Eens Christens onderrichting, dienende om hem te geleiden door al hetgeen hem in deze wereld door Gods voorzienigheid overkomt. Voorgesteld in 15 predikaties. Door Mr. Christophorus Love.

Derde predikatie

Tekst 1 Cor. 7: 30, 31.

En die wenen, als niet wenende; en die blijde zijn, als niet blijde zijnde; en die kopen, als niet bezittende; En die deze wereld gebruiken, als niet misbruikende; want de gedaante dezer wereld gaat voorbij.

Ik heb nu, ten vierde, nog een vraag te verhandelen, namelijk u te tonen welke regelen of middelen gij gebruiken moet, om uwe droefheden over wereldse ellenden binnen de palen te houden, om te wenen, als of gij niet weende. Ik zal u hier desgelijks tot volbrenging van dezen plicht elf of twaalf onderrichtingen geven.

Vooreerst. Indien gij uwe droefheid in handen wilt houden, zo gebruikt dit hulpmiddel: aanschouwt die dingen, over welker ontbering gij zo onmatig bedroefd zijt, als enkele nietigheden. Maar gij zult zeggen: het is ene kinderachtige zaak voor een man te schreien om niet. Wel, vele zulke kinderachtige dingen plegen wij zeer dikwijls. Wij zijn bedroefd, treuren en wenen over enkele nietigheden, hetwelk, indien wij het ernstig overdachten, wanneer wij over het verlies van dezen of genen troost treuren, onze droefheden zouden verminderen, aangezien zij maar enkele nietigheden zijn. Doch u zult zeggen: och mijne nering begeeft mij; zoveel heb ik van mijne goederen verloren, en noemt gij dit ene nietigheid? Ja, want zo noemt ze de Schriftuur. Salomo zegt, Spreuk. 23: 5: "Zult gij uwe ogen laten vliegen op hetwelk niets is? want de rijkdommen zullen zich gewis vleugelen maken, en wegvliegen." En is het zo, waarom zouden wij dan zo zeer onze harten op dezelve zetten, als over dezelve te treuren, wanneer wij dezelve missen? Toen de koning Agrippa kwam om over Paulus een oordeel te vellen (Hand. 25: 23) werd gezegd "dat hij met grote pracht kwam". Maar in de grondtekst staat "dat hij met grote fantasie kwam." Zodanige inbeeldingen en nietigheden zijn al de wereldse schoonheden en vertroostingen, in vergelijking van de grote en gewichtige dingen der zaligheid. "Er is maar een ding nodig", zegt Christus Luk. 10: 42, en dat is: aan Hem deel te krijgen. Het is niet nodig, dat gij rijkdom en eer in de wereld zoudt hebben; het enige ding dat nodig is, is Christus te verkrijgen; en daarom, waarom zouden wij onzen tijd doorbrengen, en moeite doen omtrent hetgeen hetwelk geen brood is, en naar hetgeen ons niet baten zal, welke maar enkel nietigheden zijn? Hoe kinderachtig was het in Haman, dat hij, zo vele voordelen en waardigheden genietende, als de gunst des konings, en aan des konings tafel te zitten, en op zijn paard te rijden, etc. zo zeer bedroefd en ontsteld was, omdat Mordechai hem geen eerbied wilde bewijzen. Wat een arme, en kleine reden was dit om al zijne vertroostingen te verderven! En Achab, omdat hij Naboths wijngaard niet mocht hebben, daar hij er zoveel in eigendom had. Vele mensen worden zo gauw over geringe en slechte beuzelingen met droefheid overstelpt. Seneca vergelijkt de zodanigen bij een man, die een statig huis heeft, schone boomgaarden en hoven, met vele vruchten, en zich nochtans over het afvallen van een weinig loof bedroeft.

Ten tweeden. Indien gij uwe droefheden in banden wilt houden, zo wacht u, dat gij de onbehoorlijke en onmatige liefde tot enige troost die gij hier geniet, geen plaats geeft. Indien gij de genieting van een zaak te veel bemint, zult gij over het verlies derzelve te veel treuren; en daarom, laat hier nooit uwe harten aan enige troost gehecht zijn. Laat de wereldse vertroostingen u als handschoenen aan uwe handen, en niet als het vel aan het vlees zijn. Gij kunt het vel van uw vlees niet, zonder grote pijn en kwelling van u aftrekken. Maar gij kunt zonder enig gevaar uwen handschoen van uwe hand aftrekken. Als uwe harten te veel aan de liefde der wereldse dingen gehecht zijn, zal het verlies van die dingen welke gij zo onmatig bemint, u tot onmatige droefheid en smart verwekken. De mens zal nooit treuren over het verlies van datgene hetwelk hij haat, maar over hetgeen hij bemint; en gij kunt uwe droefheden nooit in toom houden, zo gij uw liefde niet in banden houdt. Gelijk het is met een schilderij, indien gij dezelve in ene lijst zet, en aan de muur ophangt, kunt gij ze gemakkelijk daar weer af krijgen; maar als u aan de muur hecht of lijmt, kunt gij ze er niet wederom zonder schenden afnemen. Alzo ook, indien uwe liefde tot de wereld is, gelijk ene schilderij aan de muur gehecht, zult u van de wereldse dingen niet willen scheiden, dan met grote droefheid, zwarigheid en kwelling. Er wordt van Jakob gezegd, (toen hij hoorde dat zijn zoon Jozef dood was, Gen. 37:3, 35.) dat hij weende, en niet wilde vertroost worden. De reden was, omdat hij Jozef uitermate lief had, en meer dan alle anderen beminde: zijn onmatige liefde tot Jozef deed hem zo zeer over zij gemis treuren.

Ten derde. Aanschouwt alle vertroostingen hier beneden, als verliesbaar en onzeker. God heeft in Zijne wijsheid aan geen troost hier beneden duurzaamheid gevoegd. Ziet op uwe vertroostingen als veranderlijk en vergankelijk. Hebt gij een kind verloren? zegt: ik wist het te voren wel, dat ik een sterfelijk kind ontvangen had; het is ons allen gezet eenmaal te sterven, en onze vertroostingen, die wij hier in de wereld genieten, zijn niet gelijk het anker in de grond der zee, hetwelk in eren storm vasthoudt; maar gelijk de vlag op de top der mast, die met iedereen wind inkeert; en daarom, aangezien gij in uwen grootste troost alle ogenblikken aan de verandering onderworpen zijt, waarom zoudt gij dan over het verlies deszelven zo onmatig treuren, en over hetzelve zo zeer bedroefd zijn, hetwelk gij kunt verliezen, en niet weet hoe spoedig? Een mens behoorde de vergankelijke dingen los te bezitten, en nimmer meer tot zekere droefheden, over het verlies van zulke onzekere vertroostingen, een weg te banen.

Ten vierden. Indien gij uw droefheid in banden wilt houden, zo bedenkt, dat gij geen oorzaak hebt om over het verlies van de wereldse dingen te treuren, indien God u genoeg tot nooddruft des levens laat, al laat Hij u geen overvloed tot aangenaamheid en vernaak des levens; hebben; "hebbende voedsel en kleding, laat ons daarmede tevreden zijn." 1 Tim. 6:8. Zo gij brood hebt hoewel geen banket, zijt daarmee tevreden; zo gij klederen hebt, hoewel geen versierselen, zijt er nochtans mee tevreden; indien gij voedsel en kleding hebt, hoewel schaars, alleen maar genoeg zijnde om uw leven te beschermen, dan hebt gij geen reden om te klagen, maar om tevreden te zijn. Jakob was rijker man dan iemand van u, die mij heden horen; nochtans zegt bij, Gen. 28: 20: "Indien gij mij brood zult geven om te eten, en klederen om aan te doen, het zal mij genoeg zijn." Indien de Heere ons spijs en kleding geeft, al is de spijs nog zo gering, en de kleding nog zo slecht, behoren wij nochtans daarmede tevreden te zijn, en te zeggen: het zal mij genoeg zijn. Al geeft God ons geen overvloed tot ons vermaak, indien Hij ons genoeg tot onderstand van onze noden geeft behoorden wij daarmede tevreden te zijn; en daarom, in dat stuk hebt gij geen oorzaak tot onmatige droefheid.

Ten vijfden. Doet niets hetgeen uwe vorige of tegenwoordige verdrukkingen in gedachten kan brengen, te weten: om uwe droefheid daardoor te vernieuwen. Beminden! het is een verkeerde richting die vele mensen houden, wanneer zij een, vriend verloren hebben, een man, vrouw, of ouders, of een kind, zij zullen op het schilderij, of klederen, of op een ander ding van hunnen overledenen vriend blijven staren, hetwelk hun droefheid vernieuwt, en hun wonde wederom doet bloeden. Doet niets dat uwe droefheid in gedachten kan brengen. Het is een belangrijk voorbeeld, en bij de onderhavige leer aanmerkelijk hetgeen gij Gen. 35: 17, 18, vindt. Daar wordt gezegd van Rachel, dat toen zij stierf, en haar kind geboren zijnde, zij zijnen naam noemde Ben-oni, de zoon mijner smarte; maar merkt nu, Jakob wilde hem dien naam niet laten behouden, dien de moeder hem gegeven had; maar hij noemde het kind Benjamin, "de zoon mijner rechterhand." De godgeleerden geven deze reden daarvan, omdat, indien Jakob het kind bij dien naam had laten noemen, het een middel zou geweest zijn om hem altijd, wanneer hij het hoorde, het verlies zijner vrouw in gedachten te brengen, die stierf terwijl zij met hem in arbeid was, en alzo zijne droefheid en smart daar over zou vernieuwd hebben; en daarom behoorden wij onze verdrukkingen niet in gedachten te brengen, om daardoor onze droefheden te vernieuwen.

Ten zesden. Indien gij uwe droefheden in banden wilt houden, leeft veel in de overlegging en bepeinzing van de Goddelijke dingen. De reden waarom gij zo zeer over de dingen hier beneden treurt, is, omdat gij de dingen daar boven niet meer overlegt; waren uwe overdenkingen tot de aanschouwing van de Goddelijke en geestelijke dingen gericht, zou de vreugde derzelve uwe droefheid over het verlies van een enig ding hier beneden verslinden. In de staat voor de val, verkeerde Adam zo met God, dat hij zijne eigen naaktheid niet zag. Ik heb van de arend gelezen, dat zijn aard en neiging strijdig tegen alle andere vogels is: daar alle ander gevogelte, wanneer zij beledigd of in enige ongelegenheid zijn, zullen roepen en misbaar maken, gelijk de ooievaar zal snateren, de duif kirren, de raven klappen; en alle andere schepselen zullen getier maken wanneer zij beledigd of in gebrek zijn, maar de arend zal boven naar de zon vliegen, en aldaar zich met hare warme stralen vermaken. Och mijne beminden dat gij de arend wilde gelijk zijn, om in uwe droefheden hemelwaarts te steigeren, en uwe gedachten tot geestelijke en hemelse dingen op te wekken. O dit zou uwe droefheden over het verlies van enigen uitwendig en troost grotelijks verzachten.

Ten zevenden. Arbeidt om meer over de zonde te treuren, dan zult gij u over de uitwendige verdrukkingen minder bedroeven. Wanneer uw geweten eens met ene boetvaardige droefheid over de zonde aangedaan is, dan zal het treuren over het verlies van wereldse vertroostingen ophouden. O beminden! wanneer gij uwe droefheden over de zonde laat uitlopen, dat zal de zelve van enig ander voorwerp afhouden, omdat, wanneer de ziel eens gesteld is om over de zonde te wenen, dan zal de zonde gezien en bemerkt worden een groot kwaad te zijn, dat geen kwaad in de wereld zulk een grond van droefheid heeft, als de zonde; en daarom, als gij over de uitwendige zwarigheden wilt wenen, als niet wenende, zo weent dan meer over de zonde, en over de verdorvenheden welke in uw eigen hart zijn. Ik kan van de droefheid zeggen, gelijk van de vrees, Jes. 8:12,13 gezegd wordt: "En vreest gijlieden hun vrees niet, en verschrikt niet. De Heere der heirscharen, Dien zult gijlieden heiligen, en Hij zij uwe vrees, en Hij zij uwe verschrikking." Zij, die de Heere vrezen, zullen de mensen niet vrezen; zij die ene godsdienstige vrees hebben, zullen geen wereldse vrees hebben: zo ook, als gij ene Goddelijke droefheid over de zonde hebt, zal dit u voor de onmatige wereldse droefheid bewaren; en daarom wens ik, wanneer gij uwe droefheden over het verlies van wereldse vertroostingen, en de dingen welke u hier beneden tegen gaan, bevindt uit te breken, dat gij dan bedenkt, dat gij groter kwalen hebt, om over te treuren, en veel groter oorzaken om uw droefheden in het kanaal der zonden te, laten lopen, dan over enige uitwendige ellenden of verdrukkingen.

Ten achtsten. Indien gij de onmatigheid in wereldse droefheid verzachten wilt, zo overweegt uwe uitwendige ontberingen met uwe inwendige en geestelijke genietingen, en uwe uitwendige ellenden met uwe inwendige vertroostingen en ziet dan eens of niet de schaal van uwe geestelijke vertroostingen de andere verre overweegt. En indien God uwe geestelijke barmhartigheden uwe uitwendige verdrukkingen doet overtreffen, hebt u meerder oorzaak u te verblijden dan te treuren. David hield deze richting, 2 Sam. 23:5: "Hoewel," zegt hij, "mijn huis alzo niet is bij God, nochtans heeft Hij mij een eeuwig verbond gesteld, dat in alles wel geordineerd en bewaard is; voorzeker is daarin al mijn heil, en alle lust, hoewel Hij het nog niet doet uitspruiten." Alsof hij zei: al heb ik geen overvloed van alle wereldse geluk zo vraag ik er toch niet naar, aangezien God met mij een eeuwig verbond gemaakt heeft, en alles zeker geordineerd heeft; al gaan alle dingen van buiten verloren, zo is het nochtans alles wel van binnen; God heeft met mij een verbond gemaakt en dat is al mijne begeerte, en al mijn heil. Zodat, indien gij nu met David uw uitwendige ellenden met uwe inwendige vertroostingen wilde overwegen, gij zoudt daarin meerder oorzaak van inwendige blijdschap, dan van uitwendige droefheid zien. "Een goed man" (zegt Salomo) "zal van zichzelf verzadigd worden", Pred. 14:14, hij heeft in zich hetgeen hem troost aanbrengen zal, wat ook zijnen staat mag zijn.

Gij, die door wereldse droefheid verslagen zijt, redetwist aldus niet uzelf: hoewel mijn staat droevig, is, en mij de nooddruftigheden dezes levens ontbreken, en geen huis heb om in te wonen; of indien al een huis hebbende, toch maar een rookhutje, nochtans, waarom zou ik bedroefd zijn? aangezien "ik een huis heb niet met handen gemaakt doch eeuwig in de hemelen." 2 Cor. 5:1. Hoewel ik hier geen woning heb, zo is toch Christus voor mij in de hemel gegaan, om mij aldaar plaats te bereiden." Hoewel wel ik een man van geringen staat ben, en nauwelijks met al mijn moeite en arbeid het jaar kan ten einde brengen, nochtans God is mijn deel, en ik heb "ene erfenis onder hen, die in Christus door het geloof geheiligd zijn." Joh. 14: 2. Hoewel ik schulden heb, en wanneer ik langs de straten ga, in gedurige vrees ben van gevangen genomen te worden, zo is toch mijn grootste schuld betaald. Christus heeft voor mij de Goddelijke gerechtigheid genoeg gedaan, ik zal nooit tot de eeuwige helse gevangenis gaan, hoewel ik in mijne beurs geen geld heb om brood te kopen, zo heb ik nochtans een schat in de hemel die nooit zal uitgeput worden. Hoewel ik nauwelijks klederen heb om mijne naaktheid te bedekken, zo heb ik nochtans het lange kleed van Christus' gerechtigheid om mijn zondige naaktheid te bedekken. Hoewel ik nauwelijks spijs en drank heb om mijnen buik te vullen, zo word ik nochtans gevoed met het brood des levens, de Heere Jezus Christus; hoewel mijn goeden naam gesmaad, geschandvlekt en gelasterd wordt, zo is nochtans mijn naam in het boek des levens geschreven; en hoewel ik hier nooit een voet land te genieten heb, zo ben ik nochtans erfgenaam van een Koninkrijk. Een vermomden vorst wordt in een vreemd land slecht onthaald. Maar het ontstelt hem niet veel, waarom? omdat bij een erfgenaam van een kroon is, en weet, dat wanneer hij in zijn eigen koningrijk is, hij eerbied en ontzag genoeg zal hebben. Beminden! laat deze inwendige en. geestelijke genietingen alle wereldse droefheid verzachten, bemerkende, dat indien u uw geestelijke genietingen met uwe uitwendige ontberingen overweegt, en uwe inwendige vertroostingen met uw uitwendige verliezen, dat het eerste het laatste oneindig overtreffen zal.

Ten negende. Wilt gij uwe droefheden in banden houden, maakt dan veel van de barmhartigheden, die gij ontvangt, en weinig van de verdrukkingen die gij lijdt. Het is de eigenschap, van een bedroefden geest te veel van zijn verdrukkingen en te weinig van zijne genaden te houden; maar indien gij uwe harten voor onmatige droefheid vilt bewaren, zo behoorde gij Gods barmhartigheid aan u groot te maken en die te verbreiden, en uwe droefheden in uwe gedachten te verminderen: gij zult alzo uwe dankbaarheid vergroten, en uwe droefheden en murmureringen verkleinen. Bedenkt bij uzelf, dat de minste genade, welke gij geniet, meerder is dan gij waardig zijt, en de grootste verdrukking die gij lijdt, minder is dan u verdient; overlegt desgelijks bij uzelf, dat gij niets in de wereld gebracht hebt, noch daar iets kunt uitdragen; en indien gij de toekomende helse pijnen ontvliedt, het een groter genade is, dan dat gij al de schatten en vermakelijkheden der wereld zoudt genieten. Maar vele mensen, als hun slechts een tegenspoed ontmoet, zullen hun ellende zo nauw inzien, en hun droefheden zo vergroten, en nooit aan die menigte van barmhartigheden denken, welke God op hun hoofden gestapeld heeft. Gij hebt meerder reden u te verheugen, dat God u de minste genade geeft, dan u te verstoren wanneer Hij u de grootste verdrukkingen toezendt.

Ten tienden. Vergelijkt uwe verdrukkingen met die van anderen, welke grotere verdrukkingen met meerder lijdzaamheid verdragen, en minder dan gij bedroefd geweest zijn. Bedenkt de lijdzaamheid van Job, en het einde des Heeren met hem; gij hebt nooit zo veel als Job verloren: hij verloor zeven duizend schapen, drie duizend kamelen, vijfhonderd juk ossen, en vijfhonderd ezelinnen; hij verloor zeven zonen en drie dochteren, en alles op een dag; hij leed grote ellende aan zijn lichaam, en lag op den mesthoop, en nochtans was hij onder al deze verdrukkingen lijdzaam. Wel, overdenkt dan nu, dat betere mensen groter ellenden, zwarigheden en verdrukkingen gehad hebben dan gij, en nochtans grotere lijdzaamheid en minder droefheid en smart betoonden te hebben. De apostel Petrus vermaant de mensen, in een lijdende staat, tot geduld, "Wetende, dat hetzelfde lijden aan uwe broederschap, die in de wereld is, volbracht wordt." 1 Petr. 5: 9. En Paulus 1 Cor. 10: 13: "Ulieden heeft geen verzoeking bevangen, dan menselijke; doch God is getrouwe, Welke u niet zal laten verzocht worden boven hetgeen gij vermoogt, maar Hij zal niet de verzoeking ook de uitkomst geven, opdat gij ze kunt verdragen." Ja Jezus Christus zelf onderging vele verdrukkingen en ellenden, "en nochtans opende Hij zijnen mond niet; maar als een schaap dat stom is voor het aangezicht zijns scheerders, alzo deed Hij Zijnen mond niet open". Degenen die meerder genade hebben. hebben minder barmhartigheid dan gij; en diegenen die minder zonden hebben, hebben meerder verdrukkingen.

Ten elfden. Om uw droefheid te matigen, en in banden te houden, zo bedenkt, dat beter met u is, wanneer gij op het ergst zijt, dan het met de goddelozen is als zij op hun beste zijn. Indien deze bedenking u ter harte ging, zou het grotelijks uwe onmatige droefheid verzachten. "Het weinige dat de rechtvaardige heeft, is beter dan de inkomst der goddelozen." Spr. 15: 6, "In het huis des rechtvaardigen is een grote schat; maar in der goddelozen inkomst is beroerte." Merkt op, dat er niet gezegd wordt: in de inkomst der rechtvaardigen is een grote schat, maar in het huis der rechtvaardigen. Een rechtvaardig huis mag een arm hutje zijn, een bedelaars huis, en daarin niet een stoel om op te zitten, of een vuur om zich te verwarmen, of voedsel om zich te, voeden, nochtans zegt Salomo: "in het huis des rechtvaardigen is een grote schat." Maar hebben de goddelozen ook schatten? Neen, in de, inkomst der goddelozen is beroerte. Hij zegt niet, in het huis der goddelozen; maar, in inkomsten, daar is grote beroerte. Er is een vloek Gods op alles dat een goddeloze geniet. Het arme bedelaars huis der rechtvaardigen bevat meerder schat en heil, dan de grote inkomsten der goddelozen. Een godzalige op zijn slechtst, is beter dan een goddeloze op zijn best; Spr. 6:8: "Beter is een weinig met gerechtigheid dan de veelheid der inkomsten zonder recht." Een weinig met de vrees Gods, is beter dan het vele dat een goddeloze heeft. Waarom wilt gij nu dan dit ter harte nemen? Veronderstelt, gij ligt onder grote verdrukkingen, en hebt uw middelen verloren: vrouw, kinderen of iets anders, toch, wanneer u een godzalige bent, zo durf ik u verzekeren, dat gij in uwen slecht en staat beter zijt, dan een goddeloze in zijn beste staat. Hoewel er weinig of niets in uw buis is, nochtans is daar een grote schat; en hoewel er veel in het huis eens goddelozen is, nochtans is daar ook grote zwarigheid en droefheid. Ik heb alleen ene bedenking meer te verhandelen.

Ten twaalfden. Indien gij uwe droefheid over wereldse ellende wilt verzachten, bedenkt dan dat gij veel gelukkiger zult leven, tevreden zijnde met hetgeen gij hebt, dan over hetgeen gij niet hebt te veel te treuren, want door deze middelen doorsteekt gij uzelf met vele droefheden. Iemand kan een zeer rijk man zijn, en een grote nering doen, en nochtans kan bij een ellendig mens zijn, en ene hel in zijne consciëntie en in zijn huisgezin hebben. En daarom, indien gij uwen staat niet tot uw gemoed kunt brengen, dan moest gij uw gemoed tot uw staat brengen; want de troost van iemands leven bestaat niet in rijkdommen, maar met zijnen staat tevreden te zijn. Dankt daarom God liever voor hetgeen gij hebt, dan dat gij treurt en bedroefd zijt over hetgeen gij niet hebt; want dat is de weg om uw leven troosteloos, vol zwarigheid en droefheid te maken. Neemt dan derhalve des apostels raad aan, Heb. 13:5,6: "Uw wandel zij zonder geldgierigheid; en zijt vergenoegd met het tegenwoordige. Want Hij heeft gezegd: Ik zal u niet begeven en Ik zal in niet verlaten." En dus heb ik deze twaalf hulpmiddelen of bedenkingen, om uwe droefheden in banden te houden, afgehandeld. Wij komen nu tot de nuttigheid, welke, dient tot bestraffing van dezulken, die over ieder gering, en niet eens bedenkenswaardig verlies, hetwelk hen in de wereld overkomt, kunnen treuren; welker hoofden gelijk fonteinen zijn, om rivieren van tranen over enige wereldse ellenden of verdrukkingen uit te storten; en nochtans, wanneer God tot treuren, wenen en kaalheid roept, hun hoofden dan gelijk rotsstenen zijn, welke niet een druppel kunnen uitstorten. Hoewel zij over kleine en lichte verdrukkingen kunnen treuren, toch kunnen zij niet een traan over hun, zonden, noch over de zonden des volks uitstorten; deze mensen zijn in waarheid over hun verkeerde droefheden te bestraffen.