken voor Zichzelf en u, gelijk de uitdrukking is Hoogl. 1. Daar liggen vele hoofden in Christus schoot; maar daar is plaats genoeg over voor het uwe, onder de anderen. Ga dan voort, en laat de hoop gaan voor heen: zondig niet in uw beproevingen, en de overwinning zal uwe zijn; bid. worstel, en geloof, en u zult overwinnen, en bij God overmogen, gelijk Jakob deed; geen strootjes, geen stukjes leem, geen verzoekingen, die niet langer dan een uur leven, zullen dan bekwaam zijn om u te weerstaan, als u eens bij God overmocht hebt. Help mij met uw gebeden, dat het de Heere gelieven mocht, mij weer plaats te geven in Zijn huis, om van Zijn gerechtigheid te spreken in de grote vergadering, indien het goed mocht schijnen in Zijn ogen. Genade, genade zij met u.

      Uwe in zijn zoete Heere Jezus, Samuel Rutherford

      Aberdeen, 8 juli 1637

       

    31. Aan de Gravinne van Kenmure
    32. Mevrouw!

      Na aanbieding van alle schuldige gehoorzaamheid, weet, dat ik gehoord heb met droefheid, van uw HoogEd zwakheid en ziekten; doch ik vertrouw dat u geleerd hebt te zeggen; het is de Heere, Hij doe wat goed is in Zijn ogen. ‘t Is nu veel jaren, sinds de afvallige engelen een geschil maakten, of hun wil, dan of de wil van hun Schepper zou gedaan worden. En sinds die tijd heeft het verkeerde menselijk geslacht altijd in datzelfde proces verschenen, om te pleiten met die engelen tegen God, en dat in een dagelijks murmureren tegen Zijn wil; maar de Heere, zijnde tegelijk Partij en Richter, heeft een besluit verkregen; en Hij zegt, Jes. 46:10, Mijn raad zal bestaan, en Ik zal al Mijn welbehagen doen. Het is dan voor ons best, in gehoorzaamheid van het geloof, en in een heilige onderwerping, datgene aan God te geven, ‘t geen de wet van Zijn almachtig en rechtvaardig vermogen van ons hebben wil. Daarom Mevrouw, wil uw Heere, dat u in alle staten van het leven zult zeggen: Uw wil geschiede gelijk in de hemel, alzo ook op van de aarde, en hierin zult u troost hebben, dat Hij, Die volmaakt alle uw kwaden doorziet, en weet het geweten en gestalte van uw natuur, en wat gezond is voor uw ziel, iedere beker van verdrukking met Zijn Eigen genadige hand aan uw mond houdt. Geloof nooit, dat uw teerhartige Zaligmaker, Die de kracht van uw maag kent, in die beker een hoeveelheid vergif zal mengen; drink dan met de lijdzaamheid van de heiligen, en de God van de lijdzaamheid zegene uw medicijn. Ik heb uw HoogEd. horen klagen van dodigheid, en gebrek aan de verwakkerende kracht van ‘t leven Gods; maar weest wel gemoed; Hij, Die in de hof wandelde, en een geruis maakte, dat Adam zijn stem deed horen, zal ook soms in uw ziel wandelen, en u een zoeter woord doen horen. Nochtans zult u niet altijd het geruis en gedreun van Zijn voeten horen, als Hij wandelt; u bent in zo’n tijd gelijk Jakob, treurende over de gewaande dood van Jozef, wanneer hij nog leefde. Het nieuwe schepsel, het beeld van de tweede Adam leeft nog in u, en evenwel treurt u over de algemene dood van Christus’ leven in u. Efraïm beklaagt zich, en treurt, Jer. 31:18, wanneer hij meent, dat God ver af is, en niet hoort, en nochtans is God gelijk de Bruidegom, Hoogl. 2, staande alleen achter een dunne muur, en Hij luistert toe, want Hij zegt Zelf, vers 18, Ik heb wel gehoord, dat zich Efraïm beklaagt. Mevrouw, ik heb goed vertrouwen, dat Christus Jezus, Die uw ziel zoekt in bossen en op bergen, in u is. Doch ik spreek dit niet, om maar een kussen onder uw hoofd te leggen, of om u af te raden van een heilige vrees, van uw Christus te verliezen, of van door zonde Hem te tergen, en op te wekken, eer ‘t Hem lust. Ik weet wel, de duivel zal in ‘t geestelijk vertrouwen, gelijk in alle andere goede werken, in komen, en roepen halfmijn, en zo trachten u te brengen onder een geestelijke slaap, totdat Hij, Die uw ziel lief heeft, weggedaan is van de deur, en afgelaten heeft van te kloppen; en daarom moet hier de Geest Gods uw voeten houden op de gouden middellinie, tussen het vertrouwend rusten in Christus’ armen, en verwaande vadsige slapen in het bed van vleselijk zorgeloosheid. Daarom, waarde vrouw, acht uzelf zo klein wegens uw onwaardigheid en zondige vadsigheid, dat ge ook God niet klein acht in de koers van Zijn onveranderlijke barmhartigheid; want vele christenen zijn gelijk jonge zeilers, die menen, dat de oever, en het gehele land zich beweegt, wanneer het schip en zij zelf bewogen worden; evenzo beelden zich niet weinigen in, dat God bewogen wordt, en mist, en van plaatsen verandert, omdat hun onvaste zielen onder zeil zijn, en aan verandering onderworpen, hebbende een eb en vloed; maar ‘t fundament Gods staat vast. God weet, dat u Zijn Eigen bent; worstel, vecht, ga voort, waak, vrees, geloof, en bid, en dan hebt u al de onfeilbare merktekenen binnen u, van een van Christus uitverkorenen. Mevrouw, u hebt nu een ziekte voor uw ogen, en daarna ook een dood; verzamel dan voedsel voor de reis; God geve u ogen om door de ziekte en dood heen te zien, en iets te zien aan de andere zijde van de dood. Ik twijfel niet, indien de hel tussen u en Christus was als een rivier, die u moest overvaren, eer u tot Hem kon komen, of u zoudt er uw voet gewillig opzetten, en er doorheen gaan, om bij Hem te zijn, op hoop, dat Hij Zelf in ‘t diepst van de rivier zou komen, en u Zijn hand lenen. Nu ik geloof, dat uw hel is opgedroogd, en u hebt alleen deze twee kleine beekjes over te passeren, namelijk, krankheid en dood; en u hebt ook een belofte, dat Christus meer zal doen, dan u ontmoeten, te weten, dat Hij Zelf zal komen, en gaan met u voet voor voet, ja en dragen u in Zijn armen. O wat is het dan een vreugde. die u voorgesteld is! Wegens de liefde van de man, die ook God is bovenal te prijzen tot in eeuwigheid, die op de oever staat, om u te verwelkomen. Loop dan uw loopbaan met lijdzaamheid, de Heere gaat met u; uw Heere wil niet hebben, dat u of iemand van Zijn dienaars verwisselt met een betere staat. De dood bevat in zich beide de dood van de ziel en van het lichaam, maar voor Gods kinderen zijn de palen van de dood ingekort en tot meerder engte gebracht; zodat wanneer u sterft, alleen een deel van de dood op u zal vallen, of ‘t minste deel van u zal vallen, en dat is de ontbinding van het lichaam; want in Christus bent u verlost van de tweede dood; en daarom gelijk een die uit God geboren is, niet zondigt, hoewel u niet kunt leven en niet zondigen, zo zal die slang maar eten uw aardse deel; wat uw ziel belangt, die is boven de wet van de dood. Maar ‘t is vreselijk en gevaarlijk, een schuldenaar en dienstknecht aan de zonde te zijn; want u zult de rekening van de zonde voor God niet goed kunnen maken, tenzij Christus voor uw rekenen betaalt. Ik vertrouw, mevrouw, dat u zorgvuldig zult zijn, om de tegenwoordige staat van deze vervallen Kerk aan de Heere voor te dragen. De Heere weet, wat er aangaande de Kerk zal besloten worden in ‘t parlement; ik ben verzekerd, dat het besluit van een zeer vreselijk parlement in de hemel, op ‘t punt staat, van uit te komen wegens de zonden van ‘t land. Want wij hebben de wet des Heeren verworpen, en de rede des Heilige Israëls versmaad, Jes. 5:24, het recht is ver van ons, en de gerechtigheid achterhaalt ons niet, de waarheid struikelt op de straten, en wat recht is, kan er niet ingaan, Jes. 59:9,14. Merk op, de profeet, alsof hij ons en onze kerk gezien had, vergelijkt de gerechtigheid als wordende behandeld als een vijand, die buiten de poorten van onze stad gehouden wordt; zo is zij verbannen; en de waarheid vergelijkt hij bij een ziekelijk mens, die op de straat in zwijm gevallen is, eer hij tot een huis kan komen. De priesters hebben er veel doen struikelen in de wet; zij hebben ‘t verbond van Levi verdorven, Mal. 2:8, maar wat zult u in het einde van die maken, staat er Jer. 5:31. Geef dan de Heere geen rust vanwege Zion. Wek uw man, uw broeder, en allen op, waar u gunst en vertrouwen bij vindt, opdat ze aan Gods zijde tegen Baäl mochten staan. Ik heb goede hoop, dat uw man de vrede en voorspoed van Zion liefheeft; de vrede Gods zij over hem, wegens zijn pogingen, om een krachtige predikdienst in dit land vast te stellen. Aldus uw Hoogedelheid niet verder moe willende maken, beveel ik u nu en altijd aan de genade en barmhartigheid van die God, die machtig is, u te bewaren, opdat u niet valt. De Heere Jezus zij met uw Geest.

      Uw HoogEd. zeer gehoorzame dienaar in Christus, Samuel Rutherford

      Anwoth, 27 juli 1628

       

    33. Aan de gemeente van Kilmacolme
    34. Waarde geliefden in Christus Jezus onze Heere!

      Genade, barmhartigheid en vrede zij u. Uw brieven kunnen niet tot mijn hand komen, in een grote drang van bezigheden, dan waar ik nu mee geperst ben; nochtans kan ik niet nalaten op de hoofdzaken van beide uw brieven te antwoorden, op voorwaarde, dat ge na deze een bekwamer tijd om te schrijven verkiest. Vooreerst, ik wilde niet, dat u op mij zoudt vallen als zijnde de man, die bekwaam is, om door brieven te beantwoorden twijfelingen van deze slag, terwijl er in uw kwartieren mannen zijn van zulke grote gaven, die zeer bekwaam zijn tot dit werk. Ik weet, de beste zijn bekwaam; doch het behaagt die Geest van Jezus, Zijn zoete wind te doen waaien door een stuk droog hout, opdat het ledige riet geen eer voor zich behoudt; maar een predikant kan zo’n wind niet doen waaien; hij is nauwelijks bekwaam, om er een doortocht aan te verlenen, om door hem heen te waaien. Ten tweede, weet dat de wind van deze geest een tijd heeft, wanneer zij scherp waait, en zo sterk doorgaat, dat ze wel door een ijzeren deur zou waaien; en dit is gewoonlijk meer onder ‘t lijden voor Christus, dan op enige andere tijd. Zieke kinderen krijgen van Christus vermakelijke dingen, om er mee te spelen, omdat Hij zeer teer is over een, die lijdt; want Hij was Zelf een Lijder. Och, dat ik maar had het overschot, en van het achterste einde van de tafel van een die lijdt! Maar ik laat dit daar, om te komen tot beantwoording van uw brief.

      Vooreerst, u schrijft, dat Gods geloften op u liggen, en dat de zorgeloosheid sterk is, en zeer natuurlijk, zoekende u te overvallen, daar u zwak bent. Ik antwoord: 1. De besten zullen zware hoofden hebben, totdat wij in de hemel zijn, gelijk blijkt uit Hoogl. 5:2; Ps. 30:7; Job 29:18; Matth. 26:33. De natuur is lui, en houdt niet van arbeidzaamheid in de belijdenis; daarom moesten wij geen rust nemen, voordat wij weten, dat de ziekte over is, en dat ze in het keren is, en dat ze is gelijk een koorts na de koude; en men diende de gerustheid en kalmte van ‘t geloof, op de overwinning over de verdorvenheid, te onderhouden in plaats van zorgeloosheid; zodat indien ik slaap, ik zou wensen te slapen de slaap des geloofs in Christus’ schoot. 2. Weet ook, dat niemand die diep slaapt, ernstig kan klagen van slaperigheid. Droefheid wegens een slaperige ziel is een teken van enig waken van de geest; maar dit keert ras in dartelheid, gelijk de genade in ons te dikwijls misbruikt wordt, daarom moet over ons waken gewaakt worden, anderszins zal zelfs de slaap komen uit ons waken; en ‘t is alzo nodig te waken over de genade, als te waken over zonde; verzadigde lieden zullen ras slapen, en rasser dan hongerige. 3. Aangaande uw zwakheid, om de zorgeloosheid te voorkomen, die als een dief u heimelijk overvalt, wilde ik twee dingen zeggen. 1. Geen klachten te hebben over zwakheid, dat is alleen voor de hemel, en voor de engelen, die nooit zondigden, maar niet voor Christenen in Christus’ leger op aarde. Ik oordeel, dat onze zwakheid ons maakt de kerk van de Verloste, en ‘t veld van Christus, waarin de Middelaar zou arbeiden. Indien er geen ziekten op aarde waren, zo waren er geen medicijnmeesters op aarde nodig; indien Christus geen zwakheid had willen hebben, zo moest Hij Zijn Eigen beroep te niet gedaan hebben; maar de zwakheid is de Middelaar Zijn wereld; de zonde is Christus enige, enige markt; niemand behoort zich te verblijden over zwakheid en ziekten; maar ik oordeel dat wij een soort van vrolijkheid mogen hebben over zweren en zeren, omdat zonder die Christus’ vingeren als van een geslacht heer, nooit onze huid zouden geraakt hebben; ik durf mijzelf niet danken; maar ik durf danken Gods diepte van wijze voorzienigheid, dat ik, terwijl ik leef, een reden heb, waarom Christus zou komen, en mij bezoeken, en Zijn kruiden en balsem met Zich brengen. O, hoe zoet is het voor een zondaar, zijn zwakheid te stellen in Christus’ versterkende hand, en een zieke ziel aan zo’n Medicijnmeester op te dragen, en de zwakheid voor zijn ogen te leggen, te wenen achter Hem, en te pleiten, en te bidden? Zwakheid kan spreken en roepen, als wij geen tong hebben, Ezech. 16:6: Als Ik bij u voorbijging, zo zag Ik u, liggende in uw bloed; en Ik zeide tot u in uw bloed: Leef! De kerk kon toen niet één woord tot Christus spreken; maar bloed en zeer hooggaande schuld spraken, en haalden van Christus’ ontferming, en een woord van leven en liefde. 2. Wij hebben zwakheid, doch het is, opdat wij daartegen Christus’ sterkte mochten gebruiken; zwakheid dient, om ons iets te maken wat zeer sterk is, dat is, wanneer wij, geen kracht van onszelf hebbende, op Christus’ schouderen gevoerd worden, en als het ware wandelen op Zijn benen; indien onze zondige zwakheid opzwelt tot aan de wolken, zo zal Christus’ sterkte opzwellen tot de zon, en ver boven de hemel der hemelen.

      Ten andere. U zegt mij, dat er raad nodig is, tot versterking van nieuwe beginners; ik kan daartoe maar weinig zeggen, die zelfs nog niet te wel begonnen ben. Maar weet, dat oprechte beginselen van Hem, de beminnelijke Jezus, gekweekt worden, als die nog nooit een arme mens zijn duistere kaars uitgeblust heeft, van een die worstelt tussen licht en duisternis; gewis, indien nieuwe beginners zich Christus wilden opdringen, en hun zielen op Hem werpen, en Hem moeilijk vallen om een dronk van Zijn zoete liefde te hebben, zij zouden niet verkeerd tot Hem komen: komt eens tot Hem in, als Zijn beminnelijke liefde tot u nadert, en u zult niet weer van Hem los raken, doet wat u kunt. Indien enige beginners weer van Christus afvallen, en Hem komen te missen, zo hebben zij zich nooit op Christus als Christus geworpen; ‘t was maar een afgod, die naar Christus geleek, die zij voor Hem Zelf namen.

      Ten derde. Gij klaagt van een dode predikdienst in uw kwartieren; doch u moet gedenken, dat de Bijbel onder ulieden de verbintenis van het huwelijk is; en dat de wijze, waarop Christus Zijn liefde tot uw hart afvoert, niet zo volstrekt afhangt van een levendige bediening, dat er geen bekering noch geestelijk leven zou zijn, dan hetwelk gebonden is aan ‘t spreken van een leraar; menigmaal hebben de dochteren Jeruzalems dat gedaan, ‘t geen de wachters niet konden doen. Maak Christus uw predikant; Hij kan een ziel vrijen, ergens aan een dijk, in het veld; Hij heeft ons niet nodig, hoewel de schapen verbonden zijn, Hem te zoeken in de tenten van de herders. De honger die Christus veroorzaakt, kan wel voldaan worden, zelfs onder uitdelers van het Woords, die niet behartigen het voeden van de kudde. O gezegende ziel, die over een mens heen kan springen, en opzien, over een preekstoel heen naar Christus, Die aan ‘t hart kan preken, al waren wij allen dood en verrot.

      Ten vierde. Zo van uzelf te klagen, dat ge meteen God rechtvaardigt, en mits dat u Zijn Geest in u rechtvaardigt, dat is recht: want zelden pleiten de mensen tegen het werk van de Satan, en tegen de zonden in zichzelf, of zij pleiten ook tegen Gods werk in zich; sommigen van Gods kinderen lasteren Gods genade in hun zielen, gelijk sommige gierige mensen plegen te doen, die klagen en murmureren over gebrek; ik heb niets zeggen zij, ‘t is alles weg, de aarde brengt niets voort, dan onkruid en distelen; terwijl hun vette oogst, en hun geld in de bank opgelegd, hen tot leugenaars maakt; maar helaas, wat mij aangaat, ik meen niet, dat het mijn zonde is: ik heb nauwelijks verstand, om deze zonde te begaan; maar ik raad u, dat u het goede van Christus spreekt, wegens Zijn schoonheid en zoetheid, en spreekt wel van Hem, wegens Zijn genade in u.

      Ten vijfde. Gij zegt, het licht blijft wel, maar u kunt niet komen tot zo’n arbeidzame gestalte; wel, ziet, of deze klacht niet opgetekend staat in het Nieuwe Testament, de woorden Rom. 7:18 gelijken er naar, het willen is wel bij mij, maar het goede te doen, dat vind ik niet; maar elk heeft Paulus’ geest niet in het klagen: want menigmaal is het klagen in ons niet anders, dan een ootmoedig kwaadspreken en achterklappen van Christus’ nieuwe werk in de ziel; maar wat aangaat de stof tot de klacht, zal ik dit zeggen; het licht van de heerlijkheid wordt volkomen gehoorzaamd, in te beminnen, te prijzen, vrolijk te zijn, en te berusten in een geziene en gekende Heere: maar dat licht is hier niet op aarde in enig lemen lichaam: want terwijl wij hier zijn, is het licht merendeels breder en langer, dan onze enge en gebrekkige gehoorzaamheid; maar indien er licht is met een schone trein en groot gevolg, ik versta, een menigte van beschuldigende gedachten, en droefenis, wegens dat wij veel tekort komen, in de verrichting van ‘t geen wij weten en zien, dat gedaan moest worden, dan wordt de droefheid over het niet doen aangenomen van onze Heere, voor ‘t doen. Onze oprechte droefheid en eenvoudige beogingen, tegelijk met Christus’ voorbidding, die pleit om de verwelkoming van hetgeen wij hebben, en om de vergeving van ‘t geen wij niet hebben, moeten ons leven zijn, totdat wij aan de overzijde zijn, en in het andere land; alwaar de wet een volmaakte ziel zal krijgen.

      Ten zesde. Er is, schrijft u, in Christus’ afwezen een willigheid om de middelen te gebruiken, maar na ‘t gebruik ervan is er een bezwaardheid vanwege een sleurachtige en slappe betrachting. Ik beken, in Christus’ afwezen ligt het werk zeer achter: maar indien u ‘t verstaat van het afwezen van troost, en van ‘t afwezen van gevoelen van Zijn zoete tegenwoordigheid; zo oordeel ik, dat het afwezen Christus’ beproeven van ons, en niet enkel onze zonden tegen Hem. Daarom hoewel alsdan onze gehoorzaamheid niet gesuikerd en verzoet is met blijdschap, dat is de zoete spijs, die kinderen altijd graag hebben willen, nochtans hoe minder gevoelen en meer gewilligheid er is in het gehoorzamen, hoe minder sleurwerk er is in onze gehoorzaamheid, hoewel wij het zo niet menen; want ik geloof, dat velen hun gehoorzaamheid sleurwerk achten en zonder leven, tenzij de wind uit het westen waait, en de zeilen met blijdschap en gevoelen gevuld zijn, totdat hun zielen gelijk schepen schoon voor de wind, met meerder zeil kunnen maken; maar ik ben van hun gevoelen niet. Maar indien u door het afwezen van Christus verstaat de onttrekking van Zijn werkzame genade, dan zie ik niet, hoe de gewilligheid om middelen te gebruiken enigszins onder zo’n afwezen kan zijn. Verneder u dan wegens uw slapheid in de gehoorzaamheid, en wees dankbaar voor de gewilligheid. Want de Bruidegom is menigmaal bezig met Zijn Bruid op te sieren, terwijl zij half slaapt; en uw Heere werkt en helpt meer, dan u wel ziet. Ook beveel ik u aan, bedroefd te zijn wegens sleurdienst. en levenloze dodigheid in ‘t gehoorzamen: wees zo neerslachtig als u wilt of kunt wegens dodigheid, en beschuldig u wegens dat lome en vadsige lichaam van de zonde, hetwelk u in uw geestelijke gehoorzaamheid noch leiden noch voortdrijven zal. O hoe zoet zijn voor de beminnelijke Jezus beschuldigingen en bezwaringen ingebracht tegen de verdorvenheid en het lichaam der zonde! Ik wilde wel, dat men Christus in zo’n geval met ons roepen, om zo te spreken, vermoeide en doof maakte: gelijk u ziet, dat de apostel doet, Rom. 7:24: Och, ik ellendig mens! wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods? Tegenwerpingen tegen de wet van de zonde in u, zijn wettige gronden, waarom de zonde geen wet tegen u kan hebben; zoek uw tegenwerpingen geoordeeld en gevonnist te krijgen en dan zult u Christus in deze aan uw zijde vinden.

      Ten zevende. Gij houdt het er voor, dat Christus of hartelijker dienst, of helemaal geen dienst moet hebben. Indien u verstaat, dat Hij geen half hart of geveinsde dienst moet hebben; gelijk Hem de huichelaars geven, ik sta u dat toe. Christus moet oprechtheid hebben of helemaal niets. Maar indien u meent, dat Hij geheel geen dienst wil hebben, waar het hart enigermate van zich aftrekt, zo wilde ik niet, om mijn deel aan de hemel, en om al wat ik in de wereld heb, dat dit waar was. Indien u meent naar de hemel te wandelen zonder een kramp of verstuiking in uw been, zo vrees ik, dat u alleen moet gaan. Hij kent recht, wat schuim en gebrek bij ons is; en de zoete Jezus ontfermt Zich over ons, wanneer zwakheid en dodigheid in onze gehoorzaamheid niet onze lust, maar ons kruis is.

      Ten achtste. De leugenaar, schrijft u, beschuldigt het werk als sleurwerk, doch u dankt uw Borg voor het grondwerk, dat Hij gelegd heeft, en u durft niet zeggen, of u hebt enigermate verzekerdheid van uw genadestaat. Hierop zeg ik 1. Het zal geen fout zijn, dat u de satan de arbeid spaart, en uzelf beschuldigt, of immers uzelf onderzoekt en tucht over u doet: maar wacht u van Satans oogmerken in het beschuldigen: want hij heeft voor, Christus en u tegen elkaar te zetten. 2. Verwelkomt Christus bij u door geloof, die ons steeds wast, als wij onze zielen verontreinigd, en walgelijk gemaakt hebben; en zoekt u gedurig het bloed van de verzoening voor kleine of grote fouten; kent de poort naar de fontein, en ligt daar bij neer. 3. Houdt veel van verzekerdheid: want dat houdt uw anker vast.

      Ten negende. Uitbrekingen in zonden, zegt u, ontmoedigen u, zodat u niet weet, of u ooit weer tot zulke overstromende vertroostingen van de Geest zult geraken in dit leven, als u wel tevoren gehad hebt; en daarom kan het een vraag zijn, of Gods kinderen na verzekerdheid en doding van de zonde, kunnen gewoonlijk gevoed worden met gevoelen en blijdschap? Ik antwoordde, ik zie geen onvoeglijkheid in te denken, dat het genoeg is in een wedloop, dat men het goud ziet, op de plaats waar men de loop begint, al krijgen de lopers daar nooit een gezicht van, voordat ze tot het einde van de loopbaan komen; en dat het onze wijze Heere bekwaam dankt, dat wij niet altijd Christus’ appelen zouden in handen hebben, en daarmee spelen. Ik weet, dat onze Beminde met Zijn bruid zo ver zal spelen, als Hij oordeelt, dat kaar zal lokken naar het einde van de loopbaan. Nochtans oordeel ik het niet ongeoorloofd, vernieuwde vertroostingen te zoeken, mits 1. Dat het hart onderworpen en tevreden is, de maat en de tijd ervan aan Hem te laten. 2. Mits dat ze gezocht worden, om Hem te prijzen, en onze verzekerdheid te versterken, en onze begeerten naar Hem op te scherpen. 3. Laat ze gezocht worden, niet voor onze zinnelijkheid en opblazing van de natuur, maar als het onderpand van de hemel, en ik oordeel, dat velen grote vertroostingen krijgen na de doding van de zonden, dan zij ooit tevoren hadden. Maar ik weet, dat onze Heere hier gedurig te werk gaat in een oppermachtige breedte, en Hij houdt omtrent al Zijn kinderen niet dezelfde weg tot een haarbreed, zonder eens anders te doen.

      Wat aangaat Gods kinderen, die bij u zijn, ik ben de bekwame man niet, om tot hen te spreken; ik verblijd mij zeer, dat Christus onder ulieden zielen tot Zich overhaalt; maar ik weet, dat in de bekering al de winst is in het eerste kopen, gelijk wij plegen te zeggen, want velen leggen valse en bastaardgronden, en zij nemen de bekering voor hun voeten op, en zij krijgen Christus zo goed als half voor niet, en zij hadden nooit een zieke nacht wegens de zonde, en dat maakt los werk. Ik bid u, spit diep; Christus paleiswerk, en Zijn nieuw gebouw, gelegd op een gevoelde en gevreesde hel, is alleen vast; en de hemel op zo’n hel gegrond, is zekerst werk, en zij zal met winterstormen niet wegspoelen. Het zou goed zijn, dat de belijders niet waren gelijk jonge erfgenamen, die tot hun rijke staat komen, lang voor dat ze terdege tot hun verstand komen; van welke men dikwijls ziet, dat de kroeg, de kaarten, en de hoeren de vastigheid van hun staten hen ontstelen, eer zij eens merken, wat zij doen; ik weet, dat een Christus, Die met slagen gekocht is, het zoetst is. 2. Ik beveel ulieden, dat u in bijzondere samenkomsten van ‘t goede samen spreekt en bidt met elkaar; tot een grond waarvan ziet Jes. 2:3; Jer. 50:4,5. Hos. 1:12; Ezech. 8:20-23; Mal. 3:16; Luk. 24:13-17; Joh. 20:10; Hand. 12:12; Kol. 3:16. Kol. 4:6; Ef. 4:29; 1 Petr. 4:10; 1 Thess. 5:14; Hebr. 3:13; Hebr. 10:25. Vele kolen maken een goed vuur, en dat is een deel van de gemeenschap der heiligen. Ik moet u en uw christelijke vrienden in die gemeente hartelijk verzoeken, dat u mij bij God gedenkt in uw gebeden, en ook aan mijn gemeente en predikdienst, en aan mijn verplanting en herstelling van deze plaats, die ik vrees dat wezen zal op de tijd van deze vergadering, die gehouden zal worden, en weest bij God ernstig aanhoudende voor uw moederkerk; wegens gebrek aan tijd heb ik ulieden allen in één brief gesteld; de rijke genade van onze Heere Jezus Christus zij met u allen.

      De uwe in zijn zoete Heere Jezus, Samuel Rutherford

      Anwoth, 5 jan. 1628

       

    35. Aan een Godzalige vrouw N. N.
    36. Juffrouw!

      Mijn hartelijke gebiedenis aan u in Christus. Ik was recht droevig in mijn afscheid van u, inzonderheid omdat u zo bezwaard van gemoed was na de dood van uw dochter; doch ik verzeker mij, dat u weet, dat het zwaarste van Christus’ kruis, dat u opgelegd is, op uw sterke Zaligmaker ligt! Want Jesaja zegt, Jes. 63:9: In al uw benauwdheden is Hij benauwd. O gezegende Helper en Hulp, Die met u lijdt! En uw ziel mag wel vrolijk zijn, als u zelfs in de vurige oven mocht wandelen, met Één, de Zoon des mensen gelijk, die tegelijk is de Zoon Gods; wees sterk, hef uw hart op, als u afgesloofd bent, zal Hij beiden u en uw last dragen. Ps. 55:23. Nog maar een weinig tijd, en u zult de zaligheid Gods zien. Gedenk, zo oud als uw dochter was, zolang was uw brief, van haar te genieten; indien zij, dat ik niet weet, 18, 19 of 20 jaren oud was, gewis haar eind was gekomen, en uw leenbrief van haar was ten einde; u kunt niet meer met recht twisten met uw Opperheer, wegens ‘t wegnemen van ‘t Zijne op Zijn recht bepaalde dag, dan een arme pachter van het land kan klagen, dat zijn heer een stuk van zijn eigen land tot zichzelf neemt, wanneer zijn pachtbrief uit is. Goede juffrouw, indien u niet tevreden zoudt zijn, dat Christus u uit de hemelse erfenis zou houden, die u gemaakt is door Zijn dood; zal niet diezelfde Christus het kwalijk van u nemen, indien u Hem weigert, uw dochter gewillig te geven, die een deel van Zijn erfenis en overwinning is? Ik bid God, dat Hij u al het uwe geeft, en dat Hij u de genade geeft met lijdzaamheid, opdat u ook God het Zijne geeft; Hij is een kwade Betaler, die ‘t geen Hij geleend heeft, met misnoegdheid betaalt; gewis dat lang lenen van zo’n goede dochter, een erfgenaam van de genade, een lid van Christus, gelijk ik geloof, verdient meer dankzegging aan uw Schuldheer, dan dat u zuur zoudt zien, en murmureren, als Hij maar het Zijne eist. Ik geloof, u zoudt ze recht ondankbare naburen oordelen, die u een som geld op deze wijze zouden betalen. Maar hoe; acht u dat ze verloren is, daar ze maar slapende is in de schoot van de Almachtige? Denk niet dat ze weg is, daar zij in het huis van zo’n Vriend is: is zij voor u verloren, daar ze voor Christus gevonden is? Indien zij bij een lieve Vriend was, al zoudt u ze nooit wederzien, u zoudt u maar weinig over haar bekommeren. Wel, nu is zij bij een lieve Vriend, en hoger opgegaan op zekere hoop, dat u haar in de opstanding wederzien zult, wanneer zij niet meer koortsig noch teringachtig van lichaam zal zijn! U zoudt u bedroeven, zo u een Godloochenaar was, of geacht werd, en nochtans niet ik, maar de apostel, 1 Thess. 4:13, acht die voor hopeloze Godloochenaars, die overdadig over de doden treuren; maar dit is geen beschuldiging, die ik u doe, ik spreek dit alleen uit vrees wegens uw zwakheid: want uw dochter was een deel van u zelf, en daarom zal de natuur in u, zijnde als het ware doorsneden en gehalveerd, recht bedroefd zijn. Maar u hebt ook reden van blijdschap, wegens dat wanneer een deel van u op aarde is, een groot deel van u in de hemel verheerlijkt is; volg haar, maar benijd haar niet; want ‘t is inderdaad eigenliefde in ons, die ons doet treuren over degenen, die in de Heere sterven; en waarom? Omdat wij wegens hen niet kunnen treuren, omdat zij nooit gelukzalig zijn, voordat zij dood zijn; zo treuren wij dan uit opzicht van ons eigen voordeel. Ziet dan wel toe, dat u, in uw genegenheid te tonen, in over uw dochter te treuren, niet uit eigenliefde mocht treuren jegens u zelf. Merk, wat de Heere daarin doet; uw dochter is uit het vuur gerukt, en zij rust van haar arbeid, en uw Heere beproeft u in deze, en Hij werpt u in het vuur; gaat door al de vuren naar uw rust; en gedenk nu, dat Gods oog op u is, ziende op uw lijdzaamheid en geloof; Hij vermaakt Zich in u te zien in de brandende braambos, en niet verteerd worden; en Hij is zeer wel genoeg, dat zo’n zwakke vrouw als u, de duivel weg zendt, missende in zijn oogmerk. Eer nu God, en beschaam de sterke brullende leeuw, als u schijnt zwak te zijn. Zou zo één als u bezwijken in de dag van tegenspoed? Breng u te binnen de dagen vanouds; de Heere leeft nog; vertrouw op Hem, al zou Hij u doden; het geloof is zeer liefdedragend, en het gelooft geen kwaad van God. De Heere legt nu in de ene weegschaal uw geweten van onderwerping aan Zijn genadige wil, en in de andere uw genegenheid en liefde tot uw dochter; welke van die twee wilt u verkiezen te voldoen? Wees dan wijs; en gelijk u, zo ik vertrouw, Christus liever hebt, dan een zondige vrouw, zo gaat uw dochter voorbij, en kust de Heere Zijn roede. De mensen snoeien rondom de takken van hun bomen, teneinde dat ze hoger en rechter opgroeien: wel, de Heere heeft in deze wijze uw tak gesnoeid, vele kinderen van u wegnemende, teneinde u als één van de cederen van de Heere zoudt opgroeien; zettende uw hart op de dingen boven, waar Christus is aan de rechterhand van de Vader. Wat staat er verder te geschieden, als dat uw Heere de tronk zal neerhouwen, nadat Hij de takken heeft afgekapt? Bereid uzelf; u bent heden nader bij uw dochter, dan u gisteren was. Terwijl u uw tijd verkwist, in over haar te treuren, gaat u al vast te post haar achterna; loop uw loopbaan met lijdzaamheid; laat God het Zijne hebben, en eist van Hem in plaats van uw dochter, die Hij van u genomen heeft, de dochter van ‘t geloof, welke is de lijdzaamheid, en bezit uw ziel in lijdzaamheid. Hef uw hoofd op, u weet niet, hoe nabij uw verlossing is! Dus u bevelende aan de Heere, die u kan bevestigen, zo blijf ik

      Uw liefhebbende en genegen vriend in de Heere Jezus, Samuel Rutherford

      Anwoth, 23 april 1628

       

    37. Aan de uitverkorene en edele vrouw, mevrouw Kenmure
    38. Mevrouw!

      Mijn gebiedenis aan uw HoogEd. met genade en barmhartigheid van God onze Vader, en van onze Heere Jezus Christus. Ik was bedroefd in mijn scheiden, latende uw HoogEd. in droefenis; en ik zou er nog over bedroefd blijven, zo ik niet zeker wist, dat u er Één met u hebt in de oven, Wiens gedaante is gelijk die van de Zoon Gods. Ik ben blij, dat u van uw jeugd af gewend bent geweest aan de worstelingen Gods, en dat u nauwelijks vrijheid krijgt, om uw speeksel neer te zwelgen, geworpen zijnde van de ene oven in de andere, wetende, dat indien u God niet lief was, en uw gezondheid zoveel niet van Hem eiste, Hij zoveel medicijnen omtrent u niet gebruiken zou. Alle Christenbroeders en zusters moeten Zijn beeld en patroon in lijden gelijkvormig zijn! Rom. 8, en sommigen gelijken het patroon levendiger dan anderen. Denk, mevrouw, het is een deel van uw heerlijkheid, dat u mee op de rol staat van diegenen, die één van de ouderlingen Johannes aanwees, Openb. 7:14: Deze zijn het, die uit de grote verdrukkingen komen, en zij hebben hun lange klederen gewassen, en wit gemaakt in het bloed des Lams; ziet uw Voorloper, uit de wereld gaande geheel in een poel van bloed; en ‘t is niet kwaad te sterven, gelijk Hij deed. Vervuld met blijdschap de overblijfsels van de verdrukkingen van Christus in uw lichaam. Gij hebt een kind verloren. Neen, het is u niet verloren, die Christus gevonden is; het is niet weggezonden, maar alleen vooruitgezonden; gelijk een ster, die uit ons gezicht gaande niet sterft, noch verdwijnt, maar schijnt in de andere helft van de hemel; u ziet haar niet, maar zij schijnt in een ander land; indien haar glas maar een kort uur was, ‘t geen zij mist in de tijd, heeft ze verkregen in de eeuwigheid; en u hebt reden van blijdschap, dat u nu enig huisraad boven in de hemel hebt. Bouw uw nest hier op geen boom: want u ziet, God heeft het bos aan de dood verkocht, en iedere boom, waarop wij willen rusten, is gereed om afgehouwen te worden, teneinde wij mochten opvliegen, en op een rotssteen bouwen, en wonen in de holen van de rotsen. Alles wat u naast Jezus uw Man bemint, is een overspelige boel. Nu het is Gods bijzondere zegen over Juda, dat Hij haar niet wil laten vinden haar paden, in te volgen haar vreemde boelen. Hos. 2:5: Daarom ziet, Ik zal uw weg met doornen betuinen, en Ik zal een heiningmuur maken, dat zij haar paden niet zal vinden; vs. 7, en zij zal haar boelen nalopen, maar ze niet aantreffen. O driemaal overgelukkig Juda, wanneer God een dubbele stenen muur maakt tussen hen en het helse vuur! Mevrouw, de wereld en de dingen van de wereld zijn de boel, die u van nature lieft nevens uw Man Christus. De doornheg en de muur, die God op uw weg maakt, om u te verhinderen deze boel na te gaan, is een doornheining van dagelijkse smart, verlies van kinderen, zwakheid van het lichaam, de ongerechtigheid van de tijd, de onzekerheid van de tijdelijke staat, ‘t missen van wereldse troost, en vrees van Gods toorn wegens oude onbeklaagde zonden: wat verliest u, indien God de heining dagelijks dikker maakt, en ineen vlecht? God zij geloofd, de Heere wil u niet laten vinden uw paden; keer weer tot uw vorige Man. Word niet moe, en denk niet, dat de dood met een slappe gang naar u toekomt; u moet rijper zijn, eer u geschud wordt en sterft; uw dagen zijn niet langer dan Jobs dagen, die lichter waren dan een loper, en voorbij voeren met jachtschepen, gelijk een arend naar het aas toevliegt, Job 9:25,26. Daar is nu minder zand in uw glas, dan er gisterenavond in was; deze spanlengte van gedurig te post lopende tijd zal ras teneinde zijn; maar Gods barmhartigheid is te groter, hoe meer jaren u krijgt, om te bedenken, op wat voorwaarde u uw ziel werpt in de diepe kolk van die nooit eindigende eeuwigheid. De Heere heeft u gezegd, wat u gedurig zoudt doen, totdat Hij komt. Verwacht en haast, zegt Petrus, tot de toekomst van de dag van onze Heere. Het is hier al nacht, in opzicht van de onwetendheid, van de dagelijks aaneen volgende moeilijkheden, de een steeds de weg banende tot een ander, gelijk de negende golf van de zee voor de tiende. Daarom zucht, en verlang naar het krieken van die morgen en naar het aanbreken van die dag van de komst van de Zoon des mensen, wanneer de schaduwen zullen wegvlieden. Verzeker u, de Heere is op Zijn komst; lees Zijn brief, die voor Hem uitgezonden is, Openb. 3:11: Zie, ik kom haastiglijk. Wacht met de vermoeide nachtwachter op ‘t aanbreken van ‘t morgenlicht in ‘t Oosten, en denk dat u geen morgen hebt; gelijk die wijze oud-vader zeide, die genodigd zijnde tegen morgen, om met zijn vrienden ‘t middagmaal te houden, zeide: Ik heb deze menigte dagen geen morgen gehad. Ik zou u niet graag moe maken; toon uzelf een Christen door te lijden zonder murmureren, wegens welke zonde eens veertienduizend en zevenhonderd gedood zijn, Num. 16:49. Bezit uw ziel in lijdzaamheid; zij verliezen niets, die Christus winnen; mijn broeder en mijn vrouw doen hun ootmoedige dienstgroet aan uw HoogEd. Ik beveel u aan de genade en barmhartigheid van onze Heere Jezus, u verzekerende, dat uw dag komt, en Gods barmhartigheid u verwacht. De Heere Jezus zij met uw Geest.

      De uwe in de Heere Jezus in alle verplichte gehoorzaamheid, Samuel Rutherford

      Anwoth, 15 januari, 1629

       

    39. Aan mevrouw Kenmur
    40. Mevrouw!

      Na hartelijke groetenis in Jezus Christus moet ik u tot mijn droefheid, misschien, voor eeuwig schriftelijk vaarwel zeggen, kleine zekerheid hebbende van uw aangezicht ooit weer te zien, voor de laatste algemene vergadering, alwaar de gehele algemene Kerk zal samenkomen. Doch ik beloof, dat ik uw HoogEd. en uw lasten door Gods genade op een meer bijzondere wijze zal voordragen aan Hem, Die machtig is u zalig te maken, en u een erfenis te geven met de heiligen, dan ik ooit tevoren gedaan heb. U bent gaande naar een land, waar de Zon der gerechtigheid in het Evangelie zo klaar niet schijnt als in dit koninkrijk; maar indien u wilde weten, waar Hij, Die uw ziel liefheeft, rust, en waar Hij op de middag weidt, waar u ook bent, ga op de voetstappen van de schapen, en voed uzelf, bij de woningen van de herderen, Hoogl. 1:7,8, dat is, vraag naar enige wachters van de Heere Zijn stad, die u in waarheid zullen zeggen, en niet liegen, waar u Hem zult vinden, die uw ziel liefheeft. Ik vertrouw, dat u zo vast in huwelijksbelofte bent aan de ware Christus, dat u uw liefde aan geen valse Christus zult geven. U weet niet, hoe ras uw trouwdag zal komen; ja is niet de eeuwigheid nabij u? Het zou dan tijd zijn, dat u uw bruiloftskleed gereed had; sluimer niet, als uw Heere staat te komen. Ik bid God, dat u op uw voeten mag staan, als Hij klopt; wees niet moedeloos, in van dit land naar een ander deel van de Heere Zijn aarde te gaan; de aarde is des Heeren, en de volheid daarvan, Ps. 24:1. Dit is des Heeren lager huis; terwijl wij hier verblijven, zijn wij niet zeker, dat wij altijd in een kamer zullen liggen: maar wij moeten tevreden zijn, te verhuizen van de ene hoek van onze Heere Zijn huis weer tot de andere, in de hoop berustende, dat wanneer wij opkomen tot des Heeren opperstad, het Jeruzalem dat boven is, wij niet meer van woning zullen veranderen, want wij zullen dan thuis zijn. En gaat waar u wilt, indien uw Heere met u gaat, zo bent u thuis; en uw nachtverblijf is steeds al besteld, eer ‘t avond is, zolang Hij, die Israëls woning is, uw huis is, Ps. 90:1. Mevrouw, geloof mij, ik ben van gevoelen, dat u goed geherbergd bent, en dat er in uw huis fraaie gemakken en vermakelijke luchtige plaatsen zijn, als u in het geloof uw hoofd kunt neerleggen op Jezus Christus’ borst, en voor dat zo is, zult u nooit eens gerust slapen. Jezus, Jezus zij uw schaduw en uw deksel, het is een zoete zieleslaap, te liggen in Christus’ armen: want Zijn adem is zeer zoet. Bid voor het arme vriendeloze Zion. Helaas, niemand wil nu voorspreken, hoewel zij thuis in haar eigen land goede vrienden heeft namelijk haar man Christus, en Zijn Vader haar Schoonvader. Bid uw man, dat Hij Zions vriend is, en dat hij voor haar bidt: ik heb vele en verscheidene stoten en harde slagen ontvangen, sinds de Heere mij tot de predikdienst geroepen heeft; maar waarlijk ik acht uw weggaan van ons onder de zwaarste; maar ik bemerk, dat God ons wil laten beroven van alles, waar wij een afgod van maken, opdat Hij Zijn eigen plaats mag hebben. Ik zie uitnemend kleine vrucht van mijn predikdienst, en ik zou blij zijn, kende ik maar een ziel, die mijn kroon en blijdschap zou wezen in de dag van Christus. Al verslijt ik mijn kracht tevergeefs, nochtans is mijn arbeid bij God, Jes. 49:4. Ik wens en bid, dat de Heere mijn aangezicht hard maakt tegen allen en dat Hij mij doet leren, met mijn aangezicht tegen een storm te gaan. Wederom beveel ik u, uw lichaam en geest aan Hem, Die ons heeft liefgehad en gewassen van onze zonden in Zijn Eigen bloed. Genade, genade voor eeuwig zij met u. Bid, bid gedurig.

      Uw HoogEd. zeer gehoorzame in Christus, Samuel Rutherford

      Anwoth, 14 september 1629

       

    41. Aan Johannes Kennedy
    42. Mijn lieve en zeer genegen broeder!

      Ik groet u met genade, barmhartigheid en vrede van God onze Vader, en van onze Heere Jezus. Ik beloofde u te schrijven, en nu volbreng ik het, hoewel laat genoeg. Ik hoorde met droefheid van uw groot gevaar van te vergaan op de zee, maar ook met blijdschap, van uw genadige verlossing. Gewisselijk, broeder, de satan zal geen steen onbewogen laten, gelijk het spreekwoord is, om u van de rotssteen af te wentelen, of, immers om u te schudden en onvast te maken: want op dezelfde tijd waren de monden van de goddelozen geopend in het land, door harde woorden tegen u, en de Overste van de macht van de lucht was toornig op u in de zee; zie dan, hoezeer u verplicht bent aan die boosaardige moordenaar, die u op dezelfde tijd met twee roeden tegelijk wilde slaan: maar God zij geloofd, zijn arm is kort; indien de zee en winden hem hadden willen gehoorzamen, u had nooit weer te land gekomen. Dank uw God, die zegt, Openb. l:18, Ik heb de sleutels der hel en des doods, Deut. 32:39, ik dood, en maak levend, 1 Sam. 2:6, De Heere doet ten grave neerdalen en Hij doet weer opkomen. Indien de satan cipier was, en de sleutelen des doods en des grafs had, zij zouden meer gevangenen in zich hebben. U klopte aan deze zwarte deuren, en u vond de deuren gesloten, en wij allen verwelkomen u weer terug; ik vertrouw, dat u weet, dat het niet tevergeefs is, dat u weer tot ons gezonden bent: de Heere wist, dat u iets vergeten had, dat nodig was tot uw reis; dat uw wapentuig nog niet dik genoeg was, tegen de slagen van de dood. Nu verricht uw werk in Jezus’ krachten; die schuld is niet vergeven, maar geborgd. De dood heeft u niet vaarwel gezegd, maar hij heeft u alleen voor een korte tijd laten blijven; voleindig uw reis, eer de nacht u overkomt; heb alles gereed tegen de tijd dat u door die zwarte en woeste Jordaan zult zeilen, en Jezus, Jezus, Die zeer wel de diepten kent, en de rotsen, en al de stranden, zij uw Loodsman. Dat laatste getal zal niet een ogenblik naar u wachten; indien u iets vergeet, als uw zee vol is, en uw voet in dat schip, zo is er geen terugkeren, om het te halen; hetgeen u in uw leven heden kwalijk doet, dat kunt u morgen verbeteren: want zo menigmaal als God de zon over u laat opgaan, zoveel nieuwe levens hebt u; maar u kunt maar eens sterven, en indien u dat werk verderft, zo kunt u niet terugkeren, om dat stuk werks te verbeteren: niemand zondigt tweemaal, in kwalijk te sterven; gelijk wij maar eens sterven, zo sterven wij maar eens kwalijk of goed. Gij ziet nu, het getal van uw maanden is in Gods boek geschreven, en u moet als één van Gods dagloners werken, totdat de schaduwen van de avond u overkomen, en uw uurglas zal uitlopen tot het laatste zandje toe; voleindig uw loop met blijdschap, want wij nemen niets met ons in het graf. dan een goed of kwaad geweten, en hoewel de lucht mocht opklaren na deze storm, zo zullen de wolken toch weer vergaderen. Ik hoop, u hebt met Christus een overeenkomst gemaakt, als u Hem eerst begon te volgen, dat u Zijn kruis zoudt dragen; vervul uw deel van de overeenkomst met lijdzaamheid, en breek uw verbintenis met Christus niet; weest oprecht, broeder, in uw handelen met Hem: want wie weet beter, hoe men kinderen zal opbrengen, dan onze God? Want, om niet te spreken van Zijn kennis, die niet is na te speuren, Hij is in oefening geweest, in Zijn erfgenamen op te brengen, deze duizend jaren, en Zijn kinderen zijn allen wel opgebracht, en velen ervan zijn nu heerlijke lieden boven in hun eigen huis in de hemel, en zij zijn als erfgenamen bevestigd in huns Vaders erfenis. Nu de wijze van Zijn opbrengen was door kastijdingen, geselingen, en tuchtigingen. Zie, of Hij wel enige van Zijn kinderen uitneemt, Openb. 3:19; Hebr. 12:7,8, Zijn oudste Zoon, en Zijn erfgenaam is niet uitgenomen, Hebr. 2:10, wij moeten lijden; God besloot het, eer wij geboren waren; en het is lichter over Zijn besluit te klagen, dan het te veranderen; ‘t is waar, verschrikkingen van het geweten werpen ons neer; en nochtans kunnen wij zonder verschrikkingen van het geweten niet weer opgewekt worden; vrezen en twijfelingen doen ons schudden. Doch wij zouden zonder vrees en twijfeling ras in slaap vallen, en onze greep van Christus los laten gaan; verdrukkingen en verzoeking zullen ons bijna tot aan de wortel losmaken, en nochtans kunnen wij zonder verdrukkingen en verzoekingen niet meer groeien, dan het kruid of het koren zonder regen. De zonde, en de Satan, en de wereld zullen roepen in ons oor, dat wij een zware rekenschap hebben te geven in het oordeel; en nochtans geen van deze drie, behalve als zij liegen, durven in ons aangezicht zeggen, dat onze zonde de inhoud van het nieuwe verbond kan veranderen; ga dan voort, geliefde broeder, en verlies uw greep niet; houd de waarheid vast; verkoop niet om een wereld het minste aasje van Gods waarheid, inzonderheid nu; wanneer de meeste mensen de waarheid meten naar de tijd, gelijk jonge zeelieden hun kompas zetten naar een wolk: want nu is de tijd als vader en moeder voor de waarheid, in de gedachten en oefening van ‘t volk van onze kwade tijd. De God van de waarheid bevestigt ons: want helaas! nu zijn er geen, die de gevangenen van hoop, en de treurigen Zions zouden troosten. Wij kunnen weinig doen, dan bidden en treuren, wegens dat Jozef in de banden is. Laat hun tong aan het gehemelte van hun mond kleven, die Jeruzalem nu in hun dag vergeten. En de Heere gedenke aan Edom, en vergelde haar, naardat zij ons gedaan heeft. Nu broeder, ik wil ‘t niet te lang maken; maar ik bid u, doe mijn hartelijke liefdegroet aan Mr. David Dickson, waar ik weinig kennis aan heb; doch ik dank de Heere, dat ik weet, dat hij voor onze stervende kerk bidt, en werkt; doe mijn hartelijke zegenwens aan Johannes Stuart, die ik in Christus lief heb, en zeg hem van mijnentwege, dat ik hem altijd gedenk, en dat ik hoop hem te zien; de Heere Jezus bevestige hem meer en meer, hoewel hij reeds een sterk man is in Christus. Doe mijn hartelijkste groetenis aan Willem Rodger, die ik ook bij de Heere gedenk; ik wens dat het eerste nieuws, dat ik van hem en van u, en van allen, die onze algemene Zaligmaker in die streken liefhebben, verneem, mag zijn, dat u zodanig in liefde aan de Zoon Gods verbonden, en vastgemaakt bent, dat u mag zeggen: al wilden wij nu nog zo graag uit Christus’ handen ontkomen, zo heeft ons toch de liefde zo verbonden, dat wij onze handen niet weer vrij kunnen krijgen. Hij heeft onze harten zo verrukt; dat er geen losmaking van Zijn grepen is, de ketenen van Zijn zielvervoerende liefde zijn zo sterk, dat het graf noch de dood die niet zouden breken. Ik hoop, broeder, ja ik twijfel er niet aan, of u brengt mij en mijn eerste inkomen in de Heere Zijn wijngaard, en mijn kudde voor Hem, Die mij in Zijn werk gesteld heeft, gelijk de Heere weet, dat ik w gedachtig ben geweest, sinds ik u gezien heb. Maria Macknaught doet haar hartelijkste groet aan u, en aan Johannes Stuart. Geloofd zij de Heere, dat ik in Gods goedertierenheid in dit land zo’n vrouw heb gevonden, aan welke Jezus liever is, dan haar eigen hart, wanneer er zovelen zijn, die Christus over hun schouder werpen. Goede broeder, breng u de gedachtenis te binnen van uw waarde vader, die nu in Christus ontslapen is; en gelijk zijn gewoonte was, zo bid zonder ophouden, en worstel om het leven van een stervende ademloze kerk; en verzoek Johannes Stuart, dat hij het arme Zion niet vergeet, zij heeft weinig vrienden, en weinigen die een goed woord voor haar spreken. Nu beveel ik u, uw gehele ziel, lichaam en geest aan Jezus Christus, en aan Zijn bewaring, hopende dat u met de zaak van onze Meester Jezus zult sterven en leven, staan en vallen. De Heere Jezus Zelf zij met uw geest.

      Uw lief hebbende broeder in onze Heere Jezus, Samuel Rutherford

      Anwoth, 2 februari 1630

       

    43. Aan mevrouw Kenmur
    44. Mevrouw!

      Ik heb uitstekend verlangd, te horen van uw leven en gezondheid, en wasdom in de genade Gods. Ik had de gelegenheid niet van een bode, omdat ik niet had verstaan het schielijk vertrek van de laatste, door wie ik u HoogEd. mocht gegroet hebben; daarom kon ik voor deze tijd niet schrijven. Ik bid n, mevrouw, laat mij van u een briefje toekomen, aangaande uw tegenwoordige staat. Ik weet, u bent bedroefd en bezwaard, en indien het zo niet was, zo mocht u gevreesd hebben; omdat dan uw weg niet zo zou geleken hebben naar de weg, die onze Heere zegt, dat naar ‘t nieuw Jeruzalem leidt. Ik ben wel verzekerd, indien u wist, wat voor u was, of als u maar enige glinsteringen daarvan zag, u zoudt met blijdschap zwemmen door de tegenwoordige vloed van droefheid heen, uw armen uitbreidende, door begeerte om aan land te zijn. Indien God u het onderpand van de Geest gegeven heeft, als een deel van de betaling van Gods belangrijke som, zo hebt u reden blij te zijn. Want onze Heere zal Zijn pand niet verliezen; ook zal Hij niet terug gaan, of berouw hebben van ‘t verdrag. Indien u soms vindt een verlangen om bij God te zijn, blijdschap in de verzekerdheid van dat gezicht, al is het maar gelijk het Paasfeest, dat maar alleen eens in het jaar komt, vrede voor ‘t geweten, vrije uitlating in ‘t bidden, de deuren van Gods schathuis open gesloten, voor de ziel, en een klaar gezicht van Hem Zelf, uitziende, en zeggende met een toelachend aangezicht: welkom hier bij Mij, verdrukte ziel; dit is het onderpand, dat Hij somtijds geeft, en dat het hart vrolijk maakt, en een blijk is, dat het verdrag zal van kracht blijven. Maar teneinde u dit onderpand mocht krijgen, zou het goed zijn menigmaal met God in gesprek te komen, in ‘t bidden en horen van het Woord: want dit is het wijnhuis, alwaar u uw Liefste ontmoet; hier is het, dat Hij u met de kussen van Zijn mond kust, en daar u de reuk van Zijn klederen ruikt, en zij hebben gewis een zeer liefelijk en heerlijke reuk. Gij moet, zeg ik, op Hem wachten, en menigmaal samenspreken met Hem, Wiens lippen zijn als de leliën, druipende van zoetriekende mirre, en door ‘t roeren van welke lippen Hij uw droefheid zal verzachten: want de Christus, Die u zalig maakt, is een sprekende Christus; de kerk kent Hem aan Zijn stem, en zij kan Zijn spraak onderkennen onder duizenden, Hoogl. 2. Dit zeg ik tot dat doeleinde, opdat u niet zoudt liefhebben die stomme bedekte aangezichten van de antichristische gebruiken, die deze kerk, waar u voor een tijd bent, gelegd heeft op de Christus, die uw ziel liefheeft: en ‘t is u een stomme Christus voor te stellen, maar wanneer onze Heere komt, dan spreekt Hij aan ‘t hart in de eenvoudigheid van het Evangelie; ik heb noch tong noch pen, om ‘t geluk uit te drukken, van degenen die in Christus zijn. Als u alles verkocht hebt wat u hebt, en het veld, waarin de parel is, gekocht hebt, zo zult u het geen kwade koop rekenen; want indien u in Hem bent, zo is al het Zijne het uwe, en u bent in Hem, derhalve, omdat Hij leeft, zult u ook leven, Joh. 14:19, en wat is dat anders, dan alsof de Zoon gezegd had, Ik wil de hemel niet hebben, tenzij Mijn verlosten bij Mij zijn; zij en Ik kunnen niet afgescheiden leven; blijf in Mij, en Ik in u, Joh. 15:5. O zoete gemeenschap, als Christus en wij in elkaar zijn, en niet langer twee zijn: Vader Ik wil, dat degenen die Gij Mij gegeven hebt, bij Mij zijn, waar Ik ben; opdat zij Mijn heerlijkheid aanschouwen, die Gij Mij gegeven hebt, Joh. 17:24. Amen, lieve Jezus, het zij zo, naar dat woord; ik ben verwonderd, dat uw hart ooit neerslachtig is, zo u deze waarheid gelooft; zij zijn Jezus Christus niet waardig, die niet veertig jaren moeilijkheden voor Hem willen lijden, nademaal zij zulke heerlijke beloften hebben: maar wij dwazen geloven die beloften, gelijk de man, die Plato’s schriften las van de onsterfelijkheid van de ziel; zo lang het boek in zijn hand was, geloofde hij, dat alles waar was, en dat de ziel niet kon sterven; maar zo ras had hij het boek niet neergelegd, of hij begon zich terstond in te beelden, dat de ziel maar een rook of damp is, die vergaat met het uitgaan van de adem; zo stemmen wij bij vlagen de zoete en dierbare beloften toe, maar Gods boek neerleggende beginnen wij alles in twijfel te trekken; dat is recht geloof, als men zonder pand gelooft, en als men ‘t hart gestadig aan dit werk houdt; en als wij twijfelen, zo wij dan naar de wet en naar het getuigenis lopen, en daar stilstaan. Mevrouw, houd u hier, hier is uws Vaders Testament; lees het, daarin heeft Hij u nagelaten, vergeving van de zonden, en het eeuwige leven; indien alles wat u hier hebt, zijn kruisen, en kwellingen, verbrekingen, menigvuldige verlatingen, en weggaan van de Heere, Die u ten huwelijk verzoekt; heb evenwel goede moed; Hij die u vrijt en aanzoekt, moet met u geen huishoudend man zijn, voordat u en Hij samen opkomen in Zijns Vaders huis. Hij heeft voor, u in het einde goed te doen, Deut. 8:16, en u rust te geven van de dagen van tegenspoed, Ps. 94:14. Keer u naar uw sterkte, als een gevangene die hoopt, Klaagl. 3:27. want het gezicht zal nog tot een bestemden tijd zijn, dan zal Hij het op het einde voortbrengen, en niet liegen; zo Hij vertoeft, verbeid Hem: want Hij zal gewis komen, Hij zal niet achterblijven, Hab. 2:3. Hoor Hemzelf spreken, Jes. 26:20, komt mijn volk, verblijdt u, Hij roept u toe, ga in uw binnenste kamers. en sluit uw deuren na u toe; verberg u een klein ogenblik, totdat de gramschap overga. Geloof dan, geloof, en wordt behouden; acht het niet hard, indien u uw wil of uw vermaak in dit leven niet krijgt; God wil, dat u zich nergens in verblijdt, dan in Hemzelf; dat zij verre, dat u ergens anders in zoudt roemen, dan in het kruis van Christus, Gal. 6:14. Mevrouw, onze kerk is aan het afnemen, zij is gelijk Efraïm’s koek, hier en daar zijn grijze haren op haar, en zij merkt het niet, Hosea 7:9, zij is oud, en grijs, nabij het graf, en niemand neemt het ter harte; haar wijn is zuur, en verdorven. Indien nu Pinehas’ vrouw leefde, zij mocht in barensnood vallen, en sterven, ziende de ark Gods genomen, en de heerlijkheid van Israël weggegaan; de kracht en het leven van de godsdienst is weg; wee ons, want de dag heeft zich gewend, want de avondschaduwen neigen zich, Jer. 6:4. Mevrouw, Zion is het schip, waarin u naar Kanaän gevoerd wordt; indien zij schipbreuk lijdt, zo zult u op leven en dood overboord geworpen worden, om naar land te zwemmen op gebroken planken; het zou voor ons tijd zijn, dat wij door ‘t gebed onze Meester Loodsman Jezus aankwamen, en riepen: Meester, behoud ons, wij vergaan. Wij zouden het een zegen achten voor onze kerk, u hier te zien; maar onze zonden weerhouden het goede van ons. De grote Engel des Verbonds beware uw lichaam en geest.

      De uwe in de Heere, Samuel Rutherford

      Anwoth, 1 februari 1630

       

    45. Aan mevrouw Kenmur
    46. Mevrouw!

      Genade, barmhartigheid en vrede zij u vermenigvuldigd. Ik ontving uw HoogEd. brief, waarin ik merk, dat uw staat in deze wereld een reuk heeft van een gemeenschap met de Zoon Gods in Zijn lijden; u kunt, u moet geen vermakelijker of lichter staat hier hebben, dan Hij had, Die door lijden is geheiligd, Hebr. 2:10. Wij mogen wel denken, kan God ons niet naar de hemel brengen met gemak en voorspoed? Wie twijfelt, of Hij kan het doen? Maar Zijn oneindige wijsheid vindt goed en besluit het tegendeel; en wij kunnen geen reden daarvan zien: nochtans heeft Hij een zeer billijke reden. Wij hebben nooit met onze ogen onze eigen ziel gezien; nochtans hebben wij een ziel: wij zien veel rivieren, doch wij weten niet haar oorsprong en oorspronkelijke fontein; nochtans hebben zij een begin. Mevrouw, als u aan de andere zijde van het water gekomen bent, en u uw voet gezet hebt op het strand van de heerlijke eeuwigheid, en weer terugziet naar de wateren en naar uw vermoeiende reis, en u zult zien in die spiegel van de eindeloze heerlijkheid, tot in de grond van Gods wijsheid, dan zult u gedwongen zijn te zeggen: indien God anders met mij gehandeld had, dan Hij gedaan heeft, zo zou ik nooit gekomen zijn tot deze kroon van de heerrijkheid. Het is uw deel nu, te geloven en te wachten; want ik betuig in de tegenwoordigheid van dat alziend oog, die weet, wat ik schrijf en wat ik denk, dat ik niet wilde missen de zoete ondervinding van de vertroostingen Gods, om al de bitterheid van de verdrukking; ja of God tot Zijn kinderen komt met een roede of met een kroon; indien Hij Zelf daarmee komt, het is wel. Welkom, welkom Jezus, op welke wijze Gij ook komt, indien wij een gezicht van U krijgen; en ik weet zeker, ‘t is beter ziek te zijn, mits dat Christus aan de zijde van het bed komt, en de gordijnen optrekt, en zegt: heb goede moed, Ik ben uw heil, dan gezondheid te genieten, en kloek en sterk te zijn, en nooit van God bezocht te worden. Waarde en lieve vrouw, strijd en overwin in Christus’ kracht; u bent nu alleen: maar op uw zoeken kunt u er drie in uw gezelschap hebben, de Vader, Zoon en Heilige Geest; ik vertrouw, dat Zij nabij u zijn. U bent nu beroofd van de troost van een levendige predikdienst, zo was Israël in zijn gevangenis; doch wij horen, dat God hun belooft, Ezech. 11:16: daarom zeg: zo zegt de Heere Heere: hoewel Ik hen ver onder de heidenen weggedaan heb, en hoewel ik hen in de landen verstrooid heb, nochtans zal Ik hun een weinig tijds tot een heiligdom zijn, in de landen, waarin zij gekomen zijn. Ziet een Heiligdom voor een heiligdom, God Zelf in de plaats van de tempel van Jeruzalem. Ik vertrouw in de Heere, dat u deze tempel met u omdragende, de Heere Zijn schoonheid in Zijn huis zult zien. Wij zijn in grote vrezen, dat een grote en vreselijke beproeving over Gods kerk zal komen: want diegenen, die hun eigen huizen en nesten wilden bouwen op de as van het treurige Jeruzalem, hebben onze koning getrokken, om harde en gevaarlijke besluiten te maken tegen degenen, die Puriteinen genoemd worden, om hen uit te roeien. Onze bisschoppen, de Heere neme eens de sleutels van Zijn huis uit de hand van deze bastaardportiers, verzekeren ons, dat er niets te wachten is voor degenen, die niet willen overeenstemmen, dan gevangengenomen en afgezet te worden. Jezus’ bruid zal altijd in het vuur zijn, maar ik vertrouw in mijn God, zij zal nooit verteerd worden, vanwege de goedwilligheid Desgenen, Die in de braambos woont; want Hij woont er in met goede wil. Allerlei roepende zonden overvloeien ons land zonder tegenspraak; de heerlijkheid des Heeren wijkt van Israël, en de Heere ziet terug als over Zijn schouder, om te merken, of er iemand zal zeggen: Heere blijf nog, en niemand verzoekt Hem te blijven. Verdorven en valse leer wordt openlijk gepredikt door de nietige herders van het land. Mij aangaande, ik heb dagelijks mijn droefheid wegens de ongehoorzaamheid aan, en de verachting van Gods Ik werd voor ‘t Hoog-Commissiehof gedaagd door een ondeugend mens in deze parochie, die overtuigd is van bloedschande. Mr. Alexander Colvill was in dit werk mijn vriend, uit achting voor uw HoogEd. en hij schreef mij een zeer vriendelijke brief; de Heere geve hem barmhartigheid in die dag; op de dag van mijn verschijning weigerden zee en wind, overtocht te geven aan de bisschop van St. Andries. Ik bid uw HoogEd., bedank Mr. Alexander Colvill met een briefje. Mijn vrouw is nu, na een ziekte en pijnen een jaar en een maand lang, gestorven; de Heere heeft het gedaan; Zijn Naam zij gezegend; ik heb dertien weken lang een anderdaagse koorts gehad; en ben er nog aan vast, zodat ik maar eens op een sabbat predik met grote moeite; ik ben niet machtig de gemeente te bezoeken of te onderzoeken. De Heere Jezus zij met uw geest.

      Uw HoogEd. onderdanige, Samuel Rutherford

      Anwoth, 26 juni 1630

       

    47. Aan mevrouw Kenmur
    48. Mevrouw!

      Na mijn gebiedenis aan u in de Heere Jezus, ik dacht het mijn plicht, hebbende de gelegenheid van de brenger van deze, aan uw HoogEd. wederom te schrijven, hoewel ik niets nieuws heb, boven ‘t geen waarvan ik tevoren schreef; doch u kunt niet te dikwijls opgewekt worden, om voorwaarts te gaan naar uw stad, omdat uw weg lang is, en u niet beter weet, of uw dag is kort, en uw Heere vereist van u, dat gelijk u vordert in jaren, en ongevoelig stilletjes naar de eeuwigheid gaat, uw geloof groeit, en rijp wordt tot de Heere Zijn oogst: want de grote Landman geeft een tijd aan Zijn vruchten, opdat ze tot rijpheid mogen komen, en opdat ze hun eis verkregen hebbende van de boom, geschud en ingegaderd mogen worden tot Zijn gebruik, daar de goddelozen verrotten op de boom, en hun tak nooit groen zal zijn. Job 15:32,33, men zal zijn onrijpe druiven afrukken, als van een wijnstok, en zijn bloeisel afwerpen, als van een olijfboom. Mevrouw, het is Gods goedertierenheid aan n, dat Hij u zelfs tot walging uw bekomst geeft van deze bittere wereld, opdat u ze gewillig verlaat, en als een zat en vol brasser verlangt naar het afnemen van de tafel; en hebbende eindelijk al de verrotte plezieren, die onder de zon en maan zijn, onder uw voeten getreden, en verblijd als niet blij zijnde, en gekocht als niet bezittende, 1 Kor. 7:30, mocht als een oud broos schip in uw Heere Zijn haven landen, en verwelkomd worden, als één van diegenen, die altijd een voet los hadden van deze aarde, verlangende naar die plaats, waar uw ziel lieflijk maaltijd en feesthouden zal tot in eeuwigheid, op het gezicht van de onbegrijpelijke Drie-eenheid, en als u ‘t schone aangezicht van de mens Christus zult zien; ja dat liefelijke aangezicht, dat eens om uwentwil meer verdorven en bevlekt was, dan het gelaat van iemand van de mensenkinderen, Jes. 52:12, en geheel met speeksel en bloed bedekt was. Wees tevreden met Hem hier door de wateren te gaan, die tussen u en de heerlijkheid zijn, houdende Zijn hand vast; want Hij kent al de ondiepten. Al mocht u eens onder water duiken, zo kunt u toch niet verdrinken, zijnde in gezelschap, en u kunt al de weg over naar de heerlijkheid zien, dat de weg bedauwd is met het bloed van Hem, Die de Voorloper is; vrees dan niet, zelfs als u komt tot de zwarte en zwellende rivier van de dood, uw voet daarin neer te zetten, en achter Hem door te gaan, de vloed, hoe sterk hij ook is, kan u niet naar de hel nedervoeren, want de dood en opstanding van de Zoon zijn stapstenen, en ondersteuning voor u; zet dan door het geloof uw voet neer op die stenen, en ga er door als door het droge. Indien u wist, wat Hij voor u is bereidende, u zoudt al te blij zijn; misschien wil Hij u geen volle dronk geven, voordat u aan de bron komt, en drinkt, ja tot dronken wordens toe uit de zuivere rivier van het water des levens, welke voortkomt van de troon Gods en des Lams, Openb. 22:1. Mevrouw, word niet mat, noch moe; want ik durf u de Zoon Gods borg stellen, dat wanneer u daarboven gekomen zult zijn, en uw ogen zult geslagen hebben, om te beschouwen de gouden stad, en de schone nooit verwelkende boom des levens, die iedere maand twaalfderlei vruchten draagt, dan zult u zeggen, dat vierentwintig uren te blijven in die plaats, zeventig jaren droefheid op aarde waardig is. Indien u maar kunt zeggen, dat u ernstig verlangt, daarheen opgevoerd te worden, gelijk ik hoop, dat u zich zoudt schamen, Hem die eer te weigeren, nadat Hij die begeerte in uw ziel gewerkt heeft, zo heeft uw Heere u dan een onderpand gegeven: en gelooft u, mevrouw, dat onze Heere Zijn onderpand zal verlaten, en berouw hebben van de koop, en veranderen van zin, alsof Hij een mens was, die liegen kan, of een mensenkind, die berouw kan hebben? Neen, Hij is onveranderlijk, en Hij is dit jaar Dezelfde, Die Hij het vorige jaar was; en Zijn Zoon Jezus, Die op aarde at en dronk met tollenaars en zondaars, en samensprak met hoeren, Zijn heilige hand ophief, en de vuile huid van de melaatsen aanraakte, en altijd nabij de zondaars kwam, is zelfs nu in heerlijkheid nog diezelfde Heere; Zijn eer en Zijn grote staat in de hemel heeft Hem Zijn arme vrienden op aarde niet doen vergeten; de eer verandert in Hem de zeden niet, en Hij begeert nog uw gezelschap; neem Hem voor de oude Christus, en verwacht steeds vriendelijkheid van Hem, en zeg: och ja, ‘t is zo, Hij is niet veranderd, maar ik ben veranderd; ja het is een deel van Zijn onveranderlijke liefde, en een artikel van ‘t Nieuwe Verbond, te bewaren, dat u Hem niet zult kunnen afzetten of verkopen; Hij heeft zo onvast niet met ons gehandeld, dat wij naar ons welgevallen van Hem zouden kunnen aflopen; Zijn liefde heeft het verdrag anders vastgemaakt: want Jezus is als Borg voor ons verbonden, Hebr. 7:22. En het kon met Zijn eer niet bestaan, dat Hij in Zijn opgenomen verbintenis zou feilen, en verliezen degenen, die Hij aan de Vader moet teruggeven, als Hij het koninkrijk aan Hem zal opgeven; stem dan toe, en zeg amen op de beloften, en dan hebt u verzegeld, dat God waarachtig is, en dat Christus uwe is; dit is een lichte markt; u hebt maar op Hem te zien door geloof: want Christus leed en betaalde alles. Mevrouw, vrezende u verdrietig te zijn, moet ik hier ophouden, wensende altijd te horen, dat het uw HoogEd. wel gaat, en dat u steeds uw aangezicht opwaarts hebt naar de berg. Bid voor ons, mevrouw, en voor Zion, waarvan u een deel bent; wij verwachten een beproeving, Gods tarwe in dit land moet door satans zeef gaan; maar hun geloof zal niet ophouden; ik ben gedurig worstelende in onze Heere Zijn werk, en ben beproefd en verzocht geweest door broederen, die een scheel oog hebben op het Evangelie. Nu, Hij die machtig is u te bewaren tot die dag, behoede uw ziel, lichaam en geest, en stelle u met Zijn bruid voor Zijn aangezicht, zonder vlek en onberispelijk.

      Uw HoogEd. altijd onderdanige in de Heere Jezus, Samuel Rutherford

      Anwoth, 26 nov. 1631

       

    49. Aan mevrouw Kenmure
    50. Mevrouw!

      Het smart mij zeer, dat uw HoogEd. zou denken, of reden hebben om te denken, dat degenen die in dit land u liefhebben in de Heere, u vergeten. Mij aangaande, mevrouw, ik durf zeggen, voor het aangezicht van mijn Heere, Wiens waarheid ik predik, ik ben uw HoogEd. al de blijken van mijn hoge eerbied schuldig, wegens Zijn rijke genade in u. Mijn uitdeling van ‘t Avondmaal; zijnde uitgesteld tot het eind van een langzame en regenachtige oogst, en de classicale oefening, gelijk de brenger van deze u kan onderrichten, verhinderde mij, om u te zien. En wegens mijn gemeente, bevindende dat zij zijn als heet ijzer, dat uit het vuur zijnde, verkoeld, en niet buigzaam is tot enig werk, ga ik niet buiten mijn plaats en ik heb haar nog nooit verlaten, sinds uw HoogEd. in dit land was, dan alleen eens, omtrent twee jaren geleden. Hoewel ik niet anders durf zeggen, of het is een fout, doch evenwel geen gebrek in mijn genegenheid, en ik hoop het weer goed te maken, mits zo ras het mij mogelijk zal zijn, u op te wachten. Mevrouw, ik heb geen nieuw voornemen, om u te schrijven, dan van hetgeen ik oordeel, ja van ‘t geen onze Heere Zelf oordeelt, nodig, ja ‘t ene nodige, het goede deel van Maria hetwelk u verkoren hebt, Luk. 10:42. Mevrouw, al wat God heeft, Zichzelf en de schepselen beiden, deelt Hij uit onder Adams kinderen; geen zijn er zo arm, dat ze voor Zijn aangezicht kunnen zeggen, dat Hij hen niets gegeven heeft; maar er is geen kleine ongelijkheid tussen de gaven, gegeven aan wettige kinderen en aan bastaarden; en hoe u gretiger bent in het eisen, hoe williger Hij is te geven, zijnde graag milddadig en openhandig genoemd; ik hoop, dat uw HoogEd. arbeid, om verzekerdheid te krijgen van het zekerste Vaderlijk goed, namelijk God zelf; u zult bevinden in de Christelijkheid, dat God in al Zijn handelingen met Zijn kinderen voorheeft, hen tot een hoge verachting van, en tot een dodelijke vijandschap tegen de wereld te brengen, en hen een hoge prijs te doen zetten op Christus, en Hem te schatten Één, Die niet door goud gekocht kan worden, en Die wel waardig is, dat men voor Hem strijdt. En om geen andere oorzaak is het, Mevrouw, dat de Heere u onttrekt de kinderlijke beuzelingen, en het aardse vermaak, dat Hij aan anderen geeft, dan opdat Hij u geheel voor Zichzelf mocht hebben. Denk dan van de Heere, als van Één, Die u ten huwelijk komt aanzoeken, wanneer u in de oven van beproeving bent; Hij zoekt van u Zijn antwoord in de verdrukking, om te zien, of u zult zeggen, ja toch, ik neem Hem aan, mevrouw, geef Hem dit antwoord met vermaak, en murmureert noch knort niet heimelijk in uw gemoed; als Hij u in liefde slaat, wacht u van terug te slaan; dat is gevaarlijk: want die terug slaan, zullen de laatste slag krijgen. Indien ik de rechte snaar niet raak, ‘t is omdat ik uw HoogEds. tegenwoordige staat niet goed ken: maar ik geloof, dat uw HoogEd. te voet gaat al lachende, en een goede gedaante makende voor de wereld, en dat u evenwel een bezwaard hart binnen u draagt. Gij doet daarin wel, mevrouw, dat u hen geen getuigen maakt van uw droefheid, die het niet kunnen genezen; maar handel toch uitnemend in liefde met uw lieve Heere. Gelijk er sommige wereldse vrienden zijn, van welke u geen kwade gedachten wilt herbergen, veelmeer behoort u altijd het goede te geloven van uw lieve Vriend, Die beminnelijke schone Persoon, Jezus Christus. De doorn is een van de vervloektste, vinnigste en wildste scheuten, die de aarde voortbrengt, en daaruit spruit nochtans de roos, een van de zoetst riekende bloemen, en van de vermakelijkste voor het oog, die de aarde heeft. Uw Heere zal vreugde en blijdschap uit uw verdrukkingen voortbrengen: went al Zijn rozen hebben een welriekende reuk; wacht naar de tijd, dat Zijn heilige hand die aan uw neus zal houden; en wilt u tegenwoordige troost onder het kruis hebben, zo wees veel in het gebed; want op die tijd kust uw geloof Christus, en Hij kust de ziel. O wat is de adem van Zijn heilige mond zoet! Ik sta u borg, uit een kleine ervaring dat u niet bedrogen zult uitkomen; want de wereld, ja ook geen klein getal van Gods kinderen, weet niet goed, wat het is, Dat men een Godheid noemt. Maar mevrouw, kom nabij de Godheid, en zie neer tot de grond van de bron, er is veel in Hem, en ‘t zou een zoete dood zijn, in zo’n bron te verdrinken: uw droefheid neemt de vrijheid, om op uw gemoed te werken, als u niet bezig bent in de overdenking van de eeuwig vermakende en geheel gezegende Godheid. Indien u de prijs, die u uitgeeft, dat maar enige jaren moeite en pijn is, wilde leggen, naast de heerlijke waren, die u zult ontvangen; u zoudt zien, dat ze niet waardig zijn, samen in een weegschaal gelegd te worden; maar het is natuur, die u doet zien, wat u uitgeeft, en ‘t is zwakheid van het geloofs, die u verhindert te zien, wat u zult ontvangen. Verbeter uw hoop, en borg uw getrouwe Heere een weinig; Hij maakt Zich uw Schuldenaar in het Nieuwe Verbond; Hij is eerlijk, neem dan Zijn Woord op, Neh. I:9, De benauwdheid zal niet tweemaal oprijzen. Openb. 21:7, Die overwint zal alles beërven. Mevrouw, van alles dat u ontbreekt in dit leven, kan ik niets zeggen, indien dat niet geloofd wordt, ‘t geen u hebt, Openb. 2:7, en Openb. 3:5, Die overwint, die zal bekleed worden met witte klederen, en vers 21, Die overwint, Ik zal hem geven met Mij te zitten in Mijn troon, gelijk Ik overwonnen heb, en ben gezeten met Mijn Vader in Zijn troon. Let, mevrouw, of u niet hoog op, en zeer wel gesteld zult zijn in ‘t paleis van uw Heere, als u op één troon bent, in witte kleding, naast aan de beminnelijke Christus. O, wat zijn wij driemaal over dwazen, die gelijk nieuwgeboren vorsten, wenende in de wieg, niet weten, dat er een koninkrijk voor hen is! Zo laat dan onze Heere Zijn zoete hand ons houwen en kerven, en afslaan de kwasten van hoogmoed, zelfs liefde, en werelddienst, en ongeloof, opdat Hij ons maakt tot stenen en pilaren in Zijns Vaders huis, Openb. 3:12. Mevrouw, hebt u niet op uw hart, u nauw te verenigen met de schone hoeksteen Jezus? De Heere geve u wijsheid, om te geloven, en te hopen; uw dag komt; ik hoop een getuige te wezen van uw blijdschap, gelijk ik een hoorder en beschouwer ben geweest van uw droefheid. Acht u het te veel, de Erfgenaam te volgen van de kroon, Die ervaren was in droefheid, en beproefd in smart? Jes. 53:3. Het zou hoogmoed zijn, zo men zocht boven de Koningszoon te zijn; ‘t is meer dan wij verdienen, dat wij Hem enigerwijze even gelijk zijn in heerlijkheid. Nu bevelende u aan de dierbaarste genade en barmhartigheid van God, zo blijf ik

      Uw HoogEd. zeer gehoorzame in Christus, Samuel Rutherford

      Anwoth, 4 januari 1632

       

    51. Aan mevrouw Kenmure
    52. Mevrouw!

      Verstaande een weinig na het schrijven van mijn laatste brief van het gaan van deze brenger, wilde ik de gelegenheid niet voorbij laten gaan, om mijn eerbied te bewijzen aan uw HoogEd. en steeds te slaan op die snaar, die in onze levenstijd nooit te veel geraakt wordt; en wij hebben onze les nooit geleerd, dat er een noodzakelijkheid is van te vorderen op de weg tot Gods Koninkrijk, in de verachting van de wereld, de verloochening van onszelf, en het dragen van onze Heere Zijn kruis, dat ons niet minder nodig is, dan ons dagelijks voedsel, en onder vele merktekens, van dat wij op deze reis, en onder zeil naar de hemel zijn, is dit ene, als de liefde Gods onze harten zo vervult, dat wij vergeten te veel te beminnen, en bezorgd te zijn met het hebben of missen van andere dingen, gelijk de ene uiterste hitte de andere uitbrandt. Mevrouw, hieraan weet u, dat u uw ziel aan Christus ondertrouwd hebt, als u alle andere vrijers en aanzoekers klein acht; en als u, weinig in handen hebbende, maar veel in hoop; kunt leven, als een jonge erfgenaam, gedurende de tijd van zijn minderjarigheid en onmondigheid, tevreden zijnde, alzo hard behandeld, en onder zo nauwe rekening gehouden te worden, als dienstknechten, opdat hij zijn hoop heeft op de erfenis. Om deze oorzaak nemen Gods kinderen de beroving van hun goederen met blijdschap aan, wetende dat zij in zichzelven een beter en blijvend goed hebben in de hemelen, Hebr. 10:34. Op die dag, wanneer de aarde en de werken die daarop zijn met vuur zullen verbrand worden, 2 Petr. 3:10, dan zal uw verborgen hoop en uw verborgen leven verschijnen. En daarom aangezien u nu niet veel jaren hebt tot uw eindeloze eeuwigheid, en u niet weet, hoe ras het zwerk boven uw hoofd scheuren zal, en de Zoon des mensen in de wolken des hemels gezien zal worden, wat kunt u beter en wijzer koers nemen, dan te denken, dat uw ene voet hier, en uw andere voet in het toekomende leven is, en na te laten, om lief te hebben, te begeren, of te klagen over ‘t gebrek, van hetgeen goedgemaakt, en vervuld zal worden, als uw Heere en u elkaar zullen ontmoeten, en als u op die dag uw geheugen zult ingeven van al uw gebrek hier? Indien uw verlies niet goed gedaan wordt, zo hebt u plaats, om de Almachtige te beschuldigen; maar ‘t zal zo niet zijn. U zult zich dan verheugen met een onuitsprekelijk heerlijke vreugde, en niemand zal uw blijdschap van u wegnemen, Joh. 16:22. Het is genoeg, dat de Heere u grote dingen beloofd heeft: laat alleen de tijd, van die toe te brengen, aan zijn keur steun. Het staat ons niet toe een uurglas te stellen voor de Schepper van de tijd, aangezien Hij en wij alleen verschillen, in de termijn van betaling. Nademaal Hij betaling beloofd heeft, en wij het geloven, zo is er niet veel aan gelegen; wij zullen dat aan Zijn wil overlaten, gelijk de rondborstige koper, die nabijkomende tot hetgeen de verkoper eist, het verschil eindelijk pleegt te laten aan zijn wil, en zo de weg van onderling scherp dingen afsnijdt. Mevrouw, sta en ding niet scherp met uw mildhartige en genadige Heere, omtrent de tijd van het vervullen van uw blijdschap; ‘t zal wezen, God heeft het gezegd, wacht Zijn oogst af, tot op Zijn Pinksterdag. Zijn dag is beter dan uw dag; Hij zet de zeis niet in ‘t koren voordat het rijp, en vol aren is. De grote engel houdt u gezelschap, totdat de bazuin zal blazen, en de stem van de archangel de doden zal opwekken. Gij zult het uw enig geluk bevinden, onder al wat u ontrust, en wat de vrede van uw gemoed in dit leven tegengaat, niets om zichzelf lief te hebben, dan God alleen om Zichzelfs wil; het is een verkeerde liefde van enige hoeren, dat ze armbanden, oorringen en ringen aan de vinger, meer beminnen, dan de liefhebber, die ze zendt; God wil zo niet bemind worden: want dat zou zijn zich te gedragen als hoeren, en niet als de kuise bruid, onze liefde te verminderen wanneer die dingen weggenomen zijn. Onze liefde voor Hem moet op aarde beginnen, gelijk zij in de hemel zal zijn: want de bruid neemt in de duizendste trap zoveel vermaak niet in haar bruiloftskleed, als zij wel doet in haar Bruidegom; zo zullen wij in het toekomende leven, hoewel met heerlijkheid als met een kleed aangedaan, zoveel niet opgenomen zijn met de heerlijkheid die ons omringt, als met de Bruidegom Zijn vrolijk aangezicht, en tegenwoordigheid. Mevrouw, indien u hiertoe kunt geraken, zo is het veld gewonnen, en uw gemoed zal ras in kalmte zijn, en gerustgesteld worden, aangaande al wat u ontbreekt, of wat uw Heere u kan ontnemen. Neem Hemzelf als een pand, en houd Hem, totdat uw lieve Heere komt, en ‘t pand lost, en als berouw hebbende, u alles teruggeeft, dat Hij van u genomen heeft, tot duizend talenten voor een penning. Het is niet kwaad aan God gewillig te lenen, die anderszins van u mag en zal nemen tegen uw wil. Het is goed op God te woekeren, en in plaats van tien ten honderd, honderd ten tien te nemen, ja honderd voor één. Mevrouw, vrezende u verdrietig te vallen, breek ik hier af; bevelende u gelijk ik hoop te doen zolang ik leef; uw persoon, wegen, lasten, en al wat u belangt, aan die Almachtige, die machtig is, u en uw lasten te dragen. Ik ben u steeds gedachtig bij Hem, Die u op enige dag zal doen lachen. Ik verwacht, dat wat u ook kunt doen, door woorden of daden, voor de Heere Zijn vriendeloze Zion, u dat doen zult; zij is uw moeder, vergeet haar niet: want de Heere heeft voor, dit land te smelten en te beproeven, en ‘t is hoog tijd, dat wij allen opstonden, en aan ‘t beproeven vielen, welk deel wij aan Christus hebben. Het is waarschijnlijk dat de Bruidegom van ons afgenomen zal worden, en dan zullen wij treuren. Lieve Jezus, ga niet weg, of neem ons met u. Genade, genade zij met u tot in eeuwigheid.

      Uw HoogEd. zeer gedienstig gehoorzame, Samuel Rutherford

      Anwoth, 14 januari 1632

       

    53. Aan mevrouw Kenmur
    54. Mevrouw!

      Ik weet, het zal u niet vermoeien noch aanstoten, al val ik u moeilijk met vele brieven; de oorzaak daarvan is, dat ik gedenk onder welke verbintenissen ik ben aan uw HoogEd. Misschien schrijf ik niet van pas, wegens dat ik uw tegenwoordige staat niet ken. Maar wat mij ook gezegd is, dat heb ik verstaan van M. W. D. dat u niet veranderd, noch vermoeid bent van uw zoete Meester, Christus, en van Zijn dienst; en ‘t zou u ook niet toestaan, omtrent Hem te veranderen, die daar rust in Zijn liefde. U bent onder een eervol gezelschap, en bij zulken, die naar grootsheid en hoffelijkheid staan. Mevrouw, als ik denk aan uw staat, zo meen ik te zien een onvoorzichtige vrijer, die te laat komt, om een bruid te zoeken, omdat ze al reeds aan een ander verloofd en vast is, en zo is dan het opschikken en pronken van een vrijer, die tot u uitkomt, alsof er zijn gelijke niet was, tevergeefs; de uiterlijke statie van deze bezige vrijer, een bedrieglijke wereld, komt nu in, om uw ziel te laat te zoeken, als u die al voor vele jaren aan Christus verloofd hebt. En ik weet, mevrouw, welk antwoord u nu met recht mag geven aan deze late aanzoeker, namelijk dit: u komt al te laat voor mijn ziel, de bruid is reeds weg, en het verdrag met Christus is al onderschreven, en Ik kan niet nalaten, of moet Hem eerlijk en getrouw zijn. Eerwaarde vrouw, bewaar uw eerste liefde, en houd het eerste huwelijkscontract met die zielvermakende en beminnelijke Bruidegom, onze zoete, zoete Jezus, schoner dan al de mensenkinderen, de roos van Saron, en de schoonste en zoetst ruikende roos in de gehele hof van Zijn Vader, niemand is Hem gelijk; ik zou niet een toelaching van Zijn vriendelijk aangezicht willen ruilen voor een koninkrijk. Mevrouw, laat anderen hun bekomst nemen van deze slechte, geringe hemel in dit leven; benijd hen niet; maar laat uw ziel het gelijk een eenzinnig en kwalijk gemanierd kind, op een pruilen zetten, gelijk wij plegen te spreken; of werp alles weg, en versmaad het, behalve een Enige; of Christus, of niemendal, uw Liefste, Jezus, zal wel tevreden zijn, dat u hier devoot hoogmoedig, en kwalijk te behagen bent, als een, die allemans veracht, behalve Hem; of u moet de Koning Zijn Zoon hebben, of geheel geen man. Dit is ootmoedige en waarde eerzucht. Wat hebt u met een hoerachtige en dwaze wereld dartel te spelen; uw jaloerse man zal ‘t niet goed nemen, dat u hem voorbij ziende naar een ander ziet; Hij zal waarlijk jaloers en aangestoten zijn, indien u een ander kust dan Hem Zelf. Mevrouw, wat zwarigheden u tot last zijn, weet ik niet, maar acht het een grote genade, dat uw Heere uw afzwervende gelegenheden van uw jeugd af als omtuind heeft, opdat ze niet van Hem mochten gaan afhoereren. Indien u Zijn bastaard was, Hij zou u zo niet tuchtigen, indien u was bestemd ter slachting, u zoudt vet gemaakt worden; maar wees tevreden, u bent Zijn tarwe, groeiende op onze Heere Zijn akker; Matth. 13:25,38; en indien u tarwe bent, zo moet u gaan onder onze Heere Zijn dorsvlegel, in de deur van Zijn schuur, en geschud worden in Zijn zeef, Amos 9:9; en u moet gaan door Zijn molen, om verbrijzeld te worden, gelijk het ging met de Overste van onze zaligheid, Jezus, Jes. 53:10, opdat u goed brood mag bevonden worden in het huis van onze Heere. De Heere Jezus zegene Zijn landbouw, en Hij scheide u van het kaf, dat de wind niet kan doorstaan. Ik ben verzekerd, uw glas gaat allengs ten einde; en indien u wist, Wie voor uw aangezicht is, u zoudt zich verblijden in uw verdrukkingen. Acht u het een kleine eer, te staan voor de troon Gods en des Lams, en in ‘t wit gekleed te worden en tot het Avondmaal van de bruiloft des Lams geroepen te worden, en tot de Fontein van de levende wateren geleid te worden, en te komen tot de Bron ervan, namelijk God zelf, en uw bekomst te krijgen van het klare, koude, zoete, verkwikkende water des levens, uit des Konings fontein, en uw nu zondige hand uit te steken naar de boom des levens, en te nemen en te eten de zoetste appel, die in dit hemelse paradijs Gods is, Jezus Christus, uw Leven en uw Heere. Hef uw hart op, juich van blijdschap; uw Koning komt, om u in Zijns Vaders huis te halen. Mevrouw, ik ben uitnemend zeer bezwaard; God acht het zo best voor mijn ziel, mij zo te oefenen, misschien om mij daardoor bekwaam te maken, om Zijn mond tot anderen te zijn. Ik zie en hoor niet anders dan stof van droefheid en moedbeneming, zowel binnen als buiten dit land, dat waarlijk mijn leven bitter maakt; ik hoop in God, dat ik nooit mijn wil in deze wereld zal krijgen, en ik wacht eerlang een vurige beproeving over de kerk; want zoveel mensen als er bijna zijn in Engeland en Schotland, zoveel valse vrienden van Christus zijn er, en zoveel rukken en trekken, om de kroon van Zijn heilig hoofd te rukken; en uit vrees, dat onze Liefste onder ons mocht vertoeven, alsof Zijn plaats begeerlijker was dan Hij Zelf, zo is ‘t alsof zij tot Hem zeiden, dat Hij zou gaan, en Zijn logement zoeken. Mevrouw, indien u een deel hebt, aan het slechte vriendeloze Zion, gelijk ik weet, dat u hebt, spreek een woord voor haar tot God en de mensen. Indien u niet anders kunt doen, zo spreekt voor Jezus, en u zult daardoor een getuige zijn tegen deze achterwaarts gaande eeuw. Nu leggende en latende u met mijn gehele hart op de Heere, en begerende een deel in uw gebeden, gelijk mijn Heere weet, dat ik u gedenk, zo geef ik uw lichaam en geest en al uw nooddruften over in de handen van uw Heere, en blijf voor eeuwig

      Uw HoogEd. in uw en mijn zoete Heere Jezus, Samuel Rutherford

      Anwoth, 23 febr. 1632

       

    55. Aan mevrouw Kenmur
    56. Mevrouw!

      Ik verblijd mij te horen, dat uw HoogEd. thuis komt naar dit land, dat zeer naar u verlangt; en ik hoop, mevrouw, dat u mijn vrijmoedigheid ten goede zult nemen, dat ik iets schrijf, niet tegen u, maar tegen uw onwilligheid, om thuis te komen. U kunt niet goed loochenen, dat dit is de standplaats waarin uw grote Bevelheer u geplaatst heeft, om uw strijd voor een tijd te strijden; en daarom roept uw Heere u herwaarts; en als Hij u voorgaat, en Zijn hand tot u uitsteekt, zo zou het beter zijn Hem te gehoorzamen, Die Zijn wil moet hebben, en geleid, dan gedreven en getrokken te worden, en het zou niet minder wijsheid zijn, de noodzaak te keren in een gewilligheid, inzonderheid als Hij roept, Die zegt, Hoogl. 4:8: kom bij Mij van de Libanon af, de vermakelijkste plaats in geheel Judea, bij Mij van de Libanon af. Dezelfde Heere gebiedt u tot Hem te komen van al de hoffelijke statie, en van de plezieren, waarin u bent; en verdubbelende het woord, bij Mij, bij Mij, zo stelt Hij het buiten twijfel, wanneer Zijn bruid weet, dat haar Bruidegom en Heere haar voorgaat, en haar leidt, zij Hem volgen zal van de Libanon af, zelfs naar de woestijn of elders. En daarom, mevrouw, aangezien Christus en u in dit land samen moet leven en wonen, omdat Hij u Zijn gezelschap niet weigert, zo weigert Hem Zijn wil niet. Wat vragen Gods kinderen er naar, waar zij zijn, indien hun Heere met hen is? Welke soldaat wordt niet beschuldigd als hij weigert zijn rang met de rest te houden, en in zijn plaats te blijven staan? Is het ons niet veiligst, als de Voorzienigheid voorgaat, dat wij dan volgen? Maar dat is ons kwaad; wij hebben een zwakke natuur die al te lekker zijnde wel wilde, een Voorzienigheid naar hun eigen zin verkiezen, daar wij toch maar kleine kinderen zijn, die niet weten wat hun goed is. Onze wijste Heere weet best, op welke weg Hij wil, dat wij wandelen zullen, en menigmaal als Hij ons Zijn poort toont, willen wij een poort hebben naar onze zin, en gelijk Elifaz zeide tegen Job, Hfdst. 15:12, hoewel in een misvatting, waarom rukt ons hart ons weg? Wij worden op een wagen gevoerd, tot hetgeen ons bedriegt; en nooit gaat die wagen te recht een voet voort, zo God die niet bestiert en leidt; maar uw HoogEd. mag wel verzekerd zijn, dat niets onze Heere aangenamer is, dan dat men achter Hem gaat, en niets Hem meer mishaagt, dan dat men ongemanierd voor Hem gaat, en de plaats neemt, dat onbillijkheid zou genoemd worden, indien wij zo handelden met een aards persoon, die tegelijk in bloed en in hoge plaats boven onze rang was. Mevrouw, kom dan thuis met Gods zegen, en met een stille en vreedzame geschiktheid van het hart, om daar te blijven, waar de Heere wil dat u zijn zult. Ik vertrouw in de Heere, dat Hij in het land van uw verdrukking met u zal zijn, en vervullen uw hart met blijdschap, en uw mond met gelach. Het is zo een korte weg, van dit land opwaarts tot de derde hemel, alwaar onze schat is, en onze wandel behoorde te wezen als in enig deel van ‘t land, dat ik gezien heb. Wat is er aan gelegen, waar wij zwerven, als wij van God niet afzwerven, en indien wij ‘s avonds thuis komen, daar wij in ons Vaders huis welkom zullen zijn? Ik heb gehoord, dat God u een kind gegeven heeft, of liever Hij heeft er u voor een tijd één geleend. God wil niet dat u ‘t zelf iets anders achten zult dan een geleende bloem; laat de bloem verwelken, wanneer het Hem belieft, die zomer en winter maakt, en laat de reuk daarvan u niet na aan ‘t hart gaan; op deze wijze zult u maken, dat uw Heere u lang ‘t gebruik ervan zal geven. Doch het zou wijsheid zijn, dat u dacht, dat geleende goederen geen eigendom zijn, en dat u alles wat God u geelt, zachtjes en als middelmatig u uw hand hield; uitgenomen alleen die grote gave Gods, Job 4:10. Hij is wel tevreden, dat u Hem met uw gehele hart, en in beide uw armen vast houdt; alles benevens Hem is geleend; maar Hij is eigendom; wij moeten andere dingen gebruiken, maar Hem genieten; nergens op neerzitten als op onze rustplaats, dan op Hem die daar is de steen, die in Zion gelegd is; al Gods vermoeide reizigers mogen met hun rug op Hem leunen. Ik ga niet verder om u niet te vermoeien. Maar ik ben zowel genegen, uw HoogEd. eens wederom in Galloway te zien eer ik er van scheid, dat indien het niet zou schijnen onbetamelijk mijn standplaats, ik zou graag te Edinburgh gekomen zijn, om u naar huis te begeleiden. Ik beveel uw reis aan een genadige Voorzienigheid, en het zoete pand dat u in de stad nalaat, beveel ik aan de Oude van de dagen, die lang leven kan geven, en uw ziel en persoon en wegen beveel ik in de bescherming van onze zoetste en liefste Heere Jezus.

      Uw HoogEd. zeer gedienstige en ootmoedig gehoorzame in de Heere, Samuel Rutherford

      Anwoth, 28 okt. 1632

       

    57. Aan mevrouw Kenmur
    58. Mevrouw!

      De oorzaak dat ik aan uw HoogEd. niet schrijf, is niet mijn vergeting van u, maar het missen van de gelegenheid van een bekwame brenger: want ik ben onder meer dan een enkele verbintenis, omtrent uw HoogEd. vriendelijk te zijn, immers in papier. Ik dank onze God door Christus, Die u weer thuis gebracht heeft tot uw land, van die plaats, waar u met uw ogen gezien hebt, ‘t geen uw Heere Zijn waarheid u tevoren geleerd heeft, te weten, dat wereldse heerlijkheid niet anders is dan een damp en schaduw, het schuim van ‘t water, of iets minder en lichter, ja niemendal, en dat onze Heere niet zonder reden in Zijn Woord gezegd heeft, 1 Kor. 7:31: de gedaante van deze wereld gaat voorbij; in welke plaats onze Heere de wereld vergelijkt bij een beeld in een spiegel; want zij is de spiegel van Adams kinderen. Sommigen komen tot de spiegel en zien daarin het schilderij van eer; en ‘t is maar een schilderij; want de ware eer moet groot zijn in Gods ogen; en anderen zien er in de schaduw van rijkdommen, en waarlijk maar een schaduw; want bestendige rijkdommen staan als een van de dienstmaagden van de wijsheid aan haar linkerhand, Spr. 3:16. En een derde soort ziet er in het aangezicht van geschilderde vermakelijkheden, en de aanschouwers willen niet geloven of het beeld dat ze in deze spiegel zien, een levend mens is, totdat de Heere komt en de spiegel in stukken breekt, en doet het aangezicht weg, en dan ontwaakt zijnde, gelijk Farao, zeggen ze: en ziet, het was een droom! Ik weet, dat uw HoogEd. uzelf weinig verschuldigd rekent aan de wereld, wegens het gunstig aanschouwen van een van die drie geschilderde aangezichten en geloofd zij de Heere, dat het zo is, ‘t is te beter voor u. Mevrouw, zij zijn niet waardig om uw ziel ten huwelijk te vrijen, als die naar een hoger huwelijk ziet, dan aan geschilderd leem getrouwd te zijn. Weet dan de plaats, waar uw Heere Jezus komt, om een bruid te vrijen, namelijk het is in de oven: want indien u een van Zions dochters bent waaraan ik nooit getwijfeld heb, sinds ik eerst gelegenheid had, om in uw HoogEd. zulke grote blijken van Gods genade te zien, zo is de Heere, die Zijn vuur in Zion, en te Jeruzalem Zijn oven heeft, Jes. 31:9, bezig, u te zuiveren in de oven; en daarom, wees weltevreden daarin te leven, en dagelijks een passement toe te doen, en te naaien aan uw bruiloftskleed, opdat u eindelijk mocht opgeschikt en versierd zijn als een bruid voor Christus, een bruid van Zijn Eigen oppronking, schoongemaakt naar de inwendige mens van het hart, vergetende uw Vaders huis, zo zal de honing grotelijks lust hebben in uw schoonheid, Ps. 45:12. Indien uw HoogEd. niet veranderd bent, gelijk ik hoop, dat u niet bent, zo geloof ik, dat u zichzelf acht te zijn van diegenen, die God deze menigte jaren beproefd en gelouterd heeft als zilver. Maar mevrouw, ik zal u een voorrecht tonen, welke anderen missen, en dat u hebt in deze staat. Degenen die in voorspoed zijn, en vet gemaakt worden met aardse vreugden, en toenemen in kinderen en vrienden, al is het Woord Gods tot hen geschreven tot hun onderwijzing, zo zijn er toch voor u, die in verdrukking bent, neem ten goede, mevrouw, dat ik dit zeg, van wie de Heere veel kinderen afgenomen, en anderszins veel geoefend heeft, enige hoofdstukken, enige bijzondere beloften in Gods Woord gedaan, die nooit zozeer de uwe zouden geweest zijn als zij nu zijn, indien u uw deel in dit leven had als anderen; en daarom zoveel vertroostingen, beloften en weldaden, als God de verdrukten aanbiedt, die zijn als zoveel liefdebrieven aan u geschreven. Neem die voor u, mevrouw, en eigen uw recht, en laat ze u niet ontnemen. Het is geen kleine troost, dat God enige Schriftuurplaatsen aan u geschreven heeft, die Hij niet aan anderen geschreven heeft, u schijnt in deze eerder te benijden, dan te beklagen; en u bent in deze waarlijk als ‘t volk van een andere wereld, en als degenen die boven de gewone rang zijn van ‘t menselijk geslacht, die onze Koning en Heere, onze Bruidegom Jezus, in Zijn liefste brief aan Zijn beminde bruid genoemd heeft nevens al de anderen, en heeft Zijn vertroostingen en hartelijke groetenissen geschreven, namelijk Jes. 56:4,5; Ps. 147:2,3. Lees deze en diergelijke, en denk dat uw God is gelijk een vriend, die een brief zendt aan een heel huis en familie, maar tot sommigen met namen spreekt, die Hem ‘t liefst zijn in het huis; u bent dan, mevrouw, van de liefste vrienden van de Bruidegom. Indien ‘t geoorloofd was, ik zou u benijden, dat God u zo boven vele van Zijn lieve kinderen geëerd heeft. Het is dan uw plicht; mevrouw, in deze gevallen, aangezien God niets van u neemt, dan ‘t geen Hij willig is te vervullen met zijn eigen tegenwoordigheid, dat Hij begeert, dat uw Heere Zijn Eigen plaats neemt, en dat Hij het ja op Zich neemt, in te komen in de plaats van dode kinderen. Al wat u te zeggen hebt, is: Jehovah, ken Uw Eigen plaats, en neem ze voor U. Mevrouw, ik stel mij zeker voor, dat deze wereld u is als een vreemde herberg, en dat u bent gelijk een reiziger, die zijn pak op zijn rug, en zijn staf in zijn hand, en zijn voeten op de dorpel van de deur heeft. Ga voort, eerwaarde en uitverkorene vrouw, in de kracht van uw Heere, laat de wereld thuis blijven, en ‘t huis bewaren, met uw aangezicht naar Hem, Die meer naar een gezicht van u verlangt, dan u kunt doen naar Hem. Het zal niet lang aanlopen, of Hij zal ons zien. Ik hoop u te zien alzo blij lachen in de namiddag, als u getreurd hebt ‘s voormiddags. De hand des Heeren, de hand des Heeren zij met u op uw reis. Wat hebt u hier te doen? Dit is uw rustberg niet; sta dan op, en zet uw voet op de berg, ga op uit de woestijn, liefelijk leunende op de schouderen van uw Liefste. Hoogl. 8:5. Indien u wist, wat een welkom u krijgen zult, als u thuis komt, u zoudt uw gang verhaasten; want u zult zien, dat uw Heere Zijn heilige hand op uw aangezicht legt, en al de tranen van uw ogen afwist, en dan vertrouw ik, zult u enige vreugde van het hart hebben. Mevrouw, ‘t papier eist eerder, dat ik eindig, dan mijn genegenheid. Gedenk de staat van Zion, bid, dat Jeruzalem mag wezen, gelijk Zacharia profeteerde, Zach. l2:3, een lastige steen voor allen, dat allen die zich buigen, om die steen uit de weg te rollen, mogen kwetsen en breken de banden van hun lendenen, en verwringen hun armen, en trekken hun schouderbladen uit ‘t lid; bid de Heere, dat de steen steeds mag liggen op zijn eigen plaats, en vast blijven aan de Hoeksteen. Ik hoop, het zal zo zijn; Hij is een kunstig Bouwmeester, die hem gelegd heeft. Ik wilde wel, mevrouw, dat u mij in mijn grote bezwaardheid van het hart verkwikte met weinig regelen schrift van uw HoogEd. pen, dat ik laat aan uw wijsheid. Mevrouw, ik zou niet schijnen mijn plicht te doen, zo ik u niet zei, hoe door de stad van Kirkudbright grote verzoeken zijn gedaan, om ‘t gebruik van mijn geringe arbeid onder hen te hebben; indien de Heere zal roepen, en Zijn volk zal schreeuwen, wie ben ik, dat ik zou weerstaan? Maar zonder dat ik Zijn roeping zie, en voordat de kudde, over welke ik nu opziener ben, voorzien zij met een, die ik Christus bruid durf vertrouwen, zo zal goud noch zilver noch gunst van mensen mij niet losmaken. Ik laat af, biddende ernstiger, dat genade en barmhartigheid met u zij, en over u vermenigvuldigd zij hier en hierna, dan mijn pen kan uitdrukken. De Heere Jezus zij met uw geest.

      Uw HoogEd. zeer gehoorzame in de Heere, Samuel Rutherford

      Kirkudbright

       

    59. Aan mevrouw Kenmure
    60. Mevrouw!

      Na mijn toewensing van genade en barmhartigheid van God onze Vader, en van onze Heere Jezus Christus, zo verlang ik uw HoogEd. te zien, en te horen, hoe het met u gaat; ik gedenk u, en breng u en uw noden voor Hem, Die machtig is, u te bewaren, en onberispelijk te stellen voor Zijn aangezicht met blijdschap; en mijn gebed tot onze Heere is, dat u krank van liefde tot Hem mag zijn, Die uit liefde gestorven is, namelijk uw Zaligmaker Jezus. O hoe zoet zou die krankheid zijn, zielekrank te zijn naar Hem! En het zou een levende dood zijn, te sterven in het vuur van de liefde tot die ziel-liefhebber Jezus. Mevrouw, indien u Hem liefhebt, zo zult u Zijn geboden bewaren, en dit is niet een van de minste, dat u uw hals blijmoedig en gewillig legt onder Jezus Christus’ juk; want ik vertrouw, dat uw HoogEd. in ‘t eerst met de Zoon Gods zo besloten en overeengekomen bent, dat u Hem op deze voorwaarde zoudt volgen, dat u door Zijn genade als Christus’ krijgsknecht verdrukkingen en kwellingen zoudt verdragen, zij zijn Jezus niet waardig, die omwille van hun Meester niet een slag willen dragen; want onze heerlijke Vredemaker, als Hij kwam om de vriendschap tussen God en ons te maken, werd van God geslagen en verbrijzeld; ook heeft de zondige wereld Hem geslagen, en gekruisigd; nochtans nam Hij de vuistslagen van beide partijen aan; en ere zij onze Heere Jezus, Hij wilde om dat alles ‘t veld niet verlaten, voordat Hij vrede tussen de partijen gemaakt had. Ik verzeker mij, dat uw lijden maar is gelijk dat van uw Zaligmaker, ja onvergelijkelijk minder en lichter, dat genoemd wordt een verpletteren van Zijn verzenen, Gen. 3:15, een wond die ver van ‘t hart is. Uw leven is met Christus in God verborgen, Kol. 3:3, en daarom kunt u er niet van beroofd worden. Onze Heere behandelt ons, gelijk vaders hun jonge kinderen; zij leggen de juwelen op in een plaats, boven het bereik van de korte arm van hun kinderen; anders zouden de kinderen hun handen uitsteken, en die afnemen en ras verliezen; zo heeft onze Heere gedaan met ons geestelijk leven; Jezus Christus is de hoge koffer, waarin onze Heere ons leven verborgen heeft: wij kinderen zijn niet bekwaam, om met onze arm zo hoog te reiken, dat wij dat leven zouden afnemen, en verliezen; het is in de hand van onze Christus. O lang, lang moet Jezus de Heerbewaarder van ons leven zijn; en zalig zijn ze, die met de apostel 2 Tim. 1:12 hun ziel in Jezus’ hand kunnen te pand leggen; want Hij is machtig dat te bewaren, dat Hem te pand toevertrouwd is tot op die dag; zolang dan, mevrouw, als dit leven niet beschadigd is, zo zijn al de andere kwellingen, maar steken in de verzenen; ik vertrouw, u zult ras genezen zijn. U weet, mevrouw, dat de koningen enige knechten in hun hof hebben, die niet, terstond hun loon in hun hand krijgen, maar leven op hun hoop. De Koning der koningen heeft ook dienaars in Zijn hof, die voor tegenwoordig weinig of niet ontvangen, dan het zware kruis van Christus, kwellingen van buiten en verschrikkingen van binnen, maar zij leven op hoop; als het tot een scheiden komt van de erfenis, blijven zij in het huis als erfgenamen. Beter is het zo te zijn, dan terstond betaling. Een deel in dit leven, en erfenis in de wereld te krijgen, wat noem ik het een erfenis, ik wil het die eer niet geven, het is eerder een pachtland, en dan eindelijk uit Gods huis uitgeworpen te worden met dit woord: u hebt uw vertroosting ontvangen, u zult niet meer krijgen. Helaas! Wat krijgen zij? De rijke brassershemel; doch onze Heere maakt dat uit voor een slechte hemel Luk. 16, hij leefde vrolijk, en at alle dag lekkerlijk, zegt onze Heere. Och niet meer! Een sobere hemel! Waarlijk niet meer, dan dat hij in purper gekleed was, en dat is ‘t alles! Ik stel mij zeker voor, mevrouw, dat u blijdschap hebt, wanneer u denkt, dat uw Heere genadelijker met uw ziel gehandeld heeft; u hebt weinig gekregen in dit leven; dat is waar; zo hebt u meer te eisen, ja u hebt alles te eisen; want u krijgt niet meer, dan enige smaak van de eerstelingen, en enige kussen van de mond van Hem, Die uw ziel liefheeft, maar ik kan u niet zeggen, wat er nog komen zal; doch ik mag er van spreken, gelijk onze Heere doet; het fundament van de stad is zuiver goud, helder als kristal; de twaalf poorten zijn bezet met kostelijke gesteenten, indien boomgaarden en rivieren een stuk land aanprijzen, daar is een paradijs, waarin de boom des levens groeit, die twaalfderlei vruchten iedere maand draagt, dat honderd vierenveertig rijpe oogsten in het jaar is; en aldaar is een zuivere rivier van het water des levens; voortkomende van de troon Gods en van het Lam. En de stad heeft het licht van de zon of maan, of van de kaars niet nodig; want de Heere God de Almachtige en het Lam is daarvan het licht. Mevrouw, geloof en hoop hierop, totdat u ziet en geniet. Jezus zegt in het Evangelie, kom en zie; en Hij is neergekomen op de wagen van de waarheid, waarop Hij door de wereld rijdt, om de mensen hun zielen te overwinnen, Ps. 45:5, en Hij zegt nu in het Woord: wie wil met Mij gaan? Wilt u gaan? Mijn Vader zal u verwelkomen, en geven u plaats in ‘t huis: want in Mijns Vaders huis zijn vele woningen. Mevrouw, sta toe met Hem te gaan. Aldus u bevelende aan Gods dierbaarste genade, blijf ik

      De uwe in de Heere Jezus, Samuel Rutherford

      Anwoth

       

    61. Aan mevrouw Kenmur
    62. Mevrouw!

      Ik ben nu bevreesd, gelijk vele anderen zijn, dat de bruid van onze Heere Jezus in het zitten van ons parlement, hard zal gehandeld worden; en het moet zo zijn, aangezien het valse en afwijkende Schotland, dat onze Heere van de mesthoop nam en uit de hel, en tot een schone bruid voor Zichzelf maakte, haar trouw gebroken heeft aan haar zoete Man, en het voorhoofd van een hoer aangedaan heeft; en daarom zegt Hij, dat Hij zal weggaan. Och, of wij onszelf konden opwekken, om Hem aan te grijpen, Die, zwaar getergd zijnde door ‘t geen Hem bejegend is, gereed is, weg te gaan. Helaas, wij vallen Hem niet moeilijk met gebeden, en smekingen, om onder ons te verblijven; indien wij maar achter Hem konden wenen, en met een heilige hardnekkigheid des geloofs met Hem worstelen, en zeggen, wij willen U niet laten gaan, misschien zou Hij, Die licht is te verbidden, Zich dan nog vernederen, niettegenstaande onze hoge tergingen, om te blijven, en te weiden onder de leliën, totdat die schone en wenselijke dag aanbreekt, en de schaduwen vlieden. Och, wat is er reden van treuren? Wanneer ons goud is verduisterd, en het aangezicht van onze Nazareners weleer witter dan de sneeuw, nu zwarter geworden is dan een kool, en het huis van Levi, weleer bij goud te vergelijken, nu veranderd, en de vaten gelijk geworden is, in welke men geen lust heeft. Mevrouw, denk hieraan, opdat wanneer onze Heere, Die Zijn neusdoek gereed heeft, om al de tranen van de treurigen in Zion af te vegen, Hij ook de uwe onder anderen in het voorbijgaan afveegt; ik ben vol van vertrouwen, mevrouw, dat onze Heere nog uit onze verworpene en verstrooide stenen een nieuw huis voor Zichzelf zal bouwen: want onze Bruidegom kan geen vrouw missen. Kan Hij leven als een weduwnaar? Neen, Hij zal ons beiden, de kleine jonge zuster, en de oudere zuster, de Kerk van de Joden, omhelzen; en daar zal nog een dag toe zijn, en daarom hebben wij reden, om blijde te zijn, Ja om te zingen, en te juichen van blijdschap. De Kerk heeft altijd sinds ‘t begin van de wereld, aan een dunne draad gehangen, en al de handen van de hel en van de goddelozen hebben altijd aan die draad getrokken; maar God zij dank; zij breken alleen hun armen door het trekken, maar de draad is niet gebroken; want de zoete vingeren van onze Heere Christus hebben ze gesponnen, en gedraaid. O Heere, houd de draad geheel! Mevrouw, wek uw man op, dat hij ‘t verbond aangrijpt, en goed doet. Wat heeft hij met de wereld te doen? Zij is zijn erfenis niet. Verzoek hem dat hij zich naar huis begeeft, en zijn hand aanlegt, om een steen of twee op de muur van Gods huis te leggen, eer hij van hier gaat. Ik heb ook gehoord, mevrouw, dat uw kind gestorven is; maar ‘t is best, te hebben of te missen, zoals ‘t Hem gelieft. Acht het gelijk, of zij bij u, of in Gods bewaring is; ja acht het vrij beter; dat ze bij Hem is: ik vertrouw in de Heere, dat er iets voor u opgelegd en bewaard is: want onze vriendelijke Heere, Die u gewond heeft, zal zo wreed niet zijn, dat Hij de smart van uw verse wond niet zou genezen; en daarom, eigen Christus steeds voor uzelf, en houd Hem als uw enige nodige. Dus ophoudende, beveel ik UEd., uw ziel en geest als te pand aan Hem, Die al Zijns Vaders panden bewaart, en daarvan getrouwe rekenschap zal geven, namelijk aan de Schoonste onder de mensenkinderen, onze zoete Heere Jezus, de schoonste, de zoetste, de lieflijkste roos in ‘t ganse grote veld van Zijn Vader, en de reuk van die Roos parfumere uw ziel!

      Uw HoogEd. in zijn zoetste Heere Jezus, Samuel Rutherford

      Anwoth, 1 april 1632

       

    63. Aan mevrouw Kenmur
    64. Mevrouw!

      Ik had besloten, en was ook begerig, uw HoogEd. te komen zien; maar ik kon niet vanwege een pijn in mijn arm. Ik weet, u zult het niet toeschrijven aan enige ongevoeglijke vergeting van uw HoogEd., van welke ik op mijn eerste inkomen in mijn beroep in dit land, en ook daarna zo’n troost in mijn verdrukking heb ontvangen, dat ik in de Heere vertrouw, het nooit te zullen vergeten; en ik zal het door Zijn genade trachten te vergelden op de enige weg, die mij mogelijk is, namelijk, door uw ziel, persoon, huis, en al uw noden door ‘t gebed voor te houden aan Hem, Wiens ik hoop dat u bent, en Die machtig is, u te bewaren tot die dag van de verschijning, en u voor Zijn aangezicht te stellen met vreugde. Ik vertrouw dat uw HoogEd. voortgaat in de begonnen reis naar het huis en koninkrijk van uw Heere en Vader; hoewel u geen verzoekingen van binnen en van buiten ontbreken. En wie onder de heiligen heeft ooit dat kasteel ingenomen zonder slag van ‘t zwaard? Daar zelfs de voornaamste van dat huis, onze oudste Broeder, onze Heere Jezus, niet is uitgenomen, die Zijn Eigen huis, dat Hem uit kracht van geboorte toekwam, met veel bloed en vele slagen ingenomen heeft. Uw HoogEd. heeft meer nodig op uzelf te letten, omdat onze Heere u hoger dan de rest gesteld heeft, en omdat uw weg door een wilder en woester woestijn ligt dan de weg van velen van uw medereizigers, niet alleen door ‘t midden van dit doornige bos, de lastige wereld, maar ook door die gevaarlijke paden, de ijdele eer ervan, waarvan de aanmerking mij menigmaal bewogen heeft om medelijden te hebben met uw ziel, en met de ziel van uw waarde en edele man. En het is zwaarder voor ulieden naar de hemel te geraken, zijnde schepen van groter last, en in de ruime zee, dan voor kleine schepen, die niet zozeer de stormen hebben te ontzien en te vrezen, omdat zij gerust in hun haven kunnen komen, door langs de oever te zeilen. Waarom u dan veel doet, indien u in ‘t midden van zo’n geraas van bezigheden en drang van verzoekingen, Christus Jezus Zijn Eigen hof en behoorlijke plaats in uw ziel geeft. Ik weet en ben verzekerd, dat die beminnelijke Jezus u liever is dan vele koninkrijken, en dat u Hem houdt voor uw Liefste, en voor Degene, Die de banier draagt boven tienduizenden, Hoogl. 5:10. En het past Hem volkomen wel, de opperste plaats in uw ziel te nemen, boven de gehele wereld; ik kende en zag Hem met u in de oven van de verdrukking: want daar vrijde Hij u voor Zichzelf, en verkoos u om de Zijne te zijn, en nu eist Hij geen ander loon van u, dan uw liefde, en dat Hij geen reden mag krijgen, over u jaloers te zijn. Daarom, lieve en waarde vrouw, wees de verse rivier gelijk, die zijn zoete smaak houdt in de zoute zee. Deze wereld is uw ziel niet waardig; geef ze niet een goede dag, als Christus en die tegen elkaar komen te staan. Weest als een van een ander land; gaat naar huis toe en vertoeft niet; want de zon is al laag, nabij de toppen van de bergen, en de schaduwen zijn in grote lengte uitgestrekt; vertoeft niet bij de weg; de wereld en de zonden wilden u wel omringen, en u terzijde doen afwijken; verlaat de weg niet om harentwil; en de Heere Jezus zij met u op de reis! Mevrouw, vele ogen zijn op u, en velen zouden zich verblijden, als uw HoogEd. het werk en de plicht van een Christen, en van een goed belijder verdierf. De Heere Jezus doe haar goddeloze begeerten te niet, en houd uw geweten heel zonder een scheur! Indien er een gat in is, zodat ze water schept door het lek, zij zal bezwaarlijk weer verbeterd worden. Het geweten is een kostbaar schepsel, en een zonderling stuk werk van uw Maker, daarom handel er zachtjes mee, en houd het geheel, opdat uw HoogEd. Christus wel mag onthalen in ‘t midden van de eer van deze wereld, en welk schepsel ook dat u bevindt naar Hem niet te rieken, laat het voor u geen betere smaak hebben dan het wit van een ei. Mevrouw, het is een deel van de waarheid van uw belijdenis, gedurig in de oren van uw edele man enige woorden te druipen van de eeuwigheid, van ‘t oordeel, van de dood, hel, hemel, van de eerwaarde belijdenis, en van de zonden van zijns vaders huis: hij moet met God rekenen over zijns vaders schuld; de rekening te vergeten betaalt geen schuld; ja de interest van een vergeten schuldbekentenis loopt bij God op tot interest op interest. Ik weet, hij heeft zijn oog naar huis toe, en hij heeft de waarheid lief: maar ik beklaag hem van hart vanwege zijn veelvuldige verzoekingen; de Satan legt de mens een last van zorgen op. Last op last, en hij maak van de ziel en de mensen, als zij geheel op deze wereld gezet zijn, een lastdragend paard; wij zijn de duivel zo’n dienst niet schuldig; het zou wijsheid zijn die last in de drek te werpen, en al onze zorgen op God te leggen. Mevrouw, denk, dat u geen kind hebt; onderschrijf een schuldbekentenis aan uw Heere, dat ze de Zijne zal zijn, indien Hij haar neemt, en dat dankzegging, lof en eer voor Zijn heilige Naam, de interest zal wezen, voordat Hij haar een jaar geleend heeft. Zie kruisen tegemoet, en verbeter de zeilen van ‘t schip, terwijl het schoon weer is. Nu, hopende dat uw HoogEd. mij mijn verdrietelijkheid zal vergeven, zo beveel ik uw ziel en persoon aan de genade en barmhartigheid van onze zoete Heere Jezus, in Wie ik ben

      Uw HoogEd. zeer gedienstige en gehoorzame in Christus, Samuel Rutherford

      Anwoth, 15 nov. 1633

       

    65. Aan mevrouw Kenmur
    66. Mevrouw!

      Hebbende een brief ontvangen van enige van de waardigste leraars in dit koninkrijk, de inhoud waarvan ik verzocht ben mee te delen aan zulke belijders in deze kwartieren, die ik weet dat de schoonheid van Zion beminnen, en die bedroefd zijn, dat ze de Heere Zijn wijngaard onder de voeten getreden zien door de wilde beren in ‘t woud, die ze verwoesten, zo kon ik niet nalaten, ook uw HoogEd.’s hulp te verzoeken, om u met de anderen te voegen, met begeerte, dat u ze aan mijnheer uw man, meedeelde, en indien u het nodig bevindt, zal ik aan zijn HoogEd. schrijven. nadat Mr. G. G. mij daarvan kennis zal geven. Weet dan, dat de best genegen van de leraars het bekwaam en nodig gevonden hebben, in zo’n tijd als deze is, dat allen die de waarheid liefhebben, hun gebeden zouden samenvoegen, en met verootmoediging en vasten tot God roepen. De tijden die bestemd zijn, zijn de twee eerste Sabbatten van de naastkomende Februari, en de zes dagen tussen die sabbatdagen komende, naardat men bekwaamheid daartoe mocht hebben; en dan de eerste sabbat van elk kwartaal; en de oorzaken, zoals zij mij geschreven zijn, zijn deze: Vooreerst, behalve de ellenden van de Gereformeerde kerken buiten ‘s lands, de veelvuldig heersende zonden van onreinheid, goddeloosheid en onrechtvaardigheid in dit land, de tegenwoordige oordelen op het land, en veel meer plagen, die over ons hoofd hangen, waarover weinigen gevoelig zijn, of nog de rechte en ware oorzaak weten. Ten andere, de beklaaglijke en erbarmelijke staat van een heerlijke kerk in zo korte tijd tegen zoveel verbintenissen, vervallen in leer, Sacramenten en tucht, zozeer vervolgd in de personen van getrouwe herders en belijders, wegens dat de deur van Gods huis door de bastaardportiers zo nauw toegehouden wordt, dat treffelijke instrumenten, bekwaam tot het werk, aan de deur gehouden worden, omdat de heersers de godsdienst in een politie veranderd hebben, en de menigte van het volk gereed is de godsdienst aan te nemen, die door de oppermachten zal gelast worden aan te nemen. Ten derde, behalve dat wij onder een noodzakelijkheid zijn, van Gods toorn af te bidden, en God in oprechtheid nieuwe gehoorzaamheid te beloven, zou men in onze verootmoediging belijden de zwakheid, koudheid, stilzwijgendheid en lauwheid van sommige van de beste leraars, en de dodigheid van de belijders, die ons de waarheid beide heimelijk hebben laten ontstelen, en openlijk ontrukken. Ten vierde, men zou belijden de godsverzaking, afgoderij, onheiligheid en ijdelheid; men zou ‘t hart van de koning God aanbevelen, en God bidden, dat Hij ‘t hart van de edelen en van ‘t volk wilde verwekken, om van hun kwade wegen te keren. Dus hopende, mevrouw, dat u zichzelf met de anderen zult voegen, opdat zo’n werk niet verzuimd wordt op zo’n nodige tijd, wanneer onze Kerk aan ‘t ondergaan is, zo zal ik mij uw hulp beloven, nadat de Heere u in heimelijkheid en voorzichtigheid zal bekwaam maken, opdat uw HoogEd. zich met de Heere Zijn volk mag verblijden, wanneer de verlossing zal komen: want ware en oprechte verootmoediging heeft altijd bij God succes gehad. En wat kunnen wij anders voor wapenen gebruiken dan ‘t gebed en ‘t geloof wanneer de oppermachten, de koning, ‘t hof en de kerkelijken de waarheid tegenstaan? Waardoor er dan grond van hoop is, indien wij met hem worstelen, dat degenen, die de lastige steen uit zijn plaats wilden weren, hun rug maar zullen bezeren, en de steen zal niet bewogen, immers niet uit zijn plaats geweerd worden, Zach. 12:3. Genade, genade zij met u van Hem, Die u geroepen heeft tot de erfenis van de heiligen in het licht.

      Uw HoogEd. ootmoedig gehoorzame in zijn zoete Heere Jezus, Samuel Rutherford

      Anwoth, 23 januari 1634

       

    67. Aan mevrouw Kenmur
    68. Mevrouw!

      Na aanbieding van alle ootmoedige en gedienstige gehoorzaamheid in onze Heere Jezus. Ik vertrouw, dat ik uw HoogEd. niet veel behoef te bidden, dat u naar Hem zoudt zien, Die u op deze tijd geslagen heeft; maar mijn plicht, (in de geheugenis van de troost, die ik in uw HoogEd. vriendelijkheid bevond, wanneer ik niet minder bezwaard was in een dergelijk geval,) gelast mij nu iets tot u te spreken; en ik wens, dat ik UEd. immers met woorden wat verlichten kan. Ik ben verzekerd, dat uw Medicijnmeester u niet zal doden, maar zuiveren, en dewijl Hij Zich noemt de Heelmeester, Die de wonden maakt, en weer verbindt, want een wond door te vlijmen is niet de patiënt te doden, maar te genezen, Deut. 32:30; 1 Sam. 2:6; Job 6:18; Hosea 6:1; zo geloof ik, dat het geloof u zal leren, een slaande Heere te kussen, en te erkennen, dat de soevereinheid Gods, in de dood van een kind, boven de macht van ons sterfelijke mensen is, als die een bloem mag afplukken in het uitbotten, zonder daarover berispt te worden. Indien onze lieve Heere één van Zijn rozen afplukt, en zure en groene vrucht aftrekt, voordat de oogst is, wie kan Hem beschuldigen? Want Hij zendt ons in deze wereld als mensen naar een markt, waarop sommigen vele uren lang staan, en eten, en drinken, kopen, en verkopen, en wandelen door de markt, totdat zij moe zijn, en zulken zijn het, die lang leven, en hun hartelijk bekomst krijgen van het leven. Wederom anderen komen op de markt, in de morgen, en zij zitten, en zij staan niet, zij kopen en verkopen niet, maar zij zien maar een weinig rond, en terstond gaan zij weer naar huis, en zulke zijn de jonge kinderen, die hun korte markt eindigen in de morgen, en maar een klein gezicht van de markt krijgen. Onze Heere, die ‘t getal van de mensen hun maanden geteld, en hem palen gezet heeft, die hij niet kan overtreden, Job 14:5, heeft de lengte van onze markt beschreven, en het is lichter van ‘t besluit te klagen, dan het te veranderen. Ik geloof waarlijk, wanneer ik dit schrijf, dat uw Heere UEd. geleerd heeft uw hand op uw mond te leggen. Maar ik zal mij wachten, van UEd. of iemand anders te verzoeken, om een kruis als een oud onbruikbaar schrift ter zijde te werpen, als maar bekwaam voor het vuur, maar eerder zou ik wensen, dat elk kruis zevenmaal in ‘t aangezicht gezien, en weer over en over gelezen werd: Het is de Heere Zijn bode, en ‘t spreekt iets, en de man van verstand zal de roede horen, en wie ze besteld heeft. Proef hoe de Heere Zijn drinkbeker smaakt, en drink met Gods zegen, opdat u er door mag groeien. Ik vertrouw in de Heere, wat het ook anders mag spreken tot uw ziel, dit is er een woord van, Job 6:17, Gelukzalig is de mens, dewelke God straft, en dit zegt het tot u. U bent van huis, terwijl u hier bent; u bent niet van deze wereld; gelijk uw Verlosser Christus niet van deze wereld was. Daar wordt iets voor u bewaard, dat waardig is, dat men ‘t heeft. Alles wat hier is, is ter dood veroordeeld, het moet weggaan gelijk een sneeuwbal voor een zomerzon; en sinds de dood eerst bezitting nam van iets van ‘t uwe, is hij genaderd, en hij kruipt dagelijks nader en nader tot uzelf, hoewel hij geen geraas met de voeten maakt. Uw Landman en Heere heeft reeds enige takken afgekapt; de boom zelfs staat verplant te worden naar de opperhof; ‘t zij op de goede tijd; onze Heere make UEd. rijp. Al de kruisen, (en waarlijk, als ik er aan denk, zij zijn zwaar en vele; vrede, vrede zij het eind ervan!) zijn om u wit en rijp te maken voor de Heere Zijn oogstmes. Ik heb gezien, dat de Heere u gespeend heeft aan de borsten van deze wereld: nooit was het Zijn zin, dat ze uw erfdeel zou zijn; en God zij er voor gedankt, u gelijkt temeer naar een van de erfgenamen. Laat de meubelen gaan, waarom niet? Zij zijn de uw niet; vestig uw greep op de erfenis, en onze Heere Jezus make de erfbrieven zeker, en geve UEd. te groeien als een palmboom op de berg van Gods Zion; al worden ze door de winden geschud, de wortel is evenwel vast. Dit is al wat ik doen kan, u aan uw Heere te bevelen, die u in Zijn handpalmen gegraveerd heeft; indien ik meer kon doen, uw HoogEd, mag mij geloven, ik zou het graag doen. Ik vertrouw, dat ik uw HoogEd. binnenkort zien zal. Nu, Hij die u geroepen heeft, versterke en bevestige uw hart in genade tot de dag van de vrijheid van de kinderen Gods.

      Uw HoogEd. ootmoedige gehoorzame in zijn zoete Heere Jezus, Samuel Rutherford
      Anwoth, 29 april 1634

       

    69. Aan mevrouw Kenmur
    70. Zeer edele en waarde vrouw!

      Zo menigmaal als ik mij de vertroostingen te binnen breng, die ik zelf, een arme vriendeloze vreemdeling, van uw HoogEd. hier in een vreemd deel van ‘t land ontvangen heb, als mijn Heere mij de lust mijner ogen afnam, gelijk het woord spreekt, Ezech. 24:16, welke wond alsnog niet ten volle hersteld en genezen is, zo vertrouw ik, dat de Heere dit zal gedenken, en geven u nu troost in zo’n tijd als in deze is, waarin uw liefste Heere u tot een weduwe gemaakt heeft, opdat u een vrije vrouw voor Christus mag zijn, die nu de huwelijksliefde van u verzoekende is; en daarom, omdat u alleen in uw bed ligt, zo laat Christus als een bundelken mirre zijn, om tussen uw borsten de ganse nacht te liggen, Hoogl. 1:13, en dan is uw bed beter vervuld dan te voren. En aangezien dit onder al de kruisen, waarvan in het Woord van onze Heere gesproken wordt, u een bijzonder recht geeft, om God uw Man te maken, Die zo de uwe niet was, terwijl uw man leefde, zo leest Gods goedertierenheid uit deze bezoeking. En hoewel ik uit enige ervaring moet zeggen, dat het treuren over de man van uw jeugd, naar Gods eigen getuigenis, de grootste wereldse droefheid is; en hoewel dit de zwaarste last is, die ooit op uw rug lag; zo weet ik toch wanneer de plaats leeg gemaakt is, en uw man nu in de Heere ontslapen is, dat indien u op Hem zult wachten, die Zijn aangezicht voor een tijd verbergt, Gods eer en waarheid vereist, dat Hij de plaats vervult, en een man is voor de weduwe. Zie, en merk dan, wat u verloren hebt, en hoe weinig het is. Daarom, mevrouw, laat mij u bidden door de innerlijke bewegingen van Jezus Christus, en door de vertroostingen van Zijn Geest, en door uw verschijning voor Hem, dat u nu God en de mensen, en de engelen laat zien, wat in u is. De Heere heeft het vat doorboord, nu zal bekend worden, of er wijn of water in is; laat uw geloof en lijdzaamheid gezien worden, opdat het bekend worde dat uw enige Beminde eerst en laatst geweest is Christus. En daarom besteed nu uw gehele liefde op Hem; Hij alleen is een gevoeglijk Voorwerp voor uw liefde en voor al de genegenheden van uw ziel. God heeft een beekje van uw liefde opgedroogd, door uw man weg te nemen, laat nu die springader op Christus lopen. Uw Heere en Liefhebber heeft uw man zijn naam en uw naam genadig uitgenomen uit de dagvaardingen, die op ‘t bevel van de schrikkelijke zonden-wrekende Richter van de wereld gedaan zijn tegen het huis van de Kenmur. En ik durf zeggen, dat Gods hamerslag op u van uw jeugd af aan, alleen is, om u een schone, wel behouwen steen te maken in de hoge oppertempel van het nieuwe Jeruzalem. Uw Heere achtte de ijdele geschilderde heerlijkheid van deze wereld geen gift, die u waardig was, en daarom wilde Hij ze niet aan u besteden, omdat Hij u een beter deel zal toebrengen. Laat de meubelen gaan, de erfenis is uwe; u bent een kind van het huis, en de vreugde is voor u opgelegd: zij is lang op weg, maar daarom niet te erger. Ik verwacht nu te zien, en dat met blijdschap en troost, ‘t geen ik van u gehoopt heb, sinds ik u ten volle kende, namelijk, dat u zo’n sterkte hebt gelegd op de Heilige Israëls, dat u de verdrukkingen uittart, en dat uw ziel een kasteel is, dat mag belegerd, maar niet kan ingenomen worden Wat hebt u hier te doen? deze wereld heeft nooit als een vriend op u gezien; u bent haar maar weinig liefde schuldig; zij heeft altijd als zuur op u gezien: al wilde u ze vrijen, zij zal met u niet trouwen, en daarom zoekt nooit warm vuur onder koud ijs. Dit is geen veld, waar uw gelukzaligheid groeit; zij is daarboven, alwaar is een grote schare, die niemand tellen kan, uit alle natie, geslachten, volken en talen, staande voor de troon, en voor het Lam, bekleed zijnde met lang witte klederen, en palmtakken zijn in hun handen, Openb. 7:9. Hetgeen u hier niet kon krijgen, zult u daar vinden. En merk meteen hoe uw Heere u in al deze beproevingen, en waarlijk zij zijn vele geweest, aan de wortel losgemaakt heeft van deze vergankelijke dingen, en heeft u als nagejaagd, om uw ziel te grijpen: Mevrouw, om Gods Zoons wil laat Hem Zijn greep niet missen, maar blijf steeds in de liefde Gods, gelijk Judas zegt, vers 21. Nu Mevrouw, ik hoop, uw HoogEd. zal dit schrijven ten goede nemen; en waarin ik gefeild of tekort ben gekomen, in geen blijk te geven van ‘t geen ik verbonden was aan uw HoogEdelheid, meer dan onverdiende liefde en genegenheid, daarvoor verzoek ik volle vergeving; wederom, mijn lieve en HoogEdele vrouw, laat mij u bidden, dat u uw hoofd opheft; want de dag van uw verlossing nadert; en gedenk, dat die ster, die scheen in Galloway, nu in een andere wereld schijnt. Nu, ik bid, dat God Zijn Eigen Naam aan uw ziel beantwoordt, en dat Hij u mag zijn de God van vertroostingen. Dus blijf ik

      Uw HoogEd. zeer gedienstig gehoorzame in de Heere, Samuel Rutherford

      Anwoth, 14 september 1634

       

    71. Aan mevrouw Kenmure
    72. Mevrouw!

      Ik bied u alle gedienstige gehoorzaamheid aan in de Heere. Ik weet, dat u nu nabij een van die zwarigheden bent, waarin u tevoren geweest bent; maar omdat uw uitwendige vertroostingen minder zijn, zo bid ik Hem, van Wie u bent, dat Hij op een andere wijze vervult, wat u ontbreekt: want al kunnen wij niet geraken tot op de grond van de wijze voorzienigheid van Hem, Die alleen regeert, zo is het toch zeker, dat dit niet alleen goed is, wat de Almachtige gedaan heeft, maar dat het best is; Hij heeft al uw stappen naar de hemel gerekend; en indien uw HoogEd. door dit water zou zijn heengekomen, zo waren er maar weinige waters meer achter; en indien dit het laatste was, zo hoop ik, dat u door afwachten geleerd hebt, u de dood gemeenzaam te maken, die, omdat ze voor de Heere, het Zaad van de vrouw, Jezus, alleen een bloedige hiel, en niet een gebroken hoofd is geweest, Gen. 3:15, ook voor Zijn vrienden niet kwaad kan zijn, die veel minder van de dood krijgen, dan Hij Zelf. Daarom, mevrouw, aangezien u niet weet, of de reis teneinde is, en u aan de waterkant gekomen bent, zo doorzie in de wijsheid Gods al uw papieren en uw rekeningen, en of u wel gereed bent, om ‘t Koninkrijk der hemelen als een kindeke te ontvangen, waarin maar weinig trotsheid, en veel ootmoedigheid is. Ik zou graag ver zijn van uw HoogEd. te ontmoedigen; maar er is een volstrekte noodzakelijkheid, dat wij nabij de eeuwigheid zijnde, terdege toezien, eer wij de sprong doen, terwijl niemand weer terug kan keren om zijn sprong te verbeteren. Ik vertrouw, dat uw HoogEdelheid hier menigmaal aan denkt, en dat uw oude Leidsman voor zal gaan, en nemen u bij de hand; Zijn liefde tot u zal niet verzuren, noch verouderen, gelijk de liefde van de mensen, die menigmaal, eerder dan zij zelf, oud en grijs wordt. U hebt zoveel temeer reden, om een beter leven dan dit lief te hebben; omdat deze wereld u een koud vuur is geweest, met weinig hitte voor ‘t lichaam, en zo weinig licht, en met veel rook tot belediging van de ogen. Maar mevrouw, uw Heere wilde, dat u de wereld maar zoudt achten als droge borsten, vol van wind en leeg van voedsel. In die laatste bezoeking, die uw HoogEd. is overkomen, hebt u Gods liefde en zorg in zo’n mate gezien, dat ik dacht, dat onze Heere de scherpe punt van ‘t kruis verbrak, en deed ons en UEd. zien, dat Christus op aarde bezit en bevestiging nam van hem, die nu heerst en triumfeert met de honderd vierenveertig duizend, die met het Lam op de berg Zions staan. Ik weet wel, dat het zoetste daarvan, nog bitter voor u is; maar uw Heere wil u geen geschilderde kruisen geven; Hij snijdt al de bitterheid van het kruis niet af; ook neemt Hij de scherpheid er niet geheel van af, dan zou het naar uw keuze niet naar de Zijne zijn, hetwelk alzo weinig reden in zich heeft; als het voordeel voor ons zou hebben. Mevrouw, God gebiedt u nu alleen, te geloven, en anker te werpen in de duistere nacht, en te klimmen op de berg. Hij die u geroepen heeft, bevestige en versterke u tot het einde toe; ik had een voornemen, om uw HoogEd. te bezoeken; maar als ik er nader over dacht, zo kan ik in waarheid niet zien, wat mijn gezelschap u kon baten; en dit en geen andere zaak heeft mijn voornemen afgebroken; ik weet, dat vele en waarde vrienden, en waarde belijders uw HoogEd. zullen bezoeken en zien, dat de Zoon Gods met u is, aan Wiens liefde en barmhartigheid ik uw HoogEd. van harte aanbeveel, en blijf,

      Uw HoogEd. zeer gedienstig gehoorzame in zijn zoete Heere Jezus, Samuel Rutherford

      Anwoth, 29 november 1634

       

    73. Aan mevrouw Kenmur
    74. Mevrouw!

      Na aanbieding van mijn ootmoedige gehoorzaamheid in de Heere; zo weet, dat het de Heere behaagd heeft, mij te laten zien, dat naar alle waarschijnlijkheid mijn arbeid in Gods huis hier teneinde is; en ik moet nu leren lijden, waarin ik een dom scholier ben. Door een vreemde voorzienigheid, zijn enige van mijn papieren aangaande de verdorvenheden van de tijd, in onze koning zijn hand gekomen. Ik weet, dat ik van de wijzen en welgenegenen zal berispt worden, als niet wijs, noch omzichtig genoeg; doch het is gewoonlijk zo, dat dit pleegt een deel te zijn van ‘t kruis van degenen, die voor Hem lijden. Doch ik bemin en vergeef hem, die het werktuig is geweest; ik zou hem mijn leven wel willen toevertrouwen, hoewel dit door Hem toegekomen is; maar ik zie hoger dan op hem. Ik twijfel niet of uw HoogEd.’s liefde en zorg zal doen, al wat u tot mijn hulp kunt; en ik verzeker mij, dat uw HoogEd. mij in mijn tegenspoeden het goede zal wensen. Ik zoek niet anders, dan dat mijn Heere door mij geëerd mag worden, in een getuigenis te geven. Ik was bereid Hem meer dienst te doen: maar aangezien Hij niet meer van mijn arbeid wil hebben, en dit land mij wil uitstoten zo bid ik om genade, om te leren, mij aan ellende te gewennen indien ik zo’n wrange naam mag geven aan zo’n merkteken van diegenen, die met Christus gekroond zullen worden. En alhoewel ik misschien een flauwhartig en onwijs man in deze zal bevonden worden, zo durf ik toch zeggen, ik heb het anders voor. En ik begeer niet te gaan aan de luwe kant of zonzijde van de godsdienst, om de waarheid te stellen tussen mij en een storm; mijn Zaligmaker deed zo niet voor mij, die in Zijn lijden de windzijde van de berg nam. Niet verder, dan de Zoon Gods zij met u.

      Uw HoogEdelheids in de Heere Jezus, Samuel Rutherford

       

    75. Aan mevrouw Kenmur
    76. Mevrouw!

      Ik heb uw brief van I. G. ontvangen. Ik dank onze Heere, u bent ten minste zo wel, als iemand kan zijn, die nog niet tehuis gekomen is; het is een weldaad in deze stormachtige zee een tweede wind te krijgen: want niemand van de heiligen krijgt een eerste wind; maar zij moeten de winden nemen, zoals de Heere die van de zeeën doet waaien; en zij moeten de herberg nemen, zoals de Heere en Meester van de herbergen het bepaald heeft; indien ‘t genoegen hier was, zo was de hemel geen hemel. Al wie de wereld zoeken, om zich tot een bed te zijn, die zullen het op ‘t best nog kort en kwalijk gemaakt vinden, met een steen onder hun zijde, om hen wakend te houden, in plaats van een zacht peluw, om op te slapen. Gij behoort uw Heere te danken, dat het niet erger is; wij leven in een zee, waar velen schipbreuk hebben geleden; en wij hebben nodig, dat Christus aan ‘t roer van het schip zit: het is een barmhartigheid, naar de hemel te geraken, hoewel met veel moeite en zware arbeid, en de hemel met geweld in te nemen, met kwaad of goed, naardat het komt; beter is het door onze waters zwemmende, en nat heen te gaan, dan op de weg te verdrinken, inzonderheid nu, wanneer de waarheid lijdt, en de grote hansen Christus gebieden lager te zitten, en Zich in kortere palen in te trekken, alsof Hij te veel plaats nam. Ik wacht, dat onze nieuwe bisschop in kwestie zal trekken, of ik mag blijven zitten. Ik hang aan een draad; maar zij is, indien ik zo mag spreken, van Christus gesponnen. Geen zaak is eerlijker of eerwaardiger, dan voor de waarheid te lijden; maar het ergste is, dat deze Kerk waarschijnlijk zal zinken, en al haar liefhebbers en vrienden staan van ver; geen treuren met haar, en geen treuren over haar. Maar de Heere Jezus zal zo ras uit Zijn heerschappij in Schotland niet gezet worden. Het zal gezien worden; de Kerk en de waarheid zullen binnen drie dagen weer opstaan, en Christus zal wederom op Zijn wit paard rijden; hoewel Zijn paard nu schijnt te struikelen, zo kan Hij toch niet vallen: de volheid van Christus’ oogst aan de einden van de aarde is nog niet ingekomen. Ik spreek dit niet, omdat ik dit graag zo hebben wilde, maar op betere gronden, dan mijn enkel goedkeuren. Doch genoeg van deze droeve stof. Ik verlang, volkomen verzekerd te wezen van uw HoogEd. welvaren, en van dat uw ziel voorspoedig is, inzonderheid nu in uw eenzaam leven, wanneer uw uitwendige verkwikkingen weinig zijn, en Christus u nu gemakkelijk kan krijgen, omdat niemand u wil. Ik weet, dat Zijn liefde tot u steeds overloopt, en dat Zijn liefde zo’n kwade geheugenis niet heeft, dat Hij u en uw lief kind zou vergeten, dat twee Vaders in de hemel heeft, de Éne is de Oude van dagen. Ik vertrouw op Zijn barmhartigheid, dat Hij iets voor hem daarboven opgelegd heeft, hoe het ook met hem hier mocht gaan. Ik weet, ‘t is al lang geleden, dat uw HoogEd. zag, dat deze wereld uw stiefmoeder werd, en u verliet. Mevrouw, u hebt reden, waarom u een mager middagmaal, en een sober dieet in dit leven ten goede zoudt nemen, omdat uw ruim Avondmaal, door het Lam bereid, alles zal vergoeden: laat het gaan, dat nooit het uwe was, dan alleen in gezicht, niet in eigendom; die tijd die u geleend is, zal korter en korter worden, en de tijd wordt u met onsen gewicht toegemeten; en dan weet ik, zal uw hoop een volle korenaar zijn, en niet door de wind verzengd. Het mag u verblijden, dat uw anker boven is binnen het voorhangsel; en dat de grond, waarop ze geworpen is, niet vals, maar vast is. God heeft het Zijn gedaan; ik hoop u zult niet weigeren al uw liefde tot Hem zelf op te vissen, en thuis te brengen; en zij is nog te nauw en te kort voor Hem, al was zij meer. Indien u tevoren al uw liefde, al had het vele maten meer geweest, over Hem had uitgegoten, en er vielen bij ‘t instorten druppelen bezijden, Hij vergeeft het u; Hij heeft nu alles gedaan, wat gedaan kan worden, om het alles tot Zich te krijgen; en Hij heeft weinig overgelaten, dat uw liefde van Hem zou aflokken, dan een enig kind; wat Zijn voornemen in deze is, weet Hij het beste, Die uw ziel heeft opgenomen te besturen. Uw geloof mag vrij Christus’ handelingen in liefde uitleggen, namelijk, dat hoe de zaken ook gaan, ‘t ergste zal zijn een afgematte reiziger, en een vrolijke en zoete verwelkoming. Het achterste van uw winterse nacht is gebroken. Zie naar ‘t oosten, de dagschemering breekt aan; denk niet, dat Christus tijd verliest, of ongevoeglijk traag is in ‘t komen. O schone, schone, en zoete morgenstond, wij zijn hier maar als passagiers op de zee, zo wij er recht op letten, wij zijn op de kust van ons land; onze Verlosser komt snel aan, om deze wormstekige wereld, gelijk een oud mottig kleed, in beide Zijn handen te nemen, en het op te rollen, en het bij Zich neer te leggen. Dit zijn de laatste dagen, en God Zelf heeft een eed gegeven, Openb. 10, dat er geen tijd meer wezen zal, en wanneer de tijd zelfs oud en grijs is, zo zou het goed zijn, dat wij weg waren. Aldus ziet u, mevrouw, dat ik naar mijn gewoonte verdrietig ben in mijn schrijven; uw HoogEd. zal ‘t vergeven. De Heere Jezus zij met uw geest.

      Uw HoogEd. gehoorzame in Christus, Samuel Rutherford

      Anwoth, 18 januari 1636

       

    77. Aan mevrouw Kenmur
    78. Mevrouw!

      Ik kan geen tijd vinden, om iets te schrijven, dat ik voor u had, over Job; zo ben ik opgehouden geweest met de moeilijkheden, die ons in ons bergop aangedaan worden: want onze bisschop wil, dat wij of ons licht zullen inzwelgen en verteren, hoewel tegen ons hart, al zouden wij ons geweten, en alles in dit kwelachtig punt van gelijkvormigheid uitbraken, of anders wil hij een proef nemen, of het afzetten van onze predikdienst ons niet kan bekeren tot het ceremoniële geloof. Mevrouw, ik schrijf het aan u, niet als wantrouwende aan uw genegenheid of gewilligheid, om mij naar uw HoogEds. vermogen te helpen door uzelf of anders, maar om u kennis te geven, dat ik aan een dunne draad hang. Want onze geleerde bisschop, omdat wij met onze ogen zover niet kunnen zien in een molensteen, als zijn licht reikt, wil zijn Meester, de zachtmoedige Jezus, niet volgen, Die op de weg naar de hemel wacht op de vermoeide en kortademige; en waar allen niet evenveel zien, en sommigen zwakker zijn, draagt Hij de lammeren in Zijn schoot, en leidt de jongen zachtkens. Maar wij moeten òf zien dat al het kwaad van de plechtigheden, maar is als middelmatig stro, òf wij moeten niet minder lijden, dan uit de Heere Zijn wijngaard geworpen te worden. Mevrouw, indien ik tijd had, ik zou breder schrijven, maar uw HoogEd. zal mij verschonen tot een bekwamer gelegenheid; genade zij met u en uw kind; en Hij vergezelschappe u naar uw beste huis.

      Uw HoogEd. in zijn zoete Heere Jezus, Samuel Rutherford

      Anwoth, 8 juni 1636

       

    79. Aan Earlestown, de oude
    80. Eerwaarde heer!

      Ik heb gehoord, hoe uw tegenpartijders boosaardig tegen u gemoed zijn; ‘t schijnt dat ze de wet, die zij hebben, in lengte en breedte zullen uitrekken, zoals met de hitte van hun gemoed zal overeenkomen. Maar het is een groot deel van uw heerlijkheid, dat de zaak niet uwe, maar van uw Heere is, Die u dient; en ik twijfel niet, of Christus zal het Zijn eer rekenen, Zijn zwakke knecht te hulp te komen; en het zou Hem een schande zijn, met eerbiedigheid voor Zijn heilige Naam, dat Hij Zich in het schuldboek zou laten staan van zo’n arm mens als u bent; en dat u voor Hem zoudt uitgeven en niet weer inkrijgen. Schrijf op, wat u voorschiet voor uw Meester Christus, en houd rekening van ‘t geen u uitgeeft, ‘t zij goede naam, goederen of leven, en houd uw rekening op tot de avond, en gedenk, dat een arm, zwak dienaar van Christus het u geschreven heeft. U zult Christus, een koning, tot borg hebben, voor uw inkomsten, en voor al uw verliezen; reken niet van de voormiddag, neem het Woord Gods tot een vaste grond, en voor Christus’ acte van borgtocht, al zouden lichaam, leven en goederen voor Christus uw Heere gaan, en al zoudt u ‘t hoofd voor Hem verliezen, nochtans, Luk. 21:18: niet één haar van uw hoofd zal verloren gaan; vs. 19: bezit dan uw ziel in uw lijdzaamheid; en omdat u de eerste man bent in Galloway, die voor de Naam van Jezus is opgeroepen, en proces aangedaan, zo is Zijn oog op u geweest, als op een, die Hij gesteld heeft, om te zijn onder Zijn getuigen. Christus heeft gezegd: Alexander Gordon zal de eerste aanleider zijn in ‘t getuigen van een goede belijdenis, en daarom heelt Hij de krans van voor Hem te lijden, eerst op uw hoofd gesteld; reken u zoveel temeer aan Hem verbonden, en vrees niet, want Hij legt Zijn rechterhand op uw hoofd. Hij Die dood was, en levend is, zal uw zaak bepleiten, en zal nauwkeurig op het proces letten van het begin tot het einde, en de Geest der heerlijkheid zal op u rusten. Openb. 2:10: en vrees geen van de dingen, die u lijden zult. Zie, de duivel zal enigen van ulieden in de gevangenis werpen, opdat u verzocht wordt; en u zult een verdrukking hebben van tien dagen. Weest getrouw tot de dood, en Ik zal u geven de kroon des levens. Die beminnelijke Jezus, Die ook werd de Zoon des mensen, opdat Hij slagen voor u mocht ontvangen, schrijve de kruisverzoetende en zielondersteunende zin van deze woorden op uw hart; die bolderende raderen van Schotlands tien dagen verdrukking zijn steeds onder ‘t beschouwen van Hem, Die zeven ogen heeft; begeef u in huis, en kom stilletjes door het geloof onder Christus’ vleugelen, totdat de storm over is. En gedenk, dan wanneer zij ons meest ingedronken zullen hebben, Jeruzalem een drinkschaal van zwijmeling, en van vergif zal zijn, Zach. 12:2. Graag zullen zij de heiligen weer willen uitbraken: want vs. 6, Juda zal wezen een vurige haard onder het hout, en het zal ter rechter- en ter linkerhand alle volkeren rondom verteren. Wee de vijanden van Zion; zij hebben het ‘t ergst, want wij hebben schrift voor de overwinning. Mijnheer, nooit was u eerwaardig, voor nu deze tijd; dit is uw eer, dat Christus u in de rol met Zichzelf en met de andere getuigen gesteld heeft, die uit grote verdrukking komen, en hun klederen gewassen en wit gemaakt hebben in ‘t bloed des Lams. Word niet neerslachtig door ‘t geen de dienaars van de antichrist u in het aangezicht werpen, dat u bent een hoofd en een begunstiger van de Puriteinen, en een leidsman van die sekte. Indien uw geweten u zegt: helaas, hier is veel beslag en weinig gedaan, gelijk het spreekwoord is, omdat u op die wijze zoveel dienst aan Christus niet gedaan hebt, als u wel kon en mocht gedaan hebben, zo neem moed juist van diezelfde beproeving: want uw Heere Christus ziet zelfs op die beschuldiging, als een hongerige begeerte in u, om meer gedaan te hebben dan u deed, en dat vervult het wit, dat openstaat; en Hij zal aannemen, ‘t geen u in deze gedaan hebt. Indien de groten u vriendelijk zijn, zo bid ik u, zie hen over ‘t hoofd, indien zij u toelachen, Christus leent maar hun aangezicht, om Zijn verdrukte dienstknecht door hun toe te lachen; ken de bron, en leer alleszins de weg tot de Fontein Zelf. Dank God, dat Christus in uw afwezen in uw huis kwam, en enige van uw kinderen met Zich nam. Hij had zoveel verwachting van uw liefde, dat u er niet aangestoten zoudt zijn. En al nam Hij ook al de anderen, zo kan Hij toch niet komen aan uw verkeerde zijde. Ik twijfel niet, of al waren uw kinderen van goud, u oordeelt ze goed aan Hem besteed. Leg die twee roeden, die op u zijn, rechtuit, de ene binnen in uw huis, de andere buiten op uw persoon; de liefde denkt geen kwaad; indien u Christus’ tarwe niet was, verordineerd om brood te zijn in Zijn huis, Hij zou u zo niet vermalen; maar houd de middellijn, versmaad de roede niet, noch bezwijk, Hebr. 12:6. Gij ziet, uw Vader handelt met u gemeenzaam; slagen van een vader geven bewijs van vriendelijkheid en zorg, neem ze zo op. Ik hoop, dat uw Heere u deze of meer uitgelezen gedachten, aangaande Zijn handeling met u, geopenbaard en ingegeven heeft, wij gebruiken onze zwakke middelen en ons krediet boven in ons hof, gelijk het ons betaamt; wij bidden de Koning dat Hij ons hoort, en de Zoon des mensen, dat Hij met u, aan uw zijde gaat, en hand aan hand in de vurige oven, en dat Hij uw ongelovig hart verwakkert, en aanmoedigt als u verslapt en moedeloos wordt. Mijnheer, tot Christus’ eer zij gezegd, mijn geloof gaat nu met mijn pen; ik geloof nu tegenwoordig, dat Christus u zal uitbrengen. De waarheid zal in Schotland nog de kroon van de weg behouden; de heiligen zullen de godsdienst op de volle dag naakt zien gaan, vrij van schande en vrees van mensen. Wij zullen nog Sichem delen, en rijden op de hoogten Jakobs; gelief mijn liefdegroet te doen aan mevrouw Kenmur en aan haar zoet kind.

      De uwe voor altijd in zijn zoete Heere Jezus, Samuel Rutherford

      Anwoth, 6 juli 1636

       

    81. Aan Maria Mac-Knaught
    82. Geliefde en waarde zuster!

      Mijn liefdegroet aan u in Christus. Ik heb u uw dochter Grisel gezonden, met Robert Gordon, die kwam om haar te halen. Ik heb goede hoop, dat het zaad Gods in haar is, als in een, van God geboren; en Gods zaad zal tot Gods oogst komen. Ik heb haar belofte, dat ze Christus zal toebehoren; want ik heb haar gezegd, dat ze veel mag beloven in Zijn waarde Naam: want Hij wordt Borg bij Zijn Vader voor al degenen, die voornemen en beloven, Hem te dienen; ik zal haar bij God gedenken. Ik vertrouw, u zult haar in de kennis van goed gezelschap brengen, en vlijtig letten op degenen, met welke zij graag verkeert. Gedenk Zion, en al wat ons nodig is. Ik wens een zegen over uw dochter van onze Heere, en bid, dat de Heere u blijdschap en troost uit haar geeft. Doe mijn hartelijke groet aan uw man, en aan Willem en Samuel, uw zonen. De Heere Jezus zij met uw geest.

      De uwe naar al mijn vermogen in zijn Heere Jezus, Samuel Rutherford

      Anwoth, 6 okt. 1624

       

    83. Aan Maria Mac-Knaught
    84. Lieve en waarde zuster!

      Indien u mij ooit een dienst wilt doen, zo bid nu de Heere voor mij, terwijl ik zo troosteloos ben, en zo vol zwaarmoedigheid, dat ik niet bekwaam ben langer onder de last te staan. De Almachtige heeft Zijn geselingen op mij verdubbeld; want mijn vrouw is in zo grote pijn nacht en dag, dat ik mij verwonderd heb, waarom de Heere zolang vertoeft. Mijn leven is mij bitter, en ik vrees, dat de Heere mij een Tegenpartij is. Nu weet ik door ervaring, dat het waar is, een gezicht van God te houden in een storm, inzonderheid als Hij Zich verbergt, tot beproeving van Zijn kinderen. Indien het Hem geliefde Zijn hand af te trekken, ik heb een voornemen om Hem meer te zoeken, dan ik gedaan heb; gelukzalig zijn ze, die met hun ziel een goed heenkomen krijgen; ik vrees vanwege Zijn oordelen. Ik loof mijn God, dat er een dood, en een hemel is; ik zou moe worden, van te beginnen wederom een Christen te worden, zo bitter is het te drinken van de drinkbeker, daar Christus van dronk, indien ik niet wist, dat er geen vergif in is. De Heere geve er ons niet van, terwijl wij het weer uitbraken, want wij hebben zieke zielen, als Gods medicijn niet werkt. Bid, dat God mijn vrouw niet leidt in verzoeking; ‘t smart mij aan mijn hart. dat ik zo weinig tegen het koninkrijk van de duivel in mijn beroep gedaan heb: want hij zou mij graag verzoeken, om mij God te doen lasteren in Zijn aangezicht. Ik geloof; ik geloof in de kracht van Hem, Die mij in Zijn werk gesteld heeft, dat Hij zal missen in ‘t geen Hij zoekt. In deze heb ik troost, dat mijn overste Leidsman Christus gezegd heeft, dat ik moet strijden, en overwinnen de wereld, Joh. 14:33, en ik moet strijden tegen een zwakke, beroofde, wapenloze duivel, Joh. 14:30. De overste van deze wereld komt, en heeft aan mij niets. Verzoek Mr. Robbert, dat hij mij gedenkt, als hij mij liefheeft. Genade, genade zij met u, en al de uwen. Gedenk Zion. Daar is door Mr. Joh. Maxwel een brief bezorgd van de koning, om gelijkvormigheid aan te dringen, om te Edinburgh het heilig Avondmaal te geven op Kerstmis. Houd ‘t geen gij hebt, opdat niemand uw kroon van u neme. De Heere Jezus zij met uw geest.

      De uwe in de Heere, Samuel Rutherford

      Anwoth, 17 nov. 1629

       

    85. Aan Maria Mac-Knaught
    86. Geliefde en waarde zuster!

      Mijn hartelijke groet in de Heere Jezus. Ik versta, dat u nog onder de Heere Zijn bezoekingen bent, in uw vorige moeilijkheid met uw vijanden; dit is Gods handel. Want er is geen verlossing, voordat Hij Zijn kinderen uit de oven neemt, Die weet hoelang zij moeten beproefd worden. Maar na Gods hoogste en volste vloed, zodat de zee van verdrukking over de zielen van Zijn kinderen is gegaan, dan komt de genadige en langverwachte eb, en opdroging van ‘t water. Lieve zuster, bezwijk niet; de goddelozen mogen de bittere kelk aan uw mond zetten, maar God mengt ze, en daar is geen vergif in; zij slaan, maar God beweegt de roede; Simeï vloekt, maar ‘t is de Heere, Die het hem gebiedt. Ik zeg het u, en ik heb het van Hem, voor Wie ik sta voor Gods volk, er is een besluit uitgegaan in ‘t grote hof van de hoogste hemelen, dat uw tegenwoordige verdrukkingen verstrooid zullen worden, gelijk de morgenwolk, en God zal uw gerechtigheid voortbrengen als het middaglicht. Laat mij u in Christus’ Naam bidden, dat u een goed geweten houdt in uw rechtsgeding in deze, en wacht u van uzelf, u zelf bent voor u een gevaarlijker vijand, dan ik of iemand buiten u. Onschuld en een oprechte zaak is een goede voorspraak bij God, en die zal voor u pleiten, en uw zaak winnen; en acht het een grote zaak, als uw Meester uw zaak goedkeurt, en u toelacht. Hij is nu als de koning, die naar een vergelegen land gereisd is. God schijnt van huis te zijn, indien ik zo mag spreken, doch Hij ziet de boze dienstknechten, die zeggen, onze Meester vertoeft te komen, en dan slaan ze hun mededienstknechten: maar weest geduldig, mijn geliefde, Christus de koning is naar huis komende, de avond is nabij, en Hij zal Zijn dienstknechten tot rekenschap roepen; maak Hem een schone klare rekening, gedraag u zo, dat u ‘s avonds mag zeggen: Meester, ik heb niemand verongelijkt, ziet U hebt het Uwe met winst. O dan zal uw ziel een grote achting hebben van een van Gods kussen en omhelzingen, in ‘t getuigenis van een goed geweten. De goddelozen, hoewel zij veel kwade gedachten, bittere woorden, en zondige daden, achter zich uitwerpen, zijn toch zo doende maar klerken, om hun eigen rechtsgeding te schrijven, en zij doen heel hun leven niet anders, dan beschuldigingen tegen zichzelf te verzamelen: want God is iedere dag toornig tegen de goddelozen; en ik hoop, dat uw tegenwoordig proces op enige dag door Hem zal overzien worden, die uw rechtvaardige zaak kent; en de bloedige tongen, de loze vossen, de dubbel doortrapte huichelaars zullen voor Zijn Majesteit verschijnen, zoals zij zijn; wanneer Hij het masker van hun aangezichten zal aflichten. En o, driemaal overgelukkig zal uw ziel dan zijn, wanneer God u nergens mee bedekt vindt, dan met het witte kleed van de heilige onnozelheid, en met de gerechtigheid van Jezus Christus. U bent onlangs in de Koning Zijn wijnkelder geweest, alwaar u van de Heere van de onthaalplaatsen, verwelkomd bent, op voorwaarde, dat u in de liefde zoudt wandelen; doe aan de liefde, en broederlijke vriendelijkheid, en lankmoedigheid; wacht zolang op de gunst en omkering van de harten van uw vijanden gelijk uw Christus op u gewacht heeft en zoals de lieve Jezus aan de deur van uw ziel gestaan heeft, met bedauwde en beregende haarlokken, de lange koude nacht door. Wees toornig, maar zondig niet; ik verzeker mij, dat de heilige zalving binnen u is, die u alles leert, die ook alles zegt, overwin het kwade met het goede; indien dat niet gesproken zou zijn in uw ziel, op de tranen van uw bedaagde Herder, u zoudt niet geaccordeerd, noch Zijn dwaze Zoon vergeven hebben, die u verongelijkte. Maar mijn Meester gebood mij u te zeggen, Gods zegen zal daarover op u zijn; en van Zijnentwege zeg ik: genade, genade, genade, en eeuwige vrede zij over u. Het is mijn gebed voor u, dat uw gedrag genade mag geven, en het Evangelie van die Heere versieren, Die u met genade voorzien heeft. Ik hoorde ook, dat uw man ziek was, doch ik bid u in de innerlijke bewegingen van Jezus Christus, verwelkom iedere roede Gods: want ik vind in het gehele boek Gods geen groter teken van een kind Gods, dan dat hij neervalt, en de voeten kust van een toornig God, en dat wanneer Hij u schijnt om te stoten, en uw handen los te maken, die Hem aangrijpen, u dan in geloof opziet en zegt: ik zal, ik wil niet van U verstoten worden; hoewel uw Majesteit trekt, om van mij los te zijn, zo geef mij toch verlof, Heere, dat ik U behoud en aankleef. Ik zal bidden, dat uw man in vrede mag terugkeren; het besluit u aangaande komt van de hemel; zie derwaarts op; want velen, zegt Salomo, zoeken het aangezicht des heersers, maar een ieders recht is van de Heere; en verblijd u, dat het zo is; want Christus is de Optekenaar van uw proces, en zal zorgen, dat alles recht gaat. En ik verzeker mij, Hij zegt: mijn knechten worden verongelijkt; Vader, om mijns bloeds halve, geef hen recht! Denkt u niet, lieve zuster, dat onze Hogepriester, onze Jezus de Verzoenmeester, onze schriften van beklag aanbiedt aan de grote Heere der gerechtigheid? Ja ik geloof het; aangezien Hij onze Voorspraak is, en Daniël noemt Hem de sprekende Mond, Wiens hand alles aan de Vader vertoont. Aangaande andere zaken zeg ik nu niets, voordat de Heere mij geeft uw aangezicht te zien. Ik ben door geloofbare tijdingen onderricht, dat vele mensen in Engeland, en inzonderheid waarde predikers, en door de bisschoppen afgezette leraars te Londen, naar Nieuw Engeland zijn gegaan; en ik ken een geleerd heilige prediker, die tegen de Arminianen geschreven heeft, die daarheen is gegaan. Onze gezegende Heere Jezus, Die geen vrijheid kan krijgen, om met Zijn bruid in dit land te slapen, gaat een herberg zoeken, waar Hij beter zal onthaald worden; en wat wonder, de vermoeide Jezus, nadat Hij gereisd had van Genève, door de predikdienst van de waarden Mr. Knox, en was in Zijn bed neergelegen, en de hervorming was begonnen, en de gordijnen geschoven, heeft Zijn lieve ogen niet goed toegekregen, of de oneerbiedige bisschoppen kwamen in, en zij hebben onze Liefste opgewekt door ‘t gedreun en geraas van ceremonieën, heilige dagen, en andere roomse verdorvenheden; anderen kwamen aan de zijde van Zijn bed, en trokken de gordijnen op, en sloegen de handen aan Zijn knechten, banden hen uit, zetten hen af, en bepaalden hen aan een zekere plaats, en voor een preekstoel kregen zij een bank, en een koud vuur in Blacknesse, en de adel trok het deksel van Hem, en maakte Hem een arme naakte Christus, door Zijn knechten te beroven van de tienden, en kerkelijke inkomsten; en nu is er zo’n geraas van roepende zonden in het land, als gebrek aan kennis van God, van barmhartigheid en van waarheid; zo’n zweren, hoereren, liegen, bloed rakende aan bloed, dat Christus Zijn klederen nu aantrekt, en zich gedraagt als een kwalijk gehandelde vreemdeling, om naar andere landen te gaan. Bid Hem, zuster, dat Hij weer met Zijn liefste neerligt. Doe mijn hartelijkste groet aan Johannes Gordon, aan wie ik schrijven zal als ik sterk ben, en aan Johannes Broun, Griffel, Samuel en Willem; genade zij over hen. Zo lief als u Christus hebt, bewaar Christus’ gunst, en als Hij slaapt doe niets tot opwekking van Hem, eer het Hem lust. De Heere Jezus zij met uw geest.

      Uw broeder in Christus, Samuel Rutherford

      Anwoth, 21 juli 1630

       

    87. Aan Maria Mac-Knaught
    88. Geliefde zuster!

      Ik heb, sinds mijn afscheid van u, veel gedacht van de hoogmoed en boosheid van uw tegenpartijders; en aangezien u het boek van de psalmen zo menigmaal gehoord en gelezen hebt, zo mag u dit niet zeer kwalijk opnemen. Want Davids vijanden bliezen hen aan, en zeiden, door de hoogmoed van hun hart: De Heere zal het niet zoeken, Ps. 10:5,13. Ik bid u dan bij de ingewanden van Christus; stel u de lijdzaamheid voor ogen van uw Voorloper Jezus, Die als Hij gescholden werd, niet wederschold, en als Hij leed, niet dreigde, maar het overgaf, aan Die, Die rechtvaardig oordeelt, 1 Petr. 2:23. En omdat uw Heere en Verlosser met lijdzaamheid menige zwarte slag op Zijn heerlijk lichaam ontving, en menige vuistslag van de ongelovige wereld, en zeide van Zichzelf: Jes. 50:6. Ik geef Mijn rug dengenen, die Mij slaan, en Mijn wangen dengenen, die Mij ‘t haar uitplukken; Mijn aangezicht verberg ik niet voor smaadheden en speeksel; zo volg Hem na, en acht het niet te hard, dat u een slag krijgt, met uw Heere; neem deel met Jezus aan Zijn lijden, en heerlijkheid in de merktekenen van Christus. Indien deze storm over was, zo moest u zich op een nieuwe wond voorbereiden; want ‘t is al vijfduizend jaren geleden, dat uw Heere een dodelijke oorlog uitriep tussen het zaad van de vrouw en ‘t zaad van de slang; en verwonder u niet, dat een stad niet kan houden beiden de kinderen Gods, en de kinderen des duivels: want één buik kon Jakob en Ezau niet goed behouden, een huis kon Izak, de zoon van de belofte, en Ismaël, de zoon van de dienstmaagd, niet samen in vrede houden; weest u maar aan Christus’ zijde, en vraag er niet naar, wat vlees kan doen; houd uzelf vast bij uw Zaligmaker, al wordt u, en degenen, die Hem volgen, met vuisten geslagen; nog een weinig tijd, en de goddelozen zullen niet meer zijn; zie 2 Kor. 4:8,9, Die in alles verdrukt worden, doch niet benauwd; twijfelmoedig, doch niet mismoedig; vervolgd, doch niet daarin verlaten; neergeworpen, doch niet verdorven. Indien u uw ziel in lijdzaamheid kunt bezitten, haar dag is komende. Waarde en lieve zuster, weet hoe uzelf te gedragen in verdrukking, en als u gehaat en gesmaad wordt. De Heere toont het u, Ps. 44:18, Dit alles is ons overgekomen, nochtans hebben wij U niet vergeten, noch vals gehandeld tegen Uw verbond; Ps. 119:92, Indien Uw wet niet ware geweest al mijn vermaking, ik ware in mijn druk al lang vergaan. Houd Gods verbond in uw beproevingen; houd u bij Zijn gezegend Woord en zondig niet; vlied toorn, gramschap, murmureren, nijd, zelfkwelling; vergeef honderd penningen aan uw mededienstknecht, dewijl uw Heere tienduizend talenten kwijtgescholden heeft. Want ik verzeker u van des Heeren wege: uw tegenpartijders zullen op u geen voordeel behalen, tenzij u zondigt, en uw Heere vertoornt in uw lijden; maar de weg om te overwinnen, is door lijdzaamheid, door te vergeven, en te bidden voor uw vijanden, welk doende zult u kolen vuur op hun hoofd hopen, en u Heere zal u een open deur geven in uw zwarigheid. Wacht op Hem, gelijk de wachter op de morgen. Hij zal niet vertoeven; ga op naar uw wachttoren; en kom er niet af, dan door ‘t gebed, geloof en hoop. Wacht, als de zee vol is, zo zal ze weer ebben, en zo ras als de goddelozen tot de top van hun hoogmoed gekomen zijn, en hoog en machtig geworden zijn, dan is hun verandering nabij: die geloven, haasten niet. Gedenk Zion, vergeet haar niet: want haar vijanden zijn velen: want de volkeren worden tegen haar vergaderd; maar ze weten de gedachten des Heeren niet, en verstaan Zijn raadslag niet, dat Hij hen vergaderd heeft, als garven tot de dorsvloer; maak u op, en dors o dochter Zions, Micha 4:12, 13. Ziedaar, God vergadert Zijn vijanden bijeen, als schoven om te dorsen, laat ons stilstaan en berusten op deze beloften. Nu wederom, ik vertrouw in de Heere, u zult u door geloof ondersteunen, en uzelf troosten in uw Heere; en wees sterk in Zijn kracht; want u bent op de algemene en betreden weg ten hemel, als u onder onze Heere Zijn kruisen bent; u hebt meer reden, om u daarin te verheugen, dan in een gouden kroon; verheug u, en wees blij, dat u de smaadheden van Christus draagt. Ik eindig, bevelende u en de uwen voor eeuwig aan de genade en barmhartigheid van God.

      De uw in Christus, Samuel Rutherford

      Anwoth, 11 februari 1631

       

    89. Aan Maria Mac-Knaught
    90. Geliefde in de Heere!

      De dag van ons Avondmaal is u niet onbekend; ik bid u dan om de hulp van uw gebeden tot dat grote werk, dat een van onze feestdagen is, op welke onze Beminde Zich met Zijn vrienden verblijdt en vrolijk is; wij hebben grote reden, om over Zijn liefde verwonderd te zijn, aangezien de dag van Zijn dood zo’n droeve dag voor Hem was, namelijk de dag wanneer Zijn moeder, de kerk, Hem met doornen kroonde, Hij er velen tegen Zich had, en Hij tegen hen allen alleen in ‘t veld verscheen; doch Hij verlustigt Zich met ons te gedenken aan die dag; laat ons Hem liefhebben, en ons verheugen en blij zijn over Zijn zaligheid. Ik heb vertrouwen, dat u de Zoon Gods op die dag zien zult, en ik durf u in Zijn Naam tot Zijn banket nodigen; menigmaal bent u wel onthaald geweest in Zijn huis; en Hij verandert niet omtrent Zijn vrienden, en Hij bekijft ze niet vanwege al te grote vriendelijkheid Doch ik spreek dit niet, om u te doen aflaten, van voor mij te bidden. die niets van mij zelf heb, dan zoveel ik dagelijks van Hem ontvang, die van Zijn Vader gemaakt is tot een overlopende Fontein, tot Welke ik en anderen met dorstige zielen mogen komen, en vullen onze vaten: die Fontein heeft lang voor ons open gestaan; Heere Jezus, sluit ze niet toe tegen ons. Ik ben bedroefd over onze verlaten kerk; doch ik durf niet anders vertrouwen, dat zolang hier nog enige van Gods verloren penningen zijn, Hij de kaars niet zal uitblazen. De Heere make schone kandelaren in Zijn huis, en were de blinde lichten. Ik ben deze verleden tijd veel in gedachten geweest over het inkomen van de kerk van de Joden: bid ervoor; wanneer zij in hun Heere Zijn huis waren, aan de zijde van hun Vader, verlangden zij naar het inkomen van hun kleine zuster, de kerk van de heidenen; zij zeiden tegen hun Heere, Hoogl. 8:8: Wij hebben een kleine zuster, die nog geen borsten heeft; wat zullen wij onze zuster doen in die dag, als men van haar spreken zal? Laat ons haar dergelijk vergelden. Wat zullen wij voor onze oudste zuster, de Joden doen? Heere Jezus, geef haar borsten. Dat zou een vrolijke dag zijn als men ons en haar beide, zag zitten aan een tafel, en Christus aan het oppereind van de tafel! Dan zou onze Heere haast komen met Zijn schone lijfwacht, om zijn groot hof te houden. Lieve zuster, wees geduldig om des Heeren wil, onder al het ongelijk, dat u van de goddelozen lijdt. Uw Heere zal u uw begeerte omtrent uw vijanden doen zien; enigen daarvan zullen afgesneden worden door de dood, Joh. 15:33: Men zal zijn onrijpe druiven afrukken, als van een wijnstok, en zijn bloeisel afwerpen, als van een olijf boom. God zal hun als onrijpe zure druiven doen afschudden van de boom, door de wind van Gods toorn; ontferm u dan over haar, en bid voor haar; anderen ervan moeten blijven, om u te oefenen, God heeft van haar gezegd, laat het onkruid opgroeien tot de tijd des oogstes, Matth. 13. Het geeft bewijs, dat u bent uws Heeren tarwe. Weest lijdzaam; Christus ging met menige verongelijking naar de hemel; Zijn aangezicht en gedaante was geheel verdorven, meer dan de andere kinderen der mensen; u mag boven uw Meester niet zijn; menige zware slag ontving de onschuldige Jezus en Hem werd een voldoening gedaan; maar Hij verwees dat alles tot de grote dag van het oordeel, wanneer alles gericht zal worden. Ik verlang, om binnen een dag of twee uit u te horen, of Mr. Robert blijft bij zijn voornemen, om ons te hulp te komen; God zal u blijdschap met uw kinderen geven; ik bid voor hen met name, ik wens u en uw man en kinderen een zegen van de Heere. Genade, genade en barmhartigheid zij u vermenigvuldigd.

      De uwe in de Heere Jezus voor eeuwig, Samuel Rutherford

      Anwoth, 7 maart 1631

       

    91. Aan Maria Mac-Knaught
    92. Geliefde zuster!

      Na aanbieding van mijn liefde in Christus, weet, dat ik een tarief van Edinburgh ontvangen heb, die mij zekere narichting geeft, dat het Engelse dienstboek, de orgels en de psalmen van koning Jacobus aan onze kerk zullen opgelegd worden, en dat de bisschoppen handelen, om een algemene vergadering of synode te hebben. A. H. heeft ook deze tijding bevestigd, zeggende, dat hij sprak met de heer Willem Alexander, welke tot dat einde zal afkomen met het bescheid en last van zijn vorst. Mij is verzocht in die ontvangen brief, dat ik de beste genegenen hieromtrent kennis zou geven van die storm. Daarom bid ik, en belast ik u in des Heeren Naam, bid, doch geeft aan niemand mede kennis hiervan, voordat ik u zie. Mijn hart is verbroken, door hier aan te gedenken. En het was mijn vrees, en ‘t komt overeen met mijn laatste brief op één na, die ik aan u schreef; zeer geliefde, wees niet neerslachtig; maar laat ons als de duiven van onze Heere, ons begeven op onze vleugelen, want andere wapenen hebben wij niet, en vliegen naar de holen van de steenrots. Het is waar, ‘t geen A. R. zegt, dat de waardigste mannen in Engeland, omtrent het getal van zestien of zeventien Evangelische predikers, zijn gebannen, en gelast te zwijgen; zo is de vervolging reeds begonnen. Hoewel ik dit niet aan u schrijf met droge ogen, zo vertrouw ik nochtans in de kracht des Heeren, dat Christus en Zijn zijde overwinnen zal; en weest vrij verzekerd, de kerk zou geen kerk zijn, indien het zo niet was; gelijk onze waarde Man, in Zijn kerk te vrijen, menige zwarte slag ontving, zo krijgt ook Zijn bruid, in Hem te vrijen, menige slag, en in dat vrijen vallen er slagen aan beide zijden; ‘t zij zoo; de duivel zal niet maken, dat het huwelijk zal achterblijven; ook kan hij het verdrag niet scheuren; het einde zal genade zijn. Doch niettegenstaande dit alles, hebben wij geen vrijheid of last van God, om alle wettige middelen na te laten. Ik heb u geschreven, wat raad en doel de mensen tegen de kerk hebben; maar gelijk Micha zegt, zij weten de raad des Heeren niet. De groten van de wereld mogen de vurige oven voor Zion gereed maken: maar meent u dat ze het vuur kunnen doen branden? Neen, ik vertrouw, dat Hij die het vuur gemaakt heeft, niet Amen zal zeggen op hun besluiten. Ik vertrouw in mijn Heere, dat God hun schrift niet onderschreven heeft; en hun besluiten zijn nog het zegel van onze grote Koning niet voorbijgegaan. Derhalve indien u het goed vindt, begeef u eerst naar de Heere, en dan naar A. R. aangaande de zaak, die u kent. Ik ben zeer onvriendelijk behandeld door de Classis, alsof ik een vreemdeling was geweest, en niet een lid van die vergadering, om met haar in ‘t gericht te zitten. Ik werd door haar order aangewezen als een getuigen tegen B. A., maar zij hebben met die zaak geen voordeel gedaan. De andere bijzonderheden zult u horen, als wij samenkomen, indien God wil. De zaak tussen u en I. E. gedenk ik bij God. Ik bid u in de Heere, onderwerp u aan Zijn wil: want hoe hoger hun hoogmoed klimt, hoe nader zij nabij hun val zijn. De Heere zal die man meer en meer ontdekken. Laat uw man in alle zaken van ‘t gericht Christus’ zijde nemen, tot bescherming van de armen, en nooddruftigen, en onderdrukten, tot handhaving van recht en billijkheid in de stad. En weest u zonder vrees. Hij zal uw zijde kiezen, en dan bent u sterk genoeg. Neemt, al ontvangt u smadelijke bejegeningen om uws Heeren wil; laat het zo gaan. Wanneer Hij Zijn heilige hand in de hemel op uw aangezicht zal leggen, en uw aangezicht afdrogen, en uw tranen van uw ogen afwissen, oordeel nu, of u dan geen reden zult hebben om blij te zijn. Indien u aangaande de andere punten met mij wilde bespreken, zo stel mij een van de drie eerste dagen van de volgende week bij Carletoun, als Carletoun thuis is, en maak mij uw begeerten bekend. Gedenk mij bij de Heere, en doe mijn hartelijkste groet aan uw man; van Zionswege laat geen stilzwijgen bij u zijn. De genade van onze Heeren Jezus zij met u, en met uw man, en kinderen.

      De uwe in de Heere, Samuel Rutherford

      Anwoth, 2 juni 1631

       

    93. Aan Maria Mac-Knaught
    94. Lieve Juffrouw!

      Ik heb heden geen tijd, om aan u te schrijven, maar God, Die mijn tegenwoordige staat, en de noodwendigheden van mijn beroep kent, zal, hoop ik, mijn moeder haar leven voor een tijd sparen, waarover ik reden heb, om mijn Heere te danken. Ik bid u, weest niet neerslachtig, wegens ‘t geen ik u tevoren geschreven heb, aangaande het inbrengen van een predikant in uw stad. Geloof, en u zult de zaligheid Gods zien. Ik schrijf dit, omdat wanneer u lijdt, mijn hart met u lijdt. Ik geloof dat uw ziel vreugde zal hebben in uw arbeid en heilige begeerten omtrent dat werk. Genade zij over u, en uw man en kinderen.

      De uwe in Christus voor eeuwig, Samuel Rutherford

      Anwoth

       

    95. Aan Maria Mac-Knaught
    96. Geliefde Juffrouw!

      Na mijn hartelijkste groet aan u in Christus, weet, dat Mr. Abraham mij gezegd heeft, dat de bisschoppen binnenkort te Edinburgh zullen samenkomen; de oorzaken zijn aan hen zelf bekend. Onze plicht is, onze handen op te heffen voor Zion; hoewel ook verhaald wordt, dat ze droevig van het hof kwamen. Het is onze Heere Zijn wijsheid, dat Zijn Kerk altijd aan een draad zou hangen, en nochtans breek de draad niet, als zijnde aan Hem gehangen, Die de vaste Nagel is in Davids huis, Jes. 22:23, aan Wie al de vaten, groot en klein, hangen, en God zij gedankt, de nagel buigt niet, zij kan niet gebroken worden. Jezus, die bloem van Jesse, zonder handen geplant, krijgt menige gure wind, en evenwel verdort Hij niet, omdat Hij is Zijns Vaders edele Roos, Die een zoete reuk geeft in de hemel en op aarde, en Die groeien moet, en met Hem in dezelfde hof groeien de heiligen, Gods schone en lieflijke leliën, onder de wind en regen, en van de zon geblakerd, en nochtans blijft er leven in de wortel. Houd u binnen Zijn hof, en u zult met haar groeien, totdat de grote Landman, onze lieve Opperhovenier komt, en u van het lagere deel van Zijn wijngaard verplant tot het hogere, tot in het hart van Zijn hof, boven al de ongemakken van regen zon, of wind. Wacht ook op de tijden van ‘t waaien van de zuiden- en noordenwind van Zijn genadige Geest, opdat u een zoete geur mag geven in uw Liefste Zijn neusgaten, en verzoek uw Liefste, dat Hij tot Zijn hof komt, en eet van Zijn edele vruchten; Hoogl. 4:16, en Hij zal komen. Meer dan dit zult u niet krijgen, totdat u zult opkomen boven tot de bron, alwaar u uw hand zult uitsteken en plukken de appelen van de boom des levens, en eten onder de schaduw van die boom; die appelen zijn zoeter gegeten nevens de boom, dan zij hier beneden zijn in dit lemen gevangenhuis. Ik heb geen andere vreugde, dan in de gedachten aan die tijden. Twijfel niet aan hetgeen uw Heere doen moet, ook zal de bruid in goede staat zijn. Dit woord zal bestaan, Hosea 14:6, Ik zal Israël zijn als de dauw; hij zal bloeien als de lelie, en hij zal zijn wortelen uitslaan als de Libanon, vers 7: zijne scheuten zullen zich uitspreiden, en zijn heerlijkheid zal zijn als des olijfbooms, en hij zal een reuk hebben als de Libanon. Christus zal Zijn banieren oprichten onder de Heidenen (Jes. 11:12) en Hij zal de verdrevenen Israëls verzamelen. Bij Ezechiël staat: Toen zeide de Heere tot mij: Mensenkind! deze dode beenderen zijn het ganse huis Israëls; ziet, zij zeggen: Onze beenderen zijn verdord, en onze verwachting is verloren, wij zijn afgesneden. Daarom, profeteer en zeg tot hen, zo zegt de Heere Heere, ziet Ik zal uw graven openen, en zal ulieden uit uw graven doen opkomen, o mijn volk! en Ik zal u brengen in het land Israëls, Ezech. 37:11,12. Deze beloften zijn geen wind, maar zijn de borsten van onze liefste Christus, die wij moeten zuigen, trekkende troost daaruit: wij hebben reden, om medelijden te hebben met die arme mensen, die tegen Christus en tegen ‘t bouwen van Zijn huls opstaan, slechte mensen; zij hebben maar een arme sobere hemel, niets dan voedsel en kleding, en een dag of twee drie te lachen in de wereld, en dan gaan zij in een ogenblik naar het graf, en zij zullen niet machtig zijn, om Christus’ gebouw te hinderen. Hij, Die Meester van ‘t werk is, zal de stenen op de muur leggen, tegen hun wil en dank. En wat betreft dat tegenwoordige geraas, dat de kinderen van deze wereld maken, aangaande het inbrengen van een herder in uw stad, geloof, en vertrouw op uw God, gelijk u ons allen steeds beschaamt in geloven; ga voort in de kracht des Heeren, en ik zeg het u uit de Naam mijns Heeren, voor Wie ik sta, houd uw ogen op niemand dan op de Heere van de heirscharen, en of de Heere zal u laten zien, wat u verlangt te zien, of Hij zal uw blijdschap op een andere wijze vervullen. Gij en de uwen, en de kinderen Gods, waar u bezorgd voor bent in die stad. zullen zo veel van ‘t Avondmaal van de Zoon Gods voorgesneden en voorgesteld krijgen op hun tafelborden, hij mag dan zijn wie het ook voorsnijdt, als hen zal voeden tot het eeuwige leven; en wees niet neerslachtig wegens al wat geschied is, uw loon is bij God opgelegd; ik hoop u te zien lachen, en opspringen van blijdschap; zal de tempel gebouwd worden zonder geraas? Neen. Gods stenen van Zijn huis in Duitsland worden met bloed gelegd: en de Zoon Gods begint zo ras niet de stenen te kappen en te houwen met zijn hamer, of ‘t zwaard wordt getrokken. Indien het ‘t werk was van mensen, de wereld zou haar schouders bij de uwe stellen; maar in ‘t werk van Christus moeten zich twee of drie tegen een gehele classis, al is het zijn eigen vierschaar, en tegen een stad stellen. Dit is een bewijs, dat het Christus’ werk is, en daarom zal het voorspoedig zijn, laat hen vrij ijzeren ketenen kruisgewijs tegen de deur spannen; staat u stil, en geloof, en wacht, totdat de Leeuw uit de stam van Juda komt, en Hij Die van de hemel komt bekleed met de regenboog, en het boekske in Zijn hand heeft, wanneer Hij haar ketenen grijpt, zal Hij de deur plat op de vloer leggen, en inkomende zal Hij op de preekstoel gaan, en nemen de man, die Hij tot Zijn werk verkozen heeft, met Zich. Laat mij dan van u horen, hetzij u in droefheid bent, of in blijdschap onder hoop, opdat ik deelgenoot mag zijn van uw droefheid, en het met u draag, en een deel mag hebben aan uw blijdschap, die ook voor mij is als mijn eigen blijdschap. Wat aangaat uw vrees, omtrent de gezondheid en ‘t leven van uw lieve kinderen, leg ze op Christus’ schouders; laat Hem alles dragen; laat uw greep van die allen wat los, en als uw lieve Heere trekt, zo laat de kinderen gaan met geloof en blijdschap. Het is een beproefd geloof, wanneer u de Heere kust, Die iets van u neemt. Laat hen maar zorgvuldig zijn, gedurende de korte tijd die zij hier zijn, dat ze lopen, en naar de prijs grijpen; Christus staat op het einde van hun weg, voor hun ogen de kroon uitreikende van eindeloze heerlijkheid, en roepende, loopt ras, en komt, en ontvangt. Zalig zijn ze, indien hun adem hen dient, om te lopen, en niet moe te worden, voordat hun Heere de kroon met Zijn Eigen lieve hand op hun hoofd stelt; niet vele maar goede dagen maken het leven heerlijk en gelukzalig; en onze lieve Heere is ons genadig, Die de weg tot de heerlijkheid verkort, en korter gemaakt heeft dan hij was; zodat de kinderen nu in vijftien jaren de kroon kunnen krijgen, waar Noach vijfhonderd jaren om streed, en ook is de hemel nu enigerwijze beter, dan zij voor Noach was; want de mens Christus is nu daar, die in Noachs dagen nog niet in het vlees gekomen was. Zeg dit tegen uw kinderen die mijn ziel van Christuswege zegent, en bid hen door de barmhartigheden Gods, en de innerlijke bewegingen van Jezus Christus, dat ze met Jezus in ‘t verbond komen om de Zijne te zijn, en dat ze de band van vriendschap tussen hun ziel en hun Christus vast te maken, opdat ze een goede Bekende in de hemel, en een Vriend aan Gods rechterhand mogen hebben; zo’n Vriend aan ‘t hof is veel waard. Nu neem ik mijn afscheid van u, mijn Christus biddende, dat Hij uw blijdschap vervult, en ik wens, dat u meer genade en zegeningen van onze zoete Heere Jezus mag krijgen, over de ziel van u en uw man, en kinderen, dan ik ooit letters van het abc geschreven heb. Genade, genade zij met u.

      De uwe in mijn zoete Meester Christus, Samuel Rutherford

      Anwoth, 9 maart 1632

       

    97. Aan Maria Mac-Knaught
    98. Zeer geliefde Juffrouw!

      Ik doe mijn liefdegroet aan u in Christus. U bent niet onwetende, wat uw Heere in Zijn liefdebezoeking is bezig geweest te doen met uw ziel, namelijk, Hij heeft u een klein gezicht doen hebben van die donkeren trans, die u door moet gaan eer u tot de heerlijkheid komt. Uw leven is nabij ‘t graf geweest, en u was nabij de dood, doch u vond de deur vast gesloten, omdat uw lieve Christus het nog de tijd niet oordeelde, om u deze poorten te openen, voordat u nog wat langer in dit veld gestreden hebt; en daarom wil Hij dat u uw wapentuig weer zult aandoen, en geen treves met de duivel of met deze tegenwoordige wereld aannemen; u bent geheel weinig verschuldigd aan een van beiden; maar ik verblijd mij in deze, wanneer een van de twee komt, om uw ziel in huwelijk aan te zoeken, u een antwoord gereed hebt, om hen te zeggen: u komt te laat; ik heb al menig jaar tevoren mijn ziel aan een ander verloofd, namelijk aan mijn liefste Heere Jezus, Wie ik getrouw moet zijn. En zo bent u dan nu weer tot ons terug gekomen, om ons te helpen bidden voor Christus’ schone bruid, die Hem een lieve wederhelft is. Weest niet neerslachtig, omdat u hoort, dat de wereld beide in Ierland en in dit land bast tegen Christus’ vreemdelingen: zij doen zo, omdat hun Heere hen uit deze wereld uitverkoren heeft; en dit is een van Christus’ smaadheden, van de mensen gehaat, en kwalijk bejegend te worden; de eenvoudige vreemdeling, zijnde in een vreemd land, moet zich vergenoegen met een rokige herberg, en slecht onthaal, en een hard bed, en een bassende en kwaadsprekende waard; het zal niet lang aanlopen, of het zal dag wezen, en zo zal hij zich op morgen op reis begeven, en die allen verlaten. Waarlijk onze schone morgenstond is aanstaande, de morgenster staat haast op te gaan, en wij zijn niet vele mijlen van huis, wat is er aan gelegen, dat wij niet wel onthaald worden in de rokige herberg van dit ellendig leven; wij moeten hier niet stil zijn, en wij zullen Hem zeer welkom zijn, waar wij naar toe gaan; en ik hoop, wanneer ik u zal zien met witte klederen bekleed, gewassen in het bloed des Lams, en u zal zien staan aan de zijde van uw liefste Heere, en Verlosser, met een kroon op uw hoofd, ons Lam, en beminnelijke Heere volgende, waar Hij ook gaat, dat u dan al deze dagen niets zult achten, en dat u zich zult verblijden, zonder dat iemand uw blijdschap van u zal nemen. En het is zeker, dat er in uw Heere Zijn zandglas niet veel zand over is om uit te lopen; die dag is nabij, en tot die tijd toe geeft uw Heere u in dit leven enige kleine vrolijke maaltijden; ‘t is waar, u ziet Hem nu niet, gelijk u Hem toen zag, uw Liefste staat nu achter de muur, ziende door de traliën, Hoogl. 2:9, en u ziet maar een weinig van Zijn aangezicht; maar alsdan zult u Zijn gehele aangezicht zien; en de gehele Zaligmaker, de lang, hoge, en brede Heere Jezus, de beminnelijkste persoon onder de mensenkinderen. O vreugde aller vreugden! Dat onze zielen weten, dat er zo’n groot Avondmaal voor ons gereed gemaakt wordt, zelfs al worden wij hier maar half verzadigd van Christus, en eten menigmaal ons middagmaal ver na de middag, nochtans zal het Avondmaal des Lams intijds komen, en ‘t zal ons voorgezet worden, eer wij uitgehongerd zijn, en onze eetlust verloren hebben. Gij hebt reden, om uw hoofd op te houden, in de gedachtenis en hoop van die schone lange zomerse dag; want in deze avond van uw leven, waarin u in ‘t lichaam bent, en afwezig van de Heere, heeft Christus’ schoon maanlicht in Zijn Woord, en sacramenten, en gebeden, en zoet gevoelen, en heilige samenspraak, op u geschenen, om u de weg naar de stad te tonen. Ik beken, onze maaltijd is hier maar sober; wij krijgen maar proefjes van onze Heere Zijn vertroostingen: maar de reden daarvan is niet, omdat onze uitdeler Jezus vrekkig en nauwhartig is: maar omdat onze magen zwak, en wij eng van hart zijn: maar ‘t grote feest komt aan, wanneer onze harten zullen worden uitgebreid, en hun kamers schoon en wijd gemaakt, om de grote Heere Jezus in te nemen: kom dan in, Heere Jezus, tot hongerige zielen, die naar U gapen. Neem op deze reis de Bruidegom, zoals u Hem hebben kunt, en weest gretig naar Zijn minste kruimeltjes. Maar lieve juffrouw, koop geen van Christus’ geestelijke lekkernijen met zonde, of met uw zwak lichaam te kort te doen; gedenk, dat u in het lichaam bent, en dat het is ‘t nachtverblijf, en dat u, zonder de Heere te vertoornen, de oude muren van dat huis niet mag laten neervallen, door gebrek aan noodzakelijk voedsel: uw lichaam is het woonhuis van de Geest; en daarom geef behoorlijk acht op dit lemen huis, uit liefde die u de zoete Inwoner toedraagt. Wanneer Hij de muren losmaakt, zeer wel, welkom Heere Jezus! Maar ‘t is een vreselijke zonde in ons, een steen of het minste stuk hout daarin los te maken, door ons lichaam te beledigen met vasten: want het huis is ons eigen niet. De Bruidegom is met u nog zo ver, dat u met Hem maaltijd mag houden, en in Hem vrolijk zijn. Ik denk aan uw overheidspersonen; maar Hij die met linnen bekleed is, en de schrijvers inktkoker aan Zijn lendenen heeft, heeft hun namen al in de hemel opgeschreven; bid, en weest tevreden met Zijn wil; God heeft een raadhuis in de hemel, en het einde daarvan zal wezen barmhartigheid over u. Om uw stad te voorzien van een godzalig leraar, zo houd uw oog op de Heere des oogstes. Ik durf u beloven, God zal uw ziel in dit leven vervullen met de vettigheid van Zijn huis, wegens dat u zo’n zorg hebt, om Christus’ kinderen wel gevoed te zien, en uw nazaten zullen het weten, voor welke ik bid om genade, en dat ze een naam mogen krijgen onder de levenden te Jeruzalem; en indien Hij hun deel stelt met Zijn kinderen, zo hebben zij schone inkomsten; en ik hoop het zal zo zijn. De Heere Jezus zij met uw Geest.

      De uwe voor eeuwig in Christus, Samuel Rutherford
      Anwoth, 19 september 1632

       

    99. Aan Maria Mac-Knaught
    100. Geliefde zuster in Christus!

      Ik laat u weten, dat ik een brief van Edinburgh ontvangen heb, waarin men schrijft, dat men veronderstelt, dat er een algemene synode zal zijn, of immers een samenkomst van de bisschoppen, en dat er in die synode enige commissarissen door de bisschoppen zullen verkoren worden; welke tijdingen mijn gemoed zo bezet gehouden hebben, dat ik niet zo bekwaam ben geweest, om te studeren, als ik tevoren ben geweest, en daarom heb ik nooit zo’n vrees voor het werk van de bediening van het Avondmaal gehad. Doch omdat het mij geschreven is als een geheimenis, zo durf ik het niemand openbaren dan aan u, die ik ken; en daarom bid ik u, dat u niet om enige troost voor mij, die een enig man ben, maar tot eer en heerlijkheid van Jezus Christus, de Heere van de koninklijke maaltijd, ernstiger bij God mocht zijn, en zeg anderen van uw bekende vromen in ‘t gemeen, wat vrees ik voor mijzelf heb. Ik kan mij vergenoegen met schande in dat werk, indien mijn Heere en Meester geëerd wordt; verzoek dan onze Heere, dat Hij inzonderheid zorg draagt voor Zijn Eigen eer, en dat Hij brood geve aan Zijn hongerige kinderen, al ga ik hongerig weg van de maaltijd. Verzoek Mr. Robbert mijnentwege, dat indien hij niet komt, hij ons gedenkt bij onze Heere. Ik heb noch tijd, noch een vrij geschikt gemoed, om u aangaande uw geval te schrijven; laat mij weten, of al uw kinderen en uw man wel gezond zijn; aangezien zij niet de uwe zijn, maar van uw lieve Heere, zo acht ze maar geleend, en legt ze weer aan Gods voeten; uw Christus is u beter, dan zij allen. Gij zult mij mijn ongewoon kort schrijven ten goede houden, en gedenk mij, en dat eerwaardig feest bij onze Heere Jezus; Hij was tevoren met ons; en ik hoop, Hij zal niet veranderen omtrent ons: maar ik vrees, dat ik omtrent Hem veranderd ben, doch Heere, laat de oude vriendelijkheid staande blijven! Jezus Christus zij met uw geest.

      De uwe in Zijn zoete Heere Jezus, SAMUEL RUTHERFORD

      Anwoth

       

    101. Aan Maria Mac-Knaught
    102. Geliefde en waarde zuster!

      Ik doe mijn hartelijkste groet aan u in Christus. Ik heb u in zo grote bedroefdheid van de geest gelaten, als waarin ik ooit was, sinds ik in dit land kwam; maar ik weet, u twijfelt niet, of, gelijk de waarheid in Christus is, mijn ziel aan uw ziel is, en aan de zielen van al de uwen verbonden, en kon ik, zo zou ik u het breedste deel van mijn hart zenden, besloten in deze brief, maar ik heb, door mijn Heere vurig aan te roepen, enige overwinning gekregen over mijn hart, dat menigmaal uitloopt, niet wetende waar, en over mijn bedriegende hoop, die ik nu beter ken dan te voren; en ik vertrouw op mijn Heere, dat ik mij ver af houden zal van de verlokkingen van een verleidend hart waardoor ik dagelijks bedrogen word; en ik zal mij wachten door de genade Gods, Die mij naar Zijn eeuwig voornemen geroepen heeft, van weer zover te komen binnen het bereik van mijn dwaas gemoed, dat aangrijpt iedere dwaasheid, die in zijn weg komt, gelijk het klimop zich rondom de boom draait. Ik aanbid en kus de voorzienigheid van mijn Heere, die wel weet, wat mij en u en uw kinderen nuttig is; en ik denk van u, gelijk van mijzelf, dat de Heere, die al de raderen en keringen van zulke veranderingen, draait naar Zijn diepe wijsheid, ook daarover ten beste van u en de uwen zal beschikken. Ik zeg het in de tegenwoordigheid van mijn Heere, al wilde ik, zo kan ik niet kwalijk van u denken in die zaak; genade, genade zij voor eeuwig over uw zaad; en ‘t zal uw deel zijn, in spijt van alle machten van de duisternis; slaat hier geen twijfel meer aan. Maar de Heere zag dat er een nagel in mijn hart los was, en nu heeft Hij ze vastgemaakt, eer hebbe Zijn Majesteit. Ik hoor, dat uw zoon in de school besteed is; indien ik de dag geweten had, ik zou van onze Heere gebeden hebben, dat Hij met zijn eigen hand hem ‘t boek in handen gegeven had; ik vertrouw in mijn Heere, dat het ook zo is; en ik krijg hoop, dat ik hem als een ster zal zien, om in de een of de andere plaats van onze Heere Zijn huis licht te geven; en ik neem voor door Gods genade, naar mijn bekwaamheid, indien de Heere u voor mij in de rust haalt wanneer u al in uw heerlijk huis zult zijn, ‘t uiterste van mijn vermogen aan te leggen, om hem alleszins in genade en geleerdheid te helpen, ook zijn broeder en al uw kinderen; en ik hoop, u zoudt dat van mij verwachten. Verder laat ik u weten, dat Mr. W. D. thuis gekomen is, die zegt, dat het een wonder is, dat uw man in dit proces voor de Raad het zonder schande en schade ontkomen is. Laat het niet vergeten worden, hij was naar ons beseffen, en tot onze droefheid, neerslachtig en verootmoedigd in het werk des Heeren, in die zaak tussen hem en de koning zijn afgevaardigden; nu heeft de Heere hem geëerd en vermaard gemaakt, tot tweemaal toe voor de edelen van dit koninkrijk, en dat wegens deugd, eerlijkheid en oprechtheid; uw Heere leeft: wij zullen tot deze troon van de genade wederom gaan; zijn arm is niet verkort. De koning wordt zeker verwacht. Het kwade wordt gevreesd; wij hebben reden wegens onze zonden, te vrezen, dat de Bruidegom van ons zal genomen worden. Wij hebben Zijn schone klederen door onze zonden gescheurd, en wij hebben onze Liefste opgewekt en wakker gemaakt; bid Hem, dat Hij blijft, of anders, dat Hij ons met Zich neemt; het zou goed zijn, dat wij aan van onze Heere Zijn deur konden kloppen, dat het klonk en daverde. Wij moeten niet moe worden, van meer dan twee- of driemaal te kloppen; Hij kent de klop van Zijn vrienden. Ik ben nog steeds dezelfde die ik ooit was omtrent uw lieve kinderen, wensende hun zielen gelukzaligheid, en biddende dat genade, genade, genade, barmhartigheid en vrede van God, ja God onze Vader, en van onze Heere Jezus, hun deel zij, en dat hun harten, terwijl zij groen en jong zijn, aan Jezus de Hoeksteen vast mogen geraken, en dat ze mogen inkomen in het huis van onze Heere en Zaligmaker, en dan zullen zij geen vrijheid krijgen om te verhuizen. Bid voor mij, en bijzonder om nederigheid en dankbaarheid; altijd ben ik u, en uw man, en uw kinderen indachtig bij God. De Heere Jezus zij met uw geest.

      De uwe voor altijd in mijn en uw lieve Heere Jezus, Samuel Rutherford

      Anwoth

       

    103. Aan Maria Mac Knaught
    104. Welgeliefde en waarde zuster!

      Ik doe u mijn hartelijke groet in Christus. God heeft mij thuis gebracht van een plaats, waar ik met grote bedroefdheid ben geoefend geweest: en thuis heb ik nieuwe stof van droefheid gevonden; nochtans durf ik niet anders, dan God in alles danken. In het werk dat mij te Edinburgh voorkwam, heb ik niet gezondigd, noch mijn partij verongelijkt, naar zijn eigen belijdenis, en naar de belijdenis van zijn vrienden. Ik heb mijn goederen gegeven om vrede te hebben, en om mijn Heere Zijn waarheid te bewaren van smaad, die mij liever is dan al wat ik heb. Mijn moeder is zwak; en ik geloof, dat ze mij alleen zal laten, maar ik ben niet alleen, omdat Christus’ Vader met mij is. Belangende uw zaak, die uw stad aangaat, daarin zie ik grote blijken, dat ze recht is, maar de Satan en zijn instrumenten zijn er tegen, en weinigen zetten hun schouders bij Christus’ schouders, om Hem te helpen. Maar Hij zal alles alleen doen, en ik durf niet anders doen dan u op te wekken om te geloven, en u te verzekeren, dat de hongerigen in uw stad zullen gevoed worden, en de rest die geen honger hebben, zullen de kruimpjes van Gods brood hun genoeg zijn. Geloof dan, ‘t zal wel zijn; ik mag mijn moeder niet verlaten, om met u te komen spreken van alle bijzonderheden; ik heb onze lieve vrienden zulke besturingen gegeven, als ik best kon, maar de uitkomst is in handen van onze God; Gods Zion buitenslands bloeit, en Zijn arm is bij ons niet verkort, konden wij maar geloven; te Edinburgh is schaarsheid en honger naar het Woord Gods. Uw zuster J. werd sterk in onze zaak, maar zij heeft nog geen antwoord gekregen van I. P. en Mr. A. C. zal werken zoveel hij kan. Mevrouw zegt, dat ze weinig doen kan en dat het haar en haar man niet voegt, in zo’n zaak te spreken; ik zeide haar mijn gevoelen rechtuit; ik verlang uw staat te verstaan; doe mijn hartelijke groet aan uw lieve man. Genade zij het deel van uw kinderen. Ik weet, dat u de verse wond van onze zusterkerk in Ierland op uw hart draagt; verzoek van onze Heere, dat Hij er een pleister op legt; Hij heeft goed verstand zoiets te doen; en zet anderen aan ‘t werk. Genade, genade zij over uw ziel en lichaam, en over al de uwen.

      De uwe in Christus, SAMUEL RUTHERFORD

      Anwoth

       

    105. Aan Maria Mac-Knaught
    106. Geliefde en waarde zuster!

      Ik weet, dat uw hart neerslachtig is, wegens de verwoesting die waarschijnlijk over deze Kerk zal komen, en de waarschijnlijkheid, dat er een huurling in Christus’ kudde zal ingedrongen worden in uw stad; maar zendt een bedroefd hart op naar Christus, en ‘t zal welkom zijn. Degenen die met het beest en met de draak zijn, moeten strijd voeren tegen het Lam: maar het Lam zal hen overwinnen: want Hij is Heere der heren, en Koning der koningen, en die met Hem zijn, zijn de geroepenen, en uitverkorenen, en gelovigen, Openb. 17:14. Onze tien dagen zullen een einde hebben; al de vorige dingen zullen vergeten zijn, als wij boven voor de troon zullen zijn. Christus is altijd zo in de wereld geweest; altijd heeft Hij ‘t werk van een Beschermer in handen gehad, en is altijd in ‘t veld geweest, strijdende de strijd van de Kerk. De vijanden van Gods Zoon zullen met hun eigen vlees gevoed worden, en zij zullen hun eigen bloed drinken; en daarom zal hun deel in deze eindelijk hard genoeg bevonden worden; zodat wij voorwaarts mogen zien, en ons over hen ontfermen, Christus’ klederen zullen in bloed gewenteld worden, totdat het getal van de uitverkorenen vervuld is. Hij komt van Edom, van het slachten van Zijn vijanden, Jes. 63:1, bekleed met besprenkelde klederen, versierd in Zijn gewaad, voorttrekkende in Zijn grote kracht. Wie is deze, zegt hij Die in die heerlijke gedaante komt? Onze grote Hij, die Hij, die machtig is te verlossen, Wiens heerlijkheid schijnt terwijl Hij het bloed van Zijn tegenpartijders op Zijn klederen sprengt, en heel Zijn gewaad bezoedelt. De heerlijkheid van Zijn rechtvaardige wraak blijkt in die bezoedelingen. Maar aangezien onze wereld hier niet is, zo moeten wij arme kinderen, ver van huis zijnde, door vele wateren stilletjes heengaan, wenende terwijl wij gaan, en tegelijk gelovende, opdat wij des Heeren getrouwheid niet verongelijken, omdat Hij gezegd heeft, Jes. 51:12: Ik, Ik ben het, die u troost; wie zijt gij, dat gij vreest voor de mens, die sterven zal? En voor eens mensen kind, dat hooi worden zal? 43:2: Wanneer u zult gaan door het water, Ik zal bij u zijn, en door de rivieren, zij zullen u niet overstromen, wanneer u door het vuur zult gaan, zult u niet verbranden, en de vlam zal u niet aansteken. Er vergadert een wolk, en er komt een storm, dit land zal ondersteboven geworpen worden; en indien de Heere ooit door mij sprak, denk er aan, Christus’ bruid zal blij zijn, als zij een hol heeft, om er haar hoofd in te verbergen, en de draak mag zover overmogen, dat hij de vrouw met haar manlijke Zoon over zee drijft; maar er zal daarna een opzameling zijn, twee of drie bezijden, in de top van de olijf boom, waarvan God zal zeggen: verderf ze niet; want er is een zegen in. Daarna zal er een schone zonneschijn zijn op Christus’ oude bruid, met een heldere lucht, en zij zal zingen, als in de dagen van haar jeugd. De antichrist en de grote rode draak zal Christus’ takken afkappen, en hij zal zijn wijnstok maken tot een lage stomp, onder de voet van degenen, die het merk van het beest dragen; maar de Plant van Naam, de Man, Wiens Naam is Spruit, zal weer uitspruiten, en bloeien als de roos, en er zullen op die boom des levens weer schone witte bloesems met zeer lieflijke vruchten zijn. O dat Hij een schoon jaargetijde heeft! Genade, genade zij over die gezegende en schone Boom! onder Welks schaduw wij zullen zitten, en Zijn vrucht zal voor onze smaak zoet zijn. Maar Christus Zal zijn handvol uitverkorenen vrijen in het vuur, en de Zijnen verkiezen in de oven van verdrukking; maar ‘t zij zo, Hij kan, Hij zal Zijn kinderen niet doden, de liefde zal Hem geen voleinding doen maken. Het verbond zal Hem Zijn hand doen uitsteken; vreest dan niet, zegt de Eerste en de Laatste, Die dood geweest is, en leeft. Wij zien niet dat Christus Zijn zwaard tegen zijn vijanden scherpt, en veegt; en daarom zeggen onze ongelovige harten, gelijk Zion deed: de Heere heeft mij verlaten; maar God bestraft hen en zegt: wel, wel, Zion, is dat goed gezegd? Denkt er nog eens aan, u doet Mij ongelijk, Jes. 49:15; kan ook een vrouw haar zuigeling vergeten, dat zij zich niet ontfermt over de vrucht haars buiks? Ja, zij mocht, doch Ik zal u niet vergeten; vers 16: Ziet ik heb u in de beide handpalmen gegraveerd. U breekt uw hart, en wordt zwaarmoedig, en u vergeet dat Christus uw naam in grote letteren op Zijn handpalmen gegraveerd heeft. In de naam van de Zoon Gods, geloof, het begraven Schotland, ja dood, en begraven, met haar lieve Bruidegom, zal ten derde dage weer opstaan; en er zal een nieuwe groei zijn, nadat het oude hout is neergehouwen. Ik beveel u en uw lasten, en uw bezwaard hart aan de ondersteuning van Zijn genade, en aan de goedwilligheid Desgenen, Die in de braambos woonde, aan Hem, Die afgezonderd was van Zijn broederen. Verneem stilletjes, en als van ver uit uw man, of hij zal bewogen worden, om te denken van naar Amerika te gaan. O te mogen zien een gezicht, het vrolijkste naast Christus’ komst in de wolken! Onze oudere broeders en Christus elkaar omhelzende, en elkaar kussende! Lang zijn zij vaneen gescheiden geweest; zij zullen vriendelijk jegens elkaar wezen, als zij samenkomen. O dag! O lang verlangde en beminnelijke dag, breek aan! O zoete Jezus, laat mij dat gezicht zien, dat zal wezen als het leven uit de doden, U met Uw oude volk in onderlinge omhelzingen! Begeer van uw dochter, dat ze met Christus de overeenkomst sluit op voorwaarde, van voor Hem te lijden: want het kruis is een oude belasting, en een weinig gronderf, die aan Christus’ huis ligt. Onze Beminde, de Voornaamste van ons geslacht, had altijd die bezwaring aan Zijn erfenis liggende: maar zeg haar, de dag is aan het aanbreken nabij, de lucht begint te scheiden, onze Liefste zal bij ons zijn, eer wij het weten; de antichrist, en dood en hel, en Christus’ en onze vijanden zullen gebonden, en in de grondeloze put geworpen worden. De Heere Jezus zij met uw geest.

      De uwe in zijn zoete Heere Jezus, Samuel Rutherford

      Anwoth, 22 april 1635

       

    107. Aan Maria Mac-Knaught
    108. Liefhebbende en lieve zuster!

      Om Zions wil zwijg niet, noch wees moedeloos, wegens dat deze vervolging voortgaat, Jehovah is in de brandende braambos; de watervloeden mogen zwellen en brullen, maar onze ark zal boven de wateren zwemmen, zij kan niet zinken, omdat er een Zaligmaker in is. Omdat onze Liefste door Zijn bruid niet ingelaten werd, als Hij aan de deur stond met Zijn natte en bevroren haarlokken; daarom wil Hij, dat wij Hem een tijdlang zullen zoeken; en terwijl wij zoekende zijn, hebben de wachters, die rondom de muur gaan, de arme vrouw geslagen, en haar sluier van haar genomen; maar ‘t zal maar een korte tijd zijn, en onze Heere zal wederkomen. Schotlands lucht zal weer ophelderen; haar ogenblik moet overgaan; ik durf in geloof zeggen, en schrijven, ik ben nu niet dromende, Christus is maar zoekende, ‘t geen Hij zal hebben en maken, een zuivere glinsterende bruid uit het vuur. God heeft Hem tot dit werk gezonden; doch Hij kan niet komen te missen, hetgeen Hij zoekt. Ondertussen zal Hij op de een of andere wijze een nest vinden of maken voor Zijn treurige duiven. Wat doen wij? Zullen wij ons geloof de nek breken? Wij zijn nog niet gekomen tot de mond van de rode zee; en ‘t al zou het zo zijn, Hij moet ze om Zijn eershalve opdrogen; ‘t is onze plicht te sterven, grijpende en vasthoudende Zijn getrouwe belofte. Indien het beest vrijheid krijgt, om door ‘t land te reizen, en te verzegelen degenen, die van hem zijn, zo zal hij niet een lam met zich krijgen: want die zijn verzekerd en verzegeld, als de dienstknechten Gods. In Gods Naam, laat Christus Zijn dorsvloer nemen met al wat er op is, naar een berg, en alles doorzuiveren: laat Hem Zijn koren ziften, en Zijn huis vegen, en Zijn verloren goud zoeken; de Heere zal de bolderende wagens zacht doen gaan, of ze omkeren; want het overblijfsel van de grimmigheid bindt Hij op. Hij kan de riem van de koningen losmaken; hun riem, waarmee zij gegord zijn, is met een enkele trekknoop aan God vast. Wat aangaat een herder voor uw stad, uw geweten kan u getuigen, dat u het uwe gedaan hebt; laat de Heere van de wijngaard nu zorg dragen voor Zijn hof, omdat u zolang bent voortgegaan, totdat Hij gezegd heeft: sta stil. De wil des Heeren geschiede: maar een beproeving dient niet, om God op te geven, en niet meer te geloven. Ik dank mijn God in Christus, ik bevind, dat de kracht van mijn verzoeking is afgenomen, zijn scherpheid verstompt, sinds ik u ‘t laatst sprak. Ik weet niet, of de verzoeker steeds omloopt, totdat hij vindt, dat de dam weer opkomt, en ik zorgelozer wordt; doch het is mijn last geweest; en ik heb nog meer vertrouwen. dat de Heere zal te hulp komen, en verlossen. Ik heb voor, zo God wil, het te schikken, dat ons Avondmaal gehouden zal worden de eerste sabbat na Pasen. Onze Heere, de grote Meester van het feest zende ons nog een hartvervrolijkend Avondmaal: want ik zie tegemoet, het zal het laatste zijn. Maar wij verwachten, dat wanneer de schaduwen zullen vlieden, en de dag aankomt, onze Heere tot Zijn hof zal komen, Hij ons weiden zal in grazige weiden, zonder vrees; dan zullen de honden niet losgelaten, en opgehitst worden onder de schapen. Ik verzoek ernstig uw gebeden, om bijstand in ons werk, en zet anderen met u aan, om het te doen. Mijn groet aan uw man, en begeer van uw dochter, dat ze vriendelijk is tegen Christus, en dat ze zoekt nabij Hem te geraken, Hij zal haar verwelkomen in Zijn wijnhuis, en haar brengen in des Konings binnenkameren. O hoe zal ‘t gezicht van Zijn aangezicht, en de reuk van Zijn klederen het hart lokken en verrukken! Nu de liefde van de beminnelijke Zoon Gods zij met u.

      De uwe in zijn zoete Heere Jezus, Samuel Rutherford

      Anwoth, 1635

       

    109. Aan Maria Mac-Knaught
    110. Juffrouw!

      Ik doe mijn geliefde groet in Christus. Ik kan u nu niet bezoeken, omdat ik een samenkomst heb vastgesteld met M. D. D. en weet, dat B. de Classis niet zal bijwonen; beveel mijn reis aan God: Mijn ziel zegent u wegens uw laatste brief; weest niet moedeloos, Christus zal geen eilanders missen. De eilanden zullen naar Zijn wet wachten. Wij zijn Zijn erfdeel, en Hij zal geen deel van Zijn erfenis verkopen, wegens de zonden van dit land, en onze verbondsbreking, verachting van het Evangelie, en afwijking van de waarheid. Hij heeft een brandende oven opgesteld op onze berg Zion. Maar ik zeg, en zal er bij blijven; het gras zal nog groen worden op onze berg Zion: er zal de ganse nacht dauw zijn op de leliën, onder welke Christus weidt, totdat de dag aanbreekt, en de schaduwen vlieden; en de mot zal de vijanden van Christus opeten, Jes. 50:9, laat hen een vuur aansteken van hun eigen, en wandelen in het licht daarvan, het zal hen niet laten zien, naar hun bed te gaan, maar zij zullen in smart neerliggen. Verheug u dan, en geloof. Dit in haast. Genade, genade zij met u en de uwen.

      De uwe in Christus, Samuel Rutherford
      Anwoth

       

    111. Aan Maria Mac-Knaught
    112. Liefhebbende en lieve zuster!

      Ik vrees, dat u bewogen en neerslachtig bent, wegens ‘t ongelijk dat uw man onlangs ontving In de Raad van uw stad. Maar ik bid u, troost uzelf in de Heere: want een rechtvaardige zaak blijft maar zolang onder water, als de goddelozen hun handen er boven houden; hun arm zal moe worden, en dan zal de rechtvaardige zaak boven zwemmen; en het licht dat voor de rechtvaardigen gezaaid is, zal opkomen, en groeien. Indien gijlieden hier geen vreemdelingen was, de honden van de wereld zouden tegen ulieden niet bassen, 2 Kor. 6:8. Gij zult uit Gods Woord zien al de draaien en keringen, die op uw weg naar de hemel zijn: want Hij zal u niet de naaste weg tot het Koninkrijk leiden, maar u moet gaan door eer en oneer, door kwaad en goed gerucht, als bedriegers, nochtans waarachtigen, vers 9, als onbekenden, en nochtans bekend; als stervenden, en ziet wij leven, als getuchtigd, en niet gedood, vers 10, als droevig zijnde, doch altijd blijde. De wereld is een van de vijanden, waar wij tegen te strijden hebben; maar ‘t is een overwonnen vijand, en gelijk een geslagen en verloren soldaat: want onze Jezus heeft de wereld ontwapend; laat mij u dan toespreken in Zijn woorden; hebt goede moed, zegt de Overste van uw zaligheid, want Ik heb de wereld overwonnen. Gij zult niet vrij zijn van de gesel van de tong, noch van smadingen, ja ‘t mag wezen, dat men u met vuisten zal slaan, in uw aangezicht spuwen, gelijk het was met uw Zaligmaker; indien u Jezus Christus wilt volgen. Ik bid u in de innerlijke bewegingen van onze Heere Jezus, houd een goed geweten, gelijk ik vertrouw, dat u doet; u leeft niet op de mensen hun mening: goud kan goud zijn, en hebben de Koning Zijn beeld ingedrukt, wanneer het door mensen vertrapt wordt. Zalig bent u, indien u, wanneer de wereld u vertreedt in uw faam, en goede naam, nochtans de Heere Zijn goud bent, hebbende het beeld van de Koning des hemels op u gedrukt, en zijnde door Zijn Geest verzegeld tot de dag van uw verlossing. Bid om de Geest van de liefde: want 1 Kor. 13:7, de liefde draagt alles, zij gelooft alles, zij hoopt alles, en zij doorstaat alles. En ik bid u en uw man, ja ik belast u voor God en de Heere Jezus, en de uitverkoren engelen, bid voor deze uw tegenpartijders, en lees dit uw man voor uit mijn naam, en doet u beide aan, als uitverkorenen Gods, de innerlijke bewegingen van barmhartigheid; en gedenk, zuster, hoe menig duizend talenten van zonden heeft uw Heere u vergeven; vergeef dan uw mededienstknecht een talent. Volg Gods gebod in deze, en volg in deze niet uw eigen hart, en uw eigen ogen na, gelijk de Geest spreekt, Num. 15:39. Vraag hier nooit de raad van uw eigen hart; de wereld zal uw hart nu opblazen, en doen zwellen, tenzij de genade Gods het doet vallen. Jezus, ja Jezus, de eeuwige Wijsheid van de Vader, geve u wijsheid. Ik vertrouw, dat God in u zal verheerlijkt worden; en er zal een deur voor u geopend worden, gelijk voor de Heere Zijn gevangenen, die daar hopen, gelijk Zacharia spreekt; het is u goed, dat de goddelozen Gods wan zijn, om u te zuiveren. En ik hoop, zij zullen geen koren of geestelijke genaden, maar alleen uw kaf wegblazen. Ik bid u, dat wanneer u ‘t proces vervolgt, u zo uw toevlucht neemt tot de wet van de mensen, dat u niet afzwerft van de Wet Gods. Weest niet neerslachtig. Indien u Hem zag, Die daar staat aan de oever, Zijn armen uitstekende om u op ‘t land te verwelkomen, u zoudt niet alleen willen gaan door een zee van beledigingen, maar zelfs door de hel, om bij Hem te zijn. En ik vertrouw in God, dat u Hem soms ziet. De Heere Jezus zij met uw geest, en met al de uwen.

      Uw broeder in de Heere, Samuel Rutherford

      Anwoth

       

    113. Aan Maria Mac-Knaught
    114. Waarde en lieve Juffrouw!

      Ik doe u mijn hartelijkste liefdegroet in Christus. Aangaande dat werk, hetwelk ik weet, dat u zo graag zoudt zien van goede uitwerking; mijn ernstige begeerte is, dat u stilstaat en niet haast, en u zult het heil Gods zien. De grote Heerhovenier, de Vader van onze Heere Jezus Christus, heeft mij hier door een wonderlijke voorzienigheid met Zijn Eigen hand, indien het zou zijn tot stichting, ik durf het zweren, geplant; alwaar ik door Zijn genade in dit deel van de wijngaard groei; ik durf niet anders zeggen, al is ‘t dat de satan en de wereld, zijnde een van zijn dienaren, die hij uitzendt om zijn boodschappen, anders hebben gelegd, hier zal ik blijven, totdat de grote Heere van de wijngaard het goeddunkt, mij te verplanten. Doch wanneer Hij het bekwaam oordeelt, mij los te maken aan de wortel, en mij te planten waar ik nuttiger kan zijn, om vrucht en schaduw te geven; en wanneer Hij mij uitrukt Die mij plantte, opdat Hij mij verplante, wie zou Zijn hand durven afkeren, en het hinderen? Zo iemand het wil doen, God zal zijn arm van het schouderblad afbreken, en doen hetgeen Hij wil. Wanneer onze Heere gaat naar het westen, dan gaan de duivel en de wereld naar het oosten; en weet u niet, dat er altijd zo’n wijze van doen is geweest tussen God en de wereld? God trekt, en zij houden vast, God zegt ja en de wereld zegt neen; maar zij vallen op hun rug, en missen hun oogmerk, en onze God houdt Zijn greep. Om welke reden zegt het Woord, dat onze Christus, de Heere van dit huis, welke is Zijn lieve kerk, voeten heeft gelijk blinkend koper, gloeiende als in een oven? Openb. 1:15. Om geen andere reden, dan omdat, waar onze Heere Zijn koperen voeten neerzet, Hij daar voort wil; en alwaar Hij naar toeziet, daar wil Hij Zijn gezicht volgen, en Zijn voeten verbranden alles onder Hem, gelijk als vuur de doornen en stoppelen verbrandt. Ik oordeel, dat Hij nu aan de wereld een proef gegeven heeft van Zijn uitnemend grote kracht, wanneer Hij zulke grote dingen doet, waarin Zions aanbelang is; door de Zweedse koning, als door een Gideon; zozeer als u de heerlijkheid Gods liefhebt, bid met aanhouding, ja verbind al uw biddende bekende vrienden, en neem hen een getrouwe belofte af, dat ze hetzelfde doen, voor deze koning, en voor ieder, die de Koning Zions wapent, om de beschreven wraak over Babylon te oefenen. Onze Heere heeft begonnen enige hoekstenen van Babylon los te maken; bid Hem, dat Hij voortgaat: want die stad moet vallen, en de vogelen van de lucht en de beesten van de aarde moeten van Babylon een maaltijd maken; want Hij heeft hen genodigd, om het vlees van die hoer te eten en haar bloed te drinken; de drinkbeker van des Heeren hand zal haar toegereikt worden, en over al haar heerlijkheid zal een schandelijk uitspuwsel zijn. Hij, Wiens Woord moet bestaan, heeft gezegd: Neemt deze beker van de hand des Heeren, en drinkt, en wordt dronken, en spuwt, en valt neer, opdat u niet weer opstaat, Jer. 25:27, omdat onze Jezus Zich opstelt als zijns Vaders banieren, Jes. 11:10), Als Gods schone witte vaandels, opdat Zijn soldaten zich allen rondom Hem mogen begeven; lang, lang moeten deze vaandels staan! Het is al voorlang, sinds Hij een banier tegen Babylon heeft laten uitwaaien. in ‘t gezicht van mensen en engelen; laat ons blij zijn, en triomferen in onze God, de overwinning is zeker; want als Christus en Babel samen worstelen, dan mogen zich de engelen en heiligen gereed maken, om te zingen: het grote Babylon is gevallen, zij is gevallen! Hoewel die beroemde Vorst, de dierbare Jezus, nu wenende en bloedende is in Zijn leden, zo zal Christus toch wederom lachen; en ‘t is tijd genoeg voor ons te lachen, wanneer onze Heere Christus lacht, en dat zal binnen korte tijd zijn. Want als wij van oorlogen en geruchten van oorlogen horen, dan zijn de voeten van de Richter voor de deur, en Hij moet in de hemel zijn om aan de engelen order te geven om zich te bereiden, en hun snijmessen en sikkels gereed te maken tot die grote oogst. Christus zal ons haast overkomen; waak maar een weinig en de hemel zal eerlang scheiden, en die schone, beminnelijke persoon, Jezus, zal in de wolken komen, met heerlijkheid vervuld en beladen; en dan zullen al die deugnieten en vossen, die de wijngaarden verderven, tot de heuvelen en bergen roepen, dat ze hun bedekken, en verbergen voor het aangezicht van Hem, Die op de troon zit, en voor de toorn des Lams. Doe mijn groet aan uw man, en verzoek hem, dat hij Christus helpt, en Zijn zijde kiest, en in ‘t gericht altijd met Hem stemt, en om Zijnentwil geduldig een slag ontvangt: want Hij is waardig, dat men om Zijnentwil niet alleen lijdt tot slagen toe, maar tot den bloede toe. Hij zal bevinden, dat onnozelheid in ‘t gericht zijn voeten zal staande houden, en hem gelukkig maken, wanneer het voegen en zondig schikken het niet doen zal. Dit spreek ik, omdat mij een persoon gezegd heeft, ik bid God, dat het land in geen erger staat nu is, wanneer de schout en burgemeester overeenkomen, dan te voren; wie ik antwoordde: Ik vertrouw dat de schout met die manspersoon overeenkomt, maar niet met zijn fouten. Ik bid voor u met geheel mijn ziel, en wens dat uw kinderen in de waarheid mogen wandelen, en dat de Heere over hen mag schijnen, en hun aangezichten doen blinken, wanneer anderen hun aangezichten schaamrood zullen worden. Ik durf hun beloven in de Naam van Hem, Wiens waarheid ik predik, indien zij maar de dienst Gods willen beproeven, dat ze in Hem de zoetste Meester zullen vinden, die zij ooit dienden; en verzoek hen mijnentwege, dat ze maar voor een tijd de dienst van deze gezegende Meester beproeven; en indien dan Zijn dienst niet zoet is; indien Hij niet uitlevert, ‘t geen voor de smaak van de ziel vermakelijk is, laten ze Hem op beproeving verlaten en zoeken een betere. Christus is een onbekende Christus voor de jonge mensen, en daarom zoeken zij Hem niet, omdat ze Hem niet kennen. Gebied hen te komen, en te zien, en een kus van Zijn mond te zoeken, en dan zullen zij bevinden dat Zijn mond zo zoet is, dat ze eeuwig met hun eigen toestemming aan Hem als met een keten gebonden zullen zijn. Indien ik enig vertrouwen bij uw kinderen heb, zo bid hen in Christus’ Naam, dat ze beproeven wat waarheid en dadelijkheid is, in ‘t geen ik zeg, en dat ze Zijn dienst niet verlaten, voordat ze mij een leugenaar hebben bevonden. Ik gaf u, en uw man, en hen in de bewaring van Hem, Die ik mijzelf en mijn ziel gegeven heb en durf toevertrouwen, namelijk aan onze lieven Vriend Jezus Christus, in Wie ik ben uw

      Samuel Rutherford

      Anwoth

       

    115. Aan Maria Mac-Knaught
    116. Geliefde zuster!

      Ik doe u mijn hartelijkste groet in Christus. Weet, dat ik in grote bedroefdheid ben, wegens de beklaaglijke staat van onze Heere Zijn kerk. Ik hoor, dat de oorzaak, waarom D. Burton in ‘t gevangenhuis is gezet, is, zijn schrijven en preken tegen de Arminianen. Daarom bid ik om de hulp van uw gebeden voor mij, en voor de Heere Zijn gevangene van hoop, en voor Zion. De Heere heeft mij laten zien, en doet mij dagelijks klaar zien, welke diepe voren de Arminianen, en de volgers ervan op Gods Israël zullen trekken. Doch onze Heere snijdt de koorden van de goddelozen af. Jes. 49:14: Maar Zion zegt: de Heere heeft mij verlaten, en mijn Heere heeft mijn vergeten. Klaagl. 1:2: Zion weent steeds ‘s nachts, en haar tranen lopen over haar kinnebakken; zij heeft geen trooster onder al haar liefhebbers; al haar vrienden hebben trouweloos met haar gehandeld, zij zijn haar tot vijanden geworden. Jes. 1:22: Ons zilver is geworden tot schuim, onze wijn is gemengd met water. Klaagl. 4:1: Hoe is het goud zo verdonkerd! Het goede fijne goud is veranderd! Hoe zijn de stenen des heiligdoms vooraan op alle straten verworpen! De kostelijke kinderen Zions, tegen fijn goud geschat, hoe zijn ze nu gelijk gerekend aan de aarden flessen, het werk van de handen eens pottenbakkers! Het is nu tijd voor des Heeren verborgenen, die het stof van Zion begunstigen, dat ze roepen, hoe lang, Heere? En dat ze op hun wachttoren gaan en daar blijven, zonder neer te komen, voordat het gezicht spreekt; want het zal spreken, Hab. 2. Ondertussen zal de rechtvaardige door geloof leven. Laat ons wachten, en niet moe worden. Ik heb geen andere draad, om daaraan te hangen en daarop te rusten dan deze ene. Jes. 49:15: Kan ook een vrouw haar zuigeling vergeten, dat zij zich niet ontfermt over de zoon haars buiks? Ofschoon deze vergate, zo zal Ik toch u niet vergeten. Vers 16: Zie, Ik heb u in de beide handpalmen gegraveerd; uw muren zijn steeds voor Mij. Omdat alle uitwendige hulpen ontbreken, zo is het dan tijd voor ons, dat wij onszelf, als onze Heere Zijn vaten, hangen aan de nagel, die vastgemaakt is in een gewisse plaats. Wij zonden wel staken willen maken, die wij zelf gevestigd hebben, maar zij zullen breken. Onze Heere wil Zion hebben aan Zijn Eigen nagel. Edom is bezig binnen ons, en Babel buiten ons, tegen het handvol van Jakobs zaad. Het zou het beste zijn, dat wij hier aan Christus’ zijde waren, want Zijn vijanden zullen in het onderspit raken, gelijk het spreekwoord is; onze grootste zwarigheid zal zijn, hoe wij nu op de rotssteen zullen geraken, wanneer de wind en baren van vervolging zo opgeblazen en trots zijn. Laat de zoete Jezus ons bij de hand nemen; ook moeten wij niet denken, dat het anders zal wezen; want er is gezegd tot de zielen onder het altaar, Openb. 6:11, dat hun mededienstknechten moeten gedood worden, gelijk als zij. Gewis de dag kan niet veraf wezen Ja, hoort Hem zeggen: Zie, Ik kom, mijn lieve Bruid, reken het niet lang; meteen zal Ik bij n zijn, Ik hoor u, en ben al op weg. Amen, ja kom Heere Jezus, kom haastelijk, want de gevangenen van hoop kijken door de vensters van de gevangenis om te zien, of zij des Konings afgezant kunnen zien komen, met des Konings last en met de sleutelen. Ik schrijf u nu niet bij gissing; omdat ik een vastheid heb, om tot u te zeggen: de klederen van Christus’ Bruid moeten nog eens in bloed geverfd worden, gelijk haar Man Zijn klederen lang tevoren waren. Doch onze Vader ziet zijn bloedende Zoon. Hetgeen ik u geschreven heb, laat dat zien aan I. G. Genade, genade, genade en barmhartigheid zal zijn met u, met uw man en kinderen.

      De uwe in de Heere, Samuel Rutherford

      Anwoth

       

    117. Aan Maria Mac-Knaught
    118. Geliefde en waarde zuster in Christus!

      Ik kon geen antwoord op uw brief geschreven krijgen vóór nu, uit reden van mijn vrouws ziekte; en zij is nog in grote pijn; ik hoop alles zal eindigen in Gods barmhartigheid. Ik weet, dat een leven van verdrukking zeer gelijkt naar de weg, die tot het Koninkrijk leidt: want de apostel heeft de lijn van de Koning Zijn marktweg getrokken, Hand. 14:22, door vele verdrukkingen naar het Koninkrijk. De Heere geve ons de gehele wapenrusting Gods. Gij schrijft mij aangaande de geschiktheid van uw volk, hoe hun harten geneigd zijn tot de man, die u kent, en die u zelf zeer ernstig begeert te hebben. Hij wilde zeer graag des Heeren roeping hebben, om geplant te worden: want hij weet, dat al Gods planten. door Zijn Eigen hand gezet, wel groeien; en indien het werk van God is, zo kan Hij zelfs van de duivel een stapsteen maken, om het werk voort te zetten. Aangaande uzelf, wilde ik u raden, dat u van God een onderworpen hart verzocht, uw loon zal wezen bij de Heere, hoewel het volk niet verzameld wordt, gelijk de profeet zegt, en neem, dat het woord niet voorspoedig is, zo zal God u toch achten, een die de bressen openmaakt; en neemt Christus’ borgtocht, u zult uw loon niet verliezen. Houd uw greep vast. Indien u de zin en gedachten van de verheerlijkten in de hemel kende, u zoudt weten dat ze denken dat de hemel hen op een lichte markt ter hand is gekomen, wanneer zij die verkregen hebben door zestig of tachtig jaar worstelen met God; wanneer u daar komt, zult u oordelen, al wat ik deed, was te weinig, in opzicht van mijn rijk loon, dat ik nu door vrije genade geniet. Nu dan, om de liefde van de Vorst van uw zaligheid, die aan ‘t eind van uw weg staat, houdende de prijs en de kroon voor de loper in de loopbaan in zijn hand omhoog; haast u voort; bezwijk niet. Neem er zoveel met u ten hemel, als u er trekken kunt; hoe meer u er met u trekt, hoe welkomer u zelf zult zijn. Weest niet vrekkig, of als een gierigaard in ‘t uitdelen van de genade van God; en stel al uw poging te werk, om een oprecht leraar in uw stad te bevestigen, en dat nu, terwijl u er zo weinig hebt, om een goed woord voor u te spreken. Ik heb dagelijks menigmaal een bedroefd hart in mijn beroep. Ik ware vergaan, zo ik geen toegang had tot des Konings ontvangkamer, om al het werk voor Hem open te leggen. De duivel woedt, en is uitzinnig dat hij ziet, dat het water getrokken wordt van zijn eigen molen. Maar och, dat God gave, dat wij werktuigen konden zijn, om het huis van de Zoon Gods te bouwen! Bid voor mij; indien de Heere geen nieuw hout van de berg Libanon bezorgt, om het huis te bouwen, zo zal het werk stilstaan. Ik zie op Hem, Die wel met mij begonnen is. Ik heb Zijn handschrift; Hij zal niet veranderen; uw dochter is gezond, en wacht naar een Bijbel. De Heere bevestige u in vrede. De Heere zij met uw geest.

      De uwe naar geheel zijn vermogen in Christus, Samuel Rutherford

      Anwoth

       

    119. Aan Maria Mac-Knaught
    120. Ik doe mijn liefdegroet aan u; ons Avondmaal zal wezen toekomende sabbat acht dagen. Ik wil u bidden, dat u het God aanbeveelt, en dat u voor mij in dat werk bidt. Ik heb nu meer zonden op mij, dan de laatste reis. Daarom wil ik u in Christus bidden, dat u dit verzoek voor mij van God begeert, dat de Heere mij genade wilde geven, om nieuwe gehoorzaamheid te beloven en te verrichten. Ik heb reden, om dit van u te verzoeken en zeg het ook Thomas Carsen, Fergus en Johanna Brown: want ik ben uitnemend neerslachtig geweest, en ben het nog, strijdende tegen een boosaardige duivel, op wie ik weinig grond kan winnen. En ik zou het een wettige en welverkregen buit achten, die ik hem en zijn getrouwen knecht, de zonde, zou ontrukken; en het zou geen zonde zijn, hem wat te ontnemen. Ik nodig u in de Naam van onze Huiswaard, onze Koning. Jezus, tot de heerlijke maaltijd; Hij zegt, dat u Hem zeer welkom zult zijn. En ik zou gaarne geloven, hoewel ik niet zonder grote vrees ben, dat Hij alzo hartelijk in Zijn huis de gasten zal onthalen, als Hij tevoren gedaan heeft. Mij aangaande, ik heb geen staat te maken om veel te ontvangen maar ik zou graag hebben, dat onze Vader en Heere het grote schone brood, Christus, brak, en dat Hij Zijn geslachte Zoon ronddeelde onder de kinderen van Zijn huis; en dat, indien er enig stiefkind was, in opzicht van troost en gevoelen, ik zelf het liever zou zijn, dan Zijn arme kinderen. Verzoek dan, dat onze Liefste tot Zijn hof kome en weide onder de leliën. En wat Zion aangaat, ik hoop dat onze Heere, die Zach. 2. Zijn engel zond, met een meetsnoer in Zijn hand, om de lengte en breedte van Jeruzalem te meten. tot een teken dat Hij niet een voetlengte of een duimbreed van Zijn Eigen vrije erfenis wilde missen, orde zal stellen omtrent diegenen, die Hem menigte akkers van zijn land weggenomen hebben. En God zal Jeruzalem bouwen op de oude stee en plaats, waar het tevoren was. Weest blij en vrolijk in deze hoop. Christus’ kleed was niet tevergeefs in bloed gedoopt; maar het was voor Zijn bruid, die Hij met slagen gekocht heeft. Ik verzoek, dat u mijn oude begeerten bij God in gedachtenis brengt, dat God verheerlijkt wordt, en dat het licht toeneemt; opdat ik niet opdroog. Aangaande uw stad, hoop en geloof, dat de Heere Zijn losse schoven onder u zal inzamelen in Zijn schuur, en dat Hij er een zal zenden, met goed en sterk gereedschap voorzien, om Zijn oogst in te gaderen. En de Heere Jezus zij de Landman, en hebbe het oog op de wasdom. Doe mijn liefdegroet aan uw man, en aan Samuel; genade zij over u en uw kinderen. Heere, maak ze hoekstenen in Jeruzalem, en geef ze genade in hun jonkheid, om zich vast te bouwen op de schone voorname Hoeksteen, Die uit de berg gehouwen was zonder handen, en menige klop kreeg met Zijns Vaders voorhamer, en het alles verdroeg, en nochtans scheurde of brak de steen niet; maak dat uw ziel op die steen ligt. De Koning Jezus zij met uw geest.

      Uw vriend in zijn beminde Heere Jezus, Samuel Rutherford

      Anwoth

       

    121. Aan Maria Mac-Knaught
    122. Zeer geëerde en lieve Juffrouw!

      Ik doe u mijn liefdegroet in Christus. Ik bedroef mij van harte, dat ik u iets schrijf, dat bezwaardheid in u voortbrengt; en ‘t geen ik geschreven heb, schreef ik met veel zwaarmoedigheid. Maar ik bid u in Christus’ Naam, wanneer mijn ziel onder worstelingen is, en zij zoekt besturing van onze Heere, aan Wie de wijngaard Eigen is, waar ik naar toe zal gaan; geef mij dan vrijheid, om raad te vragen, en om in alle verblijven, en op alle paden onderzoek te doen, om te zien, of Hij mij voorgaat, en mij leidt. Want indien ik verzekerd was van Gods roeping tot uw stad, laat vrij mijn arm van mijn schouderblad vallen, en zijn kracht verliezen en laat mijn rechteroog ten enenmale donker worden, hetwelk het oordeel is over de nietige herder, Zach. 11:17. Indien ik niet liever door ‘t water tot u wilde zwemmen, en geen boot gebruiken, dan te blijven zitten, niettegenstaande Zijn roeping. Maar indien u mijn twijfelingen en vrezen daarin kende, u zoudt met mij lijden. Of het beproevingen zijn, of hinderpalen van God ingeworpen, weet ik niet. Maar u hebt nu reden, om God te danken: want aangezien de bisschop u zo’n belofte gedaan heeft, zo zal hij u veel liever een eerlijk man geven, dan mij toelaten tot u te komen. En gelijk ik u altijd geboden heb stel de zaak uit uw hand in des Heeren welbehagen, en onderzoek bij Hem, of u last en grond van Hem hebt, om niemand in de wereld dan één alleen te zoeken, wanneer er zoveel keus van goede mannen te krijgen is, al zijn er zulke te weinig, zo zijn ze er toch. En ‘t geen Hij mij in die zaak zegt, dat neem ik voor door Zijn genade te doen: want ik weet niet, wat Hij met mij doen wil; maar u zal Hij met vreugde verzadigen, eer het werk teneinde is. Want ik verzeker mij, dat de Heere Jezus u reeds opgewekt heeft, om in die zaak goed te doen, en u zult uw loon niet verliezen. Ik heb gehoord, dat uw man en Samuel ziek zijn geweest. De Man, die genaamd wordt de Spruit, en Gods metgezel, die voor ‘t aangezicht van Zijn Vader staat, zal uw steunsel en hulp zijn, Zach. 13:7. Ik wenste, dat ik bekwaam was om uw ziel te troosten; maar weest geduldig, en sta stil. Die gelooft, zal niet haasten. Die zaak van Crawmond, op deze tijd zo ingeworpen, is of een verzoeking, juist nu gebeurd zijnde, of zij zal al mijn twijfelingen opklaren, en u doen zien de wil van de Heere. Maar nooit kende ik, wat mijn plicht was in deze zaak te doen, dan nu. Ik dacht, dat ik williger was, om de bediening in uw stad te omhelzen, dan ik ben of dat ik willig zal kunnen worden. Ik weet, u bidt, dat God mij doet besluiten, wat te doen, en u zult mijn doen uitleggen, gelijk de liefde u gebiedt, die geen kwaad denkt, en alle dingen gelooft, en alle dingen hoopt. Wilde u meer hebben dan de Zoon van God, en u hebt Hem reeds; ook zult u gevoed worden, door hem die de spijze voorsnijdt, hij zij dan wie hij zij; en die hongerig zijn, zien meer naar de spijs, dan naar degene, die ze voorsnijdt. In de aanstaande week kan ik u niet bezoeken. Indien mevrouw thuis komt, zo moet ik haar gaan bezoeken. De week daarop zal er een classis zijn te Girtoun; God zal beschikken over de vergadering. Genade zij over u, en over uw zaad en man. De Heere Jezus zij met uw geest.

      De uwe in Christus, Samuel Rutherford

      Anwoth

       

    123. Aan Maria Mac-Knaught
    124. Waarde en geliefde juffrouw!

      Ik doe u mijn liefdegroet in Christus. Ik heb u een brief gezonden van Mr. David Dickson, aangaande het beroepen van Mr. Hugo Mac-Kail tot hun leraar. Daarom schrijf ik u nu, alleen om u in Christus te bidden, dat u daarover niet moedeloos wordt; wees onderworpen aan de wil van uw lieve Heere, Die best weet, wat voor uw ziel en voor uw stad goed is; want God kan over groter bergen komen dan wij geloven; want Hij werkt Zijn grootste werken recht strijdig tegen de vleselijke rede en middelen. Mijn wegen, zegt onze Heere, zijn niet uw wegen, en Mijn gedachten zijn niet uw gedachten, Jes. 55. Toch ben ik niet het minste verzet van mijn geloof; geloof, bid en gebruik middelen. Wij zullen Mr. Johannes Ker, die mij tot Lochingvar begeleid heeft, middelen doen gebruiken, om een man te zoeken, indien Mr. Hugo ons ontvalt. Onze Heere heeft onder u een kleine bruid en ik vertrouw, dat Hij een zal zenden, om haar voor onze zoete Heere Jezus te vrijen. Hij al Zijn vrouw niet missen, wegens gebrek van een aanzoeker, en Hij heeft overvloedige middelen in handen, om al de sloten en sluitbomen, die de Satan voor de deur trekt, te openen. Hij komt tot Zijn bruid, springende over de bergen, en huppelende over de heuvelen; Zijn weg tot zijn bruid is vol stenen, bergen en wateren. Doch Hij stelt er Zijn voet in, en gaat door ‘t water heen; Hij zal haar niet missen. Verkwik mij dan met twee woorden aangaande uw vertrouwen en kloekmoedigheid in onze Heere, beide omtrent die zaak, en omtrent Zijn Eigen Zion: want Hij vrijt zijn bruid in de brandende braambos, en wegens de goedwilligheid van Hem, Die daarin woont, wordt de braambos niet verteerd. Wiet is beter met Jeruzalem te wenen in de voormiddag, dan met Babel te wenen in de achtermiddag, op het eind van de dag. Onze dag van lachen en vreugdebedrijven is nu komende; nog een weinig tijd en u zult de zaligheid Gods zien; ik verlang om u te zien en te horen, hoe het met uw kinderen, inzonderheid met Samuel gaat. Genade zij hun erfenis en deel van de Heere, en de Heere zij hun lot, en dan zal hun erfenis hun wel behagen. Doe mijn groet aan uw man. De Heere Jezus zij met uw geest.

      De uwe in zijn zoete Heere Jezus, Samuel Rutherford

      Anwoth

       

    125. Aan Maria Mac-Knaught
    126. Geliefde zuster!

      Ik doe u mijn liefdegroet in Jezus Christus. Uw dochter is wel. God zij dank; ik vertrouw in Hem dat u vreugde van haar zult hebben. De Heere zegene haar; ik ga nu terstond aan het catechiseren; de brenger van deze heeft haast. Vergeet het arme Zion niet, en de Heere gedenke u: want wij zullen binnen korte tijd gezift worden. Jezus bidt voor ons, dat ons geloof niet ophoude. Ik wens u een sabbat bij ons te zien, en wij zullen elkaar opwekken, zo God wil, om de Heere te zoeken; want misschien zal Hij Zich eerlang na deze van ons verbergen. Houd ‘t geen u hebt; u zult meer in de hemel krijgen. De Heere zende ons met onze kleinwetende ziel geheel en gezond naar de oever, buiten alle stormen; want indien er vrijheid van geweten komt, gelijk er een gerucht gaat, zo zullen de beste van ons allen hun uiterste verstand nodig hebben, om te zoeken op welke wijze vrij te worden. Doch wij zullen met diegenen zijn, die hun kamers hebben, om er in te gaan, waarvan staat, Jes. 26:20; leest u zelf de plaats, en houd u in uw huis, totdat de storm over is. Indien u kunt vernemen, dat er een beschuldiging is tegen E. breng ze voort, en doet ze ingebracht worden, opdat wij des Heeren rechtvaardig oordeel mogen zien tegen de duivel zijn instrument; wij zijn aan zijn vriendelijkheid weinig verschuldigd, ik wens, dat al zulke boosdoeners aan een kant waren. Dit zo met haast. Ik zegen u en al de uwen in Gods Naam; uw dochter is begerig naar een bijbel en naar een rok; ik hoop, zij zal de bijbel goed gebruiken, indien zij dat doet, dan is de rok te beter besteed. De Heere Jezus zij met uw geest.

      De uwe voor eeuwig in Christus, Samuel Rutherford
      Anwoth

       

    127. Aan Maria Mac-Knaught
    128. Juffrouw!

      Ik doe aan u mijn hartelijke groet in Jezus Christus. Ik ben in goede gezondheid, ere zij mijn Heere, maar mijn vrouws ziekte neemt dagelijks toe, tot haar grote pijn en kwelling nacht en dag; zij is in Gods huis niet geweest, noch uit haar bed sinds ons Avondmaal. Ik heb een man gehuurd, om naar Edinburgh te gaan, tot dokter Jeally en tot Johannes Hamilton; ik kan niet goed geloven, dat ze een gewone ziekte heeft, want haar leven is haar bitter, zij slaapt niet, maar zij roept uit, als een vrouw in barensnood; wat de uitkomst zal zijn, weet Hij, Die de sleutelen van ‘t graf heeft. Menigmaal, sinds ik u laatst zag, ben ik daartoe gekomen, dat ik de Heere verzocht en gebeden heb, dat Hij haar uit dit lichaam wilde ontbinden, en nemen haar in haar rust. Ik geloof, dat de vloed van des Heeren verdrukking weer ebben zal; maar voor tegenwoordig word ik geoefend met de worstelingen Gods, nergens meer voor bevreesd zijnde, dan dat God de verzoeker op mijn huis heeft losgelaten; God schold hem en zijn werktuigen. Nademaal de satan niet uitgeworpen wordt dan met vasten en bidden, zo bid ik u, gedenk onze staat bij onze God, en bid alle goede christenen die u kent en inzonderheid uw Herder, dat ze hetzelfde doen; ‘t betaamt ons steeds te kloppen, en aan des Heeren deur te liggen, al zouden wij ook kloppende sterven; indien Hij niet wil openen, is het meer, dan Hij in Zijn Woord gezegd heeft. Doch Hij is getrouw. Ik zie niet, ook verwacht ik niet in mijn huis te geraken, zonder wond en zonder bloedstorting. Welkom, welkom kruis van Christus, indien Christus daarbij zij; ik heb geen stille geest in ‘t werk van mijn beroep alhier, wordende dagelijks gekastijd; nochtans heeft God mijn kaars niet uitgeblust, gelijk Hij omtrent de goddelozen doet. Genade, genade zij met u en met de uwen.

      De uwe in zijn Heere, Samuel Rutherford

      Anwoth

       

    129. Aan Maria Mac-Knaught
    130. Waarde en geliefde juffrouw!

      Mijn liefdegroet in Christus. Ik weet, dat u van ‘t voornemen van mijn tegenpartijders gehoord hebt, om te beproeven wat zij tegen mij doen kunnen in die Synode, wegens ‘t werk Gods in uw stad, wanneer ik bij ulieden het heilig Avondmaal hield. Zij hebben voor, mij in de Synode aan te klagen, wegens verraderlijke lering; derhalve help mij met uw gebeden, en verzoek van uw bekenden, dat ze mij ook helpen. Uw oren hebben gehoord, hoe Christus daar was. Indien Hij Zijn knecht een gebroken hoofd laat krijgen, in Zijn eigen koninklijke dienst, en noch hulp biedt, noch ‘t ongelijk wreekt, zo zag ik nooit dergelijks. Er is niet te spreken tegen een nachtdronkaard; een tijddienaar, een luie, nietige herder; ik ben de enige man, daar zij het tegen hebben. En omdat het zo is, en ik wel weet, dat God hen niet helpen zal, opdat ze niet trots worden, zo ben ik vol van vertrouwen, dat hun proces in duigen zal vallen. Alleen houd ernstig bij God aan om gehoor, om een open oor, en om het lezen van de aanklaagbrief, opdat Hij in de hemel beide de partijen hoort en oordeelt naar bevind. En twijfel niet, vrees niet, degenen die nu hoogst rijden, zullen Christus niet uit Zijn goede en wettige bezitting stoten in Schotland. De hoogmoed van de man en zijn woeden zal maar keren tot lof van onze Heere. Het is een oude haat, die de heersers van de aarde, de draak en zijn engelen, het Lam en zijn navolsters hebben toegedragen; maar de volgers van het Lam zullen door het Woord Gods overwinnen; geloof dit, en wacht een weinig, totdat ze hun buik vol hebben gekregen van modder en zand, en dan zullen zij weten, dat hoewel gestolen wateren zoet zijn, nochtans Ezau’s portie de arbeid is van zijn jacht. Doe mijn groet aan uw man, en laat mij weten, hoe het met Grisel is; de Zoon Gods leide haar door ‘t water. De Heere Jezus zij met uw geest.

      De uw in zijn enige, enige Heere Jezus, Samuel Rutherford

      Anwoth

       

    131. Aan Maria Mac-Knaught
    132. Juffrouw!

      Mijn liefdegroet in Christus. Op de begeerte van brenger van deze, die ik liefheb, dacht ik goed, u te verzoeken, of u zijn vrouw met uw raad kon helpen; want zij is in een gevaarlijke, en naar het schijnt, dodelijke staat; ik heb geoordeeld dat zij deze laatstleden tijd zeer veranderd was in haar gedraging en leven, en ik hoopte, dat God haar thuis zou gebracht hebben; en nu zal ze naar alle waarschijnlijkheid uit dit leven scheiden, en laten een getal van kinderen achter; indien u bewogen kunt worden, om haar te helpen, ‘t zou zijn een werk van barmhartigheid. Mijn eigen vrouw is gedurig in uitstekend grote pijn nacht en dag; bid voor ons, want mijn leven was mij nooit zo verdrietig. God heeft mij met gal en alsem verzadigd; maar ik geloof, wat mijn hoofd boven water houdt, het is goed voor een man, zegt de Geest Gods Klaagl. 3, dat hij het juk in zijn jeugd draagt. Ik gedenk u bij de Heere; ik bid u, weest nederig en geloof; ik bid u in Christus Jezus, bid toch voor Johannes Stuart en zijn vrouw, en verzoek dat uw man hetzelfde doet; doe mijn hartelijke groet aan Johanna Brown; verzoek haar, dat ze voor mij en voor mijn vrouw bid; ik gedenk ook aan haar. Vergeet Zion niet. Genade, genade en vrede over degenen, die voor Zion bidden; Zij is het schip, waarin wij naar Kanaän zeilen; indien zij op een rots in stukken breekt, zo zullen wij overboord geworpen worden, om tussen dood en leven naar land te zwemmen. De genade van Jezus zij met uw man en kinderen.

      De uwe in onze Christus, Samuel rutherford

      Anwoth

       

    133. Aan Maria Mac-Knaught
    134. Lieve zuster!

      Ik verlang zeer, om in deze tijd met u te mogen spreken; al wat in uw huis tot bedroeving van u is, dat bedroeft mij; en ik zal door de genade van mijn Heere, mijn Heere verzoeken, dat Hij u helpt uw last dragen, en dat Hij van achter u inkomt, en helpt u met uw lasten krachtig de berg op. Weet u niet, dat Christus Zijn bruid vrijt in de oven, Jes. 48:10, Ziet, Ik heb u gelouterd, doch niet als zilver. Ik heb u gekeurd in de smeltkroes van de ellende. Hij werpt Zijn liefde op u, wanneer u in de oven van de verdrukking bent; ‘t is waar u mocht wel neerslachtig zijn, indien Hij er u inbracht, en u daar liet; maar als Hij u door de wateren leidt, denk u dan niet dat Hij een zoete zachte hand heeft? Hij kent reeds Zijn liefdegreep; u zult verlost worden, wacht maar, Jezus zal een weg banen, en komen om de gevangene naar huis te halen; u zult in de gevangenis niet sterven; maar uw slagen zijn zodanig, als die van uw man waren, welke gewond werd in het huis van zijn vrienden; slagen zijn hem niet wat nieuws, ook zijn ze dat voor u niet. Doch uw winternacht is al ver doorgebracht; het is nabij het krieken van de dag; ik zal u zien opspringen van vreugde; de kerk zal verlost worden; deze woestijn zal uitbotten en opgroeien gelijk een roos; Christus kreeg van Zijn Vader een brief van eigendom aan Schotland, en wie zal Hem beroven van Zijn erfenis, of onze Verlosser uit Zijn bezitting stellen, voordat Zijn tijd uitgelopen is? Ik moet uw gebeden voor mij hebben. Ik ben nu zwart van schaamte gemaakt door Christus’ goedheid, en dat voor eeuwig; ik kreeg in ‘t heimelijke op de 17e en 18e Augustus een volkomen antwoord van mijn Heere, dat ik een begenadigd en gezegend leraar ben en een uitgelezen pijl, verborgen in zijn pijlkoker. Maar weet, dat deze verzekerdheid niet wordt bewaard dan door waken en bidden, en daarom, lieve juffrouw, help mij. Ik heb nu, eer zij mijn Heere, de weg verkregen, om het slot te openen, en de grendel van Zijn deur te schuiven; ik acht het licht, iets van de Koning te krijgen door ‘t gebed, dat men hebben wil, en heilig geweld bij Hem te gebruiken. Christus was in de kerk van Casfarne, en Hij opende ‘t hart van het volk wonderlijk; Jezus heeft Zijn oog naar dat water, en is van voornemen onder hen te gaan wonen. Ik wilde, dat wij Hem welkom thuis konden heten in de moerassige landen. Nu, genade en vrede zij u en al de uwen.

      De uwe in Christus, Samuel Rutherford

      Anwoth, 20 aug. 1633

       

    135. Aan Maria Mac-Knaught
    136. Juffrouw!

      Mijn liefdegroet in Christus. Ik heb zorg en vrees voor dit werk van onze Heere, hetwelk nu nadert, vanwege het gevaar van de tijd; en ik durf om mijn ziel niet stilzwijgen, dat ik mijns Heeren huis zou zien branden, en niet roepen: brand, brand. Daarom verzoek van onze Heere geestelijke wijsheid, geen zwarte politiek, om vrijmoedig van onze Heere Zijn waarheid uit te spreken. Ik ben bezwaard, en zou graag toegang en tegenwoordigheid hebben bij de Koning op die dag, al zou ik ijzeren deuren openbreken. Ik geloof, u zult mij niet vergeten, en u zult Johanna Brown, Thomas Carsen en Mayken Carsen ook verzoeken, om mij te helpen. Bid om wel toebereide spijs, en dat de Zaligmaker de gasten met veel hartelijkheid onthaalt, roepende met blijdschap: Welkom in Mijns Vaders Naam. Ik ben van vertrouwen, dat het met Zion wel zal zijn: de braambos zal branden, en niet verteerd worden, vanwege de goedwilligheid van Degene, die in de braambos woont. Maar de Heere stookt een vuur te Jeruzalem, en Hij heeft voor, het aan te blazen, en het tin en koper te smelten, en een schone en liefelijke bruid, uit de oven voort te brengen, die weer overgetrouwd zal worden aan de nieuwe Man, en zingen, gelijk in de dagen van haar jeugd, als het huwelijkscontract weer overgeschreven wordt. Maar ik vrees, dat de bruid voor een tijd zal verborgen worden voor de draak, die de zwangere vrouw vervolgt; maar hoewel ‘t zo mocht zijn, dat wij voor een tijd zouden gaan schuilen in de wildernis, zo zou toch de Heere Zijn Kerk naar de wildernis nemen, en spreken naar haar hart; dit maakt mij niet neerslachtig, maar alleen vrees ik, dat de Heere de woningen der herderen zal neerwerpen, en de Zijne weiden in een geheime plaats. Maar laat ons, hoe de zaken zich ook schikken, de zaken van de bruid op de Bruidegom werpen; de heerschappij is op Zijn schouders, en Hij kan ‘t alleen wel genoeg dragen. Die gevallen ster, de vorst van de grondeloze put weet, dat zijn tijd nabij is, wanneer Hij gepijnigd zal worden; en nu heeft hij in den avond zijn legers vergaderd, om een veldslag of twee te winnen, juist tegen den avond, als de zon ondergaat, en aangezien onze Heere Zijn wijngaarden in Frankrijk en Duitsland en Bohemen heeft nat gemaakt; hoe kunnen wij denken, dat wij Christus’ zuster zijn, indien wij Hem en onze andere grote zusters niet gelijk zijn? ik kan niet anders, dan denken, aangezien de einden der aarde aan Christus gegeven zijn, Ps. 2:8, en Schotland is het eind van de aarde, enzo zijn wij in Christus grondbrief, die de giften van Zijn Vader aan Hem bevat, of onze Heere zal Zijn bezitting houden; wij vallen door belofte en door wet Christus toe. Hij heeft ons met het zweet van Zijn aangezichts gewonnen; Zijn Vader beloofde Hem Zijn lijfrente van Schotland. Ere, ere zij onze Koning, lang moet Hij Zijn kroon dragen. O Heere, laat ons nooit een andere koning zien; o laat Hem neerdalen als de regen op het nagras. Ik was u in een grote mate bij de Heere gedachtig in de morgen van l. l. zaterdag; driemaal was ik beginnende en eindigende, met u te gedenken, in mijn gebed tot God. Genade, genade zij uw deel.

      De uwe in zijn zoete Heere Jezus, Samuel Rutherford

      Anwoth, 2 maart 1634

    137. Aan Maria Mac-Knaught
    138. Juffrouw!

      Na mijn hartelijke groet in Christus, gelief te verstaan, dat ons Avondmaal tot mijn droefheid is uitgesteld tot toekomende sabbat acht dagen: omdat mijnheer en mevrouw ernstig verzocht hebben, dat ik het zou uitstellen, omdat zijn edelheid ziek is, en hij vreest, dat hij niet bekwaam zal zijn om te reizen, omdat hij onlangs medicijnen ingenomen heeft. De Heere zegene dat werk; spreek voor mij bij God, naardat u mij liefhebt: want ik houd niet van de doornen, die de satan in des Heeren weg werpt; de Heere schold hem; ik vertrouw in Gods barmhartigheid, dat de satan maar een uitstel, doch geen vrijstelling gekregen heeft, van dat zijn koninkrijk geen afbreuk zal lijden; bid uw God voor ZijnEd. Waarschuw toch uw volk, dat ze door hier te komen niet in hun verwachting mogen bedrogen zijn; zeg tegen degenen, die u in Christus liefhebt, van mijnentwege, dat Jezus Christus welkomer zal zijn, als Hij nu komt, omdat Hij hun begeerten in acht dagen tijd meer opgescherpt heeft. Uw dochter is alleszins wel, zo ik hoop. Vergeet Gods kerk niet; zij zijn maar bastaarden, en geen zonen en dochteren, die over Zion niet treuren. Heere hoor ons! Niet meer voor deze tijd. Jezus Christus zij met uw geest. Ik zal u en uw nieuw huis bij Hem gedenken. Heere Jezus, ga van het ene huis tot het andere.

      De uwe naar geheel zijn vermogen in de Heere, Samuel Rutherford

      Anwoth

       

    139. Aan Maria Mac-Knaught
    140. Geliefde Juffrouw!

      Ik doe u mijn liefdegroet in Christus. Ik hoorde vandaag, dat uw stad een nieuwe Commissaris staat te kiezen voor het Parlement; en mij was van Edinburgh geschreven, dat ik mijn best mocht doen, dat er in uw woonplaatsen goede lieden mochten verkozen worden. En ik heb heden gehoord dat Robert Glendoning of Johannes Ewart waarschijnlijk tot de verkiezing staan; ik bid u, arbeid, dat dit niet mocht wezen; want Gods zaak eist andere getuigen, om voor Hem te spreken, dan zulke lieden; laat het dan niet gezegd worden, dat Kirkcudbright, waar men in dit koninkrijk van spreekt, als meer godsdienstig, een man gezonden heeft, om haar mond te zijn, die tegen Christus zal spreken. Zulk een tijd als deze is, zal in een halve eeuw nauwelijks meer dan eens komen. Ik wilde uw man verzoeken dat hij het op zich nam; het is een eerwaardige en nodige dienst voor Christus: zeg hem, dat ik u tot dat einde geschreven heb. Ik vrees, dat Willem Glendoning geen verstand noch ontzag daartoe heeft; ik ben in grote zwaarmoedigheid; bid voor mij: want wij moeten in deze boze tijd ons leven in onze hand nemen. Laat ons onszelf opwekken, om onze Heere Zijn Bruid en haar verongelijkingen voor te stellen aan onze Man en Heere. De Heere Jezus zij met uw geest.

      De uwe in zijn zoete Heere Jezus, Samuel Rutherford

      Anwoth, 20 Mei

       

    141. Aan Maria Mac-Knaught
    142. Juffrouw!

      Na aanbieding van mijn oude en dierbaarste liefde in Christus, zo weet, dat ik mevrouw Kenmure ben wezen bezoeken; haar kind is bij den Heere; ik bid u, bezoek haar; en begeer van de vrouw van Barcapple, dat ze haar bezoekt, alsmede Knockbrecks, indien u hem in de stad ziet; mijnheer, haar man is van huis; en ik oordeel, dat ze zwaarmoedig zal zijn; gij weet, wat Mr. W. Dalgleish, en ik verzocht hebben, dat u zoudt trachten te verwerven, van mijnheer van Kirkcudbright; laat mij weten, of u iets van ZijnEd. verworven hebt, aangaande het opgeven van onze namen aan het hoge Commissiehof, want ik hoor dat het niet voor niets is, dat de bisschop die weg heeft ingeslagen. Onze Heere weet best, wat goed is voor een oude Kerk, die van haar eerste liefde vervallen is, en haar Man vergeten heeft, dagen zonder getal; ‘t is waarschijnlijk, er zal een beproeving komen; maar ik ben verzekerd, onze Landman Christus zal wel het kaf verliezen, maar geheel geen koren; doch er komt een droge wind, maar niet om te wannen, noch om te zuiveren. Zalig zijn ze die niet weggeblazen worden met het kaf; want wij zullen maar een verzoeking uitstaan van tien dagen; maar degenen die getrouw zijn tot de dood, zullen de kroon des levens ontvangen. Ik hoor dagelijks, wat men van mij met het grootste onrecht en valsheid gesproken heeft; en geen wonder: want de draak heeft door den slinger van zijn staart het derde deel van de sterren van de hemel doen vallen, en de gevallen sterren wilden graag, dat er velen met hen vielen. Indien ooit de Satan bezig was, zo is hij nu bezig, wanneer hij weet dat zijn tijd kort is; nog een weinig tijd, en Hij die te komen staat, zal komen, en niet vertoeven; ik weet de Heere zal eerlang komen, en van al ‘t verschil tussen ons en Zijn vijanden beslissing uitmaken. Nu welkom Heere Jezus, ga ras aan. Laat mij weten, hoe het met uw dochter Grisel is, welke ik in Christus gedachtig ben, en verzoek van haar, dat zij zich werpt in de armen van Hem, Die daar van een vrouw geboren was, en een jong wenend kind werd, zijnde de Oude van dagen. Het was niet tevergeefs; dat onze broeder Jezus een klein kind was; het was, opdat Hij met kleine kinderen van de gelovigen, die juist uit de buik ter wereld waren gekomen, medelijden zou hebben: Ik geloof, dat onze Heere Jezus haar met genade, genade, genade tot het einde van de strijd toe zal opwachten, en haar door alles heen brengen met leven en vrede, en met een teken van Gods gunst. Ik zal waarschuwing van u ontvangen, en inzonderheid indien u haar meesteres vreest. U denkt, wat ik u zeide aangaande uw liefde tot mij en tot mijn broeder, begonnen in Christus; u weet, wij zijn hier maar vreemdelingen, en u hebt ons nog geen droge fontein bevonden, gelijk anderen geweest zijn; laat u niet overwinnen door enige verdenking; ik vertrouw in God, dat de Heere die onze harten samengebonden heeft, ons bij elkaar zal houden. Het is nu tijd dat alle lammeren van Jezus zouden samenlopen, als de wolf hen toebast; doch ik weet, eerder dan Gods kinderen een kruis zullen missen, zal hun liefde onder elkaar een kruis zijn; maar onze Heere geeft de liefde tot een ander einde. Ik weet, u zult de zwakheden met liefde bedekken, en onze Heere geve u wijsheid in alles. Ik oordeel, dat de liefde brede schouderen heeft, en dat ze vele dingen zal dragen, zonder nochtans te bezwijken, noch te zweten, noch te vallen onder de last. Doe mijn groet aan uw man, en aan de lieve Grisel. Ik denk aan haar; de Heere Jezus zij met haar in de oven, en dan zal ze maar roken; en niet branden. Verzoek van Mr. Robbert, dat hij mij verschoont, dat ik hem aan zijn huis niet ben komen zien; ik heb er mijn eigen redenen toe. Genade, barmhartigheid, en vrede zij u.

      De uwe in zijn zoete Heere Jezus, Samuel Rutherford

      Anwoth, 25 april 1631

       

    143. Aan Maria Mac-Knaught
    144. Juffrouw!

      Mijn zeer hartelijke groet aan u in Christus. Ik bid u, belast uw ziel, dat ze tot haar rust keert, en dat ze uw liefste Heere verheerlijkt in geloof, en weet dat de brandende kerk niet tot as zal verteerd worden, wegens de goedwilligheid van Hem, Die in de braambos woont: maar de zegening zal komen op het hoofd van Jozef, en op de schedel des afgezonderde van zijn broederen, Deut. 33:16, en zijn niet de heiligen afgescheiden van hun broederen, verkocht en gehaat? Want Gen. 49:23, 24: De schutters hebben hem wel bitterheid aangedaan, en beschoten, en hem gehaat; maar zijn boog is in stijvigheid gebleven, en de armen zijner banden zijn gesterkt geworden door de handen van de Machtige Jakobs. Van Hem is de herder en de steen Israëls; de steen Israëls zal niet in stukken gebroken worden; de kinderen van deze wereld slaan er op met hamers; wij zullen leven, en niet sterven. Dit alles heeft onze Heere gedaan, om te zien of wij zullen geloven, en het niet opgeven; en ik ben verzekerd, dat u noodzakelijk moet blijven bij uw werk. Het oog van Christus is op al dit werk geweest, en Hij neemt er ook goed acht op, wie voor Hem is en wie tegen Hem is. Laat ons onze plicht doen, zozeer als wij graag van Christus goedgekeurd waren. De Zoon Gods is nabij Zijn vijanden, indien zij niet doof waren, mochten zij het gedreun van Zijn voeten horen, en Hij zal met een sprong Zijn wenende kinderen overkomen, nemen hen op Zijn knie, leggen hun hoofd in Zijn schoot, en drogen hun waterige ogen af; en die dag komt snel aan: Nog een weinig tijd, en ‘t gezicht zal spreken, het zal niet vertoeven, Hab. 2. Al die geschillen tussen ons en onze tegenpartijders zullen op die dag, die daar aankomt, besloten worden, als de Zoon Gods zal komen en voleindigen al de pleidooien; dan zal gezien worden of wij, dan of zij voor Christus zijn geweest, en wie voor Baäl gepleit heeft. Het is niet bekend, wat wij nu zijn, maar als ons leven zal verschijnen in heerlijkheid, dan zullen wij op die dag zien, wie ‘t hardst lacht; daarom moeten wij onze ziel in lijdzaamheid bezitten en in onze binnenkamer gaan; en rusten, totdat de verbolgenheid is overgegaan. Wij zullen niet lang wenen, als onze Heere ons zal opnemen, op de dag, als Hij Zijn juwelen vergadert Mal. 3:16: Die de Heere vreesden, spraken een ieder tot zijn naasten, en de Heere merkte op en hoorde, en daar was een gedenkboek voor Zijn aangezicht geschreven voor degenen, die de Heere vreesden, en aan Zijn Naam gedachten. En ik zal nooit van een ander geloof zijn, dan dat onze Heere een oven stookt voor de vijanden van Zijn kerk in Schotland. Het is waar, Christus’ kerk heeft de hoer gespeeld, en haar eerste man verlaten; de vijanden menen niet te misdoen, want wij hebben tegen de Heere gezondigd; maar zij zullen hun dank van de duivel hebben; de roede zal in ‘t vuur geworpen worden, opdat wij mogen zingen gelijk in de dagen van onze jeugd. Mijn lieve vriendin, leg dan uw hoofd neer op Christus borst; ween niet, de Leeuw uit de stam van Juda zal opstaan. De zon is ondergegaan over de profeten, ons goud is verdonkerd en de Heere voedt Zijn volk met gal en alsem. Doch Christus staat maar achter de muur; Zijn ingewanden rommelen over Schotland; Hij wacht om genadig te zijn, gelijk Jesaja spreekt; indien wij naar huis konden gaan, en nemen onze broederen met ons, wenende met ons aangezicht naar Zion, vragende naar de weg derwaarts, Hij zou onze gevangenis terugbrengen. Wij mogen niet denken, dat Hij geen zorg draagt voor Zijn Eigen eer, omdat de mensen die onder de voeten treden; Hij zal Zich met wraak als met een kleed bekleden, en verschijnen tegen onze vijanden tot onze verlossing. U bent nog nooit bedrogen; en God zal ook nu zo niet met u beginnen; worstel steeds met de Engel des verbonds en u zult de zegen krijgen; strijd, want Hij wordt graag met worstelen overwonnen. Doe mijn groet aan Grisel; begeer van haar, dat ze de vijanden des Heeren leert kennen, en die voor haar vijanden te nemen, en dat ze leert kennen de rechte poort tot de Zoon van God. O wat is de gemeenzame kennis van de Zoon van God, zodat men zegt: Mijn Liefste is mijne, en ik ben de Zijne, een zoete en heerlijke weg des levens, die niemand kent, dan degenen die verzegeld en voor het voorhoofd getekend zijn met Christus’ merk, en met de nieuwe naam, die Christus op de Zijnen schrijft. Genade, genade en barmhartigheid zij met u.

      De uwe in Christus, Samuel Rutherford

      Anwoth, 25 sept. 1631

       

    145. Aan Maria Mac-Knaught
    146. Geliefde juffrouw!

      Ik belast u in de Naam van de Zoon Gods, dat u op uw Rotssteen berust, Die hoger is dan u; vrees niet voor een mens, die een worm is, noch voor de zoon des mensen, die sterven zal. Laat God uw Vrees zijn. Moedig uw man aan; ik wilde hem raden naar Edinburgh te schrijven aan enige verstandige rechtsgeleerden, om te vernemen, wat uw man, als de hoofdofficier mag doen, in een ingedrongen leraar tegen te staan, en hoe zich te gedragen omtrent de nieuwe bisschop, indien hij hem gebiedt, de handen aan iemand te slaan, of gevangen te nemen; met één woord, hoever hij in zijn ambt een bisschop ongehoorzaam mag zijn, zonder gevaar van de wet; want indien de bisschop in uw stad komt, en hij geen gehoorzaamheid naar zijn hart vindt, zo is ‘t waarschijnlijk, dat hij de opperschout zal gebieden, hem bij te staan tegen God en tegen de waarheid; u zult meer kloekmoedigheid hebben onder de vervolging; vrees niet, neem Christus’ verzekering, die zeide, Luk. 21:18: Er zal niet een haar van uw hoofd vergaan. Christus zal niet in uw schuldboek staan, zodat u voor Hem iets zoudt uitgeven, en Hij u niet weer alles met voordeel zou herstellen. Het is zijn eer, dat Zijn knechten in Zijn dienst niet zouden vergaan en verbroken worden; nooit was u zo geëerd als nu. En indien uw man de eerste magistraat persoon is, die voor Christus Naam in deze vervolging lijden zal, zo mag hij blij zijn, dat Christus de eerste krans op zijn hoofd en op het uwe zet. De waarheid zal nog de kroon van de baan behouden in Schotland; Christus en de waarheid zijn sterk genoeg. Zij oordelen ons nu; wij zullen op enige dag hen oordelen, en zitten op twaalf tronen, oordelende de twaalf geslachten. Geloof, geloof; want zij durven niet bidden, zij durven Christus niet in ‘t aangezicht zien; zij hebben vals tegen Christus gehandeld, en Hij zal ‘t ongelijk niet ongewroken laten. U weet, het is onze zaak niet: want indien wij onze Heere wilden verlaten, wij mochten voor tegenwoordig in een gezonde huid slapen, en onze plaats, middelen en eer behouden, en zelfs ook aan haar lief en aangenaam zijn. Doch laat ons eens, alles wat wij hebben, in Christus handen overgeven. Vrees niet voor mijn papieren, want ik zal ze wegdoen; maar u zult wegens die onderzocht worden. De Geest van Jezus geve u inwendige vrede; verzoek uw man mijnentwege, dat hij zich eerlijk toont omtrent Christus; hij zal bij Christus geen verlies doen.

      De uwe voor altijd in zijn zoete Heere Jezus, Samuel Rutherford

      Anwoth, 8 juli 1635

       

    147. Aan Maria Mac-Knaught
    148. Geliefde zuster!

      Mijn hartelijke groet aan u. Ik hoor goede tijdingen aangaande onze kerk, maar ik vrees, dat onze koning niet tegengestaan zal willen zijn; derhalve laat ons niet zorgeloos en gerust zijn. Ik zal mij verwonderen, als deze kerk niet komt in Christus’ wan, omdat er zoveel kaf in is; niettemin verzeker ik mij, dat de tarwe van de Zoon Gods niet zal wegwaaien; laat ons de wapenrusting Gods aantrekken en sterk zijn in de Heere. Indien de duivel en Zions vijanden een gat in dat wapen slaan, zo laat onze Heere daarvoor zorgen; laat ons het maar aandoen en staan. Wij hebben Jezus aan onze zijde; en zij zijn zo’n kapitein niet waardig, die niet een slag achter zijn rug zou willen ontvangen; wij zijn in ‘t gezicht van Zijn vaandels; Zijn banier over ons is liefde; zie op naar die witte banier en sta, ik verzeker u in de Heere van de overwinning. Mijn broeder schrijft mij van uw zwaarmoedigheid, en van verzoekingen, die u zeer drukken. Ik ben wel tevreden dat het zo is; u draagt met u om de merktekenen van de Heere Jezus. Zo was het met onze Heere Zijn apostel, als Hij met het Evangelie in Macedonië gekomen was, 2 Kor. 7:5. Zijn vlees had geen rust; hij was aan alle zijden verdrukt, en wist niet naar welke zijde zich te keren, van buiten was strijd, van binnen vrees. Uw beminnelijke, schone en heerlijke Vriend en geliefde Jezus was in ‘t grote werk van onze verlossing gebracht tot tranen en sterke roepingen, zodat zijn aangezicht van tranen en bloed nat was, ontstaande uit een heilige vrees, en uit het gewicht van de vloek. Neem een dronk van de beker van de Zoon Gods, en houd er temeer van, omdat Hij er vooraf van dronk; daar is geen vergif in. Ik ben menigmaal verwonderd, dat enig kind Gods ooit een droevig hart heeft, als het in aanmerking neemt, wat zijn Heere voor hem is bereidende. Is uw gemoed verontrust aangaande dat werk, dat wij nu in handen hebben te Edinburgh? Ik vertrouw in mijn Heere, de Heere zal u eindelijk uws harten begeerten geven, zelfs al schikte zich dat werk niet; de Heere zal uw ziel en al de hongerige zielen in die stad wel voeden; daarom verzoek ik van u in de Heere, bid om een onderworpen wil, en bid, gelijk uw Heere u gebied te bidden, Uw wil geschiede op aarde, als in de hemel; en laat het zo zijn, dat uw geloof door beproevingen geschud wordt; gelooft u, dat er een boom is in onze Heere Zijn hof; die nooit door de wind van al de vier kwartieren menigmaal geschud wordt; gewis, er is er niet één. Bestraf uw ziel, gelijk de profeet des Heeren doet, Ps. 42:6: Wat buigt gij u neder, mijn ziel! waarom zijt gij onrustig in mij? Dat was ‘t woord van een man, die nu was in ‘t afgaan van de steilte van de berg; maar God hield hem vast bij de hand; zwem door uw beproevingen en verdrukkingen heen, om te zijn bij die beminnelijke en vriendelijke persoon Jezus, Die uw ziel dierbaar is; loop in uw verzoekingen naar de beloften; die zijn uw Heere Zijn takken, hangende over het water, opdat van onze Heere Zijn kleinwetende, halfverdronken kinderen een greep daarvan mogen krijgen; indien u die greep laat gaan, zo zult u naar de grond zinken; bent u ontroerd wegens ‘t geval van Gods kerk; weet dat onze Heere haar altijd zal vasthouden tussen het zinken en zwemmen; Hij wil, dat ze zal gaan door duizend doden, en door de hel als een kreupele vrouw, hinkende en missende de kracht van haar ene zijde, Micha 4:6,7, opdat God haar staf mag zijn; dat gebroken schip zal te land komen, omdat Jezus de Loodsman is. Bezwijk niet, u zult de zaligheid Gods zien; zegt anders, dat God nooit Zijn Woord door mijn mond gesproken heeft; en liever was ik nooit geboren geweest, dan dat het zo zou zijn. Doch mijn Heere heeft mij verzegeld; ik durf niet loochenen, dat ik ook bezwaard ben geweest, sinds ik van u kwam, vrezende dat ik wegens mijn ondankbaarheid mocht verlaten worden: maar de Heere zal mij vriendelijk zijn, of ik wil of niet; ik heb zoveel vertrouwen op Zijn rijke genade, dat Hij niet graag omtrent mij veranderen zal. Zo lief als u mij hebt, zo bid voor mij aangaande deze zaak. Nadat ik raad gepleegd heb met Carletoun, heb ik aan Mr. David Dickson geschreven aangaande M. Hugo Mac-Kail, en verzocht hem, dat hij zijn oordeel aan Carletoun zou schrijven, en Carletoun naar Edinburgh, opdat zij in ‘t bijzonder bij de Heere mogen gedenken aan Mr. Hugo; en door Gods wonderlijke voorzienigheid verkreeg ik juist een bekwame en vertrouwde brenger. Dus eindig ik; aan des Heeren genade beveel ik u en uw man, en kinderen. De Heere Jezus zij met uw geest.

      De uwe in de Heere, Samuel Rutherford

      Edinburgh

      Een NASCHRIFT

      Juffrouw!

      Ik had geen tijd, om mijn raad te geven aan uw dochter Grisel; u zult haar dan mijn woorden laten toekomen; zeg haar nu, dat zij ten opzichte van haar jonge jaren enigermate is als wit papier, bekwaam om òf goed òf kwaad te ontvangen, en dat het een zoete en heerlijke zaak voor haar zou zijn, zo zij zichzelf aan Christus overgaf, teneinde Hij Zijns Vaders Naam en Zijn Eigen nieuwe Naam, op haar mocht schrijven; en verzoek haar, dat ze Gods boek zich gemeenzaam maakt; daarin zijn vervat de beloften, die onze Heere op de Zijnen schrijft, en in en voor hen volbrengt. Ik verzeker u, wanneer ik denk, dat ze in gezelschap van zulke ouders is, en gelegenheid heeft om Christus te leren, zo oordeel ik, dat Christus haar ziel voor Zich aanzoekt. En ik bid God, dat ze zo’n man niet mag weigeren; en daarom belast ik haar, en bid haar door de ontfermingen Gods, door de wonden en ‘t bloed van Hem Die voor haar gestorven is, door de waardij van de waarheid, die zij hoort en lezen kan, en door de komst van de Zoon Gods, om de wereld te oordelen, dat ze uw blijdschap vervult, en Christus leert kennen, en in Christus wandelen. Zij zal nog vele jaren na deze oordelen, dat dit de waarheid Gods is; en ik beloof mijzelf, ten opzichte van de beginselen die ik gezien heb, dat ze zichzelf zal geven aan Hem, Die Zichzelf voor haar gegeven heeft. Laat haar beginnen met het gebed; want indien zij haar Schepper in de dagen van haar jeugd gedenkt, Hij zal haar in haar ouderdom vriendelijk zijn. Het zal een deel van mijn gebed zijn, opdat dit in haar gewerkt wordt, van Hem, Die machtig is meer als overvloedig te doen; aan Wiens genade ik wederom u en haar en al de uwen aanbeveel.

       

    149. Aan Maria Mac-Knaught
    150. Geliefde zuster!

      Ik weet, dat u van de uitslag van ons werk te Edinburgh gehoord hebt. Ik zie iedere dag, als er classis gehouden wordt, dat de aangezichten van mijn broederen mij toelachen; maar hun tongen strooien smaadheden en leugens van mij, honderd mijlen ver, en hebben mij hatelijk gemaakt bij de bisschop van St. Andries, die tegen Mr. W. D. zeide, dat de leraars in Galloway hem inlichting gaven, waarop dan geen aanbevelingsbrief van hem kon verkregen worden, tot uitwerking van ons werk. Alleen ben ik in de monden van de mensen gebracht, die mij anderszins niet kenden, en die macht hebben, indien God het zal toelaten, om mij kwaad te doen. Doch ik bid u in de ingewanden van Christus Jezus, wees niet neerslachtig; ik vrees dat uw droefheid wegens deze handel de maat te buiten gaat; ik ben zo bekommerd niet in de zaak voor mijzelf, als wel voor u. Neem moed; uw liefste Heere zal uw kaars aansteken, die de goddelozen graag zouden uitblazen; en zo zeker als onze Heere leeft, zo zal uw ziel blijdschap en troost vinden in dit werk, al ziet u alle honden in de hel losgelaten, om het te verderven. Hun ijzeren ketenen zijn voor onze lieve en machtige Heere maar strootjes, die Hij gemakkelijk kan verbreken. Laat deze verzoeking niet in uw keel blijven steken, zwelg ze door en laat ze neergaan; onze Heere geve u een dronk van vertroostingen van Zijn Geest opdat ze mogen verteerd worden. Nooit hebt u iemand in Gods boek gekend, die zijn hand aan des Heeren werk legde voor Zijn kerk, of de wereld en de Satan basten tegen hem, ja beten ook, waar zij macht hadden. Gij zult niet een steen op Zions muur leggen, of zij zullen trachten die weer af te werpen; en wat mij aangaat, de Heere laat mij nu groter blijken zien van een roeping naar K. dan Hij ooit tevoren deed; en daarom bid, en bezit uw ziel in lijdzaamheid. Degenen, die in het werk arbeiden, hebben goede hoop, dat het nochtans wel voort zal gaan, en voorspoedig zijn. Wat aangaat de dood van de koning van Zweden, die men oordeelt dat al te waar is, kunnen wij niet anders doen, dan de Heere eerbiedigen, die gewoonlijk Zion niet op haar rotssteen houdt door ‘t zwaard en door en vlezen arm, en door bloed, maar door Zijn Eigen machtige en uitgestrekte arm. Hun Koning, Die in Zion heerst, leeft nog, en zij trekken rondom Hem, om Hem van Zijn troon te rukken; doch Zijn Vader heeft Hem gekroond, en wie durft zeggen, het is kwalijk gedaan? Des Heeren bruid zal op en neer zijn, zwemmende boven op ‘t water, totdat haar beminnelijke en machtige Verlosser en Man, Zijn hoofd door deze wolken zet, en met Zijn schoon hofgezin komt, om al haar processen te beslissen, en haar de gehoopte erfenis te geven, en dan zullen wij onze zwaarden neerleggen en triomferen, en niet meer strijden. Maar denk evenwel niet, dat onze Heere en opperste Herder een enig zwak schaap of het slechtste stervende lam, dat Hij verlost heeft, zal missen. Hij zal Zijn kudde tellen, en haar allen samen vergaderen, en een getrouwe rekening ervan doen aan de Vader, die ze aan Hem gegeven heeft. Laat ons nu leren, onze ogen van de mensen af te wenden, opdat onze hoerachtige harten op haar niet verzotten, en laat ons onze oude Man aanzoeken, en maken Hem onze enige Hartsbeminde; want Jer. 25:27: Zo zeide de Heere tot de vijanden van Zion: Drinkt, en wordt dronken, en spuwt, en valt neer, dat u niet weder opstaat, vanwege het zwaard, dat Ik onder u zal zenden, vs. 28: En het zal geschieden. wanneer zij weigeren zullen de beker van uw hand te nemen, om te drinken, dat u tot hen zeggen zult: Zo zegt de Heere der heirscharen: Gij zult zeker drinken. U ziet, onze Heere brouwt een vergifbeker voor Zijn vijanden, die zij moeten drinken, en vanwege die hebben zij pijnlijke ingewanden en zieke magen, Ja zij barsten. Maar wanneer de gevangenis van Zion teneinde is, Jer. 50:4, dan zullen de kinderen Israëls komen, zij en de kinderen van Juda samen; wandelende en wenende zullen zij heengaan, en zoeken de Heere, hun God. Vs. 5: Zij zullen naar Zion vragen; op de weg herwaarts zullen hun aangezichten zijn; zij zullen komen en de Heere toegevoegd worden, met een eeuwig verbond, dat niet zal worden vergeten. En het is tot ons en voor ons gesproken, die met pijnlijke harten vragen: welke is de weg naar Zion. Het is onze plicht te weten, hoe naar van onze Heere Zijn deur te gaan, en te kloppen door ‘t gebed, en hoe Christus’ slot op te lichten en de grendel van Zijn kamerdeur af te schuiven, Hem te klagen en te zeggen, hoe de wereld ons handelt, en hoe het werk van onze Koning al gaat, opdat Hij mocht opstaan, en geven hun een slag, die daar zo grinniken en spelen met Christus en met Zijn bruid. Lieve juffrouw, u hebt ook uw huiskruisen, in de ziekte van uw man en kinderen, en in ‘t beroven van uw huis door dieven; neem deze roeden in geduldigheid van uw Heere af; Hij moet u steeds van vat tot vat vergieten, en vermalen u als onze Heere Zijn tarwe, om brood te zijn in Zijn huis; maar als al die slagen over uw hoofd zijn gegaan, wat zult u dan zeggen, als u uw beminde Christus Zijn wit en rood aangezicht ziet, ja het aangezicht van Hem, Die waardig is de banier te dragen boven tienduizenden, Hoogl. 5. Hoop en geloof tot het einde toe. Genade zij voor eeuwig vermenigvuldigd over u, en uw man en kinderen.

      De uwe in zijn liefste Heere Jezus, Samuel Rutherford

      Edinburgh

       

    151. Aan Maria Mac-Knaught
    152. Mijn waarde en geliefde in Christus!

      Ik ben onder beproeving, en ben voor Christus’ verboden heren verschenen, tot een getuigenis tegen hen. De kanselier en de anderen verzochten mij met vragen, die niet behoorden tot mijn dagvaarding; die ik geheel ontweken heb te beantwoorden, niettegenstaande zijn bedreigingen. Mijn nieuw gedrukt boek tegen de Arminianen, was een van mijn beschuldigingen; dat ik de bisschoppen geen lords (heren) noemde, was een andere beschuldiging. Toen ik inkwam, zag het merendeel van de bisschoppen meer verbaasd, dan ik, en zij hoorden mij met stilzwijgen. Sommigen spraken mij voor; maar mijn Heere bestierde het zo, dat ik met blijdschap in mijn lijden vervuld ben; en ik vind Christus’ kruis zoet, wat zij tegen de volgende dag voor hebben te doen, weet ik niet; wees zonder zorg, maar bid. Onze bisschop van Galloway zeide, indien de gevolmachtigden hem zijn wil niet gaven, dat hij, dit zeide hij met een eed, aan de koning daarover schrijven zou. De kanselier dagvaardde mij in ‘t gericht, om acht dagen daarna te verschijnen. Mijn Heere heeft mij een vriend toegebracht van de hoge landen van Argyl, mijnheer van Lorne, die zoveel gedaan heeft, als in ‘t bereik van zijn vermogen was; God gaf mij gunst in zijn ogen. Mr. Robbert Glendoning is het prediken verboden, totdat hij een collega aanneemt. Wij hopen nog voor hem te handelen. Christus is waardig dat men Hem toevertrouwt: Uw man zal een gemakkelijke en goede weg krijgen, tot uitvoering van zijn zaak: u en ik zullen beiden de zaligheid Gods zien over Jozef, afgescheiden van zijn broeders.

      De uwe in Christus, Samuel Rutherford

      Edinburgh

       

    153. Aan Maria Mac-Knaught
    154. Geëerde en liefste in de Heere!

      Genade, barmhartigheid en vrede zij u. Ik ben wel, en mijn ziel is voorspoedig: ik vind Christus met mij; ik ben niemand tot last; mij ontbreekt niets; geen aangezicht ziet op mij, of het lacht mij toe. Zoet, zoet is de Heere Zijn kruis; ik overwin mijn zwaarmoedigheid. Mijn Bruidegom Zijn liefdeblikken maken mijn vermoeide ziel vet; ik ga heen naar mijns konings paleis te Aberdeen; tong en pen, en verstand kunnen mijn blijdschap niet uitdrukken; doe mijn liefdegroet aan Johanna Gordon, aan mijn zuster Johanna Brown, aan Grisel, en aan uw man. Aldus in haast. Genade zij met u.

      De uwe in zijn enige enige Heere Jezus,
      Samuel Rutherford
      Edinburgh, 5 april 1636

      Een naschrift

      Ik belast u te geloven, blij te zijn, te zingen, en te triomferen. Christus heeft mij gezegd, barmhartigheid, barmhartigheid, genade en vrede voor Maria Mac-Knaught.

       

    155. Aan Maria Mac-Knaught
    156. Ik verblijd mij, dat u een deelgenoot bent van Christus’ lijden, bezwijk niet; houd moed, geloof; hoewel de mensen, en man en vrienden, zich zwak tonen, zo begeeft toch u uw sterkte niet. Het is geen hoogmoed, dat een verdrinkend mens naar de rotssteen grijpt. Het is uw eer, dat u uw rotssteen aangrijpt. O zeer gewenste vrouw; ik betuig en verklaar het in mijn Heere, dat de gebeden, die u deze menige verleden jaren naar de hemel opgezonden hebt, voor de Heere opgekomen en niet vergeten zijn. Wat het is, dat komen zal, kan ik niet zeggen; maar ik weet, dat zo waarachtig als de Heere leeft, dit geroep zal barmhartigheid en weldadigheid nederbrengen. Ik belast u, en degenen die met u zijn, dat ze voortgaan zonder bezwijken of vrezen; en geloof steeds en neem geen weigering aan. Indien u aflaat, zo is ‘t veld verloren; indien u volhardt, zo zullen onze vijanden vrezen als een wankelende muur, en een ingebogen wand. Ik schrijf het, en bewaar deze brief, de uiterste en volkomen verwoesting zal wezen voor uw tegenpartijders, en voor de haters van de dochtermaagd van Schotland. De bruid zal nog zingen, gelijk in de dagen harer jeugd. Heil zal haar wezen tot muren en bolwerken; de droge olijfboom zal weer bloeien, en de dorre doodsbeenderen zullen leven: want de Heere zal profeteren over de dorre beenderen, en de Geest zal in haar komen, en wij zullen leven. Ik verblijd mij, te horen van Johannes Carsen: Ik zal hem niet vergeten. Doe mijn groet aan Grisel, en aan Johanna Brown. Uw man heeft mijn hart bezwaard gemaakt. Maar wees kloekmoedig in de Heere. Ik zend zegeningen over Samuel en Willem, zeg hen, dat ik wil, dat ze God zoeken in hun jeugd. Genade zij u.

      De uwe in zijn zoete Heere Jezus, Samuel Rutherford

      Aberdeen, 8 Juli 1637

       

    157. Aan Maria Mac-Knaught
    158. Zeer geëerde en liefste in onze zoete Heere Jezus!

      Genade, barmhartigheid en vrede zij u van God onze Vader en van onze Heere Jezus. Ik weet, de Heere zal voor uw stad werken. Ik hoor, dat de bisschop vreest onder ulieden te komen; want zo wordt in deze stad gesproken; en velen zijn hier blij dat ze een verzoekschrift aan de raad schrijven, om mij weer thuis te brengen in mijn plaats, en om andere verongelijkingen in ‘t land gedaan, te herstellen; ziet of u kunt teweegbrengen, dat drie of vierhonderd in het land, hoge en lage adel, landslieden en burgers het ondertekenen, hoe meer, hoe beter. Misschien zal het de bisschop verschrikken; en door de wet kan daarover geen voordeel tegen u genomen worden. Ik heb geen tijd, om aan Carletoun en Knoxbrex te schrijven; maar ik wilde, dat u hen daarover sprak, en laat hen met Carletoun raadplegen; Mr. A. acht het goed, en ik meen, dat anderen het zullen goedkeuren. Ik ben nog steeds in een goede staat met Christus; mijn hoffelijk onthaal is niet minder dan het was: de deur van des Bruidegoms wijnhuis is open, wanneer zo’n arme vreemdeling als ik ben, daar voorkomt. Ik verander, maar Christus blijft Dezelfde; zij hebben mij een arm oog uitgestoken, mijn enige vreugde, om Christus te prediken, en boodschappen te doen tussen Hem en zijn bruid. Wat mijn Heere met mij doen zal, weet ik niet, het is waarschijnlijk, dat ik te Aberdeen niet zal overwinteren. Maar waar het elders zal wezen, weet ik niet. Er is enig bloesem van Christus’ Koninkrijk in deze stad; en de rook gaat op, en de leraars zijn woedend daartegen: maar ik houd meest van een geraasmakende, en brullenden duivel. Ik bid u in de Heere, mijn lieve zuster, wacht op ‘t heil Gods; laat ulieder handen niet slap worden, in samen te komen om te bidden. Vreest niet voor vlees en bloed; wij zijn allen te vreesachtig geweest, en dat gaf de bloodaards de stoutheid om mij uit Galloway te sluiten. Doe mijn liefdegroet aan Johannes Carsen, en aan Mr. Johannes Brown; nooit heb ik mijn liefde van die man af kunnen krijgen; ik oordeel, dat Christus iets met hem te doen heeft. Verzoek uw man van mijnentwege, dat hij van Christus geen kwaad denkt, vanwege Zijn kruis. Velen kennen Christus niet recht, omdat Hij het kruis op Zijn rug heeft, maar Hij zal ons allen nog doen lachen. Ik bid u, zo graag als u iets voor mij doen wilde, gedenk mevrouw Marshel bij God, en ook haar zoon, de graaf van Marshel, inzonderheid haar Christelijke dochter mevrouw Pitfligo. Ik zal met die gedachte sterven, dat Christus nog zal terugkeren tot Schotland, met heil onder Zijn vleugelen, en ook te Galloway. Genade zij met u.

      De uwe in zijn zoete Heere Jezus, Samuel Rutherford

      Aberdeen, 7 september 1637

       

    159. Aan Maria Mac-Knaught
    160. En het zal te dien dage geschieden, dat Ik Jeruzalem stellen zal tot een lastigen steen allen volken; allen, die zich daarmede beladen, zullen gewisselijk doorsneden worden; en al de volken der aarde zullen zich tegen haar verzamelen.

      Zach. 12:3

      Geliefde zuster!

      Ik heb wat ingehouden, van aan u te schrijven, omdat ik zwaarmoedig was over de rechtsvervolging van ons laatste Parlement, alwaar men recht had moeten doen; doch zij wilden aan onze Heere Jezus geen goed recht doen, noch Hem laten genieten, de voorrechten van het huis, dat ze òf de rechtvaardige grieven, òf de ootmoedige verzoekschriften van de dienstknechten Gods zouden horen; er is niets over, dan dat wij onze grieven en bezwaringen voor de ogen van onze gekroonde Koning Jezus leggen, Die heerst in Zion. Het is wel waar, dat de verklaringen van de vergadering te Perth voor de overeenstemming zijn bevestigd, en ‘s konings macht, om het witte overkleed, en ander misgereedschap de predikanten op te leggen vastgesteld is. Doch hetgeen de mensen besluiten, is geen Schriftuur. Koningen hebben korte armen, om Christus’ troon om te stoten; en onze Heere heeft in dit Parlement opgewekt, en heeft op Zijn voeten gestaan, wanneer vijftien graven of HoogEdelen, en vierenveertig. gevolmachtigden, van bevoorrechte vrije steden, met ettelijke baronnen voor onze Kerk hun stemmen hebben gegeven, voor het aangezicht van een koning die met veel ontzaglijkheid en schrik, met zijn eigen hand de voor- of tegen hem stemmende opschreef: Lang voor deze Kerk zijn, Ps. 2, de einden der aarde, Schotland en Engeland van de Vader als een gift geschonken aan Zijn Zoon Christus, en dat is een oud wettig bewijsstuk van ‘t Parlement, besloten door onze Heere, en reeds over vierduizend jaren gedrukt. Haar verklaringen worden nog steeds gedrukt. De eerste verklaring zal bestaan; laat de mogendheden van de wereld, die Christus, plaats liever hebben dan Hemzelf, woeden, naar hun welgevallen. Al worden de bergen verzet in het hart van de zee; zo is er toch een rivier die uit het heiligdom komt, en de beekjes ervan verkwikken de stad Gods. Die fontein is in Schotland nog niet verworpen, en zij kan ook niet uitdrogen; Geloof dan steeds, en vertrouw op Gods heil. Indien u allen de rechtszaak geheel kende, u zoudt bekennen, dat het Gods barmhartigheid is, dat de zaken in het Parlement zich gegaan, gelijk zij gegaan zijn. De Heere Jezus heeft, zelfs in ‘t gehoor van onze koning tot zijn grote terging en droefheid, vele getuigen verkregen; en wij zagen in alles, dat de Zoon Gods hun listig beleid omver wierp, en dat Hij de wereld deed weten, hoe Hij Zijn arme, door de zon geblakerde Kerk in Schotland bijzonder liefheeft. Wat de zaak aangaat tussen uw man en C., ik hoop in God, dat die aan een kant zal geraken; zij heeft mij uitnemend zeer bedroefd; ik heb met Carletoun gehandeld, en zal nog verder handelen; ‘t geen u tot een last is, leg dat van u op de Heere. Ik heb van het huwelijk van uw dochter gehoord; ik bid de Heere Jezus, dat Hij de huwelijksovereenkomst onderschrijft, en dat Hij op de bruiloftsmaaltijd is, gelijk Hij was op de bruiloft te Kana in Galilea. Zeg haar mijnentwege, dat alhoewel het waar is, dat Gods kinderen voor haar gebeden hebben, nochtans Gods belofte bijzonder aan haar gebeden en geloof gedaan is; laat haar aan Christus de liefde van haar maagdom, en ondertrouw geven, en Hem eerst verkiezen als haar Man, en dat huwelijk zal het andere zegenen. Het is een nieuwe wereld, waar zij intreedt, en daarom heeft ze een nieuwe gemeenzame kennis van de Zoon Gods nodig, en zij moet haar liefde tot Hem vernieuwen, Wiens liefde beter is dan de wijn. 1 Kor. 7:29, De tijd is voorts kort, laat degene die vrouwen hebben, zijn als niet hebbende, vers 30, en die wenen, als met wenende; en die blijde zijn, als niet blijde zijnde; en die kopen, als niet bezittende; vers 31, die deze wereld gebruiken, als niet misbruikende: want de gedaante van deze wereld gaat voorbij. Genade, genade zij haar deel van de Heere. Ik weet u hebt daarover zorg op u, opdat alles recht zij: maar laat Christus alles dragen; u behoeft geen ontferming over Hem te hebben, indien ik zo mag spreken, zet Hem tot dit alles, Hij is sterk genoeg. De Geest van de Heere Jezus zij met u.

      Uw vriend in zijn liefste Vriend Jezus Christus, Samuel Rutherford

      Aberdeen

       

    161. Aan Maria Mac-Knaught
    162. Mijn waarde en geliefde zuster!

      Genade, barmhartigheid en vrede zij u. Het gaat mij wel, ere zij God. Ik ben voor een vierschaar geweest, die binnen mij opgericht was van schrikken en beschuldigingen; maar mijn zoete Heere Jezus heeft het masker van Zijn aangezicht afgelicht, en gezegd: kus tot uw bekomst, en Ik zal mijns Konings vriendelijkheid niet smoren noch verdonkeren. Hij is ingebroken in de ziel van de arme gevangene, gelijk het opzwellen van de Jordaan. Ik ben bang en overvol, een grote hoge springvloed van de vertroostingen van Christus heeft mij overlopen. Ik wilde mijn wenen niet geven voor het lachen van de veertien bisschoppen. Zij hebben mij herwaarts gezonden, om met mijn Koning feest te houden; Zijn nardus geeft een zoete reuk; de liefde van de Bruidegom is met mijn hart heengelopen. O liefde, liefde, liefde! O hoe zoet zijn mijns Konings ketenen; ik vraag niet naar vuur of pijniging; hoe zoet zou het mij zijn door de zoute zee te zwemmen om mijn nieuwe Minnaar, mijn tweede Man, mijn eerste Heere. Ik belast u in Gods Naam, dat u niet vreest voor de wilde beesten, die in de wijngaard van de Heere der heirscharen inkwamen. De valse profeet is de staart; God zal de staart van Schotland afhouwen. Neem uw troost; verkwijn niet, word niet moedeloos; bid voor mijn arme gemeente; ik zou voor haar zaligheid wel veel kwelling op mijn ziel willen nemen; ik vrees, dat het inkomen van een huurling op hetgeen ik daar gearbeid heb, mijn leven met droefheid zal afsnijden; daar heb ik geworsteld met de engel, en heb overmocht; ‘t woud, de bomen, de velden en heuvelen, zijn mijn getuigen, dat ik daar een schone samenkomst tussen Christus en Anwoth bevorderde. Boodschap mijn liefde tot uw man, tot de lieve Carletoun, en tot mijn geliefden broeder Knokbrex. Vergeet Christus’ gevangene niet. Ik verlang naar een brief van uw eigen hand.

      Uw vriend en Christus’ gevangene, Samuel Rutherford

      Aberdeen, 22 november

       

    163. Aan Maria Mac-Knaught
    164. Mijn hartelijk geliefde zuster!

      Genade, barmhartigheid, en vrede zij u. Ik klaag, dat Galloway mij niet vriendelijk is in brieven te schrijven; ik heb in zestien weken niet meer dan twee brieven ontvangen; het gaat mij wel, mijn gevangenis is mij een paleis, en Christus’ huis der maaltijden. Mijn Heere Jezus is zo vriendelijk, als zii Hem noemen. Och, dat geheel Schotland mijn staat kende, en deel had aan mijn feest! Ik belast u in Gods Naam, ik belast u te geloven; vrees niet voor de kinderen van de mensen; de wormen zullen hen eten. Nu te bidden, en te geloven, als Christus met weigeren schijnt te antwoorden, is meer dan het tevoren was; sterf gelovende, sterf met Christus’ belofte in uw hand. Ik verzoek, ik smeek, ik belast uw man en die stad, dat ze voor de waarheid van het evangelie staan; twist met Christus’ vijanden, en ik bid u, laat mijn staat aan alle belijders die u kent, weten. Help mij prijzen. De predikanten alhier benijden mij, zij willen mijn gevangenis veranderd hebben; mijn moeder heeft mij voortgebracht een man van twist, en een die met de gehele aarde strijdt. Doe mijn liefdegroet aan uw man. Genade zij met u.

      De uwe in de Heere, Samuel Rutherford

      Aberdeen, 3 januari 1637

       

    165. Aan Maria Mac-Knaught
    166. Liefhebbende en lieve zuster!

      Genade, barmhartigheid en vrede zij u. Uw brief heeft mijn ziel verkwikt; u zult mijn raad niet hebben, om u te haasten, om uit de stad te gaan; want indien u uit Kirkcudbright vertrekt, zo zullen zij gemakkelijk alles verderven. U bent daar aan Gods werk, en op Gods weg; weest sterk in de Heere; de duivel is zwakker dan u bent; omdat Hij sterker is, Die in u is, dan hij die in de wereld is. Uw zorg, en liefde omtrent mij, nu een gevangene om Christus, is voor u opgelegd in de hemel; en u zult weten, dat het in gedachtenis opgekomen is voor God. Bid, bid voor mijn wanhopige gemeente, en geef haar uw raad, als u iemand van hen ontmoet. Het zal mij een smart zijn te horen, dat een wolf inkomt op mijn arbeid. Maar indien de Heere het toelaat, zo moet ik stilzwijgen. Mijn lucht zal opklaren: want Christus legt mijn hoofd in Zijn boezem, en laat mij toe, daar te leunen; nooit wist ik te voren, wat Zijn liefde in zo’n mate was. Indien Hij mij verlaat, zo verlaat Hij mij in smart en krank van liefde; en nochtans is mijn ziekte mijn leven en gezondheid. Ik heb een vuur binnen mij; ik tart al de duivelen in de hel, en al de bisschoppen in Schotland, daar water op te gieten. Ik ben verblijd over uw kloekmoedigheid en geloof. Bid gedurig voort, alsof ik op mijn reis was, om te komen, en uw herder te zijn. Welke ijzeren deuren of dwarshouten zijn machtig, het tegen Christus uit te staan? Want als Hij blaast, zo openen zij voor Hem. Ik gedenk uw man bij de Heere. Genade, genade zij met u.

      De uwe in zijn zoete Heere Jezus, Samuel Rutherford

      Aberdeen, 11 maart 1637

       

    167. Aan een edele vrouw
    168. Juffrouw!

      Ik bid u, houd mij verontschuldigd, zo de dagelijkse bezigheden van mijn beroep mij zullen verhinderen u te bezoeken, dat ik anders zou wensen; ik durf niet buiten gaan, omdat velen van mijn volk ziek zijn, en de tijd van ons Avondmaal nadert; maar gebruik het gezelschap van uw waarde en oprechthartige herder Mr. Robbert, aan wie de Heere de tong van de geleerden gegeven heeft, om ter rechter tijd een woord voor de vermoeiden voort te brengen. Doe mijn groet aan hem en aan uw man. De Heere Jezus zij met uw geest.

      Uw toegenegen vriend, Samuel Rutherford

       

    169. Aan Willem Fullertown, opperschout te Kirkcudbright
    170. Hooggeëerde en zeer lieve vriend!

      Genade, barmhartigheid en vrede zij u. Het gaat mij wel, geloofd zij de Heere, terwijl ik hier in deze vreemde stad een gevangene blijf voor Christus en Zijn waarheid; en ik schaam mij Zijn kruis niet; mijn ziel wordt vertroost met de vertroostingen van Zijn zoete tegenwoordigheid, voor Wie ik lijd. Ik bid u ernstig, dat u uw eer en gezag aan Christus en voor Christus geeft; en wees niet verslagen voor vlees en bloed, terwijl u staat voor de Heere, en voor Zijn waarheid en zaak. En hoewel wij zien, dat de waarheid voor een tijd onderdrukt wordt, zo zal toch Christus een Vriend voor de waarheid zijn, en zal werken voor degenen, die al wat zij hebben, in gevaar durven zetten voor Hem en voor Zijn eer. Mijnheer, onze schone dag is nabij, en het hof zal veranderen, en de goddelozen zullen ‘s namiddags wenen, en bitterder dan de kinderen Gods, die in de morgenstond wenen. Laat ons geloven en hopen op Gods heil. Mijnheer, ik hoop, dat ik aan u niet behoef te schrijven, opdat u mijn broeder, die nu, zowel als ik, voor de waarheid staat in verdrukking te komen, vriendelijkheid en liefde bewijst. Ik acht mij verbonden, om voor u en uw waarde en vriendelijke echtgenote en kinderen te bidden, en ook voor uw liefde tot Hem en tot mij. Ik hoop, dat uw moeiten voor ons in Christus niet verloren zullen zijn. Dus u aanbevelende aan de tere barmhartigheid en goedertierenheid Gods, blijf ik

      Uw zeer liefhebbende en toegenegen broeder, Samuel Rutherford

      Aberdeen, 21 sept. 1636

       

    171. Aan de recht eerwaarde vrouw, de Markgravin van Kenmur
    172. Mevrouw!

      Genade, barmhartigheid en vrede zij u. Ik verlang van u en van dat lieve kind te horen, en om deze reden val ik u moeilijk met schrijven. Ik ben voor tegenwoordig denkende, dat de mussen en zwaluwen, die hun nesten bouwen in Anwoth, gelukkige vogelen zijn. De Heere heeft mijn ganse gemeente als woest gemaakt; helaas, menigmaal zeg ik dat woord: Doe mij weten, waarover Gij met mij twist! O aarde, aarde, bedek niet het geweld, aan mij geschied. Ik weet, het is mijn ongelovige jaloersheid, in deze mijn duistere nacht dat ik een vriend voor een vijand neem; nochtans heeft mijn Heere tegen mij geen twist gemaakt; ik kijf met Hem, maar Hij geeft mij schone woorden, omdat mijn zonden, en de zonden van mijn jonkheid, slagen verdiend hebben: hoe ben ik aan mijn Heere verschuldigd, Die mij onder vele kruisen een gewenst en uitverkoren kruis gegeven heeft, namelijk te lijden voor de Naam van mijn Heere Jezus, aangezien ik toch ketenen moest hebben, zo heeft Hij gouden ketenen op mij gelegd, zijnde ook bevochtigd met vele vertroostingen. Aangezien ik droefheid moet hebben, want ik heb gezondigd, o Mensenhoeder! zo heeft hij vrolijke droefheid voor mij uitgekozen, ja eerlijke, geestelijke en heerlijke droefheid. Mijn kruisen komen door de vingeren van barmhartigheid en liefde, van het vriendelijke hart van een broeder, Christus mijn Heere, en daarom moeten zij zoet en gesuikerd zijn. O, wie ben ik! Zo’n klomp, zo’n verrotte massa van zonde, dat ik een kind gerekend wordt, waardig om in mijns Vaders huis met de beste en eerwaardigste roede getuchtigd en geslagen te worden, evenals die gouden roede, waarmee mijn oudste Broeder, de Heere, de Erfgenaam van de erfenis, en Zijn getrouwe getuigen geslagen zijn! Men zou denken, dat ik dankbaar en vrolijk behoorde te zijn. Doch mijn beschouwers en liefhebbers in Christus hebben vlezen ogen, en zij hebben mijn één aangezien voor tien; en ik ben al vrij wat in hun rekenboeken. Mijn Getuige is boven, dat er heirlegers van mijn gedachten binnen mij zijn, die het tegendeel zeggen, en die hun wilde misvatting belachen; indien mijn binnenste zijde gezien werd, mijn drek zou stinken; ik zou alle liefde en achting van allen, die God liefhebben, verliezen en kwijtraken; medelijden zou in de plaats ervan komen. Och, of zij mij toch lager wilden stellen, en mijn beminde Christus hoger! Ik wenste genade en kracht te hebben van mijn Heere om blij, vergenoegd en vrolijk te zijn, zo de eer Gods voor ‘t aangezicht van mensen, engelen, duivelen, aarde, hemel, hel, zon, maan, en alle Gods schepselen, mocht rijden, en openlijk triomferen op mijn pijn en lijden, doch altijd op voorwaarde, dat ik de Heere Zijn haat en gramschap niet mocht voelen. Maar ik vrees, dat Zijn schone heerlijkheid maar verduisterd en besmet wordt, terwijl ze komt door zo’n vuil schepsel, als ik ben. Indien ik de zondeloze stof wezen kon van ‘t verheerlijken van Christus, hoewel tot mijn verlies, pijn, lijden en uiterste jammerlijkheid, hoe vrolijk zou mijn ziel zijn! Maar ik ben ver, ver van daar. Hij weet, dat zijn liefde mij tot een gevangene heeft gemaakt, en mij handen en voeten gebonden heeft; maar ‘t is mij een pijn, dat ik niet los geraken kan, en krijgen losse handen en een los hart, om mijn Heere Jezus dienst te doen, en zijn liefde uit te spreken; ik beken, ik heb tong noch pen, om het te doen; Christus’ liefde is meer dan mijn lofzeggingen, en boven de gedachten van de engel Gabriël, en van de machtige heirlegers, die voor de troon Gods staan. Ik schaam mij, en ben droevig en neerslachtig, te denken, dat mijn ziel en tong, en mijn besmet hart zou inkomen, om anderen luid te helpen uitzingen de lof van Christus liefde; al wat ik doen kan, is te wensen dat het koor van de zangers zeer groot wordt, en dat ze toenemen in Christus te verheffen. O wee, wee is mij, want mijn schuldigheid is door weinigen gezien; mijn verborgen wonden, gedurig bloedende binnen in mij, zijn niet voor de ogen van de mensen; maar indien mijn zoete Heere Jezus ze niet steeds zuiverende, wassende, balsemende, helende en verbindende was, zij zouden rotten en tot mijn schande uitbreken. Ik weet niet, wat het einde van mijn lijden zijn zal, ik heb maar de ene zijde van mijn kruis gezien; wat de andere zijde zal zijn, weet Hij, Die zijn vuur te Zion heeft. Laat Hij mij leiden, al was het door de hel. Ik dank mijn Heere. Mijn wachten en stil zijn, gelijk mijn plicht is, om te zien wat Christus meer aan mij doen zal, is mijn blijdschap. Och, of mijn gemak, vreugde en plezier voor eeuwig te pand gezet werden, om lofzeggingen voor Christus te kopen, maar ik ben hier nog ver vandaan. Het is licht voor een arme ziel, die diep in de schuld van Christus’ liefde is, verder met Zijn mond uit te geven, dan hij kan springen, en zich te voeden met brede wensen, dat Christus mag geëerd worden; doch in de verrichting deug ik niet. Ik heb niets, niets om aan Christus te geven, dan armoede, behalve als Hij mijn ziel en mijn liefde wilde aangrijpen, en vastzetten, och, och! dat Hij dat wilde doen! zo heb ik niets voor Hem. Hij mocht, ‘t is waar, een bankroetierspersoon, ziel en lichaam, aantasten en in beslag nemen; maar die heeft geen goederen voor Christus, om daarmede te handelen; maar hoe blij zou mijn ziel zijn, indien Hij mij mijn liefde wilde afnemen, en mij die nooit wedergaf! Mevrouw, ik zou mij verblijden, indien Christus u steeds meer eigende, en u gedurig voortging, en Hem nader was. Ik eer Christus zelf niet, maar ik wens dat alle anderen de uitroep mochten doen, om ‘t volk naar Christus’ huis te lokken. Ik wens, dat ik u kon nodigen om in uw Liefste Zijn huis te gaan, en dat op mijn woord; u zoudt dan een nieuwe verborgenheid van liefde in Christus zien, die u nooit tevoren zag. Ik ben wat aangemoedigd, doordien uw HoogEd. niet droog noch koud is omtrent Christus’ gevangene, gelijk sommigen zijn, ik hoop, dat het in mijn Meesters rekenboek is opgetekend. Het bedroeft mij niet zeer, dat mijn jaloerse Man mijn afgoden in stukken breekt, zodat ze of niets durven, of niets willen doen voor mij. Mijn Meester heeft haar hulp niet nodig, maar zij hebben nodig, zover gedienstig te zijn, dat ze Hem helpen. Mevrouw, ik heb de vrijmoedigheid genomen, van u en dat zoete kind te bevelen in de gebeden van Mr. Andreas Cant, Mr. Jakobus Martin en mevrouw Leyes, en van enige anderen in dit land, die Christus waarlijk liefhebben; gelief mij te laten weten, hoe het met het kind is; ik bid, dat de zegeningen, die kwamen op het hoofd van Jozef, en op de kruin van ‘t hoofd van degene, die van zijn broederen was afgezonderd, en de goedwilligheid Desgenen, Die in de braambos woont, over hem en over u gezien mogen worden. Mevrouw, ik kan nu door enige kleine ondervinding meer van Christus zeggen dan tevoren. Ik blijf daarbij, indien u een lieflijke ruiker, een verborgen schat en een goudmijn; zoekt in Christus, die u nog nooit zag, zo kom en zie. Dus u bevelende aan Gods dierbaarste barmhartigheid, zo blijf ik,

      De uwe tot alle gehoorzaamheid in zijn zoete Heere Jezus, Samuel Rutherford

      Aberdeen, 17 juni 1637

      Mevrouw Marshall is mij zeer vriendelijk, alsmede haar zoon.

       

    173. Aan de recht eerwaarde hoogedele vrouw, de Markgravin van Kenmur
    174. Zeer edele en dierbare vrouw!

      Genade, barmhartigheid en vrede zij met u. De Heere heeft mij behouden te Aberdeen gebracht; ik heb logement gekregen in de harten van allen, die ik ontmoet; niet een aangezicht, of het heeft mij toegelachen; alleen zijn de inwoners van deze stad droog en koud, en zo algemeen heen; zij bestaan uit papisten en mensen van Gallio’s humeur, in geen belijdenis vast; en men rekent het hier geen wijsheid, een predikant te begunstigen, die ‘t prediken verboden, en aan een plaats bij vonnis bepaald is; maar de schande van Christus’ kruis zal mijn schaamte niet zijn. Het ondernemen van Queensberry schijnt te slapen, omdat het de bisschop van Galloway geliefde, tegen de Schatmeester te zeggen, dat ik verraad begaan had, dat de Schatmeester zijn geleende ijver vrij wat deed verslappen. Dus dank ik God, Die niet wil, dat ik mijn ziel zal ankeren op valse gronden, of op vlees en bloed; beter is het, dat ze binnen het voorhang bevestigd wordt. Ik bevind, dat mijn oude beschuldigingen weer levendig worden, en dat mijn liefde dikwijls op Jezus’ liefde jaloers wordt, als ik op mijn schuldigheid zie; en ik oordeel waarlijk, dat de wereld al te zachte mening heeft van de poorten naar de hemel, en dat velen in plaats van de hemel zullen hebben ‘t lot van een blind en droevig bedrog: want er is wat meer te doen, dan een koud bevroren woord te spreken: Heere, Heere. Het moet een nauwere en engere weg zijn dan wij menen, want de rechtvaardige zal nauwelijks zalig worden. Het zou goed zijn, dat men de christelijkheid vrij verstandiger ging beschouwen; want ik ben in twijfel geweest, of ik iets meer van de christelijkheid kende dan de letteren van de naam; ik wil mijn Heere evenwel niet beliegen; menigmaal vind ik veel vreugde, en onuitsprekelijke troost, in de zoete tegenwoordigheid van Hem, Die mij hier gezonden heeft, en ik vertrouw, dat dit huis van mijn vreemdelingschap mijn paleis en mijn lusthof zal zijn, en dat Christus vriendelijk zal zijn aan de arme Jozef, die van zijn broederen afgescheiden is. Ik zou soms wel al te heet, en al te vrolijk zijn, indien de hartbrekende droefheid, in ‘t gedenken van de zonde, en aan de schone feestdagen met Jezus Christus mij niet verkoelden, en mijn zoete vreugden verzuurden. Och hoe zoet is de liefde van Christus? En hoe wijs is de liefde? Maar laat het geloof een poos borgen en vertrouwen; het is niet redelijk, dat kinderen het kwalijk nemen, dat de Vader hen niet tweemaal per jaar loon geeft, gelijk Hij doet aan Zijn huurlingen. ‘t Is beter dat Gods erfgenamen op hoop leven, dan op loon. Mevrouw, u weet wat Christus gedaan heeft om al uw liefde te hebben; en dat Hij niet toelaat dat de liefde die op Hem zou komen, tot uw lieve kind zou gaan: onthaal Christus met het beste van uw liefde. Waarlijk mij dunkt, dat Christus gezegd heeft: ik moet, al was ‘t met geweld, Johanna Campbel voor mij hebben; en Hij heeft vele riemen in ‘t water gelegd, om uw hart hemelwaarts als naar huis te jagen, en te vissen; laat Hem Zijn bruid hebben; Hij zal rekenen, dat Hij aan u goede winst gedaan heeft, als Hij u verkregen heeft; ‘t is goed, dikwijls tot Hem te gaan, en de deur tot onze sterkte open te hebben; want ‘t zwaard des Heeren, ‘t zwaard des Heeren is voor Schotland, en nog zullen er evenwel enige weinigen, twee of drie bezijden in de top van de olijfboom overgelaten worden. Indien een woord mijn broeder in zijn verdrukking goed kan doen, ik weet dat uw HoogEd. willig, en vaardig zal zijn, om het te spreken, en meer dan dat. Nu die alleenwijze God, en uw enige, enige, Hij Die in de braambos woont, zij met u. Ik wens in mijn schrijven veel kussen en veel zegeningen in Christus over uw lief kind; en dat de zegeningen van Zijns Vaders God, en de zegeningen die toekomen de wezen en weduwen, de uwe en de zijne mogen zijn.

      De uwe in zijn enige, enige Heere Jezus,
      Samuel Rutherford
      Aberdeen

      Een naschrift

      Mevrouw!

      Gelief op een bekwame tijd te onderzoeken de zin van mijnheer van Lome; of het zijn HoogEd. aangenaam zou zijn, dat ik nog een ander werk tegen de Arminianen aan zijn eerwaarde naam opdroeg: want hoewel ik geen Beschermheer wilde vergelijken bij zijn HoogEd. en al heb ik genoegzame ervaring van zijn liefde, zo zal zijn HoogEd. het toch misschien niet nuttig vinden, op deze tijd; maar ik wacht uw hoogEd. antwoord; en ik hoop, u zult rechtuit spreken.

       

    175. Aan Johannes Henderson in Rusco
    176. Lieve vriend!

      Ik begeer ernstig uw zaligheid. Ken de Heere, en zoek Christus; u hebt een ziel die niet sterven kan; zie uit naar een woning voor uw arme ziel; want dat lemen huis zal vallen; u moet de hemel hebben, of niemendal, of Christus of niemendal; gebruik het gebed in uw huisgezin; en zet uw gedachten menigmaal op de dood en ‘t oordeel; het is gevaarlijk, los en onzeker te zijn in het stuk van uw zaligheid: weinigen worden zalig; de mensen gaan een of twee tegelijk naar de hemel, en de gehele wereld ligt in de zonde; heb uw vijanden lief, en sta voor de waarheid. Ik heb u in alle dingen onderwezen. Vrees geen mensen; maar laat God uw vrees zijn; uw tijd zal niet lang zijn; maak uw dagelijks werk van te zoeken naar Christus; u kunt, zelfs als u in ‘t veld bent, tot God spreken; zoek een verbroken hart over zonden: want zonder dat is er geen hoop om Christus te ontmoeten: dit spreek ik tot uw vrouw zowel als tot u. Ik verzoek, dat uw zuster in haar vrezen en twijfelingen haar grepen vestigt op Christus’ liefde; ik verbied haar te twijfelen: want Christus heeft haar lief, en heeft haar naam in zijn boek geschreven; haar zaligheid komt zeer snel aan; Christus haar Heere is niet traag in ‘t komen, en Hij vertraagt Zijn belofte niet. Genade zij met u.

      Uw liefhebbende herder, Samuel Rutherford

      Aberdeen

      N. B. De navolgende brieven zijn alle geschreven, nadat Mr. Rutherford uit zijn gevangenis ontslagen was.

       

    177. Aan de Markgravin van Kenmur
    178. Mevrouw!

      Genade, barmhartigheid en vrede zij u. Ik weet wel, dat u vele vertroosters nabij hebt, en dat de beloofde Trooster nabij is. Doch omdat ik uw HoogEd. in mijn droeve dagen, die nog niet over mijn hoofd heen zijn, troostelijk aan mij bevonden heb, zo is het mijn plicht, en meer in vele opzichten, hoewel ik, God weet het, weinig in deze doen kan, u aan te spreken in uw lot, dat u in de woestijn hebt. Ik weet, waarde en HoogEdele vrouw, dat dit verlies van uw lief kind u is overkomen, het ene deel na het andere, en dat u ‘t al tegemoet zag, totdat de Almachtige nu over u gebracht heeft, ‘t geen u vreesde; en dat de Heere u goede waarschuwing gegeven heeft. Ik hoop, dat u om de wil van Hem, Die deze beker in de hemel gebrouwen, en met een masker overdekt heeft, graag en blijmoedig zult drinken, en groeten en verwelkomen het kruis. Ik verzeker mij, ‘t is de zin van uw Heere niet, u met oordeel en alsem te spijzen, en u met galwater te drenken, Ezech. 34:16, Jer. 9:15. Ik weet, dat uw beker gesuikerd is met barmhartigheid, en dat het doen verwelken van de bloem, en van ‘t witte en rode van de wereldse vreugde, tot geen ander eind is, dan om de toekering van uw hart en uw liefde tot Hem tot de grond toe, daarmede uit te kopen. Mevrouw, onderschrijf de wil van de Almachtige; stel uw hand aan de pen, en laat het kruis van uw Heere Jezus, een bepaald onderworpen amen hebben. Indien u vraagt en onderzoekt, wiens kruis dit is? Dan durf ik niet zeggen, dat het geheel uw kruis is, maar de beste helft daarvan is van Christus, zo is uw kruis dan wettig geboren, en geen bastaardkruis; het kwam uit het stof niet voort; Job 5:6, indien u en Christus halveerders in dit lijden bent, en indien Hij zegt: half Mijn, wat zou u schorten? En ik verzeker mij, dat ik hier de benaming van Gods Woord recht gebruik: Filip. 3:10, de gemeenschap des lijdens van Christus; Kol. 1:24, de overblijfselen van de verdrukkingen van Christus; Hebr. 11:26, de versmaadheid van Christus. Het zou maar zijn de vertroostingen Gods te ontgaan, indien men zeide: Christus had nooit zo’n kruis als het mijne; nooit had Hij een dood kind; zo is het dan Zijn kruis niet; ook kan Hij in die zin de eigenaar van dit kruis niet zijn. Maar ik hoop, dat wanneer Christus u trouwde, zo trouwde Hij u en al de kruisen en hartangsten die u volgen; ‘t woord maakt geen uitzondering, Jes. 63:9, In al hun benauwdheid is Hij benauwd; zo droeg dan Christus de eerste slag van dit kruis, het stuitte van Hem af op u, en u ontving het uit de tweede hand, en u en Hij zijn halveerders in het. Wat mij aangaat ik zal geloven, dat Hij voorheeft, de hemel te bereiden uit dit kruis, en uit alle andere dergelijke: want de wijsheid heeft het bedacht, en de liefde heelt het opgelegd, en Christus erkent het als Zijn Eigen, en Hij stelt uw schouder maar onder een deel ervan; neem het met vreugde, als geen bastaardkruis, maar als een welgeboren bezoeking Gods; en breng het overige van uw bestemde tijd door, in ‘t werk van geloven, totdat uw verwisseling komt; en laat het geloof, dat nog nooit een leugen tegen u sprak, voor God in deze spreken, Hij maakt u geen zee- of walvis, dat Hij wachten om u zetten zou, en u inbinden, Job 7:12. Hij zal het ook niet doen. Misschien denkt u, dat niet vele kinderen Gods in zo’n zware ellende zijn, als u: maar wat zoudt u denken van sommigen, die hun verdrukkingen met u zouden willen verwisselen en geven u het voordeel. Doch ik weet, uw kruis niet alleen het uwe en van Christus samen zijn. Ik beken, het scheen mij vreemd, dat uw Heere datgene kwam te doen, dat. de bodem van uw wereldse vertroostingen schijnt in te slaan. Maar wij zien de soevereinheid van de Almachtige niet tot aan de grond. Hij gaat voorbij aan onze rechter- en aan onze linkerhand, en wij zien Hem niet. Wij zien maar stukken van de gebroken schakels van Zijn voorzienigheid; en Hij scherpt de raderen van Zijn voorzienigheid, dat wij het niet zien. O laat de Formeerder Zijn leem bewerken in zo’n vorm, als ‘t Hem gelieft. Zal iemand de Almachtige wetenschap leren? Indien Hij droge stoppelen vervolgt, wie durft zeggen: wat doet Gij? Verwonder u niet, dat u ziet, dat de Rechter van de wereld uw weldaden en de oordelen van het huis van Kenmur in een web weeft; Hij kan rechtstrijdige dingen tot een web maken. Maar mijn zwakke raad, onder eerbied en verbetering, lieve en waarde vrouw, zou voor u deze zijn, dat u ging bezien, hoever de tuchtiging voortgaat, en wat schuim het vuur van de Heere uit u uitdrijft; ik weet wel, u ziet uw kwastigheid, sinds onze Heere u onderschraagd, behouwen, en gekorven heeft; en het glinsteren van de oven is, om u te laten zien, wat schuim en droesem u moet kwijt wezen, en wat een vuil schuim er in de natuur is, hetwelk in ‘t vuur van uw beproevingen moet uitgekookt, en afgelicht worden. Ik zeg niet, dat zwaarder verdrukkingen zwaarder schuld te kennen geven; een kruis is dikwijls in deze maar een vals profeet; doch dit weet ik zeker, onze Heere wilde het tin en de bastaardstof van u geweerd hebben, opdat Hij niet zegt: de blaasbalg is verbrand, het lood is door het vuur verteerd; tevergeefs heeft de smelter zo vlijtiglijk gesmolten, Jer. 6:29. En ik zal hopen, dat de droefheid niet zover uw licht zal verbergen, dat u een zo nodige plicht niet zoudt overdenken, namelijk, met Hem medewerken in dit gezegend oogmerk. Ik zou wel graag pleiten voor het werk van de Trooster in deze, niet tegen u, mevrouw, want ik ben verzekerd u bent Zijn partij niet, maar tegen uw droefheid, die haar eigen geweldige aanvallen op uw ziel zal hebben, en ik denk dat het niet in uw macht is dat te verhelpen. Maar dit moet ik zeggen: aan u zijn vertroostingen vergund en toegestaan; mis ze dan niet. Als u nu een zielovervloeiende blijdschap krijgt zo zal die blijdschap nooit gemist worden uit de oneindige oceaan van vermaak, die niet verminderd wordt, door daaruit te drinken of te putten. Het is een christelijke kunst, uzelf in de Heere te troosten, en te zeggen: ik was verbonden dit kind aan de Gever terug te geven; en indien het mij vier jaren geleend was, en Christus het voor eeuwig bezit, zo heeft de Heere Zijn voorwaarden met mij gehouden. Indien mijn Heere niet wilde, dat Hij en ik op een uur samen zouden komen aan de dorpel van de dood zijn deur; zo is het Zijn wijsheid, zo te doen. Ik ben tevreden; mijn ontmoeting is voor een tijd opgehouden, niet afgebroken, noch overgegeven. Mevrouw, ik wenste, dat ik tot uw verlichting de droefheid met u delen kon; maar ik ben alleen een beschouwer; ‘t is gemakkelijk voor mij te spreken; de God van de vertroosting spreke tot u; en lokke u met Zijn liefdefeesten. Mijn afgaan van mijn kudde is mij zo lastig, dat het mij mijn leven tot een last maakt; nooit had ik zo’n verlangen naar de dood. De Heere helpe, en houde het droeve leem staande. Ik vrees, dat u zonde doet, met Mr. Willem Dalgleish uit dit land te trekken, daar de arbeiders weinig en de oogst groot is. Mevrouw, verzoek mijnheer Argijl, dat hij onderhoud bezorgt, voor een herder voor dit arme volk. Genade zij met u.

      Uw HoogEd. alleszins gehoorzame in Christus, Samuel Rutherford

      Kirkcudbright, 1 oktober 1639.

       

    179. Aan de vervolgde Kerk in Ierland
    180. Zeer geëerden, eerwaardigen en hartelijk geliefden in onze Heere!

      Genade, barmhartigheid en vrede zij u allen. Ik weet dat er velen in deze natie zijn, bekwamer dan ik, om degenen toe te spreken, die voor Jezus Christus lijden en van Hem getuigen; doch vergeef mij, dat ik een weinig spreek tot ulieden, die in ‘t proces betrokken bent, wegens het Evangelie, aan u eenmaal toebetrouwd. Ik vertrouw, dat ulieden niet onwetend bent, dat gelijk u de vrede is nagelaten in Christus’ Testament, zo mede de andere helft van het Testament een legaat was van Christus’ lijden. Joh. 16:33, Deze dingen heb Ik tot u gesproken, opdat gij in Mij vrede hebt. In de wereld zult gij verdrukking hebben. Omdat gijlieden dan bent gemaakt tot erfgenamen van een lijfrente van Christus’ kruis, zo denkt, dat vurige beproeving geen vreemd ding is: want de Heere Jezus zal geen verlies doen, door ‘t schuim en tin uit Zijn Kerk in Ierland uit te zuiveren; Zijn wijnpers is maar uitwringende droesem, het schuim en vuiligheid van die Kerk. Ik had eens een proef van die zoete reuk, en de eerlijke en eerwaarde vrede van die gelasterde zaak, het kruis van onze Heere Jezus. Maar hoewel, helaas! die gouden dagen, die ik toen had, nu voor een groot deel weg zijn, zo durf ik nochtans zeggen, dat de uitgang en uitkomst van uw lijden zal zijn het voordeel en de gouden heerschappij van het Evangelie en de hoge heerlijkheid van de nooit genoeg geprezen Vorst der koningen van de aarde, en de verandering van het koper van ‘s Heeren tempel onder ulieden in goud, en van ‘t ijzer in zilver, en van het hout in koper; uw opzieners zullen nog vreedzaam, en uw drijvers rechtvaardig zijn, Jes. 60:17,18. Uw oude vervallen muren zullen een nieuwe naam krijgen, en de poorten van uw Jeruzalem een nieuwe titel; zij zullen uw muren heil, en uw poorten lof heten. Ik weet, dat de koning zijn afgevaardigden, de bisschoppen, papisten, tijddienende heren, en trotse bespotters van onze Heere, de kruisigers van Jezus om Zijn opperkleed, en al uw vijanden, noch vingers noch oorlogsinstrumenten hebben, om een enige steen uit uw muur te graven; want elke steen van uw muur is heil. Ik durf u ‘t woord van mijn koninklijke en vorstelijke Meester daarvoor geven, dat Ierland een schone bruid voor Jezus zal zijn, en dat Christus op hen een paleis van zilver zal bouwen, Hoogl. 8:9. Weent dan niet alsof er geen hoop was; vreest niet, trekt sterkte aan; trekt uw sierlijke klederen aan, Jes. 52:1; uw fondamenten zullen van saffieren zijn, Jes. 54:11,12, uw vensters en poorten van kostelijke stenen. Zie over ‘t water heen en merk, wie daar op het droge land is wachtende op uw landen. Uw verlossing is besloten, onderschreven, en verzegeld in de hemel; uw goederen die van u genomen zijn om Christus en Zijner waarheid wil, zijn maar vastgezet en te pand gelegd, en niet weggenomen. Veel is er voor ulieden opgelegd in Zijn magazijn, van Wie de aarde en zijn volheid is; uw klederen zijn gesponnen, en uw kudden gaan weiden in de velden; uw brood is voor u opgelegd, uw drank is gebrouwen, uw goud en zilver ligt in de bank, en de interest loopt op en neemt toe; evenwel hoor ik, dat uw aandrijvers u beroven en plunderen, en in boeten slaan: uw gevangenissen, mijn broeders, hebben twee sleutels; de afgevaardigden, de bisschoppen en ambtenaars hebben maar de ijzeren sleutels van het gevangenhuis, waarin zij u zetten. Maar Hij Die de smid geschapen heeft, heeft andere sleutels in de hemel; daarom zult gijlieden, in de gevangenis niet sterven; de ploegen van andere mensen werken om uw brood; uw vijanden vergaderen uw renten. Hij Die zijn bruid kust aan de ene zijde van de zee in Schotland, slaat haar aan de overzijde van de zee in Ierland, en Hij voedt hen met het brood van tegenspoed, en met het water van verdrukking, en nochtans is Hij dezelfde Heere voor beiden. Helaas, ik vrees, dat Schotland vergaan en gedood zal worden door deze grote weldaad van hervorming, omdat hier niet is dat leven van godsdienstigheid, dat beantwoordde uitnemende grootheid van het werk, dat onze ogen verbaasd maakt; want de Heere verblijdt Zich over ons in dit land, gelijk de Bruidegom zich verblijdt over de bruid; de Heere heeft de naam van Schotland veranderd; men noemt ons nu niet meer verlaten, noch verwoest, maar ons land wordt genoemd Chephsibah en Beulah, want des Heeren lust is in ons, en dit land is aan Hem getrouwd, Jes. 62:4. Er is nu een hoge weg gemaakt door ons Zion heen, en die wordt de heilige weg genoemd, de onreine zal er niet doorgaan; die deze weg wandelt, zelfs de dwazen, zullen niet dwalen, de woestijn juicht en bloeit als de roos; de vrijgekochten des Heeren zijn wedergekeerd naar Zion met gezangen en eeuwige blijdschap op hun hoofd, Jes. 35. De Kanaäniet is uit van onze Heere Zijn huis uitgezet; daar is niet één beest gelaten om te beschadigen, immers in openlijke belijdenis, op de gehele heilige berg van de Heere. Onze Heere is begonnen met Zijn vijanden te worstelen, en Hij heeft ons uit Egypte uitgebracht; wij hebben de krachten van een eenhoorn, Num. 23:22. De Heere heeft de zonen van Babel verteerd, hun beenderen heeft Hij gebroken, en met Zijn pijlen heeft Hij hun doorstoken; wij nemen ze gevangen, die ons gevangenhielden, en wij heersen over onze drijvers. Jes. 14:2. Onze tweede tempel bestaat niet uit tichelstenen noch leem, noch uit Babels vervloekt hout en steen. Maar onze vorstelijke Koning Jezus bouwt Zijn huis geheel gelijk een paleis, en met uitgehouwen stenen; het is de woning van de Heere; wij verwelkomen Ierland en Engeland tot onze beminden. Wij nodigen u, o dochteren van Jeruzalem, dat u tot onze Heere Zijn hof afkomt, en met ons onze Liefste gaat zoeken, want Zijn liefde zal beiden, voor u en ons genoegzaam zijn, wij zenden minnebrieven over zee, om u te verzoeken, dat u onze Koning mocht komen trouwen en deelnemen aan ons bed. Wij vertrouwen, dat onze Heere aan het beest, en aan de scharlakenvervige hoer een slacht staat te geven, teneinde Hij Zijn oude weduwvrouw, onze lieve zuster, de kerk van de Joden inbrengt. O, wat een hemelse hemel zou het zijn, haar te zien inkomen door dat middel, en de borsten van haar kleine zuster te zuigen, en te vernieuwen haar oude liefde met haar eerste Man, Christus, onze Heere! Zij staan in het boek van Gods Woord getekend als een bruid, die met Jezus in huwelijksverbintenis is. Och, of ik in dit mijn vlees een gezicht mocht krijgen van het geprofeteerde huwelijk tussen Christus en haar. De koningen van Tarsis en de eilanden moeten onze Koning Jezus geschenken aanbrengen, Ps. 72:10, en Brittannië is één van de voornaamste eilanden: wel waarom mogen wij dan niet geloven, dat onze koningen van dit eiland zullen inkomen, en brengen hun heerlijkheid tot het nieuwe Jeruzalem, waarin Christus zal wonen in het laatste van de dagen. Het is onze plicht te bidden, dat de koninkrijken van de aarde mogen worden van Christus. Nu ik vermaan u in de Heere Jezus, dat u niet ontzet noch bevreesd bent voor die twee staarten van die twee rokende vuurbranden, de verbolgenheid van de koninklijke afgevaardigde met zijn burgerlijke macht, en van de bastaardbisschoppen met de macht van het beest, want zij zullen afgesneden worden; zij mogen u opeten en opdrinken, maar zij zullen gedwongen zijn, u wederom levend uit te spuwen. Indien twee dingen vast geloofd werden, ‘t lijden zou niet zwaar zijn, indien de gemeenschap van Christus’ lijden goed gekend zou zijn, wie zou niet graag met Jezus deelnemen? Want Christus en wij zijn halveerders, en gezamenlijke eigenaars van één en hetzelfde kruis; en daarom Hij, die goed wist wat lijden was, gelijk Hij alles maar verlies achtte om Christus, oordeelde het maar drek te zijn, oordeelde ook zo van het, opdat Hij mocht kennen de gemeenschap van Zijn lijden, Filip. 3:10. O, welk een zoet gezicht is het. een kruis te zien tussen Christus en ons, onze Verlosser te horen zeggen op iedere zucht en slag, en op ieder verlies van een gelovige, half Mijn. Zo wordt het genoemd Christus’, verdrukkingen en de versmaadheid van Christus, Kol. 1:24, Hebr. 11:26. Gelijk wanneer twee lieden deelgenoten en eigenaars zijn van een schip, de helft van de winst, en de helft van ‘t verlies behoort tot elk van de twee; zo is Christus in ons lijden half winner en half verliezer met ons, ja het zwaarste eind van het zwarte hout van ‘t kruis ligt op onze Heere; het valt eerst op Hem, en dan stuit het van Hem af op u. De smaadheden, waarmee zij u smaden, zijn op Mij gevallen, Ps. 69:10. Uw lijden is uw schat, en groter rijkdom, dan de schatten van Egypte, Heb. 11:26. En indien uw kruis eerst komt door Christus’ vingeren, eer het tot u komt, zo krijgt het een schone luister van Hem, het krijgt een smaak en geur van de Koning Zijn nardus, en van ‘t hemelse reukwerk; en de helft van de winst, wanneer Christus’ schip vol goud thuis komt, zal uwe zijn. Het is een vermeerdering van uw schat, rijk te zijn in lijden, in arbeid overvloediger, in slagen uitnemender, 2 Kor. 11:23, en te hebben het lijden van Christus overvloedig in u, 2 Kor. 1:S. Het is een deel van ‘s hemels kapitaal; uw goederen zijn niet verloren, als zij u ontrukt zijn, want uw Heere heeft ze in bewaring; zij zijn maar vastgezet en aangeslagen; Hij zal het beslag losmaken; u zult gevoed worden met de erfenis van uw vader Jakob, want de mond des Heeren heeft het gesproken, Jes. 58:14. Totdat ik zal zijn in de grote zaal van het hoogste paleis, en een dronk van heerlijkheid zal krijgen uit Christus’ hand daarboven, aan de andere zijde van de tijd en van de dood, zal ik waarschijnlijk nooit schoner dagen zijn, dan ik zag onder dat gezegende hout van mijn Heere Zijn kruis. Zijn kussen waren toen Koningskussen; die kussen waren zoet en zielsverkwikkend; een ervan in die tijd, was er twee en een half waardig, indien ik zo mag spreken, van Christus gewone weekdag kussen. O, hoe zoet is het voor eeuwig, een roos van de hemel te zien groeien in zo kwade grond als de hel is, en te zien, dat Christus’ liefde, Zijn omhelzingen, Zijn middag- en avondmalen van blijdschap en vrede, goedheid, lankmoedigheid en lijdzaamheid, groeien en opkomen, gelijk de bloemen van Gods hof, uit zo’n steenachtige en vervloekte grond, als daar is de haat van de bisschoppen, en de boosheid van hun hoog commissiehof, en de antichrist zijn bloedige hand en hart! Is hier niet kunst en wijsheid? 1s hier niet de hemel en de hel ingesneden, indien ik zo mag spreken, gelijk een juweel kunstig ingevoegd in een ring, geëmailleerd met Christus’ kruis. De robijnen en rijkdommen van heerlijkheid, die uit dit kruis groeien, zijn niet uit te spreken. Nu de zwaarste en heetste toorn, en de vurigste en allesverterende verbolgenheid van de Richter van mensen en engelen zal komen op degenen, die onze Heere Jezus verloochenen, en die hun hand leggen aan die eed van goddeloosheid, die nu opgedrongen wordt. Des Heeren kool op hun hart zal hen verbranden, wortel en tak; de tijdelijke staat van de grote, die zo gedaan hebben, zo zij zich niet bekeren, zal vergaan, en de raven zullen in hun huizen wonen, en hun heerlijkheid zal tot schande zijn. Och, om des Heeren wil, houdt u toch vast aan Christus, en vreest geen mens, die sterven en als gras verwelken zal; de bloem van des konings afgevaardigde zal afvallen, en de bisschoppen zullen hun glans afwerpen. De oostenwind van de Heere, die sterke en machtige Heere zal hen verflensen en verbreken. Vreest dan niet voor hen, zij zijn maar afgoden, die noch goed noch kwaad kunnen doen. Wandelt niet op de weg van dit volk, dat lastert de voetstappen van onze koninklijke en vorstelijke gezalfde Koning Jezus, Die nu op zijn wit paard in Schotland rijdt. De Heere zij uw vrees. Dat besluit van Zions verlossing, dat geschied en verzegeld is voor de troon, is nu rijp en zal baren, namelijk de verwoesting en de val van de bisschoppen hun zwart koninkrijk, en van de antichrist zijn troon in deze koninkrijken. De Heere heeft het begonnen en Hij zal een voleinding maken. Wie heeft ooit dergelijks gehoord? Eer Schotland barensnood had, heeft zij gebaard, eer haar smart overkwam, zo is zij van een knechtje verlost, Jes. 66:7,8. En verder, neemt aan er was geen zoetheid in van onze Heere Zijn kruis, nochtans is het zoet om Zijnentwil, om die beminnelijke Jezus Christus, over Wiens kroon en koninklijke oppermacht heden het verschil is in Groot-Brittannië, tussen ons en onze wederpartijders. En wie zou Hem niet waardig oordelen, dat men voor Hem leed? Wat is levend verbrand te worden? Wat is het, dat het bloed van onze harten gedronken wordt? En wat is een dronk te krijgen van gesmolten lood, voor Zijn heerlijkheid? Gewis, minder dan een dronk koud water voor een dorstig man; indien maar de rechte prijs, en de behoorlijke waarde gezet zou zijn op deze waardige, waardige Vorst Jezus. O wie kan Hem wegen! Tienduizend maal duizend hemelen zouden niet één schaal, of de helft van de weegschaal zijn om Hem er in te leggen. O, zwarte engelen, in vergelijking van Hem! Gij, duistere, donkere en lichtloze zon, ten opzichte van die schone Zon, de Gerechtigheid! O, slechte, geringe en waardeloze hemel der hemelen, als zij staat nevens mijn waarde, hoogverheven en overtreffelijke Beminde! O, zwakke, lemen koningen, o zachte en zwakke koperbergen, en zwakke geschapen sterkte, ten opzichte van onze machtige en sterke Heere der heirscharen! O, dwaze wijsheid van mensen en engelen, als zij in de weegschaal gelegd wordt naast die onbevlekte zelfstandige Wijsheid des Vaders! Indien de hemel en aarde en tienduizend hemelen, ja rondom die hemelen die er nu zijn, allen waren in een hof van ‘t paradijs, bezet met al de schoonste rozen, bloemen en bomen, die van de kunst van de Almachtige zelfs kunnen voortkomen, en men zet in het tegendeel maar onze enige Boom, die uit de wortel Jesse groeit, benevens die lusthof, dan zou een enig gezicht, een enige smaak, een enige reuk van Zijn zoete Godheid oneindig te boven gaan, en overtreffen de reuk, kleur, schoonheid en beminnelijkheid van dat paradijs. O, zwanger te zijn van Zijn liefde, en verstikt te worden, indien dat mogelijk was, door de reuk van Zijn zoetheid, dat zou een zoete verzadiging zijn en een beminnelijke pijn! O waarde, waarde beminnelijkheid! O minder van de schepselen, en meer van U! Och, open de doorgang van de fontein der liefde en van de heerlijkheid op ons, droge putten en verwelkte bomen! O dat juweel en die bloem van de hemel! Indien onze Beminde niet door ons misgevat, en aan ons onbekend was, Hij zou zo weinig aanzoekers en vrijers niet hebben, Hij zou de hemel en de aarde beide doen zien, dat zij Zijn liefde niet kunnen uitblussen: want Zijn liefde is een zee. O, te mogen zijn duizend vademen diep in deze zee van liefde! Hij, Hij zelfs is voortreffelijker dan de hemel: want de hemel, zoals hij komt in de zielen en geesten van de verheerlijkten, is maar een schepsel; en Hij is iets, en een groot iets, meer dan een schepsel. Och, wat is het een leven te zitten benevens deze fontein van liefde, en te drinken, en te zingen, en wederom te zingen en te drinken; en dan begeerten en zielsvermogen te hebben, uitgestrekt en uitgebreid vele duizend vademen in de lengte en breedte, om zeeën en rivieren van liefde in te nemen! Deze liefde begeer ik u ernstig aan te bevelen, opdat Zijn liefde u Zijn geboden mag doen bewaren, en zuivere vingers te houden en reine voeten te maken, opdat u mag wandelen als de verloste van de Heeren. Wee, wee degenen, die zijn Naam opnemen, en deze liefde van Christus te schande maken door een los en onheilig leven; hun voet, tong, handen en ogen beliegen schandelijk dat heilig Evangelie, dat zij belijden. Ik bid u in de Heere, houdt Christus en wandelt met Hem; laat Zijn schoonheid niet bevlekt en besmeerd worden door een goddeloze wijze van leven. Och, wie kan het in zijn hart vinden, tegen liefde te zondigen! en zo’n liefde, waarin de verheerlijkten in de hemel met verlustiging zullen induiken, en daarvan drinken voor eeuwig! want zij drinken gedurig liefde in, en de beker is gedurig aan hun mond, en nochtans walgen zij niet; want zij drinken steeds en zij begeren steeds te drinken tot in alle eeuwigheid. Is dit niet een langdurig avondmaal? Nu, indien enige van ‘t volk van ons land, belijdende Christus Jezus, zich onder de slag en wraak van de Almachtige gebracht hebben, door de antichrist in een haarbreed toe te geven, maar inzonderheid door te zweren en te onderschrijven die godslasterlijke eed, die is het zwarte uur van de verzoeking voor de kerk van Ierland, zo wilde ik hen bidden, door de barmhartigheden Gods, in hun laatste dagvaarding, dat ze zich bekeren, en openlijk voor de wereld. tot eer van de Heere belijden, hun verloochening van Christus. Of anderszins, indien of man of vrouw zal staan en blijven bij die eed, zo laat ik hun in de Naam en gezag van de Heere Jezus zien, dat zij hun deel aan de hemel verbeuren; en laat hen niet anders verwachten dan een zware last van de zuivere onvermengde toorn Gods, en de straf van de afvalligen en verloochenaars van onze Heere Jezus. Laat het geen stomheid gerekend worden, dat ik een vreemdeling bij u, die nooit uw aangezicht in het vlees zag, aldus aan ulieden schrijf; want de hoop die ik heb, van een heerlijke kerk in dat land, en de liefde van Christus dwingt mij. Ik weet, dat de ware dienstknechten van Christus, die eens onder u arbeidden, niet ophouden, ook aan ulieden te schrijven; en ik zal verschoning verzoeken, wegens dat ik mij bij hen voeg. Bidt voor uw zusterkerk in Schotland, en laat mij de hulp van uw gebeden verzoeken voor mij en mijn gemeente, en mijn predikdienst, en mijn vrees van verplant te worden van deze plaats van des Heeren wijngaard. Nu de God des vredes zelf heilige ulieden geheel en al. Genade zij met u allen.

      Uw broeder en metgezel in het Koninkrijk en in de lijdzaamheid van Jezus Christus, Samuel Rutherford

      Anwoth 1639

       

    181. Aan zijn eerwaarde en veelgeëerde broeder Dr. Alexander Lighton, Christus’ gevangene in de banden te Londen
    182. Eerwaarde en zeergeëerde gevangene, die daar hoopt!

      Genade, barmhartigheid en vrede zij u; het stond mij niet toe, die God ruimte gegeven heeft, van u, Zijn gevangene, te vergeten. Als ik aanmerk, hoe lang uw nacht geduurd heeft, zo denk ik, dat Christus van zins is, u zoveel dieper te stellen in de verschuldiging aan de vrije genade, als uw lijden van een zeer lange duur is geweest. Maar neem, Christus heeft niet voor, u enige andere dan openbare vreugde te geven, met het verruimde en triumferende Zion. Mijnheer, ik oordeel dat u het liefst zoudt verkiezen, dat u uw gezang van vreugde met Zion mocht delen, en dat u de verborgen Christus in Brittanië mocht hebben tot halveerder en meedeelgenoot in uw verruiming en verlossing. Dit weet ik, dat uw blijdschap palende en grenzende aan de blijdschap van Christus bruid zoveel te zoeter zou zijn, als zij algemeen was. Ik dacht, dat indien Christus mijn weldaden gedeeld, en Hij Zijn bruid en niet mij verlost had, Zijn lof dubbel zou geweest zijn, bij ‘t geen ze nu is. Maar nu is ‘t gebeurd, dat twee rijke weldaden, bijeengevoegd, onze Heere weer dan de helft van de lof ontstolen hebben. Och, dat een weldaad ons zo zou bedriegen, dat ze onze rekening en erkentenissen komt ontstelen! Waarde heer, ik hoop, dat ik u niet behoef op te wekken, om voort te gaan, in op het heil des Heeren te hopen. Er is zoveel tijd van rust en geschapene blijdschap niet afgenomen, als de eeuwigheid wel zal toedoen tot uw hemel. Gij weet wanneer een dag in de hemel u betaald heeft, ja uw bloed, banden, droefheid en lijden ruim overbetaald heeft, dat het de engelen hun verstand te lastig zou vallen, dat meerdere van heerlijkheid op te rekenen, dat de eeuwigheid u kan en zal geven. O, maar uw zandglas van lijden en verlies komt tot heel weinig, als het gerekend en vergeleken zal worden met de heerlijkheid, die u aan de andere zijde van ‘t water wacht. Gij hebt geen ledige tijd, om hier vrolijk te zijn, en te zingen terwijl de tijd u omloopt, en uw psalmen hier kort zijn, daarom zult u de eeuwigheid, en de lange dag van de hemel, die met geen anderen zonne- of uurwijzer zal gemeten worden dan door ‘t lang leven van de oude der dagen, klein genoeg voor u rekenen, om uw lof te meten. Indien uw spanlengte van tijd bewolkt en duister is, zo kunt u niet anders dan denken, dat uw Heere niet meer uw bloed en uw banden kan nemen, zonder de inkomst en vergelding van vrije genade, dan Hij het lijden van Paulus en anderen van Zijn dierbare dienstknechten heeft genomen, die wel terdege vergolden zijn boven alle rekening, Rom. 8:18. Indien Christus’ wijsheid u heeft gemaakt tot het oogzweer en tot de benijding van de antichrist, zo hebt u God te danken, dat zo’n stuk leem, als u bent, is gemaakt tot het veld van eer, om daarop te werken. Het oogmerk van de Formeerder was, dat het leem Hem zou prijzen, en ik hoop, dat het u vergenoegt, dat uw leem tot Zijn eer is. O wie kan genoeg lijden voor zo’n Heere! En wie kan genoeg pijn, schande, verlies en kwellingen in de bank opleggen, om de vrije interest van eeuwige heerlijkheid weer te ontvangen? 2 Kor. 4:17. O wat is het een voordelig contract met zo’n rijke Heere! Indien uw hand en pen tijd genomen had, om heerlijkheid te winnen in papier, zo zou het maar papieren heerlijkheid geweest zijn. Maar een openbaar kruis zolang te dragen, voor de nu betwistte voorrechten van de kroon en scepter van de vrije Koning Jezus, de Vorst van de koningen der aarde, dat is heerlijkheid die in de hemel te boek gesteld is. Waarde en lieve broeder, indien u gaat wegen Jezus’ zoetheid, voortreffelijkheid, heerlijkheid en schoonheid, en u tegenover Hem legt uw onsen of azen van lijden voor Hem, zo zult u zich tweeledig in engten bevinden: 1. Het zal u moeilijk vallen, de vergelijking te maken; omdat de onevenredigheid door geen verstand is te verbeelden; ja indien ‘s hemels telkunst en de engelen te werk werden gesteld, zij zouden nooit de trappen van het onderscheid kunnen optellen. 2. Het zou u te zwaar vallen, een schaal uit te vinden voor de waag, om die hoge en verhevene, die ver, ver overklimmende Vorst van voortreffelijkheid daarin te leggen. Indien uw verstand zoveel geschapene hemelen kon verbeelden, als de tijd minuten heeft gehad, en de wolken regendruppelen, sinds de eerste steen van de schepping gelegd was, zij zouden niet een halve schaal uitmaken, om de grenzeloze Vorstelijkheid te dragen, en daarin te wegen. En derhalve zo is de Koning, Wiens merktekenen u draagt, en wiens dood u met u in uw lichaam omvoert, buiten allen twist ver boven al onze gedachten. Wat mij aangaat, ik ben tevreden mij te voeden, met mij soms te verwonderen, op het beschouwen van maar de uiterste kanten van de onvergelijkelijke heerlijkheid, die is in die verhoogde Vorst; en ik denk, dat u mocht wensen, dat u Hem meer oren kon geven, dan u hebt, aangezien u hoopt, dat die oren die u Hem nu gegeven hebt, plaatsen zullen zijn, om in te nemen de muziek van Zijn heerlijke stem. Graag wilde ik geloven, en bidden om een nieuwe bruid van Joden en heidenen voor onze Heere Jezus, nadat het land van gesneden beelden zal woest gemaakt zijn; en dat onze Heere Jezus te paard is; jagende en vervolgende het beest; en dat Engeland en Ierland als welgeveegde kamers zullen wezen, voor Christus en Zijn gerechtigheid, om daarin te wonen; want Hij heeft onze graven in Schotland geopend, en de twee dode en begraven getuigen zijn weer opgestaan, en profeteren. O dat de vorsten het hun eer en roem wilden noemen, de sleep van Christus’ koninklijk kleed in hun armen te mogen dragen! Laat mij een half uur daarna sterven, nadat ik de tempel van de Zoon Gods heb verwijd gezien, en de koorden van Jeruzalems tent uitgebreid, om een talrijker menigte in te nemen voor een bruid voor de Zoon Gods. Och dat de hoeksteen of grondsteen van dat huis, dat nieuwe huis, gelegd werd boven mijn graf! O wie kan tot Hem toedoen, Die is dat grootste Al! Indien Hij zonnen en manen, en nieuwe hemelen wilde scheppen, duizendmaal duizend trappen volmaakter, dan die nu zijn, en wederom zo’n nieuwe schepping maakte, tienduizend maal duizend trappen in volmaaktheid te boven gaande, die geen nieuwe schepping, en Hij wederom steeds tot in eeuwigheid wilde vermenigvuldigen de nieuwe hemelen, zij zouden nooit uitmaken een volmaakte vergelijking en vertoning van die oneindige voortreffelijkheid, orde, gewicht, maat, schoonheid en zoetheid, die in Hem is. O hoe weinig zien wij van Hem! Och, dat ik pijn had voor Hem, en schande en verlies voor Hem, en meer leem en geesten voor Hem, en dat ik op de aarde kon gaan zonder liefde, begeerte, hoop; omdat Christus mijn liefde, begeerte, en hoop met Zich naar de hemel heeft genomen. Ik weet, waarde heer, dat uw lijden voor Hem uw heerlijkheid is; en daarom word niet moe, Zijn heil is nabij om te komen, en ‘t zal niet vertoeven. Bid voor mij; Zijn genade zij met u.

      De uwe in zijn zoete Heere Jezus, Samuel Rutherford

      St. Andries, 22 november 1639

       

    183. Aan Mr. Hendrik Stuart, en aan zijn vrouw, en aan zijn twee dochters, zijnde allen gevangenen in Christus te Dublin
    184. Vrees geen der dingen, die gij lijden zult. Ziet, de duivel zal enigen van ulieden in de gevangenis werpen, enz.

      Openb. 2:10

      Rechtgeëerden en zeer geliefden!

      Genade, barmhartigheid, en vrede zij u, van God onze Vader, en onze Heere Jezus Christus. Acht het niet vreemd, geliefden in onze Heere Jezus, dat de Satan kan gebieden de sleutelen, de grendelen en ketenen van ‘t gevangenhuis; dit is een deel van de duivel zijn heerschappij, die hij over de wereld heeft. Versta en verklaar onze Heere Jezus in deze wel; wees niet jaloers over Zijn liefde, al maakt Hij duivelen en mensen Zijn onderknechten, om de roest van uw geloof af te schuren, en u van uw droesem te zuiveren. En laat mij u belasten, o gevangenen van hoop, uw venster te openen, en door ‘t geloof uit te zien, en te beschouwen de post van de hemel, dat spoedige en snelle heir Gods, hetwelk tot u afkomende is; het is een brede rivier, die het geloof niet kan overzien; het is een machtige en brede zee, waarvan degenen, die een levende hoop hebben, de uiterste bank en de andere oever niet kunnen zien. Ziet over ‘t water; uw anker is binnen het voorhangsel gevestigd; ‘t een eind van de kabel is rondom de gevangenen van Christus, en het andere is ingegaan binnen het voorhang, alwaar de Voorloper voor u is ingegaan, Hebr. 6:19,20. Het kan recht doorgaan door de vlammen van het vuur van de mensen, duivelen, verlies, pijniging, en dood; en niet een draad daarvan is gezengd of verbrand; mensen en duivelen hebben geen tanden, om het in tweeën te bijten. Houdt vast, totdat Hij komt; uw kruis is van de verf van de hemel en van Christus, en het is geheel versierd met het geloof en met de vertroostingen van de Heere Zijn getrouw verbond met Schotland; en die verf en kleur zal het vuile weer wel doorstaan, en niet bevlekt worden, noch verf verschieten, ja het geeft een schaduw van zich, gelijk Christus’ kruis, Wiens heilige handen, menige dag tot God opgeheven in ‘t bidden voor zondaars, geboeid en gebonden waren, alsof die gezegende handen hadden gestolen, en onschuldig bloed vergoten. Nademaal uw beminnelijke, beminnelijke Jezus geen beter vonnis kreeg dan een dief, zo is het geen wonder, dat uw rechtszaak zonder enig recht is, en dat het ondersteboven geworpen wordt: want Hij was gevangen, geboeid, met vuisten geslagen, gegeseld, bespogen, eer Hij van enige fout overtuigd of gevonnist was. Och, zo’n paar lijdende getuigen, de hoge en koninklijke Jezus, en een arm stuk van schuldig leem, samen gevoegd onder een juk! O hoe beminnelijk is het kruis met zo’n Hulp! Ik geloof, dat in Gods vierschaar besloten is, dat uw gevangenis ulieden niet zal houden, totdat uw hoop zijn leven en laatste adem uitgeeft. Uw kruis is onder die wet, dat het u weer behouden zal stellen bij uw broeders en zusters in Christus; neemt de hemel en Christus’ verplichting voor een schone achterdeur, om uit uw lijden te komen. De Zaligmaker is op Zijn weg, met heil en verlossing voor de berg Zions en des Heeren zwaard is dronken van bloed, en vet gemaakt met smeer, Zijn zwaard is in de hemel gewet tegen Babylon; want het is de dag van ‘s Heeren toorn, en het jaar van de vergeldingen wegens Zions twistzaak. En verzeker u, de stromen van Babylons rivieren zullen tot pek worden, en het stof van het land tot zwavel en brandend pek, Jes. 34:9. Indien uw verlossing verenigd werd met de verlossing van Zion, zo zullen het u twee zaligheden zijn. Het zou goed zijn, voorshands tegen de dood, of lichamelijke pijnigingen voor Christus, gewapend te zijn, en te denken, wat een kroon van eer het is, dat God u stukken van levend leem gegeven heeft, om gepijnigde getuigen te zijn voor een zaligmakende waarheid, en dat u zo gelukkig bent, dat u enige pinten bloed hebt, om het te laten storten voor de kroon van die koninklijke Heere, Die ulieden belijdenis heeft doen afleggen van Hem voor de mensen; indien u boeten van drieduizend pond sterling kunt uitlenen voor Christus, zo laat ‘s hemels register, en Christus’ rekenboek, uw voorschot voor Hem op rekening houden. Wat u willig bent voor Hem te geven, dat zal gegraveerd en gedrukt worden met grote letters, op de troon van de hemel; Christus’ papieren dienaangaande zullen niet verloren worden, noch terzijde vallen. Verwondert u niet, dat u ziet, dat leem tegen de grote Formeerder opstuift, en dat verblinde mensen het evangelie bedreigen met de dood, en begrafenis, en dat ze zelfs de naam van de waarheid willen uitroeien. Maar waar zullen zij een graf maken voor het evangelie en voor ‘s Heeren bruid! De aarde en de hel zullen maar kleine grenzen zijn voor haar begrafenis; leg al het leem en puin van deze duimbreedte van de gehele aarde boven op onze Heere Zijn bruid, zo zal het haar toch niet dekken, noch nederhouden; zij zal leven, en niet sterven; zij zal de zaligheid Gods zien. Laat uw geloof God een weinig borgen, en vrees niet voor een rokende vuurbrand; er is meer rook in Babylons oven dan er vuur is; totdat de dag van het oordeel zal komen, zullen zij nooit de Kerk van Schotland en ons verbond tot as verbrand zien; of indien ze in ‘t vuur geworpen werd, zo kan ze toch zo niet verbrand of begraven worden, dat ze niet een opstanding zou hebben; de wind van het toornige leem zal geen van Christus’ korenaren doen afvallen. Hij zal al Zijn tarwe in Zijn schuur vergaderen; laat alleen uw gemeenschap met Christus vernieuwd worden; u bent Christus nu nader bestaande, wanneer u voor Hem gevangen zijt, dan voordezen: want de slagen u toegebracht komen nu op in gedachtenis voor onze Heere, en Hij kan uw wonden als de Zijne eigenen: een dronk van Christus’ liefde, die beter is dan wijn, is het drinkgeld, dat het lijden voor Zijn Majesteit achter zich laat. Het zijn niet uw zonden, die zij in u vervolgen. Maar ‘t is Gods genade, en de getrouwheid aan Koning Jezus; zij zien geen verraad in u tegen uw vorst, de koning van Brittanië, al zeggen zij zoo; maar ‘t is de hemel in u, waar de aarde tegen vecht; en Christus erkent Zijn Eigen zaak. Genade is zulk een partij, die door ‘t vuur niet zal verbrand, noch door ‘t water verdronken worden; als zij u gegeten en gedronken hebben, dan zal hun maag ziek zijn, en zij zullen u levend uitspuwen: O wat een eer is het, lijdende wegwerpsels te zijn voor ‘s Heeren eer en koninklijkheid! Ja al hadden Zijn dienstknechten een lichaam, om voor eeuwig te branden voor dit Evangelie, mits dat de hoge heerlijkheid van de triumferende en verhoogde Jezus ontstond uit de vlammen, en uit dat brandend lichaam, och wat een zoet vuur zou dat zijn! O wat een zielverkwikkende pijniging zou dat zijn! O wat zwarigheid indien de stofjes en asjes van het verbrande en ontbonden lichaam, muzikanten waren om Zijn lof te zingen, en de hoogheid van die nooit genoeg verhoogde Prins der eeuwen te roemen? O wat een liefde is het in Hem, dat Hij zulke muzikanten, als wij zijn, wil hebben, om die Psalm van zijn eeuwigdurende lof te stemmen en uit te galmen. Och wat zijn dat schijnende en brandende vlammen van liefde, dat Christus Zijn deel aan leven, hemel en heerlijkheid met u wil delen? Openb. 3:21, Luk. 22:29, Joh. 17:24. Een deel van Zijn troon, en dronk van Zijn wijn (Zijn wijn van heerlijkheid en van ‘t leven) die van onder de troon Gods en van het Lam komt, en een appel van de boom des levens, zal meer dan goed maken al de onkosten en lemen belastingen, die voor de hemel zijn uitgeleend. Och, och, wij hebben korte, en nauwe, en laagkruipende gedachten van Jezus, en wij vormen Christus in onze beseffingen naar een geschapen voorbeeld. O engelen, leent uw hulp, om liefdeboeken en gezangen te maken van onze schone, witte en rode Banierdrager boven tienduizenden! O hemelen! O hemelen der hemelen! O verheerlijkte bezitters en triumferende huishouders met het Lam, stelt nieuwe psalmen en liefdeliederen in, van de voortreffelijkheid van onze Bruidegom, en helpt ons Hem hoog op te zitten! O inwoners van aarde en hemel, van zee en lucht! O alle geschapen wezens binnen de schoot van de uiterste cirkel van deze grote wereld! O komt, en helpt de lof van onze Heere te verhogen! O schoonheid van de schepselen, wordt schaamrood voor Zijn ongeschapen schoonheid! O geschapen sterkte, wees verbaasd, in voor uw sterke Heere der heirscharen te staan! O geschapen liefde, schaam uzelf voor deze onvergelijkelijke liefde van de hemel! O engelenwijsheid, verberg u voor het aangezicht van onze Heere, Wiens verstand ondoorzoekelijk is! O zon in uw schijnende schoonheid, doe van schaamte een web van duisternis aan, en dek uzelf voor het aangezicht van uw klaarst blinkende Heere en Maker! O wie kan door doen of lijden heerlijkheid toedoen tot deze nooit genoeg met verwondering beschouwde en geprezen Liefhebber! Och wij kunnen maar onze druppel tot deze zee brengen, en onze kaars, zo donker en duister als zij is, tot deze klare en lichtgevende Zon van hemel en aarde! O maar wij hebben reden, om tien doden uit een beker droog te drinken, en door tien zeeën heen te zwemmen, om te komen in dat land van lofzeggingen, alwaar wij dat wonder van de wonderen zullen zien, en dat juweel van ‘s hemels juwelen genieten! O dood, doe uw uiterste tegen ons! O pijnigingen! O boosheid van mensen en duivelen, verteert uw kracht op de getuigen van onze Heere Zijn Testament! O duivelen, brengt de hel, om u te helpen, in de navolgers van het Lam te pijnigen! Wij willen u uittarten, om ons te vroeger gelukzalig te maken, en om ons te spoediger over ‘t water te halen, tot het land, waar de edele Plant, de Plant van Naam, groeit. O wrede tijd, die ons kwelt, en onze liefste genietingen, die wij wachten, ophoudt; als wij met ziel en lichaam zullen neergedompeld worden in de diepte van deze liefde van de liefden! O tijd, zeg ik, loop ras voort! O bewegingen, maakt uw gang sneller. O Liefste, wees gelijk een jong ree op de bergen van de afscheiding! Kom snel, snel, en verhaast onze ontmoeting. waar wij zo naar verlangen en hongeren; de liefde is krank van te horen zeggen: "morgen". En wat kan u dan kwalijk toekomen, o eerwaarde getuigen van Zijn koninklijke waarheid? De mensen vinden niet meer stof in ulieden om op te werken, dan enige weinige duimbreedten, of spanslengten van ziek, kuchend en koud leem; uw geesten zijn boven hun rechtbanken, vierscharen of hoge commissiehoven; uw zielen, uw liefde tot Christus, en uw geloof, kunnen niet gedagvaard noch beschuldigd, noch gevonnist, noch veroordeeld worden door Paus, koning, afgevaardigde, bisschop, heerser of tiran; uw geloof is een vrij heer, en het kan geen gevangene zijn; al de boosheid van hel en aarde kan maar de schede van een gelovige beschadigen; en de dood kan ten hoogste maar een lemen pand in bewaring krijgen, totdat uw Heere de Koningssleutelen maakt, en uw graven opent: zijnde dan boven allen ongeval, zo neem uw bekomst van Zijn liefde, en laat er een postweg, of gebaande rijweg zijn gemaakt tussen uw gevangenis en de hemel, en ga op, en bezoek uw schat. Geniet uw Liefste, en denkt steeds aan Zijn liefde, totdat de eeuwigheid in de plaats van de tijd komt, en zet u in de bezetting van eeuwige gelukzaligheid. Behoudt uw liefde tot Christus; legt uw geloof op, in ‘s hemels bewaring; en volg de Voornaamste van ‘t huis van de martelaren, die een schone belijdenis betuigd heeft voor Pontius Pilatus; uw zaak en de Zijne is dezelfde. De onderdrukkers van Zijn zaak zijn gelijk dronken rechters, die hun verstand niet meester zijn, die onder hun drinkglazen wilden akten en wetten maken in hun dronken vierscharen, dat de zon niet zou opgaan, en schijnen op de aarde, en wilden zenden hun officieren en gerechtsboden, om de zon en maan te gelasten. geen licht meer te geven aan de wereld, en in hun hofboeken een besluit wilden maken, dat de zee na eens te ebben nooit weer zou vloeien. Maar zouden niet de zon en maan en de zee deze besluiten breken, en het bestuur volgen van hun Schepper? De duivel, de grootste dwaas, en vader van deze kleinere dwazen, is meer boosaardig en oud, dan wijs als hij de geesten op aarde te werk stelt, om met ‘s hemel wijsheid te twisten, en daartegen aan te lopen, met bevelen te geven, en rechterlijk te dagvaarden onze Zon, onze grote Ster van de hemel, Jezus, om in de schoonheid van Zijn evangelie niet meer te schijnen aan de uitverkorenen en gekochten: O gij schone, en allerschoonste Zon der gerechtigheid, sta op, en schijn in uw kracht, of de aarde en hel willen of niet. O Zegevierende! O koninklijke! O kloekmoedige vorstelijke Zielsoverwinnaar, rijd voorspoedig op de waarheid, strek uw scepter zo ver uit, als de zon schijnt, en de maan toe en afneemt. Maker van de koningen, zet Uw glinsterende kroon op; en maak maar een schrede of een stap van de gehele aarde, en trek voort in Uw grote kracht, Jes. 63:1, 2, en laat Uw gewaad rood en geheel geverfd worden in het bloed van Uw vijanden. Gij zijt rechtvaardig erfgenaam geworden van de koninkrijken van de wereld! Belacht u de dolkoppige lemen potten, en stoute krankzinnige wormen, die in goede ernst durven zeggen: Deze zal over ons niet heersen; alsof zij de teerling wierpen over Christus’ kroon, wie van haar die hebben zou. Ik weet dat u gelooft in de komst van Christus’ koninkrijk, en dat er een gat in uw gevangenis is, waardoor u het daglicht ziet; laat dan ‘t geloof niet verzet worden door een beproeving van een stervende afgevaardigde van de koning, en van een kranke bisschop; gelooft zelfs onder een wolk, en wacht op Hem, als er geen maanlicht noch sterlicht is; laat ‘t geloof leven, en adem scheppen, en aangrijpen de gewisse zaligheid Gods, wanneer wolken en duisternis rondom u zijn, en een waarschijnlijkheid, van in de gevangenis voor uw ogen te verrotten; wacht ulieden, voor ongelovige harten. die aan Christus leugens kunnen toeschrijven; wacht u voor dat woord: Houdt Zijn toezegging in eeuwigheid op? Ps. 77:9, want het was een mens, en niet God, die dat zeide; een mens, die droomde, dat een belofte Gods kon feilen, in zwijm geraken, of sterven. Wij kunnen God als ziek, en Zijn beloften als zwak maken, wanneer het ons lust, een rechtsgeding met Christus te zoeken. Maar o zoet! O stoutmoedig woord van het geloof, Job 13:15: Al zou Hij mij doden, zo zal ik toch op Hem hopen: O zoet grafschrift, op de grafsteen van een stervende gelovige geschreven! Te weten: Ik stierf hopende, en mijn stof en as geloven te zullen leven. De ogen van het geloof, die door een molensteen heen kunnen zien, kunnen ook door een zuur gezicht van God zien, en lezen daaronder Gods gedachten van liefde en vrede. Houdt Christus vast in het duister; gewis u zult het heil Gods zien; uw tegenpartijders zijn rijp en droog voor ‘t vuur; nog een weinig tijd, en zij zullen opgaan in een vlam; de adem des Heeren zal hen aansteken als een zwavelstroom, Jes. 30:33. Hetgeen ik tot één schrijf, dat schrijf ik aan u allen, die oprecht van hart bent in dat koninkrijk, die ik in de innerlijke bewegingen van Christus wilde opwekken, die eed niet aan te raken; al stellen de tegenpartijders daar een fraaie zin op, zo moet toch de zweerder zweren naar het beleden oogmerk, en naar de goddeloze praktijk van de eedbrekers, hetgeen aan de wereld bekend is; anderszins mocht ik zweren, dat de artikelen van het geloof vals zijn, naar die zin en mening, welke enige daarop stellen. Och laat hen niet bedrogen worden, alsof zij meinedigheid, en verloochening van Christus en Zijn evangelie, konden afwassen met inktwater van enige voile en verrotte onderscheidingen; wast vrij de duivel en de leugen, ja wast hen over en over, het zal lang aanlopen, eer hun huid wit zal zijn. Ik belijd, het zou eerder mannen van grote gaven betamen aan ulieden te schrijven, dan mij. Maar ik heb uw zaak lief, en verzoek in deze verschoning; en moet bidden om de hulp van uw gebeden, voor dit mijn zwaarwichtig beroep in de academie en op de preekstoel, en dat u uw bekenden ook wilde verzoeken, dat ze mij helpen. Genade zij met u allen. Amen.

      Uw broeder en metgezel in de lijdzaamheid en in het koninkrijk van Jezus Christus, Samuel Rutherford

      St. Andries, 1640

       

    185. Aan juffrouw Pont, gevangene te Dublin
    186. Waarde en lieve juffrouw!

      Genade, barmhartigheid en vrede zij u; de zaak, waar u voor lijdt, en uw gewilligheid om te lijden, is voor mij grond genoeg van gemeenzaamheid om aan u te schrijven; hoewel ik beken, dat ik onbekwaam ben, om tot moedgeving van een gevangene van Christus te spreken. Ik weet, u hebt een voordeel boven ons, die niet onder ‘t lijden zijn; want zelfs uw zuchten, Ps. 102:21, is een geschreven verzoekschrift voor de oven van uw Hoofd, de Heere Jezus, en zo is uw ademen, Klaagl. 3:56, en uw opzien, Ps. 5:4, Ps. 69:4. En daarom zal uw zin half uitgesproken, half niet uitgesproken geen verlof zoeken van de cipier, maar zal zonder verlof van bisschop of ‘s konings afgevaardigde naar de hemel gaan, en hartelijk welkom zijn; zodat u uw hart mag uitzuchten en uitsteunen tot Hem, Die al de sleutelen heeft van de drie koninkrijken en bezittingen van de Koning. Ik durf geloven, dat uw hoop niet zal sterven, uw verdrukking is een deel van ‘t branden van Zion, en u weet, wie het bestuur heeft omtrent Zions oven, en wie lust heeft tot de as van de gebrande bruid, omdat zijn dienstknechten daar een welgevallen aan hebben, Ps. 102:15. Ik geloof, dat uw as, indien u voor Zijn zaak verbrand wordt Hem zal prijzen; want de grimmigheid van de mensen, en hun boosheid zal een lofpsalm voor de Heere maken, Ps. 76:11. En daarom sta stil, en beschouw, en zie, wat de Heere voor dit eiland staat te doen; Zijn werk is volkomen, Deut. 32:4. De volkeren hebben het laatste einde van Zijn werken nog niet gezien; Zijn einde is schooier en heerlijker, dan het begin. U hebt meer eer, dan u wel machtig bent te besturen; dewijl uw banden zwaar gemaakt zijn voor zo’n eerwaardige zaak. De zegelen van een tegengesproken evangelie, en de zegelen door banden, bloed en lijden, worden aan ieder gemeen belijder niet toevertrouwd. Sommigen die Christus wel eerlijk zouden volgen in de zomertijd, zouden de schoonheid van het Evangelie merkelijk verderven, indien zij aan het lijden gezet werden. De voorzienigheid maakt gebruik van mensen en duivelen, om al de vaten van Gods huis, kleine en grote te reinigen, en om twee werken tegelijk in u te doen, en om een steen effen te maken, om die te doen vastkleven aan Christus in Jeruzalems muur, en om getuigenis te geven voor de eer van dit gesmade en neergedrukte evangelie, dat niet sterven kan, al werd de hel daaromtrent tot een graf gemaakt. Het zal voor u een tijdige vreugde zijn, de vreugde te delen tussen u en Christus lachende bruid in deze drie koninkrijken; en neem, dat uw treuren duurde, totdat de geheime of verborgen Christus in Ierland en Brittanië en u samen vrolijk waren? Uw lachen en vreugde zou temeer gelukzalig zijn, indien een zon scheen op Christus en ‘t evangelie, en op u, lachende samen in deze drie koninkrijken. Uw tijd is gemeten, en uw daden en uren van lijden waren van eeuwigheid opgemerkt door een oneindige wijsheid. Indien de hemel uw duimbreedte van droefheid niet vergeldt naar uw zin, dan moet ik zeggen, dat oneindige barmhartigheid u niet kan vergenoegen; maar indien de eerste kus van de witte en rode wang van de Uitnemendste, Die de banier draagt boven tienduizenden, Hoogl. 5:10, u uw gevangen-zijn te Dublin in Ierland ruim overbetalen zal, zo zult u geen rekeningen onbeantwoord hebben, die u Christus zoudt kunnen opgeven; indien uw geloof geen nadere betaaldag kan zien, zo laat mij toch uw hoop gelasten, dat ze Christus een nieuwe dag geeft, totdat de eeuwigheid en de tijd in één punt samenkomen; een betaalde som, indien zij ooit betaald wordt, is betaald, indien men aan de hongerige schuldeiser geen dag breekt. Neem ‘s hemels schuldbekentenis, en onderschreven verbintenis voor de som, Joh. 14:3. Indien uw hoop op Christus kan vertrouwen ik weet, Hij kan en zal betalen; maar wanneer alles door u is gedaan en geleden, ja duizend doden voor de beminnelijke, beminnelijke Jezus, dat is maar een halve stuiver van de eeuwigheid; cijfers en nulletjes kunnen geen verhouding tegen elkaar maken. O het overschot, het over-meer van Christus’ heerlijkheid is breed en wijd! Christus’ gelijkheden van eeuwige heerlijkheid, zijn zwaar en moeilijk te tellen, en indien u door geloof en hoop tien dagen borgt, ja duizend jaren van die eeuwigheid van de heerlijkheid, die u wacht, zo bent u betaald, en hebt meer in handen. Daarom o gevangene van hoop, wacht uit; het heil komt te post, schielijk aan, het slaapt niet. De antichrist is bloedende, en op weg naar de dood, en hij bijt ‘t allerhardst, als hij ‘t sterkst bloedt. Houd gemeenschap tussen u en de hemel, handel op uw hof bij Christus. Hij heeft de sleutelen van uw gevangenis in de hemel, en Hij kan u in vrijheid zetten, als het Hem gelieft. Zijne rijke genade ondersteune u. Ik bid u, help mij met uw gebeden. Genade zij met u.

      Uw broeder in de lijdzaamheid en in het koninkrijk van Jezus Christus, Samuel Rutherford

      St. Andries, 1640

       

    187. Aan Mr. Jacobus Wilson
    188. Lieve broeder!

      Genade, barmhartigheid en vrede zij over u vermenigvuldigd. Ik loof uw rijke en alleen wijze Heere, Die zo zorgt voor Zijn nieuw schepsel, dat Hij het weer overziet, en elk deel in u toetst, en de motten van Zijn nieuw werk in u, wegblaast. Helaas, ik ben zo’n bekwame medicijnmeester niet, als uw ziekte vereist; de zoete, zoete beminnelijke Jezus zij uw Geneesmeester, waar Zijn onder-heelmeesters niets kunnen doen, om de raderen en gangen van een beschadigde ziel in orde te stellen: Ik heb maar weinig tijd; doch de Heere heeft mij uw staat zo doen aantrekken dat ik niet kan, en niet geheel durf zwijgen.

      Vooreerst: u twijfelt uit 2 Kor. 13:15, of u in Christus bent of niet, en dus, of u een verworpeling bent of niet? Drie dingen antwoord ik op de twijfeling. 1. U bent aan alle mensen liefde schuldig, maar ‘t meest van allen, aan de beminnelijke en beminnende Jezus, en ook moet u enige liefde hebben tot uzelf, inzonderheid tot uw vernieuwd wezen, omdat uw vernieuwd wezen niet u, maar een andere Heere toekomt; want ‘t is het werk van Zijn Eigen Geest, Zijn werk dan vals te beschuldigen, is Hem te verongelijken. De liefde denkt geen kwaad: indien u de genade liefhebt, zo denk geen kwaad van de genade in uzelf. En u denkt kwaad van de genade in uzelf, als u ze uitmaakt voor bastaard, en voor een werk van de natuur; want een heilige vrees, dat u niet van Christus mocht zijn, en daarbij een zorg en begeerte, om Hem en niet uzelf te zijn. is geen bastaardnatuur, ja het kan ‘t niet zijn. De grootste Voorspraak pleit sterk voor u. Houd u aan des Voorspraak Zijn zijde, o gij arme leenman van Christus! Sta stil, en houd u bij uw Liefhebber, Die niet pleit voor een andermans goederen, maar voor de Zijne, want Hij heeft een walg, opdat ik zo spreek, van verrijkt te worden door onrechtvaardige winst, maar Hij pleit voor u; waarvan uw brief, hoewel al te vol van jaloezie, een bewijs is: want indien u de Zijne niet was, uw gedachten, die ik hoop dat maar de ingeving van Zijn Geest zijn, zouden zulke of zo ernstige niet zijn, als deze: ben ik de Zijne? Of, van wie ben ik? 2. Durft u uw Eigenaar afzweren, en zeggen in koelen bloede: ik ben de Zijne niet? Wat de natuur of verdorvenheid bij vlagen in u zegt dat acht ik niet, uw gedachten van uzelf, wanneer de zonde of schuldigheid u iets in ‘t oor blaast en als u een gezicht van uw verdiensten hebt, zijn apocrief, en geen schriftuur, zo ik hoop. Hoor wat de Heere van u zegt: Hij zal vrede spreken indien uw Meester zegt: Ik laat u varen, dan zei ik u gebieden, as voor brood te eten, en galwater en alsem te drinken. Maar al scheen Christus u met Zijn Eigen mond te zeggen: Ik ben voor u niet gekomen, gelijk Hij sprak Matth. 15:24, zo laat mij toch zeggen, de woorden van de verzoekenden Christus moeten niet uitgestrekt worden als schriftuur, boven Zijn oogmerk; omdat Zijn oogmerk, in zo te spreken, is te versterken, niet te bedriegen; en daarom mag het geloof hier tegenspreken, ‘t geen Christus in ‘t eerst schijnt te zeggen, en zo mag u. Ik belast u door de barmhartigheden Gods, dat u niet wreed bent tegen de genade, en tegen de nieuwe geboorte, zodat u door ongeloof water zoudt gieten op uw kool. Indien u moet sterven, gelijk ik weet, dat u niet zult, zo zou het dwaasheid zijn, uzelf te doden. 3. Ik hoop, dat u de wedergeboorte, en deel aan Jezus liefhebt, al kunt u het niet goed maken, en bewijzen, en indien u in de hel was, en u zag het hemels aangezicht van de beminnelijke, de tienduizend maal over beminnelijken Jezus, dat heeft Gods verf en Gods schoon, schoon en beminnelijk rood en wit, waarmee het boven alle vergelijking en inbeelding schoon gemaakt is, u zoudt niet kunnen nalaten, te zeggen: Och, kon ik maar een kus van mijn zondigen mond opblazen, van de hel hemelwaarts, tot op Zijn wangen, die zijn als beddekens van specerijen, en als welriekende bloemen, Hoogl. 5:13. Ik hoop, u durft zeggen: O schoonste gezicht van de hemel! O grenzeloze massa van gekruiste en geslachte liefde voor mij, geef mij verlof, om te wensen, u lief te hebben! O bloem en ‘t pit van de liefde van hemel en aarde! O engelenwonder! O gij eeuwig verzegelde liefde van de Vader! O gij oude verlusting Gods! Geef mij verlof, om nevens uw liefde te staan, en te aanschouwen, en te verwonderen, en geef mij verlof, dat ik wens uw liefde te hebben, indien ik niet meer kan doen.

      Ten andere: U twijfelt aan Gods liefde tot u; maar aangezien wij in godloochening geboren zijn, en wij kinderen zijn van het huis, daar wij van afkomen, zo is het niet nieuw, mijn lieve broeder, dat wij onder jaloezieën en misvattingen zijn omtrent de liefde Gods. Wat dunkt u daarvan, dat de mens Christus verzocht werd, om te geloven, dat er maar twee personen in de gezegende Godheid waren, en dat de Zoon Gods, de zelfstandige en mede eeuwige Zoon, niet was de wettige Zoon Gods? Zeide de Satan niet: indien Gij Gods Zoon zijt?

      Ten derde: U zegt, dat u niet weet, wat te doen? Uw Hoofd zeide ook eens datzelfde woord, of niet veel minder dan dat; Joh. 12:27, Nu is mijn ziel ontroerd, en wat zal ik zeggen? En het geloof beantwoordde dat woord van Christus: Wat zal ik zeggen? met deze woorden: O gepijnigde Zaligmaker, vraagt U: wat zal Ik zeggen? Zeg, en bid: Vader verlos mij uit deze ure. Welke weg wilt u inslaan, dan bidden en borgen Christus Zijn eigen vertroostingen? Hij is geen bankroetier; neem Zijn woord.

      Ten vierde: U zegt, och ik kan niet bidden? Ik antwoord: oprecht zuchten is een geloof. dat ademt, en Hem in ‘t oor luistert: ‘t geloof is niet zonder leven, waar zuchten is, en opzien met de ogen, en ademen naar God toe, Klaagl. 3:56, en verberg uw oor niet voor mijn ademen, of zuchten.

      Ten vijfde: U zegt, maar wat zal ik doen in geestelijke aanvechtingen? Ik antwoord: 1. Indien u gewoonlijk wist, wat te doen, het zou niet een geestelijke strijd en beproeving zijn. 2. Naar mijn zwak oordeel dient u eerst te zeggen: Ik wil God verheerlijken in te geloven Davids zaligheid, en de bruid haar huwelijk met het Lam, en liefhebben de geslachte Man van de Kerk, hoewel ik voor tegenwoordig mijn eigen zaligheid niet kan geloven. 3. Zeg: Ik wil niet afstaan van mijn aangrijping van Hem, neem, dat Christus wilde afstaan van Zijn aangrijpen van mij, aan mijn kant zal het niet achterwaarts gaan; hoewel mijn liefde tot Hem geen dronk water waardig is, zo zal Christus toch die hebben, zoals zij is. 4. Zeg: Ik zal liever twintig gebeden verderven, dan geheel niet bidden; laat mijn gebroken woorden naar de hemel opgaan; als zij opkomen in het gouden wierookvat van de grote engel, dan zal die medelijdende Voorspraak al mijn gebroken gebeden samen vergaderen, en ze verheerlijken. Woorden zijn maar toevallen van ‘t gebed.

      Ten zesde: U zegt, ik ben dood door hardheid van het hart, en ik ben beroerd met verwarde en zwaarmoedige gedachten. Antw. 1. Wat wilt u, mijn lieve broeder, daaruit besluiten? Dat u niet, weet, wie u toekomt? Ik sta toe te zeggen: Och mijn hart is hard! Och mijn droeve en nare gedachten, zonder geloof! Derhalve, ik weet niet wie ik toebehoor, dat zou goede redenering zijn, in de hemel, onder de engelen en verheerlijkte zielen; maar hier omlaag in Christus’ gasthuis; waar zieke en kwalijk gestelde zielen onder de genezende hand zijn, is het geen boon waard. Geef’ Christus maar tijd, om Zijn werk in uw hart te voleindigen, houd aan, in uw hardheid te gevoelen en te beklagen, want hardheid te gevoelen is weekheid. 2. Ik belast u, psalmen te maken van Christus’ lof; wegens Zijn begonnen werk van de genade; maak Christus’ nu muziek en gezang; want klagen, en gevoel hebben van gebrek, verslind menigmaal uw lofzeggingen. Wat dunkt u van degenen, die naar de hel gaan, nooit met zulke gedachten onsteld zijnde? Indien uw strijd en oefening de weg naar de hel is, zo helpe God mij ellendige; ik heb een koude kool aan te blazen, en een wit papier naar de hemel op te brengen. Ik geef u Christus, borgtocht, en ook mijn hemel tot borg voor uw zaligheid. Leen Christus uw zwaarmoedigheid: want de satan heeft geen recht, om een kamer in uw zwaarmoedig hoofd te maken, ontleen blijdschap en troost van de Trooster; verzoek de Geest, dat Hij Zijn ambt in u doet: en gedenk, dat het geloof een zaak is, en ‘t gevoel en kennis van het geloof een andere zaak is. Dat zij verre, dat het gevoel zou zijn eigen aan alle heiligen, alleen en altijd, en dat dit goede redenering zou zijn, geen gevoel derhalve geen genade. Ik ben verzekerd, u wist niet altijd duidelijk al deze verleden twintig jaren, dat u leefde; evenwel leefde u al die tijd; zo is het ook met het leven des geloofs. Maar helaas, lieve broeder, het is mij licht woorden en lettergrepen van vrede te spreken; maar de Heere zegt u, Jes. 57:19, Ik schep de vrede; u weet, er is maar één Schepper. Och, dat u zich een brief van vrede mocht toegezonden krijgen van de hemel! Bid voor mij, om genade om getrouw te zijn, en om gaven, tot bekwaammaking, om met tong en pen God te verheerlijken. Ik vergeet u niet.

      De uwe in zijn zoete Heere Jezus, Samuel Rutherford

      St. Andries, 8 januari 1640

       

    189. Aan mevrouw Boyd
    190. Mevrouw!

      Ik heb uw HoogEds. brief ontvangen; maar ik heb geen tijd gehad, om er op te antwoorden, omdat ik wegens de zaken van de Kerk gedurig gaande was door het land. Nooit had ik meer reden, om te vrezen, dan ik nu heb, wanneer mijn Heere mij hersteld heeft in mijn tweede geschapen hemel op aarde, en mijn opgenomen vrees veranderd heeft in blijdschap en verlossing van zijn kerk, waarvan ik mijn part en deel heb. Helaas, dat wenende gebeden beantwoord, en van de hemel teruggezonden met blijdschap, niet zeer vrolijke lofzeggingen zouden hebben! Dat dit land zich wilde bekeren, en lasten leggen van prijs en lof op de top van de schone berg Zions! Mevrouw, tenzij dat land verootmoedigd wordt, zo is een hervorming op deze tijd eerder mijn verwondering, dan geloof; maar gewis, zij moet een wonder zijn, en ‘t geen reeds geschied is, is een wonder; onze Heere moet aan Zijn gemeente de schoonheid herstellen, zonder geld: want wij waren zonder geld verkocht; en nu hebben onze kopers berouw van de koop, en wilden ons graag beter koop wedergaven, dan zij ons gekocht hebben; zij hebben Jakob ingeslokt, en Zijn volk als brood opgegeten; nu is Jakob een levend kind geworden in hun buik; en graag zouden zij van ‘t kind verlost zijn, en geven de geboorte over; onze Heere zal vroedvrouw zijn. O dat dit land niet mocht zijn als Efraïm, een onwijze zoon, die te lang in de kindergeboorte blijft staan! Uw HoogEd. is met kinderen gezegend; die geëerd worden, met Christus’ woeste plaatsen wederom te bouwen. Ik geloof, dat u die welbesteed zult rekenen aan dat werk, en dat Zions schoonheid uw vreugde is; dit is een merkteken en blijk van het recht op de hemel, hetwelk de zwakken hun greep helpt vasthouden, wanneer hun andere merktekenen begeven. Ik hoop, dat uw HoogEd. goed verstand van Christus heeft; en dat u Hem, gelijk ‘t een Christen betaamt, recht vat, want velen misvatten en mismaken Christus, in Zijn komen en gaan. Uw gebrekkigheden en struikelingen roepen uit, dat u niets van uzelf hebt, dan ‘t geen u borgt. Ja u bent van uzelf niet, maar Christus heeft Zichzelf aan u gegeven. Stel Christus in de bank, en de hemel zal uw interest en rente zijn, heb Hem lief, want u kunt Hem niet al te zeer liefhebben. Neem uw woning in Christus; laat Hem in u wonen; en blijft u in Hem; en dan mag u uit Christus uitzien, en de lemen hemelen belachen, waar de kinderen van de mensen aan deze zijde van ‘t water naar zoeken. Christus heeft voor, uw verlies te maken tot groot voordeel van de genade; Christus zal niets van u verliezen, ja zelfs niet uw zonden: want Hij gebruikt ze, zowel als uw diensten; hoewel u zich wegens die verfoeien moet. Ik hoop, dat u de gehele hemel, die u hier in dit leven hebt, afhaalt van ‘t geen daarboven is; en dat uw anker zo hoog en diep geworpen is, als Christus Zelf. O ‘t is ver, en vele mijlen, eer men tot Zijn grond komt! Indien ik lang voordezen geweten had, gelijk ik nu weet, hoewel ik nog steeds, helaas, een onkundige ben, wat er in Christus was, ik zou mij zo laat niet begeven hebben naar de poort, om Hem te zoeken. O wat kan ik Hem doen, of zeggen, die gemaakt heeft, wat het noorden mij wedergegeven heeft! Een graf is een zekere gevangenis voor Hem, om dorre beenderen te bewaren. Het smart mij, dat mijn dwaze droefheid en ongeloof, te paard gestegen zijnde, zo trots en onverstandig heen reed over mijns Heeren voorzienigheid; maar wanneer mijn geloof in slaap was, toen waakte Christus; en nu wanneer ik wakker beu, zeg ik: Hij deed alles wel. O oneindige wijsheid’ O onvergelijkelijke goedertierenheid! Helaas, dat het hart, dat ik heb, zo klein en onwaardig voor zo’n Heere is, als Christus is! O wat ongelijkheden vinden de heiligen in harde beproevingen, als zij ‘t sap steeds aan hun wortels vinden, tussen hen, en de van de zon gebrande, verwelkte belijders; die door de kruisen en stormen gebracht worden tot verwerping van hun bloesems en bladeren! Arme wereldlingen, wat zult u doen, als de spanlengte van uw voormiddag-lachen teneinde is, en als de wenende zijde van de voorzienigheid u toegekeerd is? Al de gunstbewijzen. die u aan mijn broeder bewezen hebt, stel ik op Christus’ kerfstok, in Wiens boek vele zodanige rekeningen zijn, die ze ook zal vergelden. Ik wens, dat u nog meer en meer gebouwd mag worden op de steen, die in Zion gelegd is, en dan zult u temeer bekwaam zijn, om een hand te hebben in het herbouwen van onze Heere Zijn gevallen Tabernakel in dit land, waarin u grote vrede zult bevinden, als u met de dood, de koning van de verschrikkingen, komt te worstelen. De God des vredes zij met uw HoogEd. en beware u onberispelijk tot de dag van onze Heere Jezus.

      Uw HoogEds. zeer gehoorzame in zijn zoete Heere en Meester, Samuel Rutherford

      St. Andries

       

    191. Aan zijn zeer lieve vriend Johannes Fennick
    192. Zeer geëerde en lieve vriend!

      Genade, barmhartigheid en vrede zij u. De noodwendige verhinderingen van mijn beroep, hebben mij tot nog toe opgehouden, van een terugschrijven op uw brief; waarvan ik nu de hoofdzaken kort zal beantwoorden. Als vooreerst: ik keur voorgoed, dat u naar de fontein gaat, wanneer uw eigen bak leeg en droog is; er moet een onderscheid zijn tussen Christus’ fontein en uw geleend water; want toch u hebt ook al zowel ledigheid en opdrogen nodig, als u de fontein nodig hebt; daar moet gebrek en een lek in ons vat zijn om plaats te laten voor Christus’ kunst; zijn fontein heeft ook zelfs dorstige drinkers nodig, om de oneindige liefde aan te prijzen, die van eeuwigheid zo’n kelder van levende wateren voor ons brouwde. Gij beveelt Zijn vrije liefde aan, en ‘t is welgedaan. Och, of ik u kon helpen, en ik als vergadermeester samen kon brengen een aarde en een hemel vol van tongen, gedoopt en geweekt in mijns Heeren fontein van liefde, of in Zijn wijn van liefde, ja tongen, die dronken zijn van liefde, om een lofgezang voor Hem op te heffen, tussen het oost- en westeinde, en de ver gelegenste punten van de brede hemel! Indien ik in uw staat was, gelijk helaas mijn droog en dood hart nu niet in die hof is, ik wilde verlof lenen, om te komen staan op de banken en kusten van die zee van liefde, en om een feestelijk onthaalde ziel te zijn, om te zien het schone getij van de liefde, de hoge en verheven golven van de vrije liefde, iedereen ervan zijnde hoger dan tien aarden invloeiende op stukken van verloren leem. O, welkom grote zee! Och of ik zoveel liefde had in wijdte en breedte, als twintig buitenste schellen en rondten van de hemel der hemelen, opdat ik een kleine vloed van Zijn liefde mocht ontvangen! Kom, kom, lieve vriend, en draag smart, dat, daar de Koning Zijn wijnkelder van liefde, en Zijn huis van de maaltijden, o zo wijd, zo luisterrijk! zo gelijkende naar God en naar de heerlijkheid, zo overvloedig voorzien en overlopende is, nochtans uw bekrompen vat zo klein is, om enig deel van die liefde in te nemen. Doch nademaal zij in u niet kan komen, wegens gebrek aan plaats, zo gaat u dan zelf in deze zee van liefde, en adem onder deze waters, en sterf van liefde. Maar waarom klaagt u, dat de wateren over uw ziel gaan, en dat de rook van de verschrikking van een toornig Heere, u bijna verstikt, en u bij de poorten des doods brengt? Ik weet, dat de fout is in uw ogen, niet in Hem; de Rotssteen bloeit nog en beweegt zich niet, maar de onbeproefde zeiler; indien uw gevoelen en beseffen tot richter gemaakt worden van Zijn liefde, zo wordt er terstond een gesneden beeld gemaakt, namelijk een veranderde God, een God die uw vijand is. die weleer eens, als u uw gangen wies in boter, en de rots bij u oliebeken uitgoot, Job 29:6, uw God en Vriend was; of laat God nu werken of nooit; nooit had u, sinds u een mens was, zo’n schoon veld voor ‘t geloof, want een geschilderde hel, en een beseffen van toorn in uw Vader, is de recht bekwame tijd voor ‘t geloof, om te beproeven, hoe sterk het is. Geef nu aan God zo’n brede maat van liefde, als u hebt van droefheid, ziet nu toe, dat geloof waarlijk geloof is; indien u uw graf kunt maken tussen Christus’ voeten, en zeggen: Al zou Hij mij doden, ik zal op Hem vertrouwen, Zijn geloofde liefde zal mijn doodskleed, en al mijn grafklederen zijn. Ik zal mijn ziel, mijn gedode ziel rollen en naaien in dat web, Zijn zoete en vrije liefde, en laat Hij op mijn graf schrijven: Hier ligt een gelovend dood mens, zijn adem uitlatende en een gat makende in de brede zijde van de dood en de adem des geloofs komt voor door het gat. Zie nu, of u kunt overwinnen, en bij God overmogen; en worstel tegen Gods verzoek van u, tot de dood, totdat u de adem uitgaat, gelijk die beroemde worstelaar deed, Hos. 12:4: "In zijn kracht droeg hij zich vorstelijk met God; vers 5: Ja, hij droeg zich vorstelijk tegen de engel, en overmocht Hem. Hij is waarlijk een sterk mens, die de sterkte des hemels, de Heilige Israëls, de sterke Heere over mag, dat geschied door een heimelijke toebrenging van goddelijke kracht in ‘t binnenste, waardoor de zwakste zielen versterkt zijnde, overwinnen en te boven raken. Het zal een grote overwinning zijn, de vlam van die oven, waarin u nu bent, uit te blazen door de adem van het geloof. En als de hel, mensen, boosheid, wreedheid, valsheid, duivelen, en het schijndonker gezicht van een zoete Heere, u tegelijk tegenkomen, zo u dan als gevangene van hoop, als een geboeide in de gevangenis van hoop, naar uw sterkte loopt, namelijk van God, die donker ziet, tot God die Zich stuurs vertoont, en gelooft het heil des Heeren in het duister, hetwelk is uw enige overwinning, en zij is groot. Uw vijanden zijn maar stukken van boosaardig leem, zij zullen als mensen sterven en beschaamd worden. Maar dat uw kwellingen vele tegelijk zijn, en dat de pijlen van alle oorden inkomen, van ‘t land, van vrienden, van vrouw en kinderen, van vijanden, van uw wereldlijke staat, en recht neder van God Zelf, Die de hoop en het steunsel van uw ziel is, dat beken ik, is zwaarder, ja zeer zwaar om te dragen; nochtans dat alles is niet meer dan de genaden; al die stukken van kolen vuurs, geworpen in uw zee van barmhartigheid, kunnen ze niet opdrogen; uw kwellingen zijn groot en veel, nochtans niet een ons boven de maat van de oneindige wijsheid, zo ik hoop, noch boven de maat van de genade, die Hij zal verlenen: want uw Heere heeft nog nooit de rug van Zijn kind ingebroken, noch Zijn Eigen werk verdorven; Hij verbreekt wel menigmaal de natuurpleistering, en nagebootst werk in stukken, en menigmaal blust Hij een kaars, die niet aan de Zon der gerechtigheid is aangestoken; maar Zijn Eigen rieten moet Hij kweken, en zachtjes handelen; nooit kreeg een riet zo’n een stoot met de Middelaarshand, dat de twee einden van het riet bijeen gelegd werden. O, wat heeft onze Heelmeester van gebroken geesten al banden en bewindselen, om al Zijn lammen en verbrijzelden daarmede te verbinden! Werp uw verstuikten geest in Zijn schoot, en leg uw last op Één, Die zeer gewillig is, om uw zorgen en uw vrezen u af te nemen, en uw kruisen te verwisselen en te verruilen, en u nieuw voor oud, en goud voor ijzer te geven, namelijk ‘t gewaad des lofs voor een benauwde geest.

      Het is voor het grootste deel waar, wat u schrijft van deze kerk, dat de letter van de godsdienst alleen gereformeerd is, en dat nog nauwelijks; ik geloof niet, dat onze Heere Zijn Zion zal bouwen in dit land, op deze huid van hervorming; zolang als ons schuim blijft, en onze hartafgoden behouden worden, moet dit werk achterblijven; en daarom moet onze Heere dit land nog ziften, en met kaarsen doorzoeken; en ik weet, Hij zal ons Zijn Koninkrijk geven en niet verkopen; Zijn genade en onze overblijvende schuldigheid moet samen vergeleken worden, en ‘t een moet in de heerlijkheid van ‘t andere, en het andere in de zondigheid van ‘t eerste gezien worden. Maar ik wenste te geloven, en wilde graag hopen te zien, dat de glinsterende en schijnende luister van heerlijkheid. komende van de diamanten en stenen, gezet in de kroon van onze Heere Jezus, hun stralen vele duizend mijlen in het rond mocht uitschieten. Ik hoop, dat Christus uit is op een groot huwelijk. en dat Zijn vrijen en aanzoeken van Zijn voortreffelijke bruid, Zijn begin neemt van ons, die de einden van de aarde zijn. O, wat zou ik het een blijdschap en heerlijkheid oordelen, indien mijn hemel opgeschort mocht worden, totdat ik verlof mocht hebben, om te voet te lopen, om een getuige te zijn van die huwelijksheerlijkheid, en te zien, dat Christus de heerlijkheid op Zich nam, van Zijn laatste getrouwe bruid, en van Zijn laatste huwelijksliefde op aarde, wanneer Hij Zijn liefdebed zal verwijden, en het zetten op de top van de bergen, en innemen de oudste zuster, de Joden, en de volheid van de heidenen! Het zou een hemelse eer en heerlijkheid zijn op aarde, Zijn dienaar te zijn, bij Zijn paard te voet te lopen, en de sleep van Zijn koninklijk huwelijkskleed, op de trouwdag van onze hoge en Koninklijke Salomo, op te houden. Maar o wat een heerlijkheid is het, een zitplaats of bed te hebben in Koning Jezus Zijn koets, Diens vloer is van goud, ‘t gehemelte van purper, en ‘t binnenste bespreid met liefde van de dochteren van Jeruzalem, Hoogl. 3:9,10. Op zo’n Konings liefde neer te liggen, zou een bed zijn, dat naast is aan ‘t pit van de heerlijkheid van de hemel.

      Ik ben bedroefd, dat ik u hoor spreken in uw brief van een God, Die toornig is tegen u, en van ‘t gevoelen van Zijn verbolgenheid, en dat dit alleen voortkomt van te lijden voor Jezus. evenals hetgeen nu over u gekomen is; gewis de besefte toorn ontvlamt maar uit de as van besefte zonde, maar niet uit het lijden voor Christus, maar neem aan, u was als in de hel wegens verleden en oude schulden; zo hoop ik toch, u bent Christus een grote som van liefde schuldig, in de zoetheid van Zijn liefde evenwel te geloven. Ik weet wat het is, zo’n slag van zonde te doen; ‘t is de onveranderlijkheid van een Godheid, zo het mogelijk was, uit Christus uit te zondigen, en een beminnelijke en onveranderlijke God weg te zondigen; stel toch eerlijker beseffens op Christus; stel Zijn Eigen masker op Zijn aangezicht, en niet uw voorhangsel, hetwelk van ongeloof gemaakt is, en niet anders spreekt, dan alsof Hij Zijn liefde tot u, kwam te lenen van u, en van uw diensten en zondige betrachtingen. Och neen, Christus is wel een mens, maar Hij is niet gelijk een mens in deze; Hij heeft een mensenliefde in de hemel, maar dezelve is geluisterd met Gods liefde; het is Gods liefde zelf, waarmee u te doen hebt; als uw raderen omgaan, dan staat Hij stil; laat God God zijn, en weest u een mens; en hebt u de verdienste van een mens, en de zonde van een die zijn Liefste heeft laten weggaan, ja geweigerd heeft Hem in te laten, als Hij kloppende was, totdat Zijn haarlokken bevroren waren. Doch wat verandering maakt dat in Hem? Zijn boek behoudt evenwel uw naam, en het wordt niet gedrukt en herdrukt, veranderd en verbeterd; en waarom zou Hij niet gaan naar Zijn plaats en verbergen Zich? Al is Zijn weggaan Zijn Eigen goed werk, zo is toch het geloof van die op die uitgedrukte wijze, uw zonde. Maar blijf wachten, totdat Hij met heil wederkeert, en u vrolijk doet zijn in het laatst van de dagen. Te klagen, dat heeft niet veel te beduiden; maar geloof liever, dan dat u steeds zoudt klagen, en in het stof zitten, en stil zwijgt, totdat Hij uw licht, dat gezaaid is, weer doet groeien; want uw verdrukkingen zijn niet eeuwig; de tijd zal ze eindigen; en zo zult u eindelijk het heil des Heeren zien. Zijn liefde slaapt niet, maar zij is steeds voor u werkende; Zijn heil zal niet vertoeven, noch vertragen. En voor Hem te lijden is het edelste kruis, dat er buiten de hemel is; uw Heere had de keur van tienduizend andere kruisen, benevens dit kruis, om u daarmee te oefenen, maar Zijn wijsheid en liefde heeft dit uit die allen voor u uitgekozen; neem het aan als een uitgelezen kruis, en maak er zo gebruik van, dat u deze wereld als uw stiefmoeder aanziet in uw geleend gevangenhuis; want God zoekt een liefdegezicht naar de hemel, en naar de andere zijde van ‘t water; en dit is de vrucht, de pit en de bloem, groeiende uit uw kruis, dat u een dood mens zoudt zijn omtrent de tijd, het leem, het goud, het vaderland, omtrent vrienden, vrouw, kinderen en alle andere stukken van geschapen nieten: want daarin is noch een zitplaats, noch een grond voor uw zielsliefde. O wat is er plaats voor uw liefde, al was zij zo breed als de zee, boven in de hemel, en in God! En wat zou Christus wel niet geven voor uw liefde? God gaf zoveel voor uw ziel, en gezegend bent u, indien u een liefde voor Hem hebt, en u uw zielsliefde van alle afgoden kunt intrekken, en maken van God een God, en van Christus een God en trekken een knie tussen uw hart en Hem. Indien uw verlossing niet komt, zo moet Christus’ tegenwoordigheid, en Zijn geloofde liefde, als borg en verzekering staan voor uw verlossing, totdat uw Heere die zendt op Zijn gezegende tijd; want Christus geeft vele behoudenissen, indien wij die konden zien; en ik zou het een beter geboren troost en blijdschap achten, die van ‘t geloof van Zijn liefde komt, dan die van de verlossing zelf komt; indien u rust vindt voor uw verdrukte ziel, daar is weinig aan gelegen, door wat middelen zij komt, ‘t zij die u zelf gewenst hebt, of die God verkoren heeft; de laatste zijn ongetwijfeld de beste, en die troost is ‘t sterkst en zoetst. Laat de Heere de volstrekte beschikking hebben over uw kwaden en kwellingen, stelt ze van u af, door uw kruis en uw oven aan Hem aan te bevelen, Die de kunst heeft Zijn Eigen metsel te smelten, en die wel weet, wat met Zijn oven te doen; laat uw hart gewillig zijn, dat Gods vuur uw tin, koper en schuim heeft. Toe te stemmen, dat men de verdorvenheid mist, is een groter weldaad, dan vele belijders wel weten; en het is een groot punt van het geloof, de wijze van Gods medicijnen aan Zijn Eigen wijsheid te laten, hetzij het geschiedt door bloed af te trekken, of door gesuikerde drankjes te geven, die het zieke volk zonder pijn genezen. Ook is het een bijzondere daad van het geloof, te geloven, dat Christus’ kruis een vriend is, gelijk Hij Zelf een vriend is. Maar als u over het water bent, zal dit geval zijn een voorleden gisteren, honderd jaren voordat u geboren was; en de beker van de heerlijkheid zal de geheugenis van dit alles wegspoelen, en maken het als niets. Alleen neemt nu Christus met u onder uw juk, en laat de lijdzaamheid haar volmaakt werk hebben; want dit haasten is uw zwakheid. De Heere zal haast opstaan, om u in ‘t einde goed te doen; neem aan het geloof van Zijn heil, en ziet Hem haastelijk te post naar u toekomen. Mijnheer, mijn bezigheden zijnde zo groot, dat ze mij hinderen breder te schrijven, zo houd mij verontschuldigd. Ik hoop u te gedenken. Ik zal u verplicht zijn, indien u mij met uw gebeden helpt voor dit volk, voor deze academie en voor mijn arme ziel. Genade zij met u. Doe mijn liefdegroet aan uw vrouw.

      De uwe in Christus Jezus, Samuel Rutherford

      St. Andries, 13 februari 1640

       

    193. Aan de zeergeëerde Petrus Sterling
    194. Zeergeëerde en waarde heer!

      Ik heb de uwe ontvangen, en kan niet anders dan beschaamd zijn, dat misvattende liefde mij in hoogachting gebracht heeft in de harten van Gods kinderen, inzonderheid van diegenen, die van een andere natie zijn. Ik zou geen leugen spreken van de genade van God, indien ik zou oordelen, dat ik zelfs maar een klein deel daarvan heb. O hoeveel beter zou het zijn voor mij, in ‘t rekenboek van velen te staan voor een halve stuiver, en liever geacht te worden een, die zin in Christus heeft, dan een die liefde tot Hem heeft! Indien ik gewogen werd, zelfs de ijdelheid zou de schaal doen neerwegen, als gewicht hebbende in de weegschaal boven mij, tenware mijn beminnelijke Zaligmaker benevens mij iets van Zijn ontleende waardigheid inwierp. En och, of ik nu oprecht schrijvende was in deze verkleining, dat wel mocht wezen, en ik vrees dat het is een sluwe en bedriegende hoogmoed. Ik wenste, dat ik iets van ‘s hemels waardij in u en al uw gelijken kon liefhebben. Och, hoe gelukkig zou ik zijn, indien ik van het schepsel mijn verkochte en verloren liefde terug kon winnen, en intrekken, opdat ik ze mocht stellen op ‘t hemels juweel die eeuwig, eeuwig bloeiende bloem van de hoogsten hof, namelijk mijn zielverlossende, en nooit genoeg geschatte Heere Jezus! Och, dat Hij mijn liefde wilde wassen, en ze stellen op het rad van de Middelaar, en ze zuiveren van haar schuim en tin, opdat ik van al mijn liefde een gift en geschenk mocht maken aan die zo liefde waardige Heere! Och, of ik mijn deel aan ‘s hemels heerlijkheid voor duizenden jaren kon verhuren en opschorten, en mijn begeerde zaligheid tot een lange dag borgen, mits dat ik in deze lagere keuken en onderkelder van Zijn schepping met Zijn liefde mocht onthaald worden, en dat ik voor mensen en engelen een voetbank mocht wezen van Zijn heerlijkheid! Och, of Hij ‘s hemels fontein wilde uitlaten op mij, die zo verwelkt, zo droog, en saploos ben! Indien ik maar krank van liefde was naar Zijn liefde, o hoe zou die krankheid mij vermaken; hoe zoet zou die verlichtende en verkwikkende pijn aan mijn ziel zijn! Ik zal blij zijn, als ik een getuige ben, dat ik de koninkrijken van de wereld zie worden van de Heere Christus. Ik kon vele jaren buiten de hemel blijven staan, om die overwinnende, triumferende Heere te zien uitvoeren dat geprofeteerde deel van Zijn overwinnende liefde, in tot Zijn koninkrijk te nemen de oudste zuster, die Kerk van de Joden die soms onze Liefste vriendelijk aansprak voor haar kleine zuster, Hoogl. 8:8, en om te beschouwen, dat Hij als een teken en banier van liefde werd opgesteld voor de einden van de wereld. En waarlijk, wij moeten geloven, dat Zijn toorn rijp is voor het land van gesneden beelden, en voor het vallen van die molensteen in ‘t midden van de zee. Genade zij met u.

      De uwe in zijn zoete Heere Jezus, Samuel Rutherford

      St. Andries, 6 maart 1640

       

    195. Aan mevrouw Fingask
    196. Mevrouw!

      Genade, barmhartigheid en vrede zij u. Hoewel ik geen kennis aan u heb, zo neem ik evenwel de vrijmoedigheid, op het verzoek van een Christen, om aan u weinige letteren te schrijven, bij wege van raad, hoewel ik zeer onbekwaam daartoe ben. Ik hoor, en ik loof de Vader der lichten daarvoor, dat u een geest hebt, die gezet is om God te zoeken en dat de houding van uw hart is, hemelwaarts te zien. Dat is een werk, en draai van de Middelaar Zijn rechterhand, die een nieuwe gestalte op het hart stelt, waarvoor ik wenste, dat uw edelheid een band van gehoorzaamheid op u legde, opdat alles geschiede niet zozeer wegens verbintenis van de wet, als wegens de band van vrije liefde, en opdat de wet van rantsoenering door Christus de voorname grond van al uw gehoorzaamheid mocht zijn, aangezien u niet onder de wet maar onder de genade bent; met te weten dat ongeloof een geestelijke zonde is, en die door het licht van de natuur niet gezien wordt; en dat wat het geweten zegt, geen Schriftuur is; neem, dat uw hart getuigenis tegen u gaf wegens lang verleden zonden, omdat nochtans velen vergeving bij God hebben, die geen vrede met zichzelf hebben, zo moet u staan en vallen, naar Christus’ achting en uitspraak omtrent u, en niet door ‘t geen uw hart zeide. Neem, het mocht bij toeval een goed teken zijn, jaloers te zijn over de liefde van uw hemelse Man, zo is het toch een zondig teken; gelijk er enige gelukkige zonden zien, indien ik zo mag spreken, niet door zichzelf, maar omdat ze aan ‘t geloof en de liefde grenzen. En zo wilde ik, waarde vrouw, dat u zich daaraan hield, dat de oude liefde van een oud Man vast en zeker staat en dat u uw geloof liet hangen aan deze dunne draad, dat Hij u heeft liefgehad, eer Hij de hoeksteen van de wereld gelegd had; en daarom Hij kan niet van zin veranderen, omdat Hij God is, en in Zijn liefde berust; ook is de zonde in u geen goede reden, waarom u aan Hem zoudt twijfelen, of denken, omdat de zonde u aan ‘t welbehagen en goedvinden van de gerechtigheid Gods onderwerpt, dat Hij daarom toornig tegen u is. Ook is het geen vermetelheid in u, ‘t gewicht van uw zaligheid te leggen op Één, Die machtig is te behouden, mits dat u alle vertrouwen op uw eigen waardigheid en gerechtigheid aflegt. Het ware geloof is nederig, en het ziet geen weg van ontkomen, dan alleen in Christus; en ik geloof, dat u een achting en hoge prijs op Christus gesteld hebt. Nu zij kunnen niet anders dan geloven, en alzo zalig worden, die Christus liefhebben, en aan welke Hij dierbaar is; want de liefde tot Christus heeft Christus verkoren als een Liefhebber; en het zou God niet betamelijk zijn, indien u Hem zoudt verkiezen, als hebbende grote zin in Hem, en Hij u niet wederom zou verkiezen; ja Hij is u in deze voorgekomen: want u hebt Hem niet uitverkoren, maar Hij heeft u uitverkoren. O merk Zijn beminnelijkheid en schoonheid, en dat er niets is, hetwelk hemel of aarde, of enig schepsel kan aanprijzen, of schoon maken, dat niet in oneindige volmaaktheid in Hem is: want de schone zon en de schone maan zijn zwart en schamen zich, te schijnen voor Zijn schoonheid, Jes. 24:23. O geringe hemelen, en voortreffelijke Jezus. O, dwaze engelenwijsheid en alleenwijze Jezus! O zwakke engelen, en sterke en machtige Jezus. O kort levende schepselen, en langlevende, en eeuwiglevende Oude van de dagen! Ellendig en ziekelijk en jammerlijk zijn die dagen, die binnen de cirkel van de tijd zijn, en alleen, alleen gezegend is Jezus. Indien u zichzelf in Zijn liefde kunt inwinden, en Hij geeft u verlof, om Hem lief te hebben, en ook aanlokkingen daartoe, wat is dat een tweede paradijs van de hemel, en een jonge hemelsheerlijkheid heet en brandende te zijn door koortsen van liefdekrankheid naar Hem! En hoe meer u van deze liefde indrinkt, hoe meer plaats, en groter vermaak en begeerte er is naar deze liefde; handel gemeenzaam. en honger naar een feest en verzading van Zijn liefde: want dat grenst allernaast aan de hemel; niets gelijkt nader de kleur en verf en luister van de hemel, dan Christus te beminnen, en liefdewoorden, en liefdesgezichten naar Hem op te zenden. Gedenk, wat Hij is; wanneer twintigduizend miljoenen van hemelse liefhebbers hun liefde ten uiterste versleten hebben, dan is alles nog niet, ja minder dan niet in opzicht van Zijn onvergelijkelijke waardij en voortreffelijkheid. O wat is de zee van Zijn begeerlijke beminnelijkheid breed en diep! De verheerlijkte geesten, de triumferende engelen, de gekroonde en verhoogde liefhebbers in de hemel, staan buiten Zijn beminnelijkheid, en zij kunnen er geen cirkel om maken. Och, of de zonde en de tijd geweerd zou zijn, tussen ons en die koninklijke en Konings liefde! Opdat de hoge Majesteit, de bloem der eeuwigheid, en kroon van de hoogstblinkende schoonheid, op geschapen geesten mag schijnen, en ons bedauwen en overvloeien, die delen zijn van eindeloze ellende, en klompen van verloste zonde. Helaas wat doe ik? Ik verderf en verlies maar woorden, in hoog van Hem te spreken, Die steeds zal wezen boven de muziek en de gezangen van de hemel, en nooit genoeg door ons allen zal geprezen worden, aan wiens paalloze en grondeloze liefde ik UwEd. aanbeveel, en ben

      De uwe in Jezus Christus, Samuel Rutherford

      St. Andries, 27 maart 1640

       

    197. Aan zijn eerwaarde en lieve broeder Mr. David Dickson
    198. Eerwaarde en lieve broeder!

      U gelijkt naar het huis, waarvan u een spruit bent, het kruis is een deel van de lijfrente, die op al de kinderen van ‘t huis ligt; ik wens met u te lijden, indien ik iets van uw huisbeproevingen van u kon opnemen; maar u hebt het al gepredikt, eer ik iets van God wist; uw Heere mag Zijn rozen ingaderen, en Zijn appelen schudden, op wat seizoen van ‘t jaar het Hem gelieft; elke landman kan geen oogst maken, als ‘t hem gelieft, gelijk Hij wel doen kan. U bent geleerd, te erkennen en te aanbidden Zijn soevereinheid, die Hij over u oefent, en Die liefelijk blinkende is door barmhartigheid; het kind is maar van bed veranderd in de hof. ‘t is Hoger op, en nader bij de zon geplant, waar hij beter zal groeien, dun in dit moerasgrondige buitenveld. U moet denken, dat uw Heere hem niet een uur langer wilde missen; en nademaal de gezette tijd, voor welke hij u geleend is, uitgelopen was, gelijk u zult merken, als u de leenbrief leest, zo laat Hem ‘t Zijne met winst weer hebben, gelijk het redelijk is. Ik lees op deze voorzienigheid een verhoging, en een rijkere mate van genade, als de zoete vrucht van uw kruis; en ik durf wel zeggen, dat die academie, alwaar uw Meester u nu gezet heeft, het zal ondervinden. Ik ben vergenoegd, dat Christus zo gemeenzaam is met mijn lieve broeder David Dickson, dat Hij Bij hem uit en in leent, en geeft en neemt; en u weet, hoe de bezoekingen van zo’n Vriend genoemd worden: ‘t is te komen in het huis, en vrij aan te tasten ‘t geen uwe is; ik verzeker mij op Zijn goed geloof, dat Hij drinkgeld nagelaten heeft, en dat Hij het huis om Zijnentwil te beter gemaakt heeft. Ik benijd u Zijn wakende liefde niet, die zag, dat dit water moest doorgegaan worden, en dat het getal van uw kruisen, die op uw weg tot de heerlijkheid liggen, één minder is, dan toen ik u zag; zij moeten steeds afnemen, dit kruis is beter dan enige oude of nieuwe uitlegging over uw tekst, waarover u te Glasgow predikte; lees, en spel recht: want Hij weet, wat Hij doet, Hij is alleen snoeiende en scherende een vruchtbare boom, opdat ze vruchtbaarder mocht zijn. Ik wens u hartelijk geluk met ‘s Heeren nieuwe verwelkoming tot uw nieuwe bediening. Allerliefste broeder, ga voort, en bezwijk niet; er is al iets van u in de hemel, behalve het vlees van uw verhoogde Zaligmaker; en u gaat vast achter de Uwe; de draad van de tijd is een duimbreed korter dan zij was; er is een eed gezworen, en verzegeld, of de verdrukkingen willen of niet. U moet groeien en weer opstaan, en leven; en triomferen, en heersen, en meer dan overwinnaar zijn; want uw overste Leidsman is meer dan overwinnaar, en Hij maakt u deelgenoot van Zijn overwinning. Indien de liefde mij niet dwong, ik zou geen water naar de fontein brengen, en spreken tot een, die beter weet, dan ik weten kan, wat God met hem doende is. Doe mijn groet aan uw vrouw en aan Mr. Johannes, en aan al de vrienden daar. Laat ons de hulp hebben van uw gebeden: want ik laat niet af van u te gedenken bij de Heere, naardat ik kan. Genade zij met u.

      De uwe in zijn zoete Heere Jezus, Samuel Rutherford

      St. Andries, 28 mei 1640

       

    199. Aan mevrouw Boyd
    200. Mevrouw!

      Genade, barmhartigheid en vrede zij u. Schrijft het niet toe aan een kleinachtende vergetelheid van uw HoogEd. die mij in mijn banden verkwikking hebt toegebracht, dat ik niet aan u schrijf. Ik wenste te kunnen spreken of schrijven, ‘t geen uw HoogEd. mocht goed doen, inzonderheid nu, wanneer ik acht, dat u niet kunt nalaten diepe gedachten te hebben van de diepe en grondeloze wegen Gods, in uw broederen en vrienden weg te nemen door een schielijke en wonderbare slag: u kunt dit weten, dat al die wegens zonde sterven, daarom niet in de zonde sterven, en dat niemand de Almachtige wijsheid kan leren; Hij antwoordt niet op onze meesterlijke ondervragingen, en niemand kan zeggen: wat doet Gij? ‘t Is waar, uw broeders hebben niet veel zomers gezien maar toch aanbidt en vreest de soevereiniteit van de grote Formeerder, die Zijn lemen vaten maakt en breekt, wanneer, en zoals ‘t Hem gelieft. Dit lager hof met al wat er in groeit, is volstrekt Zijn Eigen; Zijn onafhankelijke vrijheid is rechtvaardig, de bloemen zijn Zijn Eigen; indien enige zomerappelen zijn, Hij mag ze afplukken voor anderen. O wat is het een wijsheid, te geloven en niet te redetwisten, zijn gedachten te onderwerpen aan Zijn hoog goedvinden, en niet te murmureren tegen enige daad van Zijn rechtvaardigheid! Hij heeft het gedaan; laat alle vlees zwijgen. Het is onmogelijk, onderworpen en godsdienstig geduldig te zijn, indien u uw gedachten laat neerzinken op de verwarde draaiingen en raderen van tweede oorzaken, als namelijk: Och de plaats! Och de tijd! Och indien dat had geweest, dan had dat niet gevolgd! Och dat dit toeval aan deze tijd en plaats vast is geweest! Zie op naar de eerste oorzaak, en naar het eerste rad; zie, en lees het besluit van de hemel, en van de Schepper van de mensen, welke de dood en de wijze van de dood van Zijn kinderen vaststelt; zij zien wel ver in een molensteen, en hebben ogen, die een gat kunnen maken door de ene zijde van de berg tot de andere, die Zijn wegen kunnen doorzien. Hoe ondoorzoekelijk zijn Zijn oordelen, en hoe onnaspeurlijk Zijn wegen! Zijn voorzienigheid zinkt niet, maar zij gaat effen, en op gelijke benen; nochtans zijn ze de grootste zondaars niet, op welke de toorn te Siloam viel; was niet de vergunde tijd ten einde? En het zand van ‘s hemels zandglas, van onze Heere gezet, uitgelopen? Is hij niet een onrechtvaardig schuldenaar, die met kijven de rechtvaardige schuld betaalt? Ik geloof, christelijke vrouw, dat uw geloof zoveel liefde laat voor Gods oordelen, dat u gelooft, dat hoewel u in bloed nabestaande bent aan dat kruis, u nochtans uitgenomen en bevrijd bent van de gal en toorn die er in is. Ik durf niet loochenen, dat de Koning van de verschrikkingen woont in de tent van de goddelozen, en Zijn woning zal met zwavel overstrooid worden, Job 18:15. Doch mevrouw, het is veilig voor u, te leven op t geloof van Zijn liefde, Wiens pijlen zijn bevochtigd en gescherpt met liefde en barmhartigheid omtrent de Zijnen, en Die recht weet, hoe u en de uwen uit de rol en ‘t boek van de doden te nemen. Onze Heere heeft geen vlezen ogen, in toorn uit te delen aan het duizendste geslacht, zonder uitneming; omdat u niet onder de wet maar onder de genade bent, en u aan een andere man getrouwd bent, zo is de toorn de vierschaar niet, die u onderworpen bent; gelijk ik niet zou begeren, zo geloof ik ook niet, dat uw HoogEd. het kruis veracht, noch ook dat u er onder bezwijkt. Lees en spel al de woorden en lettergrepen van de bezoeking terecht, en misnoem noch letter, noch lettergreep daarin. Kom voort met de Heere, en leg niet meer gewicht op de wet, dan uw Christus daarop gelegd heeft; indien de eis van de wet een antwoord van Christus krijgt, zo kan de vloek ervan niet meer doen. En ik hoop, dat u van voornemen bent, dat indien Hij u tot stof zou vermalen, uw stof dan nog Zijn heil geloven zal. En wie kan zeggen, welke gedachten van liefde en vrede uw Heere heeft tot uw kinderen? Ik vertrouw, Hij zal hen beroemd maken, in ‘t beschreven oordeel over de vijanden des Heeren uit te voeren. Deze eer hebben al Zijn gunstgenoten, Ps. 149:9; en dat ze stenen zullen dragen op hun schouderen, om die stad te bouwen, die genaamd wordt: De Heere is daar, Ezech. 48:35. Welgelukzalig zullen zij zijn, die een hand hebben in Babel te plunderen, en die in ‘t jaar van de wraak uitkomen voor de twist van Zion, tegen het land van gesneden beelden. Daarom, mevrouw, laat de Heere uit uws Vaders huis enig werk maken, zelfs van oordeel, hetgeen Hem behaagt; ‘t geen toorn is voor anderen, is barmhartigheid voor u en voor uw huis. Het is ‘t werk van het geloof, te verlangen en te begeren goedertierenheid uit al de ruwste slagen van God. Doe datgene voor de Heere, ‘t geen u zult doen voor de tijd; de tijd zal uw hart geruststellen, over hetgeen God gedaan heeft; en laat uw Heere dat nu hebben. Laat al die liefde, welke u de vrienden die nu dood zijn. toedroeg, omdat zij die nu niet van doen hebben, als een rechtvaardig legaat op Christus vallen. O hoe zoet is het, vele vreemde liefhebbers buiten te stellen, en Christus in de plaats te stellen! Het is wel wat veel voor onze half gedode genegenheden, te scheiden van ‘t geen, waartoe wij geloven recht te hebben. Maar wij moeten de wil hebben van een dienstknecht, en ‘t is de beste dienstknecht, die ‘t minst van zijn eigen wil, en ‘t meest van de wil van zijn Heere behoudt. Zoveel wijsheid moet men onze Heere toeschrijven, dat Hij weet, hoe de Zijnen in en door de kleine tijdelijke heen te leiden, en door de deeltjes van voor een tijddurende gramschap in dit leven heen te brengen, en evenwel Zijn liefde zuiver te behouden van enige smet op het oude en grote zegel van de vrije verkiezing. En aangezien Zijn koperbergen, de machtige en sterke besluiten van vrije genade in Christus, vast staan, en het verbond voor eeuwig vast staat, als de dagen van de hemel, zo laat Hem slaan en tuchtigen; Zijn slaan moet zelfs een daad van behouden zijn; omdat de slagen op Zijn verborgen, komen van de zachte en hemelse hand van de Middelaar, en Zijn roeden zijn gedoopt en geweekt in die vloed en rivier van liefde, die er komt van ‘t hart van die Godmens, van onze zielliefhebbende en zielverlossende Jezus. Ik hoop, u bent tevreden, aan de Borg van ‘t menselijk geslacht zijn overwinning, de hemel, te borgen, totdat Hij ze u betaalt, en u overbrengt in een staat van heerlijkheid, alwaar Hij nooit tegen u een vinger uitsteken of een hand weer oplichten zal. En wees vergenoegd met, en tegelijk uitnemende begeerte naar de genade, die is de interest en het pand van de heerlijkheid. Indien ik niet geloofde, dat uw oogst op ‘t veld gereed stond, en dat uw deel aan die hemel van de hemel van de heiligen, de witte en rode, schone, schone en lieflijke Jezus, gekomen zou zijn tot de bloem en nabij uw maaitijd, ik zou dit niet schrijven; maar aangezien de draad des tijd kort is, en u op de ingang van ‘s hemels oogst bent, en Christus, ‘t veld van ‘s hemels heerlijkheid, wit, en als rijp is, zo zijn de verliezen, waarvan ik aan uw HoogEd. schrijf, maar zomervlagen, die uw klederen alleen voor een uur of twee zullen nat maken, en de Zon van het nieuwe Jeruzalem zal het natte overkleed ras opdrogen; inzonderheid omdat de regens van verdrukking ‘t beeld Gods niet kunnen besmetten, noch de genade van kleur doen verschieten. En nademaal u omtrent Hem niet wilt veranderen, Die omtrent u niet zal veranderen, zo zou ik in zwakheid wel durven denken, dat ik geen geestelijke ziener was, indien ik niet zou voorzeggen, dat het daglicht nabij is, als zo’n morgendonkerheid op u is, en dat deze beproeving van uw christelijk hart omtrent Hem, Die u niet durft verlaten, al zou Hij u doden, zal eindigen met een dubbele weldaad. Het is tijd voor ‘t geloof, zoveel van Christus vast te houden, als u ooit had, en te sterker aan te grijpen en dichter aan te kleven, aangezien Christus graag gelooft, en vertrouwd is. De eer, van de sterkte te leggen op Één, Die machtig is te behoeden, is meer dan wij kunnen denken. Dat deel van dienst, en ‘t geloven in een slaande Verlosser, is een kostelijk deel van gehoorzaamheid. O wat is ‘t een eer voor Hem, de last van onze hemel te leggen op Hem, Die een eeuwig Koninkrijk voor ons verworven heeft! O gezegende ziel, die Zijn beminnelijke vrije genade kan aanbidden en kussen! De rijke genade van Christus zij met uw geest.

      De uwe tot alle gehoorzaamheid in Christus Jezus, Samuel Rutherford

      St. Andries, 15 okt. 1640

       

    201. Aan Agnes Mac-Math
    202. Lieve zuster!

      Indien de Heere uw kind weggenomen heeft, zo is de tijd, die tot bezitting van hem vergund was, uitgelopen; en omdat Christus hem niet wilde missen, zo staat het u toe, stil te zwijgen, en de soevereiniteit en vrijheid te aanbidden, die de Formeerder heeft over ‘t leem, en over de stukken van aardse nieten, aan welke Hij het leven gaf. En wat is de mens, dat Hij de Almachtige zou roepen, en dagvaarden hierbeneden voor zijn lager hof; want Hij geeft geen rekenschap van Zijn doen. En indien u een kind ter leen zult ontvangen, en hem met vrolijkheid aan onze Heere weer teruggeven, gelijk Zijn geleende goederen tot Hem dienden weer te keren, zo gelooft, dat hij niet weggegaan, maar vooruitgezonden is; en dat de verandering van ‘t land u moest doen denken, dat hij voor u niet verloren is, die voor Christus gevonden is, en dat hij nu voor u heengegaan is, en dat de gestorvenen in Christus weer opgewekt zullen worden; een ondergaande ster is niet vernietigd, maar zij zal weer verschijnen. Indien hij in zijn fleur en bloem is afgevallen, denkt de bloem is in Christus’ schoot in de hemel gevallen; en gelijk hij voor een poos geleend was aan de tijd, zo is hij nu gegeven aan de eeuwigheid, die u zelf zal ontvangen. En ‘t onderscheid van uw en zijn scheep gaan naar de hemel en naar Christus oever, zijnde het land des levens, is alleen in enige jaren, dat elke dag korter wordt, en enige weinige, ras gerekende zomers, zullen u een ontmoeting van Hem geven. Wat zeg ik? Van Hem? Ja van een beter gezelschap, van de voornaamste Leidsman van de hemelse menigten, die op witte paarden rijden, en in de heerlijkheid triumferende; indien de dood een slaap zou zijn, daar geen wakker worden op volgde, zo mochten wij droevig zijn. Maar onze Man zal binnen korte tijd aan de bedzijde zijn van allen, die in ‘t graf liggen en slapen, en Hij zal hun sterfelijke lichamen opwekken. Christus was de Borg van de dood, Die Zijn woord gaf, dat Hij al de lemen panden zou komen losmaken, en stellen die aan Gods rechterhand; en onze Borg Christus heeft een acte van wettige borgtocht op de dood, van dat ze Zijn gevangenen moet terug leveren. En die Heere Jezus, die al de keringen en draaiingen kent, welke zijn in die zwarte trans van de dood, heeft al de stappen geteld van de trap naar de hemel, Hij weet hoe lang de ladder is, en hoeveel voeten zij hoog is; want Hij is Zelf die weg opgeklommen, Openb. 1:18: "Ik ben dood geweest, en Ik leef"; en nu leeft Hij aan Gods rechterhand, en Zijn klederen hebben zelfs niet een reuk van de dood. Uw verdrukkingen rieken naar het geval van de kinderen; de kinderen van ‘t huis worden zo getuchtigd; en het lijden is geen nieuw leven, ‘t is maar de rente van de zonen, bastaarden hebben zoveel niet van de rente; omhels Zijn kruis vriendelijk en hartelijk, want nooit heeft Hij nog een kind met het kruis gedood. Hij brouwt uw drinkbeker, drink ze dan geduldig en met te meer van de goedwilligheid; sta stil en wacht, totdat God de knoop losmaakt, Die het kruis aan uw rug vast maakt. Want Hij is op komende weg om te verlossen. Ik bid u, zuster, leer u waardiglijk te dragen de moeiten van Hem, Die u kastijdt, laat Hem uitwringen en wordt gewassen: want Hij heeft een Vaders hart, en een Vaders hand, Die u opkweekt, en u bekwaam maakt tot de hoge zaal. Deze school van de verdrukking is een voorbereiding tot de Koning Zijn hoger huis, en laat al uw bezoekingen uitspreken. Al de letteren van uws Heeren dagvaarding; zij roepen: 1. O ijdele wereld! 2. O bittere zonden! 3. O korte en onzekere tijd! 4. O schone eeuwigheid, die boven ziekte en dood is! 5. O koninklijke en prinselijke Bruidegom! Verhaast ‘t huwelijk van de heerlijkheid, verkort de kort gesponnen en ras afgebroken draad van de tijd en overwin de zonde! 6. O gelukkige en zalige dood, die goede brug, die voor Christus mijn Heere gelegd is tussen de lemen banken van de tijd en de oever van de hemel! En de Geest en de bruid zeggen: kom; en antwoord u met Hem: ja kom Heere Jezus, kom haastelijk. De genade zij met u.

      Uw broeder in zijn zoete Heere Jezus, Samuel Rutherford

      St. Andries, 15 okt. 1640

       

    203. Aan Mr. Mattheüs Mowat
    204. Eerwaarde en lieve broeder!

      Wat moet ik u antwoorden? Helaas al mijn boeken zijn kaal, en zij tonen mij niets van God; graag wilde ik boven alle boeken ingaan in Zijn huis van de liefde, om Hem Zelf te zien. Lieve broeder, noch u, noch ik zijn personen, die Zijn liefde of kenris waardig zijn. Ach, hoe heeft ons de zonde beneveld en verblind, dat wij Hem niet kunnen zien! Maar wat mijn arme zelf aangaat, ik word gepijnigd, en schijn te barsten, omdat Hij de muur niet wil wegnemen, en brengen Zijn ongeschapen schoonheid, en Zijn onvergelijkelijk blank en rood aangezicht uit de hemel, teneinde ik een hemel mocht vinden mij ontmoetende, eer ik er naar toe ga. U weet, dat majesteit en liefde zich vernederen; omdat gemeenzame liefde tot zondaars in Hem woont met majesteit. U behoort Hem al Zijn hoffelijke titels, Zijn hoge en hemelse Namen, te geven. Wat ben ik, dat ik ontwerpen zou maken van mijn hoogsten Heere? Hoe breed, hoe hoog, en hoe diep Hij is, boven en buiten ‘t geen deze ontwerpen zijn, kan ik niet zeggen. Maar wat mijn eigen zwakke praktijk aangaat, die helaas! geen regel kan zijn voor iemand, die zo diep is in liefde en krankheid tot Christus, als u bent, ik zou graag tot mijn gedachten, en achting van Hem toedoen, en Hem hoger maken, en zou wel een hart en liefde wensen, tienduizend maal wijder dan de uiterste cirkel en gordijn, die rondom de hemel der hemelen gaat, om Hem in dat hart en met die liefde te onthalen. Maar ‘t geen uw pijn is, mijn lieve broeder, dat is ook de mijne. Ik word verward met de gedachten van Hem. Ik weet, God is, indien ik zo spreken mag, gebracht in een zoete naam er beminnelijk beeld, in de Persoon van dat hemels Juweel, de mens Christus. Ik weet, dat de stappen van die steile opgang en trap tot de Godheid, ‘t vlees zijn van Christus, de nieuwe en levende weg; en er is een voetstap voor ‘t geloof in die fraaie ark van de mensheid; daarin woont de Godheid, getrouwd aan onze mensheid. Ik wilde graag in de hemel zijn, neem al had ik daar niet anders te doen, dan om te zien die keurlijke gouden ark, en God persoonlijk uitziende door oor en ogen, en een lichaam, zodanig als wij zondaars hebben; opdat ik mijn zondige mond mocht slijten, in Hem te kussen tot in eeuwigheid; en ik weet, dat al de Drie gezegende Personen een welbehagen daarin zouden hebben, dat mijn geringe zwakke en geschapen liefde eerst in mijn aankomen de mens Christus zou aandoen. Ik zou hen allen zien door Hem. Ik word van ‘t schrijven afgeroepen door mijn grote bezigheden in deze stad, en heb niets gezegd. Doch wat kan ik van Hem zeggen? Laat ons gaan zien.

      De uwe in zijn zoete Heere Jezus, Samuel Rutherford

      St. Andries, 1640

       

    205. Aan de huisvrouw van Jacobus Murray
    206. Mijn zeer lieve waarde zuster!

      U bent waarlijk gezegend in de Heere, hoe donker en vinnig een zure wereld ook op u ziet, indien u in het geloof blijft, gevestigd, en gegrond, en niet bewogen wordt van de hoop van het Evangelie. Het is goed, dat er een hemel is, en dat het geen nachtdroom noch verbeelding is. Het is een wonder, dat de mensen niet loochenen, dat er een hemel is, gelijk zij loochenen, dat er een andere weg naar toe is, dan die van de mensen gemaakt is. U hebt van Christus geleerd, dat er een hemel is; strijd er voor, en voor Christus; draag geduldig en met onderwerping de harde stoten van de stiefmoeder de wereld, die God niet wil, dat de uwe zal zijn. Ik beken, het valt zwaar, en och, dat ik bekwaam was, om u van uw last te ontheffen. Maar geloof mij, deze wereld, die God niet wil, dat uw deel zal zijn, is maar de droesem, het uitschot, en het schuim van Gods schepselen; ‘t is het deel van Gods arme huurlingen; ‘t is niet de erfenis, maar de meubelen. Een hard been, de honden, die buiten ‘t nieuw Jeruzalem gehouden worden, voorgeworpen, waarop zij eerder hun tanden breken, dan hun begeerte verzadigen. Het is uws Vaders zegen, en Christus’ geboorterecht, hetwelk onze Heere voor u bewarende is; en verzeker u ook, dat uw zaad ook de aarde zal beërven, indien het haar en u goed is: want dat is haar ook beloofd; en Gods schuldbekentenis is zo goed, alsof Hij aan iedereen ervan een schuldbekentenis gaf voor duizendmaal duizenden. Eer u geboren was, waren voor u de kruisen in getal, maat, en gewicht opgeschreven; en uw Heere zal u er door heen leiden. Maak Christus voor u zeker, en de wereld en de zegeningen van de aarde zullen achter Christus’ rug, en op Zijn wenk volgen. Ik zie dat vele omwille van welstand, belijders van glas zijn; ik wilde hun met een kleine klop van vervolging in twintig stukken slaan, en de wereld zou lachen over de scherven. Maak dan vast werk; zie toe, dat Christus de grondsteen van uw belijdenis is; de sterke wind en de regen zal Zijn gebouw niet wegspoelen; aan Zijn werk is geen mindere duurzaamheid verzekerd, dan dat het voor eeuwig zal staan. Twintigmaal zou ik in mijn druk vergaan zijn, indien ik niet beide, mijn zwakke rug, en mijn drukkende last gelegd had op de steen, die hoeksteen, welke in Zion gelegd is. Ik ben niet tweemaal vrolijk, gelijk ons spreekwoord is, maar eens en voor eeuwig, wegens deze steen. Nu de God des vredes bevestige u tot de dag van de verschijning van Jezus Christus.

      De uwe, Samuel Rutherford

      St. Andries

       

    207. Aan mevrouw Kenmure
    208. Mevrouw!

      Genade, barmhartigheid, en vrede zij uw HoogEd. Ik ben hartelijk bedroefd, dat uw HoogEd. beroofd is van zo’n man, en de gemeente van de Heere van zo’n werkzame en getrouwe vriend. Ik weet, dat uw HoogEd. al overlang kennis gemaakt heeft met datgene, waarin Christus wil, dat u met Hem in één gemeenschap zult gevoegd worden, namelijk met Zijn Eigen kruis. En Hij heeft u geleerd, uw ziel neer te zetten op het welbehagen van de Heere, Die geen rekenschap geeft van Zijn zaken aan iemand van ons. Wanneer Hij u door dit water geleid heeft, dat in uw weg was naar de heerlijkheid, dan zijn er nog maar minder wateren achter; en wij moeten Zijn order eerbiedigen, in ons heen te laten gaan, en ons uit de markt te zenden, de een na de ander. Een jaar tijd van de hemel zal alle droefenissen, ver boven alle vergelijkingen, verslinden. Wat zal dan niet een duurzaamheid van gelukzaligheid, zolang als God zal leven, ten volle en overvloediglijk vergelding doen? Het is goed, dat de Heere door genadige beloften Zich aan een schuldenaar verbonden heeft, meer te geven in de eeuwigheid, dan de tijd u kan afnemen. En ik geloof, dat uw HoogEd. nu vele jaren heeft gedacht en overslaande, wat die heerlijkheid zal zijn, die staat gegeven te worden aan de reizigers en vreemdelingen op de aarde, als zij tehuis zullen komen; en waaraan wij mogen denken, en met liefde naar verlangen; maar die wij niet kunnen omvatten, noch begrijpen, zoals zij is, veel minder kunnen wij die overschatten of te over liefhebben. O wat is Christus in die godgeleerdheid van de heerlijkheid een lang hoofdstuk, of liever een breed boek! Nu wordt er niet meer van Hem neergelaten, om door Zijn kinderen gezien en genoten te worden, dan zoveel als hun honger in dit leven kan voeden, maar niet verzadigen. Uw HoogEd. is een schuldenaar aan ‘t kruis van Gods Zoon, hetwelk de liefde en het aankleven aan het schepsel bij trappen uit uw hart verteerd; of liever, u staat verbonden aan Zijn vrije genade, Die voor u zorg draagt in deze genadige bedeling, en die de klederen des heils voor u vaardig en gereed maakt, en Die u met een nieuwe naam noemt, die de mond des Heeren genoemd heeft, en Die van voornemen is, u te maken een sierlijke kroon, en een koninklijke hoed in de hand uws Gods, Jes. 62:1,3. U bent verbonden, Hem meer dan een hemel te borgen; en evenwel eist Hij geen lange dag; zij komt snel aan, en de betaling is zeker; al gaf u geen loon voor Hem, zo heeft Hij toch een grote prijs en rantsoen voor u gegeven, en indien het contract weer te maken was. Christus zou niet minder voor u geven, dan ‘t geen Hij reeds gegeven heeft; Hij is ver van rouwkoop te hebben. Ik zal u, totdat de tijd uit de weg gegaan is, niet meer wensen, dan het onderpand, van hetgeen Hij voor u gekocht en bereid heeft; waarvan nooit ten volle gepredikt, geschreven, of gedacht kan worden, aangezien het nooit in ‘s mensen hart is gekomen, om het te beschouwen. Aldus uw HoogEd. aanbevelende aan de rijke genade van onze Heere Jezus, ben en blijf ik

      Uw HoogEd. zeer gedienstig gehoorzame in Jezus Christus, Samuel Rutherford

      St. Andries

       

    209. Aan de recht eerwaarde vrouw, mevrouw Boyd
    210. Mevrouw!

      Ik twijfel niet, of de schuld van veel meer dan gewone gunstbewijzen aan dit land, legt veel schuldigheid op deze natie. De Heere heeft ons in Zijn boeken gesteld als een begunstigd volk, in ‘t gezicht van de volkeren; maar wij betalen Hem de rente van Zijn wijngaard niet. En wij mochten een Evangelie goedkoper gehad hebben dan wij dit Evangelie hebben; doch het zou maar zoveel leven gehad hebben, als de inkt en het papier heeft: wij staan aan Hem verbonden, die enigerwijze ons Zijn liefde opgedrongen heeft, en ons als tegen onze wil wilde liefhebben.

      Aangaande het lezen van gebeden uit een boek, mevrouw, ik kon er in Gods Woord nooit gebod, belofte of praktijk voor zien. Onze kerk heeft het nooit goedgekeurd; maar de mensen namen die op, door hun eigen verkiezing. Gods Woord maakt het lezen, 1 Tim. 4:13, en ‘t bidden, 1 Thess. 5:17, twee verscheidene godsdiensten; in ‘t lezen spreekt God tot ons, 2 Kon. 22:10,11. In ‘t bidden spreken wij tot God, Ps. 22:2; 28:1. Nooit heb ik geloof gehad, om daar goed van te denken. Naar mijn zwak oordeel zou het goed zijn, dat ze uit de dienst Gods waren; ik kan niet oordelen, dat die gelezen gebeden een vrucht of uitwerking zijn van de geest van de kinderaanneming, omdat de gebruiker van zulke gebeden niet zeggen kan: Laat de redenen mijns monde. en de overdenking mijns harten welbehaaglijk zijn voor Uw aangezicht, O Heere mijn Rotssteen en mijn Verlosser; dat Gods dienstknechten behoren te zeggen van hun gebeden, Ps. 19:14. Want zulke gebeden zijn overdenkingen, opgesteld in papier en inkt, en zij kunnen niet zijn de overdenkingen van ‘t hart van hem die ze gebruikt; de heiligen gebruikten ze nooit, en God gebood ze nooit; en nergens kunnen wij een belofte lezen, dat God enige getreden zal horen, dan het uitstorten van de ziel tot God. Wat aangaat afscheiding van een godsdienst wegens enige dwalingen in een kerk, alsmede de independentie (onafhankelijkheid) van enkele vergaderingen, en gemeenten van zichtbare heiligen, en andere stellingen van de Brounisten, zij zijn strijdig tegen Gods Woord. Ik heb een traktaat te Londen onder de pers, tegen deze bevattingen, als zijnde dingen, die Gods Woord niet hebben tot hun bevestiging, De Heere legge het hen niet ten laste, die van ‘t Verbond Gods met dit land afwijken, om zulke valse ijdelheden te volgen. Ik heb onlangs uw dochter, mevrouw Adrofs gezien, de Heere heeft haar een kind en verlossing gegeven. Nu bevelende uw hoogEd. aan de rijke genade van Christus, blijf ik

      Uw zeer gedienstig gehoorzame in Christus, Samuel Rutherford

      St. Andries

       

    211. Een brief van Samuel Rutherford, staande voor zijn predikatie over Dan. 6:26 te Londen op een vastendag, de 31e januari 1644
    212. Waarde lezer!

      Of de tijd, of de gewoonlijke wijze van mij verkregen heeft, dat deze predikatie zou komen onder het opzicht van uw gunstig oordeel, kan ik niet licht zeggen; maar u hebt ze, zoals zij is; alleen zal ik, in ‘t overzien ervan, hartelijk uw ernstige gedachten verzoeken over deze navolgende overwegingen. Vooreerst: hetgeen ik hier spreek van God en van Zijn voortreffelijkheid, is maar een schaduw van de uitdrukkingen van anderen; en ‘t geen anderen, ‘t zij mensen of engelen kunnen zeggen, is maar een korte en ruwe schaduw van dat oneindig Al, de hoge Jehovah, Schepper van hemel en aarde. Zo komen dan mijn gedachten voort, als schaduwen van schaduwen; want daar behoorde veel honig in de inkt te zijn, veel van de hemel in ‘t hart, veel van God in de pen van zulk een, die van zo’n uitmuntend hoge stof spreekt. Doch indien deze dingen uw hart aandoen, zo zal ik misschien hierna meer zeggen; maar indien niet, ik zal wensen, des Heeren hoogsten lof niet te verderven met mijn lage kruipende slechte uitdrukkingen. Ten andere: belangende Gods bedeling nu in Brittannië, en de staat van zijn Kerk daar, zal ik u in alle ootmoedige zedigheid moeten bidden, dat u deze gedachten daaromtrent mede in uw hart laat komen. 1. Laat des Heeren allerwijste bedeling, in een goede zin en duiding naar de liefde opgenomen worden; en gelooft, dat Hij die Zijn vuur in Zion, en Zijn oven te Jeruzalem heeft, Jes. 31:9, het goed vindt, dat Christus’ kruis zou zijn het geboorterecht van Christus’ kerk, en dat een lijfrente van verdrukking een zekerder weg voor Zion is dan zomerse dagen. 2. U moet zich daaraan niet stoten, dat God Zijn tijden niet schikt naar de mensen hun begrippen, wanneer te regenen, wanneer schone zonneschijn te geven; ook moet het leem de Meestersstoel niet aanmatigen, en de zaken betwisten, zodat ze de alwijze Voorzienigheid tot een schoolvraag zouden maken, of vragen: Waarom is ons Zion, de twee koninkrijken, gebouwd met dode lichamen van de mensen, zijnde gevallen als mest op het open veld, en als een garve achter de maaier? Jer. 9:22. Waarom is de muur van de dochter Zions met bloed besprengd? Één ding weet ik, het is beter te geloven, dan te krakelen, en beter te aanbidden, dan te twisten met Hem, Die geen rekenschap van Zijn zaken geeft. 3. Onnozelheid in deze tijden is beter dan ‘t hof te volgen met de vorsten; en de staat van de erfgenamen van de hemel, ja hun tranen zijn beter, dan de vreugde van de huichelaar. 4. Christus’ kerk kan niet ontgaan, noch uitstellen zo’n deel van verdrukking, als geschreven is in Gods boek. Het is een staand en blijvend hof, dat besloten heeft, hoeveel greinen van gal en alsem Engeland drinken moet, en wat voor een drinkbeker voor Schotland bereid is. de weegschaal van de wijsheid heeft bij onsen gewicht gewogen, hoeveel toorn zal gemengd worden in de beker van ‘t verwoeste Ierland. 5. U weet, het is in ‘t algemeen de staat van de kerk, indien zij enige zomer heeft, dat het maar één goede dag is tussen twee koortsen; de hemel, de hemel is het huis, en de gewenste dag van de bruid, de vrouw des Lams. 6. Het is veel beter verdrukt, dan schuldig te zijn, en dat de kerk vergeving kan hebben en vrede missen. 7. Dat het geloof, dat kostelijker is dan goud, de duivel kan tarten, zijn ergst te doen; en dat de lijdzaamheid van de heiligen de broosheid van Babylon kan afmatten, op de zomen van welk Babel het bloed van de heiligen gevonden wordt. 8. Dat het nu en voor altijd waarachtig is, dat het alzo zal zijn, gelijk wanneer een hongerige droomt, en ziet, hij eet; maar als hij ontwaakt, zo is zijn ziel leeg; of, gelijk wanneer een dorstige droomt, en ziet, hij drinkt, maar als hij ontwaakt, ziet, zo is hij nog mat, alzo zal de menigte aller heidenen zijn; die tegen de berg Zion krijgen, Jes. 29:8. 9. Wraak is uitgegaan van de Heere tegen degenen, die zich vervrolijken over Zions tranen; en zij moeten sterven de dood van de onbesnedenen, Ezech. 28:10, die met de hand klapten, en stampten met de voet, en van hart verblijd waren in al hun plundering, over het land Israëls, Ezech. 25:6. 10. Zij zijn in geen betere staat, die weigeren de Heere te helpen tegen de machtigen, en welker hart als een steen en als een stuk dood vlees is, omtrent al de schuddingen en slingeringen van Christus’ Koninkrijk. Die dansen, eten en lachen binnen hun eigen palen, en die, wanneer hun begeerten maar hun gewenste gang hebben, ten opzichte van de wereld en zichzelf, niet eens aantrekken, of Jozef in de gevangenis sterft of niet, noch of Zion zinkt of zwemt, omdat, wat zij ook van de godsdienst hadden, het nooit hun voornemen was, zomer en winter met Jezus Christus te hebben. 11. De opgang van de Evangeliezon is gelijk de vervaarlijke verschijning van een nieuwe komeet, voor de vrouw, die op vele wateren zit; die moeder Rome, geplant als een wijngaard in bloed, de leeuwin, wier jongen, de papisten en bisschoppen, Ierland en Engeland, geleerd hebben de roof te vangen; deze komeet voorzegt een wet voor de paus, de koning van de grondeloze put, en voor zijn bloedige vrouw, Babel, indien Christus zal opstaan, en schijnen in de kracht van Zijn Evangelie. 12. God heeft nu alzo groot werk op de raderen, dat belangt de loop van de wagen van Jezus Christus, door de bewoonbare wereld. Bidt, O laat Zijn Koninkrijk komen, en vaart wel.

      De uwe in de Heere Jezus, Samuel Rutherford

      Londen, 1644

       

    213. Aan de recht eerwaarde vrouw de markgravin van Kenmur
    214. Mevrouw!

      Genade, barmhartigheid en vrede zij u. Ik verblijd mij te horen, dat uw Hoog-Ed. in een tamelijke gezondheid is; en ik zal bidden, dat de Heere uw sterkte en rotssteen zijn mag. Gewis, Hij heeft u uit de buik uitgetogen, en op Hem bent u geworpen van de borsten af. Ik verzeker mij, Hij zal u niet verlaten, totdat Hij Zijn begonnen werk in u kroont. Hier is niets dan verdeeldheden in kerk en synode. Want, behalve de Brounisten en Independenten, die onder allen die van ons verschillen, ‘t naast komen aan degenen, die met God wandelen, zijn hier vele andere secten, Wederdopers Libertijnen die voor alle meningen zijn in het stuk van godsdienst, vleselijk en verfoeilijke Antinomianen en zoekers, die voor geen kerks ingestelde godsdiensten zijn, maar verwachten dat de apostelen zullen komen, en hervormen de kerken; en dan nog een wereld van anderen, doch allen tegen de kerkregering door ouderlingschappen. Luther merkte aan, dat wanneer hij trachtte te hervormen, er tweeëndertig verschillende secten opstonden; van al welke ik heb er maar een deel genoemd, uitgenomen die zoekers genaamd worden, die toen nog niet opgestaan waren. Hij zeide, dat God hen zou verbreken, en dat ze weer zouden opstaan; welke beide dingen wij vervuld zien. In de synode hebben wij nu bijna geëindigd het stuk van de kerkregering, en wij zijn handelende van de macht van de synoden; ik hoop, wij zijn daarover nabij een eind, en zo hoop ik binnen korte tijd van dit gevangenhuis verlost te worden. De koning heeft het Vredestraktaat te Oxbridge afgebroken, en hij kleeft aan zijn zoete bisschoppen, en wilde niets verminderen, dan een weinig van de strengheid van hun vierscharen, en een opschorting van de wetten tegen de ceremoniën, maar hij wil deze niet weggenomen hebben. Dat de wapenen daar in Schotland geen voorspoed hebben, schrijft men hiertoe aan de zonden van ‘t land, en in ‘t bijzonder aan de verdeeldheden en aan velen hun afwijken van de zaak Gods, en aan geen recht te doen tegen bloedige Malignanten. Mijn vrouw, zijnde hier onder dokters handen, doet haar gedienstige groet aan uw Hoog-Ed. Dus u bevelende aan de rijke genade van Christus, blijf ik

      Uw HoogEds. zeer gehoorzame in Christus, Samuel Rutherford

      Londen, 4 maart 1644

       

    215. Aan de recht eerwaarde vrouw, mevrouw Boyd
    216. Mevrouw!

      Genade, barmhartigheid en vrede zij u. Ik heb uw brief de 19e mei ontvangen. Wij zijn hier met veel strijd samen redetwistende, over de rechte maat van des Heeren Tempel. Het behaagt God, dat de vijanden soms het gebouw van ‘s Heeren huis verhinderen; maar nu zijn er vrienden, ja begenadigde mannen, zoals ik van hen oordeel, die niet weinig het werk verhinderen. Thomas Goodwin, Jeremias Burroughs, en enige anderen vier of vijf, die voor de Independenterij zijn, staan in onze weg, en zijn machtige tegenstanders van de Presbyteriaanse regering. Wij hebben enige voorstellen er doorgehaald voor het schriftuurlijk recht van het ouderlingschap, inzonderheid in de Kerk van Jeruzalem, Hand. 2, 4, 5, 6 en 15, en in de Kerk van Efeze, en wij gaan voort tot andere gronden van de waarheid; en in ‘t voorbijgaan hebben wij bewezen, dat de bevestiging van de herders geen enkele Kerk toekomt, maar aan het college van de ouderlingen, wiens werk het is, de handen op te leggen op Timotheüs en anderen, 1 Tim. 4:14; 5:17; Hand. 13:1,2,3; 8:5,6. Wij moeten nu bewijzen, dat een enkele gemeente geen macht heeft om uit te bannen, dat niet alleen van Independenten, maar ook van vele anderen wordt tegengestaan. In waarheid, wij hebben veel droefheid des geestes met dit werk; en wat mij aangaat, ik wanhoop dikmaals aan de hervorming van dit land, hetwelk nooit iets gezien heeft dan de hoogten van zijn vaderen, en de overblijfsels van Babylons besmettingen; en behalve als dat woord, niet door kracht, noch door geweld, maar door des Heeren Geest, zo zou ik denken, dat God het nog geen tijd geoordeeld heeft voor Engelands verlossing: want aldus staat het daar; de beste van hen hebben bijna gezegd: een halve hervorming is zeer fraai in ‘t eerst; hetwelk niet anders is, dan: het is nog geen tijd om ‘t huis des Heeren te bouwen; en om die reden zijn vele grote en schone huizen in het land verwoest. Alhier zijn menigten van wederdopers, Antinomianen, Familisten, en Separatisten; de beste van het volk zijn Independenten. Mij aangaande, ik weet niet meer, of er een oprecht Christen, uitgezonderd enige, ja niet weinige geleerden, enige ijverige en getrouwe leraars die ik ontmoet heb, te Londen is, hoewel ik niet twijfel, of er zijn er velen, dan of ik in Spanje was, dat mij God doet geloven, dat de gemeenschap der heiligen, hoe begeerlijk zij ook is, nochtans de zaak niet is, te weten die grote zaak, Christus, en vergeving van de zonden. Indien Jezus zich vreemd hield, gelijk Zijn leden zich omtrent mij vertonen, ik zou in een droevige en bezwaarde staat zijn. Het Hogerhuis bestaat uit verrotte mensen, en zij haten onze afgevaardigden, en onze zaak beide. Het leven dat er is, is in het huis van de gemeente; en vele ervan hebben ook hun godsdienst noch te verkiezen. De smarten van een barende vrouw zijn over ‘t land gekomen. Ons leger ligt omtrent Jork; en zij hebben die van Nieuwkasteel geblokkeerd, en nog zesduizend roomsen en Melignanten, met Mr. Thomas Sydserf, en enige Schotse bisschoppen; en indien God hen in hun handen geeft, in aanmerking genomen hoe sterk de legers van het Parlement zijn, hoeveel overwinningen God hen gegeven heeft, sinds zij met Hem in ‘t verbond zijn gekomen, en hoe zwak de koning is, zo mocht men denken, dat het land nabij zijn verlossing is; maar ik wens het meer, dan ik het geloof. Wij hebben heden aan de Synode een deel van een kerkorde voor de godsdienst opgedragen, om het dienstboek uit te schoffelen. Het is door de vergadering in overweging genomen. Uw zoon Lindsey is gezond. Ik ontvang bijna elke week brieven van hem.

      Uw zeer gehoorzame in de Heere, Samuel Rutherford

      Londen, 25 mei

       

    217. Aan juffrouw Taylor
    218. Juffrouw!

      Genade, barmhartigheid en vrede zij u. Hoewel ik geen wereldse maagschap of kennis met u heb; nochtans, op het getuigenis en aanhouden van uw oudste zoon, die nu te Londen is, alwaar ik ben, doch voornamelijk, omdat ik Jezus Christus in u acht te zijn in plaats van alle betrekkingen, neem ik de vrijmoedigheid, om mijn gedachten aan u te zeggen, aangaande uw zoon, die onlangs in de Heere ontslapen is, die enige tijd is geweest onder de predikdienst van de waarde dienstknecht van Christus, mijn medearbeider Mr. Blair, en door wiens bediening ik hoop, dat hij geen klein voordeel gehad heeft. Ik weet, dat de genade de genegenheden van een moeder niet wegneemt maar ze in handen stelt van Hem, Die alle dingen nieuw maakt, opdat ze gezuiverd mogen worden; zo is ‘t u dan toegestaan, droefheid te hebben wegens een dood kind, hoewel met mate, en met onsen gewicht; de verlosten des Heeren hebben geen heerschappij of eigendom over hun droefheid en andere hartstochten, om Christus’ goederen naar hun welgevallen te verkwisten; want u bent niet van uzelf; u bent duur gekocht, ook is uw droefheid uw eigen niet, ook heeft Hij u niet ten halve verlost; en daarom u moet Christus’ kruis niet maken tot geen kruis. Hij gebiedt u te wenen, en die vorstelijke Heiland, Die een mensenhart met Zich naar de hemel genomen heeft, om een barmhartig Hogepriester te zijn, is uw Metgezel op aarde geworden, door te wenen over de doden, Joh. 11:35. En daarom moet u dat kruis liefhebben, omdat het eens op Christus’ schouderen is geweest, lang voor u; zodat Hij uw kruis door Zijn Eigen praktijk verguldt, en met de Middelaarsluister overkleed heeft; de drinkbeker, die u drinkt, was aan de mond van de zoete Jezus, en Hij dronk er uit, en zo heeft ze een geur van Zijn adem. En ik oordeel dat u er niet minder gelegenheid toe hebt, omdat ze zo gesuikerd is, drink dan, en geloof de opstanding van uw zoon zijn lichaam. Indien er een kool van de hel kon vallen van het verhoogde Hoofd Jezus, Jezus de Vorst van de koningen van de aarde, en mij tot as verbrandende, zo ik wist dat ik een deelgenoot met Christus was, hoewel de onwaardigste van de mensen, ik oordeel, dat ik een beminnelijke dood met Hem in dat vuur sterven zou. De ergste dingen van Christus, zelfs Zijn kruis, hebben veel van de hemel bij zich door Hem; en zo heeft ook uw christelijke droefheid, als bestaande Christus in die soort. Indien uw droefheid een bastaarddroefheid was en niet van Christus’ huis afkomstig vanwege de betrekking, die u op Hem hebt, in de gelijkvormigheid met Zijn dood en lijden, ik zou mij temeer ontfermen over uw staat. Maar de vriendelijke en meedogende Jezus is op iedere zucht, die u geeft over ‘t verlies van uw nu verheerlijkte zoon, zo geloof ik, gelijk het betamelijk is, roepende met een mensenhart: half Mijn. Ik ben bij zijn dood niet geweest, geroepen zijnde uit het koninkrijk; maar u zult geloof geven, die ik geloof geef, en ik durf niet liegen, hij stierf troostelijk. Het is waar, hij stierf, voordat hij Christus zoveel dienst op aarde deed, als ik hoop en hartelijk wens, dat uw zoon Mr. Hugo die mij zeer lief is in Jezus Christus, zal doen. Maar dat zou een dadelijke stof van droefheid zijn, indien dit het niet kon tegenover wegen, dat hij wel van diensthuis veranderd is, maar dat hij niet veranderd is van dienst, of Heere, Openb. 22:3. En geen vervloeking zal er meer zijn, en de troon Gods en des Lams zal daarin zijn, en zijn dienstknechten zullen Hem dienen; hetgeen hij doen kon in dit Lagerhuis, in die dienst is hij nu in het Hogerhuis, en ‘t is al hetzelfde, ‘t is dezelfde dienst, dezelfde Heere, alleen is er een verandering van staten; en u mag het geen kwade koop rekenen voor uw geliefde zoon, daar hij goud voor koper, een eeuwigheid in de plaats van de tijd heeft. Ik geloof, dat Christus u geleerd heeft, want ik geef geloof aan zulk een getuige, u aangaande, als uw zoon Mr. Hugo is, niet bedroefd te zijn, omdat hij gestorven is; maar al de zwarigheid moet zijn: hij stierf te vroeg, hij stierf te jong, hij stierf in de morgen van zijn leven; dat is ‘t al; maar de soevereinheid moet uw gedachten tot stilzwijgen brengen. Ik ben eens in uw staat geweest; ik had maar twee kinderen en zij zijn beide gestorven. sinds dat ik hier kwam. De opperste en volstrekte Formeerder van alles geeft geen rekenschap van enige van Zijn zaken, de goede Landman mag Zijn rozen plukken, en Zijn leliën ingaderen in ‘t midden van de zomer, en ik durf niet anders zeggen, ook in het begin van de eerste zomermaand; en Hij mag de jonge bollen verplanten uit de lagere grond tot de hogere, alwaar zij op al de getijden van ‘t jaar meer zon en vrijer lucht mogen hebben; wat raakt u of mij dat? De goederen zijn Zijn Eigen. De Schepper van tijd en winden deed een barmhartig ongelijk, indien ik dit woord mag ontlenen, aan de natuur, als Hij de reiziger zo vroeg deed landen; zij hebben de zee al te lief, die over een schone wind en wenselijk getij klagen, en wegens dat ze spoedig aan land komen, inzonderheid daar aan land komen, waar al de inwoners eeuwige vreugde op hun hoofden hebben. Uw zoon kan niet te vroeg in de hemel zijn; zijn twaalf uren waren geen korte uren. Daarenboven merk dat aan; indien u aan de zijde van zijn bed had gestaan, en u Christus tot hem had zien komen, u zoudt en u kon Christus, vrije liefde niet uitgesteld hebben, die hem niet langer wilde missen; en het heeft niet veel in, te sterven in een ander land, waar Zijn moeder zijn ogen niet kon sluiten: wie sloot Mozes’ ogen? En wie deed hem zijn grafkleed aan? Zoveel ik er van weet, noch vader, noch moeder, noch vriend, maar God alleen. En er is zo’n korte, schone, en gemakkelijke weg tussen Schotland en de hemel, alsof hij zelfs in ‘t bed, waarin hij geboren was, gestorven was. De gehele aarde is zijns Vaders; iedere hoek van zijns Vaders huis is goed genoeg, om in te sterven. Misschien is het levende kind, ik spreek niet van Mr. Hugo, u meer droefheid dan het dode. U moet wachten, of God hem op enige tijd bekering zal geven; Christus wachtte licht al zolang naar u en mij, gewis langer naar mij; en indien Hij hem bekering zou weigeren, zo kon ik wel iets daartoe zeggen: maar ik hoop betere dingen van hem. Het schijnt dat Christus u deze wereld tot een stiefmoeder wil hebben; ik heb daarom niet minder zin in uw staat. Het kan een bewijs zijn, dat u geen kind van dit lager huis bent, maar een vreemdeling. Christus acht het niet alleen goed voor u, maar uw enig goed, aldus naar de hemel geleid te worden. En acht dit een gunstbewijs, dat Hij vrije, vrije genade, dat is barmhartigheid zonder loon, aan u verleend heeft; u hebt er niets voor betaald. En wie kan een prijs stellen op iets van de koninklijke en vorstelijke Jezus Christus? En dat God u gegeven heeft, voor Hem te lijden de beroving van uw goederen, acht dat ook een daad van vrije genade. U doet geen verlies, hebbende Hemzelf; en ik verzeker mij, kon u Christus recht schatten, niets kon u bitter zijn. Genade, genade zij met u.

      Uw broeder en welwenser, Samuel Rutherford

      Londen, 1645

       

    219. Een brief van Samuel Rutherford, staande voor zijn predikatie over Luk. 8:22 enz. te Londen op een vastendag, de 26e juni 1645
    220. Waarde lezer!

      Gelijk de tekst van ‘t boek van de goddelijke voorzienigheid is de Kerk, en de bruid van Jezus Christus: want iedere regel, woord en letter daarvan heeft een noodzakelijke betrekking op dat lichaam, waarvan Christus het Hoofd is; zo schijnen al de trekken en handelingen van de Voorzienigheid omtrent alle schepselen, ja ook omtrent de duivelen, en de haters van Zion, maar aantekeningen aan de kant van dit grote boek. Er zijn vele wonderen en diepten in dit boek; en de Heere schept zelfs voor onze ogen in deze ouderdom van de wereld nieuwe dingen en wonderen in Brittanië. 1. Het is de goddelijke wijsheid zeer wel voegende, bekwamelijk de tijd te stellen van het lachen en het wenen van de kinderen der mensen, en van het triomferen van de goddelozen en hun voorspoed; het leggen in zak en as, en de tranen van de gevangene van hoop, schijnen duistere en verborgen hoofdstukken van het boek te zijn; inzonderheid omdat wij handelen naar de zinnen, en naar de schijn van de dingen; want wij zien niet, hoe God Zijn vijanden heeft gesteld op gladde plaatsen, en dat de troon, waarop het verborgen Babel zit, van kristal glas gemaakt is, en dat de pilaren van die niet anders zijn dan stokken van vergulde aarde. De kinderen Gods zouden hun tranen niet willen verwisselen met de blijdschap van de goddelozen. O dat wij genade hadden, om een volle zinsnede te lezen, en dat met het gevoelen van een godheid, lezende zo in de afdeling van het traktaat van de Voorzienigheid: wij halveren beide Gods Woord en Gods werken; het verkeerd lezen van God in Zijn wegen, verderft de ware zin en ‘t oogwit Gods in zijn werken. Het licht van het geloof maakt ons leesbaar, dat het gezicht in het einde zal spreken. en niet liegen, en dat het licht voor de rechtvaardigen gezaaid is, zo moet men dan de oogst hopen; en wij dwalen niet weinig, als wij enige andere uitlegging maken, van ‘t korte gejuich van de goddelozen, en over de vreugde van de huichelaar voor een ogenblik, zelfs wanneer zijn hoogheid tot de hemel toe opklimt, en zijn hoofd tot aan de wolken raakt; Job. 20:5,6; dan dat zijn gouden hemel niet alleen doorstreept is met zilveren kwellingen en ellenden. maar ook dat hij naar ‘t graf, en naar de binnenkameren van de hel nederdaalt in een ogenblik. 2. Dit schijnt ons duister, dat al de erfgenamen van een erfenis niet hetzelfde gevoelen, en hetzelfde spreken. Doch er is ook in de Apostolische Kerk enige onenigheid geweest, 1 Kor. 1:10, Filip. 2:1, Rom. 15:5, Gal. 5:10. Òf er moet in deze koninkrijken meer liefde, en minder waan van gevoelen en oordeel zijn, òf wij hebben te vrezen, dat God ons tot eenheid zal moeten bewerken door ‘t zwaard van de algemene vijand; doch wij konden de eenheid goedkoper krijgen. 3. Het is een verborgenheid, maar ‘t is ook van de Heere, Die wonderlijk is van raad, dat de waarheid moet gesleept worden door beken van bloed. 4. Dat een kerk groen en bloeiende is, en schoonheid, heerlijkheid en leven uitwasemt in het vlammende vuur; dat de wreedheid, loosheid, wijsheid, en de raadslagen van de volkeren rondom Brittanië, en zoveel bloedige mensen binnen onze ingewanden, in de drie koninkrijken, ons doden, en ziet wij leven, zij verdrukken ons, en wij zijn niet benauwd, zij maken ons twijfelmoedig, en wij zijn niet mismoedig, Zij vervolgen ons, en wij zijn daarin niet verlaten, zij werpen ons neer, en wij zijn niet verdorven, 2 Kor. 6:9; 4:8,9. Wat een levende dood? Wat een ademend en triumferend graf is dit? Wat een schijnende duisternis? Wat een verblijdende droefheid is hier? 5. Wij verwonderen ons, dat onze oorlogen niet teneinde zijn, maar Gods gedachten zijn niet als onze gedachten, wanneer God Zijn juwelen en dierbare gelovigen door het zwaard uit deze koninkrijken heeft weggenomen, zo is het eer, gelijk het durend branden van ‘t huis, dan enig waarschijnlijk eind van onze ellenden. 6. Nochtans, wanneer God Jakobs heerlijkheid zal verdund hebben, en de vettigheid van zijn vlees zal mager geworden zijn, moeten wij dan niet in stilheid en hoop geloven, dat er een overblijfsel zal behouden worden? En dat dan nog een nalezing van de druiven zal gelaten worden in de koninkrijken, gelijk in de afschudding eens olijfbooms twee of drie bezijden in de top van de opperste twijg, en vier of vijf aan zijn vruchtbare takken, spreekt de Heere, de God Israëls, Jes. 17:4, 6. De Heere verhaaste Zijn werk, en make ons rijp door vernedering, en kering tot Hem, Die ons geslagen heeft, tot de dag, die de Heere staat voort te brengen uit de buik van Zijn besluit des vredes, wanneer het licht van de maan zal zijn als het licht van de zon, en het licht van de zon zevenvoudig zal zijn, als het licht van zeven dagen. Vaartwel.

      De uwe in de Heere Jezus, Samuel Rutherford

      Londen, 1645

       

    221. Aan Barbara Hamilton
    222. Waarde vriendin!

      Genade zij u. Tegen mijn wil schrijf ik u, aangaande ‘t geen de Heere gedaan heeft, omtrent uw schoonzoon: alleen dit beweegt mij. Ik geloof, u ziet niet lager dan op Christus, en de hoogste en opperste daad van de Voorzienigheid, Die alle raderen beweegt; en gewis, al wat neerkwam, vastgesteld en besloten in ‘t grote boek voor de troon, en getekend en onderschreven met de hand, die nooit iemand verongelijkte, behoorde van ons gekust en aangebeden te worden. Wij zien Gods besluiten, wanneer zij haar vruchten, al de dagen, goede en kwade, zoete en zure, in de tijd voortbrengen; maar wij zien niet terstond de nageboorte van Gods besluit; te weten Zijn gezegend eind, en het goede dat Hij voortbrengt uit de buik van Zijn heiligen en onbesmette raad; wij zien Zijn werk en wij zijn bedroefd: het eind van Zijn raad en werk ligt verborgen en onder de grond, en daarom kunnen wij niet geloven: zelfs onder de mensen is het zo. Wij zien gehouwen stenen, timmerhout, en honderd verstrooide stukken en delen van een huis, allen zijnde onder de werkgereedschappen, hamers, bijlen en zagen; doch wij zien noch verstaan voor tegenwoordig niet het huis, de schoonheid en ‘t gemak van zoveel vertrekken en bekwame plaatsen; deze zijn nog maar in ‘t hoofd en in de hersenen van de bouwmeester; zo zien wij rode aarde, ongebroken kluiten, voren en stenen, maar wij zien nog de zomerleliën en rozen, en de schoonheid van een hof niet. Indien u de Heere tijd geeft om te werken, gelijk menigmaal hij die gelooft, haast, maar niet spoedig, zijn eind is onder de grond; en u zult zien, dat het u ten goede was, dat uw zoon van woonplaats, maar niet van Meester veranderd is, Christus vond goed, niet meer van zijn dienst hier te gebruiken, doch zijn dienstknechten zullen Hem dienen, Openb. 22:3 Hij heeft ons of onze dienst niet nodig, noch op aarde, noch in de hemel; maar u moet op Hem zien, die Zijn dagloner beide zijn afscheid en zijn loon geeft, zowel voor zijn enkel oogmerk en voornemen, om Christus te dienen, als voor zijn arbeid; het staat opgetekend in Christus’ rekenboek, zo’n arbeider zweette veertig jaren in Christus’ wijngaard, hoewel hij geen verlof kreeg om zolang te werken, omdat Hij, Die de wil voor de daad aanneemt, het zo rekent. Niemand kan de Heere leren, rekeningen te maken. Hij telt de regendruppelen en kent de sterren bij naam; het zou ons veel studeren kosten, om aan iedere ster in ‘t firmament, grote of kleine, een naam te geven. Let op de tekst, Lev. 10:3: Doch Aäron zweeg stil. U weet, zijn twee zonen werden gedood, terwijl zij de Heere vreemd vuur offerden; gebied dan uw gedachten stil te zijn. Indien de soldaten van Newcastle dit gedaan hadden, u mocht er moeilijk op geworden hebben; maar het wapen was in een Ander Zijn hand. Hoor de roede, en wat zij predikt, en zie Gods Naam, Micha 6:9, en weet, dat er iets van God en van de hemel in de roede is. Men ziet in de roede niet de majesteit van de ondoorzoekelijke en grondeloze wegen en oordelen Gods; nu om die te zien, worden de ogen van een man van wijsheid vereist. Indien het lijden van enige anderen nevens u in dat verlies u kon verlichten, die ontbreken u niet. Maar Hij kan geen ongelijk doen; Hij kan niet hinken. De gangen van Degene, Die het gedaan heeft, zijn effen. Ik weet, dat onze Heere meer dodiging van de zonde beoogt; laat Hem niet tevergeefs in uw huis komen, en de moeite verliezen van een genadig bezoek; God, de Smelter, smelt nooit tevergeefs, hoewel Hij ten opzichte van ons menigmaal beide, het vuur en ‘t metaal, schijnt te verliezen. Maar ik weet, u bent meer in dit werk bezig, dan ik kan zijn. Daar is geen reden van te bezwijken of moe te worden. De genade zij met u, en dat de rijke vertroostingen van Jezus Christus, uw kruis verzoeten, en u daaronder ondersteunen. Ik blijf

      De uwe in zijn Heere en Meester, Samuel Rutherford

      Londen, 15 okt. 1646

      N. B. Deze navolgende twee brieven van Mr. Rutherford staan voor zijn boek, genaamd: "Het ware recht van de ouderlingschappen," of: "Bescherming van de Regering van de Kerk van Schotland".

       

    223. Aan de HoogEdele en zeer machtige heer Archbald, Markies van Argyl
    224. Genade, barmhartigheid en vrede!

      Wie weet, zeer edele en machtige heer, hoe heerlijk en prijzenswaardig het is, als de Machtige, en die genoemd worden de Schilden der aarde, en de Cederen van de Libanon, hun schaduw uitstrekken over de stad Gods? Winderige verstanden, en gebroken geesten jagen naar een naam, maar de Naam en eer zullen Hem nagaan, die is, gelijk de Geest Gods spreekt, ben chajil, een zoon van kloekmoedigheid, en een die vele daden (rab pegnalim) voor de Heere gedaan heeft. De volgers van Christus zijn de zonen van de edelen. Omnis sanguis concolor, alle bloed is van één kleur, de heiligheid maakt het onderscheid. Fortuna vitrea est, tum cum splendet, frangitur; de dingen waar wij hier op rusten, zijn van kristal gemaakt, terwijl zij blinken, breken zij, Plutes tegit fortuna, quam tutos facit; de wereld mag de mensen dekken, zij kan ze niet zeker maken. Maar de Heere is een Zon en een Schild. Wat heeft Jezus Christus op de aarde, dat Hij liefheeft, gelijk Hij Zijn kerk liefheeft? Welk een geschapen stuk werk is de kerk? Een vrouw met de zon bekleed, met de maan onder haar voeten, en op haar hoofd een kroon van sterren. Zelfs haar dienaars zijn de eer van Christus. Nochtans is deze arme vrouw in Brittannië; roepende, in barensnood en in pijn, totdat zij verlost is, vanwege de afgoderij des lands, en onze afval, bedacht, begunstigt, en verdragen in beide de koninkrijken. Vele graven, vele weduwen, en ‘t land in een bloedveld gekeerd, dat zijn de rechtvaardige vruchten van veel altaren, misgoden, broodaanbidding, en van vele mensenvonden. Laat haar een Naam hebben, en bloeien in ‘t huis des Heeren, en laat ze opgeschreven worden met de levenden in Jeruzalem, die hun hulp toebrengen tot de gewenste geboorte van de mannelijke Zoon. De bisschoppelijke regering en papisterij verwelken als in een land van droogte, zo zij niet geplant zijn nevens rivieren van bloed. Maar de Heere zal Zijn Eigen Jeruzalem bouwen. Uw eer mag met recht deze kleine uitdrukking van mijn verplichte eerbied aan uw Hoog-Ed. vereisen. Ik erken, ‘t is maar weinig, hoewel het enig gebruik kan hebben. Etiam capillus unus habet umbram suam; een haar geeft ook zijn schaduw. Onmacht om zijn schuld te betalen, legt op niemand het brandmerk van ondankbaarheid, tenzij het onmacht was van goedwilligheid. Indien ik niet een schuldenaar ben van een goede wil, zo ben ik niets. En dit ben ik schuldig, en deze kerk en natie mag de som met mij delen; waarvoor ik, wensende uw Hoog-Ed. rijkdom van genade, verplicht sta.

      Uw HoogEds, dienaar in alle schuldige gehoorzaamheid in Christus Jezus, Samuel Rutherford

      Londen, 1644

       

    225. Aan de lezer
    226. Waarde lezer!

      Twee gelukkige zaken zijn er, gelijk een Cassianus zegt. Het ene is, niet te dwalen; het andere is, van de kracht van de dwaling te ontkomen. De buik van de tijd brengt vele waarheden voort, hoewel de waarheid geen schuldenaar is aan de tijd, omdat de tijd de oude waarheid nieuwe kleren aantrekt. Maar de waarheid is Gods schuldenaar, en zij is haar wezen aan Hem alleen schuldig. Het is een groot kwaad onder de zon, en ‘t is krankheid van de mensen hun ijdelheid, dat de naam van heilige lieden een web zou zijn, om daarvan klederen te maken voor nieuwe gevoelens. Doch de dwalingen van de heiligen hebben geen witheid noch heiligheid van de mensen. En ‘t is een ongelijk, dat de lof van de mensen zou wezen het nadeel van de waarheid, en de mensen hun winst ‘t verlies van de waarheid. Doch ik zou hartelijk wensen, dat de mensen hierin de kunst van de diepe Voorzienigheid mochten aanmerken; want de Schepper gebiedt de duisternis, dat ze haar geboorte van licht voortbrengt; en God bedwingt zo de mensen hun dwalingen met een wijze overheersing, dat recht strijdig tegen de weg van de natuur, de waarheid ontstaat uit de sloten van de meningen tegen elkaar; en de twisten gelijk een geslagen kleisteen, werpen vuur uit tot licht; en zo verwekt God uit het stof en as van dwalingen een nieuwe levende waarheid. Alle dwalingen, misvattingen of ketterijen, die er geweest zijn omtrent de kerkelijke regering, daar heeft de wakende en nooit sluimerende wijsheid van de Voorzienigheid uit te voorschijn doen komen de gezonde leer van Gods koninkrijk. Zo snijdt hier de Satan het laken, en God naait en maakt het kleed. Dwaling is maar droesem, waaruit door het kunstwerk van de alles uitwerkende Voorzienigheid sterke en hartverkwikkende wateren gezuiverd worden. En ‘t geen de antichrist heelt begrepen voor een bisschoppelijke regering, en menselijke plichtplegingen, daartegen heeft Christus Zijn twee getuigen in Brittannië, om voorspraken te zijn voor de waarheid en natuurlijke eenvoudigheid van Zijn Koninkrijk.

      Maar ik wens hartelijk, niet te verschijnen als een tegenpartijder tegen heilige, eerwaarde en geleerde broederen, die voor de waarheid geleden hebben; want daar is een wijd onderscheid tussen twisten en disputeren: Waarom zouden wij twisten? Want wij zijn mannen broeders, de zonen van één Vader, de geboren burgers van één moeder Jeruzalem. Te disputeren is niet twisten; wij twisten, voor zoveel wij vleselijk zijn, wij disputeren, voor zoveel wij mensen zijn. Wij voeren krijg uit onze wellusten, wij disputeren uit de verscheidenheid van sterrenlicht en daglicht; zwakheid is geen goddeloosheid; een reveling van ‘t verstand moet niet gerekend worden een weerspannigheid van de wil; een kranke lijfmoeder kan van een dood kind scheiden, en nochtans een moeder zijn van veel gezonde kinderen. En terwijl onze eerwaarde en lieve broederen, vliedende de kusten van Egypte en de goddeloze landpalen van Babylon, beogen te landen aan de waarheid, kan de wind goede zeilers wel bedriegen. Natuurlijke landbewegingen, gelijk wanneer zware lichamen zich neerwaarts bewegen naar hun eigen lemen land, zijn op een rechte lijn. Maar zeebewegingen van ‘t zeilen, zijn niet door rechte lijnen, maar eer door zeecirkels. Menigmaal redekavelen en disputeren wij, gelijk men zeilt. Waar genade en ‘t gewicht van de Schrift de beweging maakt, daar wasdelen wij in een rechte lijn naar God toe. Maar waar de mening, een bode alleen uitgezonden, om ‘t land van de leugens en van de waarheid te verspieden, op zich neemt, ons te geleiden? Wat wonder dan, dat wij eerder omtrent de waarheid heen gaan, dan dat wij bij de waarheid verblijf krijgen. Christus koninkrijk, scepter, heerlijkheid, en Babels val zijn het stoffelijk voorwerp van gevoelens aan beide zijden. Nochtans heeft Gods Woord een recht middelpunt, dat geen deling kan lijden. In Gods zaken is niet, gelijk in de letterkunst, een stellige en vergelijkende trap (gradus positivus et comparativus). Hier is niet waarheid, en meer waarheid, en meest waarheid. De waarheid is een ondeelbare lijn, die geen wijdte heeft, en geen splijting kan toelaten; en daarom mogen wij gebruik maken van het woord van de wijsgeer, Amicus Socrates, Amicus Plato, sed magis amica veritas: Hoewel Petrus en Paulus onze geliefde vrienden zijn, zo is toch de waarheid een liever vriend. De Babelskinderen maken geroep van verdeeldheden en verscheidenheid van godsdienst, maar iedere mening is geen nieuwe godsdienst. Maar waar zal een menigte van goden te krijgen zijn voor een menigte van nieuwe wegen naar de hemel? Indien een hemel geen twee goden kan bevatten, hoe zullen dan alle papisten verblijven na de dood? Wat sterrenkunst zal ons leren van miljoenen van hemelen voor Thomisten, Scotisten, Franciscanen, Dominicanen, Sorbonisten, enz. Maar ik laat daarvan af, en bid de lezer, dat hij oprecht en eenvoudig handelt, in alles te overwegen; van Formalisten en bisschoppelijke mannen die op weg naar Babel zijn, mag ik dit wensen, maar ik kan het niet hopen. Vaarwel.

      De uwe in de Heere, Samuel Rutherford

      Londen, 1644

       

    227. Aan juffrouw Hum
    228. Lieve zuster!

      Genade, barmhartigheid, en vrede zij u. Indien u iets beters hebt, dan de man van uw jeugd, daarvoor bent u Jezus Christus tot schuldenaar; betaal dan uw schuld niet met murmurering; droefheid mocht iets verminderen van de zoete vrucht van gerechtigheid, maar gerustheid, stilheid, onderwerping en geloof stellen een kroon op uw droevig verlies: u weet, Wiens stem de stem van een roepende roede is, Micha 6:9. De naam en majesteit van de Heere is op de roede geschreven; lees dan, en wees onderwezen. Laat Christus de plaats van uw man hebben; deze heeft nu u of uw liefde niet nodig: want hij geniet reeds zoveel van de liefde van Christus, als zijn hart vatten kan. Ik beken, het is een duurgekochte ervarenheid, u het schepsel te leren klein achten; doch het is niet te duur, indien Christus het zo goedvindt. Ik weet, dat het twisten van de gedachten tegen uw man zijn derwaarts gaan, tegen de wijze van zijn dood, tegen de werktuigen, de tijd, en de plaats, uw geest niet zal verlichten; tenzij u hoger opgaat: dan de tweede oorzaken, en stil bent, omdat de Heere het gedaan heeft. Indien wij de gangen en wegen van de Almachtige meten, waarvan wij de bodem niet zien, zo misvatten wij God ganselijk. O welk een klein deel zien wij van God! Hij is ver boven onze lage en enge gedachten. Hij regeerde de wereld met wijsheid, eer wij schepselen van gisteren geboren waren, en Hij zal ze regeren als wij onze woning zullen hebben bij de wormen, en bij de verderving. Alleen leer door dit droevig verlies hemelse wijsheid, zelfverloochening, en beschaming. Ik weet, het is niet voor niet, tenzij u loochent, dat God wijs is, in al wat Hij doet, dat u er een op aarde verloren hebt; er is te weinig van uw hart en van uw liefde in de hemel geweest, en daarom heeft de jaloersheid van Christus dit gedaan. Het is een weldaad; dat Hij met u en met al uw liefhebbers twist. Ik zou geen groter gunst voor mijzelf begeren, dan dat Christus een noodzakelijkheid stelde, en zulke banden op Zich nam; zo een moet Ik hebben, en zonder zo’n ziel kan Ik in de hemel niet leven, Joh. 10:16. Geloof het, ‘t is een onbegrijpelijke liefde, dat Christus zegt: indien Ik geniet de heerlijkheid Mijns Vaders, en de kroon van de hemel boven mensen en engelen’ zo moet Ik al de middelen, al zijn ze nog zo geweldig, aanwenden, om ‘t gezelschap van zo een tot in alle eeuwigheid te hebben. Indien u met ogen van wijsheid, als een kind van de wijsheid, uw moeder, de wijsheid Gods, Wiens kind u bent, rechtvaardigt, zo zult u dit verlies kussen, en omhelzen, en veel van Christus daarin zien. Geloof, en buig u, en laat het bestel van de inkomst van de vertroostingen van Jezus, en van de uitkomst van de beproeving, geheel aan uw hemelse Vader, die al uw haren telt; en stel Christus in Zijn Eigen plaats in uw liefde. Misschien is Hij, òf niet in Zijn Eigen plaats geweest, òf in een plaats van liefde, die lager is, dan Hij waardig is. Doe Christus herstellen in al het ongelijk, Hem door u aangedaan; en bemin Hem als uw Man. En Hij Die een Man is van de weduwen, zal datgene voor u zijn, dat Hij u afgenomen heeft. Genade zij met u.

      Uw medelijdende broeder, Samuel Rutherford

      Londen, 16 oktober 1615

       

    229. Aan de markgravin van Kenmur
    230. Mevrouw!

      Genade, barmhartigheid en vrede zij u. Hoewel Christus geen tijd verliest, nochtans als zondige mensen Zijn wagen voorttrekken, dan gaan de raderen van Zijn wagenen slap voort. De vrouw Zion bracht haar kinderen voort, zoals zij in barensnood was; ja eer zij barensnood had, heeft zij gebaard, eer haar smart overkwam, zo is zij van een knechtje verlost, Jes. 66:7. Doch het was zeventig jaren eer de verlossing van het volk met de zwangere vrouw was gekomen; dat is meer dan negen maanden. Er is veel tegenstand in het werk voort te zetten: maar ik hoop, de Heere zal Zijn Zion bouwen, en ons een blijk geven, dat het niet is geschied door kracht, noch door geweld, maar door de Geest des Heeren. Mevrouw, ik heb van uw ziekte en zwakheden van het lichaam gehoord. Ik weet, dat de uitslag weldadigheid voor u zal zijn, en dat Gods voornemen, dat onder de grond voor u verborgen ligt, is, aan te prijzen de zoetheid van Zijn liefde, en van Zijn zorg over u van uw jeugd af, en maken al de droevige verliezen, beproevingen, ziekten, zwakheden, smarten, bezwaardheden, en de ongestadigheid van het schepsel, uitgelegd worden, gelijk zij zeker zijn, als roeden van de jaloersheid van een man in de hemel, twistende met al uw lief hebbers op aarde, al waren er miljoenen, om uw liefde, en om meer van uw liefde naar huis naar de hemel te halen, en om die liefde eenvoudig, onvermengd en kuis te maken omtrent de Schoonste in hemel en op aarde, Jezus de Vorst van de eeuwen, zo zult u het iedere roede Gods, opdat ik dat woord hier ontleen, vergeven, en de zon niet laten ondergaan over uw toorn tegen enige bode van uw verdrukkende en kastijdende Vader. Aangezien uw HoogEd. niet nalaten kan te zien, dat het oogmerk, dat Christus deze vierentwintig jaren en meer, beoogd heeft, is, dat Hij ‘t gezelschap, van zo’n zondig schepsel in de hemel met Zich mag hebben tot in alle eeuwigheid; en omdat Hij niet wil, dat is de kracht van Zijn liefde, genieten Zijns Vaders heerlijkheid, en die kroon die Hem toekomt door eeuwige voortbrenging, zonder u ook met name, Joh. 17:24; 10:16; 14:3. Zo geloof dan, mevrouw, geen kwaad van Christus; luister naar geen droeve geruchten, die Zijn roeden, Hem aangaande, bij u maken. Hij heeft u liefgehad, en u gewassen van uw zonden, en wat wilde u meer hebben? Is dat te weinig, tenzij Hij al de kruisen verschuift en uitstelt, totdat u bent, waar u wezen zult, buiten alle vatbaarheid om te zuchten, of kruis te ontvangen? Ik hoop, dat u niet meer, niet groter, niet voortreffelijker verzoek kunt begeren, dan Christus en de gemeenschap met het Lam voor eeuwig. En indien die begeerte in de hemel beantwoord wordt, gelijk ik zeker ben, dat ze zal, en u kunt niet loochenen, of het is u verzekerd, zo is dan het missen van de geringe toevallen van een levende man, van vele kinderen, van een gezond lichaam, van een gemakkelijk leven in de wereld, zonder ‘t minste ongemak, u edelmoedig vergoed, en het kan wel troostelijk gedragen worden. Genade, genade zij met uw HoogEd.

      Uw HoogEds. zeer gehoorzame in Christus, Samuel Rutherford

      Londen, 16 oktober 1645

       

    231. Aan Barbara Hamilton
    232. Lieve zuster!

      Genade, barmhartigheid, en vrede zij u. Ik heb met droefheid geboord, dat Nieuw-Kasteel nog één meer, boven de vorige, weggenomen heeft op een bloedige wijze, namelijk uw schoonzoon, en mijn vriend. Maar ik hoop, u hebt zoveel van Christus geleerd, dat u niet ziet naar de raderen, die rondlopen op de aarde; aarden vaten moeten met hun Maker niet twisten; stukken van zondig leem mochten door hun redekavelen en twisten met de Pottenbakker, het werk van Hem, Die Zijn vuur in Zion en Zijn oven in Jeruzalem heeft, wat verderven, gelijk de varren, zwetende en worstelende in de voren ploegende, hun juk zwaarder maken; maar in stilheid en rust zult u behouden worden. Indien mensen iets doen tegen ons hart, zo mogen wij vragen: wie deed het? En wat is er gedaan? En waarom. Wanneer God iets zodanig doet, zo moeten wij vragen: Wie het gedaan heeft? En wij moeten weten, dat dit van de Heere komt, Die wonderlijk is van raad; maar wij moeten niet vragen wat, of waarom? Indien het van de Heere is, gelijk er zeker geen kwaad is in de stad, dat niet van Hem is, Amos 3:6, zo is ‘t genoeg; het schoonste aangezicht van Zijn onbesmette wijze van doen, is maar op komende weg, en u moet Zijn werken zowel als Zijn Woord geloven. Een geweldige dood deelt mee met Christus in Zijn dood, die geweldig was; er is weinig aan gelegen door wat weg wij naar de hemel gaan; ‘t gelukzalige huis is het al; alwaar de ruwheid van de weg zal vergeten worden. Hij is naar huis gegaan, naar een vriendenhuis, en Hij is verwelkomd, en de loop is geëindigd. Die tijd is vergolden met een eeuwigheid, en voor koper is goud gegeven. Gods orde is met wijsheid. De man gaat naar huis voor de vrouw, en het zal niet lang aanlopen, of de drang van de markt zal over zijn, en er zal een ander geslacht zijn, waar wij nu zijn; en eindelijk zal ‘t huis leeg zijn, en niet één van ‘t menselijk geslacht zal op de aarde gelaten worden, binnen het zesde gedeelte van een uur, nadat de aarde met de werken die daarop zijn, met vuur zullen verbrand zijn. Ik vrees meer, dat Christus bezig is, om te vertrekken, als Hij zoveel van Zijn huisraad voorshands wegvoert. Wij kunnen de Almachtige geen wetenschap leren. Wanneer Hij de kogel bestuurde tegen Zijn knecht, om de ziel daaruit te halen, zo kon geen wijs man tot God roepen: verkeerd, verkeerd. Heere; want hij is de uwe. Er is geen nevel voor de ogen des Heeren, die wonderlijk is van raad. Indien Zion met het bloed van uw schoonzoon gebouwd wordt; zo kan de Heere, die diep is van raad, de stenen van Zion door bloed aaneen doen kleven, en zelfs door dat bloed, dat kostelijk is in Zijn ogen. Christus heeft nu minder arbeiders in zijn wijngaard, dan Hij tevoren had, maar Hij heeft meer getuigen voor Zijn zaak, en voor des Heeren Verbond met drie volkeren. Hetgeen Christus’ winst is, dat is uw verlies niet; laat niet ‘t geen Zijn heilige en wijze wil is, uw droefheid zijn. Hoewel ik inderdaad oordeel, dat ik een deel had aan Zijn dode knecht, nochtans omdat hij in Christus leeft, zo laat ik de hoop varen, die ik van zijn voorspoedig arbeiden in de predikdienst had; ik weet, hij prijst nu de genade, die hij hier had moeten prediken; en indien er nu in de hemel iets beters op zijn hoofd was, dan een kroon, of iets voortreffelijker dan de hemel, hij zou het neerwerpen voor de voeten van Hem, Die op de troon zit. Geef dan Christus de eer, gelijk Hij nu doet, en zeg: Uw wil geschiede. De genade en de vertroosting van Christus zij met u.

      De uwe in zijn zoete Heere Jezus, Samuel Rutherford

      Londen, 15 november 1645

      Een brief van Rutherford, staande voor zijn boek genaamd: "De beproeving en triomfering van ‘t geloof."

       

    233. Aan de rechteerwaarde vrouwe, mevrouw Johanna Cambel, markgravin van Kenmur, zuster van de recht edele en machtige markies van Argyl
    234. Mevrouw!

      Ik zou klagen over veel twistende en te veel schrijvende tijden, indien ik reeds niet zo diep geoordeeld werd in deze schuld, als degenen, die ik beschuldig; maar in waarheid, terwijl wij trachten een weinig gewicht van de waarheid te winnen, is het veel, zo wij niet een talentpond van goedheid en christelijke liefde verliezen. Doch ik ben verzekerd, hoewel zoveel kennis en licht nodig is, als ons dienen mocht, om veilig te wandelen, in te onderkennen de zekere eindpalen van de goddelijke waarheden, van iedere valse weg; en laat het zo wezen, dat het onderzoeken van de kwestie van de tijd alleen een nuttig en nodig kwaad was, nochtans de afgaande gestalte van de ergste tijd van de wereld, de ouderdom van de tijd, terwijl de eeuwigheid zozeer nadert, vereist van onze handen nodige goede dingen; ‘t is een ongeluk, indien de nachtwacht, op het punt van ‘t eerste krieken van het morgenlicht, vast in slaap valt, als hij de gehele nacht door gewaakt heeft. Het is nu nabij de morgenschemering van de opstanding. O, hoe gelukzalig zijn wij, zo wij komen bezorgen ons ene nodige? Het is onze gedachten wel waardig, dat een engel, die nooit geschapen was, zo ik oordeel, staande op zijn eigen land, het verschil, dat door de spotters gemaakt is, 2 Petr. 3:3, geslecht heeft door een eed, ja dat Hij met Zijn hand opgeheven naar de hemel, gezworen heeft bij Hem, Die leeft in alle eeuwigheid, Die de hemel geschapen heeft, en hetgeen daarin is, en de aarde en hetgeen daarin is, en de zee en hetgeen daarin is, dat er geen tijd meer zijn zal, Openb. 10:5,6. Indien de eeuwigheid rechterlijk vastgesteld is door de eed Gods, als een zaak, die nu nabij voor de deur is. en dat nu reeds zestienhonderd jaren omtrent geleden, zo is het hoog tijd, dat wij er aan denken, wat wij zullen doen, als het aardse huis van deze Tabernakel, hetwelk maar is ons zomerhuis, dat ons maar het vierde deel van een jaar kan hebben, zal gebroken zijn. De tijd is maar een korte doorgang; snel worden wij er doorheen gevoerd; onze roos verwelkt, eer zij tot haar beste gestalte komt. Ons deel van deze kortademige schaduw, de duimbreedte, de halve kubiek, de arm spanlengte van tijd, vliegt zo snel weg als een weversspoel, die in een ogenblik over duizend draden heen springt, Job 7:6. Hoeveel honderd uren springt onze hijgende lemen post over, wegvliedende, gelijk jachtschepen, en gelijk de arend naar het aas toevliegt? Job 9:25,26. Indien de dood zover af was van onze kennis, als de graven en doodkisten, die de dood prediken aan onze ogen, nabij zijn aan onze zinnen, als voerende de reuk van de dood tot onze adem, zodat wij niet kunnen nalaten te erkennen, dat wij maagschap zijn van ‘t verderf; zo zouden wij noch de profeten noch de apostelen geloven, als zij zeggen: alle vlees is gras, en, ‘t is alle mensen gezet, te sterven. Eeuwigheid is een groot woord, maar de zaak zelf is groter; de dood, het uiterste punt van onze korte lijn, leert ons wat wij zijn, en wat wij zullen zijn.

      Indien Christus, en de staat van de zaken, waarin wij nu zijn, en de voortreffelijkheid van de vrije genade alle gezien werden in hun eigen luister en verf, wij zouden veel wijsheid van die drie leren.

      Christus vordert weinig, in liefhebbers te overwinnen, omdat wij Zijn gedaante niet gezien hebben op enige dag. Wij zien niet op Christus, maar op de toevallen, die benevens Christus zijn; en daarom zijn er weinigen, die Christus zeer dierbaar en kostelijk schatten. Maar er is geen roos buiten de hemel, of er is een smet, en een doorn uitgroeiende, uitgenomen die een enige Roos van Saron, die heerlijkheid uitboezemt; ieder blad van de roos is een hemel, en dient tot de genezing van de volkeren, elk wit en rood erin is onvergelijkelijke heerlijkheid; elke daad van uitwaseming van de reuk ervan, van eeuwigheid tot in eeuwigheid, is onbevlekte en onvermengde gelukzaligheid. Christus is de voornaamste, de heerlijkste bloem, de ongeschapen kroon van de hemel, de liefde en blijdschap van mensen en engelen. Doch de fonteinliefde, het fonteinvermaak, de fonteinblijdschap van mensen en engelen is meer: want daaruit vloeien al de zeeën, springaders, rivieren, en vloeden van liefde, vermaak en blijdschap. Verbeeld u, dat al de regen en dauw, al de zeeën, fonteinen, en beken van de schepping af; in een wolk waren, en deze dan vermenigvuldigd in maten, tot in ‘t getal van vele miljoenen van miljoenen, en dan verdeeld in druppelen van stortregens, tot een getal van mensen en engelen, zo groot als daarmee zou overeenkomen. Dit zou een geschapen wolk zijn, en zij zou in een zekere periode van tijd eindigen; en die vreselijk grote wolk van zoveel rivieren en druppelen zouden uitdrogen en niet meer regenen. Maar wij kunnen van Christus zo niet denken. Want indien wij ons zouden inbeelden, dat miljoenen van mensen en engelen een mede eeuwig afhangend wezen hadden met Christus, en zij eeuwiglijk waren geweest in de daad, van genade te ontvangen uit Zijn volheid: dan zou de uitvloeiing en uitgang van de genade eeuwig zijn, gelijk Christus is: want Christus kan niet mat noch moe worden van eeuwigheid af, Christus te zijn: en dus moet Hij, en Hij kan niet anders, dan zijn een oneindige eeuwig vloeiende zee, om stromen en vloeden van grenzeloze genade uit te laten, en uit te storten. Als u stelt, dat de roos eeuwig was, zo moet ook de zoete reuk, de liefelijkheid van versheid en kleur eeuwig zijn.

      Och, wat is het een gelukzaligheid voor een ziel, haar voortreffelijkheid te verliezen in Zijn alles overklimmende heerlijkheid! Wat een geluk voor het schepsel, zijn kleine alles te werpen in Christus’ onvergelijkelijke algenoegzaamheid! Konden al de stromen weer inkeren in de fontein en eerste springader, zij zouden in een zoeter en vaster bezitting van hun wezen gehouden worden in de schoot van hun eerste oorzaak, dan in hun geleende kanalen, waarin zij zich nu bewegen. Onze nabuurschap bij, en inkeren, om met onze geleende goedheid tot in alle eeuwigheden te wonen in de fontein Gelukzaligheid, Jezus Christus, is de vaste en hechte genieting van ons eeuwig gelukzalig wezen. Christus is de uiterste ronde cirkel, de natuurlijke eerste springaderen, en ‘t element van geleende druppelen, en kleine deeltjes van geschapen genade. De roos is ‘t zekerst in wezen en in schoonheid op zijn eigen struik en wortel. Laat het leven en sap eeuwiglijk zijn in de struik en wortel en laat de roos haar eerste vereniging behouden met de wortel, en zij zal nooit verwelken, nooit haar bloesem noch verse schoonheid afwerpen. Het is geweld voor een begenadigde geest, af te zijn van zijn tronk en wortel, vereniging hier, is leven en gelukzaligheid; daarom is het laatste gebed van de canonieke Schrift om vereniging te hebben, Openb. 22:20: Amen. Ja kom, Heere Jezus.

      Het zal wel niet zijn, voordat de Vader en Christus, de voorname en eerste Erfgenaam, en al de wenende kinderen onder één dak zullen zijn, in het koninklijk paleis. Het is een soort van verborgen verminktheid, dat het Hoofd een arm of vinger mist, en het is een geweldige en gedwongen staat voor arm en vinger, van het hoofd afgescheiden te zijn. De heiligen zijn kleine deeltjes van de verborgen Christus, ziek van liefde naar vereniging. De vrouw van de jeugd, dat haar man enige jaren lang mist, en verwacht, dat hij tot haar zal terugkeren van over zee en land; is dikwijls aan de oever, elk schip dat de oever nadert, is haar nieuwe vreugde; haar hart bemint de wind, die hem tehuis zal brengen; zij vraagt iedere passagier naar nieuws. Och hebt u mijn man niet gezien? Wat doet hij? Wanneer zal hij komen? Is hij scheep gegaan, om terug te keren? Elk schip, dat haar man niet meebrengt is haar een hartbreking. Wat een begeerten heeft de Geest en bruid, om te horen wanneer de Man Christus tot de machtige engelen zal zeggen: Maakt u gereed tot de reis, laat ons neerdalen, en scheiden de lucht, en buigen de hemel. Ik zal mijn gevangenen van hoop tot Mij vergaderen: Ik kan Mijn Rachel en haar wenende kinderen niet langer missen. Ziet ik kom haastelijk om de volkeren te oordelen. De Bruid, de vrouw des Lams wenst zegen over de voeten van de boden, die zulke tijdingen prediken: Verblijd u, o Zion, doe uw sierlijke klederen aan, uw Koning komt. Ja zij heeft liefde tot dat deel van de lucht, dat gescheurd en gekliefd zijnde, zal wijken voor haar Man, als Hij Zijn heerlijke hand door de wolken zal steken, en komen rijden op de regenboog en wolken, om haar tot Zich te nemen.

      De staat van Gods volk in de drie koninkrijken vereist, dat wij nu wijselijk opmerken. Er is een spraak van de Heere Zijn vuur in Zion, en van Zijn oven in Jeruzalem. Konden wij maar verstaan de stem van de roepende roede. Gods pijlen vliegen over ons, en nevens ons: maar wij zien weinig van God erin. Wij zeilen, maar wij zien geen oever; wij vechten, maar wij hebben geen overwinning; de krachtdadigheid van de tweede oorzaken is de gehele last van ‘t werk; en deze last leggen wij op de schepselen, doch ‘t is meer dan zij dragen kunnen, en niet op de Heere. God roept lamheid en kreupelheid over de schepselen en menigte, opdat Zijn uitmuntendheid van de werken temeer gezien wordt. 2. Vele zijn vrienden van het succes van de hervorming, maar niet van de hervorming; ‘t geloof van de mensen gaat mee met de beloften, totdat de Voorzienigheid hen de beloften tot leugens schijnt te maken: vele zien God in deze verwarringen in de drie koninkrijken, door een licht in een sleutelgat; maar zij vallen af; omdat hun vereniging met de zaak Gods een vriendelijkheid aan Christus was door geweld. Het is geen vriendenbezoek, naar een vriend zijn huis gedreven te zijn, om droog te zijn, als er een stortregen komt, en dan bij gelegenheid vrouw en kinderen te bezoeken. Christus heeft te veel gelegenheidsvrienden, doch dit is de grond van alles: Ik heb Jezus Christus lief, maar ik heb de gave niet, van levend voor Christus verbrand te worden. O hoe gerust zou het geloof ons aan land zetten, buiten het kanonschot van de overmachtigende kracht van een zwarte ure van de duisternis! Het geloof kan ons bekwaam maken, om gewillig voor Christus door een ruim deel van helse pijn te gaan: De Heere geve ons geen verlof, om uitzinnig te zijn door wereldse wijsheid. 3. Wanneer de verzoeking slaapt, dan is de uitzinnige man wijs; de hoer is kuis; maar wanneer ‘t vat geopend wordt, dan komt er uit, hetgeen er in is, hetzij wijn of water; doch indien wij aandachtig luisterden naar de huichelaars, wij zouden horen, dat de snaren van de luit jammerlijk tegen elkaar slaan: want de huichelarij is verstaanbaar, en zij kan uitgevonden worden.

      Wilden de Parlementen van Christus beginnen, wij zouden niet vrezen hetgeen, waarvan wij zeker reden hebben, om het te vrezen: Een wee is over, een ander wee komt. De profeten in de drie koninkrijken hebben zich niet bekeerd van het bijgeloof, eigenwillige godsdienst, afgoderij, vervolging, heiligschennis, en sleurdienst, die hen verachtelijk maakte voor het volk; en de rechters en vorsten, die het recht in gal en alsem verkeerden, zijn niet verootmoedigd, wegens dat ze een strik zijn geweest te Mispa, en een uitgespannen net op Thabor. Niemand heeft berouw, en keert zich van zijn boze weg, niemand slaat op zijn heup, zeggende: wat heb ik gedaan? Het is niet anders dan zwarte papisterij, de naam zijnde veranderd en niet de zaak, te denken, de verleden zonden van het land zijn voorbij, en enigerlei hervorming voor het toekomende is voldoende bij God, ex opere operato, door het gewrochte werk. Ja de verdeeldheden van de Kerk zijn een zwaarder plaag, dan het woedende zwaard. Deze zelfde zonden tegen de eerste en tweede tafel, het verzoenen van ons met Babel, de hoogmoed, geschenken nemen, verdrukking, onreinheid en onmatigheid, ongestraft, bloedschuld rakende aan bloedschuld, en niet gewroken, ijdelheid van kleding, een beleden weg van zaligheid door allerlei godsdienst, hoedanig zij ook zij, worden nu begaan op een ander toneel, door andere mensen, maar het zijn diezelfde zonden (alia scene eadem fabula) indien die opperhoofdigheid, die de vleiende bisschoppen van Jezus Christus namen, en gaven aan de koning, Christus nog afgenomen en de mensen gegeven wordt; indien Christus’ kroon van Zijn hoofd gestoten wordt, er is niet aan gelegen, wiens hoofd zij verwarmt, zij wordt op beide wijzen van Christus genomen.

      Ik zal bidden, dat de vetheid van Jakobs vlees hierom niet mager wordt, Jes. 17:4, en dat de strijd van Brittanië mocht vervuld zijn! Maar indien de getrouwe wachters weten, welk uur van de nacht het nu is, zo is er maar weinig waarschijnlijkheid, van dat de verlossing van Brittanië nabij is aan het dagen; of dat onze lucht haast zal opklaren. Och dat ‘t jaar 1645 zwanger was, om het heil van Brittanië voort te brengen! Het was eens even zo ongelooflijk, dat de vijand zou ingegaan zijn binnen de poorten van Jeruzalem, Klaagl. 4:12, als het nu is dat zij kunnen inkomen binnen de havens van Londen, Edinburgh, of Dublin. Dit spreek ik niet om de vijandelijke ruiters aan te moedigen; want gewis, God waakt over hen tot wraak; maar opdat wij niet verder voortgaan trouweloos te zijn tegen Christus; de zwakheid van nieuwe hersenen, verzinnende nieuwe godsdiensten, en vermenigvuldigende de goden. Want twee onderscheiden en recht strijdige godsdiensten, geven zoveel als bewijs (interpretativé) van twee verschillende goden, naar het getal van onze steden, moet komen van de verrotheid van onze harten. Och, of wij onderwezen konden worden, eer het besluit, hetwelk zwanger is van plagen over de zondaars te Zion, een knecht voortbrengt, en eer de lange schaduwen van de avond over ons uitgestrekt worden.

      Maar van dit onderwerp nu niet meer. Genade is de stof van het volgende traktaat. Wanneer de genade òf verkeerd wordt in geschilderde, doch in waarheid verrotte natuur, gelijk de Arminianen doen, òf in ontuchtigheid en wulpsheid, gelijk anderen doen, zo is de dwaling in mijn ogen van een ver andere en hogere verf, dan de gevoelens omtrent kerkelijke regering. Stijf aan te kleven aan de dwalingen van de Antinomianen, wetsbestrijders, met een hardnekkige en eindelijke verharding erin, beide in opzicht van geloof en gevoeglijke praktijk ervan, zou ik oordelen, dat aan geen wedergeboren mens is toe te schrijven; want het is een gevoelen, niet op de kant en eindpalen, maar in het midden van ‘t blad, en te nader aan het middelpunt en de levende partijen van het Evangelie. Indien iemand gestoten is, dat ik hen graag zou vertoornen met goedwilligheid tot de genade, zo zal ik strijden en pogen, mij alleen te wreken met liefde en medelijden over hun zielen.

      Indien enige van deze predikatiën weleer kwamen tot uw HoogEds. oren, en nu tot uw ogen, misschien in meer Engelse taal; nademaal ik licht vertoefd heb, totdat de laatste druiven wat rijper waren; zo hoop ik dat het zal verschoond worden dat ik zo vrijmoedig ben, dat ik uw naam vooraan zet, dat ik waarlijk niet gedaan zou hebben, indien ik niet geweten had van uw praktische kennis omtrent dit edele en voortreffelijke onderwerp, de vrije genade van God; ik kon hiervan meer spreken, maar ik heb liever de genade, dan begenadigde personen aan te prijzen. Ik weet, dat Jezus Christus, Die door Zijn koninklijke tegenwoordigheid de hemel verheerlijkt en riekend maakt, en Die de hemel der hemelen tot de uiterste eindpalen met heerlijkheid bestrooit, ons aangeprezen wordt, dat Hij was vol genade, een vat tot de lippen toe vervuld, Ps. 45:3; Joh. 1:16. Ja, de genade heeft beide, onze personen en onze diensten gekocht, 1 Petr. 2:24, 25. Gelijk hij, die een gevangene koopt, niet alleen geld geeft voor zijn persoon, maar ook voor al de beweging, woeling, en arbeid van zijn lichaam, benen en armen. En de rantsoenerende genade is zo volkomen, dat de Satan gemakkelijk macht heeft, om voor iemand van de verlosten iets te bieden, maar niet om iemand te kopen, niet meer dan een koopman andermans gekochte goederen kan kopen, zonder zijn toestemming. Al onze gelukzaligheid die hier groeit aan de banken van de tijd, is maar dun gezaaid, gelijk de aardbeien aan de zeezanden; alle goede gaven van de natuur, die wij hebben zonder genade, zijn gelijk een schone lelie, doch er is een worm aan de wortel ervan, zij verwelkt van de wortel tot de top; gaven zonder genade verdorren ras; zij verbreken en verootmoedigen niet; genade doet het beide. Genade is zoveel kostelijker en zoeter, omdat, hoewel zij is de uitslag van zonde, in de daad van vergeving, en van genezing van zondige lamheid, zij geen andere springader heeft, dan de ingewanden Gods, bewogen en binnen in Hem geroerd alleen door onbevlekte en heilige goedheid. De genade is van de Koning Zijn huis, van de hemel alleen afkomstig; het onderwerp, of de persoon waarin zij woont, heeft niets toegebracht tot de schepping van zo’n edele rank. Om deze oorzaak inzonderheid heeft Christus de schoot van Zijn Vader verlaten, en is met vlees en met onze natuur bekleed, opdat Hij mocht wezen een massa, een zee, en een grenzeloze rivier van zichtbare, levende, en ademende genade, opzwellende tot de hoogte van de bewoonbare wereld niet alleen, maar ook tot de zijden van de hemel der hemelen, om te bevochtigen mensen en engelen; zodat Christus, als het ware, sprekende genade was, Ps. 45:3, Luk. 4:22, zuchtende genade, wenende, uitroepende wegens verschrikking, stervende, verwelkende voor zondaars, en weer levende, Hebr. 2:9, Joh 3:16, Rom. 8:32,33. En nu is Hij verheerlijkte genade, neerdruipende, neerregenende vloeden van genade op Zijn leden, Ef. 4:11—16; Joh. 14:16,17; 16:7,13. Christus nu voor ons biddende aan Gods rechterhand, is deze zestienhonderd jaren de grote Appelboom, latende neervallen appelen des levens: want er is een gedurige oogst geweest, sinds Christus naar de hemel voer, en de druiven van de hemel zijn rijp, al wat van die boom valt, bladeren, appelen, schaduwen, reuk, bloesems, zijn maar stukken van genade, afgevallen van Hem, Die de volheid van alles is, en alle dingen vervult. Wij zullen nooit volkomen gelukzalig zijn, voordat wij allen onder de appelboom zitten in een onmiddellijke vereniging. Dit is een vreemd stuk, bij wege van deelneming van de goddelijke natuur. Christus sloot een onvergelijkelijke verklaring van vrije genade aan het kruis, en nu handelt Hij, en is Voorspraak voor genade, en voor de toepassing van de genade van verzoening in de hemel, 1 Joh. 2:1,2. En door een verklaring van genade heeft Hij al de uitverkorenen en gerantsoeneerden gegraveerd als een zegel op Zijn hart; en Christus zijnde Gods Metgezel, Zach. 13:7, de Man die recht tegenover Zijn oog staat, zo wordt de eerste opening van Gods oogleden geëindigd op Christus’ borst, en op het ingraveersel van de vrije genade. Al de heerlijkheid van de verheerlijkten is, dat ze beide in ‘t lagerhuis en in t hogerhuis, zelfs als zij zijn de staten en HoogEdelen van de hemel, eeuwige en vrije bezitters van de genade zijn; zodat een ziel geen schoner erfenis kan begeren, dan het Vaders goed, lot, en erfenis van vrije genade. Nu aan deze genade uw geest bevelende, als een erfgenaam van de genade, zo blijf ik

      Uw HoogEd. zeer verplichte en gedienstige in de God der genade, Samuel Rutherford

      Londen, 1645

       

    235. Aan een Christenvriend, op de dood van zijn vrouw
    236. Waarde vriend!

      Ik wens met u te lijden, in ‘t verlies van een liefhebbende en goede vrouw, die nu voorgegaan is, naar de order en ‘t bestel van Hem, Wiens verstand onnaspeurlijk is, waarheen u volgen moet. Hij Die de dag van gisteren gemaakt heeft voor de dag van heden, en het eerste geslacht in geboorte en leven heeft doen zijn voor dit tegenwoordig geslacht, en sommige bloemen heeft doen bloeien en verwelken en sterven in de maand mei, en andere in de maand juni, kan niet beschuldigd worden wegens de orde die Hij gemaakt heelt omtrent zielloze zaken. En Hij moet hier ook orde houden, opdat de een de ander mocht begraven. Daarom hoop ik, dat u stom en stilzwijgend zult zijn; omdat de Heere het gedaan heeft; ‘t geen de schepselen of onderoorzaken doen in zondige misvattingen, dat wordt in wijsheid beschikt door uw Vader, aan Wiens voeten uw ziel en uw hemel ligt, en zomede de dagen van uw vrouw. Indien de plaats, die zij verlaten heeft, iets anders was dan een gevangenis van zonde, en het huis, waar zij naar toe is, iets anders dan waar haar Hoofd en Zaligmaker Koning van ‘t land is, uw droefheid zou redelijker geweest zijn. Maar ik vertrouw, dat uw geloof van de wederopstanding van degenen, die in Christus gestorven zijn, tot heerlijkheid, en onsterfelijkheid, u zal opleiden, om uw verlangen naar haar op te schorten, totdat de morgen van die dag aankomt, wanneer de archangel zal wederkomen met een geluid, om al Zijn gevangenen uit het graf tot Zichzelf te vergaderen. Dit te geloven, is ‘t best voor u, en stil te zwijgen, omdat Hij ‘t gedaan heeft, is uw wijsheid; het is veel, dat men uit des Heeren school van beproeving wijzer, en in Gods wegen ervarener uitkomt. En het is uw geluk, dat wanneer Christus een ader opent, Hij niet dan kwaad bloed van de zieke aftrekt. Christus heeft het verstand, om de kunst van barmhartigheid te oefenen in het tuchtigen, indien anders onze verdorvenheid het niet verderft. Wij kunnen van onszelf het tin, lood en schuim, dat in ons blijft, niet wegnemen. En indien Christus niet Meester van ‘t werk is, en indien de oven alleen gaat, en Hij niet nabij staat bij het smelten van Zijn Eigen vat, zo zou de arbeid verloren zijn, en tevergeefs zou de smelter smelten. God weet, dat sommigen van ons veel vuur, zweet, en moeite verspild hebben aan onze Heere Jezus, en ‘t vat is bijna verdorven, de oven en roede Gods verdorven, en het daglicht onnut geweest, en het verworden metaal niet weggenomen; zodat sommigen zullen moeten antwoorden aan Gods Majesteit voor het misbruik van vele goede kruisen, en het verlies van rijke verdrukkingen, zonder een vreedzame vrucht der gerechtigheid; en het is wel een droevige zaak, wanneer de roede vervloekt is, dat er nooit vrucht op groeien zal; en tenzij Christus’ dauw op onze verdrukking valt, en Zijn zomerzon daarop schijnt, en Zijn genade die achtervolgt, om die Gode vruchten te doen dragen, zo zijn ze ons zo vruchteloos, dat onze kwade grond, die vruchtbaar en vet genoeg is voor doornen, een oogst van schadelijk onkruid afwerpt. De roede, gelijk de profeet zegt, Ezech. 7:10,11, heeft gebloeid, de hovaardij heeft gegroend, het geweld is opgerezen tot een roede van de goddeloosheid; en dat alles is mijn geval geweest onder vele roeden, sinds dat ik u zag. De genade zij met u.

      De uwe in zijn zoete Heere Jezus, Samuel Rutherford

      Londen, 1645

       

    237. Aan een Christelijke broeder
    238. Eerwaarde en veelgeliefde in de Heere!

      Het kan wezen, dat ik te lang stilgezwegen heb; maar ik hoop, u zult het niet toeschrijven aan mijn vergeten van u. Gelijk ik gehoord heb van de dood van uw dochter, met bezwaardheid van het gemoed van uwentwege, zo ben ik zeer vertroost, omdat zij aan u en aan andere getuigen blijk gegeven heeft, van haar hoop van de wederopstanding van de doden; gelijk gezaaid koren niet verloren is, want er is meer hoop van ‘t geen gezaaid is, dan van ‘t geen gegeten is, 1 Kor. 15:42, zo is het ook in de opstanding van de doden; het lichaam wordt gezaaid in verderfelijkheid, en het wordt opgewekt in onverderfelijkheid; het wordt gezaaid in oneer, en het wordt opgewekt in heerlijkheid; ik hoop, dat u naar de oogst wacht; 1 Thess. 4:14, Want indien wij geloven, dat Jezus gestorven is en opgestaan, alzo zal ook God degenen, die ontslapen zijn in Jezus terugbrengen met Hem. Zo zijn ze dan niet verloren, die ingezameld zijn tot die gemeente van de eerstgeborenen, en de gehele vergadering van de heiligen; hoewel wij haar niet voorbij kunnen lopen, noch achterhalen degenen, die voorgegaan zijn, nochtans zullen wij haar haast volgen; en het onderscheid is, dat zij het voordeel heeft van ettelijke maanden of jaren bezitting van de kroon, voor u en haar moeder: en wij nemen het niet kwalijk, indien onze kinderen ons vooruitlopen in ‘t leven van de genade; waarom zijn wij dan droevig, indien zij ons voorgaan in de verkrijging van het leven van de heerlijkheid? Het mocht schijnen, dat er meer reden is van droevig te zijn, wegens dat onze kinderen na ons blijven leven, dan dat ze voor ons verheerlijkt worden en sterven; al het onderscheid is in enige armelijke hongerige toevallen van tijd, min of meer, vroeger of later; zo stierf het godzalige kind, hoewel jong, nochtans honderd jaren oud; en u kon ze nu niet beter uitbesteed hebben, hoewel de keuze van Christus was, en niet de uwe. Gewis, mijnheer, u kunt nu niet zeggen, dat ze tegen de wil van haar ouders getrouwd is; indien zij leefde, zij had gereder kunnen vallen in de hand van een erger man; maar kunt u wel denken, dat ze in de handen van een beter had gevallen kunnen zijn? En indien Christus aan uw huis trouwt, dat is uw eer, en niet een oorzaak van droefheid; dat Christus aan iemand van de uwen Zijn deel zou geven, eer zij uw deel geniet, is dat geen grote liefde? Het vaderlijk erfdeel is groter, dan iemand anders kon geven; zo’n goede man te krijgen, dat is onmogelijk; te zeggen: een beter, dat is godslastering. De Koning en Prins der eeuwen kan haar beter houden, dan u kunt doen. Terwijl zij leefde, kon u haar aan Christus toevertrouwen, en haar aan Zijn bewaring bevelen; nu hebt u haar door een nageloof aan Hem opgedragen, in Wiens schoot zij allen slapen, die in de Heere gestorven zijn. U wilde haar geleend hebben, om de Heere op aarde te verheerlijken; en Hij heeft haar geleend, onder belofte van haar weer te herstellen, 1 Kor. 15:53, 1 Thess. 4:15,16, om een instrument te zijn, om Hem in de hemel onmiddellijk te verheerlijken; het zondeloos verheerlijken van God is beter; dan Hem zondig verheerlijken; en gewis, uw gebeden, haar aangaande zijn vervuld. Ik zal wensen, dat u even zo gezind mocht zijn, indien het de Heere behaagde, op dezelfde wijze over haar moeder te beschikken. Christus kan geen ongelijk op u vermenigvuldigen; indien de liefde Gods de fontein is, gelijk ik hoop van ja, zo wordt u met verlies verrijkt. U wist alles, wat ik zeggen kan, beter, eer ik in Christus was, dan ik het kan uitdrukken. Genade zij met u.

      De uwe in Christus Jezus, Samuel Rutherford

      Londen, 6 januari 1646

       

    239. Aan een christelijke vrouw
    240. Juffrouw!

      Genade, barmhartigheid en vrede zij u. Indien de dood, die voor u en ons allen staat te wachten, iets anders was dan een vriendelijke losmaking en verwisseling, en niet een verbreking van ‘t leven, zo zou het een harde reis schijnen, te gaan door zo’n droevige en donkere doorgang, zo’n doornig dal, als er is de bezoldiging van de zonde. Maar ik ben verzekerd, dat u de weg kent, hoewel uw voet nooit trad in die zwarte schaduw; het verlies van ‘t leven is u tot winst, indien Christus Jezus het einde is, en het huis van verblijf, op het eind van uw reis; zo is er geen vrees; u gaat tot een Vriend. En aangezien u gemeenschap met Hem gehad hebt in dit leven, en Hij een pand van u heeft, namelijk het breedste deel van uw liefde en hart, zo mag u de dood met blijdschap in het aangezicht zien; indien ‘t hart in de hemel is, zo kan het overblijfsel van u niet gevangen gehouden worden van de tweede dood. Doch hoewel Hij dezelfde Christus is in het andere leven, die u Hem hier bevonden hebt te zijn; zo is Hij toch zover in voortreffelijkheid, schoonheid, zoetheid, bestralingen en afschijnsel van Majesteit, boven ‘t geen Hij hier scheen te zijn, wanneer Hij gezien wordt, gelijk Hij is, dat u Hem niet kennen zult, en Hij zal een nieuwe Christus schijnen; en kussen, ademingen, omhelzingen, de reuk en de olie van Zijn Naam over u uitgestort, zullen blijken meer van God, en een sterker reuk van de hemel, van de eeuwigheid, van een Godheid, van majesteit en heerlijkheid daar te hebben, dan hier. Gelijk water bij de fontein, appelen in de boomgaard en nevens de boom, meer dan hun natuurlijke zoetheid, smaak en liefelijkheid hebben dan wanneer zij enige honderden mijlen ver tot ons overgevoerd zijn. Ik meen niet, dat Christus in de overvoering iets van Zijn zoetheid kan verliezen; of dat Hij in Zijn Godheid, en beminnelijkheid van Zijn tegenwoordigheid tot erger kan veranderen, tussen het kleine stipje van de aarde, waarop u bent, en de rechterhand van de Vader, ver boven alle hemelen; maar de verandering zal in u zijn, wanneer u nieuwe zinnen zult hebben, en uw ziel een dieper, en bekwamer vat zal zijn, om meer van Christus in te nemen, en wanneer de middelen, de wagen, het evangelie, waarin Hij nu gevoerd wordt, en de instellingen, die Hem tot ons nederbrengen, zullen aan een kant gelegd worden; gewis u kunt nu niet gezegd worden, Hem van aangezicht tot aangezicht te zien, of te drinken van de wijn van de hoogste fontein, of zeeën en stromen van verse liefde in te nemen, en dat onmiddellijk, zonder vaten, middelen of gezanten, bij de fontein zelf, gelijk u weinige dagen hierna doen zult, als u zo nabij zult zijn, dat u met Christus zult zijn, Luk. 23:43, Joh. 17:24, Filip. 1:23, 1 Thess. 4:17. U zoudt ongetwijfeld een dag, ja vele dagen reizen kunnen besteden op aarde, om naar de hemel te gaan, en iets van Christus af te halen; hoeveel temeer mocht u gewillig zijn om een reis te doen, of in persoon naar de hemel te gaan. ‘ t Is geen tijd verloren, maar eeuwigheid gewonnen, om de voile Godheid te genieten, en dan op zo’n wijze, dat Hij daar niet is in Zijn gewoon werkdagsgewaad, om zo te spreken, gelijk Hij hier met ons is, in een druppel, of tiende deel van een nachtsbedauwing van genade en zoetheid. Maar Hij is daar in Zijn bruiloftskleed van heerlijkheid en rijkdommen, kostelijker en dierbaarder in een boord of knoop van dat kleed van een oorspronkelijke majesteit, dan een miljoen van werelden. O, de put is diep! Dan zult u oordelen, dat de predikers en zondige gezanten op aarde Zijn lof maar hebben verdorven en geschonden, als zij van Hem spraken en van Zijn schoonheid predikten. Helaas! Wij maken Christus maar zwart, en minder beminnelijk, doordien wij zulke droge, koude, lage en weinig betekenende uitdrukkingen voortbrengen, bij de dochteren van Jeruzalem, van Zijn allerhoogste alles overklimmende oppervoortreffelijkheid. Gewis, ik heb voor mijn deel in deze menigmaal gezondigd. Buiten twijfel voldoen de engelen hun plicht niet naar hun verbintenis, wegens dat Christus hun voeten bewaarde van te vallen met de verloren duivelen; hoewel ik weet dat zij niet ten achteren zijn, in te gaan tot het uiterste van geschapen kracht. Maar in ons prijzen is zonde, ook zonde in de grote, behalve andere zonden. Maar ik laat dit daar; ‘t is voor mij te diep. Ga en zie, en wij wensen met u te gaan; maar wij zijn geen meesters, in over ons eten te beschikken. Indien u op die laatste reis op een slang treedt op de weg, en daardoor een wond in uw hiel krijgt, gelijk het Jezus al voor u gebeurd is, zo zal toch het litteken van de wond niet gekend worden in de opstanding van de rechtvaardigen. De dood is maar een vreselijke stap, over de tijd en zonde heen, naar de zoete Jezus Christus toe, Die het ergste van de dood kende en gevoelde; want de tanden van de dood kwetsten Hem. Wij weten, de dood heeft nu geen tanden, noch kaakbeen, want die zijn gebroken; het is een vrij gevangenhuis; borgers betalen er niets voor ‘t graf; de cipier, die de macht des doods had, is te niet gedaan; lof en heerlijkheid zij de Eerstgeborene van de doden! Het ergste misschien, dat er wezen kan, is, dat u kinderen, man, en Gods Kerk in ellende achterlaat. Maar u kunt ze voor tegenwoordig niet met u nemen naar de hemel; u zult hen niet missen; en Christus kan niet een van de armste van Zijn lammeren misrekenen; geen jongeling, geen meisje, geen arme en zwakke zal er gemist worden, u zult ze wederom zien, op de dag wanneer de Zoon het koninkrijk aan Zijn Vader zal overgeven; de avond en de schaduw van ieder arm dagloner zal komen; de zon van Christus’ kerk daalt laag in dit leven, binnen nog weinig geslachten zal hier niet één ziel van het strijdende gezelschap zijn; onze Man zal om hen allen zenden. Het is een rijke weldaad, dat wij niet langer aan de tijd getrouwd zijn, dan totdat onze loop is voleindigd. U mag blij zijn, dat u niet naar de hemel gaat, voordat u weet, dat Jezus daar al eerder is dan u, opdat wanneer u daar komt, u op uw eerste intrede mag bevinden de reuk van Zijn oliën, en van Zijn mirre, aloë, en cassie; en die Zijn eerste groet zal u doen bevinden, dat het geen ontroostelijke zaak is, te sterven. Ga, en geniet uw winst; leef op Christus’ liefde, terwijl u hier bent, en geheel de weg over. Wat aangaat Gods Kerk, die u achterlaat, de heerschappij is op Christus’ schouderen, en Hij zal voor ‘t bloed van Zijn heiligen pleiten. De doornbos is brandende geweest over de vijfduizend jaren, en nooit zagen wij nog de as van dat vuur, nog een kleine tijd, en ‘t gezicht zal niet vertoeven, het zal spreken en niet liegen. Ik heb meer vrees voor mijn plicht, dan voor de heerschappij van ‘t Hoofd, Christus. Het kan niet missen, dat Hij niet het oordeel zou uitbrengen tot overwinning. O, dat wij konden wachten naar ons verborgen leven! Och, dat Christus het voorhang wilde wegdoen, de gordijn van de tijd aan een zijde schuiven, en de hemelen scheuren, en neerkomen! Och, dat de schaduwen, en de nacht voorbij waren, dat de dag aanbrak, en dat Hij, Die onder de leliën weidt, wilde roepen tot zijn hemelse trompetters: maakt u gereed, laat ons gaan, en brengen de vier hoeken van de wereld bijeen, en trouwen de bruid! Zijn genade zij met u. Nu, indien ik gunst bij u gevonden heb, en indien u mij getrouw oordeelt, zo is mijn laatste verzoek aan u, dat u mij een legaat wilde nalaten, en dat is, dat mijn naam op ‘t allerlaatst in uw gebeden mag zijn, gelijk ik ook wens, dat ze mocht zijn in de gebeden van die van uw godzalige bekenden, met welke u allerinnigst bent geweest.

      Uw broeder in zijn eigen Heere Jezus, Samuel Rutherford

      Londen, 9 januari 1646

       

    241. Aan mevrouw Kenmur
    242. Mevrouw!

      Genade, barmhartigheid, en vrede zij u. Het is het minste voor de Vorstelijke en Koninklijke goeddadigheid van Jezus Christus, een Koning Zijn schulden te betalen, en Zijn dienstknechten geen verlies te laten doen. Zijn goud is beter dan het uwe; en Zijn honderdvoud is de inkomst en rente van de hemel, en ver boven uw inkomsten. U bent niet de eerste die op deze wijze uw rekeningen opgemaakt heeft; ‘t is beter dat u Christus tot uw factoor hebt, dan iemand anders; want Hij handelt tot voordeel van Zijn arme dienstknechten, maar indien het honderdvoud in dit leven zo goed toegesteld is, gelijk Christus u niet kan betalen met misrekening, of met uitgestelde hoop. O, wat moet de rente van het land zijn, hetwelk elke dag en ieder uur van de jaren van de lange eeuwigheid, de gehele rente van een jaar opbrengt, ja van meer dan duizendmaal duizenden van eeuwen, namelijk de wichtige inkomst van een rijk koninkrijk, niet iedere zomer eens, maar ieder ogenblik. Die som van heerlijkheid zal u en al de engelen veel te tellen geven Een pachter te zijn van zo’n Landheer, waar iedere bezie van het wijde veld niet erger vrucht draagt, dan heerlijkheid, volheid van vreugde, en plezieren, die tot in eeuwigheid duren, dat laat ik u zelfs bedenken, wat een zomer, wat een goede grond, en wat een hof moet daar zijn, en wat moeten de waren en voordelen van dat land zijn, waar zon en maan onder de voeten van de inwoners zijn. Gewis, ‘t land kan niet gekocht worden met goud, bloed, verbanning, verlies van vader en moeder, man, vrouw, kinderen. Wij wonen maar hier, omdat wij niet beter doen kunnen; ‘t is noodzaak, en geen deugd, vreemdelingen te zijn in een gevangenis, te wenen, en te zuchten, en helaas 60 of 70 jaren te zondigen in een land van tranen; de vruchten die hier groeien zijn alle met zonde gezouten. O, hoe zoet is het, dat het gezelschap van de eerstgeborenen verdeeld is in twee grote lichamen van een heirleger, en dat sommigen in hun vaderland zijn, en sommigen op de weg naar hun vaderland! Indien het niet meer was, dan om eens het aangezicht van de Prins van dat goede land te zien, en voor eeuwig feest te vieren en onthaald te worden met de vetheid, zoetheid en lekkernijen van de stralen van weergaloze heerlijkheid, en onvergelijkelijke fonteinliefde, het zou een welbestede reis zijn, op handen en voeten te kruipen, door zeven doden, en zeven hellen heen, om Hem te genieten boven bij de springader. Alleen laat ons niet moe worden; de mijlen tot dat land zijn nu minder en korter, dan wij eerst geloofden; vreemdelingen handelen niet wijs, als zij met hun waard kijven, en klagen over hun logement; ‘t is een vuile weg maar een schoon huis. Och had ik maar zulke druiven en druiventrossen uit dat land, gelijk ik soms gezien en gesmaakt heb in de plaats waarvan uw Hoog-Ed. gewag maakt! Maar de hoop daarvan in het einde, is een vrolijkmakende begeleiding op de weg; indien ik weinig meer zie van het goud, totdat de loop teneinde is, zo durf ik niet twisten; Hij is de Heere. Ik hoop dat Zijn wagen door deze drie koninkrijken zal gaan, nadat ons lijden zal vervuld zijn. Genade zij met u.

      Uw HoogEds. in Jezus Christus, Samuel Rutherford

      Londen, 26 januari 1646

       

    243. Aan Mr. J. G.
    244. Eerwaarde en lieve broeder!

      Ik zal met mijn ziel wensen naar de vrede van deze koninkrijken; en ik geloof; zij zal eindelijk komen als een rivier, en als de machtige golven van de zee. Maar och, dat wij rijp en bereid waren, om het te ontvangen! Het behouden van twee of drie of vier of vijf beziën in de uiterste takken van de olijfboom na de wijnoogst, zal waarschijnlijk een grote zaak wezen, eer alles teneinde is. Doch ik weet, een tros druiven zal er in beide de koninkrijken behouden worden; want er is een zegen in; maar ik vrees, ‘t is nog zo na niet aan het krieken van de dag des heils; maar de wolken moeten nog meer plasregens van bloed neerzenden, om de wijngaard van de Heere te bevochtigen, en die te doen bloeien. Schotlands schuim is nog niet afgenomen, ook is Engelands droesem en tin nog niet weggenomen, en de vuilheid van ons bloed is niet uitgezuiverd door de Geest des oordeels en de Geest der uitbranding. Maar ik ben te veel op deze droevige stof. Wat mij zelf aangaat, ik acht niets, buiten de hemel, en naast een gemeenschap met Jezus Christus, meer, dan in de harten en gebeden van de heiligen te zijn; ik weet, Hij weidt daar onder de leliën, totdat de dag aanbreekt. Maar ik ben nu in een lage eb, in opzicht van enige gevoelige gemeenschap met Christus, ja zo laag, als enige ziel zijn kan; en ik weet nauwelijks waar ik ben, en ik maak het nu tot een vraag Of iemand door niet anders dan duisternis kan gaan tot Hem, Die een ontoegankelijk licht bewoont? Gewis allen die naar de hemel gaan, hebben een kapitaal in Christus; maar ik weet niet, waar het mijne is. Het kan mij niet genoeg zijn, de zaligheid van anderen te geloven, en te weten, dat Christus is de honigraat, de Roos van Saron, en het Paradijs en de Lusthof van de heiligen en eerstgeborenen, die in de hemel opgeschreven zijn, en niet van ver te zien de landpalen van dat goede land. Maar wat zal ik zeggen? Of dat is de Heere, Die de genade een nieuwe schepping maakt, waar enkel niet, en zondig niet is, om op te werken, of ik ben een verloren man. Ik zou mijn ziel aan u, en anderen, die daar met u zijn, verbonden rekenen, indien u maar tot Christus door mij een brief wilde bestellen, die van cijfers en geen zin is, want ik weet niet, hoe mijn staat met woorden uit te drukken, alleen tonende, dat ik Zijn liefde van doen heb: want ik weet, er staan er nu al vele schoongewassenen in ‘t wit voor de troon, die weleer zo zwart waren, als ik ben. Indien Christus Zijn woord geeft, om een zondaar te wassen, het kost Hem minder dan een woord, om zwarte duivelen schone engelen te maken; alleen laat de kunst van vrije genade aan ‘t werk gebracht worden; ik heb geen borg, om borg te geven; ook heeft de Middelaar, zoals Hij is in al Zijn volmaaktheid, geen Middelaar nodig. Maar wat ik van doen heb, weet Hij; alleen dit is Zijn diepte van wijsheid, dat Hij sommigen duizendmaal duizend mijlen laat gaan in de schuld boven de rekening, opdat zij tussen het winnen en verliezen, meer dan gewone vrije genade nodig mogen hebben. Christus heeft over deze vijfduizend jaren lang Zijn genade en barmhartigheid steeds vermenigvuldigd; en de later geboren erfgenamen hebben zoveel temeer schuldigheid, omdat Christus meer bevindingen en vermenigvuldigde bewijzen van hartliefde aan anderen heeft gegeven, wanneer zij nog ongelovig zijn, nadat het al vele honderden jaren buiten twist is gesteld, en dat Christus die Schatmeester is van vermenigvuldigde verlossingen, die niet kan geloochend noch betwist worden. Zo zegt Hij ook nu, hoe meer er van de ziekte is, hoe meer er van de Medicijnmeesterskunst van genade en ontferming moet wezen. Alleen weet ik, dat geen zondaar de oneindige genade zoveel kan te doen geven, dat de Middelaar zwarigheid of veel werks zal hebben, om deze of die mens zalig te maken. Miljoenen van hellen van zondaars kunnen niet nabij komen, om de oneindige genade uit te putten. Ik bid u, doe mijn liefdegroet aan uw vrouw en vrienden daar, en laat mij bevinden, dat ik verzoekers en voorbidders heb onder uw bekenden; en vergeet Schotland niet.

      Uw broeder in Jezus Christus, Samuel Rutherford

      Londen, 30 januari 1646

       

    245. Aan Mevrouw Kenmur
    246. Mevrouw!

      Het is zeer waarschijnlijk, dat de twist van de Heere met deze twee volkeren nog maar beginnende is, en dat wij rijp en wit geworden zijn voor de sikkel van de Heere. Wat aangaat de bijzondere staat, waarin uw Hoog-Ed. is, dit zeg ik er toe: anderen, zo zij alles wilden uitspreken, zouden van droeviger dingen kunnen spreken, indien er niet een fontein van vrije genade was, om de droge grond te bevochtigen, en een ongeschapen wind, om over de droge en verdorde beenderen te waaien, zo waren wij verloren. De raderen van Christus’ wagen, om ons uit de mond van vele doden te rukken, zijn gevleugeld, gelijk de arenden. Al hetgeen ik heb, is dit, dat ik wens te geloven, dat Christus alle goedwilligheid zal tonen, om zalig te maken. En wat UwEd. belangt, ik weet, dat Christus geen bedoeling tegen u heeft ten kwade, maar dat Hij u zoekt, om u te behouden en te verlossen. Hij loert niet op uw val, behalve als dan, om u weer op te nemen. Zijn wijze van verlossen is door vervoeren en nemen. Er zijn in de hemel meer wonderen van verheerlijkte zondaars, dan er op de aarde kunnen zijn. Mevrouw, niets zal er van u verwelken, zelfs niet uw blad. Waarlijk, ‘t is een koningsleven, het Lam te volgen; maar wanneer u Hem thuis in Zijn Eigen land ziet, zo zult u denken, dat u Hem nooit tevoren zag. Allen die geloven, zullen over Hem verwonderd wezen, 2 Thess. 1:10. U mag oordelen, hoe ver alsdan al uw nu droevige dagen, en uw sukkelingen, veranderingen, verliezen, gebrekkelijkheden en strijden, beneden u zullen zijn. U ziet op het kruis, zoals het nu boven uw hoofd is, en de dood schijnt te dreigen, als hebbende een heerschappij; maar het zal dan zover beneden uw gedachten zijn, of uw gedachten zullen er zover boven zijn; dat u geen ledige tijd zult hebben, om een gedachte te lenen aan oude verleden kruisen in uw jeugd, in uw ouderdom, in dit of dat land, door dit of door een ander werktuig, tenzij het was om te dienen tot de verhoging van uw troost, zijn die nu alle te boven, en buiten hun rijk. Ouderdom en oud worden als een kleed, staat geschreven op ‘t schoonste aangezicht van de schepping. Ps. 102:27,28. De dood speelt de koning van Adam af tot de verschijning van de tweede Adam, en Hij heerst over allen; de voorname Erfgenaam stierf, Zijn kinderen, die de Heere Hem gegeven heeft, volgen Hem. En wij mogen wel vrij van ‘t leven, dat hier is, zeggen: indien dit de hemel was, zo was er niet veel winst in de godzaligheid; maar er is rust over voor het volk Gods. Christus als mens bezit die al 1600 jaren, voor vele van Zijn leden. maar zij wordt niet verteerd. Genade zij met u.

      UwEds. in zijn zoete Heere, Samuel Rutherford

      Londen, 16 februari 1646

       

    247. Aan mevrouw Ardross
    248. Mevrouw!

      Genade, barmhartigheid en vrede zij u. Het heeft, naar ik hoor, Hem goedgedacht, Die de grenzen van ‘t getal van onze maanden gesteld heeft, een schoof van rijp koren in Zijn schuur te vergaderen, en dat in de dood van uw christelijke moeder. Het blijkt temeer dat de winter nabij is, wanneer appelen zonder ‘t geweld van een wind, uit zichzelf, van de boom afvallen. Zij is nu boven de winter, met een weinig verandering van plaats, niet van een Zaligmaker; alleen geniet zij Hem nu zonder boodschappen, en in Zijn Eigen onmiddellijke tegenwoordigheid; Wie zij tevoren, door brieven en boden gehoord had. Ik sta toe, de dood is haar een zeer nieuwe zaak, maar de hemel was voor haar vanouds bereid; en Christus, als genoten in Zijn hoogste troon, en als beladen met heerlijkheid, en onvergelijkelijk verhoogd boven mensen en engelen, hebbende zo’n hemelse kring van verheerlijkte harpslagers en muzikanten daar boven, de troon omringende met een gezang, is haar een nieuwe zaak, doch even zo nieuw, als de eerste zomerroos. of de eerstelingen van dat hemelse veld, of gelijk een nieuw paradijs voor een afgemat, en uit zijn adem gelopen reiziger, wegens de droevige voorvallen van een lange slikkerige weg. Mevrouw, u kunt licht oordelen, wat een brede vergelding haar geschied is voor al haar dienst, voor al haar wandelen met God, en voor al haar droefheid, door ‘t eerste opzien van haar zielsoog op het blinkende en schone aangezicht van het Lam, dat is in het midden van dat schone en witte heirleger, dat daar is, en door de eerste dronk en smaak van de fontein des levens, zo vers en nieuw aan de springader. Om niets te zeggen van het genieten van dat aangezicht zonder bepaling van tijd, vrij meer dan deze levenslengte, die wij nu genieten. En het kostte haar niet meer, derwaarts te gaan, dan te verdragen, dat de dood haar dit stuk van dienst deed: want zij was van de tweede dood verlost door Hem, Die dood geweest is, en nu leeft. Wat is dan de eerste dood tegen de tweede? Niet een schram van het vel van een vinger, tegen de eindeloze tweede dood! En nu zit ze voor eeuwig huurvrij, in een zeer aanzienlijk land, dat meer dan vier zomers in het jaar heeft. O, wat is daar een lentetijd! Ja de geur van de reuk van die grote eeuwig bloesemende Roos van Saron, genoten tot in eeuwigheid! Wat een zingend leven is daar? Er is niet een stomme vogel in dat ganse brede veld; maar zij zingen allen, en galmen uit hemel, blijdschap, heerlijkheid, heerschappij voor de hoge Vorst van dat nieuw gevonden land. En gewis ‘t land is daarom te zoeter, omdat Hij zo’n dure prijs daarvoor betaald heeft; en Hij is de heerlijkheid van dat land. Alles wat, zo ik hoop, uw droefheid harenthalve zo veel verzacht en mindert. En waarlijk dit behoorde genoeg te schijnen, als uw ziel tevreden gesteld wordt door de onfeilbare verwachting van het aanbreken van die dag over uzelf, en door de hoop van diezelfde Koning en Koninkrijk. Gewis de hoop daarvan, in een tijd als alle dingen zo donker schijnen te zien op deze koninkrijken, moet een uitmuntend grote verwakkering zijn voor onze flauwe geesten, die terwijl wij hier zijn, zo ver van huis zijn. Wat is het een ellende, de ganse dag een kwade weg te hebben, en daarbij geen hoop van een goed verblijf in de nacht? Maar Hij heeft uw logement al opgenomen. Meer kan ik nu niet zeggen; maar ik bid, dat de God des vredes uw hart bevestigt tot het einde toe. Ik blijf mevrouw,

      Uw Hoog-Eds. zeer gedienstig gehoorzame in de Heere, Samuel Rutherford

      Londen, 24 februari 1646

      N.B. Deze brief staat voor Mr. Rutherfords boek, genaamd: "Het Goddelijk recht van Kerkregering en Kerkban."

       

    249. Aan de rechteerwaarde en Hoog-Edele heer, de graaf van Loudon, kanselier van Schotland, en van de academie van St. Andries
    250. Genade, barmhartigheid en vrede

      Rechteerwaarde Heer!

      Gelijk Jezus Christus de Wonderlijke, de Raad, de sterke God, Zijn groot staatsvoornemen op de aarde, en nu in deze koninkrijken voortzet, om een verdrukt volk te behouden, en Zijn klederen in het bloed van Zijn vijanden te verven, en de tabernakel Gods onder de mensen te bouwen, en de wildernis te doen bloeien als een roos, opdat de heerlijkheid van Libanon, en het sieraad van Carmel en Saron op een geestelijke wijze aan Zion gegeven wordt. Zo werkt Hij steeds in Zijn Eigen cirkel van gerechtigheid, en lagere raderen bewegen zich in hun omkeringen tot Zijn uitmuntendste eind: want de hovelingen en koninklijke metgezellen van Zijn troon zijn gerechtigheid en oordeel, en Hij begeert, dat al de bewegingen en gangen van Zijn volk een verenigingspunt zouden hebben met Zijn Eigen hart, en dat ze in dezelfde rondte zouden bewegen met Hemzelf. Vel lubentes, vel attracti Decreta Dei sequamur, necesse est. Wij moeten òf wandelen, òf getrokken worden tot het eind van Jezus Christus, Zijn eind kan niet neerkomen, en zich voegen met onze staatkundigheid. Wanneer de mensen gaan met één hoofd, en twee aangezichten en twee harten, kan de Voorzienigheid hen vangen in hun arglistigheid. Dan zijn wij zeker, en zeilen naar de haven van de zee, als wij met God wandelen, en als onze weg een rechte lijn maakt naar het hart van Jezus Christus.

      Deze twee koninkrijken hebben een eind, het verbond, van een volk te zijn voor God; dit zwoeren wij met onze handen, opgeheven tot de Allerhoogste; de stenen des velds zullen tegen ons getuigen, en het zwaard des Heeren zal de twist Zijns verbonds breken, indien wij met de Heere spelen, alsof de gelofte Gods, opdat de Heere één, en zijn Naam één mocht zijn in beide de koninkrijken, alleen op ons was geweest, wanneer wij laag waren, en alsof onze eed alleen een bepaalde tijd had tot het jaar 1640; en alsdan onze gelofte moest teneinde lopen, gelijk de wet van de schaduwen, wanneer het lichaam Jezus Christus kwam. Gelijk voorspoed een geringe, en van was geformeerde almanak is voor de godsdienst, zo zal de lage staat van ons koninkrijk, hoop ik, ons niet bewegen, om des Heeren zaak te verlaten, of om de Heere te beschuldigen, omdat goede zaken droevige uitkomsten hebben. Want behalve dat de heidenen zeiden dat God niet dwalen kan, omdat Marius ex culpa gloriam reportavit, Marius heerlijk gemaakt werd door kwaad doen; en ille crucem sceleris pretium tulit, hic diadema, de een krijgt een kruis, de ander een koningskroon tot beloning van goddeloosheid, zo weten wij, dat God, hoe het ook zij, voor Israël goed is. Indien datgene, dat beoogd was tot enigheid, door de mensen hun boosheid zal omkeren tot een droevige verdeeldheid tussen de koninkrijken, zo zal ik geloven, dat de ware godzaligen van beide de koninkrijken, nauwelijks vatbaar zijn voor zulke bloedige oogmerken, dat ze een legaat van altijddurende bloedstorting zouden nalaten aan de nakomelingen. En gewis hoewel de sterksten mochten overmogen voor de tegenwoordige zondigheid, nochtans habent Deum ultorem, de mensen op aarde kunnen niet lang sterk zijn tegen de wraak van de hemel. Gelijk voorspoed dronken maakt, zo is de laatste toevlucht van een lage staat een boze raadgever, en kwade jaloersheid denkt, gelijk de hel, altijd kwaad. Al degenen, van wie de ingewanden geroerd zijn wegens de verwoestingen, graven van vermenigvuldigde weduwen en wezen van de beide koninkrijken, zullen niet durven, alzo het verderf van de Almachtige voor hen tot een schrik is, verdrukkingen toedoen tot Gods volk, dat reeds verdrukt is.

      Gezegend zullen zij wezen van de Heere, die tussenkomen tot voorkoming van verbrekingen van de enigheid van de twee natiën, en tot voortzetting van het broederlijk verbond. Jezus Christus is een verenigende Zaligmaker, één God, één geloof, één Heere Jezus, zo zou er dan één godsdienst zijn. En ik bid de God des vredes, dat ze gouden ketenen mogen zijn, om deze twee natiën en Kerken samen te binden in uno tertio; dat ze als in een middelpunt in een Heere Jezus verenigd mogen worden. Och, dat die kostelijke dauw van Hermon, stortregens van liefde en vrede, de ganse nacht mochten liggen op de takken van de twee olijfbomen; opdat de grootste hitte en invloed van een Zon der gerechtigheid met genezing onder Zijn vleugelen, mocht maken, dat de lelie onder de doornen, de Roos van Saron, die door de Heere geplant in de bruid van Jezus Christus in de beide koninkrijken, hun wortels mogen verspreiden, en hun geur geven, als groen en bloeiende, tot al de volkeren rondom. Het Koninkrijk Gods is vrede. De Heere is met een groot werk bezig in Brittanië; waarom zouden de verdeeldheden, die uit de begeerlijkheden van de mensen voortkomen, en de vijanden des Heeren, vertragen de raderen van Christus’ wagen? Laat ons de lelie niet weer met bloed bevochtigen. De Babelskinderen hebben ons bloed in grote overvloed gestort, waarover de Kerk Gods in drie koninkrijken, staat en bidt, en profeteert in zak en as. Het geweld dat mij en mijn vlees is aangedaan, zij op Babel, zullen de inwoners van Zion zeggen; en mijn bloed zij op de vrouw bekleed met purper en scharlaken, de moeder van de hoererijen en van de gruwelen van de aarde, zal Jeruzalem zeggen. Gelukzalig waren wij, indien wij de tweede tempel konden gebouwd zien en dat de Heere de verwoeste plaatsen weer opbouwde; en dat de heidenen de gerechtigheid mochten zien van de oudere zuster, de Kerk van de Joden, en dat beide waren als een kroon van heerlijkheid in de hand des Heeren, en als een koninklijke hoed in de hand van onze God.

      Ik zal niet nodig hebben, zo ik hoop, een verantwoording te maken, vanwege dat ik dit boek, zodanig als het is (anderen kunnen, en zo ik hoop, zullen rijper aanmerkingen tegen Erastus er bijdoen), aan uw Hoog-Eds. naam opdraag. Ook zal ik geen woord van opwekking behoeven te gebruiken, dat uw Hoog-Ed. met uw ernstige pogingen mocht meewerken, tot een recht verstand tussen de beide koninkrijken, en tot voortzetting van het werk van de rechterarm des Heeren, dat de Heere heerlijkheid schept over iedere vergadering op de berg Zion, opdat heerlijkheid in ons land wone: want wij zijn getuigen van uw Hoog-Eds. arbeid tot die beide.

      Uw Hoog-Eds. ootmoedig onderdanige in de Heere, Samuel Rutherford

      Londen, 1646

       

    251. Aan M. O.
    252. Ik kan u voor tegenwoordig niets schrijven aangaande deze tijden, wat anderen ook mogen oordelen, dan ‘t geen toorn en oordeel spreekt tegen deze koninkrijken. Indien u of iemand van dit land ooit het Evangelie in waarheid ontving, gelijk ik vertrouw, dat u en zij deden, zo is hier een grote afwijking van dat geloof, en ons lijden is nog niet ten einde. Hoe het ook zij, ik durf getuigen, en er voor sterven, dat Christus eens daar en in Schotland geopenbaard is geweest in de kracht van Zijn voortreffelijkheid en heerlijkheid aan de heidenen, waarvan ik een getuige geweest ben. Ik bid God, dat niemand u mocht bedriegen, noch de kroon van u nemen. De hel noch de poorten van de hel kunnen niet losmaken, noch verderven, en te niet doen, ‘t geen Christus eens onder u gedaan heeft. ‘t Mag wezen, dat ik niet vatbaar ben voor nieuw licht, en dat ik die Geest niet kan ontvangen, waarvan sommigen ijdellijk pochen, maar datgene, dat van den beginne was, hetgeen wij gehoord hebben, hetgeen wij gezien hebben, met onze ogen, hetgeen wij aanschouwd, en met onze handen betast hebben, namelijk van ‘t Woord des levens, 1 Joh. 1:2,3, dat is aan u verkondigd. Duizendmaal duizenden, wandelende in dat licht, en op die goede oude weg, zijn naar de hemel gegaan, en staan nu voor de troon. De waarheid is maar één, en zij heeft geen getallen. Christus en de antichrist zijn nu beiden in het veld, en zijn gekomen tot openbare slaglevering. Christus’ arm schip zeilt in een zee van bloed; de passagiers zijn zo zeeziek van een sterke koorts, dat ze elk ander misnoemen; Christus, hoop ik, zal de gebroken schuit aan land brengen; liever wilde ik om leven en dood zwemmen op een plank, of stuk hout, om met Christus te landen. dan de verrotte vrede genieten, die wij tot nog toe genieten. Het is waarschijnlijk, dat de Heere een strenge koers met ons nemen zal, om de kinderen van het huisgezin te doen overeenstemmen. Ik oordeel, dat Christus een groot voornemen van vrije genade heeft omtrent deze landen: maar Zijn raderen moeten gaan over bergen en rotsen. Nooit heeft Hij een bruid op aarde gevrijd, of het was in bloed, in vuur, of in de woestijn Wij kunnen geen kruis hebben van onze eigen verkiezing, wel gehonigd en gesuikerd met vertroostingen. Ik acht het zo’n groot kruis niet, als al de kinderen van het huis met mij en over mij wenen; te lijden, wanneer wij de gemeenschap der heiligen genieten, is niet veel; maar ‘t is hard, wanneer de heiligen zich verheugen in het lijden van de heiligen, en de verlosten beschadigen, ja de verlosten bijna komen te haten. Ik beken, dat ik mij verbeeldde, dat er zo’n verdrukking op de aarde of in de wereld niet was geweest, dan dat de ene uitverkorene engel zou strijden tegen de andere; maar wegens verachting van de gemeenschap der heiligen hebben wij nieuwgeboren kruisen nodig, van welke men nooit tevoren gehoord heeft. De heiligen zijn Christus niet; er is geen verkeerd oordeel in Hem, doch er is veel daarvan in ons, en het is te betwijfelen, of wij ten volle een hart zullen hebben, voordat wij een hemel genieten; ons sterrenlicht verbergt ons voor onszelf, en het verbergt ons voor elkaar, en ‘t verbergt Christus voor ons allen; maar Hij zal niet voor ons verborgen zijn. Ik zal wensen, dat al van onze Vader Zijn zonen in dat land één van zin mogen zijn, en dat ze niet mogen geschud noch bewogen worden van de waarheid, die zij eens aangenomen hebben. Christus was in dat Evangelie, en Christus is dezelfde nu, Die Hij was in de tijd van de bisschoppen; het Evangelie kan niet zinken, maar het zal u vrijmaken, en doorhelpen. Christus, de stof van ‘t Evangelie, is de Uitverkorene Gods, en Hij komt van Bozra, met klederen in bloed geverfd; Ierland en Schotland moeten Zijn veld zijn, waarin Hij zal weiden, en de leliën vergaderen. Neem, hetgeen evenwel onmogelijk is, dat sommige een eeuwigheid lang Christus hadden in Ierland, en daartoe een zoete zomer en een vette maaltijd voor eeuwig in Ierland, en zij kwamen nooit naar de hemel, het zou een wenselijk leven zijn. Des konings nardus, Christus’ reukwerk, Zijn appelen van liefde, en Zijn oliën, zelfs hier beneden in dit Lagerhuis, dat van leem gemaakt is, zijn een uitgelezen hemel. O, wat is dan de Koning in Zijn Eigen land? Alwaar zo’n troon is, zoveel koningspaleizen, en tienduizend maal duizend kronen van heerlijkheid, waarvan de hoofden nog ontbreken, om die op te zetten. O, wat zal daar veel ledige tijd zijn, om te zingen! O, zo’n boom als er in ‘t midden van dat paradijs groeit! Waar de inwoners eeuwig zullen zingen onder zijn takken! Het zou veel voor mij zijn, te mogen inkijken door een venster, en te zien de takken beladen met de appelen des levens, en de laatste man te zijn, die daar zal inkomen. Ik bid u, doe mijn groet aan de Christenen daar; en gedenk ons geheim verbond. Genade zij met u.

      Uw vriend in de Heere Jezus, Samuel Rutherford
      Londen, de 17e april 1646

       

    253. Aan Earlestoun, de Oude
    254. Mijnheer!

      Ik weet, dat u lang tevoren, eer ik iets van Christus kende, geleerd hebt, dat indien wij keuze mochten doen van ons kruis, wij zouden willen, of wettige borg hebben van vrij te zullen zijn ervan, of dat het gehonigd en gesuikerd mocht wezen met vertroostingen, opdat het zoete de gal en alsem mocht overmeesteren. Christus weet wel, hoe Hij de kinderen van Zijn huis opvoeden zal; en u zult Hem verlof moeten geven, om Zijn eigen weg van bedelingen omtrent u te gebruiken; en al is het een ruwe weg, houd het Hem ten goede, Hij tart u, zoveel geduld met Hem te hebben, als Hij met u gehad heeft. Ik ben verzekerd, er mag niet een drachme gewicht van gal minder in uw beker zijn; en u zoudt niet wensen, dat Hij u tegelijk verdrukking zou opleggen, en uw ziel beschadigen. Wanneer Zijn kinderen niet een voorzienigheid kunnen hebben van zijde en rozen, dan moeten zij tevreden zijn met zulk een, als Hij voor hen verkiest; u zoudt niet naar de hemel willen gaan dan met gezelschap; en u kunt wel bemerken dat de weg van degenen, die derwaarts gingen voor u, was door bloed, lijden, en vele verdrukkingen. Ja Christus de Kapitein ging in over de dorpel van ‘t paradijs, bloedende ter dood. Ik mag niet anders denken, of u hebt geleerd te buigen, hoewel u, gelijk anderen, van nature stijf bent, en dat u ondervonden hebt, dat de appelen en zoete vruchten, die op die wilde boom van ‘t kruis groeien, zo zoet zijn, als het zuur is die te dragen; inzonderheid aangemerkt dat Christus het gehele volkomen kruis gedragen heeft, en Zijn heiligen dragen maar stukjes en spaanders, gelijk de apostel zegt, de overblijfsels, het overschot van het kruis. Ik oordeel u tienduizend maal overgelukkig, dat u ooit bent geworden de schuldenaar van de genade: want gewis Christus heeft u over hoofd en oren aan de vrije genade verschuldigd; en neemt u de schuld met u tot in de eeuwigheid, zijnde Immanuels hoogste land, alwaar u voor uw aangezicht vindt een huis van Christus; eeuwige schuldenaars; te minder hebt u zich te schamen. Ja, ook dit lager koninkrijk van de genade is maar Christus’ gast- en ziekenhuis, vol zieke lieden, die de voortreffelijke en edele Medicijnmeester Christus op avontuur van leven en dood genezen heeft, en geneest. En indien u nabij de waterkant bent, gelijk ik weet, dat u bent, zo is alles wat ik zeggen kan; dit mijnheer, dat ik door de reuk van dat land hetwelk voor u is, bevind dat het is een lieflijk vaderland, en het is voor u wel betaald; ook is Hij voor uw aangezicht, Die u hartelijk zal verwelkomen. O daarboven de volle borsten van vertroosting te zuigen, en daar Christus’ nieuwe wijn te drinken in Zijns Vaders huis, is iets groter dan geloofd wordt! Omdat zij van eeuwigheid was gebrouwen voor ‘t Hoofd van het huis, en voor zo menige duizend gekroonde koningen; hinderpalen in de weg, waar het verblijf zo goed is, zijn niet veel te achten. Hij die de grote Herder van de schapen van de doden teruggebracht heeft, door het bloed des eeuwige verbonds, bevestige u tot de einde toe.

      Uw vriend en dienaar in Jezus Christus, Samuel Rutherford

      Londen, 15 mei 1646

       

    255. Een brief van Mr. Samuel Rutherford, staande voor zijn boek, genaamd: "Christus stervende en trekkende zondaars tot Zichzelf;" over de tekst Joh. 12:27—33
    256. Verstandige en Godzalige lezer!

      Indien iemand in deze weelderige en dartele eeuw van trotse en dartele toestanden, zou opnemen te schrijven van deze stof, die zou het uiterste moeten trachten te doen, om te verhogen die Plant van Naam, de Bloem van Jesse, Jezus Christus, en de dauw van Zijn jeugd, de vrije genade van God. Anders moet zijn hart zijn pen bestraffen, en Hij Die groter is dan ‘s mensen hart, zou hem beschuldigen. Het zwakke en lage oogmerk van een zondaar in ‘t schrijven van een Zaligmaker, en van zo’n Zaligmaker, behoort immers te zijn, dat geloof en gevoelen mocht samengaan met zijn tong en pen. Maar wie kan nalaten te belijden, hoezeer de mensen te kort komen, van zo’n eind te bereiken?

      Het gemoed kan een weinig in deze gerustgesteld worden, door aan te merken, dat hoewel op een hoge wijze te spreken van Christus, voor mensen, die zo arm zijn, en zo laag en ongelijk, tot uitvoering van zo zwaar werk, eer een verderving is van Zijn waardigheid, en een vleien van Christus, dan een dadelijk prijzen en beschrijven van Hem in al Zijn deugden en beminnelijkheid, ten opzichte dat de vuile adem van een zondaar, de schoonheid van zo’n hoog overklimmende en onvergelijkelijke bloem kan zwart maken. Zelfs Jesaja, een hoog uitmuntend en Evangelisch profeet, ten einde van zijn verstand is, totdat hij blijft staan, en niet verder kan gaan, en de zaak overgeeft, als een te hoge vraag: Wie zal Zijn leeftijd uitspreken? Jes. 53:8. En een ander zegt, Welk is Zijn Naam, en welk is de Naam Zijns Zoons, zo gij het weet? Allen, die er ooit van schreven, liggen neer onder deze last.

      En hoewel vele heden ten dage uitgeven, dat ze zoveel hebben van de Heere Jezus, dat ze zijn in Christus veranderd, en verzwolgen in Zijn liefde, zo zou ik het toch een hele gelukzaligheid achten, indien ik Zijn Naam maar kon zeggen, en zo diep geleerd was, dat ik wist, hoe men Hem noemt. In de waarheid, ten opzichte van enige omvattende kennis, spreken en schrijven wij maar onze gissingen, en onze schemerbeseffingen van Hem van ver; en ten opzichte van op te komen tot het klaar gezicht van een Evangelisch middaglicht, gelijk wij behoorden, werpen wij maar onder een blindemansstok, en wij spelen maar, gelijk de kinderen doen, met het verguldsel aan de zijde banden van een Arabische Bijbel, die zij niet lezen kunnen, omtrent de kant en de uiterste palen van de kennis van Christus. O, hoe ruw schrijven de naaldhoofdige schoolgeleerden van Christus! O, hoe sluw en arendsogig schijnen zij te zijn in bespiegelingen! Grafdiep of liever heldiep onderzoeken zij, wat er geworden is van Zijn grafdoeken, als Hij van de doden opstond. Van de Cypresnoten verf van Zijn haar. En van het hout van Zijn kruis, en de drie nagelen, die Hem aan het kruis hechtten, en het aanbidden van iets, dat Zijn lichaam geraakt heeft, ‘t zij hout, ijzer of de nagelen van het heilige graf. En hoe ver zijn ze van hetgeen staat, Hoogl. 8:6, Zet mij als een zegel op Uw hart, als een teken op Uw arm. Daar zijn grote boeken van Christus geschreven, predikatie op predikatie, en niet alleen regel op regel, maar boek op boek, en de ene tomus of deel op de andere. En helaas! Wij zijn maar aan de eerste zijde van de enkele catechismus van Christus, spellende Zijn eerste grondbeginselen: ja, Salomo was maar daartoe gekomen: Wat is Zijn Naam? Ik vrees dat te velen van ons noch Naam noch zaak kennen; ja, in deze geleerde eeuw, wanneer de wetsbestrijders boek op boek van Christus schrijven, zou ik zeggen, niettegenstaande al hun roepen: O, de Evangelische geesten, de Evangelische stijl van prediking, de verborgenheid van die vrije genade. die weinigen van hen kennen, zo een ons, een grein van de geestelijke en toepasselijke kennis van Christus, is meer te waarderen, dan talentgewichten, ja scheepsladingen, of bergen van de kennis van de stomme schoolletter.

      Zij zeggen, de heiligen zijn volmaakt, en hun werken zijn volmaakt. Ik laster hun niet; leest Mr. Town, Assert of grace, pag. 76, 77, 78; Mr. Eaton, Honeycombe of justif. ch. II, pag. 338—341, enz. en Saltmarsch, Free grace, pag. 140. Maar hoe onwetend zijn ze van het Evangelie, hoe kwalijk belezen, en hoe weinig geoefend in Christus? Ja, gelijk Luther zeide, in een brief aan D. Guttel tegen de Antinomianen: Neem de zonde weg, en u neemt Christus een Zaligmaker van de zondaars weg. Hoe weinig kennis hebben zij van hun eigen hart en hoe grote vreemdelingen zijn ze daar, als zij zo schrijven? Ik beken, daar is een volheid, en een alvolheid, en alvolheid Gods, Ef. 3:19. Maar ik twijfel zeer, of deze volmaakte alvolheid Gods is aan deze zijde van de eeuwigheid; gewis het kan niet bestaan met onze halve stuiverskaars; en ‘t kan niet wezen, dat met de duisternis van een inwonend lichaam van de zonde, in onze ziel zou schijnen het middaggezicht van heerlijkheid, genaamd Theologia Meridiana Visionis.

      Het is waar, Paulus’ verrukking tot in de derde hemel, Johannes zijn in de Geest, en de hemelen geopend zien, en beschouwen de troon, en Hem Die er op zat, en de troepen in ‘t wit gekleed, die uit grote verdrukking gekomen zijn, geven een klaar bewijs, dat de heiligen in dit leven soms in de voorstad van de hemel kunnen zijn; maar de voorstad is de stad niet. God kan hun een venster openen, en Hij opent ze soms in ‘t nieuw Jeruzalem, en laat hun door dat gat zien de jonge morgenglinsteringen van het daglicht van de heerlijkheid, en een deel van Zijn troon, en de helft van ‘t aangezicht van Hem Die op de troon zit, en de heerlijke en onbesmette geesten, die voor de troon staan; maar die volheid loopt niet over kanten en banken heen; ‘t vat is een vatbaarheid, om nog veel meer pinten en stopen te ontvangen van de nieuwe wijn van de heerlijkheid, die in dat nieuwe land van harmonie groeit. Nu, de wetsbestrijders leggen al onze volmaaktheid op rechtvaardigmaking en vergeving van de zonden. Doch vergeving van zonden, (behalve als in die zin, die is een toevalligheid van vergeving, hebbende hun trappen, en niet de vergeving zelfs) is niet gelijk de nieuwe maan, die voller en meerder licht krijgt, totdat het volle maan is; want vergeving is in ‘t eerste ogenblik alzo volmaakte en volkomen vrijheid van de wettische schuld en toekomende toorn, als ooit zal zijn. Zij schrijven onze volmaaktheid in dit leven niet toe aan onze heiligmaking, dat zij nochtans moesten doen, indien de zonde in haar natuur en wezen niet meer in ons woont.

      En wat aangaat onze verbintenis aan Jezus Christus, wegens de prijs en ‘t rantsoen, dat Hij voor ons betaald heeft, hebben wij niets te zeggen, dan lofzegging te betalen aan onze schuldheer Jezus Christus, of liever die op te schorten, totdat wij boven zullen zijn voor de troon, met de miljoenen van bankroetiers, de verbonden heiligen, opdat wij daar onze schulden mogen zingen in een eeuwige psalm. Want hier kunnen wij die maar uitzuchten; het boek van onze verbondenheden aan Christus is vol geschreven, bladeren en kanten, van binnen en van buiten. Het is een zeer groot boek van vele stukken. En de miljoenen van engelen, van welke Christus het Hoofd is, Kol. 2:10, zijn hun verlossing van mogelijke ketenen van eeuwige wraak, onder welke hun mede-engelen dadelijk liggen, aan Hem schuldig. O, wat zijn dan alle inwoners van de hemel machtig grote sommen aan Christus schuldig!

      En wat kunnen engelen en mensen zeggen, anders dan dat Christus is het Hoofd van alle overheden en machten, Kol. 2:10. Ja, het Hoofd boven alle dingen, gegeven aan de gemeente, welke Zijn lichaam is, en de vervulling Desgenen, Die alles in allen vervult, Ef. 1:22,23. De Vorst van tienduizenden, ja van al des Heeren miljoenen en heirlegers in hemel en op aarde, Hoogl. 5:10. Wanneer al de geschapen uitdruksels en liefelijke bloemen van wezens, hemelen, zon, maan, sterren, zeeën, vogelen, vissen, bomen, bloemen, kruiden, die in het element van de natuur zijn, uit Christus uitgebloeid zijn, dan zijn er nog oneindig veel mogelijkheden van meer rijke wezens in Hem. Wanneer uit Christus zulke rivieren van vrije genade uitstromen tot engelen en mensen, en benevens alle schepselen, die door deelneming in hun soort, met hen meedelen in druppelen en bedauwingen van vrije goedheid: aangezien het uit de vriendelijkheid en wijsheid van de Middelaarsgenade spruit, dat het stelsel en samengesteld lichaam van de schepselen, dat wegens onze zonde veroordeeld is om te vergaan, komt te blijven steun in wezen en schoonheid. O wat blijft er dan evenwel nog meer, en oneindig meer van de gehele en volkomen Christus, dat in Hem nooit gezien is! Ja dat door de geschapen vatbaarheden niet te begrijpen is! En wanneer niet alleen in de uiterste cirkel van genade, maar ook in dat hoogste rond en land van heerlijkheid, zulke heiren, en talrijke troepen van verheerlijkte stukken werk, verloste heiligen, en uitverkorene engelen, die bij voorkoming als gerantsoeneerd zijn van hun gebeurlijke val in zonden, en van een mogelijke eeuwigheid van wraak, benevens Hem staan, als geschapene uitvloeiingen, en takken, die uitsproten. Dan is er in Hem nog een onzichtbare en onbegrijpelijke oneindigheid. Ja, wanneer al deze stukjes, geschapen overblijfsels, kleine bloesems, dochters, en vruchten van goedheid en genade uit Hem zijn voortgevloeid, dan is Hij nog dezelfde oneindige Godheid, en zou dan nog afmatten en vermoeien, (en Hij doet het ook) mensen en engelen en al wat mogelijk is geschapen te worden, met de enige daad van verwonderen over, en van beschouwen van zo’n veelbevattende en grenzeloze Christus.

      Hier is evangelisch werk voor deze verheerlijkte arbeiders, engelen en gerantsoeneerde mensen; om in deze goudmijn te graven, om deze zielvermakende en kostelijke steen te rollen, en om Zijn voortreffelijkheid te beschouwen, te bezien, te onderzoeken, en na te speuren. En dit is de verzadigdheid, de top en het voornaamste van ‘s hemels heerlijkheid, te zien, en nooit uit te zien, te verwonderen, en nooit te veel verwonderen, over de deugden van Hem Die op de troon zit, vervuld en nooit zat te worden van Christus. En moet het dan niet onze zonde zijn, dat wij ver afstaan van Christus? Gewis, indien wij niet het deel boven ‘t geheel, en de droesem van dat deel, namelijk de verkeerde wil, meer beminden dan onze ziel, Christus zou zo ver niet buiten hoogachting en buiten gebruik zijn, als Hij nu is.

      Indien de Antinomianen aangestoten zijn, of diegenen, die uit onwetendheid verleid zijn, mij haten, wegens mijn verhogen van Christus, niet een evangelische ongebondenheid, gelijk zij doen, maar in een strikte nauwkeurige wandel; in dat te gebieden, beide Wet en Evangelie liefelijk overeenstemmen, en nooit tegen elkaar stieten of streden, of konden verschillen; zo bedreig ik hen in ‘t geen ik in dit boek schrijf, met de wraak van goedwilligheid, om hen tot zaligheid te brengen, op een zwakke wijze beogende, immers enigermate wensende, hun zo’n evangelisch begrip en vertoning van Christus voor ogen te stellen, gelijk de profeten en apostelen getoond hebben in het Woord des Koninkrijks van Hem, Die de geheimen van de Vader aan de kinderen der mensen openbaart.

      En wat belangt de Arminianen, die tegenwoordig in Engeland opgestaan zijn, en zulken, die tegelijk Arminianen en Antinomianen, (wetsbestrijders), zodanig als Mr. Den en anderen zijn, die zie ik niet anders aan, dan als vijanden van de genade van God; en wanneer de Antinomianen en Anabaptisten nu in Engeland, zich voegen bij de Pelagianen, Jezuïeten, en Arminianen, zo kan ik niet nalaten mij te verwonderen, waarom de Arminianen, Socinianen, en antichristische misbruikers van vrije genade, en aanbidders van de vrije wil, nu meer behoed en beschermd zouden worden, als schijnbaar de godzalige partij, dan op die tijd, wanneer de godzaligen zozeer daartegen uitriepen, en de onreinen geest uit het land uitbaden. Gewis een witte en zwarte duivel moeten van ‘t zelfde geslacht zijn. Genade is altijd genade, en nooit dartelheid.

      Ook kunnen wij niet genoeg prijzen, noch ons verwonderen, over de uitvloeiingen en rijke uitgangen, en diepe levende springende fonteinen van de zee, van die volheid van de genade, die in Christus is. Kom, en put; de put is diep, en al de druppelen en bevochtigingen, die vallen op engelen of mensen, zijn maar deeltjes van dat uitnemend grote en grenzeloze lichaam van de volheid van de genade, die in Christus is, één lelie is niemendal tegen een grenzeloos breed veld van leliën. Christus is de berg van rozen. O hoe hoog, hoe wijd van bevatting, hoe vol, hoe schoon, hoe groen is die! Konden wij Hem ruiken, Die onder de leliën weidt, totdat de dag aanbreekt en de schaduwen vlieden, en induiken in de goudaderen van de onnaspeurlijke rijkdom van Christus, en dronken worden van Zijn wijn; wij zouden zeggen: ‘t is goed hier te zijn, en de kruimeltjes op te gaderen, die van Christus vallen. Zijn kroon blinkt van diamanten en paarlen, aan en door alle geslachten. Het land van Immanuel is een uitnemend goede grond. O maar Zijn hemel ligt wel warm en vrolijk nabij de Zon, de Zon der gerechtigheid; de vrucht des lands is voortreffelijk; heerlijkheid groeit zelfs op de buitenvelden ervan. O, wat ligt er een overvloedige dauw van zuivere en onvermengde vreugde voor eeuwig, op die eeuwiglijk uitvloeiende bergen en hoven van specerijen! En wat doen wij hier? Waarom vermoeien wij ons, in plaats tot ons nest te vergaderen, daar wij er morgen zullen uitgaan?

      Het zou onze gehele gelukzaligheid zijn, indien deze navolgende overwegingen ons konden uithalen en uitdrijven uit onszelf naar Hem toe; namelijk:

      Vooreerst: Vele gezanten Gods zijn tot ons gezonden, maar er is niemand gelijk Christus; Hij is God, en de edele wezenlijke vertoning van God, even dezelfde met God, God zendende en God gezonden, Gods Metgezel, en God, en niet een andere God, maar een Zoon, een andere zelfstandigheid en persoon.

      Ten tweede: Van afkomst en geboorte, is Hij een gegenereerde Zoon, en is nooit begonnen een Zoon te zijn, noch een Vader te hebben. Hij is van Gods oudste huis, een Spruit van de Koning der eeuwen, Die nooit jong was. En in dit opzicht van ons is Hij de Eerstgeborene van vele broederen.

      Ten derde: Van ambt was nooit iemand Hem gelijk, om vrede tussen God en de mens te maken, door het bloed van een eeuwig verbond; een Scheidsman geheel voor God, zijnde God in natuur, verstand, wil, kracht, heiligheid, en oneindige volmaaktheid; een Scheidsman voor Zichzelf. Een Scheidsman geheel voor ons, aan onze zijde, door geboorte, bloed, en goedwilligheid, voor ons, met ons, en ons, in natuur.

      Ten vierde: Wat een onvermoeidheid van liefde, heeft Hij, in ons ten huwelijk aan te zoeken! Wat is Christus’ goedwilligheid groot, in Zijn Geest, en Zijn liefde uit te storten, Zijn ziel, Zijn leven, Zichzelf voor ons te geven! Had Christus meer dan Zijn Eigen edele en voortreffelijke persoon, om voor ons te geven?

      Ten vijfde. Hoe lang zoekt Hij! Hoe een lange nachtregen maakt Zijn haarlokken nat! Hoe een lange nacht is het, die Hij staat aan de kerkdeur kloppende; Hoogl. 5:2, Openb. 3:20. Vele uren zijn er in deze nacht; sinds dat Hij gepredikt was in ‘t paradijs; en nog staat Hij tot op deze dag. Hoe graag wilde Hij inkomen, en hoe blij zou Hij zijn, als Hij nachtverblijf ontving! De arm, die vijfduizend jaren geklopt heeft, doet nog niet zeer: ziet, Hij staat en klopt, en Hij wil het niet opgeven, totdat ze allen de Zijne mochten zijn, en totdat al de stemmen bij een en tweeën over de Jordaan zijn, en boven bij Hem in ‘t goede land; Hij kan er niet één missen, niet een halve, niet een stukje van een heilige. Joh. 6:39.

      Ten zesde: De zondaars op aarde, en de verheerlijkten in de hemel, zijn van één bloed; zij hadden eens zulke vuile aangezichten, en zulke schuldige zielen op aarde, als u en ik hebben. O maar nu zijn ze schoongemaakt, en staan voor de troon gewassen, en zonder vlek; genade en heerlijkheid heeft hen uit uw kennis gesteld; doch zij zijn uw geboren broederen, al de zeeën en fonteinen op aarde kunnen uw bloed en het hunne niet vaneen spoelen. En er is niet één merk, indruk, schaduw, of teken van een smet van zonde op iemand in dat beroemde land; en Christus wast nu alzo schoon als Hij ooit deed; u bent zo zwart niet, noch zo van de zonde gebrand, of Hij zal u zo wit maken, gelijk al de andere kinderen van het huis, zodat u zichzelf niet kennen zult wegens de schoonheid van heerlijkheid; op het ergste genomen, u bent een zondaar, en maar een zondaar; nu een zondaar is niets voor Christus.

      Ten zevende: Er zal in het land van de heerlijkheid ook gebruik wezen voor de vrije genade; iedere nieuwe dag, en maand van heerlijkheid, (laat ons het zo begrijpen, alsof er delen waren van de eindeloze eeuwigheid, wegens onze zwakheid) zal een nieuwe schuld van vrije genade zijn; omdat Christus nooit is, en nooit zal zijn onze schuldenaar; tot in der eeuwigheid zal de verdienste van de schepselen in de hemel niet komen; de heerlijkheid te blijven houden, zal zonder einde vrije genade zijn; zo zal dan Christus’ betrekking van een Schuldheer, en de onze van schuldenaars groeien, en gedurig groener worden in een eeuwige uitbotting. Altijd zal het lentetijd, en nooit de top en bloem van de herfst zijn; en wij zullen altijd betalen, en altijd prijzen, en altijd verder en dieper ingaan in de zee van vrije liefde, en zo zullen de nieuw gemaakte schulden van de eeuwige genade altijd toenemen. En hoe langer die witte compagnieën en regimenten, die het Lam volgen, leven, hoe meer zij gebroken schuldenaars zijn, zodat Christus nooit Zijn kroon van genade kan terzijde leggen, noch wij onze kroon van heerlijkheid, die wij steeds blijven houden door die enige, en eeuwig voortgezette voorrechtbrief, en geschrift van vrije genade, uitgestrekt, en dagelijks, (om dat woord te lenen, waar geen tijd groeit), uitgesponnen, in een zo lange draad, als de eeuwigheid en het leven Gods is. O de wijde en eindeloze gedachten, en O de diepte van onnaspeurlijke genade.

      Ten achtste: Het is duizendmaal beter te leven onder de regering en voogdijschap van Christus, dan van onszelf te zijn, en te leven naar onze wil. Leeft in Christus, en dan bent u in de voorstad van de hemel; er is dan maar een dunne muur tussen u en het land van lofzeggingen; u bent dan binnen een uur zeilen aan de kust van ‘t nieuwe Kanaän. Wanneer de dood maar een klein gat in de muur maakt, en de zeilen strijkt, zo hebt u niet meer te doen, dan uw voet neer te zetten in het schoonste van de geschapene paradijzen.

      Ten negende: Het is onmogelijk, dat Christus in de hemel kan zijn, en dat er stukken en delen van de geheimzinnige Christus in de hel, of ook lang op aarde zouden zijn. Christus zal Zijn beenderen en leden op aarde tot Zich trekken, en omhoog nader aan ‘t hoofd halen; en Christus en u moeten onder één dak zijn Wat zeg ik? Woningen zijn niet, vele woningen zijn weinig, ja vele woningen in het huis van Christus’ vader, zijn geschapen stukjes van gelukzaligheid, en in bloed nabestaande en vermaagschapt aan niemendal; indien zij geschapen zijn. Ach! Wij missen Hem Zelf, en ik zou de hemel weigeren, indien Christus daar niet was; neem Christus van de hemel weg, en ‘t is maar een armelijke, zwaarmoedige, duistere woeste woning; de hemel zonder Christus zou er uitzien als het vreselijke land des doods. Och, zegt Christus, uw blijdschap moet vol zijn, Joh. 14:3. Ik zal wederkomen, en u tot Mij nemen, opdat waar Ik ben, gij ook mag zijn. Ik belijd, woningen zijn maar als plaatsen van distelen en doornen zonder Christus; daarom wenste ik de hemel om Christus’ wil te hebben en niet Christus terwille van de hemel.

      Ten tiende: Formele gelukzaligheid is geschapen, maar objectieve (voorwerpelijke) gelukzaligheid is een ongeschapen Godheid. Laat de wateren en stromen terugkeren in de schoot van deze diepe Fontein en Springader van oneindigheid, en daar kunnen zij niet rotten, noch verzuren, noch versterven, maar zij worden voor eeuwig fris gehouden. Komt en groeit op deze stam, de eeuwig groene en altijd uitspruitende boom des levens, en dan leeft u op de vetheid, het sap, de zoetheid, en ‘t leven van deze hoogberoemde Plant van ‘t paradijs voor eeuwig.

      Ten elfde: Een dadelijkheid van leven in en op Christus, door de daden van Hem lief te hebben, te zien, te genieten, te omhelzen, en op Hem te rusten, is de middags-theologie en godgeleerdheid van het zaligmakend aanschouwen. Er is een algemene vergadering van onmiddellijk verlichte godgeleerden rondom de troon, die dag en nacht Christus bestuderen, lezen, prediken en prijzen. O wat komen er stralen, en uitschietende bestralingen van verstandelijke genieting, beschouwing, vervrolijking, en leven in Hem, en van vurigheid van liefde, van dat aangezicht, dat Goddelijk aangezicht van de Heere God de Almachtige, en van het Lam, dat in het midden van hen is, en dat de aanschouwers overdekt, wichtig en beladen maakt van binnen en van buiten, en dan moeten er weerkaatsingen en uitgangen zijn van verstandsgezicht, van omhelzen, liefhebben, en verwonderen, weer tot Hem terugkerende in een cirkel van heerlijkheid. En wie is dan te vergelijken bij die Bruidegom en de Bruid, de vrouw des Lams, zijnde samen in één daad van eeuwig ondertrouwen, trouwen en bruiloft houden? Wie dan Christus en Zijn volgers? Wie dan de Al in Al? De Ik ben? De Vorst der eeuwen?

      Ten twaalfde: Zo uitnemend is ook de wijsheid, onnaspeurlijke rijkdom van de genade van Christus, dat hoewel God geen zonde nodig heeft, en de zonde tegen Zijn heilige en zeer rechtvaardige wil strijdt, nochtans het oogmerk, het hemelse, beminnelijke, allerheiligste staatsbesluit, van het inkomen van de zonden in de wereld, getrokken door de velden van vrije genade, roept dit openlijk, de uitmuntendheid en nooit genoeg over verwonderde, en aangebeden kunst en diepe wijsheid Gods. Indien de zonde er nooit geweest was, de heerlijke tweede persoon van de gezegende Drie-enigheid en de eeuwige Geest hadden evenwel geweest, en moesten zijn Dezelfde, een eeuwig gezegend God met de Vader. Want de heerlijke één Godheid in drie wonderbare zelfstandigheden, komt onder geen daden van de vrije wil, en van de soevereine raadslagen van God; omdat de Godheid volstrekt en wezenlijk noodzakelijk is. Maar:

      1. Wij zouden voor eeuwig gemist hebben de geheimzinnige Immanuel, de Liefste, de Blanke en Rode, Die de banier draagt boven tienduizenden, Christus Godmens, de Zaligmaker van de zondaren; want zijn er geen zieke zondaren, zo is er ook geen zaligmakende zielegeneesheer van zondaren, is er geen gevangene, dan is er geen verlosser; is er geen slaaf van de hel, zo is er geen beminnelijke rantsoenbetaler van de hemel.

      2 Er zou geen Evangelie geweest zijn, geen dadelijke verlossing op aarde, geen evangelisch gezang van de gerantsoeneerde in de hemel: Het Lam is waardig enz. Indien de zonde nooit geweest zou zijn, zo had er nooit in de hemel een stille staal of stem geweest van een Lam, geofferd en geslacht voor zondaren; er was geen evangelische toon geweest van het nu eeuwigdurend gezang van de vrije genade in de hemel; er was in die zalige vergadering een stilzwijgen geweest van de eerstgeborene of voornaamste van de psalmen; alleen zou er een wettisch muziek geweest hebben; want de mensen gehoorzaamden een wet, zonder in schuld te zijn aan de genade van een Middelaar en daarom zouden zij eeuwig leven.

      3. Nooit zou de genade, de vrije genade op het toneel gekomen zijn, als zichtbaar voor het oog van mensen en engelen.

      4. Indien de zonde nooit in de wereld ingebroken was, de gasten van de vrije genade, die nu voor de troon zijn, en weleer vuile en lelijke zondaars op aarde waren, Maria Magdalena met haar zeven duivelen, Paulus met zijn handen weleer heet, en rokende van ‘t bloed van de heiligen, en met zijn hart, krank van boosheid en lastering tegen Christus en Zijn volgers, en de rest van de nu witten en gewassenen, welker klederen schoongemaakt zijn in het bloed des Lams, en al de talrijke miljoenen, die niemand tellen kan, van welke de hoofden nu in dat allerbeste land verwarmd zijn met een vrije kroon, en die maar stukjes zijn van vrije genade; ik zeg: Die allen zouden geheel niet in de hemel geweest zijn, als de vrije landbezitters, en bijwoners van de verhoogde Verlosser, de mens Jezus Christus; er had in de hemel niet één genieter van de vergevende barmhartigheid geweest.

      Maar o wat is het een diepte van onnaspeurlijke wijsheid, die beminnelijke vondst van vrije genade te bedenken, en dat die rivier en zee van grenzeloze liefde zou lopen door, en binnen de banken van zo’n modderig, zwart, en besmet kanaal, als daar zijn de overtredingen en zonden van de kinderen Adams! En dat aan de zijden en grenzen van die diepe rivier zouden groeien, zulke groene, uitbottende en altijd bloeiende rozen en paradijsleliën, die een hemel geurlijk uitwasemen aan mensen en engelen, als daar is vergevende barmhartigheid aan zondaars, vrije en rijke genade aan verraders van de kroon van de hemel, de goddelijke liefde van Jezus Christus tot de mens. Komt alle wijdbevattende verstanden, en verwarmt uw harten aan dit vuur. O komt gij alle geschapen vermogen, en ruikt de kostelijke oliën van Christus. O komt, zit neer onder Zijn schaduw, proeft en eet van de appelen des levens. O dat de engelen wilden komen, en de geslachten van de mensen, en zich verwonderen en ontzetten, en aanbidden, en neervallen, voor de ondoorzoekelijke wijsheid van deze evangeliekunst van de onnaspeurlijke rijkdommen van Christus!

      Ten dertiende: Indien liefde, en zo’n diepe evangelische liefde, versmaad wordt, indien de gebroken onmachtige lieden de liefde van de Borg en de huwelijksliefde klein achten, en zij dan in zo’n schuld sterven, als hebbende de verbondsliefde, en bloedsliefde onder de voeten getreden, zo zullen zij aangehouden worden, met de allerdroevigste beschuldiging van evangeliewraak. Dat woord: Ik wilde u behouden, en u wilde niet behouden worden, komende uit Christus’ mond, moet een zegel zijn van al de vloeken van de wet, en een wraak van eeuwig vuur daarboven. Maar wij in deze droeve tijden, willen hebben, of dat de genade van Christus een ongeacht ding is, en nochtans alles doet; dat is de dartele ongebondenheid van de Antinomianen; òf dat de vrije wil alles doet, en dat de genade niets doet; dat de natuur richter en soeverein zou zijn, en dat de genade zou zijn de knecht en vazal; ‘t welk is de hoogmoed van de Arminianen uit vrees van aan Jezus Christus gehouden te zijn en van de hemel te bezitten, op een geschrift van al te vrije genade; gewis, het Evangelie gaat een middenweg; en wij zouden ons niet laten bedriegen, door het onderscheid van witte of zwarte duivelen: want zij zijn beide zwart, en zij strekken naar de zwartheid van de duisternis, en zij brengen de ziel van Christus af, en zij breken een nieuwe noordwesten weg op naar de hemel, opdat onze Leidsman ter heerlijkheid, niet mocht zijn de Kapitein van onze zaligheid, Die vele kinderen tot de heerlijkheid brengt, maar of losse ongebondenheid zonder wet, of heersachtige hoogmoed zonder evangelische genade. Nu de God des vredes zelf bevestige u in Zijn waarheid, en geve ons in zo’n doornig bos van valse Christussen en valse leraars, de Morgenster, en Zijn geleide naar de heerlijkheid, Die de weg weet, en is de Weg, de Waarheid, en het Leven.

      De uwe in de Heere Jezus, Samuel Rutherford

      St. Andries, 1647

       

    257. Aan de rechteerwaarde vrouw, mevrouw Kenmur
    258. Mevrouw!

      Ik ben wat bewogen met uw zwakheid van het lichaam en uw ongezondheid. Ik hoop, het is voor u een dadelijke waarschuwing. En indien wij in dit leven alleen hopende waren, wij zouden de ellendigste zijn van alle mensen; gewis de geslachten van de zoekers van ‘t aangezicht van de God Jakobs moeten een leven hebben boven de dingen, die ons nu veel behagen, als: de zon te zien, dit leven in gezondheid te genieten, en daarbij enige wereldse gemakken. Het is onze wijsheid, indien wij dat dan zeker maken. De tijden zouden wel iemand, die de Heere liefheeft, ziek en bang maken, als men bemerkt, hoe de ongerechtigheid vermenigvuldigd is, en hoe traag wij zijn, in de zonden in onszelf op te merken, en hoe scherpzichtig, in ze in anderen uit te vinden, en in welke dienstbaarheid wij zijn. Doch wanneer wij van de tijden klagen, lasteren wij zeer dikwijls heimelijk het werk van de Heere, en Zijn wijze regering van de wereld, en wij verwekken een kwaad gerucht van Hem. Hij is goed, en Hij doet goed, en al Zijn wegen zijn effen. Mevrouw, ik ben bezig geweest, om voor enige anderen, och dat ik het voor mijzelf kon, iets meer hiervan voor te stellen, om God goed te lezen, en te bestuderen, en om de ernstige gedachten van een Godheid, en een Godheid in Christus, zijn werk te maken, en zijn enige werk de ganse dag. Och wij zijn weinig bij God! En wij doen alles zonder God; wij slapen en waken zonder Hem; wij spreken, wij eten, wij reizen, wij gaan aan onze wereldse bezigheid en aan ons beroep zonder God! En aangezien dat er zo’n dodigheid is in de harten van velen, zo zou het goed zijn, dat sommigen niet baden zonder God, niet predikten, en zongen, en lazen, en samenspraken van God zonder God. In ‘t algemeen wordt er over geklaagd, dat er een wonderlijke dodigheid op het land, en in de harten van zijn volk is. Och dat wij het konden verhelpen! Maar Hij Die ieder ogenblik Zijn wijngaard van rode wijn bevochtigt, moet het verhelpen. Ik geloof, Hij zal de doornen en distelen, die tegen Hem aankomen, verbranden. Ik wens uw Hoog-Ed. bij de Heere te gedenken: maar ik kan in deze weinig doen. Zijn eeuwige goedwilligheid zij met u.

      De uwe in de Heere Jezus, Samuel Rutherford

      St. Andries, 24 juli

       

    259. Aan zijn eerwaarde en waarde broeder Mr. Georgus Gillespie
    260. Eerwaarde en lieve Broeder!

      Ik kan tot u niet spreken, u kent de weg; de pas is vrij, en niets is er in de weg; het teken van de voetstappen van de voorloper is klaar en blijkelijk; velen zijn u voorgegaan; u zult niet lang in het stof slapen, voordat de dag aanbreekt; het is een veel korter stuk van het achterste eind van de nacht voor u, dan voor Abraham en Mozes; behalve de tijd, die hun lichamen hebben gerust onder de verdorvenheid, is het alzo nog lang tijd deze hun dag, als tot uw morgenlicht, van op te waken tot heerlijkheid; hoewel hun geesten hebbende iets vooruit boven de uwe, nu al lang voor u aan de kust aangekomen zijn. Ik durf niets zeggen tegen zijn vrijstelling. Ik hoop ras te volgen; de erfgenamen, die daar nog niet zijn voor u, gaan met haast en te post achter u, en niemand zal uw logement van boven uw hoofd innemen. Wees niet bezwaard; nu wordt het leven van het geloof vereist; het doen was nooit in uw rekeningen veel gerekend, hoewel Christus in en door u meer gedaan heeft, dan door twintig, ja honderd grijze en vrome herders, het geloven is nu uw laatste. Zie naar dat woord, Kol. 2:20. Niettemin ik leef, doch niet ik, maar Christus leeft in mij. U kent de Ik Die leeft, en de Ik Die niet leeft; het is niet het enkel Gij, die leeft, maar Christus leeft door de wet in de gebroken schuldenaar; het is geen leven door doen of heilig wandelen, maar het leven van Christus in u. Indien u op uzelf ziet, als afgescheiden van Christus, zo moet u meer dan bezwaard en droevig zijn. Lieve broeder, laat al uw gebrek op Hem zijn; u bent Zijn schuldenaar. De genade moet uw rekeningen opsommen en onderschrijven, als betaald; staat niet op items, en kleine of weinige heiligmaking; u weet, inklevende heiligmaking moet terzijde afstaan, wanneer de toegerekende alles is. Ik vrees, dat uw lemen huis al wordt afgebroken en ondermijnd; maar ‘t is nabij het krieken van de dag; ziet naar ‘t oosten; het aanbreken van de heerlijkheid is nabij; uw Leidsman is goed gezelschap, en Hij kent al de mijlen, alsmede al de hoogten en laagten op de weg; hoe nader de morgen is, hoe donkerder het is. Sommige reizigers zien de stad twintig mijlen van ver, en nochtans kunnen zij die niet zien, als zij een achtste part van een mijl daar vanaf zijn. Houd alles vast, dat u nu wilde hebben, totdat u het nodig hebt; en indien het gevoelen en ‘t genieten beide tegelijk komen, u doet geen verlies; laat Christus u handelen en bedelen, naardat Hij het goed vindt; u kunt in Zijn hand niet verderven noch vergaan. Gebrek is een uitnemende geschiktheid, en geen geld en geen prijs is voor u, die ik weet dat niet durft roemen in eigengerechtigheid, bekwaamheid, die grond genoeg in ‘t Woord heeft, om uzelf op Hem te werpen, Die de goddeloze rechtvaardigt. Sommigen zien eens de prijs, en nooit wederom, totdat ze aan het eind van de loopbaan; het komt alles in een som samen, wanneer u in een begenadigde bekwaamheid zult zijn om het te zeggen, dan nu. Gij zijt niet gekomen tot de berg, die van vuur brandt, noch tot de donkerheid, duisternis en het onweder; maar gij zijt gekomen tot de berg Zions en de stad des levenden Gods, tot het hemelse Jeruzalem, en tot een ontelbaar gezelschap van de engelen, tot de algemene vergadering en de gemeente van de eerstgeborenen, die in de hemelen opgeschreven zijn, tot God de Richter over allen, en tot de geesten der volmaakt rechtvaardigen, tot Jezus de Middelaar van het Nieuwe Verbond, en tot het bloed der besprenging, enz. De vrouw moet u laten aan een uitgelezener Man, de kinderen aan een beter Vader. Indien u enig getuigenis voor het werk van de Heere en verbond nalaat, tegen de Malignanten en Sektarissen, dat ik meen dat wel nodig mocht zijn, zo laat het onder uw hand zijn, en onderschreven in bijzijn van trouwe getuigen.

      Uw liefhebbende en verdrukte broeder, Samuel Rutherford

      St. Andries, 27 sept. 1618

       

    261. Aan juffrouw Gillespie
    262. Lieve Zuster!

      Ik heb gehoord, hoe de Heere u bezocht heeft, in ‘t kind Archibald weg te nemen door de dood. Ik hoop, dat u ziet, dat het stellen van ‘t gewicht van uw vertrouwen, en van uw genegenheid, op iets geschapens, ‘t zij man of kind, is een bedriegende zaak, en dat het schepsel niet machtig is, uw gewicht te dragen, en dat het tot niet neerzinkt onder uw vertrouwen. En daarom bent u Christus’ schuldenaar voor alle voorzienigheden van deze slag, zelfs daarin, dat Hij een doornheg op uw weg maakt: want zo ziet u, dat Zijn genadig oogmerk is u te behouden, indien ik zo mag spreken, of u wilt of niet. Het is een rijke weldaad, dat de Heere Christus Meester van uw wil en van al uw vermaak wil zijn, en dat Zijn weg zo schoon is, in uw man en kinderen voorshands te doen landen in het vaderland, daar u naar toe reist. Daar is niet aan gelegen, hoe weinig u aan de wereld verbonden bent, aangezien u zulke ervarenheid hebt, van dat het u daarin zo tegengaat; indien hij een kind van ‘t werelds huis had geweest, de wereld zou vriendelijker met het hare gehandeld hebben, daar is nu minder van u buiten de hemel, omdat het kind en de man daar is, maar veel meer, omdat uw Hoofd nabestaande en Verlosser zulken tehuis haalt, die in gevaar zijn van verloren te gaan. En haalt voorts van deze tijd af uw vertroostingen niet van zulke gebroken bakken en droge putten. Indien de Heere aan de andere kinderen komt rukken, zo moet u het schepsel niet zijn, dat zal vasthouden, als Hij trekt. Waarlijk uw staat is in mijn ogen troostelijker, dan indien uw haard voorzien was met tien kinderen. De Heere zag, dat u door Zijn genade bekwaam was, om te dragen het verlies van man en kind, en dat u zo zwak en teer bent, dat u niet machtig bent te staan onder de weldaad van een begenadigd man, levende en bloeiende in achting bij de overheden, en in naam wegens godzaligheid en geleerdheid; want Hij weet, dat het gewicht van die weldaden u zou kneuzen en verbreken. En gelijk er dan geen doorgronding is van Zijn verstand, zo weet Hij zeer wel, welke voorzienigheid Christus aan u het dierbaarst zal maken. Laat uw hart niet zeggen, het is een kwalijk gekozen voorzienigheid; gewis, Christus, Die zeven ogen heeft, had voor Zijn ogen, het goed van een levende man en kinderen voor Margareta Murray, alsmede het goed van een weggenomen man en kinderen, overgebracht tot de heerlijkheid. Nu Hij u Zijn besluit geopend heeft, zo zegt: Christus heeft voor mij een wijze en genadige keuze gedaan, en ik heb er niet één woord tegen te zeggen. Laat uw hart niets tegen Christus inbrengen, noch laat het ongeloof geen beschuldiging van verongelijking op Hem vestigen, omdat Hij u niet wil laten begaan, noch u verlof geven, om afgoderij te begaan met diegenen, die dat recht op uw liefde niet hebben, dat Christus heeft. Ik zou wel wensen, dat u op het lezen van deze brief mocht neervallen, en maken een opdracht aan Hem van degenen, die heengegaan zijn, en van degenen, die nog in ‘t leven zijn; en wat u belangt, laat Hem alles hebben, en wacht op Hem Zelf: want Hij zal komen, en niet vertoeven; leef door het geloof; de vrede Gods beware uw hart; Hij, van Wie u bent, kan niet sterven. Mijn vrouw heeft medelijden met u, en zij doet haar liefdegroet aan u.

      Uw broeder in Christus, Samuel Rutherford

      St. Andries, 14 aug. 1649

       

    263. Aan de waarde en zeer geleerde kolonel Gilbert Ker
    264. Ik hoop, dat ik u niet zal behoeven aan te tonen, dat u in groter gevaar bent van uzelf, en van uw eigen geest, over dewelke u dient te waken, opdat uw werkingen voor God rein en geestelijk mogen zijn, en zuiver voor God, voor de Vorst van de koningen der aarde, dan u in gevaar kunt zijn van uw vijanden. O, hoe zwaar is het, Zijn beogingen zo afgesneden te krijgen van, en verhoogd boven het schepsel, dat men is zonder vermenging van schepsel en vleselijke belangen, dat men zijn ziel in hemelse werkingen zo houdt, dat men alleen Hem beoogt en werkt uit liefde tot God, zoals Hij zich aan ons in Christus geopenbaard heeft. U zult uzelf, uw vermaak, uw vaste eer voor u vinden in God, ver boven de wind en ‘t geblaas van de monden, en de dunne, korte, geringe toejuichingen van de mensen. Al de schepselen, al de zwaarden, al de legers in Brittanië, en op deze geringe kloot van de bewoonde wereld, zijn maar onder Hem enkele nullen in ‘t cijfer, die geen getal maken, en daar niets uit opgesomd wordt, en ‘t zijn maar geschilderde mannen, en geschilderde zwaarden op een penning, zonder invloeden van Hem. Maar o, wat is er al van God in Gideons zwaard, wanneer het is ‘t zwaard des Heeren! Ik wens u een zwaard van de hemel, en orders van de hemel om uit te gaan, en zoveel stijve afhankelijkheid van een hemelse wil, dat u mag zeggen en daarbij blijven, ik wil, ik zal niet uitgaan, tenzij dat Gij met mij gaat. Ik wens niet lichtvaardig te zijn in mijn oordelen; maar ik heb geheel geen kennis van de zin van Christus, indien onze vijanden, die ten onrechte in ons land gevallen zijn; niet in ‘t veld zijn van diegenen, die tegen het Lam krijgen. Maar het Lam zal hen eindelijk overwinnen; want Hij is de Heere der heren en de Koning der koningen; en degenen die met Hem zijn, die zijn geroepenen, uitverkorenen en getrouwen; en hoewel u en ik maar zien de duistere zijde van Gods voorzienigheden, heden ten dage omtrent Brittanië; zo moet nochtans het schone, liefelijke en wenselijke slot daarvan zijn, dat de volkeren van de wereld met Brittanië’s Heer der heirscharen in een verbond zullen komen; en laat mij sterven in de vertroostingen van ‘t geloof, van dat er een troon voor Christus zal opgericht worden in dit eiland van Groot-Brittannië, dat een vruchtbaarder hof van bomen van de gerechtigheid is, en zal zijn, en meer duizenden aan de Heere van de wijngaard betaalt, en zal betalen, dan er in driemaal zoveel wijdte lands, als Groot-Brittannië bevat, op de aarde betaald wordt. En dan kan er noch Papist, Bisschop, braverende ruiter, Malignant, noch Sektaris zijn, die een zwaard zal durven trekken tegen Hem, Die op de troon zit. Mijnheer, Ik zou wensen, dat het leger rein was, zoveel als mogelijk is, en dat het gejuich van een koning, die vele kronen heeft, onder ulieden mocht zijn; en dat u in het geloof mocht vechten, en eerst God overwinnen. Acht het uw eer, te hebben een zwaard, om te handelen; acht het een eer, te lijden en te sterven, indien het Hem behaagt, mits dat u iets mocht toebrengen tot de openbaring van de heerlijkheid van Christus, die Plant van Naam, Immanuel, God met ons. Welgelukzalig en driemaal over gezegend zijn zij, door welken hun daden, of bloed of pijn, of verlies, de diamanten en robijnen van Zijn hoogste en heerlijke kroon, van Wie u bent, zullen blinken en schijnen in dit gedeelte van de bewoonde wereld. Hoewel Hij Gilbert Ker, noch zijn zwaard nodig heeft; nochtans deze eer hebt u met Zijn verloste krijgsknechten, dat u Christus mag roemen Hoge Heer Generaal, van wie u soldij, en alle welbetaalde achterstalligheden verwacht. Ga heen, waarde heer in de kloekmoedigheid van het geloof, volgende het Lam; haast niet door ongeloof; maar houd u op de wachttoren in hoop en stilzwijgen, en zie uit naar Hem; Hij zal te zijner tijd komen; Zijn heil zal niet vertoeven; Hij zal in het Zion van Brittanië heil vestigen, om Israëls heerlijkheid. De goedwilligheid Desgenen, Die in het braambos woonde, en ‘t verbrandde niet, zij uwe, en met u. Ik ben

      De uwe in mijn Heere Jezus, Samuel Rutherford

      St. Andries. 10 aug. 1650

       

    265. Aan de waarde en zeer geëerde kolonel Gilbert Ker
    266. Zeer geëerde en waarde Heer!

      Hetgeen ik u tevoren geschreven heb, sprak ik niet op enige geheime ontdekking van God. Maar ik ben nog, waar ik was. Cromwel en de zijnen (ik zal niet loochenen, of daar mogen er zijn, en daar zijn onder hen verscheidene oprechte en vrome lieden, die òf door kwade informatie zich mee bij hen gevoegd hebben, òf die met de anderen zijn meegegaan in de eenvoudigheid van hun harten, nergens van wetende) strijden voor een onrechtvaardige zaak, tegen des Heeren verborgene; en nu heeft hij boven het vertreden van de godsdienst, en het vervolgen van Gods volk, in Engeland en Ierland, ook het bloed van Gods volk in Schotland op zijn rekening gehaald. Ik bid u, waarde heer, gelijk u graag dienst zoudt doen aan Jezus Christus, Wiens vrije genade u voorgekomen is, als u Zijn vijand was, ga voort zonder bezwijken, vermijdende evengelijk alle vermenging met Sektarissen en met Malignanten; want geen van de twee zullen werktuigen zijn, om des Heeren volk te behouden, of Zijn huis te bouwen. Nu zonder te voorzeggen, of verder te spreken, dan Hij mij grond geelt, van Wie ik ben, en Wie ik begeer te dienen in het Evangelie Zijns Zoons; zo wens ik te hopen, en ik geloof het, dat er een heerlijkheid en majesteit van de Vorst van de koningen der aarde is, die in Groot-Brittannië zal schijnen, en zich vertonen, die ook zal verduisteren al de heerlijkheid van de mensen, en beschaamd maken de Sektarissen en Malignanten, de kwaadaardige partij, en verblijden de geesten van die ‘t Lam volgen, en de ogen van de aanschouwers zal doen duizelen. Mijnheer, ik denk dat God, eer ‘t al gedaan zal zijn, de Malignanten en Sektarissen staat te vergaderen, gelijk schoven in een dorsvloer, en dat Hij de dochters Zions zal gelasten, op te staan en te dorsen. Ik hoop, u zult u met geen van die vermengen. Ik ben overvloedig daarmede tevreden, dat ons leger door de zondige misdraging van de mensen gevallen is; en ik durf zeggen, dat het een beter en troostelijker vrijstelling is, dan indien de Heere ons de overwinning had gegeven, en de smaders van Gods weg de nek had doen keren. Omdat Hij ‘t gedaan heeft: 1. Meer bloed, lasteringen, wreedheid en verraad moet er zijn op de rekening van die mannen, in welker land de Heere ons verboden heeft in te vallen. 2. Overwinning is zo’n zwaarwegende en lastige weldaad, dat wij geen kracht hebben, om die nog te dragen. 3. Dat was niet het leger, noch Gideons driehonderd, door welke Hij ons staat te behouden; wij moeten een leger hebben, van de Heeren Zijn kiezing. 4. Onze vijanden zijn aan hun zijde niet genoeg verhard, wij aan onze zijde niet genoeg gedood aan menigte, kloekmoedigheid, en schepselen. Genade, genade zij met u.

      Uw vriend en dienaar in zijn zoete Heere Jezus, Samuel Rutherford

      St. Andries, 5 sept. 1650

       

    267. Aan de waarde en zeer geëerde kolonel Gilbert Ker
    268. Zeer geëerde en waarde Heer!

      Het is opmerkelijk, dat de Heere kan roepen, en dikwijls roept tot een werk, en nochtans Zichzelf wil verbergen, en beproeven ‘t geloof van de Zijnen. Indien ik het recht vat, zo heeft de Heere u geroepen, om tegen die vijand te werk te gaan; en degenen, die hun zwaard onttrekken, doen, naar mijn zwak begrip, nog een zegel bij de onrechtvaardige inval in dit land door Cromwels leger, en nemen op zich de schuld daarvan, en van het bloed van Gods volk, vergoten in dit koninkrijk, aangezien het zwaard gesteld is in de hand van Zijn kinderen, om toorn en wraak over de boosdoeners uit te voeren; doch des Heeren tijd van te verschijnen voor Zijn verbroken land, is bewaard voor de ademingen van de Geest des Heeren, zodanig als op Gideon en Simson kwam, en dat is een daad van vorstelijke en koninklijke soevereiniteit in God. Mijnheer, u moet aangrijpen de gelegenheden van de Voorzienigheid, en zo op Hem wachten. Wat aangaat uw bijzonder alleen-handelen met de overvallers van ons land, ik heb er geen zin toe, en ik zie hun weg aan, als met zich voerende de verborgenheid van de ongerechtigheid, want Babel is een zitplaats van vele namen. Mijnheer, laat dit verschil onbesloten staan tot de tweede verschijning van Jezus Christus; en laat ons appel leggen voor de troon, onafgedaan tot op die dag; ik hoop in het graf neer te liggen, in het geloof van de rechtvaardigheid van onze zaak. Ik verwacht niets van het staande houden van de grootheid van de mensen, die niet ondergeschikt zijn aan de Vorst van de koningen der aarde. Ik oordeel, dat het bloed van de getuigen van Jezus gevonden wordt zowel op de zomen van dit gezelschap, als van Babel. Ik geloof; dat de weg des Heeren is kolonel Gilbert Ker’s sterkte en heerlijkheid; en ik zou tevreden zijn te missen mijn deel aan Hem, dat ik beken, is dierbaar en waard in Christus, indien hij te gronde zal gaan in de dienst van Hem, Die hiernaar onderzoeking zal doen naar het bloed van de godzaligen, dat deze mensen gestort hebben, nadat hun goede waarschuwing gegeven was, dat het de vromen van Schotland waren. Waarde heer, geloof, bezwijk niet, zet uw schouders onder Christus heerlijkheid, die klein geacht is in Schotland, en geef een getuigenis voor Hem; Hij heeft vele namen in Schotland, die met Hem zullen wandelen in witte klederen. Dit gesmade Verbond zal de Malignanten, Sektarissen en godloochenaars ten verderve brengen. Nog een weinig tijd, en ziet, Hij komt, en wandelt in de grootheid van Zijn kracht, en Zijn klederen zullen geverfd worden met bloed. Och, wat een droeve en vreselijke dag van de Heere zal er komen over Engeland, over zijn schepen van Tarsis, en over zijn vaste steden, vanwege een verbroken verbond! Een conferentie met de vijand, doch niet om te hinderen, het uiterste te doen, (och dat de Heere daardoor, of door enige andere weg die wolk wilde wegnemen, die over uw hoofd hangt) zou wel te wensen zijn, indien de hoge overheid wilde medewerken; doch dat kan bezwaarlijk verwacht worden; immers, gaat u maar voort in de weg van uw plicht, en in de stilheid van het geloof. Indien u verloren gaat, zo bent u de eerste van de schepselen, met wie de Heere die vrijstelling heeft gebruikt. Mijnheer, ik zou in ootmoedigheid u raden, te zien op dat woord: stervende, en ziet, wij leven, de ganse dag gedood, en nochtans meer dan overwinnaars. Daar zal noch hitte en warmte des levens zijn in uw graf en begraven beenderen. Maar wacht niet alleen des Heeren komst van de hogere weg; want Hij mag van de lagere weg komen. O, hoe weinig zien wij van God, en hoe vol verborgenheden is Hij! Christus gekend, is onder de grote geheimen Gods. Bewaar uzelf in de liefde Gods, en tot dat einde zo ver in de gehoorzaamheid en onderdanigheid aan de koning, naar wiens zaligheid en waar geluk mijn ziel wensende is, en aan ieder menselijke ordening om des Heeren wil, en aan de fundamentele wetten van dit koninkrijk, als uw heer dit vereist. Mijnheer, u bent in de harten en gebeden van des Heeren volk in dit koninkrijk, en in de twee andere. De Heere heeft gezegd: Daar is een zegen in de tros druiven, verderf ze niet. Genade, genade zij op het hoofd van degene, die afgezonderd is van zijn broederen; en de goedwilligheid van Hem, Die in het braambos woonde, zij met u.

      Uw dienaar in zijn zoete Heere Jezus, Samuel Rutherford

      Perth, 23 nov. 1650

      N.B. De navolgende brief van Mr. Rutherford, gesteld voor zijn boek, genaamd: "Disputatio scholastica de Divina providentia", heb ik niet alleen willen vertalen, maar die hier ook ingevoegd in de Latijnse taal, waarin hij die geschreven heeft. Omdat die in die taal veel meer liefelijkheid en nadrukkelijkheid heeft, en ik dezelve zo niet in ons Nederlands kon overbrengen, dat de liefelijkheid, kracht en natuurlijke schoonheid van de auteur zijn uitdrukkingen zou behouden zijn. Ook zullen velen hen liever in de eigen taal lezen.

       

      1. Latijn: Adolescentibus S. Theologiae Candidatis, allisque Christianis lectoribus, Gratia et pax
      2. Si instituti, si consilii mei rationem in capessenda Professionis hujus provincia (Adolescentes lectissimi, fratres dilectissimi) expectatis, in disputatione inaugurali rationem reddidi, vobisque satisfacere conabor. Paenorum proverbium est, oportet agrum imbecilliorem esse quam Agricolum; Unde volunt non luctandum cum Sparta viribus impari; sacro Ministerio, licet non ea qua debui, tamen qua potui diligentia intentus, in remotissimis fere hujus regni oris ad mare Hybernicum degebam, procul (Ethnici loquuntur) a Jove, procul a fulmine, id est, extra aleam Episcopalis furoris latitare videbar, quamquam spes me fefellit. Onus hoc humeris meis impar, et Cathedram hanc doctorali purpura quam meo ingenio digniorem, et Cothurno Academico quam mea gracili avena aptiorem et accomodatiorem semper existimavi. At forte, uti Tullius, Sicut illi ipsi Philosophi etiam in illis libellis quos de contemnenda gloria scribunt, nomen suum inscribunt, in quo praedicationem, nobilitatemque despiciant, praedicari se arinominavolunt. Ita etiam " * L < " : 4 " H et tenuïtatis suae praedicatio est superbia astura et est quoddam sui deprimendi genus dolosi fastuosum et turgidum, etiam Sapientibus (ut ait Tacitus) cupido gloriae novissima exuitur. Sed bene dormit, qui quam male dormiat, non sentit. Nimis alto alto somno sopitus est, qui suae " F 2 , < , 4 " H neque conscius neque pertaesus est. Agebatur enim annus fere decimus quintus, ex quo ego, dum ad hoc munus vocarer, palaestrae Academicae epicedium scripsissem et pulveri disputandi polemico nuncium remisissem. Quorsum ego itaque in arenam hanc gladiatoriam descenderem? Aut cur hac tam fragili et sutuli cymba nullis (ut ita loquar) literarum velis, remigio nullo instructus in hoc pelagus me dederem? Ego enim in desuetudine disputandi, si non consenui, at saltem rubiginem et marcorem contraxi.

        Verum enim vero est hoc mihi non mediocri solatio, quod testem habeam in coelis, me non libidini meae lenocinandi, non famae aucupandae, non rei familiari turpiter in serviendi studio et ardo re in hanc provinciam involasse. Hoc quicquid est oneris subire animas et concreditum gregem pascendi necessitas vetuit, mea retardavit Rusticitas, ingenii hebetudo interdixit. Sed quid ego agitatus consiliorum et cogitationum molesta reciprocatione animi haberem? Exigui, quod mihi admensus est Dominus, talenti erogandi officium, ad stadium hoc ingrediendum incitavit, Academiae invitatio obluctantem suasit, obedientiae venerandae Synodo Nationali religio persuasit et impulit. In quo munere utinam conscientiae satisfacere potero, quod laudandum, Christo ejusque Ecclesiae commodis inservire, quod obnixe orandum, seb Calumniae obsequi, nunquam potero, quod animose contemnendum.

        In disputatione hac inter Scyllam nefandae 2 , @ : " F J 0 F 4 " H , quam nostris Pontificii, Sociniani, Arminiani falso imputarunt, et Charybdin Epicurismi et Dei Providentiae oscitantiae, quod arcte tenent acurateque defendunt Adversarii, Velificati et cursum dirigere imprimis adnitor. Naviganti praeierunt viri Magni, imprimis meus Bradwardina (Si non major sit quam ut meus dici possit) clarissimus D. Tuissus, Paulus Baynes Disputator nervosis et Gisbertus Voetius, solidae eruditionis (et quod non est dissimulandum, cum obscurari non possit) verae pietatis, nec non ingenii solertiae nomine proffessorum jam in Reformatis Ecclesiis gloria et decus eximium, quod cum dispendio famae praestantissimorum, qui nunc in Academiis fulgent, servorum Dei dici nollem.

        Mihi scopus et labore est in hoc qualicunque et tantillo tractatu, detegere genium et ingenium Jesuitarum et Arminianorum, quibus nihil prius, nihil in votis antiquius, quam ut Deum in aeternum celebrandum Jehovam excercituum, in consilio mirificum, in opere gloriosum è solio providentiae deturbarent, et quod alibi dictum, liberae creaturae voluntati et Contingentiae novo Jesuitarum Idolo et deastrae spuriae aras, preces, vota, sacrificia, et encomia religiosa instituerunt; utinam penes me esset gloriae providentiae et opulentissimae gratiae succenturiari; debitum agnosco, sed unde me aere debitoque levem, non habeo.

        Adjeci nonnulla Metaphysicae contemplationis, forte parerga, quse tamen usui esse possunt, in praesente disputatione.

        Vobis autem (Adolescentes spectatissimi) dilectus studiorum gnaviter faciendus, neque permittendum, ut per oceanum (si sic loqui liceret) chartaceum librorum, quorum nullus modus, finis nullus est, animus vagetur. Peregrinari est interdum errare, nusquam est, qui ubique est.

        Saeculi hujus aegrotanti et senescenti igenio, antiqua placent, antiqua non placent, nova sorden. Ita noster Poetarum hujus saeculi facile Princeps. Buchananus in Baptista, in prologo.

        Nam si vetustam fabulam quis proferat.
        Turbant molesti, tussinnc et nauseant.
        At si novam quis attulit, tum protinus
        Vetera requirunt, comprobant, laudant, amant.

        Sexdentariae aut millenariae gloriae studio tabescimus; scilicet, ut vina, sic Doctorum scripta, dies aut annus reddit meliora; at tempus veritatem patefacit, non creat; plerisque doctis vitae finis gloriae principium est; aliis autem eadem urnae clauditur vita et nominis celebritas, et dierum extrema periodus est ventosae famae sepulchrum. Redde mihi mundo Pythagoram (inquit Petrarcha) reddam tibi illius ingenii contemptores, redeat in Graesiam Plato, renascatur Homerus, reviviscat Aristoteles, revortatur in Italiam Varro, resurgat Livius, nestorescat Cicero, non modo segnes laudatores invenient, sed mordaces etiarn et lividos Tatractores. Et rarae et insolitae merces sua novitate sunt vendibilores, Quicquid domi est, vile est, quod est obvium, illud sordet. Affectus veritati officit, praejudicium eam non modo obcurat, sed sepelit. Undo Ethnicis coecutientibus decantatum illud, Sapere et amare vix Jovi contigit. Verum enim vero veritas nuda quam pulchra, quam formosa, quam incunda! et, animo imperabit sapiens, stultus seviet. Qui sunt puro corde, videbunt Deum et mysteria Regni Dei. Vobis autem nihil prius habendum quam ut Theologiam ad solidam vitae Christianae praxin transferatis, nulli controversiae impensius studendum, nulli loco Communi gnavius elaborandum, nulli denique Themati velis remisque obuixius annitendum, quam vitae sanctimoniae; haec eruditionis omnis prora, et puppis est, haec omnis sacrae literaturae est anima, et medulla, Caetera nauci non sunt: librorum conficiendorum non est modus, non finis, operosa lectio carni et ingenio torturae est: ut profecto avidum est hominis ingenium et sepulchro voracius, at Deum revereri ejusque mandata religiose observare, sapientiae verae utramque facit paginam. Pietas (inquam) omnis Theologiae sanioris est surculus, propago, sanguis; quid velitationes disputatorum, aliud quam cortex, et cutis? Credendum (Adolescentes) non disputandum, diligendum, non contemplandum: sed proh dolor! Academiarum disquisitiones Aranearum tela subtiliores indies gliscunt, sed friget, languet, tantum non exspirat fidis secundum pietatem, spinosas et Daedalaeas quaestiones, quae vel in sole maculas quaerunt, quotidie nectunt Doctores, sed quanti sit conscientia obediendi Deo, pauci sciunt, paucioros in pretio habent, eam vero ad verbi Dei normam componere et excolere paucissimi satagunt: hoc autem nomine vinea Christi in Magna Brittannia, quam custodibus locavit, longe amplius debet vinearum omnium Domino quam ulla in orbe terrarum habitabili Ecclesia, eo quod excercitus Anglorum et Scotorum, qui insequuntur in Coelo Regem illum Regum, equo albo infidentem, longe numerosiores sunt, quam in omnibus Ecclesiis Reformatis in orbe Christiano, neque hoc quicquam amplius esse arbitror, quam ichoatom expletionum vaticiniorum de ultimis terrae finibus et insulis (quarum nostra Britannia prima est ac celeberrima) Christo á Patre jure haereditario dandis; adeo ut Britanniam, id est, Angliam et Scotiam, (quibus parvom in Hybernia Sororem, auctiorurn longe futuram, adjungere licet) fore laudem totius orbis terrarom, coronam gloriae et Cidarin Regiam in manu Jehovae interpidè credam: ita enim Spiritus Sanctus praedixit, Ps. 2:8; 72:10; 97:1; Jes. 24:15; 49:1; 42:4,10; 51:5; 60:9; Zef. 2:11. Unde omnes hostes nostri, id est, execranda turba Malignantium, et Sectariorum in Angliae, Familistarum, Antinomorum, Antiscripturariorum, Enthysiastarum, Arianorum, Socinianorum, Arminianorum etc. eorumque copiae pereant et deleantur necesse est. Vestrum itaque est hoc unum agere, sit animus, sit cura Christum scire. O quantopere interest S. Theologiae Candidatorum, diliciari, capi, allici, imo, inibriari suavitate, exellentia et incomparabili supereminentia Domini Nostri Jesu Christi; quam suave nomen, quam pulchra facies, quam dulcia et fiexanima eloquia! Creatura è nihilo congenio educta, est plane nihili; Christus omnia; lutea et fragilis Regum dignitas, ille Rex Regum: homo spirans fabula, subridens et moriens vanitas, lutum vitali ad paucos dies colore quasi bracteatum, Christus solus sapiens, Pater aeternitatis, antiquus dierum, Rex aevorum: pulchrum Coelum, speciosa fidera, spendidissimus Sol; sed pulchrior et speciosor Jesus, per quem condita sunt omnia: pietati itaque et amori Christi sacramentum dicamus, serviamus, renacius inhaerebit amor Christi. Fortè hic animi arbitrio amor sumitur, non ponitur: Caetera defluunt, non aliter quam per cribrum aqua: nihil aliis rebus vanius, nihil fragilius animae immortali statuminandae totus hic mundus est basilutea, rancida, eariosa. Conferantur cum Christo quotquot excelluerunt animi dotibus, silent Prophetae, obmutescunt Apostoli, ne fari valent Martyres Dei, dum loquitur Christus.

        Quem decorat lepor, et roceis effusa labellit.
        Gratia.—

        Comparentur cum illa in creata sapientia Dei Patris umbratiles scintillulae creatae gloriolae et quotquot nominis celebritate inclaruerunt, Delirat, Plato mentitur Aristoteles Cicero balbutit, haesitat, nescit latine loqui, Demosthenes mutus et elinguis obstupescit, virtutis viam ignorat Seneca, nihil canit Homerus, male canit Virgilius. Ubinam est Disputatur, ubinam Scriba, ubi Disputatur? nonne invacuavit Deus sapientiam hujus mundi? Accedant ad Christum qui virtutis gloria fulgent, Aristides virtutum mentitur, Vabius cespitat, à via Iustitiae deviat: Socrates ne hoc quidem scit, se nihil scire, Cato levis et futilis est, Solon est mundi et voluptatum servus et mancipium, non legislator: Pythagoras nec Sophos nec Philosophus est: Bias nec mundi nec inanis gloriae contemptor: Alexander Macedo ignavus est: Graecia frustrà gloriatur septem Sapientibus, nec Roma jactitet sese habere Laelium, non Scipionem, Augustum. Nec glorietur Mantua se Maronem nec Sulmo Ovidium genuisse. Cyrus non est Persis gloriae, aut honori: Themistocles Athenis non fulget: Agesilaus non est Lacedaemoniis splendori: at longe aliter Sponsa de Christo verissime canit, Delectus meus candore et rubore excellit, vexillarius est è myriade, caput ejus insigne aurum defaecatissimum, capilli ejus crispis discriminibus digri, oculi ejus ut eolumbarum, loti in ipso lacte, elegantur site, Genae ejus similes areolae aromaticae adultis plantis unguentariis, 1abia ejus liliis stillantia myrhynum liquidum. etc. Denique totus est desideratissimus. Et Paulus.. Est Imago Dei invisibilis et primogenitus omnis rei conditae, per eum condita sunt omnia per eum consistunt, estque caput Corporis, id est, Ecclesiae, estque principium et primogenitus ex mortuis ut inter omnes primas teneat. In ipso habitat omnis plenitudo Deitatis corporaliter. Est Haeres omnium, effulgentia gloria Patris et Character personae ipsius. Alpha et Omega, Principium et finis, qui erat, qui est, qui futurus est. Nihil est tam Augusti animi quam opibus inhiare, Christus est unum illud necessariam: magnae fortunae vir bonus sese subducit, non captivum se dedit. Qui honore et gloria, qui regnorum et diadematum splendore affluunt, foelicitatem mentiuntur, non possident, qui victoriis et belli gloria inclaruerunt, pararunt tumulo nomina et titulos, vulgo fabulam, sibi umbram et sumum. Alia commorandi, in hoc tuguriolo, spatiola vi eripiuntur, alia quasi furto subducuntur. Turpe est neque crastino dominati, neque hodierno diei manus injicere, cum morte dividimus hunc ipsum diem: exeundum, Christus via est: sapiendum, Christus veritas: vivendum, Christus vita. Nihil non faciendum, sudandum, currendum vigilandum, ut cum eo in aeternum beati vivamus. Hodiè non vivere imprudentia, sarcinas non colligere mira oscitantia est, et nos die crastino victuros sperare, longè stultissimum: nisi Christo potiamur, nihil praestamus, si illo fruamur, nos in aeternum beatos. Huc vires intendite, concertate, brevi aderit Dominus, merces ipsius secum, reddet unicuique prout opus ipsius erit. Vigilate, orate, in Aeternum vivite, et Valete.

        Vester in Christo omni officiorum nexu devinctissimus Frater, Samuel Rutherford

         

      3. Nederlands: Aan de Jongelingen, Studenten van de H. Theologie, en aan andere Christenlezers

      Genade en vrede

      Uitgelezenste jongelingen, zeer geliefde broeders!

      Indien gijlieden de reden verwacht te verstaan van mijn voornemen en raadslag, in de last van dit professoraatschap te aanvaarden, ik heb de reden gegeven in mijn inauguraal (eerste) rede, en ik zal ulieden trachten genoegen te geven. Het is ‘t spreekwoord van de Lacedemoniërs, een land moet zwakker zijn dan de landman, waardoor zij willen, dat men niet moet worstelen met een ambt, daar men geen kracht genoeg toe heeft. Zijnde bezig met de heiligen predikdienst, hoewel niet met zulk een vlijtigheid als ik moest, nochtans zo ik best kon, woonde ik bijna in de vergelegenste landpalen van dit koninkrijk bij de Ierse Zee, ver (gelijk de heidenen spreken) van Jupiter, ver van de bliksem dat is, ik scheen verborgen te zijn buiten ‘t gevaar van de bisschoppelijke woeding; hoewel mijn hoop mij bedrogen heeft. Altijd heb ik deze last te zwaar geoordeeld voor mijn schouderen, en deze professorale stoel dacht ik waardiger het doctorale purper, dan mijn verstand, en bekwamer en gevoeglijker voor een hoge academische stijl dan voor mijn zwakke lage stijl. Maar misschien, gelijk Tullius zegt, gelijk diezelfde wijsgeren, zelfs in die boekjes, welke zij schrijven van alle eer te verachten, evenwel haar naam daar voorzetten, in ‘t geen waarin zij versmaden de roem en de adel, daar zoeken zij in geroemd en genoemd te worden; is alzo mede het verklaren van zijn onmacht, en kleine bekwaamheid een loze hoogmoed; en waarlijk daar is een bedrieglijke trots en opgeblazen soort van zichzelf te verlaten. Ook de wijzen, gelijk Tacitus zegt, doen ‘t kleed van de eerzucht allerlaatst uit. Maar hij slaapt wel, die niet voelt, hoe kwalijk dat hij slaapt. Hij is met een al te, al te diepe slaap bevangen, die noch kennis van zijn zwakheid, noch verdriet daarin heeft. Want ‘t was bijna vijftien jaren geleden, toen ik tot dit ambt geroepen werd, sinds ik het academische worstelperk verlaten, en van de strijdplaats van ‘t redetwisten mijn afscheid genomen had. Waarom zou ik dan weer in de schermschool afkomen? Of waarom zou ik met dit zo broze en gelapt schuitje, niet voorzien zijnde, om zo te spreken, met enige zeilen of riemen van geleerdheid, mij in deze zee begeven? Want hoewel ik niet oud geworden ben in de ongewoonheid van redetwisten, zo heb ik toch een roest en schimmel of verwelking verkregen.

      Doch waarlijk, dit is mij geen kleine troost, dat ik een Getuige in de hemel heb, dat ik in de bediening niet schielijk ingevallen ben; om mijn lust te dienen, noch om een naam te bejagen, noch uit een vurige drift, om tijdelijk voordeel op een vuile wijze te verkrijgen. De noodzakelijkheid, van de zielen en de toevertrouwde kudde te weiden, heeft mij verboden, deze last zodanig als zij is, op te nemen, ook heeft mijn bloheid mij daartoe traag gemaakt, en de botheid van mijn verstand heeft mij weerhouden. Maar wat heeft mij dan aangemoedigd, zijnde door mijn raadslagen en gedachten op een moeilijke wijze op en neer gedreven? Om in deze loopbaan in te treden, heeft mij opgewekt mijn plicht, van mijn klein talent, dat mij de Heere toegemeten heeft, aan te leggen, de nodiging van de academie heeft mij tegenstrevende, daartoe aangeraden, het geweten van te moeten gehoorzamen aan de eerwaarde nationale Synode heeft er mij toe overreed en aangedreven. In welke bediening, och of ik mijn geweten kon komen te voldoen; dat te prijzen is, Christus en ten goede van Zijn kerk te dienen, dat te bidden is, maar de lastermond te voldoen, dat zal ik nooit kunnen, dat kloekmoedig te verachten is.

      Ik tracht in dit gesprek inzonderheid te zeilen en mijn koers te sturen tussen de roos van de gruwelijke stelling, dat God de auteur van de zonde is, dat de Papisten, Socinianen en Arminianen aan de onzen vals hebben toegeschreven, en tussen de stranden van het Epicurisch gevoelen, dat de voorzienigheid Gods de zaken van de wereld niet behartigt, dat de partijen vasthouden en nauwkeurig beschermen. Grote mannen hebben mij in deze vaart voorgegaan, inzonderheid mijn Bradwardina, indien hij niet groter is, dan dat Hij van mij kan gezegd worden, de zeer geroemde heer Twissus, de sterke twistredenaar Paulus Baynes, en Gisbertus Voetius, wegens vaste geleerdheid, en dat niet te verveinzen is, omdat het niet kan verdonkerd worden, wegens ware godzaligheid en gauwigheid des verstands, nu de heerlijkheid en uitstekende eer van de professoren in de Gereformeerde kerken? dat ik niet wilde gezegd hebben tot nadeel van de naam van de zeer voortreffelijke dienstknechten Gods, die nu in de academiën blinken.

      Mijn oogmerk en arbeid in dit kleine traktaat, zodanig als het is, loopt daarop uit, dat ik de aard en ‘t verstand van de Jezuïeten en Arminianen mocht ontdekken, die niets meer behartigen of wensen, dan dat ze God, te prijzen in der eeuwigheid, de Heere der heirscharen, wonderlijk van raad, heerlijk van daad, van de troon van Zijn Voorzienigheid mochten stoten, en hetgeen ik elders gezegd heb, dat ze voor de vrije wil van ‘t schepsel, en voor de nieuwen afgod en bastaardgodin van de Jezuïeten, de gebeurlijkheid, altaren, gebeden, geloften, offeranden en godsdienstige lofzeggingen mochten aanstellen. Och, of ik de macht had, om de eer van de Voorzienigheid, en van de allerrijkste genade bescherming toe te brengen! Ik erken mijn schuldige plicht, maar ik heb niet, waarvan mijn schuld te betalen.

      Ik heb er enige dingen van Metafysische beschouwing bij gedaan, hoewel licht hiertoe niet behorende; die nochtans in het tegenwoordige gesprek nuttig kunnen zijn.

      Maar gijlieden, zeer aanzienlijke jongelingen, moet verstandig een verkiezing van studiën maken, en u moet u wel wachten, dat uw gemoed niet zwerf door de papieren oceaan van boeken, indien ik zo mag spreken, van welke noch maat noch einde is. Buitenslands reizen is meermalen te dwalen, hij is nergens, die overal is.

      Aan het ziekelijke en oud wordende verstand van deze eeuw behagen de oude dingen, en wederom behagen de oude dingen niet; het nieuwe staat haar aan, wederom stinken haar de nieuwe dingen; zo sprak Buchananus, wel de voornaamste van de poëten van deze eeuw, in Baptistâ in prologo. Want als iemand een oude komedie voortbrengt, dan maken de moeilijke mensen een geraas, zij hoesten en walgen er van; maar zo iemand een nieuwe brengt, dan vereisen zij terstond het oude, dat keuren zij best; dat prijzen en beminnen zij. Wij teren ons uit door een poging naar een eer, die zeshonderd of duizend jaren mocht duren; te weten, de dag of ‘t jaar maakt de schriften van de geleerden, gelijk de wijnen, te beter. Doch de tijd schept de waarheid niet maar hij maakt ze openbaar. De meeste geleerden is ‘t eind van hun leven ‘t begin van hun eer; maar anderen hun vermaarde naam eindigt terstond, tegelijk met hun leven, en uiterste einde van hun dagen is ‘t graf van hun winderige naam. Geef mij Pythagoras weer in de wereld, zeide Petrarcha, ik zal u wedergaven de verachters van zijn verstand. Laat Plato weer in Griekenland komen; laat Homerus weer geboren, laat Aristoteles weer levend worden, laat Varro weer in Italië keren, laat Livius opstaan, laat Cicero wederom bloeien, zij zullen niet alleen trage prijzers, maar ook bijtachtige en nijdige lasteraars vinden. Ook worden zeldzame en ongewone waren best verkocht, wegens hun nieuwigheid; al wat men thuis heeft, is slecht, hetgeen overal te vinden is, dat stinkt; lijden verhindert de waarheid; vooroordeel verduistert ze niet alleen, maar begraaft ze. Waar vandaan dat veelverhaalde woord bij de halfblinde heidenen was: zelfs Jupiter heeft nauwelijks het geluk gehad, van tegelijk wijs, en in liefde. te zijn. Maar waarlijk, wat is de naakte waarheid schoon, heerlijk en aangenaam! Ook zal een wijs man over zijn gemoed gebieden, een dwaas zal er slaafachtig onder liggen.

      Maar ulieden moet niets meer op ‘t hart liggen, dan dat u de theologie overbrengt tot een vaste praktijk van een christelijk leven. In geen geloofspunt moet u meer studeren, in geen gewone plaats moet u vlijtiger arbeiden, op geen stof moet u zich met ingespannen krachten meer uitleggen, dan op heiligheid van het leven; deze is ‘t voornaamste, ‘t eerste en laatste van de geleerdheid. Dit is de ziel en het merg van alle heilige wijsheid, de andere dingen zijn zeer weinig te achten; er is noch maat noch eind van boeken te maken; het arbeidzame en veelvuldige lezen is een kwelling voor ‘t vlees en verstand; maar waarlijk ‘s mensen verstand is gretig en verslindender dan het graf; maar God te vrezen, en Zijn geboden godsdienstig te onderhouden dat is het hoofd en ‘t voornaamste van de ware wijsheid. De godzaligheid, zeg ik, is de spruit, het afzetsel en ‘t bloed van alle gezonde theologie. Wat zijn de schermutselingen van de redetwisters anders, dan de schil en de huid?

      Jongelingen, men moet geloven, en niet redetwisten; men moet liefhebben, en niet beschouwen. Maar helaas! De onderzoekingen van de academiën, fijner dan het web van de spinnen, nemen dagelijks toe, maar ‘t geloof dat naar de godzaligheid is, verkoudt, verslapt, en is niet ver van de geest te geven. De doctoren maken dag bij dag doornachtige en hoogvliegende geschillen, die zelfs in de zon vlekken zoeken; maar weinigen weten, van wat een waarde een geweten is, van God te gehoorzamen; nog minder houden dit voor dierbaar; maar zeer weinigen trachten hun geweten naar de richtsnoer van Gods Woord te richten, en te bewerken. Doch in deze is Christus’ wijngaard in Groot-Brittannië, die Hij aan de hoeders verhuurd heeft, veel meer schuldig aan de Heere van alle wijngaarden, dan enige kerk in de ganse bewoonbare wereld; omdat de heirlegers van Engelsen en Schotten, die die Koning der koningen, zittende op Zijn wit paard, volgen, veel talrijker zijn, dan in al de gereformeerde kerken in de christenwereld; en ik oordeel dat dit niet meer is, dan een begonnen vervulling van de profetieën aangaande des aardrijks uiterste eindpalen, en eilanden, van welke ons Brittannië het eerste en vermaardste is, die van de Vader aan Christus tot een erfenis zouden gegeven worden; zodat ik onbevreesd geloof, dat Brittannië, dat is, Engeland en Schotland, waarbij men een kleine zuster in Ierland, zullende ook veel meer toenemen, mag voegen, een lof zal wezen van de ganse aarde, en de kroon van de heerlijkheid, en een koninklijke hoed in de hand des Heeren: want zo heeft de H. Geest voorzegd, Ps. 2:8; 72:10; 97:1; Jes. 24:15; 49:1; 42:4,10; 51:5; 60:9; Zef. 2:11, zodat dan al onze vijanden, dat is, de vervloekte menigte van de Malignanten en Sektarissen in Engeland, Familisten, Wetsbestrijders, Schriftbestrijders, Geestdrijvers, Arianen, Socinianen, Arminianen enz. en hun troepen moeten vergaan, en uitgeroeid worden.

      Het staat ulieden dan toe, dat ene te behartigen, daar moet uw hart en zorg op staan, dat u Christus mocht kennen. O, hoeveel is er de studenten van de H. Theologie aan gelegen, met de zoetigheid, voortreffelijkheid en onvergelijkelijke hoge uitmuntendheid van onze Heere Jezus Christus vermaakt, ingenomen, gelokt, ja dronken gemaakt te worden! Hoe liefelijk is Zijn Naam! Hoe schoon is Zijn aangezicht! Hoe zoet en zielroerend zijn Zijn woorden! Het schepsel, uit zijn aangeboren niet uitgehaald, is geheel niemendal; Christus is alles. De waardigheid van de koningen is van leem, en broos; Hij is de Koning der koningen. De mens is een ademende fabel, een lachende en stervende ijdelheid, leem, voor weinige dagen als met een levende verf beslagen; Christus is alleen wijs, de Vader der eeuwigheid, de Oude van dagen; de Koning der eeuwen; de hemel is schoon, het gesternte is lieflijk, de zon is meestblinkende; maar schoner en liefelijker is het aangezicht van Jezus, door Wie alle dingen geschapen zijn. Laten wij ons dan overgeven, en heilig verbinden aan de godzaligheid en aan de liefde van Christus; laat ons die dienen, zo zal de liefde van Christus dieper inkleven. Misschien wordt hier de liefde naar ‘t vrije welbehagen van het hart genomen, en niet gesteld. De andere dingen vlieten weg, gelijk het water door een zeef; er is niet ijdeler, niet brozer dan de andere dingen. Om de onsterfelijke ziel vast te stellen, is deze gehele wereld niet anders dan een lemen, vermolmde en verrotte grond, en fundament. Laat met Christus vergeleken worden, zoveel mensen als er in gaven van het gemoed ooit uitstekende zijn geweest, de profeten zwijgen, de apostelen verstommen, de martelaars Gods kunnen niet spreken, terwijl Christus spreekt, Dewelke versierd is met aangename lieflijkheid, en op Wiens rozerode lippen de genade uitgestort is. Laat met die ongeschapen wijsheid des Vaders vergeleken worden de schaduwachtige stukjes van geschapen heerlijkheid en zo velen als er door vermaardheid van naam beroemd zijn geworden, Plato suft, Aristoteles liegt, Cicero stamelt, hapert en kan geen Latijn spreken; Demosthenes is stom, en staat verzet als zonder tong, Seneca weet de weg van de deugd niet; de poëzie van Homerus is niemendal, de poëzie van Vergilius is verkeerd. Waar is de twistredenaar? Waar is de schriftgeleerde? Waar is de onderzoeker van deze eeuw? En heeft God de wijsheid van deze wereld niet dwaas gemaakt? Laat tot Christus komen, die door de glans van de deugd hebben uitgeblonken; Aristides maakt een valse vertoning van de deugd, Fadius struikelt, en wijkt van de weg van de gerechtigheid af; Socrates weet zelfs dat niet, dat hij niet weet; Cato is lichtvaardig, en ijdel. Solon is een knecht en slaaf van de wereld, en van zijn lusten, niet een wetgever; Pythagoras is noch wijs, noch wijsgeer; Bias is geen verachter van de wereld, noch van de ijdele eer; Alexander de Macedoniër is blohartig, Griekenland roemt tevergeefs op haar zeven wijzen; en laat Rome niet pochen, dat het een Laelius, of een Scipio, of een Augustus heeft. Laat ook Mantua zich niet beroemen, dat het Maro, noch Sulmo, dat het Ovidius ter wereld gebracht heeft. Cyrus is niet tot eer en heerlijkheid voor de Perzen. Themistocles blinkt te Athene niet. Agesilaus is voor de Lacedemoniërs niet tot een glans. Maar geheel anders zingt de bruid met de hoogste waarheid, aangaande Christus: Mijn liefste steekt uit in blankheid en roodheid; Hij draagt de banier boven tienduizend; Zijn hoofd is van het fijnste, dichtste goud; Zijn haarlokken zijn gekruld, zwart als een raaf; Zijn ogen zijn als der duiven, met melk gewassen, staande als in kaskens der ringen. Zijn wangen zijn als beddekens van specerijen, als welriekende torentjes; Zijn lippen zijn als leliën, druppende van vloeiende mirre, enz. Eindelijk al wat aan Hem is, is gans begeerlijk. En Paulus zegt: Hij is het Beeld van de onzienlijke God, de Eerstgeborene aller schepselen: want door Hem zijn alle dingen geschapen. En Hij is voor alle dingen, en alle dingen bestaan samen door Hem. En Hij is het Hoofd des lichaams, namelijk der gemeente; Hij is ‘t Begin, en de Eerstgeborene uit de doden, opdat Hij in allen de Eerste zou zijn. In Hem woont al de volheid van de Godheid lichamelijk: Hij is de Erfgenaam van alles, afschijnsel van des Vaders heerlijkheid, en het uitgedrukte Beeld van Zijn zelfstandigheid; de Alfa en de Omega, ‘t Begin en het Einde, die is, en die was, en die komen zal.

      Niets is meer een bewijs van een laaghartigheid, dan veel naar rijkdommen te gapen. Christus is dat ene nodige. Een goed man onttrekt zich aan een brede staat, maar hij geeft er zich niet aan gevangen. Die overvloedige eer en heerlijkheid, ja ook die de glans van koninkrijken en kronen hebben, die roemen vals van ‘t geluk, want zij bezitten het niet; die door overwinning en oorlogseer roemruchtig zijn geworden, die hebben maar marmeren titels voor hun grafsteen, voor ‘t volk een geschiedenis en voor zichzelf een schaduw en rook verkregen. Enige tijdslengten. om in dit kleine hutje te wonen, worden ons met geweld ontnomen; anderen worden ons steelsgewijze afgetrokken. Het is schandelijk, dat daar men geen heer is over de morgen, men de huidige dag niet vlijtig waarneemt. Wij delen deze onze dag met de dood. Wij moeten er uitgaan, Christus is de weg. Wij moeten wijs worden, Christus is de waarheid. Wij moeten leven; Christus is het leven. Wij moeten geen arbeid ontzien, wij moeten zweten; lopen, waken, opdat wij eeuwig gelukzalig met Hem mogen leven. Heden niet te leven, dat is onvoorzichtigheid, geen pak en zak te vergaderen, dat is wonderbare nalatigheid, en te hopen, dat men de dag van morgen nog zal leven, is de grootste dwaasheid. Indien wij Christus niet verkrijgen, zo hebben wij niets teweeggebracht; indien wij Hem genieten, dan zijn wij voor eeuwig gelukzalig. Spant hiertoe uw krachten in; strijdt samen; de Heere zal binnenkort komen, Zijn loon is met Hem: Hij zal een ieder vergelden, naardat zijn werk zal zijn. Waakt, bidt, leeft, en vaartwel tot in der eeuwigheid.

      Ulieder tot alle gedienstigheden verplichte broeder in Christus, Samuel Rutherford

      St. Andries, 1650

       

    269. Aan Mr. Wilhelmus Guthry
    270. (Wanneer het leger was te Stirling, na de nederlaag te Dumbar.)

      Eerwaarde broeder!

      Ik droomde niet van zo’n kortheid van adem, en van bezwijking op de weg naar ons vaderland. Ik dacht, dat ik niet meer te doen had, dan in mijn nest te sterven, en mijn zondig hoofd neer te buigen; en Hem mij de kroon te laten opzetten, en zo te eindigen. Ik heb veel geleden; maar dit is de dikste duisternis, en de engste stap, die ik nog ooit deed. Ik zie nog meer lijden achter dit, en ik vrees voor de hoeders van de wijngaard. Laat mij dit van u verwerven, dat u op des Heeren volk wilde aandringen, dat ze veraf mochten staan, van degenen, die koophandel met zielen drijven, die onder ulieden zijn gekomen. Indien de weg, geopenbaard in het Woord, de rechte weg is, zo weten wij, dat die zielskopers en handelaars de weg van de zaligheid niet tonen. Helaas! Helaas! Ik ellendige ben ten enenmale verloren, mijn deel aan de hemel is weg, en mijn hoop is vergaan, en ik ben afgesneden van de Heere, indien ik tot nog toe uit de weg geweest ben: Maar ik durf de vriendelijke Christus niet oordelen: want indien ‘t mij klaar toegelaten is, met eerbiedigheid voor Zijn Grootheid en Hoogheid zij het gesproken, ik Zal zijn Eigen hand voor getuigen voortbrengen, dat Hij zeide: Dit is de weg, wandelt daarin, en Hij kan geen uitzondering maken tegen Zijn Eigen zegel. Ik belijd, dat ik bijna gebroken, en een weinig slaperig ben, en dat ik in dit lichaam graag zou afleggen; maar dit is mijn zwakheid, dat ik onder de schaduw en het deksel van dat goede land wilde zijn, om eenmaal buiten het bereik en ‘t geblaas van de verschrikkelijken te zijn. Maar ik ben een dwaas; er is niemand, die voor mijn hemel een hoger prijs kan bieden, of mijn logement innemen boven mijn hoofd, nadat Christus het voor mij ingenomen heeft. Lieve broeder, help mij, en bezorg mij de hulp van de gebeden van degenen, die met u zijn, in welke mijn lust is. U bent zeer verdacht gemaakt, van dat u zich zoekt te voegen met de overweldigers, ik versta het niet alleen van u, maar ook van al het volk Gods, dat met u is. De vervulling van mijn blijdschap is maar een kleine zaak; maar laat mij smeken en betuigen al de ernstige zoekers van Zijn aangezicht, Zijn heimelijk verzegelden, door de sterkste vertroostingen van de Geest, door de vriendelijkheid van Jezus Christus, die Plant van Naam, door ulieder laatste rekening, en verschijning voor God, wanneer de witte troon zal opgesteld worden, laat u niet bedriegen met hun schone woorden. Hoewel mijn geest zich ontzette over de loze onderscheidingen, die in de zaken van ‘t Verbond uitgevonden zijn, opdat men hulp mocht hebben tegen deze mensen; nochtans schrikt mijn hart, om de minste gedachte plaats te geven, om met deze bedriegers te verenigen. Genade, genade zij met u. Amen.

      Uw broeder in onze algemene Heere, en Zaligmaker, Samuel Rutherford

      St. Andries

       

    271. Aan de zeer geëerde, en waarlijk waarde kolonel Gilbert Ker
    272. Habakuk 2:3,4

      Zeer geëerde en waarde Heer!

      Uw ketenen blinken nu zozeer voor Christus, omdat het Zijn zaak is, als uw zwaard vermaard was, in voor die zaak te werken; en welgelukzalig zijn ze, die alzo gewillig zijn, voor Christus te werken, als bloed te storten, te doen als te lijden. Het is weinig, te weerstaan tot den bloede toe, voor die kostelijke en nooit genoeg verhoogde Verlosser, Die, wanneer Hij was in ‘t kopen, bloed gaf, dat vrij wat dierbaarder was, dan hetgeen u voor Hem gaf, namelijk, het bloed Gods, Hand. 20:28. Ik ken een man, die op ‘t voorlezen van een brief, dat u gedood was, en dat het volk Gods was vernield, wenste, dat hij ras mocht wezen onder de muur van het hoogste paleis, ver van ‘t geraas van de storm; en die verlangde, dat zijn gesleten en broze schuit mocht landen in die haven van eeuwige rust. Wat verdere dienst Christus voor u heeft, weet ik niet: maar ‘t is genoeg in deze uw gevangenis, dat u uw dienst aan Christus aanbiedt; maar indien ik iets zie, zo schijnt het een genadige nederlaag te zijn. Ik zie, dat de edelen en de Staat van Christus afvallen, en dat de nacht komt over de profeten, dat wij graag door gebeden zouden voorkomen, omdat het zeldzaam is te zien, dat een gevallen ster ooit weer opkomt tot het uitspansel, om te schijnen. En wat weten wij, of in dit niet is de dikke duisternis, die gaat voor het aanbreken van de dag? Gewis, mijnheer, de zon zal over Schotland opgaan, maar of ik het zal zien, en hoe na het is bij de dag, dat laat ik aan Hem, namelijk Jehovah, die over alle woningen van de berg Zion, en over haar vergaderingen een wolk des daags schept, en een rook, en de glans eens vlammende vuurs ‘s nachts. Maar, mijnheer, de woestijn zal vrolijk zijn, en bloeien als roos; en gelukkig is hij, die een arm of een been heeft, om de kroon op het hoofd van onze hoogsten Koning te zetten, Wiens bed is bespreid met liefde. Indien er tienduizend miljoenen hemelen geschapen waren boven deze hoogste hemelen, en alzo vele daarboven, en wederom alzo vele daarboven, totdat de engelen moe waren van ‘t rekenen, dat zou nog een te lage zitplaats zijn, om de vorstelijke troon van de Heere Jezus, van Wie u bent, te vestigen boven die allen. Geschapene hemelen zijn een te lage stoel van majesteit voor Hem. Aangezien er dan niemand uw Meester en Vorst evengelijk is, die voor u, onder veel lijden wegens zonde, dit enige kruis verkozen heeft, dat zijn kruis naast gelijkt, en bevochtigd is met vertroostingen, zo neemt moed, en troost uzelf in Hem, Die u verkozen heeft tot heerlijkheid hierna en tot een gelijkvormigheid met Hem hier. Wij dwazen wilden een kruis hebben van onze eigen verkiezing, en wij wilden onze gal en alsem gesuikerd hebben, ons vuur koud, en onze dood en graf verwarmd met de hitte des levens. Maar Hij is onze beste Voogd, die vele kinderen tot de heerlijkheid gebracht, en niemand verloren heeft. Ik wens dat, wanneer ik ziek ben, Hij mag zijn de Hoeder en Trooster. Ik acht het een gezegende val, dat wij zijn aangeslagen erfgenamen, bankroetiers en buiten krediet, en dat Christus in plaats van de vrije wil Voogd is geworden, en dat wij van onszelf niet meer zijn. Ik ben verbroken en verteerd door de toorn, die op het land is, en ik ben zeer beproefd geweest met een oogmerk, om van Christus een pas te verzoeken, dat indien ik het had, zo zou ik op niemands smeking hier verblijven, om een getuige te wezen van onze afval. Maar ik weet, het is mijn zwakheid en gemakkelijkheid, dat ik altijd aan land wilde zijn, als mij enige vleug van zeeziekte overkomt; hoewel ik weet, dat ik vroeg genoeg zal komen tot dat wenselijke land, en ik zal niet uit mijn plaats gestoten worden, en niemand zal mijn logement innemen. Mijnheer, vele ogen zijn op u, en de vromen zijn zeer verkwikt, omdat u niet luistert naar de wegen van velen, die omtrent u zijn, die met schone woorden koophandel maken van zielen. Mijnheer, indien de weg, waarin u bent, niet is de weg van Christus, wee mij dan: want ik ben eeuwig verloren. Maar waarlijk, de handeling van de Heere Christus met kolonel Gilbert heeft mij een bewijs gegeven, dat het Nieuwe Testament, en ‘t verbond der genade een zodanig stuk werk is, dat een plechtige samenkomst en vergadering van al de geschapene engelen, al voegden zij al hun verstand bijeen, niet had kunnen bedenken. Nademaal u dan, mijnheer, niets betaald hebt voor de verandering, die Christus gemaakt heeft, en u die schuld van vrije genade met u naar de hemel zult nemen, want wat was Christus meer aan u verschuldigd, dan aan uw hele maagschap, en aan de lieden van uw naam? En nademaal u dan Christus Eigen bent geworden, zo volgt geen andere weg. Wat is mijn zaligheid, al zou ik die te pand leggen, het is maar een gering pand, dat dit alleen de weg is; maar Christus is daar Zelf Borg voor, dat het de weg is; de Voorloper is u voorgegaan, en Hij is behouden aan land gekomen. Daar is een schoon gezelschap voor u, van zulke, die uit grote verdrukking zijn gekomen, en hun klederen gewassen en wit gemaakt hebben in het bloed van ‘t Lam, aan welke deze beloften nu volbracht zijn: Die overwint, zal eten van de boom des levens, die in het midden van ‘t paradijs Gods staat, en God zal alle tranen van hun ogen afwissen, en de dood zal niet meer zijn. Hij Die op de troon zit, zal onder hen wonen; zij zullen niet meer hongeren, noch dorsten, ook zal de zon op hen niet vallen, noch enige hitte: want het Lam, Die in ‘t midden des troons is, zal ze weiden, en zal hun een Leidsman zijn tot levende fonteinen van de wateren. Mijnheer, misschien houd ik u van beter werk af. De God des vredes, Die de grote Herder van de schapen van de doden teruggebracht heeft, door het bloed van het eeuwige verbond, volmake u.

      De uwe in Jezus Christus, Samuel Rutherford

      St. Andries, 7 januari 1651

       

    273. Aan de zeer geëerde en waarlijk waarde kolonel Gilbert Ker
    274. Zeer geëerde en waarde Heer!

      Ik heb gehoord van uw gedurende gevangenschap in Engeland, zowel als in dit verdrukte land. Maar gaat waar u wilt, u kunt niet gaan van onder uw schaduw, die breder is dan vele koninkrijken. U verandert van logement en land, maar dezelfde Heere is voor uw aangezicht, al werd u gevankelijk weggevoerd naar de andere zijde van de zon, of zo ver als waar de morgenster opgaat. Hetgeen geschreven was aan Juda, dat is tot uw moeder gesproken, die nog geen scheidbrief ontvangen heeft. Mich. 4:10, Lijd smart en arbeid om voort te brengen, o dochter Zions! als een barende vrouw. Want nu zult u wel uit de stad heen uitgaan, en op het veld wonen en tot in Babel komen, maar daar zult u gered worden; aldaar zal u de Heere verlossen uit de hand van uw vijanden. Engeland zal uwentwege rekenschap moeten geven, om u te herstellen. Jes. 43:6, Ik zal zeggen tot het noorden: Geef; en tot het zuiden: Houd niet terug; dat is een predikatie, daar vlees en bloed om lacht. Ezech. 37:4, Profeteer over deze beenderen, en zeg tot dezelve: Gij dorre beenderen! Hoort des Heeren Woord. Het is een predikatie tot het koude graf, vers 5,6, Alzo zegt de Heere Heere tot deze beenderen: Ziet, Ik zal de geest in u brengen, en gij zult levend worden; en Ik zal zenuwen op u leggen, en vlees op u doen opkomen, en een huid over u trekken, en de geest in u geven, en gij zult levend worden. Openb. 20:13, En de zee gaf de doden, die in haar waren. Berwick moet de Schotse gevangenen wedergaven, en kolonel Gilbert met hen. Jes. 43:14, Alzo zegt de Heere uw Verlosser, de Heilige Israëls: Om ulieder wil heb Ik naar Babel gezonden, en heb ze allen vluchtig doen neerdalen, te weten de Chaldeeën, in de schepen, op welke zij juichen. Deut. 30:4. Al waren uw verdrevenen aan het einde van de hemel, van daar zal de Heere uw God u vergaderen, en van daar zal Hij u nemen. Zach. 8:7,8, Alzo zegt de Heere der heirscharen: Ziet, Ik zal Mijn volk verlossen uit het land des opgangs, en uit het land des ondergangs van de zon; en Ik zal hen herwaarts brengen, dat zij in het midden van Jeruzalem wonen zullen; en zij zullen Mij tot een volk zijn, en Ik zal hun tot een God zijn, in waarheid en in gerechtigheid. Mijnheer, u bent te boek gesteld door de Heere die het volk opschrijft, Ps. 87:5,6, en u bent de Heere aangeschreven, als een van ‘t huis en van het geslacht, Ps. 22:31. Vrees niet, bezwijk niet, al uw haren zijn geteld. Het is de wens van Gods volk, dat gelijk uw banden tot nog toe tot voorbeeld zijn geweest; tot versterking van de zwakke, en tot mondstopping van de tegenpartijder, zonder enig afwijken ter rechter- of ter linkerhand, uw lijden ook in de plaats, waar u nu naar toe gaat, zo mocht wezen, gelijk wij in de Heere van u vertrouwen, en in ootmoedigheid over Zijn genade in u roemen, van goede geur, overtuigende, en overeenkomende met deze eerwaarde zaak, die in Brittannië nog de overhand zal hebben, niettegenstaande al de listige woelingen en raadslagen van duivelen en mensen; en al was er geen anderen inkt in de pen, waarmee ik nu schrijf, dan enige vochtigheid van mijn laatste koude bloed, hierbij ben ik van voornemen te staan, mits dat de genade Desgenen van Wie ik ben, mij bekwaam maakt. Mijnheer, wij begeren geen werktuigen te aanbidden: doch wij oordelen, dat de schijnselen en stralen van de genade, uit de fontein Jezus Christus, de volheid der Godheid, aan zondige mensen gegeven, te kennen geeft de goede gedachten van Christus over dit goede land, welks vermenigvuldigde graven, en welks zielen onder het altaar, gedood door de Sektarissen en Malignanten, luid tot de hemel roepen. Mijnheer, ik zie niets, indien niet dit, dat de Heere nabij is, hoewel ik niet durf zeggen, hoe ras, om te ontwaken tot het jaar van de vergelding om Zions twistziek, Jes. 34:8; want Mijn zwaard is dronken geworden in de hemel, vers 5, ziet het zal komen op Engeland, en op het overblijfsel van Zijn vijanden in Schotland. Ik bedroef mij wegens Engeland, dat land zal doortrokken zijn van bloed, en haar stof zal van smeer vet gemaakt worden; dat vermakelijk land zal tot een woestijn worden, en het stof van haar land tot pek. En oordeel zal komen over haar bemuurde steden, over haar vermakelijke velden, en over haar sterke schepen enz. zo zij zich niet bekeren; ik geloof, u hebt zulke doorzoekende en beproevende tijden niet gezien, als deze nu zijn: en nochtans zal de kwestie tot een enger staat gebracht worden, en menigten zullen de goede zaak nog verlaten: want wij hebben hen alle in het verbond opgenomen, die zich aanboden, om met ons te bouwen, maar Christus moet maar een klein overblijfsel hebben, weinig edelen, indien enige, weinig leraars, en weinig belijders; hoewel onze weg onveranderd blijft staan, gelijk 2 Kor. 6:8,9, Door eer en oneer, door kwaad en goed gerucht, als verleiders, en nochtans waarachtigen; als onbekenden, en nochtans bekend; als stervenden, en ziet, wij leven; als getuchtigd, en niet gedood; en dit is uw staat niet alleen, maar het is ‘t ondervonden lot van al de heiligen, die u voorgegaan zijn; het is een en hetzelfde kruis van Christus, maar het zijn verscheidene aangezichten, en verschillende omstandigheden in hetzelfde overblijfsel, het lijden van Christus, en het uwe. Mijnheer, aan soldaten en in de gevangenis overgegeven te worden, gelijkt naar Zijn lijden, van welke Jesaja zegt, hfdst. 53:8, Hij is uit de gevangenis en uit het gericht weggenomen, ja ook uit de banden, Joh. 18:12, wanneer de zaak Gods waarheid is, dan is de luister en het gezicht van ‘t lijden zoveel te beminnelijker, omdat het de verf en gedaante van Christus’ lijden heeft, Die het tegenspreken van de zondaars heeft verdragen, en de schande veracht. O, het is een groot woord: Christus te schande gemaakt, en Christus vernederd! Doch zo werd het Hoofd, en zo worden de ledematen in de wereld gehandeld; en waarlijk al wat Christus is, zelfs het ergste van Hem; om zo te spreken, Zijn smaad en schande is beminnelijk. Hoewel de bijgelovige liefde tot het stoffelijk kruis waaraan Hij leed, dwaasheid is, en de verzotheid op het heilige graf vervloekte afgoderij is; zo is er toch een zeer begeerlijke gemeenschap met Hem in Zijn lijden, 1 Petr. 4:13, maar verblijd u, voor zoveel u gemeenschap hebt aan Christus lijden. Ja welke zijn: de drinkbeker, die Zijn lip aangeroerd heeft, des te zoeter smaak heeft, zelfs al was er de dood in; het graf, omdat Hij er in gelegen heeft, is zoveel te zachter en verkwikkender rustbed? En dat deel van de lucht en wolk, waardoor de Liefste zal doorbreken, en ten oordeel komen, is zo’n beminnelijk stuk van de geschapen hemel, als er enig is, indien wij de grond, waarop Hij gaat, temeer mogen liefhebben. Maar dit alles is op een geestelijke wijze te verstaan. De Heere roept u, mijnheer, op wie de Geest Gods, en de geest van Zijn heerlijkheid rust, om het amen van uw ziel te stellen op deze vrijstelling, en Hij vereist van ons, dat onze begeerten zouden volgen het nu opgeklaarde besluit Gods, aangaande de verwoesting van ons zondig land, dat zo veelszins schuldig is aan het verachten van ‘t Evangelie, en aan het verbreken van ‘t Verbond, en dat met alle onderwerping. Gewis niemand heeft meer in deze gefeild, dan hij, die aan u schrijft: want ik heb mijn gezondheid in groot gevaar gebracht, en mijn geest met overgrote droefheid, wegens onze tegenwoordige tergingen en scheuringen van onze Kerk, gekweld. En ik zie, dat het een beschuldiging, en een stout pleiten tegen Hem is, op Wiens schouderen de regering is, Jes. 22:22. De Vader heeft een heerlijke volmacht aan Christus toevertrouwd en Ik zal, staat er vers 23,24, Hem als een nagel inslaan in een vaste plaats, en Hij zal wezen als een stoel der ere aan het huis Zijns Vaders; en men zal aan Hem hangen alle heerlijkheid van het huis Zijns Vaders, van de uitspruitelingen, en van de nakomelingen, ook alle kleine vaten, van de vaten van de bekers af, zelfs tot al de vaten van de flessen. Onze ongelovige bevattingen twisten zo met de voorspoed van de vijanden in een kwade zaak, dat wij worstelen met nederlagen, berovingen, gevangenis van vromen, ‘t doden van Zijn volk, het verwoesten van ‘t land, en het verarmen en uithongeren van ‘t koninkrijk, dat erger is dan het zwaard, maar dat is een zondig tegenspreken van des Heeren geopenbaard besluit; Zijn wijsheid zegt: De beroving en verwoesting is best voor Schotland, en wij zeggen: neen; en zo beschuldigen wij Christus van kwade regering, en van niet getrouw te zijn, in uit te voeren het ambt, dat Hem opgelegd is. Maar aangezien Hij de regering niet aan Zijn hielen sleept, maar die op Zijn schouder heeft, en aangezien de nagel, die in een vaste plaats ingeslagen is, niet kan breken, en niet het minste vat kan missen, van te vinden zoete zekerheid in afhanging van Hem; en aangezien al het gewicht van hemel en aarde, van verloste heiligen en bevestigde engelen, op Zijn schouder is, zo ben ik een dwaas, en onredelijk, als ik mij inbeeld, dat ik iets kan toedoen tot Christus’ bijzondere zorg en teerheid voor Zijn volk. Hij Die de bekkens en messen van Zijn huis bewaart, en de vaten weer terugbrengt tot de tweede tempel, Ezra 1:8,9,10, moet ook een teerder zorg hebben over Zijn verlosten, dan over een lepel, of over de oude schoenen van Petrus, die evenwel in zijn gevangenis niet moesten verloren worden, Hand. 12:8. Och hadden wij genade, om Christus voogdij te laten oefenen over Zijn minderjarigen, en jonge erfgenamen! Maar wij kunnen niet verdragen, te zijn onder de uitvoeringen van Zijn heerschappij: wij hebben al te lief, van onszelf te zijn. O, hoe zoet is het geheel van Christus te zijn, en geheel in Christus te zijn! Te zijn uit het schepsel zijn eigendom, en volmaakt te zijn in Christus; te leven door geloof op Christus, en eens vooral bekleed te worden met de geschapen Majesteit, en heerlijkheid van de Zoon Gods, waarvan Hij al Zijn vrienden en volgers deelgenoten maakt! Te wonen in Immanuels hoog en gezegend land, en te leven in die zoetste lucht, waar geen wind waait, dan de ademingen van de Heilige Geest, noch zeeën of beken vloeien, dan het zuivere water des levens, dat voortkomt van onder de troon, en van het Lam; geen plant dan de boom des levens, die twaalf soorten van vruchten elke maand draagt! Wat doen wij hier, dan zondigen en lijden? O, wanneer zal de nacht over zijn, de schaduwen vlieden, en de morgenstond van die lange, lange dag, zonder wolk of nacht, opdagen? De Geest en de bruid zeggen: komt. O, wanneer zal de vrouw des Lams gereed zijn, en de Bruidegom zeggen: Kom! Waarde heer! Ik gedenk u bij de Verhoorder van de gebeden. O, help mij ook met bidden. De Geest van Jezus zij met uw geest.

      De uwe in zijn enige, enige Heere Jezus, Samuel Rutherford

      St. Andries, 14 mei 1651

       

    275. Aan de waarde en zeergeëerde kolonel, Gilbert Ker
    276. Zeergeëerde en waarde heer!

      Ik weet niet, waarom Gods volk geen kennis zou nemen van de banden, van iemand, die bloed gereed heeft, om het voor zijn zaak uit te laten. En ik oordeel, dat het niet van u kwam, dat u niet gestorven bent in de onuitgemaakte twistzaak, die de Heere van de ganse aarde heeft met de mannen, die Hij tegen ons gezonden heeft. Lieve en zeergeëerde in de Heere! Laat mij bidden, dat u toch ver mocht zijn van te denken, om dit land te verlaten; ik zie, en vind het, dat de Heere het gehele land in Zijn toorn met een wolk bedekt heeft: maar hoewel ik tot dergelijk verzocht ben geweest, zo zou ik toch liever in Schotland zijn, nevens de toornige Jezus Christus, wel wetende dat Hij ons geen kwaad meent, dan in enig Eden of hof op aarde; indien wij verenigd kunnen blijven met des Heeren overblijfsel in het land, zo legt Hij toorn op voor allerlei tegenpartijders in Brittannië. Al zag ik nooit de heerlijkheid, van Zijn glinsterend zwaard in Brittannië schijnen, zo zou ik toch verkwist worden in de onnozele gedachten, ver van wraak, dat de heiligen hun voeten zullen dopen in het bloed van de verslagenen van de Heere. En waarlijk, mijnheer, ik denk, u kunt niet nalaten, tot deze gedachten en zwakke begeerten te komen, voor de Verhoorder van de gebeden, hoe weinig u ook uzelf acht of schat; mij aangaande, indien ik u kon gedenken in uw banden, ik ben van voornemen, niet op de rekening te staan, die u van uzelf maakt, of op de gedachten, die u van uzelf hebt; hoewel ik weet, dat u wegens mijn bevattingen, niet een haar temeer of te minder bent voor Hem, Die de Zijnen weegt naar het gewicht van toegerekende gerechtigheid; Christus kan u niet misvatten, maar de mensen wel; en rekening, schatting van de vrije genade doet u zijn, hetgeen u bent. Ik hoop u te zien, een eeuwig verbonden schuldenaar aan Hem, Die u prijzen maar nooit betalen zult; waarlijk u hebt geen rijkdommen, dan die schuld; en ik weet, dat u graag aan Jezus Christus, de voortreffelijkste van de schuldheren verschuldigd bent; veel blijdschap en zoetheid kunt u hebben uit die, dat u in zijn boek geschreven staat; ik wens ook zelf zo te doen. Ook wilde ik, dat u het oogmerk van Christus hoogachtte, Die de rijkdom van de heerlijkheid van zoveel genade verhoogd heeft, boven de cirkel van de hemel der hemelen, en dat uit niemendal; en die Zijn gedachten van liefde zodanig heeft verzonnen, dat de klompen van verheerlijkt leem tot in alle eeuwen voor Hem zouden steun, als overladen schuldenaars aan de vrije, eeuwig vrije genade. Mijnheer, u kunt de renten van uw zo grote heerlijkheid van erfenis niet oprekenen. Genade zij met u.

      Uw dienaar in zijn enige Heere Jezus, Samuel Rutherford

      Edinburgh, 18 mei 1651

       

    277. Aan Mevrouw Kenmur
    278. Mevrouw!

      Genade, barmhartigheid en vrede zij u. Wij zijn in ziftende en beproevende tijden gevallen; ik ben blij, dat uw adem u dient, om tot het einde toe te lopen, in dezelfde staat en weg, waarin u deze twintig verleden jaren gewandeld hebt. Of dit de weg is des vredes, of dat wij nog zijn in onze zonden, en de weg hebben gemist. Het is waar, de Heere heeft de hoogmoed van al onze heerlijkheid verontreinigd, en nu in het laatst van alle is de zon over vele van de profeten ondergegaan; maar stoot u niet: mensen zijn maar mensen; God blijkt meer en meer God te zijn, en Christus is steeds Christus. Mevrouw, zulken die sterker zijn dan ik, hadden mij bijna doen struikelen en neervallen. Maar o, wat een weldaad is het, te onderscheiden tussen hetgeen van Christus, en hetgeen van de mens is; en op welke wijze de gedaante, verf en luister van gaven en genade, onze zwakke ogen bedriegen en doen duizelen. Och, hoe goed en wenselijk zou het zijn, dood te zijn aan alles wat beneden Christus is, al was het zelfs een geschapen hemel en geschapen genade! Heiligheid is Christus niet; ook Zijn de bloesems en bloemen van de boom des levens de boom zelf niet. Mensen en schepselen kunnen zich inwikkelen tussen Christus en ons. Er zijn nu in onze weg geen koningen, of heirlegers, of edele personages, of gerechtsbanken, of sterkten, of wachters, of vrome belijders. De schoonste en uitmuntendste dingen in Brittannië zijn verontreinigd en hebben hun luister verloren. Alleen, alleen Christus behoudt Zijn groenheid en schoonheid, en Hij blijft wat Hij was. Och, of Hij meer en meer voortreffelijk was in onze beseffingen, dan Hij ooit was, Wiens voortreffelijkheid boven alle bevattingen is, en steeds zoeter en zoeter voor onze smaak. Ik vraag nergens naar, zo ik maar nader bij Hem mag zien; nochtans vliedt Hij niet van mij; ik vlied van Hem, maar Hij vervolgt mij. Ik hoor dat uw HoogEd. nog dezelfde achting heeft voor de versmade zaak en Verbond van onze Heere, die u tevoren had. Mevrouw, houd u daar. Ik durf en zou graag mijn geest op die weg opgeven, met een nadere gemeenschap met de Vader en de Zoon, en ik zou niet meer willen zoeken, dan dat ik gelovende mocht sterven. Ook wil ik hopen, dat de aarde niet zal bedekken het bloed van de vromen, die verslagen zijn in Schotland; maar dat de Heere onderzoek zal doen naar hun bloed, wanneer het lijden van de heiligen in deze landen zal vervuld zijn. De goedwilligheid van Hem, Die in het braambos woonde, zij met u.

      Uw HoogEds. zeer gedienstige in de Heere Jezus, Samuel Rutherford

      Glasgow, 18 sept. 1651

       

    279. Aan de rechteerwaarde en christelijke vrouw Mevrouw Kenmur
    280. Mevrouw!

      Genade, barmhartigheid en vrede zij u. De Heere is genadig, Die u in de oven houdt, terwijl velen op de een of andere wijze de handen uitstrekken tot ongerechtigheid. Wij stoten nu elkaar met de schouder, en werpen elkaar neer in het duister, en de godzaligen zijn verborgen voor de godzaligen. Wij maken onze ketenen zwaarder, door ons te voegen met des Heeren vijanden. Hierdoor is nieuw lijden voor allen, die niet durven zeggen, een verbintenis, tot degenen, tot welke dit volk zegt, een verbintenis, die hun vrees niet vrezen. Gelijk dit nu mijn oefening is, die niet ver ben van alleen te zijn in die plaats; hoewel ik weet, immers ik behoorde te weten, in Wie ik geloofd heb; zo vrees ik, dat de vromen daar zich voegen met de verklaarde vijanden Gods. Het zal onze sterkte zijn, te wandelen tussen vijanden en Malignanten aan beide zijden. Dit is de dag van benauwdheid voor Jakob; nochtans kunnen en moeten deze dorre beenderen leven; ik weet niet, of ik het zal zien: maar ik hoop deze rust en stilte van het geloof met mij in ‘t graf te nemen, in het meeste geraas van alarm tot oorlog, dat de Heere op de kerk van Brittanië en Ierland, een paleis van zilver zal bouwen, bezet met cederen planken. Lieve mevrouw, bezwijk niet, de nacht is bijna voorbij: want het gezicht is nog voor een bestemde tijd, maar in het einde zal het spreken, en niet liegen; hoewel het vertoeft, wacht er naar; niemand kan hoger bod doen voor uw logement in de hemel; daar is meer voor gegeven door Hem, Die het voor Johanna Cambel besproken en voor haar ingenomen heeft, dan iemand daarvoor kan aanbieden. Het rantsoen van bloed staat vast. Mijn vrouw doet aan uw HoogEd. haar ootmoedige groet; ‘t is wel met het kind; wij horen dat het wel is met Juffrouw Gillespie, maar zij is hier niet. Genade, genade zij met u.

      De uwe in zijn Heere Jezus Christus, Samuel Rutherford

      St. Andries, 28 jan. 1653

       

    281. Aan Grissal Fullertown
    282. Juffrouw!

      Wel gedenkende, wat een betrekking ik had op uw, nu zalige en in heerlijkheid volmaakte, lieve moeder, Maria Mac-Knaught, en mij verzekerende, dat u ook zelf naar die weg heenziet, die, of ik ben eeuwig verloren, de weg des vredes en des levens is, zo zou ik ondankbaar zijn, om diegene te vergeten, die ik wegens het Verbond des Heeren niet kan nalaten bij God te gedenken. Ik zal tot u niets spreken dan over de tegenwoordige droeve verschillen. Maar indien ik enige nabijheid bij God heb, of ooit gehad heb, die andere weg, die ik vertrouw dat ik nooit zal volgen, is de weg des mensen, niet van God; en wat aangaat de tegenwoordige regenten, ik lijd van hen, en ik wacht nog meer. God heeft een twist met hen, mijn ziel kome niet in hun geheime raad. Alleen zou ik bidden, verzoeken en betuigen in de Heere, en door uw verschijning voor Christus, volg des Heeren weg, en de stappen, die getreden zijn door de begenadigden in die plaats, die de Heere met levendigheid en kracht gevolgd hebben. Mijn hart is met droefheid vervuld, als ik aanmerk, wat gemeenschap met God sommigen van dat land hadden, en hoe zij bezig waren, in elkaar te stichten en te helpen op zijn weg; en hoe weinig daarvan nu daar te vinden is. Uw moeder hield het leven in die plaats staande, en zij verwakkerde velen omtrent haar, om God te zoeken. Mijn begeerte van u is, dat u haar in die weg wilde opvolgen, en dat u meermalen een woord mocht laten toekomen aan uw broeders en anderen, dat hen mocht aanmoedigen, om naar de weg des Heeren uit te zien; het zal niet lang aanlopen, of u zult het nodig hebben Zie toe, dat u een begenadigd leraar mocht krijgen, en niet een neutraal man, om de dienstknecht Gods, die nu in de Heere ontslapen is, te volgen en in zijn plaats te komen. Er is een groot en wijd onderscheid tussen een naam van godzaligheid, en de kracht van godzaligheid; deze is het heetst, wanneer er weinig getuigen zijn. De doodheid over velen, en de afval van het land is groot. Gezegend zijn zij, die de Heere en Zijn aangezicht zoeken. Ik wil u verzoeken, dat u mijn groet doet aan uw man en aan al de vrienden. Ik wens niemand te vergeten, welke in Christus zijn.

      Uw broeder in de Heere, Samuel Rutherford

      Edinburgh, 11 maart 1653

       

    283. Aan Mevrouw Kenmur.
    284. Mevrouw!

      Genade, barmhartigheid en vrede zij u. Ik weet, dat u denkt aan uw uitgang, en dat uw verblijf in deze tijd en in dit leven kort is: want wij vliegen weg als een schaduw. Het dalen van de zon en het verlengen van de schaduw, zegt, dat uw reis kort, en uw einde nabij is. Ik spreek dit, omdat ik waarschuwingen heb van mijn heengaan uit de wereld. Mevrouw, ik ken niemand, tegen wie de Heere niet is: want Hij is tegen de hovaardigen en verhevenen, de dag des Heeren is tegen al de cederen, tegen alle hoge bergen, tegen alle hoge torens, tegen alle vaste muren, tegen alle schepen van Tarsis en tegen al de gewenste schilderijen. Ik ken niets, dat te vergelijken is hij een nabijheid en geestelijke gemeenschap met de Vader en de Zoon Christus; er is veel dodigheid en verwelking over vele geesten, die weleer nabij God waren; ik wens, dat de Heere niets meer te zeggen en te doen heeft tegen het land. Mevrouw, u hebt in uw rekenboek weldaden, verlossingen, roeden, waarschuwingen, volheid van middelen, en vertroostingen. Wanneer u geen toevlucht had, wanneer u zag ter rechter hand, en ziet niemand wilde u kennen, noch voor uw ziel zorgen, wanneer u jong en zwak was, ontving u openbaringen van God, de uitgangen des Heeren voor u, en antwoorden van de Heere; door al welke u nu kunt getroost en bevestigd worden in de zekere hoop, dat de genade, de vrije genade in een gevestigde Borg, dat goede werk in u zal volbrengen. Gelukkig zijn zij, die niet zien en nochtans geloven. Genade, genade in onze Heere Jezus zij eeuwig met u.

      De uwe in de Heere Jezus, Samuel Rutherford

      Edinburgh, 27 mei 1653

       

    285. Aan de geëerde en recht waarde kolonel Gilbert Ker
    286. Zeer geëerde in de Heere!

      Hoe het met u zij, kan blijken door uw brief aan sommigen die bij ons zijn. Maar het is de klacht van niet weinigen van degenen, die voor mij in Christus waren, dat de meeste van ons een dor en droog land bewonen. Des Heeren volk is onberegend land; hoewel enigen niet durven loochenen, dat dit de hof van de Liefste is, en de wijngaard, die de Heere behoedt en elk ogenblik bevochtigt. Doch helaas! Waar zijn nu die weleer levendmakende ademingen en invloeden van de hemel, die Zijn verborgenen verkwikt hebben! De oorzaken van Zijn onttrekking zijn ons onbekend; één ding is er, dat niet geloochend kan worden, namelijk, dat de wegen van de hoge soevereinheid en heerschappij van de genade ver uit het gezicht zijn van engelen en mensen, en ondoorzoekelijk. Ja, ook zodanig boven de gevestigde weg van de vrije beloften, gelijk als deze, doe dit, en Hij zal op zijn hof ademen en waaien, dat Hij een verklaring heeft uitgegeven aan Zijn verborgenen in Schotland, dat pijniging, worsteling, bidden, klagen en begenadigd missen, niet de bezoeken van boven kan verdienen of verwerven, noch de stortregens over de woestijn nederhalen. Het zou kunnen wezen, dat wanneer wij in onze graven zeggen, onze beenderen zijn dor, en onze hoop is vergaan, alsdan beiden de tijdelijke en geestelijke verlossing tegelijk zullen komen; en dat Hij ons op de een of andere wijze zal doen gevoelen het goede van de regering van Hem, Die binnenkort tot de troon staat te komen. Ps. 72:6,7. Hij zal neerdalen als een regen op het nagras, als de droppelen, die de aarde bevochtigen; in Zijn dagen zal de rechtvaardige bloeien, en de veelheid van vrede, totdat de maan niet meer zij. Vers 12, Hij zal de nooddruftige redden, die daar roept, mitsgaders de ellendige, en die geen helper heeft. Vers 14. Hij zal hun zielen van list en geweld bevrijden, en hun bloed zal dierbaar zijn in Zijn ogen. En hoewel wij op die wijze geen zoet jaargetijde tot ons kunnen afbidden, zo moet toch Christus de zomer met Zich brengen, als Hij komt, vers 16. Is er een hand vol koren op de hoogte van de bergen, de vrucht daarvan zal ruisen als de Libanon. Ik weet niet, of ik niet eerder de profetieën toepas, gelijk ik het wilde hebben, dan gelijk ze zijn. Wanneer die ene Herder over hen gesteld wordt, namelijk Hij Die zal staan, (helaas, hoe veel liggen wij neer!) en zal weiden in de kracht des Heeren; dan zullen de eilanden, en dit is een van de grootste ervan, die op Zijn wet wachten, datgene tegemoet moeten zien, ‘t geen staat, Ezech. 34:26 Want Ik zal dezelve, en de plaatsen rondom Mijn heuvel, stellen tot een zegen; en Ik zal de plasregen doen neerdalen op zijn tijd. En er zijn plasregens van zegen; hoe wenselijk moet iedere druppel van zo’n plasregen zijn; En Hosea 14:6,7, Ik zal Israël zijn als de dauw; hij zal bloeien als de lelie, en hij zal zijn wortelen uitslaan als de Libanon; zijn scheuten zullen zich uitspreiden, en zijn heerlijkheid zal zijn als des olijfbooms, en hij zal een reuk hebben als de Libanon. En Jes. 55:13, Voor een doorn zal een denneboom opgaan, voor een distel zal een mirteboom opgaan; en het zal de Heere wezen tot een naam, tot een eeuwig teken, dat niet uitgeroeid zal worden. Jes. 41:19, Ik zal in de wildernis stellen de denneboom, de beuk, en de busboom tegelijk; 44:3, Ik zal water gieten op de dorstigen, en stromen op het droge; Ik zal Mijn Geest op uw zaad gieten, en Mijn zegen op uw nakomelingen. En zulks zal geen verloren arbeid noch vruchteloze landbouw zijn; vers 4, En zij zullen uitspruiten tussen in het gras, als de wilgen aan de waterbeken. Maar wanneer dit zal zijn in Schotland, en het moet evenwel zijn, dat is beter te geloven, dan te voorzeggen; en beter gerust te hopen, en stil te zitten, want dat is nog onze sterkte, dan met Hem te twisten, vanwege dat de raderen van Zijn wagen zo traag voortgaan.

      Nochtans kan dit nauwelijks iets goed voor ons zeggen, die onszelf zozeer behagen in onze dodigheid, en die bijna een godzalig dorsten en begenadigd missen kwijt zijn, half tevreden zijnde met onze verdordheid; ongetwijfeld hebben wij Zijn invloeden verdorven; en Zijn werkingen op ons niet geholpen en begunstigd, noch veel in die gestalte van hem geweest, die, Ps. 119, achtmaal dat verzoek uitzuchtte: maak mij levend, maak mij levend. Zozeer zijn wij begerig, om door de Heere bewogen te worden, gelijk blokken en stenen; en zo verkwistend zijn wij met Zijn bewegingen, alsof zij niet moesten waargenomen en gebruikt worden. Maar ‘t is goed, dat het in onze macht niet is, Zijn ademingen geheel te verderven en te sluiten; maar Zijn wind waait, waar het Hem belieft; konden wij maar leunen, en een geruste geest neerleggen onder de bedauwingen, en beregeningen van Hem, Die ieder ogenblik Zijn wijngaard bevochtigt, hoe gelukkig en gezegend zouden wij zijn! Wij openen niet, noch wij onderkennen Zijn kloppen niet, en wij voelen niet wanneer Zijn hand ingestoken wordt door het sleutelgat; ook kunnen wij geen geestelijke rekenschap geven van Christus’ wandelingen en bewegingen, als Hij staat achter de muur, als Hij komt springende over de bergen; als Hij; komt tot Zijn hol, en houdt een maaltijd; als Hij weidt onder de leliën; als Zijn nardus reuk geeft; als Hij klopt en weggaat, en nergens is te vinden. O, wat zien wij een klein deel van God? Hoe weinig bestuderen wij God? Hoe zelden lezen wij God, of houden ons veel op in het levend besef van dat grote onbekende Al in Al, de heerlijke Godheid, en de Godheid geopenbaard in Christus? Wij wonen ver af van de Fontein, en klagen maar droogjes over onze dorheid en ongevoeligheid; wij zijn eerder droog, dan dorstig.

      Mijnheer, er kan wel kunstig gevormde hoogmoed wezen in deze nederigheid; maar wat mij belangt; ik ken, noch wat Hij, noch welke Zijns Zoons Naam is, noch waar hij woont. Ik hoor een verhaal van Christus, en dat is groot genoeg, en dat is het al. O, wat is nabijheid bij Hem? Wat is dat, te zijn in God, te wonen in God? Wat een huis moet dat zijn? 1 Joh. 4:13. Hoe ver zijn sommigen van hun huis en woning? Hoe weinig gemeenzame kennis hebben zij van de vertrekken, verblijfplaatsen, veiligheid en zoetheid van heilige zorgeloosheid, die in God te vinden is? O, wat een vervreemding! Wat een afzwerving! Wat is er een veelvuldig verkeren met onszelf, en met het schepsel! Is het bed niet korter, dan dat men zich daarop uitstrekken kan? En het dek smaller dan dat men zich daaronder zou kunnen voegen? Jes. 28:20. Wanneer zullen wij daartoe geraken, dat wij alleen in God zullen leven? En vervreemd zijn van al de geschapene arme nieten, de geschilderde schaduw, zijnde van gisteren, die een uur en minder voor de schepping, donkere en woeste ontkennenden waren, en ledige nieten, en zo voor eeuwig zouden geweest zijn, indien de Heere hen daar had laten liggen voor eeuwig? Hij is het, Die grote Hij, Die daar zit boven de kloot der aarde, of der wereld, en derzelver inwoners zijn als sprinkhanen; Hij is het, Die de hemelen uitspant als een dunne doek, en breidt ze uit als een tent om te bewonen; die de vorsten te niet maakt, de richters van de aarde maakt Hij tot ijdelheid, Jes. 40:22,33. Hij is het, en Hij alleen, en er is geen Hij benevens Hem, hfdst. 43:10,11; 45:5. Mensen of engelen zijn geen van hen een Hij in vergelijking met Hem. De mens is op zijn best maar een levend, ademend, stervend niet, een kranke, lemen ijdelheid. En de engel, in vergelijking met Hem, is maar een voortreffelijker, levend en verstandig niet; nochtans leven wij in een afgelegenheid van Hem; en wij sterven en verdorren als wij uit God zijn. Och dat wij wisten, hoe wij niemendal zijn, zonder of buiten God! Mijnheer, wij wensen uw banden te gedenken, en zijn vervrolijkt en verkwikt, dat wij horen van enige van Zijn openbaringen, en uitgangen, die bereid zijn als de morgen, tot u. Wij hopen, en wij behoeven het niet van u te begeren, dat u niet zult verflauwen; en wij vertrouwen, dat de zalving, die in u blijft, u zoveel leert. Wacht totdat het gezicht spreekt; ziet Hij komt; ziet, Zijn loon is met Hem, en Zijn werk is voor Hem. De alleenwijze God bekrachtige u met alle kracht, naar de sterkte van Zijn heerlijkheid, tot alle lijdzaamheid en verdraagzaamheid met blijdschap.

      De uwe tot alle gedienstigheid in de Heere Jezus, Samuel Rutherford

      St. Andries, juli 1653

       

    287. Aan mevrouw Kenmur
    288. Mevrouw!

      Ik heb zo lang stilgezwegen, dat ik bijna beschaamd ben, nu te spreken. Ik hoor van uw zwakke gestalte van het lichaam, die een waarschuwing tot u uitspreekt, dat u moet uitzien naar een langer leven, waar u meer ledige tijd zult hebben om te prijzen, dan de tijd u hier kan geven; het zal wel een verlies voor velen zijn; maar gewis, mevrouw, u alleen zult vrij zijn van alle verlies. En waarlijk, u bemerkt in wat voor dagen wij nu vervallen zijn, indien het zeilen niet zou zijn de Heere te dienen, waar ik al bezwaarlijk toe geraken kan, een kalme haven zou zeer goed zijn, wanneer stormen zo hoog gaan. De Voorloper, Die eerst geland is, moet het in zee gekraakte en geslingerde schip helpen, behouden in de haven brengen, en de zeezieke passagiers, die de Voorloper volgen, behouden aan strand zetten. Veel dodigheid heeft de overhand over sommigen. Maar er is veel leven in Hem, Die de Opstanding is en het Leven, om levend te maken. O, wat is er veel van ons verborgen leven buiten ons; en welk een klein en armelijk kapitaal is in de hand van sommigen! De alleenwijze God vervulle, hetgeen ontbrekende is; hoe meer u ontbreekt, en hoe meer uw vreugde opgelopen is, hoe meer u toekomt door de belofte van genade; de achterstallen van bevochtigingen van de hemel, die uw Hoog-Ed. gemist heeft in Kenmur, Rusco, het Westen, Glasgow, Edinburgh en Engeland enz., zullen allen samen inkomen in een grote hoeveelheid; het avondmaal van de bruiloft des Lams moet niet verdorven worden door al te ruime vierurens verkwikking. Weet dit, mevrouw, Hij die u van de borsten af als een Voogd bestuurd heeft, weet wel, hoe Hij Zijn dagschijnsels en liefdebezoeken op de rechte tijd zal beschikken. De genade, die al voortloopt, zij met u.

      Uw zeer gedienstige in de Heere, Samuel Rutherford

      St. Andries

       

    289. Aan Mr. Johannes Scot, te Oxnam
    290. Eerwaarde en lieve Broeder!

      Niemand is meer aan de gemeente Gods, die bij u is, schuldig, dan ik arme en ellendige. Maar wanneer de zwakheid van het lichaam, en de Heere daardoor, mij verhinderde een kleine reis te doen naar Edinburgh, zo is het mij nog meer verboden, een reis daarheen te doen. Ik ben onmachtig, om uit te voeren, hetgeen de Heere mij hier opgelegd heeft, en daarom ben ik begerig, mij aan de soevereinheid te onderwerpen, en ik moet stil zijn. Indien mijn gebeden en beste zuchtingen tot de Heere, iets konden toebrengen tot vordering van Zijn werk, zo is het mijn zielewens, dat de wildernis, en die plaats, die ik mijn eerste ademing en geboorte schuldig ben, waarin ik vrees, dat Christus nauwelijks genoemd is, aangaande enige dadelijkheid of kracht van godzaligheid, mocht bloeien als een roos. Dus wensende en biddende, dat Zijn Naam onder ulieden groot mag zijn, en verzoekende, dat u mocht geloven, dat de namen van de Heere Zijn tegenpartijders in de aarde zullen geschreven worden, en dat allen die van de geslachten van de aarde niet zal optrekken naar Jeruzalem, om de Koning, de Heere der heirscharen te aanbidden, over deze lieden geen regen zal zijn, en dat de Heere heerlijkheid scheppen zal over alle vergaderingen op de berg Zion, zo blijf ik

      Uw eigen broeder in de Heere, Samuel Rutherford

      St. Andries, 15 juni 1655

       

    291. Aan Mevrouw Kenmur
    292. Mevrouw!

      Ik beken, dat ik reden heb, om bedroefd te zijn over lang stilzwijgen of traagheid in het schrijven. Ook is het mij leed te horen, dat degenen, die uw HoogEd. verschuldigd waren, beter te handelen, u gediend hebben met zo’n valse handel; u weet, dat het kromme niet sterk is, noch lang durende; evenzo weet u, dat deze dingen niet uit het stof opkomen. Het is zoet, te zien op de onwettige en zondige beweging van de schepselen, als besteld en geordend door een heilige hand in de hemel. Och, of sommigen vrede konden maken met God! Het zou onze wijsheid zijn, en ons veel zoete vrede toebrengen, indien de onderdrukkers van ons werden aangezien als lijdende werktuigen, gelijk de zaag of bijl in de hand van de timmerman; het is hun bevolen, indien zo’n onderscheiding mag toegelaten worden, maar niet geboden van God, gelijk het met Simeï was, 2 Sam. 16:10, te doen hetgeen zij doen. Mevrouw, de Heere heeft u deze menigte jaren geleerd, te lezen, en wel te bestuderen het boek van de heilige en onbevlekte soevereinheid, in te moeten lijden van sommigen, die u nabij zijn, en van sommigen die veraf zijn. Wat ook het werktuig is, het is onbetamelijk voor het nietig schepsel, dat het leem tegen de pottenbakker, de formeerder van alles, antwoordde. Ik hoop, Hij zal u klaarheid geven; maar wanneer Zions publieke kwaden sommigen van ons niet na aan het hart liggen, geen wonder, dat wij geoefend worden met huiszwarigheden. Doch ik weet, u bent van God geleerd, Jeruzalem te stellen boven uw hoogste blijdschap. Mevrouw, er is geen reden van bezwijken: wacht op het gezicht, dat niet vertoeft; het zal spreken. De alleenwijze God zij met u, God, uw God zegene u.

      De uwe in alle gedienstigheid in God, Samuel Rutherford

      St. Andries, juni 1657

       

    293. Aan mevrouw Kenmur
    294. Mevrouw!

      Ik behoorde u niet te vergeten: maar mijn doodheid onder een dreigende slag, van een vallende Kerk, van een verbroken Verbond, en van een versmaad overblijfsel, en daarbij een ongezond lichaam. zodat ik een stuk ziekelijk leem niet kan vervoerd krijgen, van het ene huis of stad tot de andere, ligt zeer zwaar op mij. De Heere heeft Schotlands kroon weggenomen; omdat wij Zijn kroon niet erkend en voorgestaan hebben; wij murmureren over Zijn katholieke regering van de wereld, en dat Hij door ons niet wilde geregeerd en geleid zijn, in onze tegenpartijders te verbreken; en Hij doet ons lijden en versmachten in Onze ongerechtigheden, onder de verbroken regering van Zijn huis. Het schijnt, dat het ons tot strik zou zijn, beproefd te worden met de eer van een vreedzame verbetering; wij mochten het gegraveerde werk van Zijn huis erger verderven, dan degene, waartegen wij uitroepen; het schijnt, dat Hij ons geboden heeft op onze linkerzijde driehonderd en negentig dagen te liggen; doch zo verbaasd makende is onze ongevoeligheid, dat wij niet klagen over onze zere zijde. Ons goud is duister geworden; het aangezicht van onze Nazireeërs is zwart geworden; de zon is ondergegaan over onze zieners; de kroon is van ons hoofd gevallen: wij brommen gelijk als de beren. De Heere beware ons voor dat woord. Hij Die hen gemaakt heeft, zal zich over hen niet ontfermen. Het hart van de schriftgeleerden overdenkt verschrikking. Och mevrouw, of de Heere wilde helpen tot meer zelfoordelen, en om ons deel aan Christus zeker te maken! Ach, wij vergeten de eeuwigheid, en zij nadert ras aan. Genade zij met u.

      Uw HoogEds. zeer gehoorzame in de Heere, Samuel Rutherford

      St. Andries, 23 nov. 1657

       

    295. Aan Mr. Johannes Scot te Oxnam
    296. Eerwaarde en lieve broeder!

      Ik zag door de hand van C. K. een getuigenis van uw classis tegen verdraging in het stuk van de godsdienst, waarin u tot een werktuig gediend hebt; de Heere geve sterkte om meer te doen; ik acht het iets zeldzaams en noodzakelijks, en zou het een grote weldaad rekenen, indien er een toevoeging was van een naschrift van verscheidene predikanten en ouderlingen, uit al de graafschappen van Schotland. Het is inderdaad de zin van al de vromen en teerhartigen in dit land. Het wordt door sommigen geloofd, dat de protesterende partij de zaak heel overgegeven heeft. Ik hoop dat het zo niet is, maar de Heere zal nog Overwinnaar zijn in Zijn zeer gesmade knechten. Onze duisternis is groot en dik, en er is veel dodigheid; doch de Heere zal ons licht zijn. Dus u bevelende aan zijn genade, van Wie u bent, ben ik

      Uw eigen broeder in de Heere, Samuel Rutherford

      St. Andries, 1 april 1658

       

    297. Aan Mr. Johannes Durham, dienaar des Evangelies te Glasgow, enige weinige dagen voor zijn dood
    298. Mijnheer!

      Ik wilde al vroeger aan u geschreven hebben, indien ik niet geweten had, dat uw gezondheid steeds zwakker wordende, nauwelijks u kon toelaten, te horen of te lezen. Ik behoef niet veel te zeggen, u weet de weg, en hebt aan anderen gepredikt, hoe wijs de Leidsman is, en hoe heerlijk het huis aan de andere zijde van de dood is. En wanneer Hij zegt, kom en zie, dan zal ‘t uw winst zijn, te gehoorzamen, en uit te gaan, en de Bruidegom te ontmoeten. De toevoeging welke geschiedt tot het hoger huis van Zijn koninkrijk, zou ons verlies niet zijn, hoewel het een dadelijk verlies voor Gods Kerk is; doch wij rekenen op de ene, en de Heere op een andere wijze. Hij is de onfeilbare en alleenwijze Heere, en heeft niemand van ons nodig. Indien Hij Mozes en de profeten hun verblijf in het lichaam nodig had gehad, Hij kon een andere weggenomen hebben. Wie durft u zeggen, slaat uw gedachten terug op vrouw en kinderen, wanneer Hij gezegd heeft: laat ze aan Mij, en komt herwaarts op? Of wie kan u overreden, om te sterven of te leven, alsof dat stond aan ons goeddunken, en niet alleen aan het Zijne, Die het getal van uw maanden bepaald heeft. Indien ‘t Hem zo goeddunkt, volg uw Voorloper en Leidsman. Het is u een onbekend land, die nooit daar tevoren was; maar het land is goed, en het gezelschap voor de troon is gewenst, en Hij Die op de troon zit, is Zelf alleen een genoegzame hemel. Genade, genade zij met u.

      De uwe in de Heere, Samuel Rutherford

      St. Andries, 15 juni 1658

       

    299. Aan Mr. Johannes Scot te Oxnam
    300. Eerwaarde en lieve Broeder!

      Uw brief, die tot mij kwam op de 2e augustus, om op de 20e augustus te Edinburgh te zijn, was mij onbekend door de onderschrijving; maar omdat zij geschreven was voor zulk een eerwaarde en welgegronde waarheid van Christus, als er is een getuigenis tegen de verdraging van alle godsdiensten, zo zou ik te Edinburgh gekomen hebben, indien mijn gezondheid, en mijn dagelijks dreigend graveel het wilde toegelaten hebben. Wat hulp, aanzetting of opklaring u van zo een als ik, kon gehad hebben, kan ik niet zeggen, en ik durf er niet veel van spreken, dan met een opzicht op de hulp van Zijn genade. Ik wens te begeren, en neem voor door de kracht van boven, die zaak staande te houden, en mij te voegen met u, en met enige in deze kerk, benevens uw classis, die die zaak vasthouden. Wees krachtig in de Heere, en in de sterkte van Zijn macht; deze wolk zal overdrijven. Konden wij door geloof leven, en wachten op een sprekend gezicht, dat nu schijnt uit te stellen. De Heere zal niet vertoeven. Genade zij met u. Veel zijn met u; maar er is er Één, Die meer is dan miljoenen.

      Uw eigen broeder, Samuel Rutherford

      St. Andries, 8 augustus 1653

       

    301. Aan Mr. Johannes Scot te Oxnam
    302. Lieve broeder!

      Bezwijk niet, maar wees krachtig in de Heere, en in de sterkte van Zijn macht. Ik zie het aan als een rijke weldaad, dat de Heere met u is, u versterkende, opdat u de verflauwenden mocht verwakkeren, en verwarmen en waarschuwen enigen, die koud of dood zijn, of die anderen dood maken. Geloof het, het zal in het einde uw vrede zijn; de tijden zijn boos; doch ik verzeker mij, het gezicht zal met vertragen, maar spreken. De Heere zal de banden van onze gevangenis losmaken. O, gezegend is Hij, hoewel alleen, Die standvastig en bevestigd bevonden wordt voor de begeerlijke winst van Christus. Mijn ootmoedige raad zou zijn, dat u acht nam, hoe men de diaken en regerende ouderling plaats geeft, en voorts lette op iets, dat de tucht mocht verzwakken. Ons tweede boek van de tucht moet in acht genomen, en de kerkeraden gezuiverd worden. Och weinig is nu in beoefening het catechiseren, het personeel bezoeken, en spreken tot hun sigillatim, hoofd voor hoofd, aangaande hun deel aan Christus, en een staat van bekering. De praktijk van het vasten van de huisgezinnen alleen, is nauwelijks bekend, te zijn een instelling Gods. Het zou goed zijn, dat u met godzalige broeders in ‘t geheim mocht spreken aangaande het vorderen van de godzaligheid, aangaande de Christenen hun samen spreken, en samen bidden, en aangaande godsdienstige oefeningen in de huisgezinnen, en eenzaam vasten. Aan Zijn genade, die u kan besturen, levend maken, en versterken, beveel ik u, en ben

      Uw lief hebbende broeder, Samuel Rutherford

      St. Andries,

       

    303. Aan de gemeente te Aberdeen
    304. Eerwaarde en zeer geliefde in de Heere!

      Genade zij u, en vrede, van God onze Vader, en van de Heere Jezus Christus. Er zijn er geweest, die met gebogen knieën Hem dankten, uit welke heel het geslacht in de hemelen en op de aarde genaamd wordt, als zij hoorden van uw werk van het geloof, en arbeid der liefde, en verdraagzaamheid der hoop, op onze Heere Jezus, en niet weinig blij waren, dat waar Christus nauwelijks genoemd was in de smakelijkheid en kracht van het Evangelie, namelijk te Aberdeen, Christus daar enige weinige namen heeft, die Hem dierbaar zijn, en die met Hem zullen wandelen in witte klederen. Wij zagen het aan, Hij weet het, Wie wij trachten te dienen in onze Geest, in het Evangelie Zijns Zoons, als een deel van de vervulling van dat woord. De woestijn en de dorre plaatsen zullen hier overvrolijk zijn, en de wildernis zal zich verheugen, en zal bloeien als een roos. Maar nu is het ons smartelijker, dan duizend doden, als wij horen, dat u geschud, en zo ras afgebracht bent, van ‘t geen u eertijds erkende Gods weg te zijn. Zeer geliefden! De schapen volgen Christus, Die hen met name roept, een vreemde zullen zij niet volgen: maar zij vlieden van hem, want zij kennen de stem van een vreemde niet. Gijlieden kent de weg, door welke u verzegeld was tot de dag van de verlossing; en u ontving de Geest, door het gehoor van ‘t geloof; scheidt niet van die weg, tenzij u ziet, dat daarop geen rust is voor uw ziel; en luistert niet naar hen, die zeggen, velen zijn bekeerd zowel onder de bisschoppelijke als onder de presbyteriaanse regering; en nochtans gaven de godzaligen getuigenis tegen de bisschoppen: want de werktuigen van hun bekering hadden een walg van de bisschoppelijke regering, met haar plechtigheden, nooit hebben zij die met hun lijden verzegeld. Maar wij zouden voorbeelden verzoeken te zien van iemand, die op de weg, die u nu verlaat, verbonden was door eden, en door ‘t lijden van de getrouwe gezanten Gods, en door de openbaringen van des Heeren tegenwoordigheid, die evenwel daar vanaf keerde, en een stap voortging tot die zondige scheiding, en zulks deed op die wijze, die gijlieden nu beoogt, en dan evenwel in genade bloeide. Maar wij kunnen bewijzen brengen van velen, die het verlieten, en verder gingen tot gruwelijke wegen van de dwaling. En u hebt het niet in uw macht, waar u ‘s nachts verblijf zult hebben, hebbende eens de weg Gods verlaten; en wij weten, dat velen hun vrede en gemeenschap met God verloren, en vervielen in een staat van dorheid, en hun liefhebbers niet kunnende vinden, gedwongen waren, tot hun eerste man weer te keren. Wij willen u bidden, dat u aanmerkt, wat een struikelblok het zal wezen voor de Malignanten, boosaardige tegenstanders, van de weg en zaak Gods, die u met hun oren hoorden, en met hun ogen zagen, zo kloek deelnemen met de vromen in hun lijden, en uzelf verklaren voor godsdienst, waarheid, leer, regering van Gods huis, voor Zijn Verbond en zaak, indien u nu bouwt, ‘t geen u eertijds neerwierp, en wederom neerwerpt, ‘t geen u gebouwd hebt; en zult u zo doende uzelf niet tot overtreders maken? Hoe zal het de harten van de vromen wonden, de belijdenis bevlekken, de heerlijkheid van het Evangelie verduisteren, ‘t geloof van velen doen schudden, en de handen van allen in dit koninkrijk, de handen zult uitstrekken, om neer te werpen de muren van ons Jeruzalem, door welke de Heere haar verschrikkelijk maakt, als een heirleger met banieren? Want wanneer de koningen kwamen, en zagen zijn paleizen en bolwerken, waren zij verwonderd; en werden benauwd, en vloden weg, vrees greep hen daar aan, en smart gelijk van een barende vrouw. En wij zullen bedroefd zijn, als u erfgenamen zoudt worden van de schuld, van het verbreken van die omtuining van de wijngaard, om welke de nare verbolgenheid Gods op deze dagen vervolgt het koninklijk huisgezin, vele edelen, grote en schone huizen, en de gehele bisschoppelijke partij in drie koninkrijken. En wanneer uw lieve broeders zwak en bezwijkend zijn, zullen wij geloven, dat u ons zult verlaten, en afgescheiden zijn van deze zo gezegende samenvoeging? Wij vertrouwen, dat de Heere Jezus Christus in het midden van de gouden kandelaren zal wandelen, en met ons zijn, indien u van ons afgegaan zult zijn. Geliefden in de Heere; wij kunnen niet nalaten, ons van ulieden betere dingen te verzekeren. En wij kunnen voor u niet verbergen, dat wij niet weten wat te antwoorden, als wij bestraft of gesmaad worden, uwentwege; in opzicht dat uw verandering tot een andere evangelische weg, dat de Heere voorkome, zoveel te ergerlijker is, omdat de schielijke omkering, waar wij niets tevoren van geweten hebben, ulieden nu overkomt, wanneer mannen onder u komen, tegen welke de voren van de velden van Schotland klagen. Vergeet niet, lieve broeders, dat Christus nu de wan in Zijn hand heeft, en dat dit ook is de dag des Heeren, die branden zal als een oven, en dat Christus nu ziet als Een, Die het zilver loutert, reinigende de zonen van Levi, en dezelve zuiverende als goud en zilver, opdat ze de Heere een offer van de gerechtigheid toebrengen; en degenen, die het woord van Zijn, niet van hen, lijdzaamheid bewaren, zullen verlost worden van de ure van de verzoeking, die over de ganse aarde komen zal, om hen te beproeven. Indien u alle niet-bekeerden uitsluit van de zichtbare stad Gods, waarin dagelijks menigten in Schotland, in al de vier hoeken van het land, meer dan onze vaders ooit gezien hebben, komen indringen tot Christus, zullen zij dan niet gelaten worden voor de leeuwen en wilde beesten van het woud, namelijk voor de Jezuïeten, uitgezonden priesters, en andere verleiders? Want de overheid heeft geen macht om hen te dwingen, om het Evangelie te horen, en ook hebt u geen kerkelijke macht over hen, gelijk u leert; en zij brengen geen liefde tot het Evangelie, en tot Christus met zich bij de geboorte, zo moeten zij dan gelaten worden, om de godsdienst te omhelzen, die het meest overeenkomt met de verdorven natuur. Ook kan het geen weg zijn, die door de Heere in de Schrift goedgekeurd is, uit te sluiten van de zichtbare Kerk, die is het werkhuis van de vrije genade van Christus, en Zijn treknet, de gehele menigte van niet-bekeerden, gedoopten, en die zichtbaar binnen het verbond der genade zijn, welke zijn in Groot-Brittannië, en in al de gereformeerde kerken, en alzo de deuren van de genadige roeping van de Heere te sluiten voor al diegenen, omdat ze niet zijn, naar uw oordeel, verkoren tot de zaligheid; dat u beseffen zult, wanneer u eens recht bedaard bij uzelf zult zijn: want hoe kan de Heere Egypte Zijn volk noemen, en Assur het werk van Zijn handen, en al de volkeren, die in getal zijn als de kudde van Kedar, en als de overvloed van de zee de koninkrijken van onze Heeren en van Zijn Christus; indien gijlieden de kleine kinderen, zoals velen doen, en al degenen, die uw liefde niet kan oordelen voor bekeerden, gelijk anderen doen, onder de heidenen en ongelovigen telt, die geen zichtbaar aandeel of recht aan Christus hebben. De kandelaar, noch het kruis is uw niet; maar Christus vestigt of neemt weg het ene, en Hij bouwt of werpt neer het andere, naar Zijn soevereinheid. Wij oordelen onszelf in ootmoedigheid, hoewel de grootste van de zondaren, de kinderen Zions, en het zaad van Christus; indien u van ons afscheidt, en de kandelaar van hier vervoert, zo laat onze Vader Richter zijn, en ons tonen, waarom de Heere ulieden gelast heeft, van uit het midden van ons heen te gaan. Wij zien deze zichtbare Kerk aan, hoewel zwart en bevlekt, gelijk het hospitaal en gasthuis van zieken, kreupelen, verminkten en verdorden, over welke Christus Heere Medicijnmeester is, en wij wilden op degenen, die nog niet in Christus zijn, wachten, gelijk onze Heere op ons, en ulieden beiden gewacht heeft. Wij dan uw broeders, kinderen van één Vader, kunnen niet nalaten, om ulieden met tranen en uitnemende droefheid van het hart te bidden, te smeken, en te getuigen door de liefde van onze Heere Jezus Christus, door Zijn lijden, en dierbaar rantsoen, dat Hij voor ons beiden betaald heeft, door de vertroostingen van Zijn Geest, en door uw verschijning voor de vreselijke rechterstoel van onze Heere Jezus, ja ook ulieden te gelasten voor God, en voor dezelfde Heere Jezus, Die de levenden en doden zal oordelen in Zijn verschijning en in Zijn koninkrijk; breekt de harten en geesten niet van degenen, aan welke u zo lief bent als hun eigen ziel; verlaat niet de vergaderingen van Gods volk; laat ons niet verdeeld worden. Niet weinigen van Gods volk in dit graafschap van Fyf, in wier naam ik nu schrijf, durven zeggen, zo u scheidt, u zult Christus achter u laten bij ons, en bij de gouden kandelaren, en u zult uzelf, vrezen wij zeer, uitwerpen uit de harten en gebeden van duizenden, die Jezus lief zijn in Schotland. Daarom eer gijlieden uw oordeel en praktijk gaat vestigen op een onbetreden pad, laat ons allen een dag van verootmoediging samen vaststellen, en onderzoek doen naar van onze Vaders zin, en wil, door onze enige algemene Zaligmaker, en laat ons elkaars aangezicht op een bekwame gelegenheid zien, en pleiten voor Christus’ voordeel, en getroost wezen, en geen aanstoot ontvangen van uw wegen. Dus wachtende uw antwoord, zullen wij bidden, dat de God des vredes, Die onze Heere Jezus, die grote Herder van de schapen, van de doden teruggebracht heeft door het bloed van het eeuwige Verbond, ulieden volmake in ieder goed werk, om Zijn wil te doen, werkende in u, hetgeen welbehaaglijk is voor Hem, door Jezus Christus, en ik zal blijven

      Uw toegenegen broeder in de Heere, Samuel Rutherford

      St. Andries

       

    305. Aan mevrouw van Kenmur
    306. Mevrouw!

      Ik ben beschaamd over mijn lang zwijgen omtrent uw HoogEd. Uw op en neergaan, en zwerven, is aan Hem bekend, op Wie u bent geworpen van de borst af, en die vanouds uw God is geweest. Het tijdelijk verlies van schepselen, die u daar dierbaar zijn, kan te lichter gedragen worden, omdat aldus de winst groeit van Één, Die alleen onsterfelijkheid heeft. Er is algemene klacht van dodigheid op de geest, van allen die God kennen; Mevrouw, hij die aan u schrijft, is alzo diep in deze als iemand, en hij vreest voor een sterke en hete veldslag, eer de tijd teneinde is; maar daar is niet aan gelegen, indien de Heere alles kroont met de glorierijke overwinning van ‘t geloof. God leert ons door vreselijke dingen in gerechtigheid; wij zien vele dingen; maar wij bemerken niets. Onze drank is zuur; grijze haren zijn hier en daar op ons, en wij veranderen dikwijls van heren en heersers, maar dezelfde dienstbaarheid van de ziel en van het lichaams blijft. Wij leven weinig door geloof, maar veel door gevoelen, naar de tijden, en door menselijke sluwheid. De wachters slapen, en ‘t volk gaat verloren door gebrek aan kennis. Hoe kunnen wij verlicht worden, wanneer wij onze rug naar de zon keren? En moeten wij niet verwelken, wanneer wij de Fontein verlaten? Het zou mijn enige begeerte zijn, een predikant te zijn, begaafd met de witte keursteen, en met de nieuwe naam daarop geschreven. Ik oordeel, dat het recht bekwaam en tijdig zou zijn, nu wanneer hoog gegroeide belijders en vele sterren van de hemel vallen, en God het eiland van Groot-Brittannië van vat tot vat vergiet, en wij evenwel stil zitten, en op onze droesem liggen, aan te merken, gelijk ik soms, doch helaas, zelden doe, wat een onherstelbare ellende het is, te wezen onder een bedrog in de zaak der eeuwigheid; en neem, dat ik, die een onderschreven getuigenis kan krijgen, van dat ik aan de rechterhand van de Richter zal staan, zal missen Christus’ goedkeurend getuigenis, en gezet worden aan de linkerhand onder de bokken? Dat er zo’n bedrog is, blijkt uit Matth. 7:22; 25:8—12; Luk. 13:25,2t, en het gebeurt er velen; en neem, het gebeurde mij, die maar al te veel kunst heeft, om mijn ziel en anderen te bedriegen met het pronkerig voordoen van leraars of landsheiligheid? Waarde vrouw, ik ben bevreesd voor overmachtigende zorgeloosheid; wij waken weinig, ik heb bijzonder mijn oog op mijzelf, wij worstelen weinig. Ik ben gelijk een, die bij nacht reist, die een geest ziet, en zweet van vrees, en het zijn metgezel niet durft zeggen, om zijn eigen vrees niet te doen groeien. Hoe het zij, ‘t is gewis, wanneer de Meester nabij is om te komen, dan zou het veilig zijn, een dubbel of nieuwe kopie over te schrijven van onze rekeningen, van de zonden van de natuur, van de kindsheid, jongelingschap, rijper jaren en van de ouderdom. Gesteld, Christus heeft een andere geschreven vertoning van mij, dan ik van mijzelf heb, gewis de Zijne is recht; en indien het mijn misvattende, en zondig dwalende rekening van mijzelf tegenspreek, och, waar ben ik dan? Maar, mevrouw, ik wil niemand de moed ontnemen. Ik weet, dat Christus een nieuw huwelijkscontract van liefde gemaakt, en het met Zijn bloed verzegeld heeft; die bevende gelovige zal niet beschaamd worden. Genade zij met u.

      Uw zeer gehoorzame in Christus, Samuel Rutherford

      St. Andries, 26 mei 1659.

       

    307. Aan mevrouw Kenmur
    308. Mevrouw!

      Ik zal zou blij zijn, zo het de Heere mocht gelieven, meer tijd voor u te verlengen, opdat u nog, voordat uw ogen gesloten worden, meer mocht zien van het werk van des Heeren rechterhand, in levend te maken een land en Kerk, die nu in zwijm, en gepletterd zijn. Hoewel ik onlangs aan de poort van de deur klopte, zo kon ik er toch niet in geraken, maar werd voor een tijd teruggezonden. Het is wel, zo ik maar enige dienst aan Hem kon doen; maar och, wat ligt er een doodheid op de geest! En doodheid baart afstand en vervreemdheid van God. Mevrouw, de Heere heeft u deze menigte jaren een klaar onderscheid laten zien, tussen degenen, die God dienen en Zijn Naam liefhebben, en degenen die Hem niet dienen; en ik oordeel, dat u de weg van Christus aanziet als de enige beste weg, en dat u Christus niet zou willen verwisselen voor de god van de wereld, of voor haar mammon, en dat u Christus een getuigenis kunt geven, van dat Hij de voornaamste onder tienduizend is. Het is waar, dat vele van ons zijn vervallen van hun eerste liefde; maar Christus heeft Zijn eerste liefde van onze ondertrouw met Zichzelf vernieuwd, en Hij heeft de zoekers van God over het hele land vermenigvuldigd, zelfs waar Christus niet genoemd was, in het oosten en westen, zuiden en noorden, boven het getal, dat onze vaders ooit kenden. Maar helaas! Mevrouw, wat zal men doen met, en zeggen van vele gevallen sterren, en velen die nabij God waren, die nu droevig zich met de vijanden verenigen, en zeilen naar de naaste oever? Ja, wij zijn verteerd in de oven, maar niet gesmolten, gebrand, maar niet gezuiverd; onze droesem is niet van ons geweerd, maar ons schuim blijft bij ons; wij murmureren in de oven, wij bezwijken, en, dat nog vreemder is, wij sluimeren. Het vuur brandt rondom ons en wij nemen het niet ter harte; grijze haren zijn op ons, en wij weten het niet. Het zou nu een wenselijk leven zijn, onze liefde weg te zenden naar de hemel; het betaamt ons wel, te wachten op de bestemde verandering, noch zo, dat wij aldus bij onszelf zouden denken: is er boven de zon en maan een nieuwe wereld? En is er zo’n gezelschap, dat voor het Lam Gods daarboven op de harp speelt en Halleluja’s zingt? Waarom zijn wij dan opgenomen met een ijdel leven van zuchten en zondigen? O, waar is onze wijsheid, dat wij zitten en lachen, eten en slapen, daar wij steeds gevangenen zijn, en dat wij al onze beste goederen niet oppakken tot de reis, altijd begerende, met ons huis dat van boven is, zonder handen gemaakt, bekleed te worden? Och, wij hebben geen smaak in dingen die boven zijn, en wij rieken niet naar de heerlijkheid, eer wij daar komen; maar wij onderhandelen en bewilligen met de tijd, om te hebben een nieuwe pachtbrief voor lemen woningen. Ziet, Hij komt. Wij slapen en keren al de werken van plichten in een gesprek van de uitkomst tot verlossing: maar hetgeen de grootste haast heeft, verootmoedigd te worden over een verbroken en begraven Verbond, dat is het eerst en laatst vergeten. En al onze smart is, God vertraagt te komen, de vijanden triomferen; de godzaligen lijden en de Atheïsten lasteren. Och, wij bidden niet, maar wij verwonderen ons, dat Christus niet langs de hogere weg komt, door macht, sterkte en klederen in bloed gewenteld! Maar gesteld, Hij komt langs de lagere weg? Gewis wij zondigen, in ‘t boek in Zijn hand te stellen, alsof wij de Almachtige wetenschap konden leren. Wij haasten: maar wij geloven niet; laat de alleenwijze God begaan; Hij beweegt alles goed. Hij trekt rechte lijnen. hoewel wij menen en zeggen, dat zij krom zijn. Het is recht, dat sommigen komen te sterven, met hun borsten vol melk; en nochtans zijn wij toornig, dat God alzo met hen handelt. Och, of ik Hem kon aanbidden in Zijn verborgen wegen, als er duisternis is onder Zijn voeten en donkerheid tot Zijn tent, en wolken omtrent Zijn troon! Mevrouw, hopen, geloven en lijdzaam bidden is ons leven. Hij verliest geen tijd. De Heere Jezus zij met uw geest.

      De uwe in alle schuldige gehoorzaamheid in Christus, Samuel Rutherford

      St. Andries, 12 sept. 1659

       

    309. Aan de rechteerwaarde vrouw, mevrouw de markgravin van Kenmur
    310. Mevrouw!

      Het staat mij niet toe, u te vergeten; wees niet benauwd wegens uw broeder, de markies van Argyl, belangende het voornaamste: naar mijn zwak begrip zal het wel gaan met hem, omdat het zaad Gods in hem is, en de liefde tot Gods volk, en tot zijn zaak. Dat hij zijn bijzondere rekening met de Heere maakt, en zijn vrede met God, en dat hij Zijn zaak voorstaat, wanneer zovelen die laten zakken, zal zijn vrede met de koning temeer zeker maken. De Heere begint nu te rekenen met diegenen, die Zijn zaak en verbond verlieten; voordat wij tot Hem terugkeren, zal onze vrede niet wezen als een rivier, maar als de golven van de zee. Het zij hoe het zij, het openen van de schoot, om al de Malignanten in te nemen, kan geen beter vruchten voortbrengen. De Heere roept ons toe, dat wij zouden vlieden in onze binnenkamers, en sluiten de deur achter ons toe, totdat de grimmigheid over is. Jes. 26:20. Zo gaat het met de lelie onder de doornen. Hij verbergt zich, en onze berg is verzet, en wij zijn verschrikt. Maar de Heere regeert, laat de aarde beven, en laat de aarde zich verheugen. De Heere heeft zonder bloedstorting het juk van de onderdrukkende overweldigers verbroken en terzijde gelegd; dezelfde Heere kan Zijn troon en koninkrijk vestigen op de pilaar van de hemel. Maar o, wat heeft de Heere een twist met Edom, en met degenen, die met ons het verbond gemaakt, en ons verkocht hebben, en met degenen, van welke de Heilige Geest spreekt, Klaagl. 2:14, Uw profeten hebben uw ijdelheid en ongerijmdheid gezien, en zij hebben u uw ongerechtigheid niet geopenbaard, om uw gevangenis af te wenden; maar zij hebben u gezien valse lasten en oorzaken van uitbanning. De tijd van Jakobs lijden is maar kort, en het gezicht zal spreken; konden wij maar uitkomen van onder onze dodigheid, en waken om te worstelen en te bidden tot de Heere, en meer leven door geloof, wij zouden meer dan overwinnaars zijn. Wacht op de Heere en bezwijk niet. De Heere Jezus zij met uw geest.

      De uwe in alle ootmoedige gehoorzaamheid in de Heere, Samuel Rutherford

      St. Andries, 24 juli 1660

       

    311. Aan juffrouw Craig
    312. Op de dood van haar zoon van grote hoop, die verdronk, als hij zich wies in een rivier in Frankrijk.

      Juffrouw!

      Gij hebt zo Christus geleerd, dat het nu moet blijken in de oven van de verdrukking, wat schuim, en wat blinkend geloof bij u is. Ik heb gehoord van de dood van uw zoon, Mr. Thomas. Hoewel ik bot genoeg ben, in alles te onderscheiden, nochtans ben ik getuige geweest van enige geestelijke blijken van de wedergeboorte en hoop van de wederopstanding, die ik zag in die jongeling van goede hoop, wanneer hij, zo men vreesde, in deze stad op zijn sterven lag. En nademaal het in ‘t onbevlekte en heilige besluit des Heeren geschreven, en met opzet vastgesteld was, waar, en voor welke getuigen, en op wat wijze hij zou sterven, of door een koorts, of de moeder zou zijn aan de zijde van zijn bed, of op enige andere wijze in een vergelegen land (de patriarchen stierven in Egypte, velen die kostelijk waren in des Heeren ogen, hebben geen begrafenis gehad, Ps. 79:3) zo zal het voor u het veiligst zijn, stil te wezen en uw hart te gebieden, geen murmurerende en misnoegende gedachten te uiten aangaande Gods heilige bedeling. 1. De persoon is boven het gevaar van bespreking; de kostelijke jongeling is volmaakt gesteld, en verheerlijkt. 2. Indien de jongeling jaar en dag in pijn had gelegen, nevens een moeder, zijnde getuige daarvan, het zou voor u een uitrekking van smart en droefheid geweest zijn in vele delen, en elk deel zou een kleine dood geweest zijn; nu heeft Zijn heilige Majesteit de tijding in één massa tegelijk tot uw oren gebracht, en de droefheid niet in vele delen verdeeld. 3. Het was geen gedachte van gisteren, noch een voorschrift van het andere jaar, maar het was de raad des Heeren vanouds. En wie kan de Almachtige kennis leren? 4. Daar is geen weg, om het gemoed van een moeder gerust te stellen en ‘t hart tot stilzwijgen te brengen, dan godzalige onderwerping; de gereedste weg voor vrede en troost voor lemen vaten, is, te denken, dat het een slag is van de Pottenbakker en Formeerder van alles; en aangezien de Heere de greep los gemaakt heeft, die aan uw kant vast en zeker was, zo weet ik, dat uw licht, en ik hoop ook uw hart, zal toestaan, dat het niet veilig is, te rukken en te trekken met de almachtige Heere; laat de ruk gaan met Hem, want Hij is sterk; en zeg, Uw wil geschiede op aarde, gelijk in de hemel. 5. Zijn heilig beleid en orde is te aanbidden. Soms gaat de man voor de vrouw, en soms gaat de zoon voor de moeder; de alleenwijze God heeft het zo gelast; en omdat hij wel vooruit gezonden, maar niet verloren is, zo dankt God in alles. Peins niet te veel over de droeve omstandigheden; als, de moeder was geen getuige van de laatste snik, misschien kan zij geen verlof krijgen om haar zoon zijn doodskleed aan te doen, noch om over zijn graf te wenen, en hij was in een vreemd land; men is de hemel al even na, uit alle plaatsen van de aarde. 7. Dit is uit het stof niet voortgekomen, voed u dan, en word vet door dat medicijn van de alleenwijze God; het is de kunst en het verstand van het geloof, te lezen hetgeen de Heere op ‘t kruis schrijft, en Zijn zin recht te spellen en te duiden; menigmaal noemen wij de woorden en spreuken van het kruis verkeerd, of wij stellen geen zin op Zijn kruisen, of wij overladen Zijn Majesteit met lasteringen en misvattingen, waar Hij gedachten van vrede en liefde over ons heeft, namelijk, om ons in het laatste goed te doen 8. Het is maar weinig in vergelijking van de publieke pijlen, geschoten tegen de bedroefde en benauwde Jozef. Maar helaas! Wat is Gods volk dood, ongevoelig en schuldig; dit is de dag van Jakobs benauwdheid. 9. Er is een boze wijze van doen, wanneer men een beproeving moedwillig doorzwelgt, en niet verteert, of als men die uit zijn gedachtenis stelt, zonder enige overwinning van ‘t geloof; de Heere, Die het bezwijken verbiedt, verbiedt ook het versmaden van de roede. Maar het is lichter raad te geven, dan te lijden; de alleenwijze God geve lijdzaamheid. Het zou niet verkeerd zijn, zo u de andere jongeling naar huis riep. Ik ben niet weinig benauwd wegens de staat van mevrouw Kenmur, ik verzoek, dat wanneer u haar ziet, u mijn ootmoedige groet aan haar doet. Mijn vrouw doet aan u haar hartelijke groet, en is zeer bitterlijk bedroefd wegens uw tegenwoordige staat, en zij lijdt met u. Genade zij met u.

      De uwe in de Heere, Samuel Rutherford

      St. Andries, 4 aug. 1660

      N.B. De navolgende brief is van Mr. Rutherford geschreven aan enige broeders predikanten, en zij bevat zijn oordeel, aangaande een tegenbetoog op te stellen aan zijn majesteit, na zijn wederkomst tot de kroon, alsmede aangaande het handhaven van degenen, die gearresteerd en gevangengenomen waren, terwijl zij met het opstellen van zo’n verzoekschrift bezig waren.

    313. Aan enige broeders predikanten
    314. Eerwaarde en lieve broeders!

      Het is mij wat zwaar te schrijven in zo’n afgelegenheid, ulieder beraadslagingen niet gehoord hebbende. Het schijnt, dat de Heere ons roept, om aan des konings majesteit inlichting van zaken te geven; de wonderbare voorzienigheid van de Heere is te aanbidden, daarin dat ze hem tot zijn troon brengt, en dat ze anderen aan een kant legt, die vijanden waren van Gods zaak en bezworen verbond; zodat nu de regering in een rechte lijn is. En ik oordeel, hoewel ik niets voorschrijf, dat sommigen aan zijn majesteit dienen gezonden te worden, om hem wegens die voorzienigheid geluk te wensen; en dan diende ook reden gegeven te worden, waarom wij zo traag geweest zijn, in het zenden van enigen. 2. Wij dienen te schrijven, niet in de naam van de Kerk van Schotland, maar in de naam van een zeer aanzienlijk getal van leraars, ouderlingen, en belijders, die voor de koning bidden, zijn wetten gehoorzamen, en zijn onder de eed Gods, aangaande de gezworen hervorming. 3. Het is beter nu, dan nadat er vonnissen geveld en benauwdheden verwekt zijn, zich tot hem te wenden, als die plaatshalf is Parens Patriae, Vader des Vaderlands. 4. Wij moesten verzoeken in alle ootmoedigheid, bescherming, handhaving, en veel meer, wettige vrijheid, om de band van de eed van de vreselijke en allerhoogste Heere, te vrezen, betuigende bij zijn majesteit, dat de Heere, alzo Zijn heilige Naam daartussen komt, dat verbond zal staande houden, en zijn majesteit zegenen met een gelukkige en voorspoedige regering, als hij dat verbond vasthoudt, en de Zoon Gods kust. En wanneer het de Heere zal gelieven dit aan ons te vergunnen, dat betreft de godsdienst, de schoonheid van Zijn huis, de voortzetting van ‘t evangelie, de regering van des Heeren Koninkrijk zonder papisterij, bisschoppelijke oppermacht, onbeschreven overleveringen, en gewoonten, zo laat zijn majesteit onze getrouwheid beproeven, met wat geboden het hem zal gelieven, op ons te leggen, en zien, of wij zullen weerspannig bevonden worden. 5. Wij dienen ook te verwerpen, degenen, die zich zondig gevoegd hebben met de gewezen overweldigers, en voort te brengen onze beschreven getuigenissen daartegen, ons niet aannemen van ambten en waardigheden, en onze getuigenissen tegen haar overweldiging, verbondsbreking, verdraging van alle belijdenissen, en de verdorven weg van de aanhangers, om welke de Heere haar verboden heeft. 6. Wij zijn aan zijn majesteit voorgedragen, als zodanigen, die niet wilden toestemmen, dat de tegenbetoog van de westerse troepen zou veroordeeld worden door de gevolmachtigden van de Generale Synode. Daar wij: I. Ootmoedig begeerden, dat die gevolmachtigden zittende als rechters, niet dat tegenbetoog zouden veroordelen noch berispen, eer die edellieden gehoord, en hun redenen overwogen waren. 2. Wat stil gemompel daar ook geweest zij aangaande het samen verenigde deel van die, dit waren en zijn wij gehouden te geloven, dat zij geen aanhanger, noch oogmerk om alle overheden weg te nemen, daarin hadden. 3. Zij zijn zeer getrouwe edellieden, en waren nooit vijanden van zijn Majesteits Koninklijke macht, maar zij begeerden alleen, dat er zekerheid mocht verkregen worden voor geloof en voor Gods volk, tegen personen die kwalijk tot het geloof genegen waren, en die ‘t bezworen verbond verlaten hebben; anders waren en zijn zij gewillig, om leven en goed op spel te zetten voor de rechte grootheid, behoudenis en veiligheid van zijn Majesteit, in de handhaving van het waar geloof, van ‘t verbond, en van de zaak Gods. De enige zwarigheid zal zijn, waar bekwame mannen te krijgen, om te zenden. Maar gelijk het beide zonde en schande voor ons zal zijn, te verlaten onze nu buiten verdiensten geoordeelde broederen; zo zal het onze zonde en smaad zijn, met zulke dingen en koersen ons zondig te voegen, waartegen wij weleer getuigd, en bij God belijdenis gedaan hebben. Ik kan voor tegenwoordig niet meer zeggen, dan dat ik ben

      Ulieder lief hebbende broeder, Samuel Rutherford

      Andries, 1660

       

    315. Aan zijn eerwaarde, en lieve broeders Mr. Jac. Guthrie, Mr. Trail, en de rest van haar broeders, gevangen gesteld in ‘t Kasteel van Edinburgh
    316. Eerwaarde, zeer lieve, en zeergeëerde gevangenen voor Christus!

      Ik ben in opzicht van het punt van verlichting, in de uiterste overreedheid en zekerheid in deze, dat dit is de zaak van Christus, daar u nu voor lijdt, en niet het voordeel van de mens; indien het is tot voordeel van mensen, zo laat het ons laten varen; maar indien wij voor God pleiten, zo zal onze persoonlijke behoudenis en verlossing door een mens, geen vrede zijn. Daar is een heil of zaligheid, genoemd het heil Gods, dat is rein, zuiver, geestelijk, onvermengd, en zeer na verenigd met het heilige Woord Gods; dat is ‘t geen, dat wij zouden zoeken, namelijk de gunst Gods, die Hij Zijn volk toedraagt, niet enkele blijdschap maar de blijdschap en het goede van des Heeren uitverkorenen. En gewis, hoewel ik de zwakste ben van Zijn getuigen, en onwaardig te zijn onder de geringste ervan, en ik vrees heb, dat de zaak door Mijn ongelovige zwakheid zal worden beschadigd, doch verloren worden kan zij niet, ik zou niet wensen een verlossing, afgescheiden van de redding van des Heeren zaak en volk; het is mij genoeg te zingen, wanneer Zion zingt, en te triomferen, wanneer Christus triumfeert. Ik zou het een ongelukkige blijdschap oordelen, blij te zijn, wanneer Zion zucht; niet één klauw, dat zal uw vrede zijn. Indien Christus mij eigent en erkent, zo laat mij vrij in ‘t graf komen in een bloedig doodskleed en gaan van het schavot in vier afdelingen tot een graf, of tot geen graf. Ik ben Hem verschuldigd, deze dierbare waarheid met lijden te verzegelen; maar och, wanneer het tot het punt en tot de proef zal komen, zo durf ik niets te zeggen, merkende op mijn zwakheid, boosheid en flauwhartigheid. Maar vreest u niet; u bent; u zult niet zijn alleen; de Vader is met u; u was niet bezig met een ontijdige, maar met een tijdige en nodige plicht. Vreest Hem, Die Soeverein is, Christus is Kapitein van ‘t kasteel, en Heere van de sleutelen. De verkoelende springader en verkwikking van de beloften, is meer dan het zuur aangezicht van de oven. Ik zie strikken en verzoekingen in ‘t overgeven, samenstellen, wijken en klein maken door onderscheiden omstandigheden, rechts vormen, aanvulsels en extenuaties in de zaak van Christus. Een lang lepel, het sop is hel-heet. Houdt u ver van vleselijke samenstellingen, en zeer nabij aan de fontein, aan de gunst en ‘t verkwikkend licht van de Vader der lichten, sprekende in Zijn Godspraken. Dit is gezonde behoudenis en zaligheid. Engelen, mensen, en Zions ouderlingen zien op ons; maar wat is van deze? Christus is bij ons, en ziet op ons, en schrijft alles op. Laat ons meer bidden, en minder zien op mensen. Doet mijn groet aan Mr. Scott en al de anderen. Laat de zegeningen zijn op het hoofd van degenen, die van hun broeders zijn afgezonderd; Jozef is een vruchtbare tak aan een fontein. Genade zij met u.

      Uw liefhebbende broeder, en metgezel in het koninkrijk, en in de lijdzaamheid van Jezus Christus,
      Samuel Rutherford
      St. Andries, 1660

      N.B. De navolgende brief van Mr. Rutherford bevat zijn oordeel over een ruw concept of minute van een verzoekschrift, hetwelk Mr. Guthry en andere predikanten, op het kasteel van Edinburgh gevangen gezet, wegens het opstellen van een ander wel bekend verzoekschrift aan Zijne Majesteit, zouden aan de Gecommitteerden van de Staten presenteren; hoewel het nooit door hen is goedgekeurd, noch overgegeven.

       

    317. Rutherfords oordeel over een ruw concept of minute van een verzoekschrift van Mr. Guthry en anderen
    318. Lieve broeder!

      Ik ben, gelijk u weet, mede als een lijdend persoon in engte gebracht; doch ik durf aan deze gecommitteerden geen verzoek doen. Eerst, omdat het ons trekt, om met dezulken te onderhandelen, die het voordeel en hoogte van de berg hebben, omdat het de Heere voor tegenwoordig zo schikt, en het is gevaarlijk de zaken van Christus te brengen tot Ja en Neen, terwijl gijlieden gevangenen, en zij de machthebbenden zijn. Ten tweede, te spreken tot hen in geschrift, en stilzwijgend voorbij te gaan het bezworen Verbond, is tegenstrijdig met de praktijk van Christus en van de apostelen, die beschuldigd of niet beschuldigd zijnde, beleden, dat Christus de Zoon Gods en de Messias was, en dat de doden weer op moesten staan, zelfs als de tegenpartijders de zaak verkeerd stelden. Ja, een stilzwijgen van die zaken Gods, die de tegenpartijders vervolgen, schijnt een stilzwijgende verlating van de zaak, wanneer de staat van de zaak bekend is aan de aanschouwers; nu ik weet, dat de broeders niet voornemens zijn, de zaak te laten varen. Ten derde, ik weet niet dat u enige aanstoot gegeven hebt, ik wil niet spreken van wat aanstoot zij genomen hebben, ‘t zij in de stof, ‘t zij in de wijze van uw verzoekschrift: want indien het een nodige plicht is, die u gedaan hebt en anderen verzuimd hebben, zo kan een plicht geen aanstoot geven aan Christus, en derhalve aan geen mensen. Maar rechte christenen zullen het aanzien als een tijdige plicht, als er, hoewel maar door een of twee, een godzalig onnozel, onberispelijk verzoekschrift voortgebracht wordt bij de vorst; over de zaken, die Gods eer en het goede van Zijn Kerk raken, ten tijde wanneer de lieden zwijgen, die het toestond te spreken en te onderhandelen. Ten vierde, het concept van dat verzoekschrift, dat u mij gezonden hebt, spreekt niet één woord van het Verbond Gods, om het aankleven waaraan gijlieden nu lijdt, en dat is het voorwerp van de mens zijn haat; welks verscheuring het grote werk van deze tijd is; en uw stilzwijgen in dit punt van tijd, blijkt te zijn een niet-belijden van Christus voor de mensen; u ontbreekt niets, om een onzuivere verlossing voort te brengen, dan de belijdenis van stilzwijgen. Ten vijfde Er is een belofte en dadelijk voornemen, gelijk het verzoekschrift zegt, van vreedzaam te leven onder des konings gezag. Maar 1. Aldus beantwoordt gijlieden niet rechtuit, eenvoudig de zin van de heersers, die u wel weet een heel andere zaak te verstaan door gezag, dan u doet: want u verstaat zijn gerechtig gezag, zijn gezag in de Heere, en zijn rechtvaardige grootheid, in het ware geloof te handhaven, gelijk die uit het Woord Gods in het verbond en belijdenis van het geloof, en in de catechismus is uitgedrukt. Maar zij verstaan zijn opperste gezag en volstrekte oppermacht boven de wetten, gelijk hun akten en hun praktijk te kennen geven: want zij weigerden, aan degenen, die onwillig waren hun verbintenis te onderschrijven, dat ze daar zouden bij doen, gezag in de Heere, en wettige gezaghebbende, of gezag, gelijk uitgedrukt is in het Verbond. Maar dit opstellen van een verzoekschrift, zo het met uw hand was ondertekend, geeft aan hen de zin en mening die zij begeren. 2. Dat gezag, waarvoor zij twisten, is uitsluitend het bezworen Verbond uit; zodat, tenzij u zei, u zult zich onderwerpen aan des konings gezag in de Heere, of volgens het bezworen Verbond, zo zegt u niets tot het punt, dat in besprek is; en dat is gewis uw mening niet. 3. Al wie zozeer belooft, vreedzaam te leven onder Zijne Majesteits gezag, dat hij uitlaat de verklaring van het vijfde gebod, gelijk uw verzoekschrift doet, dezelve mag al op dezelfde grond de verbintenis onderschrijven, die de vromen geweigerd hebben; zo gaat u af van het Verbond, en u maakt al die verleden handelingen van deze kerk en staat in deze laatste jaren tot een schrikkelijk oproer; merk hoe diep de schuld gaat. Ten zesde. Een veroordelen van de Remonstranten, en dat enkel en zonder enige bepaling of onderscheiding, is een veroordelen van vele kostelijke zielen in het land, en een afgaan van de oorzaken van Gods toorn, dat is de voornaamste stof van de Remonstranten. Ten zevende. Het wordt waarlijk geloofd van de vromen, die ulieden kennen, dat u niets voor ogen hebt, dan de ontlasting van uw geweten; maar het schijnt een verlaten van uw vorig verzoekschrift aan Zijne Majesteit, als u in stilzwijgen afgaat van de eerlijke stof van dat verzoek; omdat u in uw geheel verzoekschrift niet eens zegt, dat gijlieden kunt nalaten te kleven aan dat godzalig verzoek, als zijnde uw nodige plicht. Ook wordt wel geloofd, dat gijlieden in uw verzoek beoogt het geluk van Zijne Majesteit. Lieve broeder, zegt dit uw broederen. De Heere Christus heeft uw personen een zaak vastgesteld tussen Hem en de machten van de aarde; de alleenwijze God leide u nu, wanneer Hij ulieden in het openbaar voortgebracht heeft, om zo te handelen, alsof u Jezus Christus bij u zag, hebbende het oog op u. Het is licht voor dengenen, die aan strand staan, een raad toe te werpen aan degenen, die in de zee geslingerd worden. Doch u kunt alleen door in het geloof te leven, en kracht en troost van Christus te halen, overwinnaars zijn, en recht hebben aan de dierbare beloften van de Boom des levens, van het verborgen manna, van het geven van de Morgenster, en dergelijke, die gedaan zijn aan degenen, die overwinnen; aan Wiens kracht en genade de broederen, die met mij u wensen voor de Heere gedachtig te zijn, u aanbevelen. Ik ben

      Lieve broeder, de uwe in de Heere, Samuel Rutherford
      St. Andries, 1660

       

    319. Aan mijn eerwaarde broeder, Christus’ krijgsknecht in de banden, Mr. Jacobus Guthry, dienaar van het Evangelie te Stirling
    320. Lieve broeder!

      Wij zijn zeer dikwijls getroost met het woord van de belofte; hoewel wij niet weinig ons stoten aan het werk van de heilige voorzienigheid; namelijk, dat enige aardse mensen bloeien als een groen kruid, en dat Gods volk geacht wordt als schapen ter slachting, en dat ze de ganse dag gedood worden. En nochtans zijn beiden het Woord van de belofte en de werken van de Voorzienigheid van Hem, Wiens wegen effen, recht, heilig en zonder vlekken zijn. Wat mij aangaat, als ik denk aan Gods ontfermingen, Hij mocht mijn ongeziene en heimelijke gruwelen tot het licht en tot het kruis op de markt, waar de afkondigingen geschieden, brengen, dat geen kleine smaad voor de heilige Naam en kostelijke waarheden van Christus zou geweest hebben; maar Hij heeft ze in barmhartigheid toegedekt. Hij heeft eerwaardiger oorzaken van lijden geformeerd en uitgekozen, die wij niet waardig zijn. En nu, lieve broeder, er hangt veel aan de wijze en manier van lijden, inzonderheid, dat toch Zijn kostelijke waarheden met alle hemelse vrijmoedigheid erkend en beleden worden, en dat er een reden van onze hoop gegeven worde in zachtmoedigheid en vrees, en dat de koninklijke kroon en volstrekte oppermacht van onze Heere Jezus Christus, de Vorst van de koningen van de aarde, bevestigd en beleden worde, gelijk het betaamt. Want het is zeker, Christus zal heersen als des Vaders Koning, op de berg Zion; en Zijn bezworen Verbond zal niet begraven worden. Wij willen niet loochenen, dat eerst onze praktikale verbreking van het Verbond, en daarna onze verbreking ervan door een wet, door een acte te maken voor die gruwel, en die tot een wet te vormen, onze zoetste Heere zwaar kan tergen. Doch daar zijn enige weinige namen in het land, die hun klederen niet besmet hebben, een heilig zaad, waarover de Heere Zich zal ontfermen, gelijk de vier of vijf olijfbeziën op de top van de geschudde olijfboom; hun oog zal wezen naar de Heere hun Maker. Acht het niet vreemd, dat de mensen beraadslagingen tegen u nemen, ‘t zij van uitbanning, doch de aarde is des Heeren, ‘t zij van eeuwigdurende gevangenis, doch de Heere is uw licht en vrijheid, ‘t zij van een geweldige en publieke dood want het Koninkrijk der hemelen bestaat uit een schoon gezelschap van verheerlijkte martelaren en getuigen, van welke Christus de voornaamste Getuige is, Die om diezelfde zaak was geboren en in de wereld gekomen. Welgelukzalig bent u, indien u aan de wereld getuigenis geeft, van dat wij Jezus Christus verkiezen boven alle machten; de Heere zal de onschuldigheid en christelijke getrouwheid van Zijn gelasterde en gesmade getuigen in dit land doen schijnen tot in de volgende geslachten; Hij zal de mannelijke zoon tot Zichzelf en tot de troon opnemen, en voor de moeder een verbergplaats in de woestijn bereiden, en de aarde de vrouw te hulp doen komen. Wees niet verschrikt; murmureer niet; vergeef uw vijanden, zegen en vloek niet; al zwegen u en ik beiden, zo is er toch een droevig en zwaar oordeel en verbolgenheid van de Heere, dat de ontrouwe wachters van de kerk van Schotland te wachten staat. De zielen onder het altaar roepen om recht, en daar is al reeds een antwoord gegeven; het heil des Heeren zal niet vertoeven; werp de last van vrouw en kinderen op de Heere Christus, Hij zorgt voor u en voor hen. Uw bloed is kostelijk in Zijn ogen. Laat de eeuwige vertroostingen van de Heere u ondersteunen en hoop geven: want uw zaligheid, indien ook niet uw verlossing, is besloten.

      Uw eigen broeder, Samuel Rutherford

      St. Andries, 15 febr. 1661

       

    321. Aan Mr. Robert Campell

    Eerwaarde en lieve broeder!

    U weet, dit is een tijd, waarin alle mensen bijna ‘t hunne zoeken, en niet de dingen die van Jezus Christus zijn. U bent nu alleen, als een baak op de top van een berg: maar verflauw niet; Christus Zelf is een talrijke menigte miljoenen. Al waren al de volkeren van rondom tegen Hem vergaderd, zo twijfel toch niet, of Hij zal eindelijk opstaan, wegens ‘t geroep van de armen en nooddruftigen. Wat mij aangaat, ik ben nabij de eeuwigheid, en Ik zou om tienduizend werelden niet durven beproeven, om af te gaan van de betuiging tegen de verdorvenheden van de tijd, noch meegaan met de schaamteloze afvalligheid van de menigte stilzwijgende en stomme wachters van Schotland. Maar ik acht het mijn laatste plicht, een betuiging te gaan doen in de hemel voor de rechtvaardigen Rechter, tegen de verbreking van ‘t Verbond door praktijk en wet, en tegen al de opgelegde Beden, op het geweten van het volk van de Heere gelegd, en tegen al de paapse, bijgelovige en afgodische bevelen van de mensen. Weet, dat nu de omstoting van de gezworen hervorming, en het invoeren van ‘t pausdom, en van de verborgenheid der ongerechtigheid, in de drie koninkrijken in ‘t werk gesteld wordt, en al degenen, die hun klederen graag rein hielden, zijn onder dat gebod: raakt niet, smaakt niet, vat niet aan. De Heere roept u, lieve broeder, om voorts standvastig, onbeweeglijk, overvloedig in ‘t werk des Heeren te zijn. Onze koninklijke en Vorstelijke Meester is op Zijn weg, en zal niet vertoeven, en zalig is de dienstknecht, die wanneer Hij komt zal wakende bevonden worden; vrees niet de mensen: want de Heere is uw Licht en Behoudenis. Het is waar, ‘t is wat droevig en troosteloos, dat u zo alleen bent; maar zo was het ook met uw dierbare Meester; ook bent u niet alleen: want de Vader is met u. Het is mogelijk, dat ik geen ooggetuige daarvan zal zijn in de vlees; doch ik geloof, Hij komt haastelijk, Die onze duisternis zal opklaren, en op een heerlijke wijze schijnen zal in het eiland van Brittannië, als een gekroonde Koning, hetzij in een formeel bezworen verbond, hetzij op Zijn Eigen heerlijke wijze, dat ik aan de bepaling van Zijn oneindige wijsheid en goedheid laat; en dit is de hoop en ‘t vertrouwen van een stervend man, die verlangt en snakt naar de zaligheid Gods. Wacht u voor de verstrikkende bekentenissen en verbintenissen door enig handschrift, of op enige andere wijze, van te zullen geven onbepaalde gehoorzaamheid aan enige oppermacht, dan alleen in de Heere. Want men heeft nu voor ten uiterste omver te werpen en te veroordelen alle onnozele zelfbescherming, die nochtans is naar het Verbond, naar ‘t Woord Gods, en naar het prijzenswaardig voorbeeld van de gereformeerde kerken. En ‘t geen van Christus afgenomen wordt, als zijnde de bloem van Zijn koninklijk voorrecht, dat wordt nu gesteld op het hoofd van een sterfelijk bestuurder, dat dan moet zijn dat grote beeld van ijver, dat de ogen van zijn heerlijkheid tergt. Lieve broeder, laat ons denken aan de rijke beloften, die gedaan zijn aan degenen die overwinnen, wetende dat degenen die ten einde toe volharden, zullen zalig worden. Aldus u aanbevelende aan de rijke genade van God, blijf ik

    Uw toegenegen broeder in Christus, Samuel Rutherford

    St. Andries, 1661

     

  6. Brief van de synode van Londen, aan de predikanten van Nederland
  7. N.B. De navolgende brief is wel niet afzonderlijk van Mr. Rutherford alleen ingesteld, maar zijn adem heeft er nevens anderen overgegaan, en hij spreekt er ook in nevens zijn mede-afgevaardigden. Het is een brief, die de grote en vermaarde Synode te Westminster in het jaar 1644, op bevel van ‘t Parlement van Engeland, door haar afgevaardigden heeft doen schrijven aan de predikanten van Nederland, teneinde dat door middel ervan, de inhoud daarvan zou komen tot al de gelovigen van ons land. Doch tot op deze dag heeft men, immers zoveel mij bekend is, dat kostelijk juweel nooit in ‘t licht gegeven. Doch de Zeeuwse kerken van het eiland Walcheren, dat ik tot haar billijke lof en roem graag verhaal, hebben door haar afgevaardigden op een zeer beweeglijke en christelijke wijze in een Latijnse brief daarop geantwoord, die gedrukt staat voor aan het boek van Guielmus Apollonii, predikant te Middelburg, genaamd: "Consideratio quarundam Controversiarum", enz. Het is in een bijzondere voorzienigheid Gods geschied, dat mij deze Synodale brief, met de eigen handen van de Deputati Synodi ondertekend, is ter hand gekomen, door een die ze had gevonden, ingelegd in een van de verkochte boeken van de Professor Scotanus te Franeker. Ik dacht, dat het niet onnut noch ontijdig was die nu bij Rutherfords brieven aan de dag te brengen, omdat hij nevens de andere gedeputeerden van de Synode, daarin tot de Nederlandse leraars en kerken spreekt; en omdat daardoor nadere opheldering en bevestiging wordt gegeven, van ‘t geen Rutherford in deze brieven zo dikwijls vermeldt, en met vele klachten aanhaalt van de snode handel van de bisschoppen, van hun opdringen van menselijke vonden, feestdagen, formulierdienst, plechtigheden, enz. De Synode zond ook nevens deze brief een afschrift van dat heerlijk plechtig verbond van de drie koninkrijken, hetwelk ik niet nodig achtte, hierbij te voegen, hebbende over ettelijke jaren het gesteld in de "Punten van Hervormingen", waar het te lezen is. Deze brief stel ik hier eerst in ‘t Latijn, waarin hij oorspronkelijk geschreven is, en daarna in het Nederlands, zonder enige verandering.

     

      1. Reverendi admodum Viri, et Fratres in Christo dilectissimi
      2. Nos Theologi, Caeterique, quos authoritas jam sedentis in Angliae Parliamenti coegit in Synodum, una cum eis quos e Scotiae delegavit Conventus Ecclesiae Generalis; Vos, quae decet observantiae, salutamus in Domino. Diu est ex quo credidimus calicem hunc, quem epotandum vindex Dei manus exhibuit, ac omne genus calamitates, sub quarum on ere ingemiscit, et tantum non obruta est nostra Brittannia, vestris auribus insonuisse.

        Quinimo, cum ministris Satanae nihil antiquius quam (cum fraudibus et mendaciis ubique quaerunt sui sceleris patrocinium) aliorum conatus, pro repurgandae quam pollutum eunt Ecclesiae, tuendaeque quam proculcant libertate, ubique gentium defamare; fieri potest ut, per suos emissarios, nos etiam pinxerint apud vos quovis Aethiope nigriores. Veremur itaque, ne ob altum hactenus silentium de genuino, utut miseto, rerum Anglicarum statu, tum nostrae ipsorum innocentiae, tum vestrae omnium expectationi defuisse videamur. Sed date quaesumus, fratres charissimi, tremoris poculo pene ad stuporem ebriis, et summis cum augustiis ad hanc usque horam indies luctantibus veniam date, si in officio vobis tam debito, nobis tam necessario fuimus justo tardiores.

        Liceat aliquando tandem onusta pectora in amicos sinus exonerare; repetere liceat illatam ab Antichristi asseclis Regno olim florentissimo cladem dicamus, an internecionem? Illi, illi sunt, qui post multa Reformationis inpedimenta, multa Papatus Lenocinia, ad id virium pervenerunt, ut nisi praesto nobis sit, et in praesidiis Omnipotens Pater (cujus nec judicia methodum, nec miserationes numerum habent) stare videtur in procinctu B " < @ 8 , 2 D 4 " .

        Quantum aliquot retro lustris ista Viperarum progenies ad ruinam aliarum, quae Reformatae merito audiunt, Ecclesiarum ex industriae contulerit; quid ei Palatinatus eversus, quid prodita perditaque hupella debuit; quam ingeniose fovit et auxit calamitates, quibus interim medicam manum adhihere visa est; adeo vos ad unum omnes partim ratio, partim vero sensus edocuit, ut nostro non opus sit eloqulo. Pariter et latere neminem arbitramur odium pene Vatinianum, quo vos id genus hominum prosequi amat, dum ex eis plurimi vestris omnibus ausi sunt locum et sortem inter Ecclesias Jesu Christi denegare: quoniam scilicet Praelatura facit Ecclesiam, Pontificatus (si fas dicere) proprii nominis Ministerium. Certi sumus apud nos in tribus hisce regionibus eo usque profecisse Sceleratissimam factionem, ut qui cuncta pontificiae religionis incrementa, purae deliquia, velit persequi, scribat oportet non epistolam, sed volumen. Ecquid enim est hujusmodi, quod non tentavit aliquoties? Imo quod non ex alignae parte perpetravit? Argumenta nobis sunt ad manum nimis, heu nimis, multa. Bonarum legum, quas adversus Pontificios patres nostri sanciebant, foeda suspensio; Iudicum, ne in mortis reos Sacerdotes aequam verrent sententiam, inigua satis Prohibitio; Iesuitarum e suis carceribus liberatio; Coennobia, non Hiberniae tantum, sed et Angliae, tolerata, posiquam nostratibus extera quaeque seminaria satis impune replevissent; Papistarum Corypaei, vel invitis legibus, tam perspicuis, tam numerosis, in ipsam Aulam, ipsa dignitatum culmina conscendentes; alii vero summiae donati impunitate, dum, qui eos in jus vocabunt, atro digni carbone censebantur; Missi hinc trans Alpes Mandatarii; et ab ipsue Romae recepti Nuncii, quibuscum etiam agitate sunt consilia; Romae denique addictissimi in gratiae gabiti, dum ministris Euangelii, et ejusdem Zelotis, persecutionumonus incubuit Aetnae gravius.

        Erant autem haec in propatulo, sole (quod aiunt) meridiano clariora. Unde factum est, ut coeperint unae cum Praesulibus Presbyteri, quos Circe Latialis incantaverat, eodem fermento populum inbuere; totum fere Papismi loliem (si primatum excipiatis) per totam Angliam seminare; novos in cultu ritus inducere; plebem ad superstitionem impellere; reluctantibus dicam dicere; se vero, illi qui pietatem lucro aestimant, in Romani Pontificis gremium recipere. lnterea temporis obturata sunt eis ora, quibus natis in Italiae Ceremoniis obtemperare religio erat; aut recitare nequam Libellum, eum nempe per quem populus docebatur ludis nullo die licitis (si recte judicent Ecclesiae quas nos Reformatas dicimus) ipsum diem Dominicum temerare. Quid memoremus multa millia, qua Pastorum, qua piorum e populo, qui exilium has ob causas vel subire coacti sunt, vel eligere? quorum aliquibus remotissimae finis Americae, nonnullis vestrae ditiones, gratum hospitium praebuere. Viciniora lubet attingere: eo ventum audaciae, ut Scotiam adorti sint universam ariete novo, Libro scilicet uno Liturgiam, altero Canones Ecclesiastos, utroque farraginem Ceremoniarum Rituumque Romanensium continente. Hosce cum pro solita suae pietate Gens illa rejecerat Regiae prohdolor! Majestati persuasum eunt, non solum laesae Majestatis Crimen inurere, sed et in suam Gentem ingentem exercitum illico ducere; qui alendo tota factio Papicolarum opem simul, et opes non aperte minus, quam abunde, contulit. Quod si non ivisset obviam Summi Numinis providentia, Scotorum Copiis militaribus aspirando, illatasque eis injurias in apricum proferendo; si non obstitisset tanto facinori, Comitia haec Parliamentaria tam opportune convocando, ut fratrum suorum innocentiae consulerent, et Regnorum paci; versa dudum fuisset nostra Britannia in Aceldama, et in fraterno alterius sanguine Natio altera triumphasset. Hoc enim male feriatis in animo, hoc in votis fuit. Sed visum est Deo Optimo Maximo publicis utriusque populi tum consiliis, tum rebus gestis, sic addeste, ut Regna vidimus ferruminata, quae isti divisa voluerunt. Quin et Angliam fere universam paenitendi Spiritus occupaverat, et ad statum meliorem anhelandi: Senatores praesertim honoratissimos ad domum Domini resarciendam, repurgandamque cupido invaserat logo piiSima. Atque hinc nil pene aliud, quam abeuntem procul hyemem, quam salutem una cum pace reducem sparare miseri coeperamus.

        At enim verb (quod proferre nefas est fine novo gemitu) alind nobis, heu longe alind, in fatis erat: siquidem noster ille Deus, qui rodentem sensim tineam prius egerat, rugientem nuger Deonem induit. Id quod nos horrendae peccatorum mole promeriti sumus. quin et, si ad interitum jusque pessundemur, illius Justitiam celebrabimus, virgam excepiemus osculo, manum denique salutiferam praestolabimur.

        Ut ut furit, sciat Orbi Christianus, eandem plane factionem, quae priorum mater audiit, novissimarum etiam cladium Genetricem extitisse. Non eam res adversus Scotiam male gesta, non praesentium Comitiorum fixa Reformandi sententia, vel hilum ab incepto deterruit: quin animos sibi sumpsit nuperrime, et fecit progressus multo quam ante hac ampliores. Nimium est, quod excitarunt in Hiberniae Rebellionem omnium, quas Sol unquam vidit, atrocissimam; utpore in quae (si Papistis eae de re gloriantibus fides adhibenda sit) ex unae Provinciae idque intra paucos menses, Protestantium plusquam Centum millia ceciderunt.

        At multo majus, quod in Angliae serenissii Regis animum a summo ipsius fidelissimoque Concilio alienum reddidere, postquam eorum primipilaribus, pro eae quam meruere furca, non nisi virgam ostendisset, quod ei persuaserint (post conatum, in ipso Senatu egregios aliquot Senatores per armatos satellites prehendendi) semet a Parliamento subducere, imo et exercitum cogere. Qui quidem exercitus, ut in tanti mali primordiis prae se ferre voluerunt, e solis confiari Protestantibus videbatur: quamquam tunc etiam temporis nihil Papicolis, quibus abdita consiliorum patuerunt, fere solennius. Quam et hic et alibi Gentium preces fundere, ut foelix id esset operis, saustumque, quod in bonum Causae Catholicae gerebatur in Angliae; quam profiteri, delitendum suis esse donec nostrae Religionis homines (si modo nostrae, si ullius Religionis sint) se rebus hisce immiscuissent absque ullae regrediendi spe; tunc opportune prodeundum. Cui sane consilio respondit Eventus. Postquam enim sub specioso Regiae Praerogativae, Priviligiorum Regni, et pruissimae Religionis praetextu; bellum et arma spirare coeperant specie tenus Protestantes (quorum tamen magna pars ante hos tumultus, praeter minoris notae crimina, perduellionis rea peragebatur; alii se non minus obnoxios sentiebant, queis accenseri merito debent vitiosi cum suis discipuli Clerici) statim Papistae (quibus hactenus nulla vis ab excertitu Regio illata est, Protestantibus interim etiam minus Causae nostrae favintibus, dira passis) ad arma capienda Regio diplomate; et promissis, solvendi, si deperderentur, armorum precii animantur; e primariis nonnulli ad praefecturas acciti sunt; tota denique gens pseudo-Catholica junctis viribus, suae gaudens superstitione usque ad ipsius Missae in loco non uno exercitium; et e partibus transmarinis (quibus vanis nulliusque fidei argumentis illuserant) opibus instructa, acmilitibus nec non omni apparatu bellico, in omnes verae pietatis et augusti Senatus asseclas, depraedando, spoliando, trucidando, immane quantum grassata est undique!

        Quae prima cluet apud nos et suprema Curia, cum persentisceret vafra haec instrumenta Nequitiae ab, ipsis merito intentatae, legem nostrarum severitate semet armatae vi protegere ac consilia longe pessima promovere; pro ea qua posset vigilantia, Classem una cum Regni propugnoculis in tuto ponere; legi etiam et libertati, sed ipsi draesertim Religioni quae omnes in acie quasi novaculae sitae erant) quam fieri potuit mature consulere nisa est. Coeterum ea se exeruit in hostibus nostris fucanda astutia (vel ea potius in irato nostro Patre, ob sequiorem longae pacis usum justa severitas) ut nondum nobis datum sit supplicantibus licet aliquoties, et Remonstrantibus, qua par erat animorum demissione, et dictorum veritate, Sacratissimam Domini Regis Majestatem e sceleratis eorum manibus vindicare; vel eis, quae jure debitre sunt, poenas infligeae: quin adhuc grassatur gladius, Anglorum saginatus carne, ac sanguine inebriatus gladius. Et, nequid nostratum forte miseriarum deesse cumulo videretur, haud ita pridem affecerunt, ut barbarus ille, et truculentes in Hibernis perduellionum coetus, non solum titulo, Subditorum Romano-Catholicorum nunc in armis etc. cohonestetur: sed et obtineat (cum redacti essent ad incitas) Regia scilicet indulgentia (praeter duodecim mensium inducias) quod nacti sunt potestatem retinendi; libertatem armorum cum pecunia alinude procurandi; quin etiam ipsius Majestatum, per se aut per Nuntios, adeundi: quo paratiores sint, tum illic protestantium reliquas excindere, tum huc confluere (uti coeperunt) ad eandem inter nos carnificinam exercendam, sub qua tantopere fratres alibi gemuerunt.

        Haec fundi nostri calamitas est, hicstatus Reipublicae. Eccam autem, in medio tot procellarum, ab honoratissimis itriusque Domus Parliamenti Senatoribus convocatam hanc Synodum, ad Templum Domini suis consiliis instaurandum, tuendamque Religionis puritatem; Cui, pro Norma, sacrum Canonem; et, post Dei gloriam, cum Ecclesiis optime reformatus conjunctissimam unionem, ac cultum in tribus hisce Regnis quam fieri potest uniformem, pro scopo esse voluerunt. Sed et erga nos misellos, dum huic negotio toti incumbimus. serennissimi Regis animum irritarunt adversarii. Caeterum erigento nos, et adjuvante manu Christi, (cujus hoc opus est) fudamentum qualecunque laeti posuimus, Effati prophetici non immemores, Quis tu, cui parvorum dies est despicatui?

        Atque sic tandem (Fratres multis nominibus reverendi simul et diligendi) miserandam vobis rerum Anglicarum faniem vel umbram potius, exhibuimus, (faciem enim quis depingere potis est) jura pene deperdida, bona direpta, domus expoliatas, et effusum ubique sanguinem, ne nunc alia licet charissima memoremus. Si prosterni velit Deus, si proculcari sub hostium pedibus nostra corpuscula, fiat, fiat voluntas Domini. Modo evenire posset, ut quae adhuc reliqua est Christi Ecclesia a furoribus Antichristi cruore nostre redimeretur, quam eum prodige, quam libentur funderemus? Sed, quod fidei Protestantium, ubicunque demum sint, quod universis Christi sanctis periculum, illud, illud est, quod nos angit unice; Sequidem inesle novimus inimicis iram plaue inextinguibilem, et quae nequaquam nostro sanguine satiabitur: nec enim contro nos accunditur qua peccatores, sed qua veritatis pedissequi sumus, et amassii puritatis, ad quam anhelamus indies. Quodsi nos eis Deus in praedam semel tradiderit, O quam horrendas statim tenebras subituri sunt, quam arcta vincula, quot-quot Bestiae Characterem repudiabunt in afflictis hisce ditionibus! Nec illic tantum, sed et alibi per Ecclesias in Europa Reformatas idem proculdubio facinus aggredientur. In competo vobis est, quanta Bestiae ascendenti ex abysso, quanta Mulieri Martyrum inebriatae sanguine, ante fatalem ipsius exitum, adversus chorum illum virgineum Agni sequacem, futura sit indignatio.

        Quod ad Gentem attinet et Ecclesiam Scoticanam; fuerunt quidem illae ad extinguendum hasce, tam praeter modum, praeter naturam, ardentes flammas paratissimae: post humillimas supplicationes, Remonstrantias et declarationes, quibus Regiam Majestatem interpellarunt; se tandem etiam Mediatrices obtulerunt pro pace fratribus consilianda: postguam vero ista omnia susque deque habita sunt, contraxerunt publicum foedus cum Ecclasia et Gente Anglicana. Quin et pro salute utriusque Nationis; ac quam nutraque prositetur Religionis a communi hoste inpetitae; proque custodia, quamtum in eis situm est, nativi cum suis Regnis Monarchae (pro ut legere est in Declaratione nuper edita, inque trium Regnorum solenni Foedere; per quae sane scripta sapientibus, et erga Christum haud male afrectis, quid eis in animo sit, constare potest lucidissime) ad arma confugere, et fraternis copias sua adjungere statuerunt. Nos etiam praeterea, quoniam id magnus Angliae Senatus expetiverat, Delegatos suos huc miserunt, quo melius eadem utrobiquae cultus forma promoveretur. Nobus autem (qui hac legatione fungimur) vix ullum jucundius spectaculum, quam oculis nostris jacta cernere, non in resolum fidei, sed in Ecclesiae quoque Regimine, Domus Dei fundamenta, per tam Sapientum, eruditorum, piorumque Theologorum conventum vere reverendum. Ac proinde officii nostri esse duximus (praesertim post initum foedus, quo nos ad id muneris obstrictissimos judicamus) una cum illis, remotiores Christi Ecclesias, de praesenti Anglorum conditione, certas facere; ut in posterum, qua erroribus qua imposturis eatur obviam.

        Quid jam superest? Nisi ut, in isto rerum praecipitio runam nobis unuversalem minitante, vos obfecremur (Fratres charissimi) primo ut nostra omnium miserias, nec non aequam et som junctam cum innocentia nostrimet defensionem felitis in aequa judicii lance trutinare, si nobis ubique adversarii inurant Rebellionis stigmata, dum Regem debito principatu spoliare, et anarchiam in Ecclesias inducere velle criminantur; Nulli profecto dubitamus, quin ab istis nos opprobriis (quibus nihil unquam falsius pater ille Mendaciorem commentus est) quae sancte protestati sumus in nupero foedere (cujus apographum una mittimus hisce cum literis vobis humiliter offerendum;) abunde satis vindicabunt. Sin autem exorti quidem sunt filii Belial, qui adversus immerentes Dei Vicarium irritaverunt; si abusi Regio nomine simul et potestate id agunt unice, ut immunis ipsi sint a suppliciis, quibus dignos som Regni Tribunalia judicascent, ut arbore possint alios libertatibus, privileglis, vita, imo ipsa (quod Caput omnium est) Religione; si, quae nos arripulmus, arma non alio sumatur fine, quam ut nostra nobiscum tueamur ab in justa violentia (quod et vestrum nonnullis aliquoties contigifle merito credimus;) haec si ita se habeant singula, judicet inter nos et illos qui mundi habenas moderatur justus Dominus; cujus perinde opem poscimus, ac ista sincere sunt a nobis et veraciter allegata: Liceat interim apud Fratres, quos salutat, haec Epistola, delectissimos innocentiae nostrae testimonium et in sacris eorum coetibus, quandocunque opus fuerit, Apologiam obtinere. Dein vestram nobiscum eadem in causa patientibus, ob quam ipsidura olim imo dira sustinuistis, sympathiam postulamus. Esset enim Laborantibus et dolentibus nerquam magno refrigerio, si daretur, inter irati Patris verbera, fratrum viscera persentiscere: si quse Domino Jesu Christo in deliciis sunt Ecclesiae, memores quod et ipsae in corpore, nos ut ejusdem Christi domesticos tam diligere, quam agnoscere, dignarantur.

        Denique vos obstestamur, Fratres, ut sicut Anticristi mancipia causam cui patrocinantur adversarii, suam judicant, ac ei proinde oleum pro virili impendunt et operam, ita et vobis cordi sit, quam nos tuemur: enim vero commune periculum est: nec post nostrum excidium licebit vobis salutem dintinam exspectare; quippe hostibus non cum personis tantalis, quanta cum pietate, cum verbo Dei; quaecunque demum Regio sit, in qua illam coruscare, hoc autem dominari sentiant. Modum quod spectat; et media nobis opitulandi, id totum quantum, quantum sit, Vobismet relictum omnino volumus. Unicum est quod neutiquam sane possumus non emendicare, nimirum preces, qua publice, qua privatim, ut auditor precum Deus post confracta carnis brachia (quibus soliti sumus niruis, ah nimis, confidere) ipse se nobis falutiferum exhibeat; redeat cum pace veritas, ut fiat e tridus hisce Regnis Lignum unum in manu Domini; Nos autem viles operarii, ob inquinamenta pristina pudore suffussi (quibus incumbit nihilominus in tempestate lucuosa Templi instaurandi labor) ut ipsi figuram Domus integram advertentes, Architectis nostris (quorum quilitet dignus est qui Zerubbabel audiat) id cossimus exemplaris ob oculos ponere, quod sacris Literis, quod optime constitutie Ecclesiis, quod in re Cultus et fidei communi Britannorum concordiae erit maxime consentaneum; porro ut in planitiem eat omnis Mons. Et qui nunc in manibus nostris perpendicululu intuentur, cum positum viderint summum Lapidem, qua per est alacritate, Gratia, Gratia, nobiscum acclament.

        Haec sunt de quibus de vestras Reverentias, et per easdem omnes (quorum curam geritis) Christi fidelis a nobis edoceri voluerunt Augusti hujus Regni Senatores: Quorum, ut etiam nostro ipsorum nomine Vos per Christum salvete, et valere ex animo precamur.

        Vestris Reverentiis addictissimi in Christo Fratres,
        Gulielmus Twissus, Polocutor
        Cor Burges, Assessor
        Johan. White, Assessor
        HenHenricus Robrough, Scriba
        Adonibam Byfield, Scriba

        Westmonasterii, 29 januarii 1644

        Metellan, Alex. Henderson, Samuel ruthrford, Rob. Baillie, Geor. Gillespie,
        Ecclesiae Sentiaana Delegati

         

      3. Zeer eerwaarde mannen, en zeer geliefde broeders in Christus

    Wij Theologen en anderen, die door de overheid van het nu zittende Parlement in Engeland tot een Synode vergaderd zijn, samen met degenen, die de Algemene Vergadering van de Kerk uit Schotland heeft afgezonden, groeten ulieden met alle behoorlijke eerbiedigheid in de Heere. Wij hebben reeds lang geloofd, dat die beker, welke de wrekende hand Gods ons heeft gegeven uit te drinken, en allerlei zwarigheden, onder wiens last ons Brittannië zucht, en bijna verzonken is, in ulieder oren geklonken heeft. Ja, wat meer is, omdat de dienaren van de Satan niets algemener is, dan, terwijl zij overal door bedriegerijen en leugens bescherming voor hun boze stukken zoeken, de pogingen van anderen, om de Kerk te zuiveren, die zij verontreinigen, en de vrijheid te beschermen, die zij met voeten treden, op alle plaatsen zwart te maken, zo kan ‘t gebeurd zijn, dat zij door hun uitgezondenen ook ons bij ulieden op het allerlelijkst afgeschilderd hebben. Zo vrezen wij dan, dat wij wegens ons tot nog toe diep stilzwijgen aangaande de rechte, hoewel ellendige, staat van de zaken in Engeland, eensdeels onze eigen onnozelheid, anderdeels ulieder aller verwachting niet voldaan hebben. Maar vergeeft het, dat bidden wij, zeer lieve broeders, aan ons, die door de beker van de bezwijming bijna tot verbazende ongevoeligheid dronken zijn, en met de grootste benauwdheden dagelijks tot op deze ure worstelen, vergeeft het, zo wij in een plicht, die wij ulieden zo schuldig zijn, en die ons zo nodig is, al te traag zijn geweest.

    Laat het ons eindelijk eens geoorloofd zijn, onze volle borst in de schoot van de vrienden te ontlasten; laat ons toe te verhalen, wat slag, of zullen wij zeggen dodelijk verderf? de aanhang van de antichrist dit eertijds zeer bloeiend koninkrijk heeft toegebracht. Zij, zij zijn het, die na vele hinderpalen gelegd aan de hervorming, na vele afhoereringen naar het pausdom, eindelijk zo sterk geworden zijn, dat indien de Almachtige Vader ons niet nabij is, en beschermt, Wiens oordelen van ondoorzoekelijke orde, en Wiens ontfermingen ontelbaar zijn, zo schijnt een geheel verderf ophanden te staan.

    Hoeveel dit adderengebroedsel ettelijke vijf jaren herwaarts tot de ruïne van andere kerken, die met recht gereformeerde genoemd worden, met opzet toegebracht heeft; wat de geruïneerde Paltz, en het verraden en verloren Rochel aan hen schuldig is geweest; hoe gauw het de zwarigheden heeft gevoed en vermeerderd, die het ondertussen de genezende hand scheen te lenen; dat heeft ulieden allen tezamen ten dele de reden, maar ook ten dele ‘t gevoelen zowel geleerd, dat ons spreken daartoe niet nodig is. Insgelijks oordelen wij dat voor niemand onbekend is, de bijna dodelijke haat, welke die soort van mensen ulieden toedraagt, terwijl de meesten ervan aan al ulieder Kerken hebben durven een plaats en deel onder de Kerken van Jezus Christus weigeren, omdat namelijk het bisdom de kerk maakt, en het priesterschap, zo men ‘t mag zeggen, de eigenlijk genoemde predikdienst. Wij zijn verzekerd, dat die ondeugendste partij zover bij ons in deze drie rijken toegenomen is, dat zo wij al de aanwas van de paapsen, en het afnemen van de zuivere godsdienst ten volle zouden willen verhalen, wij niet een brief, maar een boek zouden moeten schrijven. Want is er wel iets zodanigs, dat zij niet ettelijke malen heeft ondernomen? Ja dat ze niet in enig deel uitgevoerd heeft? Wij hebben, helaas, al te veel bewijzen daartoe bij de hand; de snode opschorting van goede wetten, die onze vaders tegen de papisten maakten; het genoegzaam onrechtvaardig verbond van de rechters, opdat ze geen rechtvaardig vonnis zouden vellen tegen de doodschuldige priesters; de bevrijding van de Jezuïeten uit hun gevangenissen, het verdragen van de kloosters niet alleen van Ierland, maar ook van Engeland; nadat ze allerlei buitenlandse kweekscholen met onze inboorlingen gevuld hadden. De belhamels van de papisten heeft men in weerwil van de wetten, die zo klaar en zo machtig velen zijn, zelfs in het hof, en tot de hoogste waardigheden laten opkomen, en anderen zijn begiftigd met de hoogste onstrafbaarheid, terwijl degenen, die hen voor ‘t gerecht riepen, als een zwarte kool waardig, gevonnist werden. Men heeft van hier over de Alpen gelastigden afgezonden en van Rome zelfs zijn er boden ontvangen, met welke ook raadplegingen gehouden zijn; eindelijk dezulken die Rome allertoegenegenst waren, zijn begunstigd; terwijl de dienaren des Evangelies, en de ijveraars daarvoor, de allerzwaarste last van vervolgingen zijn opgelegd.

    Deze dingen nu waren openbaar, en klaarder, gelijk men spreekt, dan de middagzon. Waardoor het gebeurd is, dat de predikers samen met de bisschoppen, die de Italiaanse boeleerster betoverd had, begonnen zijn ‘t volk dezelfde zuurdesem in te planten, en bijna het gehele onkruid van ‘t pausdom, indien u de pauselijke oppermacht daar uitneemt, door geheel Engeland te zaaien, nieuwe plechtigheden in de godsdienst in te voeren, ‘t gewone volk tot bijgeloof aan te drijven, de weerstrevenden proces aan te doen, en zichzelf, namelijk zij die menen dat godzaligheid een gewin is, in de schoot van de roomse paus te begeven.

    Ondertussen zijn de monden gestopt geweest van diegenen, die gewetenszaak maakten van de plechtigheden in Italië geboren, op te volgen, of dat ondeugende boek te lezen, namelijk waardoor het volk geleerd werd, met spelen, die op geen dag geoorloofd zijn, indien de Kerken, die wij gereformeerden noemen, recht oordelen, zelfs ‘s Heeren dag te verontheiligen. Wat zullen wij verhalen van vele duizenden, zowel leraars als godzaligen onder het volk, die om deze oorzaken gedwongen zijn ballingschap te ondergaan, of te verkiezen? Aan welke enige de eindpalen van het vergelegen Amerika en aan ettelijke andere de plaatsen van ulieder gebied een aangenaam verblijf gegeven hebben.

    Ons lust, nadere dingen aan te roeren. Men is tot die stoutheid gekomen, dat ze geheel Schotland met een nieuwe muurbreker aan boord zijn gekomen, te weten, met een boek bevattende een Liturgie, en met een ander, begrijpende kerkelijke Canones, beide vervuld met een mengelmoes van roomse plechtigheden en kerkgewoonten. Wanneer dat volk die boeken, naar hun gewone godzaligheid, had verworpen, gaan ze zijn koninklijke majesteit, helaas! daartoe overhalen, dat hij hen niet alleen schuldig verklaart aan de misdaad van gekwetste majesteit, maar ook terstond een zeer groot leger tegen zijn eigen volk op de been brengt, om hetwelk te onderhouden de gehele partij van de paapsgezinden, hun hulp tegelijk, en hun middelen niet minder openlijk, als overvloedig toegebracht heeft. Indien de voorzienigheid des Allerhoogsten niet was uitgekomen, door de krijgsmacht van de Schotten kloekmoedig te maken, en het ongelijk hen aangedaan, in ‘t openbaar te brengen; indien die niet dit grote en snode werk tegengestaan had, door deze Parlementsvergadering zo tijdig samen te roepen, opdat ze voor de onnozelheid van hun broederen, en voor de vrede van de koninkrijken zouden zorg dragen, ons Brittannië zou reeds lang omgekeerd zijn geweest in een Akeldama, en de ene natie zou in de andere zijn broederbloed getriumfeerd hebben. Want dat hadden die ondeugende mensen in de zin, dat was hun wens. Maar het geliefde de Allerhoogste en goedertierenste God, zodanig de openbare raadslagen en handelingen van beide die volkeren nabij te wezen, dat wij de koninkrijken nu aaneengehecht hebben gezien, die zij willen verdeeld hebben; ja er was bijna op geheel Engeland een geest van bekering, en van naar een beter staat te snakken, gekomen. Inzonderheid hadden de HoogEerwaarde Raadsheren een zeer godzalige begeerte bevangen, om het huis des Heeren te verbeteren, en te zuiveren. En daaruit hadden wij ellendigen bijna niet anders begonnen te hopen, dan dat de winter ver voorbij ging, en dat het welvaren met de vrede samen wederkwam.

    Maar waarlijk, ‘t geen wij niet mogen zeggen zonder nieuwe zuchtingen, voor ons was wat anders, helaas! vrij wat anders bestemd; want die onze God, die tevoren ons als een allengs invretende mot was geweest, heeft onlangs de gedaante van een brullende leeuw aangenomen; ‘t geen wij door de schrikkelijke menigte van onze zonden verdiend hebben; ja ook, indien wij tot de ondergang toe met voeten vertreden worden, zullen wij Zijn gerechtigheid roemen, Zijn roeden zullen wij kussen, en eindelijk Zijn heilbrengende hand verwachten.

    Hoe het ook zij geweest, laat de christenwereld dit weten, dat diezelfde partij, die de moeder is geweest van de vorige ruïnen, ook de voorbrengster is geweest van deze laatste ellenden. Noch haar ondernemingen tegen Schotland, noch het vastgestelde voornemen, van de tegenwoordige Parlementsvergadering om te hervormen, hebben haar in het minst niet van haar aangevangen werk afgeschrikt; ja zij hebben zeer onlangs nieuwe moed genomen, en veel wijder vorderingen dan tevoren gemaakt. Het is te veel, dat ze in Ierland de allerwreedste opstand verwekt hebben, boven allen die ooit onder de zon zijn geweest: als in dewelke, indien men papisten, over die zaak roemende, geloof mag geven, uit een provincie, en dat binnen weinige maanden, meer dan honderdduizend protestanten gesneuveld zijn.

    Maar ‘t is veel meer, dat ze in Engeland ‘t hart van de goedertierenste koning vervreemd en afkerig gemaakt hebben van zijn allergetrouwste raad, nadat die aan de voornaamste van hen, in plaats van de galg, die zij verdiend hadden, de roede getoond had; en dat ze hem overreed hebben, nadat hij gepoogd had, zelfs in de grote raad ettelijke voortreffelijke raadsheren door gewapende hellebaardiers gevangen te nemen, zich van ‘t Parlement te onttrekken, ja, ook een leger te werven. Welk leger wel scheen, gelijk zij in de eerste beginselen van zo’n groot kwaad hebben willen voorgeven, uit enkele protestanten bijeengebracht te worden; hoewel ook toen ter tijd voor de papisten, voor welke de geheime raadslagen openbaar zijn geweest, niets algemener was, dan en hier, en elders gebeden te doen, opdat dat werk gelukkig en voorspoedig mocht zijn, dat ten goede van de katholieke zaak werd betracht, en dan openlijk genoeg te belijden dat de hunnen zich moesten schuilhouden, totdat de mannen van onze godsdienst, indien maar van onze, ja van enige godsdienst, zich in deze zaken zouden ingemengd hebben, zonder enige hoop van terug te keren, dat ze alsdan tijdelijk moesten te voorschijn komen; met welke raad waarlijk de uitkomst is overeengekomen. Want nadat die schijnprotestanten, onder het schone voorwendsel van ‘t koninklijke voorrecht; van de voorrechten van het koninkrijk en van de zuiverste godsdienst, hebben begonnen de oorlog en wapenen ter hand te nemen, hoewel een groot getal van die genoemde protestanten vóór deze beroerten, behalve aan enige mindere misdaden, ook aan verraad en opstand schuldig verklaard werden, en anderen zich niet minder schuldig gevoelden, bij dewelke met recht ook de ondeugende Clergie met haar discipelen moet gerekend worden, zo zijn de papisten, die tot nog toe geen geweld aangedaan zijn van het leger van de koning, terwijl ondertussen de protestanten, ook die onze zaak niet zeer begunstigen, vreselijke dingen hebben moeten lijden, door een koninklijk geschrift, en door beloften van de prijs van de wapenen zo zij verloren werden, te betalen, aangemoedigd, om de wapenen aan te vatten, ettelijke van de voornaamste van de papisten zijn ontboden, om het bevel te voeren; eindelijk heeft ‘t gehele vals-katholieke volk met samengevoegde krachten, genietende hun bijgeloof ook tot viering van de Mis in verschillende plaatsen, en uit de overzeese verblijfplaatsen, die zij met ijdele en geheel onwaarachtige redenen bedrogen hadden, met geld en soldaten, en allerlei krijgsgereedschap voorzien, van alle kanten op een uitnemend wrede wijze gewoed, tegen allen, die de ware godzaligheid en de hooggeduchte raad aankleven, en dat door roven, plunderen en doden.

    Het hof, dat bij ons het eerste en hoogste erkend wordt, bemerkende, dat deze snode werktuigen van verkeerdheid zich met gewapende hand beschermden tegen de gestrengheid van onze wetten, die met recht tegen hen gedreigd was, en dat ze zeer boze raadslagen voortzetten, heeft naar die vlijtigheid, welke bij hen is, zo ras als ‘t mogelijk is geweest, getracht, de vloot en de grensplaatsen van ‘t koninkrijk in veilige stand te stellen, en ook voor de wet en vrijheid, maar inzonderheid voor de godsdienst zelf, die alle in ‘t uiterste gevaar waren, van verloren te gaan, zorg te dragen. Voorts is er bij onze vijanden zo’n loosheid gebruikt, door de schijn te geven, of liever, zodanig is de rechtvaardige gestrengheid geweest in onze vertoornde Vader, wegens het kwaad gebruik van onze langdurige vrede, dat het ons tot nog toe niet gegeven is, hoewel wij ettelijke malen onze verzoeken en tegenwerpingen daartoe hebben gedaan met behoorlijke vernedering van de gemoederen, en waarheid van de woorden, de allerheiligste majesteit van onze Heer Koning uit hun schelmachtige handen weer te krijgen, of hun de welverdiende straffen op te leggen; ja tot op deze dag wordt het zwaard door het vlees van de Engelse vet, en door hun bloed dronken gemaakt. En opdat er misschien niets mocht schijnen te ontbreken aan de menigte van onze ellenden; zo hebben zij niet lang geleden teweeggebracht, dat die barbaarse en bloedige hoop van rebellen in Ierland niet alleen met de titel van Rooms Katholieke onderdanen nu in de wapenen, enz. vereerd wordt, maar ook verworven heeft, wanneer zij tot het uiterste gebracht waren, te weten door de koninklijke genade, behalve een stilstand van wapenen voor twaalf maanden, macht om te behouden hetgeen zij verkregen hebben, en vrijheid om elders vandaan wapenen en geld te bezorgen, ja ook om tot zijn majesteit te komen door henzelf, of door afgezondenen, opdat ze te gereder mogen zijn, zo om ‘t overblijfsel van de Protestanten daar uit te roeien, als om herwaarts over te komen, gelijk ze al begonnen zijn, om die bloediger handel onder ons te oefenen, waaronder onze broeders elders zo grotelijks gezucht hebben.

    Dit is de zwarigheid. die ons hier drukt; dit is de staat van de republiek. Doch ziet, in het midden van deze stormen is door de zeer eerwaarde raadsheren van de beide Huizen van het Parlement, deze Synode bijeen geroepen, om de tempel des Heeren door hun raadslagen te verbeteren, en de zuiverheid van de godsdienst te beschermen; het oogwit van welke Synode zij gewild hebben dat zijn zou, het heilige canonieke Woord tot een regel te maken, en naast Gods eer, te bezorgen een allernauwste vereniging met de beste gereformeerde kerken, en zoveel mogelijk is een eenvormige godsdienst in deze drie koninkrijken. Doch ook hebben de tegenpartijders ‘t gemoed van de goedertierenste koning tegen ons ellendigen opgehitst, terwijl wij met dit werk met ons gehele hart bezig zijn. Daarenboven hebben wij door de oprichtende en behulpzame hand van Christus, wiens werk dit is, met blijdschap enig fondament gelegd, gedachtig aan het woord van de profeet: Wie veracht de dag der kleinere dingen?

    En aldus hebben wij eindelijk, zeer eerwaarde en tegelijk geliefde broeders, ulieden het erbarmelijk aangezicht of liever een schaduw van de Engelse zaken voorgehouden, want wie kan het aangezicht recht aftekenen? dat de rechten bijna verloren, de goederen geroofd, de huizen geplunderd, en het bloed overal gestort is, opdat wij nu ook van andere dingen, hoewel ook dierbaar, niet melden. Indien God wil, dat onze lichamen zullen neergeworpen, en onder de voeten van de vijanden vertreden worden, de wil des Heeren, de wil des Heeren geschiede. Mocht het maar gebeuren, dat de Kerk van Christus die nog overig is, van de woedingen van de antichrist door ons bloed gelost werd, hoe overbodig, hoe graag zouden wij het storten? Maar omdat ‘t geloof van de Protestanten, waar zij ook mochten zijn, in gevaar is, omdat al Christus’ heiligen het gevaar over ‘t hoofd hangt, zo is dat, ja dat hetgeen, dat ons enig beangstigt; omdat wij weten, dat in de vijanden een onuitblusbare toorn is, en die geenszins door ons bloed zal verzadigd worden; want hij is tegen ons niet ontstoken voor zoveel wij zondaars, maar voor zoveel wij volgers van de waarheid zijn, en liefhebbers van de zuiverheid, naar welke wij dagelijks haken. Indien God ons eens hun tot een roof zal overgegeven hebben, o, wat zullen dan al degenen, die in deze verdrukte landen ‘t merkteken van ‘t beest zullen verwerpen, terstond schrikkelijke duisternissen en nauwe banden ondergaan? En niet alleen daar, maar zij zullen ook ongetwijfeld elders door al de gereformeerde kerken in Europa ‘t zelfde boze kwaad ter hand nemen. Gijlieden weet zeer wel, hoe groot de grimmigheid zal wezen van het beest, dat uit de afgrond opkomt, en van de vrouw die van het bloed van de martelaren dronken is, voor deszelfs dodelijke uitgang, tegen die maagdelijke menigte, die het Lam volgt.

    Wat belangt de Schotse natie en kerk, die zijn wel zeer volvaardig geweest, om deze bovenmate, boven nature brandende vlammen te blussen, zij hebben na de ootmoedigste verzoeken, tegenwerpingen en verklaringen, waarmee zij zijn koninklijke majesteit aangezocht hebben, zich eindelijk ook tot middelaars aangeboden, om de vrede voor de broederen te bezorgen. Maar nadat dit alles niet geholpen heeft, en in de wind geslagen is, zo hebben zij met de Engelse kerk en het volk een openlijk verbond gemaakt. Ja zij hebben ook besloten, voor de behoudenis van beide naties, en voor de godsdienst, die zij belijden, en door de algemene vijand besprongen wordt, ook tot bewaring, zoveel in hen is, van hun ingeboren monarch, en van zijn rijken, gelijk te lezen is in de onlangs uitgegeven Verklaring in het plechtige verbond van de drie koninkrijken, door welke schriften gewis allen wijze, en tot Christus welgenegen lieden zeer klaar kunnen weten wat zij in de zin hebben, de wapenen aan te nemen, en hun troepen bij die van hun broederen te voegen. Daarenboven hebben zij ook, omdat de grote Raad van Engeland dat verzocht had, ons hun afgezanten hier gezonden, opdat te beter in beide de volkeren dezelfde vorm van godsdienst zou bevorderd worden. Doch voor ons, die deze zending bekleden, is nauwelijks iets vermakelijker te beschouwen, dan met onze ogen te zien, dat er door zo’n rechteerwaarde vergadering van wijze, geleerde, en vrome theologanten, de fundamenten van Gods huis gelegd zijn, niet alleen in de zaak van het geloof, maar ook in de regering van de kerk. En derhalve hebben wij het onze plicht geoordeeld, voornamelijk na het aangegaan verbond, waardoor wij ons tot deze plicht zeer verbonden rekenen, tegelijk met hen, de vergelegen kerken van Christus gewisse kennis te geven van de tegenwoordige toestand van de Engelsen, opdat alzo en de misvattingen en de bedriegerijen mochten tegengegaan worden.

    Wat is er nu overig, dan dat wij in deze zeer gevaarlijke stand van de zaken, welke ons een algemene ondergang dreigt, ulieden bidden, zeer lieve broeders, ten eerste: dat gijlieden van ons aller ellenden, en daarbij de billijke, en met de hoogste onnozelheid vergezelschapte bescherming van onszelf, in een effen weegschaal van oordeel wilde overwegen; indien ons de tegenpartijders overal brandmerken met de tekenen van oproer, terwijl zij ons beschuldigen, dat wij de koning willen beroven van zijn macht, die hem toekomt, en voeren in de kerken een anarchie (een wegneming van alle regering). Gewis, wij twijfelen geenszins, of ‘t geen wij in het onlangs gemaakte verbond, waarvan wij een afschrift hiernevens zenden, opdat het ulieden met deze brief ootmoedig ter hand gesteld worde, heilig betuigd hebben, zal ons genoegzaam verdedigen tegen die smadelijke nagevingen, dan welke die vader der leugens, noch iets valser bedacht heeft.

    Doch indien er kinderen Belials opgestaan zijn, die tegen degenen, die ‘t niet verdiend hebben, Gods Stedehouder opgewekt hebben, indien zij ‘s konings naam en macht tegelijk misbruikende, dat alleen betrachten, dat zij zelfs vrij mogen zijn van de straffen, welke de hoogste vierscharen van het koninkrijk hen waardig geoordeeld hebben, en dat zij anderen mochten beroven van hun vrijheden, voorrechten, leven, ja zelfs dat het voornaamste is, van de godsdienst. Indien de wapenen, die wij aangenomen hebben, tot geen ander einde genomen worden, dan opdat wij ons en het onze beschermen tegen onrechtvaardig geweld, dat wij met recht geloven, ook enige van ulieden ettelijke malen gebeurd te zijn, indien al deze dingen zo zijn, zo laat Hij tussen ons en hen oordelen, Die de wereld regeert, de rechtvaardige Heere; Wiens hulp wij evenzo begeren, gelijk dit alles in oprechtheid en waarheid voortgebracht is. Laat ons ondertussen van de zeer geliefde broeders, welke door deze brief gegroet worden, een getuigenis van onze onschuld, en een verantwoording in ulieder heilige vergaderingen, zo dikwijls als het nodig zal zijn, verwerven.

    Ten andere. Wij verzoeken ulieder medelijden met ons, die in dezelfde zaak lijden, waarover u eertijds harde, ja vreselijke dingen hebt uitgestaan. Want het zou ons in onze moeiten en smarten tot een zeer grote verkwikking zijn; indien ons gegeven werd, onder de slagen van een vertoornd Vader, de ingewanden van de broederen gewaar te worden. Indien de Kerken die onze Heere Jezus Christus zeer lief zijn, gedachtig zijnde, dat ze ook in het lichaam zijn, ons als huisgenoten van dezelfde Christus, verwaardigden te beminnen, en ook te erkennen.

    Eindelijk bidden wij u, broeders, dat gelijk de slagen van de antichrist die zaak, die onze partijen beschermen, de hunne oordelen, en dezelve daarom naar vermogen ten uiterste behulpzaam te zijn, ulieden ook ter harte gaat de zaak, die wij beschermen. Want toch in waarheid, het gevaar is algemeen; en gijlieden zult na onze uitroeiing geen lange welstand mogen verwachten: want de vijanden hebben niet zozeer twist tegen personen, als tegen de godzaligheid, en tegen het Woord Gods, in wat land het ook is, waarin zij zullen bemerken, dat de vroomheid blinkt, en het Woord des Heeren heerst. Wat aangaat de wijzen en middelen om ons te helpen, dat willen wij geheel en al aan ulieden ten uiterste gelaten hebben.

    Een enkele zaak is er, die wij waarlijk geenszins kunnen nalaten van ulieden af te bedelen, namelijk ulieder gebeden, zo in ‘t openbaar, als in ‘t bijzonder, opdat God, Die de gebeden verhoort, na het verbreken van de arm des vleses, waarop wij al te zeer, helaas, al te zeer plegen te vertrouwen, Zich ons tot een Heiland betoont, opdat de waarheid met de vrede wederkeert, opdat uit deze drie koninkrijken een hout wordt in de hand des Heeren. En opdat wij, geringe arbeiders, die wegens de oude besmettingen beschaamd geworden zijn, die nochtans in deze droeve tijd de arbeid oplegt, van de tempel te vernieuwen, de gehele gedaante van het huis zelf wel bemerkende, dat voorbeeld aan onze bouwmeesters, van wie elk waardig is, dat hij een Zerubbabel genoemd wordt, mogen voor ogen stellen, dat met de Heilige Schrift, dat best met de ingestelde Kerken, dat meest met de eendracht in de gewone zaak van de godsdienst, en ‘t geloof van de Brittanniërs zal overeenkomen. Voorts dat elke berg wordt tot een effen veld, en dat degenen die nu het paslood in onze handen zien, als zij de hoeksteen zullen gelegd zien, met betamelijke vrolijkheid met ons mogen toeroepen: genade, genade!

    Dit zijn de dingen, waarvan de hooggeduchte raadsheren van dit koninkrijk gewild hebben, dat wij uw eerwaardigheden, en door dezelve alle gelovigen van Christus, voor welke u zorg draagt, zouden kennis geven. Uit wiens naam, gelijk mede uit de onze, wij ulieden van harte door Christus groeten en welvaart wensen.

    Uw Eerwaardigheden zeer toegenegen broeders in Christus,
    Gulielmus Twissus, Praeses
    Cornelius Burges, Assessor
    Johannes White, Assessor
    Henricus Robrough, Scriba
    Adoniram Byfield, Scriba

    Westminster, 29 januari 1644

    Metellan, Alexander Henderson, Samuel ruthrford, Robertus Baillie, Georgius Gillespie,
    Afgezanten van de Schotse Kerk

     

    N.B. Deze brief wordt hier tot een besluit bijgevoegd eensdeels, omdat de stof zo uitnemend tot stichting is, anderdeels, omdat de schrijver ervan, zo’n voorbeeldig heilig man, en getrouw dienstknecht van Christus, en zo’n geestelijk teerhartig, en voorspoedig evangelieprediker is geweest, als er in honderd jaren zeer weinigen geweest zijn. Mr. Rutherford heeft zijn getrouwheid in een van deze brieven, aan hem geschreven, erkend. Die man Gods schreef deze brief, terwijl hij uit Schotland, wegens zijn getrouwheid aan de Heere Jezus, verbannen, te Rotterdam was, als zijn testament aan zijn gemeente, een jaar voor zijn dood.

  8. Een brief geschreven door de vermaarde en getrouwe dienstknecht van Christus, Mr. Johannes Livingstoun, aan zijn gemeente te Ancram in Schotland
  9. Geliefde in de Heere!

    Ik kan mijn lang stilzwijgen niet verschonen; ik heb een droevige trage gestalte, en een onbekwaamheid tot schrijven. Ja, ik oordeel, dat iets, dat ik schrijf, nauwelijks waardig is, dat men er op ziet, of dat men ‘t leest; behalve dat mijn trage en bevende hand mij enigszins verhindert. Doch wanneer ik aanmerk, dat ik aangaande ulieden rekenschap moet geven aan de grote Herder, als hebbende omtrent veertig jaren onder ulieden gearbeid in de bediening van Zijn Woord; en dat na ongeveer negen jaren verbanning, de ouderdom en zwakheden komen aankruipen, en ik door een gestadige pijn van het graveel veel te doen heb, om eens in de week op ‘s Heeren dag een zeer korte weg te gaan tot de openbare godsdienst; zodat er geen grote waarschijnlijkheid is, dat ik ulieder aangezicht in dit leven kan zien; en dat het mij zeer past, mijn aangezicht voorwaarts te zetten naar mijn laatste rekening; zo dacht ik, dat ik enigerwijze ulieden mijn testament behoorde te maken! en mijn gevoelen open te leggen, aangaande mijzelf, aangaande ulieden en aangaande de tegenwoordige stand van de zaken in dat land.

    En bij de ingang wilde ik, niettegenstaande al de droevige dingen, die sedert korte tijd gebeurd zijn, u te binnen brengen, de menigvuldige goede dagen, die wij samen gezien hebben, sabbatdagen, en plechtige avondmaalsdagen; op welke wij des Heeren kracht en Zijn genade zagen in Zijn heiligdom, opdat wij in de gedachtenis daaraan, Zijn Naam te samen mogen verhogen, en weten, dat hoewel Hij droefheid veroorzaakt, Hij nochtans medelijden zal hebben naar de menigte van Zijn goedertierenheden. Doch wij kunnen licht onderkennen, wat een onderscheid er is tussen die dagen, en zulke als wij nu zien, en wat een kwade en bittere zaak het is, dat wij door geen recht gebruik te maken van die dagen; Hem getergd hebben, om Zijn aangezicht te verbergen, en zo’n vloed te zenden van onvergelijkelijke afval, meinedigheid, vervolging, godslastering, en godloochening, ja, ook van duisternissen, verstrooidheden, en moedeloosheid onder de Zijnen; in al dat wij nog mogen verwachten, dat Hij wacht, om genadig te zijn, en dat Hij verhoogd zal worden, opdat Hij zich onzer ontfermt.

    Vooreerst, wat mij aangaat, ik heb in de eerste plaats vrede in opzicht van deze bijzonderheden.

    1. Dat mij de Heere niet alleen van de tijd af, dat ik tot de predikdienst kwam, maar zelfs van mijn eerste kindsheid, geliefd heeft te leiden tot een afkeer van bisschoppelijke regering, van een bepaald formulierboek of liturgie, van de plechtigheden, en van de andere verdorvenheden van die tijd. En dat ik in mijn predikdienst, beide in Ierland en in Schotland, mij bij diegenen gevoegd heb, die rechte gangen gingen in de zaak Gods, en die getuigenis gaven tegen die kwaden. Dat ik mij mede voegde in ‘t nationaal verbond, en in het plechtig verbond, en in de andere delen van het werk van de hervorming, dat voortgezet wordt in ‘t jaar 1638, en daarna; als zijnde verzekerd, dat de Heere toen dat werk en de navolging daarvan goedkeurde, en nog goedkeurt, en altijd goedkeuren zal.

    2. Dat ik te Ancram kwam, niet uit enig werelds oogmerk, maar uit een begeerte, om God en de zielen van Zijn volk dienst te doen; dat ik daartoe had des Heeren roeping, door ulieder nodiging, en de toestemming, en de zending van de recht ingestelde kerk die er toen was, namelijk van de algemene Synode, en van de Classis of Ouderlingschap.

    3. Dat in mijn predikdienst onder u, hoewel ik in vele tekort gekomen ben, mijn besluit en oogmerk alleen is geweest, Gods eer, en ‘t goede van uw zielen voor mijn ogen te stellen; en dat het Hem behaagd heeft, mijn arme zwakke pogingen zo te zegenen, dat er verscheidene zegelen van de bediening van Zijn Woord zichtbaar opgemerkt zijn, waarvan sommigen al reeds in de heerlijkheid zijn, en sommigen worstelen er naar toe.

    4. Dat, wanneer ik voor de Raad verscheen, op de tijd wanneer ik gevonnist werd met verbanning, omdat ik weigerde de eed te zweren, die zij noemden, van getrouwheid, en die inderdaad de eed van opperheerschappij was, en bevatte in waarheid zo’n opperheerschappij, gelijk die sedert ten volle vastgesteld is; ik nam toen geen tijd, om mij te beraden over mijn antwoord, gelijk mij door hen voorgesteld werd, dat ik oordeelde, dat kon te kennen geven, dat ik omtrent de zaak niet klaar was; en dat het mij maar even tot dat einde voorgesteld was, en niet uit enige eerbied, dat ze omtrent mij hadden; maar ik zeide rechtuit, dat ik ten volle klaar, en besloten was, de eed niet te doen. Voor deze en vele zulke zonderlinge proeven, van des Heere genadige leiding van mij in mijn vreemdelingschap, wens ik van harte Zijn heerlijke Naam te loven, en wilde wel de hulp van al Zijn volk verzoeken, om zich met mij daarin te voegen.

    Maar in de tweede plaats. Ik heb beschuldigingen, behalve vele anderen, ook in opzicht van deze bijzonderheden.

    1. Dat ik in al de tijd van mijn predikdienst de gave, die de Heere mij gegeven had, niet zo opgewekt, noch aangelegd heb, noch mijzelf zo gedragen, als een geestelijk, deftig, vlijtig en getrouw dienstknecht van Christus, gelijk ik had behoren te doen.

    2. Dat ik in mijn bediening onder ulieden niet meer heb gedaan, in de huisgezinnen te bezoeken, en met de personen in het bijzonder te handelen, om hen op de wegen Gods te brengen, en hen daarop te houden.

    3. Dat wanneer de laatste zware afval begon in het jaar 1661 en 1662, ik mijzelf en anderen niet opwekte, welk gevaar er ook mocht op gevolgd hebben, om te verschijnen door verzoekschriften en publieke getuigenissen, in het verbond en het werk van de hervorming openlijk te erkennen; dat, indien het op de rechte tijd zou gedaan zijn geweest door kerkelijke gerichten, of maar enkel door leraars en belijders, volgens onze verbintenissen, God mocht verheerlijkt hebben, en een deur van hoop voor de nakomelingen geweest zijn, en ook meer vrede voor ons geweten teweeggebracht hebben, ja, misschien veel van de afval en van ‘t lijden gehinderd hebben, hetwelk daarna gevolgd is.

    4. Dat wanneer ik voor de raad verscheen, ik de gelegenheid niet nam, om ootmoedig doch evenwel klaar, te vertonen de zondigheid van die dingen, die openbaar waren besloten, en gedaan tegen het koninklijk voorrecht van Jezus Christus, en tegen Zijn kerk en volk, om te waarschuwen tegen de toekomende toorn over hen en over het land indien er geen bekering kwam; maar dat ik mij tevreden stelde, met te beantwoorden hetgeen mij voorgesteld was. Wegens deze en dergelijke andere verzuimen en misdragingen in mijn leven, zou ik wensen treurende tot mijn graf te gaan, en ik wilde van ulieden en anderen van Gods volk hulp begeren, om van Hem vergeving te zoeken, en reiniging van geheime zonden, beide van mijn persoon en van mijn beroep.

    Ten andere. Wat ulieden aangaat, mag ik ulieden allen verdelen in drie rangen of orden. De eerste rang, en ik vrees het grootste getal is van diegenen, die, hoewel zij in het algemeen de Christelijkheid beleden, nochtans, zoveel als men kon merken, nooit de godsdienst op hun hart legden; en die werden wegens grove onwetendheid en losheid van leven, altijd van des Heeren Avondmaal afgehouden; anderen, hoewel enige kennis en burgerlijke wandel hebbende, werden nochtans altijd op goede gronden veracht, te zijn zonder liefde en vrees Gods, blijvende in hun natuurlijke onvernieuwde staat, verzuimende godsdienstige oefeningen in hun huisgezinnen en alleen, en tonende door geheel hun gedrag, dat hun gedachten en begeerten nooit boven deze wereld gingen. Deze zijn ongetwijfeld blij wegens de verandering, die nu gekomen is, opdat ze Christus’ juk mochten afwerpen, en vrij zijn van het Woord en van de tucht, die hen verschrikten en pijnigden, en mogen nu tegelijk schrikkelijke eden zweren, en dronken drinken; en dat zal door sommigen uitgelegd worden, als een klaar bewijs van hun getrouwheid aan de regering; zij mogen nu, naar het voorbeeld van velen groten, in de lust van onreinheid wandelen, niets behartigen, dan hoe door alle middelen, rechtvaardige en onrechtvaardige, veel van de wereld te verkrijgen, en hoe het dan in hun lusten door te brengen; ook haten, en naar hun vermogen allen vervolgen, die niet met hen willen meelopen tot dezelve uitgieting der overdadigheid.

    Nu gelijk ik dezen menigmaal in ‘t openbaar, met zo’n grote ernst en teerheid, als ik kon, gewaarschuwd heb, om te vlieden van de toekomende toorn; zo wilde ik hun nog verzoeken, een weinig stil te staan, eer zij naar de poel gaan, en enige weinige woorden te horen van een waarlijk liefhebbend vriend, die ik verzekerd ben, dat in de dag van ‘t groot oordeel zullen bevonden worden, te zijn een boodschap van de levende God.

    Gelooft u, dat er een God, of hemel, of hel is, of kunt u met al uw wil en macht de gedachten aan deze dingen uitschrappen uit uw slapend geweten? Of haat gijlieden God zodanig, dat omdat u Zijn schepselen bent, u zover op uzelf wraak wilt nemen, dat u zichzelf voor niemendal aan Zijn vijand, de duivel, wilt verkopen, om tot in alle eeuwigheid gefolterd te worden?

    Ik ben ten hoogste verzekerd, dat niemand van u allen kan zeker zijn, dat u verworpelingen bent, en ik kan u een groter verzekerdheid geven, dan de vastigheid van hemel en aarde is, namelijk het bezworen Woord van Hem, Die leeft en regeert tot in eeuwigheid, dat indien u uw goddeloze weg wilt verlaten, en uzelf tot de enige Zaligmaker van verloren zondaars begeven, u geen verworpelingen bent.

    O, wat voordeel hebt u, als u de gehele wereld gewonnen hebt, en al het vermaak, al de rijkdommen, en al de gunst daarvan, en u hebt uw onsterfelijke en kostelijke zielen verloren? Het is volstrekt onmogelijk, dat uw eigen hart u niet soms zou zeggen, daar zal bitterheid in ‘t einde zijn. Verteert niet de hoererij en dronkenschap het lichaam, en neemt ze niet het verstand weg, en laat een prikkel in het geweten? Kan iemand de vloek ontgaan, die de goederen, met valsheid of onderdrukking verkregen, brengen op de mens, en op al wat hij heeft, ja ook op zijn nakomelingen? Is het niet droevig, dat de satan de mensen kan aanzetten tot zweren, en vloeken, en lasteren, en uitspreken, ‘t geen hij zelf niet durft uitspreken?

    En al was u vrij van alle uitwendige uitbrekende zonden; maakt niet een onvernieuwde staat, ‘t verzuim van geboden plichten, sabbatschending, en dergelijk kwaad, u onderworpen aan de toorn Gods, die staat te komen met vlammend vuur, om wraak te doen tegen degenen, die God niet kennen, en ‘t evangelie niet gehoorzaam zijn? Misschien mag u denken, dat u nu al zo ver gegaan bent, dat er geen terugkeren aan is, en dat de wegen des Heeren zodanig zijn, dat uw gestalte daar niet mee overeenkomen kan? Maar hoe kan uw gestalte overeenkomen met branden, en nooit verteerd te worden in eeuwige vlammen, waar iedereen van al uw zonden zijn eigen bijzondere pijniging zal hebben? Hoe kunt u overeenkomen, met te wonen bij een eeuwige gloed? Of wilt u tot al uw andere goddeloosheid nog toedoen de wanhoop, en het versmaden van al des Heeren vriendelijke, luid roepende en langdurige nodigingen?

    Wat zult gijlieden antwoorden, indien de Heere hierna tot sommigen van ulieden zal zeggen: Ik wilde ulieden beide genade en heerlijkheid gegeven hebben, indien u ze maar gezocht had, u wilde niet eens twee of drie kloppen aan Mijn deur geven; u wilde niet openen, als Ik menigmaal en lang aan uw deur klopte; door zo te doen hebt u uw eigen verwerping en verdoemenis onderschreven.

    Och, laat mij zoveel van allen, en van elkeen van ulieden verkrijgen, voor al de moeiten, die ik in het prediken onder ulieden genomen heb, voor al mijn negen jaren verbanning van u af, voor al de gebeden die ik voor ulieden opgebracht heb, voor al de liefde, die ik ulieden toedraag, gelijk Hij weet, Die alle dingen weet: ja laat uw eigen zielen, en de liefde die u uw eigen welvaart hier en hierna toedraagt, het verkrijgen; of liever laat Hem Die al Zijn kostelijkste bloed te Jeruzalem voor zondaars gestort heeft, dit van u verkrijgen, dat u elkeen van ulieden een dag alleen wilt nemen, van de morgen tot de avond, nalatende van te eten of te drinken. en ulieden afzonderen in een stille plaats in een huis, of ergens naar enig deel van ‘t veld, daar u van alles gerust mag zijn, en hebbende van tevoren in de Bijbel zulke plaatsen gemerkt, die bekwaam zijn, om op zo’n tijd gelezen te worden, hebbende ook enigszins uw weg omtrent God, en Zijn wegen omtrent u onderzocht, zo stelt u daar voor Zijn aangezicht, bestedende uw tijd in belijdenis van de zonden, en in bidden om vergeving en genade, om Hem te dienen, en uw eigen zielen te behouden. En indien u, dat niet licht is te onderstellen, op zo’n dag geen toegang krijgt, zo volhardt nochtans in zo’n een oefening en verzoeken: want uw verlossing van de hel, en genieting van de hemel en van Gods gunst, zijn meer moeiten waard, dan u in al uw leven kunt nemen.

    Nu, indien deze zo lichte en nodige raad zal verworpen worden, zonder dat ik tijd en plaats, maat en wijze voorschrijf, indien aldus het voorname oogmerk van enige tijd te nemen, om uzelf voor God te verootmoedigen en tot Hem te keren, wordt verworpen, zo neem ik werktuigen voor zon en maan, en voor alle schepselen, dat ik deze waarschuwing als een onderschreven dagvaarding heb gevestigd gelaten op de deur van ulieder geweten, om voor Hem geroepen en geoordeeld te worden, Die gereed staat, om levenden en doden te delen op Zijn verschijning. en in Zijn heerlijkheid; wanneer nevens het getuigen over al ulieder zonden, van uw eigen geweten, en van al de schepselen, ik ook, als uw wettige leraar, gezonden om uw verzoening met God te bezorgen, zal verschijnen, om te getuigen, dat gijlieden goede waarschuwing hebt gekregen. maar dat u die verwierp, en immers de dood wilde verkiezen. Daarom terwijl het nog heden genoemd wordt, neemt de proef van Christus’ juk. Dringt daar maar op aan bij Hem, en ziet, of Hij niet de vensters van de hemel zal openen, en regenen zegeningen en gerechtigheid over u. Hij is een rijk en liefhebbend Meester; verbindt uw harten eens aan Hem, en dan mag u de satan, en al de wereld zijn aanlokkingen en verschrikkingen uittarten, om n van Hem te trekken.

    Mijn hart zou vrolijk zijn, zo ik, eer ik naar het graf ging, dat enigen van ulieden een nieuwe gang hebben aangevangen; en indien u inderdaad begint, u zult het niet kunnen doen verborgen zijn, het zal gehoord worden. Ik zal, zoveel ik kan, daarom bidden, en anderen verzoeken om daarom te bidden Het is niet nodig, woorden te vermenigvuldigen ik laat het bij u, zoals u het voor Jezus Christus zult verantwoorden, als Hij in de wolken zal komen.

    De tweede rang, is van diegenen, die òf ware genade hadden, òf schenen te hebben, en die al een eindweegs verder gingen dan anderen in een ordentelijke wandel, en in, de ingestelde godsdiensten, binnen- en buitenshuis, waar te nemen, maar die sinds de laatste verandering òf los en onheilig zijn geworden, òf zover zich gevoegd hebben met de verdorvenheden van de tijd, dat er niet één voetstap van hun vorige vastigheid en teerheid uit blijkt; maar zij worden met recht gerekend onder degenen, die gehoorzamen willen, al wat van een mens geboden wordt, al staat het direct tegen Gods wil, geopenbaard in Zijn Woord, en tegen hun eigen wettig bezworen verbintenissen.

    Deze, als zij zich niet bekeren en beteren, zijn in een veel erger staat, dan die van de eerste rang; want hun oefening roept voor de wereld uit, dat zij wel eens zich tot Jezus Christus en tot Zijn wegen begaven, en enige liefde en achting voor Hem hadden, maar dat ze nu berouw hebben, dat ze ooit zo deden; want zij hebben iets in Hem gezien waarom zij oordelen, dat Hij niet waardig is, dat ze iets voor Hem zouden doen of lijden. Ik heb veel verzekerdheid dat de satan zo’n ingang verkregen heeft in sommige van deze, die eens een belijdenis hadden, en nu afgeweken zijn, dat ze nooit weer zullen vernieuwd worden tot bekering, maar dat ze erger en erger zullen worden, hebbende hun geweten toegeschroeid met een brandijzer. Och, dat mijn vrezen mochten voorkomen worden!

    Maar ik heb goed vertrouwen, dat sommigen, die al ver gegaan zijn in deze koers van afval, eer zij van de wereld afgaan, God nog zullen verheerlijken door een vrije en volle belijdenis van hun vuile val. Ja, ik vertrouw, dat verscheidene ervan steeds met zich dragen een knagende prikkel; maar de vrees voor schaamte bij de wereld, en vrees van ‘s werelds verlies, maar och, welk een klein deel van de wereld heeft elkeen van hen, om dat te gaan stellen boven de gezegende Jezus Christus; die verhinderen tot nog toe hun afkomen van hun gevaarlijke weg.

    Laat allen, die afgeweken zijn, en die niet gewillig en moedwillig verkoren hebben te blijven in tegenstand met God, en tegen Zijn rechtvaardige wegen, en tegen Zijn verdrukt volk; ik zeg, laat hen maar vergelijking maken van hun tegenwoordige staat met hetgeen hun staat tevoren was, en laat hen in ‘t binnenste van hun hart God antwoorden, welke van de twee zij best keuren? U had aanmoediging boven velen, omdat de Heere drie of vier van die vergadering bekwaam maakte, en het waren maar jongens, om liever geseling en verbanning blijmoedig uit te staan, dan van hun eerste gronden en oefening af te wijken, en de meesten van die zijn nu in een betere uitwendige staat, dan te voren; deze zullen tegen ulieden getuigen zijn, indien u niet intijds u openlijk begeeft tot u vorige belijdenis.

    Ik heb de onderschrijvingen van ‘t verbond nog bij mij, van al de mensen, welke van onze gemeente waren; gewis, niet alleen dat papier, maar ook de handen van al de mannen en vrouwen, die tot God opgeheven waren, in ‘t Verbond te bezweren, na het voorlezen van de plechtige erkentenis van zonden, en van verbintenis tot plichten; die handen, omdat ze eeuwig zullen duren, zullen eeuwigdurende getuigen wezen, of voor u, of tegen u.

    U hebt waarschuwing gekregen, dat zulke beproevingen, als sinds gevolgd hebben, zouden komen; en u scheen er tegen gesterkt te wezen. Gedenkt de aanspraak, die ik tot ulieden deed, ‘s maandags na het laatste Avondmaal, waarin ik, voorgissende wat kort daaraan volgen zou, enigermate mijn afscheid van ulieden nam. U scheen toen enigszins bewogen te zijn, en te besluiten, dat u op alle gevaar zoudt blijven bij de zaak Gods; gijlieden scheen wel te lopen; wie of wat heeft u verhinderd, dat u der waarheid niet zoudt gehoorzaam zijn?

    Misschien zijn er weinigen of geen in het gehele land, die in alle punten het Verbond met God gehouden, en niet enige gelegenheden tot hun plichten verzuimd hebben; de goede God zal zulken vergeven, wanneer zij zien de plaag van hun hart en zich tot Hem keren. Maar zich te voegen in de koers van afval met diegenen, die dat Verbond hebben bezworen; een ingedrongen huurling te begunstigen, en zich met hem te voegen, in hetgeen zij godsdienst noemen; ja te zitten en te drinken met hem, die wettig en naar verdiensten in de ban gedaan was, door de kerk van Schotland: te onderhouden heilige dagen, van mensen ingesteld; zich te onttrekken aan de gemeenschap en de samenkomsten van degenen, die in enige trap nog blijven in hun oprechtheid; dit zijn zulke grove en rechtstreekse verbrekingen van de eed Gods, dat ze niet van iets anders kunnen voortkomen, dan van een vreselijke verlating van God, van de voorkeur van de wil van de mens, boven de wil van de levende God, en de voorkeur geven aan ‘s werelds gemak en slecht voordeel, boven de zaligheid van uw onsterfelijke zielen. Ik ben ten volle verzekerd dat u voor de Heere niet durft zeggen, dat al was de vrees van het ongemak, door een mens toe te brengen, geheel weggenomen, evenwel het geweten van God te gehoorzamen u zou laten doen, gelijk u nu doet. Indien u zeker wist, dat u binnen tien dagen door de dood uw rug naar alles hier zoudt wenden, zoudt u het niet betamelijk oordelen, dat beide, God en de wereld een verandering in u zagen, in het verlaten van uw tegenwoordige weg? Nu hebt u geen zekerheid van een dag.

    Denkt menigmaal aan Christus’ woord, dat, zo wie Hem verloochenen voor de mensen, Hij hen verloochenen zal voor Zijn Vader. Het is onmogelijk, ‘t is ten enenmale onmogelijk, een discipel van Jezus Christus of een erfgenaam van de heerlijkheid te worden, zonder een besluit, van alles, zelfs het leven, om Zijnentwil te verlaten, wanneer Hij er toe roept. Ik vrees zeer, dat wanneer het geweten van enigen van u zal ontwaken, u bezwaarlijk zult bewaard worden van enige trappen van wanhoop.

    Komt af, komt af bijtijds; weest niet bevreesd noch beschaamd, om tegen uzelf en tegen de boze koers van de wereld te getuigen; geeft God de eer, verkrijgt vrede voor uw geweten, sterkt de handen, en verblijdt de harten van degenen, die God zoeken; u weet niet, of niet, indien u uitstelt, uw ontwaken zal komen, nadat de deur gesloten is, en dat er dan geen tijden van verkoeling zullen wezen van het aangezicht des Heeren.

    Wat aangaat die arme en ellendige mens, die ulieden opgedrongen is, haat hem niet, en verongelijkt hem niet; bidt liever voor hem, en gebruikt middelen, opdat hij, indien het mogelijk is, tot zichzelf komt; maar volgt hem niet op, begunstigt hem niet, noch voegt u niet met hem; gijlieden kunt licht gevoelig zijn, dat hij geen gezant van de Heere is tot uw geestelijk goed, maar een strik en verharder van ulieden in ongeoorloofde wegen. Ik mag op goede grond van het Woord Gods zeggen en vaststellen, dat, tenzij er een genadige verandering gewerkt wordt, beiden, hij en allen die hem volgen, eeuwig zullen verloren gaan.

    Nu de Heere Zelf, Die het alleen kan doen, opene uw ogen om het gevaar van uw weg te zien. Hij drijve u aan, en make u bekwaam, om enige tijd in het geheim voor Zijn aangezicht te treuren en te wenen, en om openlijk getuigenis te geven, naardat de gelegenheid zich aanbiedt, voor het aangezicht van goede en kwaden, dat u wedergekeerd bent tot uw vorige belijdenis; dan zal er van geen van uw overtredingen gewaagd worden aan ulieden.

    De derde rang, is de kleine handvol van degenen, die in zo’n boze tijd gearbeid hebben, om hun klederen rein te houden; aan wie het gegeven is in de zaak van Christus, niet alleen in Hem te geloven, maar ook te lijden, of immers zich voor al het lijden open te leggen om Zijnentwil. Grote oorzaak hebt gijlieden, om de Heere te danken, en ik met vele anderen zullen ons voegen met u, die Zijn heilige Naam looft, dat hoewel u maar kleine kracht hebt, u nochtans Zijn Woord begeert te bewaren, en Zijn Naam niet te verloochenen. U hebt bevonden, en u zult het nog bevinden, dat Christus aan u niet ten achteren zal zijn, en dat Hij in uw schuld niet slapen zal. Ik vertrouw dat uw vertroostingen overvloedig zijn, ver boven uw vrezen, of gevaarlijkheden, of lijden; uw honderdvoud gaat vast voor heen voor u, en de uwen, in de bank van de hemel, waar meer dan een honderd in de interest is tegen één.

    Christus werd eens in dit land erkend als Koning, zodat Zijn wetten in Zijn Woord de enige regel zouden zijn in ‘t stuk van leer, godsdienst, tucht en kerkregering; en hiertoe hadden zich allen verbonden door een eed, van de hoogste tot de laagste. Nu is de afgezworen bisschoppelijke regering weer ingebracht. Christus’ getrouwe dienstknechten zijn uitgeworpen, huurlingen zijn in Zijn huis ingedrongen: de gehele beschikking over kerkelijke zaken, personen en vergaderingen is door de akte van supre-maatschap, of opperheerschappij, gebracht tot het enige goedvinden van een sterfelijk schepsel; en de vervolging is gericht tegen allen, die niet meegaan in die afval, en meinedigheid: is dan niet het lijden gevestigd op zo’n gewichtig verschil, als er ooit was, sedert de grondlegging van de wereld?

    Het minste punt van Christus’ koninklijk voorrecht is niet alleen het lijden waardig, maar het is meer waard, dan de eeuwige zaligheid van al de uitverkorenen.

    Weest u niet bevreesd; Hij die als gekroonde Koning op de berg Zions zit, weet heel goed, hoe Hij Zichzelf rechten zal; niet alleen een aanraking van de ijzeren staf in Zijn hand, of van het zwaard, dat uit Zijn mond uitgaat, maar ook een zuur gezicht, en een opslag van Zijn oog, kan al de potscherven van de aarde in stukken breken: Hij zal verschijnen tot uw blijdschap, en zij zullen beschaamd staan. Deze wolk van tegenstand tegen Zijn werk zal verstrooid worden, gelijk vele anderen voor deze verdreven zijn. Hij neemt alleen een proef, wat elk nu doen zal. En niet alleen zal de boosheid van de vijanden, maar ook de zwakheid van enige van de Zijnen ontdekt worden. Hij wil de tegenstanders van Zijn werk Zich een weinig tijd laten vermaken, alsof zij hun werk uitgevoerd, en beide de waarheid en godzaligheid uitgeroeid hadden. En Hij wil de Zijnen gebracht laten worden tot een noodzakelijkheid, aan de ene zijde, om een werkzamer geloof te oefenen, hangende zuiver en vast aan Hem en aan Zijn Woord, en aan de andere zijde om dieper verootmoediging, en ernstiger bekering en verbetering te betrachten. Maar Hij heeft Zijn gezette tijd, wanneer Hij zal opwaken als een Held, en Zijn paleis, zoals ik hoop, zal bouwen in dat land, met een toevoeging van meer heerlijkheid, dan er ooit tevoren in was.

    Wat ulieden aangaat, ik wilde u over twee of drie dingen wel enige vermaning, en waarschuwing geven.

    1. Het is niet genoeg, in het tegenwoordig verschil goed gevestigd te staan: maar gijlieden moet trachten heilig te zijn in al uw wandel, en schijnen als lichten onberispelijk en onnozel, als kinderen Gods, onstraffelijk in het midden van een krom en verdraaid geslacht. Een afgod in ‘t hart gehouden, of een vlek in het leven, zal in het eind een vreselijke ontdekking maken van ongezondheid en onoprechtheid; laat de liefde en vrees van God zichtbaar zijn in heel uw gedrag, voor allen die op u zien, zo zult u zeer nabij komen, om zelfs de tegenpartijder te overtuigen van de dadelijkheid van uw godsdienst.

    2. Merkt goed op; deze strijd is nog niet ten einde; u hebt tot den bloede toe niet tegengestaan; u weet niet, welke beproevingen u nog mogen overkomen; houdt uw wapenrusting aan; sterkt uw voornemen, om uzelf, en al wat u hebt, om Zijnentwil te verloochenen; houdt u gedurig nabij, en altijd in goede overeenstemming bij de overste Leidsman van uw zaligheid; en vreest niet, dat u niet overvloedig zult geholpen, en geleerd worden, wat te zeggen, wat te doen, en hoe te lijden.

    3. Indien de Heere wegens zo’n vreselijke afval, en verbondsbreking, benevens de schrikkelijke geestelijke oordelen, die reeds uitgestort zijn, een algemene zwarigheid in dat land zal zenden, als zwaard, pest, of dure tijd, zo wilde ik bidden en hopen, dat u verborgen zoudt mogen zijn; maar indien enige van deze plagen iemand van ulieden zullen raken, zo murmureert niet, want uw zonden mochten nog meer over u brengen; het is veel, indien u uw zielen tot een buit krijgt.

    4. Houdt steeds uw samenkomsten tot bidden, en onderlinge opwekking; roept sterk tot God; ieder van ulieden in ‘t geheim, zo zullen uw samenkomsten niet dor en sleurachtige zijn; slechts weinig worstelaars kunnen helpen, om God in ‘t land te houden; Hij is niet gewillig om weg te gaan, indien iemand Hem maar houden wil. Zoekt bekering voor ‘t land en voor uzelf; verzoekt standvastigheid voor degenen, die staan, en herstel voor degenen, die uitgegleden of gevallen zijn. Laat mij enig klein deel hebben in uw gebeden, opdat ik mijn loop met blijdschap mag voleindigen, en steeds vruchten voortbrengen in de ouderdom. Verzoekt van de Heere rechte ijver, wijsheid, en teerheid, om met enige van uw buren te handelen, die weleer voor Hem verschenen, en nu afgeweken zijn; indien u op enige van hen vermengt, zo laat ze toe tot uw vergaderingen. Nu de Heere geve u verstand in alle dingen

    Ten derde. Wat nu belangt de staat van de Kerk, en van ‘t werk Gods in dat land; u kunt gedenken, dat hoewel ik niet vermeden heb, naar mijn geringe mate, en naardat de gelegenheid voorkwam, en de noodzakelijkheid vereiste, mijn gevoelen bekend te maken aangaande de openbare zaken, de gevaarlijkheden, en de plichten van de tijd; ik nochtans niet zeer veel op zulke dingen pleeg te staan, als niet zeer genegen, noch bekwaam zijnde tot het redetwisten, en hebbende door menigvuldige ervaringen bevonden, dat zo ras als iemand ingewonnen was, om Christus in waarheid te omhelzen, en de godsdienst ernstig ter harte te nemen, hij in ‘t algemeen uit een natuurlijk grondbeginsel terstond gezond werd in de verschillen van de tijd. En in de tegenwoordige toestand, zouden verscheidene dingen eerder schijnen te raden tot stilzwijgen, omdat onze tegenwoordige staat waarlijk eerder behoort stof tot klagen en droefheid voor de Heere te zijn, dag en nacht, alleen, en in gezelschap, dan stof tot samenspreking met elkaar; en omdat het zeer zwaar is, vrijmoedigheid te gebruiken, en sommigen niet te mishagen die men zeer onwillig zou vertoornen, en omdat ik boven al de mensen die leven, de minste reden heb van te denken, dat ik mijn licht tot een regel van een andermans licht zou mogen aanbieden. Maar als ik aanmerk, dat ik als een, hoewel zeer onwaardige nochtans, die opdracht heb van Jezus Christus, als een afgezant van Hem aan Zijn volk, binnenkort voor Hem sta rekenschap te geven van mijn handeling in dit gezantschap, zo kan ik niet ontwijken, het licht, dat ik oordeel van Hem ontvangen te hebben uit Zijn Woord, aangaande de tegenwoordige zaken van de Kerk, tot ulieden uit te brengen, als voor Zijn aangezicht, in zo grote eenvoudigheid en oprechtheid als ik kan.

    En vooreerst, ik behoef niet lang er op te staan, in te verklaren, dat niettegenstaande al wat nu enige tijd terug gebeurd is, en niettegenstaande al de tegenwerpingen tegen ‘t werk van de hervorming, die allen reeds voor dertig jaren voorgesteld en beantwoord zijn; ik nochtans, en dat gehele land, en de nakomelingen na ons voor de Heere verbonden staan, om aan te kleven aan ‘t nationaal verbond, aan het plechtig eedverbond, en aan alle delen en trappen van hervorming en eenvormigheid, waar wij toe gekomen waren.

    Ook wil ik niet verzwijgen, dat hoewel ik mij daarna onttrok van de samenkomst van de protesterende partij, toen ik bemerkte, dat de zaak scheen te strekken tot een gezette scheuring, ik nochtans, na zo’n nauwkeurig onderzoek, als ik kon maken, geen beschuldigingen heb, maar eerder goedkeuring, wegens dat ik mij in ‘t begin in het rechtsgeding voegde tegen de weg, die ingeslagen werd in het jaar 1651 en daarna, om de kwaadaardige vijanden van ‘t werk Gods in te brengen in de raadsvergaderingen, en in de plaatsen van bewind. Ik ben niet gewillig, in zulke as te roeren, och of het vuur was uitgeblust en vergeten! En ik weet, dat sommigen vrome mannen, in een dag van grote duisternis en ellende, datgene deden, dat zij oordeelden voor die tijd een plicht te zijn. Doch wanneer ik let op onze vorige verbintenissen tot het tegendeel, en merk, dat de gronden en beweegredenen van die handel noodzakelijk moeten terugkeren, tegen vorige pogingen, van het leger te zuiveren, en tegen de tegenstand, die wij gedaan hebben tegen de onwettige verbintenis in ‘t jaar 1648, ja tegen de plechtige eed en verbond, en bijgevolg tegen het laatstleden werk van hervorming, ja, tegen de hervorming van het pausdom af. En dat de menigte van de kwalijk genegen leraars van ‘t land, waarvan sommigen, hoewel ten onder gehouden, mochten in iedere algemene synode gemerkt zijn geweest, zelfs al van ‘t jaar 1638, zich zo natuurlijk voegde, om de partij uit te maken; zo oordeel ik, dat die richtingen geen kleine stap van de afval van de Kerk zijn geweest.

    Ik kon waarlijk gewenst hebben, dat er aan beide zijden meer gematigdheid en meer dadelijke pogingen tot vereniging in de Heere hadden gebruikt geweest; maar ik was ook overtuigd dat die laatste droevige verandering in enig opzicht tijdelijk van de Heere gezonden was, opdat getrouwe leraars en belijders liever zouden lijden door de bisschoppen, dan door de kerkelijke gerichten, dat naar alle waarschijnlijkheid kort daarna zou gevolgd zijn, ja, in sommige plaatsen al reeds begonnen was. En het is zeer droevig, dat wanneer de tijd het noodzakelijke gevolg van die gangen heeft aan ‘t licht gebracht, nochtans weinigen of geen van hen, enige droefheid en berouw daarover betuigd hebben.

    Behalve de klare betoningen van de krachtdadigheid van ‘t Evangelie, in zondaren te bekeren en te bevestigen, dat in de Kerk van Schotland alzo ogenschijnlijk is geweest, als in enige gereformeerde kerk, behaagde het de Heere, van ‘t begin af aan, een stuk van dienst in de hand van Zijn dienstknechten in dat land te stellen, dat zo onmiddellijk niet geëist is van de handen van enige andere kerken; te weten: gelijk er voor Christus’ profetisch en priesterlijk ambt is geredetwist en geleden, daarin opgeklaard, zo moesten zij staan en strijden voor Zijn koninklijk ambt, dat Hij niet alleen inwendig een geestelijk Hoofd is voor Zijn verborgen Kerk, maar ook uitwendig een geestelijk staatkundig Hoofd voor het staatkundige lichaam van de zichtbare kerk van de belijders, en haar enige Wetgever om haar te bekleden met inwendige macht, om tot de godsdienst samen te komen, en opdat de kerkdienaars, door Hem gesteld, zouden samenkomen, tot oefening van de tucht en tot verordening van de zaken van Zijn huis, zodat geen plechtigheid of vond van mensen, die hun indruk missen, mag gebracht worden in Zijn godsdienst: geen kerkdienaar mag in Zijn huis gebracht worden dan alleen zulken, die Hij in Zijn Woord geordineerd heeft. En hoewel Zijn dienstknechten, en het volk, zich omtrent Gods instelling van ‘t magistraatschap, in de plaats waar zij leven, zo moeten gedragen, als enige andere onderdanen, en geen eerbied of gehoorzaamheid, die hen toekomt, aan hen weigeren; nochtans zijn ze in hun samenkomsten en bedieningen niet ondergeschikt aan, noch afhankelijk van enige burgerlijke macht. Deze en dergelijke andere waren de punten die bevestigd zijn, en waarvoor geleden is door de beroemde helden van deze kerk, door Mr. Knox, Mr. Welsh, Mr. Bruce, en vele anderen, die nu blinken in de heerlijkheid.

    En hoewel er in vorige tijden verscheidene droeve dagen van afval van leraars zijn geweest, gelijk in ‘t jaar 1584 en op andere tijden, nochtans, omdat er nooit zo’n zwart uur en kracht van de duisternis was, als er nu op ons gevallen is, zo zal ik in de tweede plaats enige bijzonderheden aanraken, om welke ik oordeel, dat u en ik en vele anderen, reden hebben, om bitterlijk voor de Heere te treuren.

    Vooreerst, dat in ‘t begin van deze zware afval, zo’n laffe bloheid op allen in ‘t algemeen viel, dat er niet één getuigenis van enig kerkgericht in Schotland gegeven werd aan de zaak Gods, en tegen de schrikkelijke schending van een bezworen verbond; ja, sommigen hebben zozeer met opzet getuigenissen verhinderd, alsof zij er toe gehuurd waren, van welke sommigen voorgaven, dat het geen bekwame tijd was, en wanneer er een bekwame tijd kwam, en zij er zelfs toe aangedrongen werden door de hoge macht, ontweken zij het evenwel. Het was eerst en laatst de schuld van degenen, die de overtuiging op hun hart hadden, dat ze de plicht verzuimden, wegens gebrek dat anderen niet mee willen doen. Ware ijver voor de eer van onze Meester, of het gedenken aan onze rekening voor Hem, diende ons tot een andere soort van vrijmoedigheid opgewekt te hebben; wij zouden zo simpel en stom niet geweest zijn, in zaken van ons eigen belang; het gezicht van ‘t gevaar van de vader, brak eens een zoon zijn tongriem, die van zijn geboorte af stom was geweest. Het is waar, de Heere bezorgde Zich een dadelijk getuigenis van sommigen, wier benen voor de zon tot getuigen hebben gestrekt, en nog tot getuigen. Maar helaas! Dat wij niet iets ondernamen te doen, tot Zijn eer, tot onze eigen vrede, ten goede van de nakomelingen, ja ook zelfs tot het ware goed en stichting van onze tegenstanders! Wij behoren niet alleen diep verootmoedigd te zijn, en veel en lang te handelen met God om vergeving van zo’n nalating; maar wij moeten ook ernstig genade en kracht verzoeken, om enige bekwame gelegenheid aan te grijpen, om zo’n verlies te vergoeden.

    Ten tweede. Dat sommigen van die predikanten, die door de oppermacht waren afgezet van hun ambt, zichzelf ook enigerwijze van ‘t ambt onthielden, alsof zij van alle ambt ontlast hadden geweest; daar nochtans degenen, die enige vrijheid hebben van een onderdaan, en die hun voeten en tong los hebben, liever behoorden aan te houden tijdig en ontijdig, en van huis tot huis te onderwijzen en te waarschuwen jongen en ouden, ‘t zij die tevoren onder hun bediening waren, ‘t zij elders overal, naardat de gelegenheid zich aanbood.

    Het is waar, niemand is nu een apostel; maar de leraars hebben dezelfde bediening die de apostelen hadden om de kudde van Christus te weiden; en zij worden voornamelijk, en in de eerste plaats, gegeven, niet aan een bijzondere gemeente, maar aan de algemene zichtbare kerk; weinigen van de apostolische mannen hadden of zulke kerken en preekstoelen, om in te prediken, of een gevestigd onderhoud. Liefde tot Christus, en liefde tot de zielen van het volk, die in onwetendheid en ongehoorzaamheid verloren gaan, moest de liefde tot rust, en de vrees voor gevaar, en de afgod van vleselijk voorzichtigheid uitbannen. Hoewel iemand om zichzelf en zijn huisgezin staande te houden mocht gaan bedenken de geneesmiddelen, of bearbeiden het land, of begeven zich tot een ander ambt; nochtans moet hij gedenken, dat de predikdienst zijn voornaam ambt is, en dat hij zich in het aannemen van dat ambt, voor God verbonden heeft, vlijtig en getrouw daarin te zijn. Sommigen hebben wel gepredikt uit de vensters van de gevangenis; sommigen hebben hun eigen cipiers bekeerd. Het zou te wensen zijn, dat een predikant in alle plaatsen, in alle gezelschappen, ten allen tijde bezig was, omtrent iets van zijns Meesters werk; zo zal hij eindelijk dat woord horen: wel gij goede en getrouwe dienstknecht. Laat ons met de Heere in gebeden handelen, dat Hij met de harten van al Zijn dienaren handelt, en dat Hij hen in Zijn oogst uitstoot; gelijk ik hoop, dat sommigen, die in die plicht wat gebrekkelijk schenen te zijn, reeds begonnen zijn, zichzelf op te wekken; en anderen zullen op ‘t gezicht van de gangen van de tijd, en van het volk hun noodzakelijkheid en gewilligheid om te horen, nog overvloediger daarin zijn.

    Ten derde. Dat, nadat de verwoesters van de erfenis van de Heere, het werk van de hervorming tot de grond toe gelijk gemaakt hadden, en niet alleen aan zich genomen hadden de rechten, die God aan Zijn knechten verleend heeft in de regering van Zijn huis, maar ook zover als schepselen kunnen doen, Zijn koninklijk voorrecht overweldigd en aangematigd hadden en geheel niet verbergende de strik, maar hun tekening door de brief aan de raad en door de acte ervan ontdekt hadden, dat ze de bediening van ‘t Woord geheel afhankelijk wilden hebben van de burgerlijke macht en opperheerschappij, evenwel enige leraars aangenomen hebben, ‘t geen zij noemden een indulgentie (vergunning) van hun predikdienst, zonder enig openlijk getuigenis, of van hun aankleving aan de eed Gods, en aan ‘t werk van de hervorming, of tegen deze overweldigingen. Och, dat ons hoofd water ware, en onze ogen fonteinen van tranen, om dag en nacht te bewenen zo’n smaad, als de Zoon Gods is aangedaan, en dat zonder een getuigenis, alsmede om te beklagen zo’n schande, als geworpen is op de kerk van Schotland! Onze vaders hebben om veel minder zaken tegen de machten van de aarde gestreden en getwist, opdat de waarheid van het Evangelie bij ons zou mogen verblijven; en menen wij, dat onze Heere en Meester niet machtig is, Zijn Eigen zaak te handhaven?

    Ik heb grote liefde voor de meeste van die mannen, die ik meen, dat een prikkel in hun hart mogen hebben, wegens het verzuim van die bekwame gelegenheid. Evenals een Petrus en een Barnabas te eniger tijd tot veinzen, en door een veinzing vervoerd kunnen worden van hun plicht. De goede naam van de predikdienst behoort ons lief en dierbaar te zijn, maar de goede naam en achting van onze Meester, en van al Zijn belang, behoort ons liever te zijn, dan alle andere dingen. De bediening van het Evangelie is waarlijk een grote weldaad; maar daar is geen hindering, waarom men de bediening van het Evangelie niet had kunnen hebben, en nog niet kan hebben, zonder een preekstoel en een traktement. Het is een kwalijk gemaakte koop, waar de ene partij klare winst krijgt, omdat de sleutelen van Christus’ huis eniger wijze aan hen overgegeven worden, en de andere partij is onzeker, of God een predikdienst zal zegenen, die door zo dure prijs gekocht is.

    Indien enige leraars een hand hebben gehad in die vergunning te verzinnen of te bezorgen, zo stel ik voor vast, dat ze de ellendige Kerk van Christus in dit land meer kwaad gedaan hebben, dan al de bisschoppen en al hun huurlingen; en indien zo’n vergunning (verlof en toegeving om te prediken) werd aangeboden aan, en aangenomen van alle predikanten van het land, zonder een openlijk getuigenis, ik zou het aanzien als het allervreselijkste voorteken, dat nog gezien is, van des Heeren gehele verlating van het land.

    Het verschil is nu niet over de bisschoppelijke regering en over de plichtplegingen, maar of Jezus Christus Koning is van Zijn Eigen Kerk, die Hij met Zijn bloed gekocht heeft? Dan of de Leviathan van de opperheerschappij alles zal inzwelgen? Aan welke het al evenveel is, of het de bisschoppen dan of het de ouderlingen onder zijn dienst heeft; alleen moet het regeren naar zijn eigen goedvinden, zonder tegenspraak, en brengen nog meer en meer vruchten voort van alle goddeloosheid en onheiligheid.

    Een predikant, die waarheden kan prediken, die niemand in twijfel trekt, en stil voorbij gaat, en niet aanraakt dit groot verschil, of zo duister daarvan spreekt, dat hij niet begeerd verstaan te zijn, in ‘t geen hij er van ontdekt, van hem zou ik niet durven zeggen, dat hij in deze een getrouw gezant van Jezus Christus is. Gewis, indien zijn eigen goede naam geraakt was, hij zou op een meer stekende wijze spreken; nu, de eer van Zijn Meester behoorde boven zijn eigen goede naam te gaan. Enkel niet overeen te komen met de schikking die voorgesteld wordt, is geen genoegzame blijk van getrouwheid op zo’n tijd. De satan acht de bisschoppen, noch degenen, die hen in die hoogheid gesteld hebben, noch degenen die hen volgen, voor een grote winst. Maar de uitgestoten leraars, en de getekende belijders, zouden een grote prijs voor hem zijn; en ik verzeker mij, laat hem zo hard ziften als hij kan, hij zal er geen krijgen, die Christus toe behoren.

    O, hoe droevig is het, dat sommigen, om mensen te behagen, ja zelfs om die omverwerpers van het ganse werk Gods te behagen, aan een kant gelegd hebben dat nuttige deel van hervorming en eenvormigheid, het verklaren van de Schrift voor de predikatie; dat tevoren tot zoveel stichting in ‘t werk gesteld is; en andere verkreupelen het zo, dat het goed zou zijn, als ze het nalieten. De verontschuldiging die men maakt, wegens de korte dagen van de winter, of wegens de zwakheid van iemands lichaam, kan wel dienen voor iemand, om vrij de lectuur (de korte opening van een deel van de Schrift) en de predikatie korter te maken, maar het op zo’n voorwendsel af te leggen, inzonderheid omdat het enigerwijze een geval van belijdenis is, vrees ik, zal niet goedgekeurd worden voor de rechtvaardige Richter. Indien men zegt, beter het prediken te hebben zonder de lecturen (de korte verklaring van de Schrift voor de prediking) dan geheel geen prediking te hebben; dat is waar, indien er een natuurlijk (physicum) hinderblok is in de weg van het lezen, of indien al het prediken door de Heere zou verbonden geweest zijn aan zo’n preekstoel. Maar als de mensen onze vrijheid komen verspieden, die wij in Christus Jezus hebben, opdat ze ons tot dienstbaarheid mogen brengen, en zij ons gewennen wilden, om de een na de ander van hun lasten op te nemen, dan behoren wij zelfs niet een uur plaats te geven door onderwerping aan hen; want door zo’n bewijsvoering zou het ook beter zijn, prediking te hebben, zonder ooit Jesaja aan te halen, dan geen prediking, beter het preken te hebben zonder te gewagen van het besluit van de verkiezing, of van de toegerekende gerechtigheid, dan geheel geen preken.

    Helaas! de Heere heeft over ons uitgestort de geest des diepen slaaps, en heeft onze ogen gesloten, onze profeten, en onze regenten en de zieners heeft Hij verblind. Och, wat een diepe wond was het in mijn hart, als ik hoorde van een predikant, die ik oordeel, dat zeker ware genade en bijzondere gaven heeft, dat hij zover zich voegde met de koers van de tijd, dat hij een heilige dag hield, die van mensen ingesteld is, en dat hij dronk omtrent de vreugdevuren. Wat zal het einde nog van deze dingen zijn? Wat zal ‘t zijn, wanneer God het geweten zal opwekken? Onze leraars waren onze heerlijkheid, en ik vrees, ook onze afgod; en de Heere heeft de hoogmoed van onze heerlijkheid verontreinigd.

    Geen van ons, die hier zijn, en die niet vergenoegd schijnen met enige dingen, die thuis geschieden, missen overtuiging van onze eigen zware misdragingen; en ‘t is waarschijnlijk, dat indien wij thuis waren geweest, wij erger zouden gedaan hebben dan enigen. Indien het mogelijk zou zijn, ik wilde wel graag zo voor Christus en Zijn interest spreken, dat ik niet enig persoon mocht als een steek geven; maar Levi’s plicht en zegen ligt op een andere wijze. Ik belijd voor u, hoewel ik een dadelijke verontschuldiging heb, wegens mijn onbekwaamheid om te redetwisten, en te redekavelen, zonder dat het voorstellen van ons gevoelen al te meesterlijk schijnt, dat ik nochtans een besef heb, dat mijn niet-schrijven aan enkele vrienden, de schuld van sommige dingen, die gedaan of gelaten zijn, meer de mijne maakt, dan de hunne.

    Och, dat er een dag was, wanneer wij allen, ‘t zij samen, ‘t zij alleen, zonder op iemand af te stuiten, en te zien, dan op onszelf, mochten rouwklagen met de rouwklacht van Hadadrimmon in het dal van Megiddon! Die dag zou ik aanzien, als Schotlands grote verlossing; ja, wij moeten het zeer ernstig van de Heere verzoeken, en arbeiden daartoe, opdat het hele gros van ‘t volk, en ook degenen, die de afval hebben aangevoerd, bekering mogen krijgen. Zo zouden wij voor de wereld een groter wonder zijn van Zijn weergaloze barmhartigheid, dan wij nu zijn van een schielijke en schandelijke afval. En vele zulke wonderen kan Hij werken, indien het Hem gelieft; en wij mogen onderstellen, dat Hij ze werken zal, indien er worstelaars waren om zo’n zegen; maar ook dat is Zijn Eigen gave. Hem zij alle heerlijkheid tot in eeuwigheid.

    Tot besluit zal er verwacht worden, dat ik ulieden allen enige besturingen geef, hoe in zo’n tijd te wandelen. En ik zal ze u voorstellen, zoals zij in mijn gedachten komen.

    Eerst. In alles en boven alles, laat het Woord Gods uw enige regel zijn, Jezus Christus uw enige hoop, Zijn Geest uw enige Leidsman, en enig eind.

    Ten tweede. Ziet toe, dat iedereen van u God in eenzaamheid elke dag dient, ‘s morgens en ‘s avonds ten minste; leest iets van Zijn Woord, en roept Hem aan door ‘t gebed; en zegt Hem dank; indien u wat engte hebt door bezigheid, ‘t is niet zozeer de lengte van uw gebed, waar Hij op ziet, als wel de oprechtheid, en de ernst van het hart. Maar verzuimt de plicht niet; en indien u bent, waar u niet gehoord kunt worden, zo spreekt luid; soms is dat een groot behulp; maar doet het niet, om door anderen gehoord te worden; zingt ook een psalm, of een gedeelte van een psalm; u kunt er tot dat einde enige van buiten leren.

    Ten derde. Tracht de gehele dag door, de Heere altijd voor uw ogen te stellen, als tegenwoordig, om op u te letten, en u tot iedere plicht te sterken; en ziet dan, eer u slapen gaat, alles over, hoe de dag is doorgebracht geworden.

    Ten vierde. Degenen, die huisgezinnen hebben, tot die zeg ik: richt de godsdienst op in uw huisgezinnen, zozeer als u Gods toorn zoudt willen ontgaan, die uitgestort zal worden over de huisgezinnen, die Zijn Naam niet aanroepen.

    Ten vijfde. Als de gelegenheid voorkomt, van dat enig vroom leraar nabij komt, en kan gehoord worden, zo verzuimt die gelegenheid niet. En gaat op ‘s Heeren dag, waar u het Woord oprecht kunt horen prediken door een gezonden leraar, die getuigenis wil geven tegen de zonden van de tijd, zonder dat ik vrees, dat de Heere de zegen niet zenden zal, hoedanig ook de gaven van de leraars mogen zijn. Oxnam is niet veraf van ulieder plaats, en ik hoop, dat Mr. Scot zich verklaart, en zal verklaren voor de bezworen hervorming, en getuigenis geven tegen de tegenwoordige afval. Maar ik durf u niet gebieden, iemand te horen van de ingedrongen huurlingen, die zij Curats noemen. Ik weet wel, dat enige vrome lieden ettelijke ervan gehoord hebben, of nog horen: maar ik geloof, indien alle vrees van in ongemak te komen, weggenomen was, zij zouden anders doen. Indien er geen gelegenheid is voor een openbare samenkomst, of indien u er niet naar toe kunt gaan, zo heiligt de dag des Heeren in uw huisgezinnen, of immers elk van ulieden in uw eigen hart.

    Ten zesde. Geeft de wereld geen gelegenheid, om te zeggen, dat u uw beroep verzuimt, of dat u zich bemoeit met de zaken van een ander, of dat u enige dubbelheid hebt in uw wereldse handel; een getrouw gedrag, vrij van gierigheid, is een groot sieraad voor de belijdenis.

    Ten zevende. Draagt zorg voor uw kinderen, dat ze leren lezen, en dat ze Bijbels hebben, zo ras als zij die kunnen gebruiken; en neemt ze met u, om het gepredikte Woord te horen; en onderricht hen zelf daarom te naarstiger, omdat de openbare middelen schaars zijn.

    Ten achtste. U die enige ledige tijd hebt; leest enige goede boeken, waardoor u in kennis en genegenheid ten goede vorderen kunt. Leest nu en dan de verbonden, de belijdenis van het geloof, en de grote catechismus, en het traktaatje, dat erbij gedrukt is; ik wilde u aanbevelen de geschriften van Mr. Durham, en Mr. Binning, en Mr. Willem Guthry, en Mr. Andreas Gray, inzonderheid Mr. Rutherfords brieven, ik hoop dat ulieden binnenkort met meer exemplaren ervan zult voorzien worden. Gelijk mede enige goede boeken van Engeland komende, als Mr. Allein, of dergelijke; ik durf u Baxter niet aanbevelen; hij is een gevaarlijk man. Laat Chasters en Standhil enige zodanigen kopen, naardat ze kunnen, en laat ze die aan anderen uitlenen, om te lezen.

    Ten negende. De gedachten die u hebt van het werk van deze tijd, beproeft die goed aan het Woord; en brengt ze menigmaal voor God door ‘t gebed: en ‘t geen u alzo bevestigd krijgt, laat u daar niet licht aftrekken; al mochten enige predikanten van een tegenovergesteld gevoelen zijn; want in deze dagen hebben verscheidene van ‘t gewone volk een klaarder licht, en een vaster beoefening, dan sommige leraars. Maar weest niet trots, of eigenzinnig in uw eigen gevoelen.

    Ten tiende. Ziet alleszins wel toe, dat u niet afgetrokken wordt tot een verachting van de predikdienst of predikers, in welke iets van God waarlijk blijkt, hoewel sommigen mochten uitgegleden zijn in een ure van verzoeking; maar bestudeert alle wettige wegen van vereniging en heling, doch zo, dat u niets goedkeurt, dat het Woord en uw geweten veroordeelt.

    Ten elfde. Versterkt uzelf in de voorname gronden van de godsdienst tegen ‘t pausdom; en leest tot dat einde enige korte traktaten; u weet niet, of het mocht wel een groot deed van de beproeving van de tijd zijn.

    Ten twaalfde. Enige predikanten zijn onlangs begonnen in twijfel te trekken Christus’ toegerekende gerechtigheid; ziet op deze, wat vertoning zij ook maken van gematigdheid, en nauwkeurig wandelen, als vijanden van Jezus Christus, en van de zaligheid van de zielen.

    Ten dertiende. Houdt u ver, zeer ver van die laatste vond van de Satan, de kwakerij, die onder schijn van gematigdheid en lijdzaamheid, omver stoot al de gronden van de christelijke godsdienst. En waarlijk zij behoorden niet aangezien te worden als Christenen; zij zelf en ‘t licht binnen hen, dat ook is in alle heidenen, zijn hun gehele Zaligmaker; verkeert met hen niet; vermijdt zoveel als u kunt samenspreking met hen; de boze geest die in hen is, begeert niets beter, dan gedurig twisten. Velen zijn zeer bedrogen, zo er niet veel duivelswerk onder hen is, gelijk sommigen, die van hen afgekomen zijn, getuigd hebben.

    Ten veertiende. Ik weet, dat nu de weg ophoudt, die placht genomen te worden, om de armen van spijs te voorzien; doch zondert gijlieden naar uw bekwaamheid een gedeelte van uw middelen af, voor de armen; ik bedoel niet de brutale landlopers, maar de arme huishouders; inzonderheid die iets goeds in zich hebben.

    Ten vijftiende. Handelt met alle ernst en liefde met al diegenen van uw geburen, die u merkt te zijn op een weg, die hun zielen zal verderven; bezoekt uw geburen in hun ziekte, en spreekt en drupt iets ten goede van hun ziel.

    Ten zestiende. Degenen die ouderlingen geweest zijn, en niet zijn meegelopen in de goddeloze richting van de tijd, laat die weten, dat hun verbintenis niet ophoudt, maar een grotere geworden is, om de gemeente te bezoeken, en opzicht er op te hebben, te waarschuwen, en te troosten, naardat de gelegenheid vereist.

    Ten zeventiende. Vergeet niet Christus’ bevel, om uw vijanden lief te hebben, en te bidden voor degenen, die u vervolgen; menigmaal doet onze vleselijke toorn en bitterheid een mom-aangezicht aan, alsof het ijver was; ware liefde tot God en onze naasten zou ons aanzetten tot vele plichten, die nu vergeten zijn, en tot een betere wijze van plichten te doen, en nochtans zou deze ons bewaren, van deel te hebben aan andere mensen hun zonden.

    Ten achttiende. Bewaart uw hart van een vleselijk beschikking, in van de misdragingen van anderen te spreken, of te horen; en laat dat niet alle stof van uw samenspraak zijn, hoewel het een deel mocht zijn. Maar er is meer stichting, in te spreken van ‘t geen goed is.

    Ten negentiende. Ik hoor, dat er onlangs een vreemd werk van de genade begonnen is in sommigen, niet ver van ulieden, op de eindpalen van Northumberland. Ik oordeel, dat het tot uw voordeel zou zijn, indien enige van ulieden die bekwaam zijn, daarheen gingen, om kennis aan hen te krijgen; uw vriend Hendrik Hall zou gemakkelijk uw gemeenzame kennis maken; de kracht van hun vuur mocht wel oude verslapte belijders helpen aansteken: ja indien sommigen van ulieden, die nog genadeloos zijn, wilden gaan, en zien hun weg en handel, zij mochten ook met die gezegende ziekte geslagen worden.

    Ik vrees, dat u mijn hand nauwelijks zult lezen, en nochtans heeft mij deze brief bijna zoveel dagen benomen, om te schrijven, als er bladzijden zijn. Doch het was niet gevoeglijk, een anders hand te gebruiken.

    Laat deze brief gelezen worden voor de gehele gemeente, die willig zullen zijn, om hen te horen, ook voor enige, die er uit weggegaan zijn, als Andries Burkholm, en Margriet Walker, ook enigen, die gewoonlijk bij ons plachten te vergaderen, als juffrouw Ehot, Isabella, Simpsom, en dergelijke anderen. Ik weet, er is een grote verandering, sinds ik u verlaten heb, en dat door de dood van enigen, en door het inkomen van anderen; maar ik word soms verkwikt, door de rol van de gemeente over te zien, zoals zij was, als ik ulieden verliet. Verzoekt mijnentwege Mr. Henricus, en Mr. Wilhelmus Erskin, of iemand anders van dat soort, dat ze ulieden nu en dan eens komen bezoeken, en wat bevochtigen. Ik zou wel wensen, dat wanneer u hoort, dat enig vroom koopman te Edinburgh, of iemand anders herwaarts komt, enige van u aan die een bijzonder verhaal wilden geven, van ‘t goed en kwaad, om tot mij te brengen. Ik kreeg onlangs een klein verhaal van Johannes Toteha, dat mij beide, vrolijk en bedroefd maakte; ik zal schrijven, wanneer enige van mijn zonen zullen overkomen, dat ze, indien ze kunnen, een dag of twee tot u komen, en mij onderrichting brengen, hoe het met ulieden is. Nu zoals ik kan in deze afstand, ik omhels ulieden allen, die zich met ons plachten te voegen op ons H. Avondmaal; ik groet ulieden allen, ik zegen ulieden allen; ik beveel u allen aan God en het Woord Zijner genade, Die machtig is, ulieden op te bouwen, en een erfenis te geven onder die allen, die geheiligd zijn. De rijke en krachtdadige genade van de Heere Jezus Christus zij met u allen. Dus wenst

    Uw liefhebbende herder, Johannes Livingstoun

    Rotterdam, 7 oktober 1671

     

  10. Register van de namen van degenen, aan welke al de voorgaande brieven geschreven zijn
  11. Brieven aan gemeenten geschreven

    Aan de gemeente in Anwoth. — Brief 2, 14, 149, 191.

    Aan de gemeente in Ierland. — Brief 3, 290.

    Aan de gemeente van Kilmacolm.— Brief 217.

    Aan de gemeente van Aberdeen.— Brief 353.

    Aan de gemeente te Ancram. — De laatste brief.

    Aan de leraars en gemeenten van Nederland.— De voorlaatste brief.

    Brieven aan leraars geschreven

    Aan Mr. Robert Cuningham.— Brief 1.

    Aan Mr.Alexander Henderson. — Brief 16.

    Aan Mr. Will. Dalgleis. — Brief 18, 125, 131.

    Aan Mr. Hugh. Mac-Kail. — Brief 19, 162, 182, 196.

    Aan Mr. David Dickson. — Brief 21, 73, 92, 197, 299.

    Aan Mr. Matheus Mowat.— Brief 22, 179, 302.

    Aan Mr. Jacobus Bruce. — Brief 32.

    Aan Mr. Thomas Garven.— Brief 56, 117, 188.

    Aan Mr. Jacobus Hamilton — Brief 71, 181.

    Aan Mr. Georgius Lumbar — Brief 72.

    Aan Mr. Georgius Gillespie. — Brief 78, 115, 330.

    Aan Mr. Johannes Meine. — Brief 80, 116, 139.

    Aan Mr. Robert Blair — Brief 88, 172.

    Aan Mr. Alexander Colvill van Blair. — Brief 96, 203.

    Aan Mr. Johannes Fergusshill.— Brief 101, 145, 166.

    Aan Mr. Robert Douglas. — Brief 102.

    Aan Mr. Hugo Henderson. — Brief 104, 128.

    Aan Mr. Johannes Nevay.— Brief 123, 201.

    Aan Mr. Jacobus Flemming.— Brief 138.

    Aan Mr. Johannes Livingstoun.— Brief 198.

    Aan Mr. Efraïm Melvin.— Brief 199.

    Aan Mr. Johannes Row.— Brief 204.

    Aan Dr. Alexander Lighton.— Brief 291.

    Aan Mr. Hendrik Stuart en zijn vrouw en dochter.— Brief 292.

    Aan Mr. Jacobus Guthry. — Brief 358—361.

    Aan Mr. Wilhelmus Guthry. — Brief 336.

    Aan Mr. Trai. — Brief 359.

    Robert Campel. — Brief 362.

    Johannes Scot van Oxnam. — Brief 346, 349, 351, 352.

    Aan Mr. Jacobus Durham. -- Brief 350.

    Aan ongenoemde predikanten. — Brief 124, 322, 358.

    Aan de Studenten van de H. Theologie. — Brief 335.

    Brieven aan andere mannen van hoger en lager staat

    Aan de heer Markies van Argyl. — Brief 312.

    Aan de heer Graaf van Loudon. — Brief 17, 75, 214,325.

    Aan de heer Graaf van Cassils. — Brief 42, 63, 106.

    Aan de heer Graaf van Lothian. — Brief 141.

    Aan de heer Lindsay. — Brief 38.

    Aan de heer Craighall. Brief 67, 171, 174, 209.

    Aan de heer Gaitgirt. — Brief 76.

    Aan de heer Balmerinoch. — Brief 109.

    Aan de heer Cally. Brief 132, 152.

    Aan de heer van Carfluth. — Brief 147.

    Aan de heer Boyd. — Brief 39, 134.

    Aan de heer Carletoun. — Brief 31, 193, 207.

    Aan de heer Cassincarrie. — Brief 148.

    Aan de heer Moncrief. — Brief 189.

    Aan de heer Fulwood.— Brief 195.

    Aan de heer Gilbert Ker. — Brief 332—334, 337—339, 344.

    Aan Johannes Gordon van Cardones de oudste.— Brief 14, 26, 140, 191.

    Aan Johannes Gordon van Cardones, de jongere.— Brief 25, 133, 192.

    Alexander Gordon van Earlestoun, de oudste.— Brief 82, 86, 122, 136, 165, 212, 240, 327.

    Aan Earlestoun, de jongere. — Brief 27, 97, 130, 160.

    Aan Alexander Gordon van Knok-gray. — Brief 28, 110, 119, 206.

    Aan Robert Gordon van Knoxbrex.— Brief 87, 108, 121, 159, 208, 213.

    Aan Alexander Gordon van Garloek. — Brief 148.

    Aan Willem Gordon van Robertoun. — Brief 186.

    Aan Willem Gordon te Kenmur. — Brief 153.

    Aan Johannes Gordon van Risco.— Brief 86, 127, 161.

    Aan Robert Gordon. Baljuw van Ayr.— Brief 44, 135.

    Aan Willem Halliday.— Brief 23.

    Aan Jacobus Lindsay.— Brief 62.

    Aan Johannes Osburn, Burgemeester van Ayr.— Brief 43.

    Aan Johannes Eennedy, Baljuw van Ayr.— Brief 45, 46, 89, 221.

    Aan Jacobus Bauty.— Brief 50.

    Aan Johannes Stuart, Burgemeester van Ayr. — Brief 51-53, 146.

    Aan Robert Stuart.— Brief 143.

    Aan Ninian Muro.— Brief 55.

    Aan Willem Rigge van Atherni.— Brief 60, 68, 93.

    Aan Fulk Elias. — Brief 61.

    Aan Johannes Flemming, Baljuw van Leith.— Brief 81, 120, 157, 164.

    Aan Robert Lennox van Disdove. — Brief 83.

    Aan Thomas Corbet.— Brief 85.

    Aan Johannes Ewart, Baljuw van Kirkcudbright. — Brief 94.

    Aan Robert Glendining.— Brief 98, 155.

    Aan Willem Fullerton, Burgemeester v. Kirkcudbright.— Brief 95, 285.

    Aan Willem Glendining, Baljuw van Kirkcudbright. — Brief 99, 155, 158, 167.

    Aan Johannes Henderson. — Brief 103, 288.

    Aan Jacobus Mac-Adam.— Brief 112.

    Aan Willem Livingstone. — Brief 113.

    Aan Johannes Lawry.— Brief 137.

    Aan Jacobus Marray. — Brief 163.

    Aan Patrik Carsen. — Brief 177.

    Aan Johannes Carsen. — Brief 178.

    Aan Johannes Bell. — Brief 185.

    Aan Johannes Clark.— Brief 190.

    Aan Johannes Fennick.— Brief 296.

    Aan Petrus Stirling. Brief 297.

    Aan de Lezer. — Brief 306, 310, 313, 328.

    Aan een ongenoemde man.— Brief 318, 319, 326.

    Brieven aan vrouwen geschreven, van hoger en lager staat

    Aan mevrouw Johannes Cambel, zuster van de Markies van Argyl, Markgravin van Kenmur.— Brief 4—13, 216, 219, 220, 222-239, 286, 287, 289, 304, 307, 315, 317, 321, 333, 329, 340, 341, 343, 345, 347, 348, 354, 355.

    Aan mevrouw Boyd. — Brief 15, 20, 40, 179, 187, 202, 295, 300, 305, 308.

    Aan mevrouw Ardross haar dochter. — Brief 324.

    Aan vrouw Kilconqhuair.— Brief 29, 69.

    Aan vrouw Forret. — Brief 80.

    Aan mevrouw Caskiberry.— Brief 31.

    Aan vrouw Halhil.— Brief 37.

    Aan mevrouw Culrosh. — Brief 41, 168, 205, 211.

    Aan vrouw Bubbie. — Brief 54, 56, 194.

    Aan vrouw Largirie.— Brief 64, 129

    Aan mevrouw Craighall. — Brief 70.

    Aan vrouw Dungneigh. — Brief 65

    Aan vrouw Gartitgirth. — Brief 77, 144.

    Aan vrouw Roberland.— Brief 105.

    Aan mevrouw Rowaland.— Brief 107.

    Aan mevrouw Marre de jongere. — Brief 111.

    Aan vrouw Cardones.— Brief 150, 169, 180.

    Aan vrouw Carletoun. — Brief 173.

    Aan mevrouw Fingask.— Brief 298,

    Aan vrouw Earlestoun.— Brief 33.

    Aan Maria mac-Knaugt. — Brief 35, 84, 126, 241—288.

    Aan Grissal Fullerton, haar dochter.— Brief 176, 342.

    Aan Margri a Balantin.— Brief 47

    Aan Johanna Kennedy.— Brief 48; 69.

    Aan Margrita Reyd. — Brief 49

    Aan Johanna Mac-Millam.— Brief 58.

    Aan Jahraetjen Mac-Culloch. — Brief 66, 170.

    Aan Elisabeth Kennedy. — Brief 90.

    Aan Johanna Brown. — Brief 57, 100, 142.

    Aan Bethaja Aird. — Brief 148.

    Aan Sibbilla Mac-Adam.— Brief 151

    Aan Margarita Fullerton. — Brief 154.

    Aan Johanna Gordon.— Brief 175.

    Aan juffrouw Stuart. — Brief 182.

    Aan juffrouw Pont.— Brief 293.

    Aan Agnes Mac-Math.— Brief 301.

    Aan juffrouw Taylour. — Brief 309.

    Aan Barbara Hamilton.— Brief 314

    Aan juffrouw Gillespie. — Brief 331.

    Aan de vrouw van Jacobus Murray. — Brief 303.

    Aan juffrouw Craig.— Brief 357.

    Aan een ongenoemde vrouw — Brief 24, 200, 215, 218, 284, 320.

  12. Register van de verschillende stoffen van al de 362 voorgaande brieven van Rutherford

Vertonende, hoe zoet Christus’ kruis, of het lijden om Zijn zaak voor een gelovige is. — Brief 1, 4—6, 19, 28, 40, 72, 79, 89, 111, 114, 121, 125, 143, 151, 157-160, 162, 166, 211, 213, 215, 231, 240, 286, 290-292.

Dienende tot moedgeving en troost voor een leraar, die wegens zijn getrouwheid van zijn dienst verstoten is door staatkundigen, of kerkelijken.— Brief, 1, 4 - 6, 13, 34, 53, 86 - 88, 104, 125, 126, 145, 172, 211, 286.

Waarin Jezus’ uitnemende schoonheid, voortreffelijkheid, liefde en beminnelijkheid wordt aangeprezen. — Brief 2, 3, 22, 29, 89, 143, 152, 202, 203, 207, 290 - 292, 298, 317, 328, 335.

Vertonende het zoete genieten van Christus, en van Zijn liefde, en wonderbare gemeenschap, die Hij met een ziel op aarde houdt. — Brief 8, 11, 14, 17, 19—21, 28, 29, 34, 35, 40, 41, 45, 57, 81, 86, 87, 92, 96, 97, 106, 108, 110, 112 - 114, 116 - 118, 121, 123, 124, 138, 143, 158, 163, 170, 201, 210, 281.

Van een leraar, die onwettig uit zijn gemeente is verstoten, tot opwekking en waarschuwing van zijn gemeente.— Brief 2, 14, 149, 191 en de laatste brief.

Bevattende oplossing van verscheidene klachten en twijfelingen, door vrome lieden schriftelijk voorgesteld.— Brief 12, 27, 50, 61, 62, 153, 217, 294, 296.

Tot moedgeving van een leraar, die in gevaar is, van uit zijn bediening uitgestoten te worden, wegens zijn getrouwheid.— Brief 124, 237, 239, 265, 277, 278.

Waarin uitgedrukt wordt de ijdelheid en de verachtelijkheid van al de wereldse dingen. — Brief 29, 47, 49, 91, 98, 100, 110, 147, 148, 161, 170, 173, 183, 192, 206, 227, 229, 232.

Sprekende veel van de jaloersheden, en pijnlijke vrezen en bekommernissen, die een gelovige meermalen heeft omtrent Jezus’ liefde. — Brief 15, 32, 37, 41, 46, 51, 53, 88, 98, 97, 109, 110, 114 - 116, 118, 122, 125, 145, 162, 164, 165, 168, 198, 211.

Dienende veel tot opwekking van zulken, die onbekeerd zijn, of aan welken hun bekering wij met grond zeer twijfelen. — Brief 2, 14, 25, 36, 65, 58, 83, 85, 90, 94, 97, 98, 103, 115, 127, 133, 134, 140, 143, 147 - 149, 156, 159, 160, 169, 178, 191, 192, 288.

Tot troost aan een vrouw, wiens man gestorven is.— Brief 24, 200, 235, 331.

Tot troost van een moeder, over de dood van haar zoon. — Brief 301, 309, 331.

Tot troost aan een moeder over de dood van haar dochter. — Brief 218, 219, 234.

Dienende tot opwekking van jonge mensen, om zich geheel aan God over te geven. — Brief 39, 55, 113, 133, 152, 177.

Sprekende van de verdorvenheden van de Kerk, en de hoop van hervorming hierna. — Brief 1, 3, 38, 54, 128, 165, 202, 206, 214, 222, 223, 245, 246, 253 - 255, 258, 268, 272, 275, 278, 280.

Tot aanmoediging, bijzonder van overheden, om in hun standplaats te arbeiden tot hervorming van de kerk, en om alles voor Christus en de verbetering van de kerk in de weegschaal te stellen en te wagen. —Brief 17, 38, 39, 42, 63, 67, 75, 106, 134, 141, 174, 203, 208, 214, 312.

Dienende tot aanprijzing, roem en verheffing van de vrije genade. — Brief 22, 172, 179, 183, 322.

Vertonende, hoe een ziel krank is van liefde naar Jezus, en meer liefde tot Hem wenst te hebben en aan Hem te geven. — Brief 8, 15, 29, 40, 53, 65, 90, 96, 122, 136, 137, 154, 155, 205, 207, 208, 283.

Sprekende iets tegen de mensenvonden in de kerk tegen de bisschoppelijke regering, plechtigheden, feestdagen, formulier-bidden, ‘t opleggen van kerkgebruiken.— Brief 2, 149, 171, 209, 214, 239, 243, 305 en de laatste brief.

Vertonende, hoe een ziel zeer begerig is, Christus in de wereld zeer verhoogd en verheerlijkt te krijgen.— Brief 27, 29, 88, 101, 122, 123, 125, 126, 136, 146, 150, 153, 156, 173, 286, 292, 297.

Tot aanmoediging en troost van leraars, die getrouw zoeken te zijn, en veel alleen gelaten worden.— Brief 1, 16, 18, 131, 197, 352, 362.

Tot troost en ondersteuning van een vroom veldoverste of kolonel, die voor een goede zaak strijdende, de nederlaag heeft gehad, en gevangen is, met opwekking, om geen onbetamelijke voorwaarden te aanvaarden, om los te geraken, — Brief 333, 334, 337—339, 349.

Waarin uitgedrukt wordt het verlangen van een gelovige ziel naar meerdere genieting van Christus hier op aarde.— Brief 29, 41, 56, 70, 106, 108, 131, 136, 137.

Vertonende ‘t verlangen van een gelovige naar de volle gemeenschap met Christus na dit leven. — Brief 45, 59, 114, 118, 140, 142, 189, 202, 209.

Tot troost van een vroom man over de dood van vrouw of kind. — Brief 25, 299, 318, 319.

Tot troost van een vrome vrouw, wier zoon of schoonzoon of broeders schielijk en geweldig gestorven zijn. — Brief 300, 311, 316, 357.

Dienende tot troost van vromen, die hier in veel verdrukkingen zijn.— Brief 88, 91, 130, 153, 215, 219, 222, 223, 225, 229, 230, 235, 240, 267, 289, 301, 303, 304, 315,

Tot opwekking van een, die goed begonnen is in de godzaligheid. — Brief 26, 27, 33, 69, 150—152, 170, 176, 180, 186.

Tot ondersteuning en troost van de vromen, ten tijde als de vijanden de overwinning krijgen in een kwade zaak.— Brief 336, 337, 340, 341.

Tot troost van een moeder, wegens enige goede beginselen in haar dochter bespeurd.— Brief 241, 271 (280).

Tot opwekking van een dochter, wier moeder uitnemend godzalig en ijverig was, om in haar voetstappen te treden.— Brief 176, 342.

Tot opwekking van een vrome, om kloek en lijdzaam in het geloof voort te gaan op de weg van de godzaligheid.— Brief 130, 224, 226, 227, 229, 343—345, 347.

Aan een vroom leraar, die krank en nabij de dood is. — Brief 330, 350.

Bevattende verscheidene opmerkelijke dingen, die een beproefd christen komt leren in ‘t midden van verdrukkingen, die met vertroostingen vergezeld zijn. — Brief 82, 93, 108, 115, 120, 187, 193.

Tot leraars en anderen, die wegens hun getrouwheid, in voor Christus’ zaak te staan, in de gevangenis geworpen zijn, met aanmaning, om niets verkeerd toe te geven, of te verzwijgen, om los te geraken. — Brief 29, 293, 358 - 361.

Tot ondersteuning van een vrome vrouw, die veel tegenstand, smaad en verongelijking lijdt van goddelozen. — Brief 243 - 245, 256, 275.

Tot opwekking van een vrome, die uit een grote krankheid weer gezond is geworden. — Brief 30, 221, 249, 320.

Tonende enige bijzondere opmerkelijke lessen, te leren uit Gods handelingen met sommige kerken.— Brief 306, 310, 317.

Nopende ‘s Heeren Avondmaal en Jezus’ gewenste tegenwoordigheid daar. — Brief 245, 250, 260.

Sprekende van de bekommerdheid van een leraar, die een beroep niet durft aanvaarden. — Brief 261, 262.

Sprekende van veel secten, die een goede hervorming verhinderen. — Brief 307, 308.

Beschrijvende de brede verbintenissen van mensen en engelen, om Christus te roemen wegens de rijkdom van vrije genade, die van Hem afvloeit, en eeuwig van Hem afvloeien zal. — Brief 328.

Tot opwekking van Studenten van de H. Theologie, om bovenal Christus te bestuderen, en de heiligheid des levens te behartigen,— Brief 335.

Tot waarschuwing, en vermaning van enige vrome belijders, die enige waarheden, bijzonder omtrent de staat van de zichtbare Kerk, verlaten, zoekende scheiding te maken, en volgende de leerstellingen van de Brounisten.— Brief 353.

Tot opwekking van een vroom kloekmoedig krijgsman en bevelhebber in ‘t leger, om zuivere einden en veel geloof in God te hebben. — Brief 332.

Vertonende aan de leraars en gelovige belijders in Nederland, de ellenden van de Kerk en Staat van Engeland, in het jaar 1643, veroorzaakt door de bisschoppen daar. —De voorlaatste brief.

Van een vroom uitgebannen leraar, bevattende zijn testament aan zijn gemeente, verklarende, wat hem vervrolijkte, en wat hem bedroefde, welk openbare kwaad hij had aangemerkt in Staat en Kerk, en waarschuwingen doende aan de drie verschillende soorten van lidmaten van zijn Kerk, en gevend enige algemene lessen. — De laatste brief

Vertonende de kortheid van de tijd, de heerlijkheid van Christus, en de uitnemendheid van Zijn genade.— Brief 317.

Bevattende ettelijke besturingen voor een Christen in zijn wandel. — Brief 120.

Aan een dochter over de dood van haar godzalige moeder. — Brief 321.

Tot opwekking van een Staatspersoon, om verdeeldheden in de politie te voorkomen en tegen te gaan.— Brief 325

Bevattende klachten over de dodigheid en geesteloosheid van een kerk of vroom mens.— Brief 355.

Aanwijzende enige merktekenen van een begenadigde.— Brief 190

Tonende hoe leraars bij de overheden Remonstranten zouden inleveren ten goede van de Kerk. — Brief 358.

Tot vertroosting en opwekking van - een Kerk, die zware vervolgingen lijdt.— Brief 3, 290.

Tot opwekking van standvastigheid, en tot zelfbeproeving, of men voor Christus’ zaak lijden kan.— Brief 8,

Tot afrading van zelfzoeking. — Brief 132.

Vertonende, om wat openbare redenen geheime Christenen gezette tijden tot vasten en bidden hadden verkozen. — Brief 233.

Aangaande het redetwisten over de waarheden en tegen vrome mannen, die dwalingen hebben.— Brief 318.

Sprekende iets tot ondersteuning van een zieke, of voor een, wiens vrouw en kinderen ziek zijn. — Brief 216, 242, 248, 264.

Opwekkende, om enigheid te houden met de vromen, en om de eeuwigheid te gedenken.— Brief 326.

Tot vertroosting, wanneer sommigen een onbekwaam leraar zoeken in te dringen.— Brief 248.