Het volk van God is één familie dat voorrechten bezit, die de wereld niet kan verstaan., en genietingen die zij in hare blindheid niet kan begrijpen. Zo spreken ze ook enerlei taal, ene taal die niet kan worden aangeleerd door menselijk vernuft, doch die men alleen leren kan door middellijk en onmiddellijk onderwijs van God de Heiligen Geest.
Overal zijn er mensen, die deze taal verstaan en als zij in de vreemde omdolen, dan is het ene verrassing een landsman te ontmoeten.
Ik heb in mijn familie iemand die alle bekende talen gemakkelijk spreekt. Hij deelde mij eens het navolgende mede: voor enigen tijd zat ik te Brussel aan een open tafel. Tegen mij over zat een heer, die geen woord sprak en het scheen mij toe dat hij ook van de gehouden gesprekken niets verstond. Ik werd opmerkzaam en sloeg hem nauwkeurig gade en meende uit de vorm en de trekken van zijn gelaat de Pool te ontdekken: daarom sprak ik hem in die taal aan. Zijn gelaat verhelderde en de blijdschap vervulde zijn hart, toen bij uit een anderen mond zijne moedertaal hoorde, die hij sedert maanden niet gehoord had.
Zodanig is de blijdschap van hem, die sedert lang de taal Kaaäns niet gehoord heeft. Want deze spraak toch is melodie in de oren van elken wandelaar door Mesech.
Er zijn er die het beproeven, om zelf die taal aan te leren, doch zij worden al spoedig ontdekt. Schibboleth kunnen zij niet uitspreken en brengen het niet verder dan Sibboleth. Zie Richt. 12 : 6.
De onderwijzer in deze taal, die God zelf is, noemt haar: een reine spraak, Zeph. 3: 9 en door de profeet Jesaja, hfdst. 19: 18: de sprake Kanaäns. Daar nu God een God van orde is, zo is ook de taal die Hij leert, op vaste grondslagen steunende. De voorname en onomstotelijke grondregels zijn die, die te vinden zijn in de grondwet van het Koninkrijk der hemelen, in de eerste van de kleine profeten, het veertiende kapittel, het derde vers, en in het zevende hoofdstuk van Paulus zendbrief aan de Romeinen.
Waar nu een van deze grondregels gemist wordt, daar is het Sibbolet en. geen Schibboleth. Een zeer klein verschil, dat nochtans zo groot is, dat er dood of leven aan hangt..
Bij het horen nu van die taal beproeve zich een iegelijk, of het zijne eigen taal en uit zijn hart gesproken is.
Ik ben goddeloos en toch rechtvaardig, onrein en toch heilig. Mijn naam is "mens", terwijl er niets aan mij is, dan dat menselijk is en toch ben ik er een die Godes is. Behalve de naam "mens" draag ik nog een anderen naam, die niemand kent dan die hem ontvangt, Openb 2: 17 en die naam is: kind Gods, Joh. 1:12. Ik heb het dan ook met mijne hand geschreven en doe het telkens weer: Ik ben des Heeren" Jes. 44: 5. Mijn naam is bekend in de hemel en staat daar opgetekend met bloed, Phil. 4: 3. Op aarde ben ik bekend en onbekend, en. hoewel daar wel goede geruchten van mij gaan, zo staat er mijn naam toch slecht aangeschreven. Ik ben dikwijls verlegen om mijn naam te noemen, maar als ik het voorrecht heb, dat ik overboord ga, dan noem ik mij een Christen, omdat ik de zalving niet ontkennen kan.
Toen ik geboren werd was het nacht., een stikdonkere nacht.; maar eer ik het wist brak het morgenlicht over mij aan. Toen zag ik eerst mijn afkomst en kreeg ik mijn geslachtsboom in handen en bemerkte dat mijn vader een Amoriet was, die zeer rijk is geweest, maar al zijn schatten heeft doorgebracht en daarna ontzettend veel schulden heeft gemaakt, waarvan bij niets heeft kunnen betalen. Deze schuld nu is van mijn vader op mij overgegaan en al leef ik honderd jaren en doe niets dan werken, dan vermindert dat nog niets van mijne schuld.
Mijne moeder is ene Hethietische, enkel vlees, en toen zij mij baarde bracht ze een adderengebroedsel ter wereld, een kind geheel verdraaid, dat een samenweefsel was van zonde en haat tegen God en mensen.
Mijne geboorte is. van ouden datum. Ik werd eerst in een paradijs geboren, daar stierf ik. Eigenlijk zag ik het eerste levenslicht. In de stad des verderfs, waar ik neergeworpen ben op de vlakte des velds. En daar werd ik wederom geboren, toen niemand dan God naar mijn omzag, en nu ben ik een pasgeboren kind, begerig om uit de moederborst de redelijke en onvervalste melk te zuigen en daardoor op te wassen. 1 Petr. 2: 2.
Nu zal men vragen, als gij wederom geboren zijt, hebt gij dan nog. een anderen vader P En dan is het loutere genade dat. ik hierop toestemmend mag antwoorden: Ja, ik heb enen anderen Vader, die mij in Zijn huis heeft opgenomen.. Ik zat wenende als een kind neder, alles was mij ontvallen, geen staf om op te leunen, niets hebbende dan een potscherf om mij te krabben. Ik was met boze zweren bedekt en zat naakt op de mesthoop, in gezelschap van een boos wijf waaraan ik getrouwd was en dat binnen in mij woonde, en mij maar gedurig toeriep: zegent God en sterf! Als ik daar zo neerzat, bijna der wanhoop ton prooi, ontdekte die heerlijke Persoon mij Zijne liefde, drukte mij aan Zijn hart en sprak mij moed in, waardoor ik gedrongen en geperst werd om uit te roepen: "Abba, lieve Vader!" Nu moet ik mij wel schamen, dat ik zo dikwijls vrezende en bevende van verre sta, zonder de Vadernaam op de lippen te durven nemen, daar ik zulk een slecht, ongehoorzaam en ondankbaar kind ben, maar in weerwil van al mijne ellende en bederf, zo is Hij toch mijn Vader en Hij zal het blijven ook.
Mijne moeder, die mij bij de wedergeboorte heeft gebaard, had mij ontvangen door de overschaduwing des Heiligen Geestes. Haar naam is: Jeruzalem dat boven is. Gal. 4: 26. Zij was al oud toen ze mij baarde, en door haar is het dat ik weet van welken Vader ik een kind ben. Zij heeft mij met mijne gehele familie bekendgemaakt en mij mijne broeders en zusters doen kennen, wier getal is. 144,000 en dan nog zo velen die niemand tellen kan. Openb. 7:4, 9. Ik blijf onder dat alles maar een eigenzinnig kind, vol hoogmoed en eigenliefde, waardoor ik dan niet zelden mij ga verbeelden dat ik maar alleen ben overgebleven en eenzaam en verlaten op de wereld ben. Dan zijn mijne ogen rood geweend en die mij dan zien, zeggen dat mijn aangezicht vervallen is en dat ik zo mager ben. En dat is dan ook zo. Dan ben ik zwart van de brandende zon en gewond er bij, omdat de kinderen mijner moeder, Hoog]. 1: 6, tegen mij ontstoken waren. Die kinderen, ze zijn wel moeders maar niet Vaders kinderen, die hebben mij al dikwijls smart aangedaan. Maar dat zijn mijne zonden, die het mij zo bitter maken, want ik heb eertijds hetzelfde gedaan. Ik zou in die ellende al lang omgekomen zijn, als mijn trouwe Vriend mij aan mij zelve had overgelaten, doch als Hij mij maar eens vriendelijk aanziet, dan komt het alles in één ogenblik in orde. Dan spreekt Hij mij vriendelijk toe en verzekert mij dat ik wel zwart maar toch liefelijk ben; dan legt Hij Zijne wonden op mijne wonden en dan heb ik geen wonden meer; dan is mijne moedeloosheid en mijne zwakheid in een ogenblik geweken en dan ben ik zo moedig als een jonge leeuw, en wordt het woord uit de oude oorkonden aan mij bevestigd: "de zwakke zal zeggen: ik ben een held."
Dit alles nu heb ik te danken aan mijn lieven, getrouwen Vriend, Wiens beeld in mijn hart is gegraveerd. Hem te roemen naar waarde, dat kan ik niet. Hij is ook zo schoon, de schoonste onder de mensenkinderen, Hij is blank en rood en draagt de banier boven tienduizend. Ja alles wat aan Hem is, is gans begeerlijk en met verrukking roep ik dan uit: deze S mijn Liefste, deze is mijn Vriend! Hoogl. 5:16.
O! als ik Hem zo aanzie, dan worden alle andere beelden, lelijk en afschuwelijk in mijn ogen en dan mag ik wel eens in opgeruimde stemming zingen:
Ik begere
Niets, o Heere!
Dan Uw vrije gunst alleen.
Die bevinden
Uw beminden,
Die U lieven, anders geen.
Gij vraagt mij wie deze Vriend is; ik zal het u zeggen, maar dan moet ik eerst nog een weinig terug gaan en van hooggaande ellende spreken, natuurlijk van mijn eerste huwelijk. Ik was met een hardvochtig man getrouwd. Hij is nu tot mijne grote blijdschap dood, want ik heb nooit anders dan verdriet van hem gehad. Hij sloeg mij hard, ja vaak geselde bij mij en sprak nooit een enkel vriendelijk woord tegen mij en hoe meer ik poogde. zijn zin te doen, hoe strenger bij tegen mij was. Toen bij dood was en begraven werd, was het een grote lijkstatie, al de koorden, roeden en touwen lagen op de kist en nooit zal ik de blijdschap vergeten die ik gevoelde, toen ik achter de lijkbaar ging. Te meer omdat mij in mijne ellende een. wonderschoon Persoon was verschenen, die mij, zo lelijk als ik was, beloofde mij te zullen ondertrouwen in gerechtigheid en in gerichte, in goedertierenheid en in barmhartigheid en in geloof. Hosea 2: 18, 19. Toen nu mijn eerste man dood was herhaalde Hij dezelfde belofte en gaf mij tot onderpand van de zekerheid Zijner woorden, een ring aan de vinger. Dat is nu die lieve vriend, daar ik van gesproken heb. Dikwijls gaat Hij van mij weg, doch komt ook telkens weer en is altijd even vriendelijk jegens mij; als ik somtijds nog wel eens twijfel aan de voltrekking van het huwelijk, dan verzekert Hij mij zo plechtig, dat ik er niet meer aan twijfelen kan, dat Hij mij heeft liefgehad met een eeuwige liefde en dat Hij mij uit loutere barmhartigheid getrokken heeft.
Misschien vraagt gij mij wie die heerlijke Persoon is. Zijn naam. kan ik u niet noemen, die is toch wonderlijk; ik noem Hem mijn Vriend, mijn Borg, mijn Losser, mijn Immanuël en met vele andere lieve namen, zo lief als de liefde, die brandende in mijn hart is, mij geeft uit te spreken. Hij is een wonderschone Koningszoon. Zijn Vader, Wiens enige ééngeboren Zoon Hij is, is nu mijn rijke Vader, die mij als Zijn kind aangenomen heeft, alleen ter wille van mijn Liefste. Ik was bij mijn eersten man. diep in schulden geraakt, Hij heeft ze allen betaald, zodat al de schuldeisers bevredigd zijn. Ik leef nu uit Zijn kapitaal, daarvan krijg ik telkens de rente. Doch ik krijg nooit veel op eens, omdat ik van nature een doorbrengster ben; en als ik Hem uit het oog verlies dan zou ik alles verkwisten, Ik blijf onder dat alles in mij zelve maar een ellendeling, want het gebeurt mij somtijds dat ik niet de minste schoonheid of dierbaarheid in Hem zie. Doch als ik dan zo ellendig neerlig en mijn Vriend zet mij weer op de wagens van Zijn vrijwillig volk, dan ben ik dat alles spoedig weer vergeten en gevoel mij in Zijnen aanblik zo gelukkig, dat ik met de engelen niet zou willen ruilen. Toen ik met mijn eersten man nog getrouwd was, waren mijne klederen maar lompen, schorten die ik zelf gemaakt had van vijgenbladeren, en in mijn klerenkast had ik nog een kleed, dat van tweeërlei stof was gemaakt. Maar als mijn man zag dat ik dat wilde aantrokken, dan sloeg hij mij zo erbarmelijk, dat ik in een hoek kroop en: mij, zo goed ik kon, met de vijgenbladeren bedekte. Doch toen ik het voorrecht had, zoals ik nu heb, zie ik er geheel anders uit. Mijn Vriend heeft mij al mijn vijgenbladeren uitgetrokken. Hij heeft mij sierlijke kleren aangedaan, mij omhangen met de mantel der gerechtigheid en. een reinen hoed op het hoofd gezet met een gouden plaat er op, waarop gegraveerd staat: "heiligheid des Heeren." Daarbij heeft Hij mij wisselklederen gegeven, die ik aantrek als ik tot Hem ga,. Overigens heb ik nog een reiskleed, dat dikwijls zo bestoft is, dat als men er op slaat, het is of het een meelzak is, zoveel stof vliegt er dan uit. Dit kleed draag ik echter maar, zolang totdat het huwelijk voltrokken wordt, dan leg ik het voor goed af.
Ik ben een vreemd schepsel, dikwijls mij zelven een raadsel. Het schijnt mij vaak toe. dat ik al meer en meer achteruit ga, maar als de Zon helder schijnt, dan zie ik toch dat ik vorder. Somtijds denk ik dat Saul de overhand, zal hebben, maar als dan mijn Vriend tot mij zegt: "Ik zal voor u strijden", dan heb ik niet anders te doen dan stille te zijn en dan wordt het aan mij bevestigd: die tehuis bleven deelden de buit". Ik ga even als Jakob met het aangezicht naar het Oosten gewend en even als die Patriarch ga ik kreupel aan enen kant. Aan mijn eigen kant ga ik kreupel, maar aan de zijde van mijn Vriend sta en ga ik recht op mijne voeten. Ik ben dan ook niet zelden een hinkende " maar als ik de schoenen aan heb, die mijn Vriend mij heeft geschonken, dan ga ik recht, en alles wat mij in de wereld tegenkomt moet voor mij wijken; dan zing ik:
Kom wereld staat eens aan een zij
En maak de weg eens ruim voor mij.
Dan loop ik en word ik niet moede; dan doet mijn Vriend aan mij wat Hij beloofd heeft: Mijne kracht wordt in uwe zwakheid volbracht". 2 Cor. 12:9.
Somtijds komen er vreemde bezoekers binnen, die vragen of ik het wel recht heb, dat ik op de goeden weg ben, omdat er zoveel doornen en distelen, hindernissen en struikelblokken op de weg liggen. Dan sta ik weleens een ogenblik te denken, doch als ik dan terug mag zien op de weg die achter mij ligt, dan vind ik zovele spitse pilaren en merktekenen door mij opgericht, dat ik mijn smader heel wat te antwoorden heb, en vloeit mijn mond over. Dan zeg ik: ik zie niet op de weg, maar op mijn Leidsman, die mij er zelf op gezet heeft en toen tot mij zei: dit is de. weg, wandel daarin". Dan heb ik nog dit te antwoorden: wanneer ik het oog in het gebod sla, dan zie ik, dat ik de zaden van allerlei boosheid in mijn hart omdraag. Dan zie ik, dat het goede dat ik wil, dat ik dat niet doe, en het kwade doe dat ik niet wil. Ik beken dat ik mij vaak bezig houd met allerlei gedachten, met ongeduld, ja met alles wat verkeerd is. Dan weer doe ik niets dan klagen en wenen, met bidden en hopen, en belijd dan zo graag dat ik een nieteling ben, en de Heere het alles en alleen is. Dan heb ik weer dat volkomen vertrouwen in mijn hart, dat mijn Vriend het alles goed zal maken; dan houd ik mij vast aan Zijn woord, schuil onder Zijne vleugelen en vind mij in Zijne genade en barmhartigheid geborgen tegen zonde, nood en dood. Dan beken ik, dat ik genoeg heb aan mijn Vriend, dat ik in Hem al mijn heil en mijne zaligheid vind, en dan verdwijnen alle schepselen voor mij als sneeuw voor de zon en als Bij dan tot mij zegt: uwe vrucht is uit Mij ge vonden", Hosea 14: 9, dan hef ik vrolijk een der liederen Sions op en accompagneer het voorbedacht lied met het tiensnarig instrument, op de fluit of harp. Pa. 92: 4. Dan is. het rustdag voor mij en dan houd ik op met werken.
Och! als ik het alles zo mag naspeuren, wat mijn Bruidegom al voor mij gedaan heeft, dan ben ik enkel verwondering, want, ziet, ik was dood en Hij heeft mij levendig gemaakt; ik was blind en ik werd ziende; ik was stom en doof, en Hij raakte mijne oren en mijne lippen aan en ik werd sprekende en horende; ik was melaats en Hij heeft mij gereinigd. Ik was verloren en. ben door Hem gevonden en gered; ik bedierf alles en Hij maakte alles weer goed; ik verkwistte alles en kreeg alles terug.
Op een anderen tijd wordt mij gevraagd, of ik wel weet, dat ik over zulk een broeden stroom moet, waar geen schip is om mij over te brengen; dan sta ik wel eens verlegen, maar. als ik dan op mijn Leidsman zie, dan wordt alle vrees als weggevaagd, want Bij heeft het mij zelf beloofd:, Vrees niet, want Ik heb u verlost; Ik heb u bij uw naam. geroepen gij zijt mijn. Wanneer gij zult gaan door het water, Ik zal bij u zijd, en door de rivieren, zij zullen u niet overstromen; wanneer g ij door het vuur zult gaan, zult gij niet verbranden, en de vlam zal u niet aansteken." Jets 43: 1, 2. En dan, als ik voor de stroom zal komen, dan zal, evenals bij de kinderen Israëls, toen zij de Jordaan over moesten, dan zal mijn eeuwige Vriend en Hogepriester de eerste in de stroom. gaan en ook de laatste er uit. Bij heeft het zelf gezegd: Ik ben de eerste en de laatste, de Alpha en de Omega." Openb. 1:81 17.Zodat mijn trouwe Vriend mij in alles geruist stelt. Nu woon ik nog in een lemen hut en dat is maar een. huurhuis. Straks wordt mij de huur opgezegd, en dan verlaat ik dat aardse huis, dat dan een puinhoop wordt, waaronder al mijne oude zonden worden begraven, en dan voert mij mijn Bruidegom op engelenwagens naar Zijn eigen paleis; daar wordt dan het huwelijk voltrokken en zal ik in statie worden binnengeleid bij de Koning en dan zullen wij altoos bij de Heere wezen, zonder te scheiden.
Mijn lezer! kent gij ook die spraak, of is zij u vreemd?
Staan wij nog even stil bij de geschiedenis in Richteren 12 en. onderzoeken we, hoe het met ons staat. Want ziet, dat is toch het voornaamste, om te weten, of het wel met ons is en wij een vrij geleide hebben, ais, wij aan de doodsJordaan zijn gekomen.
De Gileadieten streden tegen de kinderen Ammons, met Jefta hun krijgsoverste aan de spitse, en bij versloeg ze met een groten slag, zodat de kinderen Ammons werden ten onder gebracht. De mannen van Efraïm. waren afgunstig en begeerden mede te delen van de buit, hoewel ze aan de strijd geen deel genomen hadden. Zij togen tegen elkander op ten strijde, die van Gilead en Efraïm, en daarin die beide landstreken de uitspraak der taal zeer veel van elkander verschilde, zo konden die van Efraïm. het woord Schibbo1eth niet uitspreken. Dit werd bij hun vlucht over de rivier de toetssteen. Al, zeiden ze, dat ze van Gilead waren, en zij zeiden: Sibboleth, dan werden ze gedood, zodat er op dien dag 42,000 mannen van Efraïm stierven.
Laat ons nu de geestelijke betekenis hiervan zoeken na te speuren. En dan letten wij op de zin der namen. -
Efraïm betekent trots. Deze zijn als Bileam, begerig om de dood eens rechtvaardigen te sterven, maar de strijd des rechtvaardigen te strijden, is voor de zodanigen een groten last. Daarom kunnen ze dan ook het woord niet goed uitspreken en zeggen: Sibboleth, dat wil zeggen: een last. Ziedaar het juiste beeld van hen, die de bevindingen der heiligen trachten na te apen en niet de minste bewijzen geven van waarheid in het binnenste. Wat Athanasius eenmaal zei, daar zijnde Efraïmieten vreemd van. Als dezen kerkvader gevraagd werd, wat de eerste genade was, antwoordde hij: "ootmoed". En de tweede genade? "ootmoed". En de derde genade? ootmoed". En ziet, daar dit de eerste grondregel der tale Kanaäns leert, zo blijft bij het voortgaan in de kennis van ellende., de genade van ootmoed b ij de levendgemaakte ziel, bij voortduring en doortrekt ze als een zuurdesem het gehele bestaan van de begenadigde ziel. Dit nu wordt gemist bij die van Efraïm. Omdat ze niet op de rechte school geweest zijn, kunnen ze de taal niet uitspreken en ga.an met hun inbeeldingen voor eeuwig verloren.
De Gileadieten n u zijn stenen der getuigenis, want dat is de betekenis van hun naam. En wat getuigen ze? Ze getuigen en ze zullen het eeuwig verkondigen dat God God is, en dat zij mensen zijn. Deze zijn het, van wie de almachtige zelve getuigt: gijlieden zijt Mijne getuigen dat Ik God ben". Jes. 43: 12. Het zijn alzo de levende stenen,. die het woord juist kunnen uitspreken. Schibboleth betekent "korenaar". En zo zijn ze in het spreken tot de Heere en tot elkander, van hun moedertaal. Zij spreken en tonen het koren in de aar, het zuivere koren, dat rijpt voor de hemelse korenschuur. Maar zij spreken er ook van, hoe dat plantje groeit in lage aarde. Zij dragen hun schat in aarden vaten. Zij hebben te gewagen van genade, en roemen alleen in de Heere, want daar zonder stro en kaf het koren niet groeien kan, zo weten ze toch, dat de verdorvenheid die hen steeds aankleeft en ene gedurige oorzaak van droefheid is, evenals het stro en het kaf. zal verbrand worden en de geestelijke mens eenmaal zal ontdaan worden van alle aardse en vleselijke omhulsels en ene plaats zal innemen onder de gemeente zonder. vlek of rimpel.
Zien we nog oven op de krijgsoverste die aan de spitse staat der Gileadieten. Het is Jefta, dat betekent "deur". De verklaring ligt voor de hand. De ware Rechter die aan de spitse staat het volk van God, is het die gezegd heeft: "Ik ben de deur". Joh. 10: 7. Jezus de Koning Zijner Kerk is zelf de deur waardoor ze in het heiligdom ingaan. Hij leert. ze spreken, zuchten, kermen, worstelen, strijden en overwinnen. En in Zijne kracht brengen ze al de Ammonieten, dat wil zeggen "pochers", zowel als de Efraïmieten ten onder.
Mijn lezer, hoe staat het met u? Zijt ge nog onder die van Efraïm De Heere lere u, voordat gij aan de doodsrivier komt, de taal van de waren Gileadieten: "o God! wees mij zondaar genadig!" Luk. 18: 13.
Of hebt gij de eerste klanken van de taal Kanaäns geleerd? De Heere lere u verder, opdat gij weldra zo goed geoefend zijt, dat gij niet alleen A. B., maar in enen adem B. A er op kunt laten volgen, dat is: "Abba Vader".
Op dan, gij mannen van Gilead. Met Jefta aan de spitse is de overwinning zeker, en als in de laatsten strijd gevraagd wordt: zijt gij een Gileadiet? dan zegt ge blijmoedig: "Schibboleth", en met dat gij over de Jordaan gaat, zullen de grote vleugeldeuren van het nieuwe Jeruzalem voor u open gaan en daar zult gij dan volmaakt de taal Kanaäns spreken, zonder ooit in woorden zelf te struikelen en het ene lied zal daar niet geëindigd zijn of het andere begint, en dan zingt ge niet zes en twintig maal, zoals in Psalm 136, maar tot in eeuwigheid: "want Zijne goedertierenheid duurt in eeuwigheid."