Tekst. 1 Cor. 7: 30, 31.
En die wenen, als niet wenende; en die blijde zijn, als niet blijde zijnde; en die kopen, als niet bezittende; En die deze wereld gebruiken, als niet misbruikende; want de gedaante dezer wereld gaat voorbij.
Wij komen nu tot de derde vraag, met welke ik dezen ganse middag zal doorbrengen, en die is deze: dat ik u twaalf bedenkingen zal voorstellen, om uw onmatige en overtollige droefheid over enige wereldse ellende of verdrukking te matigen en hoe wij onszelven in orde en matigheid van de Geest zullen houden; hetwelk de apostel ons hier gebiedt, namelijk: "te wenen, als niet wenende." Heden morgen zei ik u, dat God niet wil, dat wij in enige verdrukkingen van Zijn hand, stomp en ongevoelig zouden zijn; maar nochtans gelijk wij niet stoïsch (de stoïschen meenden dat noch voor- noch tegenspoed op ons iets moest afdoen) behoorden te zijn, zo moesten wij ook niet onmatig zijn in onze droefheden. En daarom heb ik in mijne bepeinzingen deze onderscheidene bedenkingen overdacht, zijnde wel de uitnemendste, om de onbehoorlijke droefheid te matigen.
Vooreerst. Bedenkt of overlegt, dat gij in uw leven meer barmhartigheden gehad hebt, om u daarover te verblijden, dan ooit verdriet om u te mistroosten. Deze overlegging versterkte Job bij uitnemendheid om zijn geest onder de verdrukkingen te ondersteunen, Job 2: 10: "Zouden wij het goede van God ontvangen, (zei hij) en het kwade niet ontvangen?" Ik heb een geschiedenis gelezen van een man van vijftig jaren oud die, toen hij achtenveertig jaren oud was, nog niet wist wat ziekte was. Maar in de twee laatste jaren van zijn leven was hij zeer ziekelijk, en in deze ziekte zeer ongeduldig; doch ten laatsten overlegde hij de zaak bij zichzelf, en zei: De Heere kon mij achtenveertig jaren ziekte gegeven hebben, en maar twee jaren gezondheid; maar Hij heeft het recht anders gedaan, en daarom wil ik mij liever over de barmhartigheden van God verwonderen, mij zulk een langen tijd gezondheid gevende, dan mij te kwellen, of tegen hem murmureren over het geven van zulk enen korten tijd van ziekte. De Heere laat ons altijd meer barmhartigheden, dan Hij van ons neemt. En daarom, hoe behoorde het onze zielen te ondersteunen, aangezien onze barmhartigheden meerder en groter geweest zijn, dan ooit onze verdrukkingen! Hoewel de Heere mij nu met ziekte bezoekt, zo heb ik toch meer jaren gezondheid dan ziekte gehad. Hoewel ik vrienden verloren heb, laat mij nochtans overdenken, dat zij lang met mij geleefd hebben. Hoewel mij dezen of dien troost ontnomen is, heb ik toch meer, die mij nog overgelaten zijn. De Schriftuur is zeer gevoelig hoe wij zo geneigd zijn om al te veel te treuren: en daarom schrijft zij ons dezen regel voor, om onze droefheden te matigen, Pred. 7: 14: "Maar ten dage des tegenspoeds ziet toe." Waarom? Wat moeten wij toezien? "Dat God ook de enen tegen over de anderen maakt." Dat is: hoewel gij nu in enige verdrukkingen zijt heeft God u nochtans hier tevoren barmhartigheden gegeven, en het kan zijn, dat Hij weer voorspoed zal geven. Hij heeft uwe tegenwoordige verdrukkingen met de vorige, barmhartigheden gewogen, en indien gij de barmhartigheden, die gij genoten hebt, stelt tegen de verdrukkingen die gij tegenwoordig lijdt, gij zult bevinden dat het gewicht van uwe barmhartigheden, het getal van uw verdrukkingen te boven gaat. Wanneer David, in zo'n onmatige droefheid over zijnen zoon, uitriep: "Mijn zoon Absalom, mijn zoon, mijn zoon Absalom! Och dat ik, ik, voor u gestorven ware, Absalom mijn zoon, mijn zoon!" 2 Sam. 18:33. Indien hij toen desgelijks gezegd had: "Och Absalom mijn zoon, mijn zoon!" en ernstig overdacht, welk een goede zoon bij nog in het leven had, dit zou een groot middel geweest zijn om zijn ziel gerust te stellen. De overlegging van die menigvuldige barmhartigheden, die wij genoten hebben, zal een uitnemend middel zijn om onze harten in enige verdrukking, waar wij onder liggen, op te beuren.
Ten tweede. Indien gij uzelf, ten aanzien van uwe droefheden, in banden wilt houden, bedenkt dan, dat God veeltijds de lichamelijke vertroostingen en vergenoegingen van Zijn volk wegneemt, om een weg te banen voor grotere barmhartigheden en zegeningen in plaats van dezelve. Dit is zeer aanmerkelijk in de zaak van David: God nam door de dood een kind dat in onecht geboren was, en Hij gaf hem in plaats van die een wettig geboren en beter kind, een Salomo. Ja deze overleggingen hielden Davids hart bezig, Ps. 71: 20, 21 "Gij, die mij vele benauwdheden en kwaden hebt doen zien, zult mij weer levend maken, en zult mij weer ophalen uit de afgronden der aarde. Gij zult mijne grootheid vermeerderen, en mij rondom vertroosten." En indien dit ernstig overdacht werd, het zou een middel zijn om onze harten onder de verliezen en zwarigheden op te houden. Hoewel deze of gene troost u ontnomen wordt, zo kan het nochtans zijn, dat God daar een goed einde in voor heeft, om in plaats van dien een weg te banen voor ene grotere barmhartigheid. Zoudt gij op dien mens vergramd zijn, welke uw rookhutje van over uw hoofd omver wilde werpen, en in deszelfs plaats een statig paleis wilde oprichten? Voor iedere barmhartigheid die God van u neemt, zal Hij u een grote geven; gelijk de profeet tegen Amazia zei, die zijnen staat aan de Israëlieten ten koste had gelegd: "De Heere is machtig u veel meer dan deze te geven." Zo handelde God met Job, als gij zien kunt in het eerste en het laatste kapittel van het zelfde boek samen vergeleken. De Heere beroofde Job van zijnen ganse staat en al zijne goederen, maar gaf hem tweemaal zoveel als Hij hem ontnomen had; er werden hem zeven duizend schapen ontnomen, maar God gaf hem daarna veertien duizend terug, bij verloor drie duizend kamelen, maar kreeg daarna zesduizend terug; hij verloor vijf honderd juk ossen, en vijf honderd ezelinnen, doch kreeg dezelve later dubbel weer terug. En deze zaak van Job kan in alle eeuwen de Christenen tot een voorbeeld en grond van vertrouwen dienen, om met ene nederige onderwerping onder al Gods bedelingen op Hem te wachten. Gij hebt de verdraagzaamheid van Job gehoord, zegt de apostel Jacobus, kap. 5:11, "en gij hebt het einde des Heeren gezien dat de Heere zeer barmhartig is en een Ontfermer." Dit zijn voorbeeld behoorde onze harten ten tijde van verdrukkingen op te beuren; de Heere neemt kleine barmhartigheden weg, om voor grotere plaats te maken. Het is zeer aanmerkenswaardig, hoe deze overlegging op Izak wrocht: zijne moeder Sara was onlangs gestorven, en om zijn verlies te vervullen, gaf God hem Rebekka tot ene vrouw, en er wordt gezegd, Gen. 24:67: "Dat zij hem tot vrouw werd, en dat hij haar lief had, en alzo na zijner moeders dood getroost werd."
Ten derden. Bedenkt dat de onmatige droefheid over het verlies van een vertroosting, al uwe andere vertroostingen verbittert; daarom wacht u deze bittere gal onder uw vertroostingen te werpen. De onmatige droefheid is gelijk een worm in een noot, welke al de zoetheid van de kern opeet, en niet anders dan de schil overlaat, zo zal de onmatige droefheid al de zoetheid van uw tegenwoordige vertroostingen wegnemen. Alzo was het met Haman, Esth. 5: 10-13: "En bij liet zijne vrienden komen, en Zeres zijne huisvrouw. En Haman vertelde hun de heerlijkheid van zijnen rijkdom, en de veelheid zijner zonen, en alles, waarin de koning hem groot gemaakt had, en waarin hij hem verheven had boven de vorsten en knechten des konings." Nu gij kunt niet anders denken of dien man was een braaf man. Ja, verder zei Haman: "ook heeft de koningin Esther niemand met de koning tot de maaltijd doen komen, dien zij bereid heeft, dan mij; en ik ben ook tegen morgen door haar met de koning genodigd. Doch dat alles, zei bij, baat mij niets, zo langen tijd als ik de Jood Mordechai zie zitten in de poort des konings," want hij wil mij gene eer, noch gehoorzaamheid bewijzen. Hierin was de vloek Gods op hem, dat hij geen barmhartigheid met troost kon genieten; omdat Mordechai hem niet eerde. Desgelijks zien wij ook in bet voorbeeld van Jakob te voren aangehaald. Gen. 37: 35. De onmatige droefheid over een verdrukking verliest de troost van onze barmhartigheden.
Ten vierden, om de overtollige droefheid te matigen, zo bedenkt dat gij in u meer reden van uitnemende blijdschap hebt dan enig ding buiten u een oorzaak van onmatige droefheid kan zijn. Als Spr. 14: 15: "Een goed man zal van zichzelf verzadigd worden;" een godzalige, wat hem ook in de wereld overkomt, heeft in zichzelf altijd reden tot verblijding. Wij lezen Luk. 13: 21, wanneer de discipelen over een tijdelijk bloeiend koningrijk peinsde, dat Christus tot hen zei, dat het Koningrijk van God in hen was. Indien wij de genade van Christus hebben, al hebben wij niets anders, dan zijn dat grote reden tot uitnemende blijdschap, dan enige andere ontberingen, gronden tot onmatige droefheden kunnen zijn. Niettegenstaande zij hier op aarde niets hebben, toch is God hun deel, en zij hebben een erfenis met de heiligen in het licht voor hen bewaard. Niettegenstaande zij niet een penning aan geld in hun beurs hebben, nochtans hebben zij een ware schat, welke de motten niet kunnen verderven, noch de dief kan doorgraven om te stelen. Wat is het of zij thuis in hun kasten geen brood hebben, wanneer zij alle dagen met het kostelijke lichaam en bloed van Christus gevoed worden! wat is het of gij in uwen naam gesmaad en geschandvlekt wordt, wanneer desniettegenstaande uwe namen in het boek des levens geschreven zijn! Gij hebt alleszins meer reden tot blijdschap binnen in u, dan reden tot droefheid buiten u, Gen. 33:11 "Ik heb genoeg" zei Ezau, maar Jacob zei "Ik heb alles"; toch was Jakob armer dan Ezau.
Ten vijfden . Bedenkt, dat als God die vertroostingen (over welker ontbering gij zo onmatig treurt) aan u steeds vervolgd had het misschien zou geweest zijn om u met groter ellende en zwarigheid te bezoeken. Hiervan is een merkwaardig voorbeeld, Gen. 30:1, gij leest daar van ene ongeduldige vrouw, van Rachel, welke, omdat zij geen kinderen had zo door de hartstochten en droefheid overwonnen was, dat zij tot haar man uitriep: "Geef mij kinderen, en zo niet, dan ben ik dood." Deze vrouw verkreeg hare begeerte, maar zij die te voren uitriep: "Geef mij kinderen, en zo niet, dan ben ik dood;" toen zij nu kinderen had, stierf zij in het kinderbaren. Gen. 35:16-18: "En zij reisden van Beth-el; en er was nog een kleine streek lands om tot Efrath te komen; en Rachel baarde, en zij had het hard in haar baren. En het geschiedde, als zij het hard had in haar baren, zo zeide de vroedvrouw tot haar: Vrees niet; want dezen zoon zult gij ook hebben! En het geschiedde, als haar ziel uitging (want zij stierf), dat zij zijn naam noemde Ben-oni;" etc. Zij stierf nadat haar zoon geboren was. God kan ons die vertroostingen (welke wij begeren) tot ellenden maken. Wanneer God aan David het leven van zijn kind gegeven had, het zou een levend gedenkteken van zijne schande geweest zijn, want allen, die het kind kenden, zouden gezegd hebben: daar gaat Davids bastaard heen. Ik heb door een godzalige predikant ene geschiedenis horen verhalen, dat hij namelijk eens een van zijne buren ging bezoeken wier kind op sterven, lag, om haar te vertroosten, maar zij was zo treurig en door droefheid verslagen, dat zij op generlei wijze vertroost wilde zijn. De predikant zei tot haar: Vrouw! waarom bent u zo zeer bedroefd? Indien uw kind in het leven bleef, zou God het u misschien tot een spot en kwelling maken, door zijn goddelozen en zondigen wandel. Zij antwoordde, dat zij daar niet om gaf, indien hij maar gezond mocht worden, al werd hij later ook gehangen. Deze haar zoon werd gezond, en werd later, om enig kwaad dat hij bedreven had, gehangen. Wel nu! had niet ene grotere barmhartigheid duizendmaal beter voor haar geweest, hem te voren begraven te zien, dan tot zulk een ongelukkig einde te komen? Ik verhaal dit maar alleen, om u te tonen, dat God ons die, vertroostingen, met welke wij zo veel op hebben en zo zeer prijzen, in ellenden en zwarigheden kan veranderen; en daarom, behoorde dit de onmatige droefheid, over het verlies van enige wereldse vertroostingen, te matigen.
Ten zesden. Bedenkt, dat al die droefheden en ellenden in de wereld, waarover gij treurt, al zijn zij nog zo groot, nochtans zeer kort zijn; en dit is de beweegrede welke de apostel in dezen tekst gebruikt: "Broeders! (zegt hij) weet dat de tijd voorts kort is, opdat zij die wenen, zouden zijn, als niet wenende." Al zijn uwe verdrukkingen nog zo zwaar, zij zullen nochtans niet lang duren, wees daarom geduldig, en lijdzaam onder die; al zijn zij nog zo groot, nochtans, omdat zij kort zijn, zullen zij verdraaglijk zijn. Dit drukt de apostel uit, 2 Cor. 4:17: "Want onze lichte verdrukking, die haast voorbij gaat, werkt ons een gans zeer uitnemend eeuwig gewicht der heerlijkheid." En God zegt: "Voor een kleinen ogenblik heb Ik u verlaten; maar met grote ontfermingen zal Ik u vergaderen. In een kleine toorn heb Ik Mijn aangezicht van u een ogenblik verborgen; maar met eeuwige goedertierenheid zal Ik Mij uwer ontfermen." Jes. 54: 78. Onze verdrukkingen worden altijd bij dagen en uren gerekend; maar onze barmhartigheden bij jaren, om te tonen dat de tijd kort is, in welke wij hier verdrukkingen verdragen; zij verdwijnen spoedig, de wolken, waar de zon spoedig doorbreekt. Toen Athanasius gebannen werd zei hij: dat het maar ene kleine wolk was, en terstond voorbij zou zijn. Een martelaar zei tot zijnen metgezel: Sluit uwe ogen maar, en wanneer zij geopend worden, zal het in een andere wereld zijn.
Ten zevenden. Bedenkt, dat de onmatige droefheid de weg niet is om uw verdrukkingen te herstellen, of te verminderen; maar God veeleer verwekt om ze te vervolgen en te vermeerderen. Dit toonde ik u hedenmorgen. Gelijk een halsstarrig, kind hetwelk knort, stampt, ontspringt en dergelijk, de vader niet doet op houden hem kastijden, maar veeleer om hem meer slagen te geven; zo ook, hoe onmatiger wij in onze droefheden zijn, des te zwaarder verdrukkingen zal God ons veeltijds opleggen. Hetgeen Christus van het zorgen zegt, Luk. 12): 25: "Wie toch van u kan met bezorgd te, zijn, ene el tot zijne lengte toedoen?" dat mag tot dit einde ook gezegd worden: wie van u kan door de onmatige droefheid iets van uwe verdrukkingen verminderen? Het middel om onze verdrukkingen te weren, is: de straf onzer zonden aan te nemen. Een kind, dat zichzelf onderwerpt, en om de vergeving van zijne misdaad bidt, beterschap belooft, dat voorkomt daar door menige slag.
Ten achtsten. Bedenkt, dat die wereldse vertroostingen, over welk verlies gij zo onmatig treurt, niet beter is dan hetgeen een goddeloze kan genieten, en gij zelf wel zonder dezelve mag zijn. Is het over gebrek aan rijkdom, eer, kinderen, etc., wel, dit alles mogen de goddelozen hebben, en daarom, wilt gij u zo zeer ontstellen over het gemis van dat wat een verworpene kan genieten? Maar indien het over het verlies van Christus, of de hemel en de eeuwige zaligheid was, dan zouden wij over dat verlies nooit genoeg kunnen treuren; maar in het missen van deze uitwendige zegeningen, verliezen wij niet meer dan dat gene, dat de ellendigen of vervloekten kan genieten. Die dingen waar over wij treuren, zijn van zulk ene hoge waarde niet, zoals wij dezelve wel komen te achten. Ik heb ene geschiedenis gelezen van twee godzalige mannen, die elkander ontmoetten; te weten: een Anthonius en Didymus. Nu, Didymus was blind, ofschoon van een edel geslacht. Anthonius vroeg hem, of hij over zijne blindheid niet bedroefd was? Ja, zeide Didymus. Maar (zeide Anthonius) wilt gij u over het missen van datgene kwellen, hetgeen de vliegen en honden kunnen hebben, en u niet liever verheugen te bezitten hetgeen de engelen bezitten?
Ten negenden. Om uwe onmatige droefheid te doen afnemen, bedenkt, dat welk verlies of verdrukking God u hier in de wereld overzendt, dat Hij door dat verlies uw voordeel bedoelt. En daarom, waarom zou enige tegenspoed u ontzetten, aangezien God door alle tegenspoed uwen welstand beoogt, zodat gij ten laatste zult moeten zeggen: "Het is mij goed, dat ik verdrukt ben geweest." Ps. 119:72. En, "in getrouwheid heeft Hij mij verdrukt." Het is de aanmerking van Salmeron, over Joh. 3. Veronderstelt, dat een mens u een kostelijke parel of diamant toewierp, en het kwetste uwe hand, indien u dien diamant daar voor mocht hebben, zoudt gij dat als ene verongelijking u achten? Alzo handelt God met ons: Hij verandert onze verliezen in winst, en al onze ellenden in vertroostingen. Veronderstelt, dat een mens, die veel schulden heeft en veel geld nodig had, om brood te kopen, tot een van zijne vrienden ging en zijne zaak bekend maakte, en hem bad om enige hulp. Als zijn vriend tot zijn kist ging, en een grote zak niet geld daar uit haalde, en dezelve hem toewierp, hem bevelende, dat hij dezelve zou nemen; al beschadigde deze zak hem, meent gij dat hij het kwalijk zou nemen? Neen, zekerlijk niet. Zo ook iedere verdrukking, welke God ons oplegt, zal ons ten goede gedijen. Wij mogen zeggen, gelijk Jozef tot zijne broederen, "Al hebt gij het ten kwade gedacht, zo heeft God nochtans het goede gedacht." Wanneer iemand ons verongelijkt, mogen wij tot hem zeggen: hoewel gij voor hebt mij te benadelen, zal God nochtans mij door hetzelve, het goede uitwerken. De Heere heeft nooit met de verdrukkingen, die Hij ons oplegt, enige, schade, maar het goede voor. Alle verdrukkingen hebben, als Jonathans roede, honig aan het einde; en daarom, laat ons dezelve geduldig verdragen. Gij zoudt zeer toornig zijn wanneer een vijand uw bloed van u trok; maar indien een geneesmeester, om uwe gezondheid en tot uw best u nog veel meer bloed ontnam, gij zoudt dat voor geen misdaad rekenen. Zijt dan derhalve geraden onder alle wereldse ellenden en zwarigheden geduldig en lijdzaam te zijn, omdat God door ze voorheeft, uw voordeel en uwe geestelijke winst te bevorderen; op dat gelijk uwe verdrukkingen overvloedig zijn, uwe vertroostingen in Christus nog overvloediger zouden zijn.
Ten tienden. Bedenkt, dat degenen, die beter zijn dan u, in een gelijken of ergeren staat geweest zijn dan gij ooit geweest zijt, en daarom laat dit uw droefheden verminderen en matigen. Het is waar, indien wij in zulk een kwaden en ellendigen staat waren, dat er nooit iemand in dergelijke geweest had, dan zouden wij voor onze onmatige droefheid enige verontschuldiging hebben; maar er is niemand van ons die alleen verdrukt werd; degenen, die veel beter zijn dan wij, hebben veel groter ellenden en zwarigheden gehad dan wij ooit gehad hebben. 1 Pet. 5:9 vermaant de apostel hen "de duivel met standvastigheid des geloof te weerstaan" wetende, dat het zelfde lijden aan uwe broederschap, dat in de wereld is, volbracht wordt." Er is nu niemand in zo'n treurige staat: of er zijn anderen in zo'n ellendigen staat als gij geweest zijn, of zijn, of zullen zijn. "Ulieden hebben geen verzoekingen bevangen dan menselijke; doch God is getrouw, Die u niet zal laten verzocht worden, boven hetgeen gij vermoogt." 1 Cor. 10: 13. Hebt gij een groten staat verloren? Wel, Job verloor meer dan gij ooit verloren hebt: hij verloor zeven duizend schapen en drie duizend kamelen, vijf honderd juk ossen, vijf honderd ezelinnen; hij verloor al wat hij had, zelfs geen uitwendige troost werd hem overgelaten, en daarom aangezien dezelfde verdrukking anderen overgekomen is, waarom zoudt gij niet tevreden zijn? maar gij zult zeggen: ik heb mijne kinderen verloren. Wel, Job verloor meer kinleren dan gij: hij verloor tien kinderen op een dag, die door een ontijdige dood werden weggenomen; maar het kan zijn, dat gij ook zoveel kinderen verloren hebt, maar zij gingen in vrede naar hun graven, en daarom kan dit uw harte vertroosten. Anderen zijn in een ergeren staat geweest dan waar u nu in zijt, en zij hebben het nochtans lijdzaam ondergaan. Job zondigde niet, en hij opende zijn mond niet tegen God, niettegenstaande alle verdrukkingen welke op hem lagen.
En zo ook onze Heere Jezus Christus, Matth. 8:20: Hij was een man van smarten; de vossen
hebben holen, zei Hij, "en de vogelen des hemels nesten; maar de Zoon des mensen heeft niets waar Hij zijn hoofd kan neerleggen. Jezus Christus ofschoon erfgenaam van alle dingen, was toch armer dan u ooit geweest bent, en daarom laat deze overleggingen uw hart ondersteunen in alle verdrukkingen, die u hier mochten overkomen. Want de Heere weet welk een bloedige wolk er nog boven ons hangt.
Ten elfden. Om uw onmatige droefheid over het verlies van enige lichamelijke vertroostingen ten onder te houden, zo bedenkt, dat uw droefheid nooit recht is, tenzij dezelve over de zonde is. Uwe droefheid is niet recht, en loopt in een verkeerd kanaal, totdat zij in dezen cirkel loopt, te weten over de zonde. Indien gij treurt over de dingen dezer wereld laat u uwe droefheid in een kwade haven lopen, en gij weerhoudt dezelve daar te lopen waar ze behoorde te lopen. Het is jammer zoet water te gebruiken om ene vuile plaats te wassen: de zonde behoorde het voornaamste voorwerp van onze droefheid te zijn, en onze tranen worden uit haar rechte kanaal gehouden, wanneer wij niet min of meer over de zonde treuren. God heeft beloofd al die tranen, welke wij over de zonde uitstorten, in Zijne fles te vergaderen, en anders geen; de tranen welke wij over wereldse dingen storten, zijn maar vergeefs en lopen over, en komen niet in de flessen Gods. En voorwaar broeders er zijn hier geen verdrukkingen welke onze droefheden of tranen waardig zijn. Zoudt gij dien niet als een uitzinnige achten, die parels of diamanten naar een perenboom zou werpen, en zo dezelve kwam te verliezen? zo ook is het jammer over de dingen der wereld tranen weg te werpen, en zulke kostelijke schatten over alle geringe voorwerpen te verkwisten.
Ten twaalfden. Bedenkt dat uw onmatige droefheid over de wereld, u zal beletten en verhinderen over de zonde te treuren: gelijk wanneer in de arm een ader geopend is, en het bloed daar uit loopt, verhindert en weerhoudt dat het bloed in zijn gewoon kanaal te lopen, zo ook wanneer gij in een ader van droefheid en misnoegen over wereldse verliezen of ellenden zijt, dat verhindert en weerhoudt uw natuurlijken loop van uwe tranen, zo dat gij over de zonde niet kunt treuren.
Aldus heb ik deze twaalf overleggingen of bedenkingen, als ook deze drie vragen afgehandeld. Ik heb u getoond, wanneer uwe droefheid onmatige is, en ik heb u enige redenen gegeven waarom de Christenen over de dingen van deze wereld niet onmatig behoorden te treuren; ik heb u nu twaalf overleggingen of bedenkingen voorgesteld om u van het onmatig treuren over het verlies van enige uitwendige troost te weerhouden.