Enige uitmuntende oefeningen en predikaties

Petrus Immens

Oefening gedaan op de 19 Februari 1720, van het gebruik maken des Middelaars van een gelovige ziel, van het begin tot het einde van zijn leven.

De laatste maal zo spraken wij hoe een ziel die met God in het verbond zou treden de Middelaar moest beschouwen tot zijn troost en bemoediging, nu moeten wij zien hoe iemand die nu al staat in het verbond, hem zal gebruiken tot zijn geestelijke sterkte en voortgang in de genade.

En om dit te doen, zo zal ik deze vijf zaken doen:

1. Enige waarschuwingen gebruiken tegen Gods kinderen, hetgeen haar belet dat zij geen genoegzaam gebruik maken van de Middelaar.

2. Dan zullen wij het gebruik maken zelfs in alle zijne delen en leden inzien.

3. Enige zwarigheden die uit dit stuk zich zouden opdoen in Gods kinderen, oplossen.

4. Tonen hoe dit een gevoeglijke stof is tot voorbereiding.

5. En dan ook dat het een stof is waar bij zich elk kan onderzoeken en beproeven, of hij recht heeft om het Avondmaal te gebruiken.

1. Wat belangt het eerste: zullen wij enige dingen aanmerken tegen Gods kinderen, en wel dit: dat zij al te veel God in het gemeen aanmerken zonder bijzondere betrekking als drie-enig, Vader, Zoon en Geest, zo daar iets is dat Gods kinderen belet een gelovig gebruik te maken van de Middelaar, het is dit: dat zij de Vader beschouwen, zonder de Zoon en dan komt God haar verschrikkelijk voor, dat zij de Zoon beschouwen zonder betrekking tot de Geest, en dan durven zij niet tot de Middelaar komen, wel waarom denkt gij heeft God hem in zijn Woord als een Drie-enig God laten beschrijven? als opdat wij hem zodanig zouden aanmerken, en hem beschouwen in zijn liefde tot de zondaren: want omdat God drie-enig is, zo kan hij de God van een zondaar worden, en daarom zo kan een zondaar van hem gebruik maken.

2. Dit moet ik ook aanmerken tegen Gods kinderen, dat zij, schoon zij God al aanmerken als

drie-enig, niet genoeg verbondswijze handelen, dat zij zich dan een verbond representeren, gelijk het verbond was in Adam, daar zij ook zelfs moesten werken, daar het zonder Middelaar was, zij beschouwen liet niet genoeg in de Middelaar, als die de grond is van hetzelve waarop het is gebouwd, ja die de grond is waarop men tot de Vader gaat: zodat men het verbond moet aanmerken in Christus door de Geest.

3. Ja dit dient tot waarschuwing van Gods kinderen dat zij nu al handelende met de Middelaar, hem niet genoeg gebruikende in alle hun noden en omstandigheden in alles zo als hij is: 't is alsof de grootste Heiland en Middelaar op aarde alles had volvoerd, en nu niet meer bezig was in de heerlijkheid om zijne Kerke en ook gelovige in het bijzonder te behouden en kracht. en sterkte te geven. Ja ten tweeden, in opzicht van de Middelaar, zo handelen Gods kinderen verkeerd, zij zien in het afgetrokken te veel op zijn Godheid, of op zijn mensheid, of zij beschouwen hem te veel als een rechter die vol Majesteit en heerlijkheid is.

a. Zij zien te veel in het afgetrokken op zijne Godheid, zij representeren hem als de grote God die heilig en rechtvaardig is, dat is welgoed. zo liet geschied om de ziel nederig, klein en ootmoedig te maken, om met eerbied en ontzag omtrent hem te verkeren, maar zo het is tot de verschrikking, tot verbazing en ontzetting, zodat de ziel niet durft naderen, ziet dan eens wat kwaad gij u zelfs doet, 't is waar als gij God beschouwd, zo is een zondaar zo verre van God af dat hij nooit tot hem komen kan, maar nu komt God en die stelt de Middelaar tussen beiden, door wie hij de ziel recht en vrijheid geeft om tot hem te naderen, zo nu de Middelaar, zelfs alleen als de heilige en rechtvaardige God beschouwd word, zo ziet gij wel dat het iemand terug houd en verschrikt, zodat de Middelaar te beschouwen als God, zeer goed is om de ziel nederig te maken, en haar te brengen tot eerbied maar het is, niet, wanneer het is tot verschrikking om van hem af te blijven.

b. Somtijds zo hapert het Gods kinderen daar aan, dat zij hem te veel afgetrokken als mens beschouwen; 't is zeker hij kan nooit te veel beschouwd worden in zijne schoonheid en luister, als de schoonste van de mensen kinderen, op wiens lippen genade is uitgestort, om het hart in liefde gaande te maken, maar dit gebruikt de satan dikwijls als een list om de ziel te beroeren, dan zegt hij eens, zult gij in een mens geloven, daar u betrouwen op zetten, daar hij ver~ vloekt is die op een mens vertrouwd, in zo ene die de Joden een ergernis en de Grieken een dwaasheid is, en zo zoekt hij maar dat zij zich stoten aan zijne geringheid en daar door worden terug gehouden om geen geloof aan hem te oefenen. Maar als nu Jezus beschouwd word als God en mens, ziet gij dan wel dat de pijlen des satans geen kracht hebben, want dan zoud gij hem tegenwerpen, ik geloof niet in een mens, maar in enen die ook waarachtig God is.

c. Gods kinderen beschouwen hem ook te veel als rechter en dan zien zij op de tekst Heb. 4. daar is geen ding onzichtbaar voor Hem, maar alle dingen naakt en geopend voor de ogen van dien God met welke wij te doen heb: dat kan ook goed en nuttig zijn wanneer het de ziel doet net en omzichtig wandelen, om haar niet te bevlekken door zonden, maar wanneer het daar toe dient, om al weder de ziel te beroeren, dat zij denkt, wat zal dat zijn, als hij zal komen op de wolken om te richten, als ik Ook voor hem zal gesteld worden, dan is het niet goed, want hier zou men ook kunnen zeugen het geen Christus ook zei, ik ben niet gekomen om de wereld te oordelen, maar om haar te behouden, dat ziet niet alleen op zijn eerste komst in het vlees, maar ook op zijne tweede komst op de wolken, hij zal niet komen om de wereld der uitverkorene te veroordelen maar om haar vrij te spreken, wel laat dat dan u ook niet verschrikken.

d. Het hapert ook Gods kinderen somtijds hier -aan, dat zij in die verkeerde bevatting zijn, dat zij de Middelaar wel nodig hebben voor haar om haar voor God te rechtvaardigen, opdat zij zouden voor God kunnen bestaan, maar dat zij hem zo nodig niet hebben tot heiligmaking, dat zij gerechtvaardigd zijnde voor God, nu haarzelven moeten gaan heiligen, 't is zeker, dat dat de wille Gods is, onze heiligmaking, en dat wij het ook moeten uitwerken, maar dat is den wille Gods niet, dat wij het doen in ons zelfs. Gods kinderen hebben Jezus zo wel nodig tot heiligmaking als tot rechtvaardigmaking, en als het zou geschieden buiten Jezus zo is het God niet aangenaam, want dan en deugt het ook niet, zij kunnen niet doen zonder zijn kracht en invloed.

e. Dikwijls zijn Gods kinderen in de beschouwing van Christus als de Middelaar nog wel bezig om hem tot een patroon voor haar te stellen,. maar zij denken dat het een gewrocht van haar eigen geest is hem naar te volgen, daar zij mochten denken dat het Christus alle en is die dat door zijn dood verdiend heeft, en door zijn Geest in hun moet uitwerken en haar zijnen beelde gelijkvormig maken. Dit hadden wij te zeggen tot waarschuwing van Gods kinderen.

1. Dat Gods kinderen moeten begrijpen dat Christus de Middelaar, het enige fundament, de Hoeksteen en Petra is van de zaligheid niet alleen, maar ook van al hun werkzaamheid, dat Christus daar en boven is de grote voorspraak bij de Vader die de zaak van zijn volk daar "ar neemt, dat Christus is de erfgenaam, in wie het God behaagt heeft alles te leggen, opdat al wat wij ontvangen dat het zoude zijn uit zijn hand, opdat wij uit zijne volheid zouden ontvangen genade, en uit hem zouden genieten al wat wij nodig hebben, zo moeten zij Christus dan aanmerken als de zake des verbonds, de schatkist, het trezoor, het kanaal, door wie zij alles ontvangen, want alles is van Christus, in zijne hand zijn al de goederen des verbonds, opdat hij ook in dit opzicht zoude zijn alles in allen.

2. Om gebruik te maken met Christus zo moeten zij weten, dat zij staan in de gemeenschap met Christus door de, Geest in 't geloof, want anders, wat nuttigheid is 't zo men weet dat in Christus alle de volheid woont, zo wij in, hem geen deel hebben, dieswegen zo heeft God een verbond gemaakt dat de uitverkorene met hem gemeenschap hebben zouden, gemeenschap met zijn persoon, met zijn namen, met zijne ambten. met zijn naturen, met zijne staten, met zijne goederen, schatten en rijkdommen, een, gemeenschap, daar God aan zijne zijde de knoop door de geest, en aan de zijde van de uitverkorene de knoop legt door het geloof, zodat zij Christus en Christus de hare is, en alles wat hij heeft, uit kracht van die gemeenschap, daar recht toe hebben, dat dit nuttig en nodig is om te weten, blijkt:

a. omdat alles wat Christus had dat had hij niet alleen voor zichzelf, maar voor zijn uitverkorene, en zij bezitten alles met hem, in zijn gemeenschap, zodat het geen van Christus gezegd word in meerder maat, dat hebben zij in minder maat, hier vandaan zo hebt gij in Gods woord al die overvloedige spreekwijzen, die de gemeenschap met Christus uitdrukken; bij voorbeeld: dat zij der Goddelijke natuur deelachtig, worden, dat Christus is de menselijke natuur deelachtig, haar vlees en haar benen, dat zij een geest met hem zijn, dat hij is de Boom en zij de takken, hij de Wijnstok en zij de ranken, hij het Hoofd en zij de leden, hij het Fundament, de Hoeksteen, zij stenen op hem gebouwd, uitmakende een huis, hij de Koning zij de onderdanen, hij de Heere, zij knechten en dienstmaagden, hij de Bruidegom en Man, zij de bruid en het wijf, nu kunt gij wel begrijpen, dat wanneer een arme slavin met een Koning in de huwelijken staat komt, dat zij door het huwelijk deel krijgt aan al wat de Koning heeft, aan zijn Eer, Troon, Kroon, Rijkdommen, zo word zij gesteld in het bezit van al dat des Koning is, en dat, is de grootheid van Gods goedheid dat een armen zondaar in 't huwelijk met Christus komende, zij daar door deel aan alles heeft, opdat zij, zoude kunnen zeggen in wederzijdse gemeenschap, mijn liefste is mijn en ik ben zijn.

b. In dat opzicht hebben zij grond om van hem, gebruik te maken, en van alle zijne goederen en volheden, zij ka men tot hem en tot al wat hij bezit als tot haar. tot haar, eigen goed waar aan zij recht hebben, niet in stoutmoedigheid, maar in nederigheid uit kracht van zijn gemeenschap hebben zij alles zodat Christus erfgenaam zij mede erfgenamen met hem zijn.

e. Daar uit zo vloeit, al de troost en verkwikking voor de ziel, want wat troost heeft iemand buiten Christus en zijn gemeenschap, dan is hij zonder God buiten het verbond, zonder hope in de wereld, maar zich verzekerende in Christus te zijn zo hebben zij troost en verkwikking voor hun ziel.

In de gebruikmaking des Middelaars, moet de gelovige ziel zich dat gedurig herinneren dat er geen gebrek in haar is, hoe groot daar Christus als geen volheid toe heeft om het te vervullen, en dat er ook niets in Christus is daar zij als verenigd met hem, geen recht en gemeenschap toe heeft opdat blijk dat Christus een algenoegzame en volkomen zaligmaker is.

Maar laten wij nu het gebruikmaken zelfs eens inzien, hier moeten wij zien voor eerst:

1. Hoe gebruik te maken van Christus in alle de kwaden die ons drukken.

2. Hoe van hem gebruik te maken, tot verkrijging van alle goederen, en Godzaligheid, al

wat de ziel nodig heeft tot het leven en gelukzaligheid.

Vooreerst, hoe wij de groten Middelaar gebruiken moeten tegen de kwaden die ons drukken, daar hebben wij een schuld der zonde, een smet, kastijdingen van Gods hand, gebreken, geestelijk verlatingen, een vrees des doods, en het oordeel, tegen dit alles in Christus is een schild door het geloof in de genade.

1. Wij moeten Christus gebruiken tegen onze schuld daar hebben wij een rechtvaardig en heilig God, een vloekende wet, een veroordelend geweten, een aanklagende satan. In opzicht nu van God de Vader die als Rechter voorkomt, Want al hoewel hij haar door het geloof rechtvaardigt in Christus, en vrijspreekt van de zonden, en dat zij in zekerheid met hem wandelen, zo is het echter waar dat zij vele zonden en schulden hebben, en wanneer dat God haar die te binnen brengt dat zij met David moeten uitroepen: zo gij Heere de ongerechtigheden gadeslaat, Heere wie zal bestaan? Treed niet met uwen knecht in het gericht, want niemand die leeft zal voor uw aangezicht rechtvaardig zijn. En met Job moet hij zeggen: Zo gij met mij wilt twisten niet een uit duizend zal ik u antwoorden. Daar komt de gewapende Majesteit Gods wel eens in het oog, zodat zij zeer bevende wordt, zal nu een Christen daar van ontslagen worden, hij gaat tot God in de Middelaar, en hij zegt tot hem als tot die Heilige Rechter, zijt gij lankmoedig over mij en ik zal u alles betalen, niet in mijn zelven: maar in Christus mijn Middelaar, met wie ik door het geloof gemeenschap heb, zo kond gij mij rechtvaardigen, in hem zijne zonden verzoend, doet het dan om zijnen wille, dan grijpt zij God op zijn naam als barmhartig en genadig, op zijn deugden die voldaan zijn, op zijn verbond, op de beloften, op de Middelaar, hebt gij hem niet gesteld tot verzoening door het geloof? Zijt gij in hem niet voldaan? Is de schuld niet betaald door hem? Doet het dan om zijnentwil, en dat is zo gezegend voor de ziel dat zij opnieuw de toespraak wel eens krijgt, zoon of dochter Zijt goedsmoeds de zonden zijn u vergeven, ik gedenk uwe zonden niet: zo gebruikt zij Christus tegen de schuld.

Ja daar komt de vloekende en beschuldigende wet die roept om wrake, om straf, ik heb, zegt zij, overtreden: maar daar tegen is Jezus ook een schut en scherm, zij kan niet ontkennen dat zij schuldig is, een overtreder derzelve tegen alle de geboden Gods: maar zij gaat tot God en zegt: Vader gij hebt uwen Zoon gesteld, opdat hij de eis der wet zou voldoen, de wet was krachteloos geworden voor het vlees: maar daarom hebt uwen Zoon gezonden in de gelijkheid des zondigen vleses, opdat hij de zonde zoude veroordelen in het vlees, en het recht der wet vervullen; hij heeft de vloek gedragen; daar komt ook de satan dien aanklager der broederen, die plaatst zich aan de rechterhand gelijk aan Josua de Hogepriester, haar beschuldigde als onwaardig het Priester ambt te bedienen, hier is nu geen middel als Christus de grote Middelaar te gebruiken, die zijn kop vermorzeld heeft, zijn macht benomen, zijn geweld dat hij had teniet gedaan, hem onder zijne voeten heeft. Wat, doet nu de ziel die gebruik maakt van Christus? zij loopt en vliedt tot hem als die sterker is als dien sterken, zij schuilt bij hem, haar oog is op hem, en dan wordt ook tot hem gezegd, de Heere schelde u gij satan, de Heere schelde u, wanneer de consciëntie haar komt beschuldigen en zegt, alle dage zondigt gij met gedachten, woorden en werken, daar heb ik gezondigd in Godsdienstplicht, en die zo niet verricht als het betaamde, met dat het hart met die indruk, daarin mijn wandel niet teer en zuiver bewaard, hoe zal zij dat nu weder te boven komen, als met tot Christus te gaan en te zeggen, laat u bloed dat ten goeden gestort is voor zondaren, mij tot vertroosting zijn, mijne consciëntie reinigen.

2. Niet alleen moeten wij Christus gebruiken tegen de kwaden die ons drukken, in opzicht van de schuld der zonden, maar ook tegen de smet, het is de smet der zonden die de ziel onrein maakt. 0 wanneer God dit op het hart drukt, hier over moet een Christen versteld en verbaast staan, dat hij zo onrein, zo boos, zo besmet is, dan moet hij wel eens zeggen, geen duivel uit de hel is bozer en zondiger als mijn hart is, daar is geen zonde hoe gruwelijk, zo God mij niet bewaarde, daar ik niet toekomen zoude, ach ik ellendig mens wie zal mij verlossen van het lichaam dezes doods, maar hier komt weer het gelovig gebruik van Christus; de ziel ziet niet alleen dat Christus gekomen is om de zonde weg te nemen, maar ook om de ziel te reinigen van de heersende smet, 1 Joh. 1 het bloed van Christus zijn Zoon, reinigt ons van alle onze zonden: ja dat hij ook zijn Geest verworven en haar toe gezonden heeft opdat hij de heiligmaking uitwerken zou en gedurig met de ziel medewerken, zodat zij door de zonde niet al te zeer verzet werd, wel bedroefd, wel beschaamd, wel biddende, wel nederig en klein: maar ziende op Christus, zo zegt de ziel gij zijt rein geboren, opdat ik van mijne onreinigheid, waar in ik geboren ben zoude gezuiverd worden, gij hebt uzelfs rein bewaard, opdat ik van mijne zonden, die ik dagelijks doen zou, zoude gereinigd worde, gij hebt u bloed gestort, uw geest verworven, opdat ik niet te veel zoude verschrikt zijn, wegens de veelheid der zonden, maar bij u om kracht en sterkte gaan tegen de zonde.

3. Daar zijn ook menigmaal uitdrukkingen en tegenheden voor Gods kinderen meer als de wereld wel weet; verdrukkingen van buiten door vervolging, hoon en smaad van de wereld haar aangedaan, hier moet de ziel Christus gebruiken als die al de verdrukkingen die haar overkomen heeft geheiligd, zelfs gedragen in zijn lichaam, en voor haar geleden heeft, als Borg en Middelaar, zodat zij hun niet vreemd moeten houden, dewijl hij haar hoofd haar daarin is voor gegaan, en een dienstknecht is niet meerder dan zijn Heere, indien zij hem vervolgd hebben, zo zullen zij ook haar vervolgen, b. zij moeten hem gebruiken, als die het vervloekte van al die tegenheden heeft weggenomen, zodat het gene haar zoude neerwerpen, en doen kleinmoedig zijn, het hun moet opwekken, zo zij zien op Christus, en dat moet haar te meer in ernst en in gezetheid voor God en zin dienst doen wandelen. 0 ja, Christus aan te merken als die aan haar zijde staat, die haar in 't midden van al de verdrukkingen bemoedigd, vertroost, en naar het hart spreekt, en zegt, hebt maar moed ik ben met u, hoe menigmaal is het gebeurt dat zij als bezwijkende waren, en op Christus zagen, ondersteund werden. Ja ten derden, Christus staat onder haar kruis, onder het lijden, het is niet tevergeefs in Gods woord aangetekend dat wanneer de eersten Martelaar en bloedgetuige Stephanus gedood werd, dat hij zag de Zoon des mensen Staande aan Gods rechterhand, als die gereed stond zijne, ziel zo aanstonds op te nemen in de Heerlijkheid, waarom hij ook zei Heere Jezus ontvangt mijnen geest, zo staat hij ook aan de rechterhand van alle zijne kinderen die sterven, om hare ziel tot hen te nemen in Heerlijkheid.

4. Gods kinderen hebben veel gebreken en zwakheden waardoor zij gedurig afwijken van God, niet alleen haar gebreken als zij op zichzelf zien zouden: maar als zij zien op alle haar daden die goed zouden zijn, zodat zij moeten zeggen, al wat ik doe heeft gijn zoetigheid verloren wegens het zondigen en gebrekkelijke daar het mede vervuild is, mijn bidden dat mij het beste zoude zijn, mijne godsdiensten, ik heb niet een deugd of werk die ik zoude durven aantekenen goed te zijn, of in de weegschaal des Heiligdoms zoudt durven leggen zodat een Christen moet zeggen daar blijft niet als onreinigheid van de Hoofdschedel tot de voetzool toe, het is allemaal onrein en melaats en waarom behaagt het God dat in zijne kinderen te laten overblijven. O 't is omdat wij zulke afgodische mensen zijn, dat wij zo veel op onszelf zouden vertrouwen, maar nu zo 't enenmaal zondig zijnde en wij dat ziende: zouden zeggen, ik ben bemorst en onrein en alle mijne daden bevlekt, en ik kan niets doen dat, goed en God naam is in mijzelf, maar zo daar iets is, ik moet zeggen, niet ons o Heere niet ons maar uwen name zij alleen de eer; maar hoe zal nu de, ziel zich hier tegen stellen, om niet moedeloos te worden, als dat gij tot Jezus loopt de groten Heiland, en met Hiskia bid: 0 Heere! gij die goed zijt, dat verzoening in het bloed van de Heiland over mijne heilige dingen en beste werken.

5. De ziel kan ook komen in verdrukking in het duister inwendig naar de ziel, en geestelijke, verlating, dat het met haar is schrik van rondom, waar zij haar wendt God ontdekt zich niet in zijn liefde, hij verbergt zijn aangezicht, de vijand valt op haar aan, in zijn kracht en list, hij bespringt haar van alle kanten, hoe zal zij het hoofd opbeuren, als dat zij denkt Christus is mijn hoofd en Koning met wie ik gemeenschap heb, en op het nauwste verenigt ben, die heeft het ook ondergaan, hij heeft het ook geproefd.

Wel mocht iemand denken, is dat dan genoeg, waarom moeten zijne kinderen het nog proeven? Ja het is genoeg, maar zij dat bevindende, moeten zien de grootheid, en onbegrijpelijkheid van Jezus' liefde, opdat zij zouden kunnen zeggen, heeft Jezus dat gedaan om mijnentwil, wat is zijn liefde niet groot, ja omdat Jezus dat gedragen heeft zo heeft hij daar van het vervloekte weggenomen, en hetgeen ik draag dat zijn geen eigenlijke straffen, maar Vaderlijke tuchtigingen, en deswegen ik weet geen beter raad als te doen zoals het Jezus deed.

In het midden van dat als zo zei hij, mijn Vader, mijn God, om ook met hem het geloof op God te vestigen, op hem in het duister te vertrouwen, staat te maken op de belofte, ja gebruik te maken van Christus, te zeggen: o! Heiland, viel het u zo bang, daar gij God was, daar gij geen zonden had daar gij het leed als Borg, gij kond dan eens zien hoe zwaar het mij valt die een zondig mens ben, en waarom hebt gij het ondergaan als opdat ik niet zoude verzocht worden boven vermogen, opdat gij uitkomst zou geven. Ja hier mede kon zij haar hoofd opbeuren als zij denkt, gelijk aan het lijden van mijn Heiland een einde kwam, en hij zijn glorierijk aangezicht opbeurde, zo zal ook al het lijden met mij eens eindigen, en ik zal ook het hoofd opbeurende, in triumf zegepralen.

6. Ja Gods kinderen ondervinden dikwijls ook bestrijdingen van de satan, de God dezer eeuw, die zal haar in haren wandel gedurig zoeken te beroeren, dan met haar tot zonden te brengen, dan eens met atheïstische gedachten haar te werpen, dan om haar te schudden over haren staat, zodat zij menigmaal in zijn zeef komen, en hij haar zift als de tarwe, en God zal door zijn heilige toelating de satan wel eens loslaten.

Wel hoe zal nu de ziel dat wederom te boven komen? als in de gemeenschap met Christus; want geen verzoekingen zijn zo groot die Christus zelfs niet in zijn lichaam heeft geproefd en ondergaan, ziet dat eens, als de satan Christus verzocht Mat. 4, hij durfde hem betwisten zijn eeuwig zoonschap, of hij wel de Zoon Gods was; want hij zei de, zo gij Gods Zoon zijt, werpt u zelven neerwaarts.

Is 't dan wonder dat hij het Zoonschap van Christus durvende aantasten ook Gods kinderen betwist of zij wel zonen en dochteren zijn, zullen zij dat te boven komen als in de aanmerking, dat Christus heeft getriomfeerd, zo zal ik ook triomferen in hem, ja de satan durfde Christus tot atheïstische gedachten, zoekende hem tot afgoderij te brengen, als hij zegt, dat hij voor hem neervallen zou en hem aanbidden, tot atheïstische gedachten omtrent de Voorzienigheid Gods, om te zeggen ben ik verkoren het zal wel gaan, en ben ik niet verkoren ik zal toch niet zalig worden, zo doet de satan, hoe zullen zij dat nu te boven komen? als dat zij zien op de vurige pijlen die de satan op Christus schoot, zijn wederom gestuit op zijn borst, zonder enigszins te benadelen of enige kracht te doen en zo kan de ziel denken, zo zal het ook met mij zijn, omdat ik met Christus sta in ene nauwe gemeenschap, zo zullen ook zijne pijlen op mij geen vat hebben, want Christus is mijn schild achter Wie ik schuil, ja hij heeft de duivel en de wereld overwonnen, zodat haar macht benomen is.

7. Gods kinderen hebben ook te strijden met de vrees des doods, en het is niet te zeggen wanneer zij dat eens beschouwen, hoe eng zij gewoonlijk dan zijn, als zij eens denken, wat zal dat zijn als ik dat lieve paar ziel en lichaam vaneen scheide, en dat het lichaam zal worden gelegd in het stof en tot een prooi gegeven aan de wormen, wel wat zal naar hier weder nuttig zijn, als dat zij denkt dat Christus niet onder de dood is gebleven, in haar macht en geweld, maar dezelve heeft overwonnen, en zo kan hij wel eens triomferen over de dood, en zeggen: de dood is verslonden tot overwinning, en als hij nu al eens denkt, ik weet dat ik naar de dood met mijn ziel zal werden opgenomen in heerlijkheid, maar hoe zal het eens gaan met mijn lichaam? Wel omdat Christus is opgestaan zo zal ik ook opstaan, en hij zal niet rusten voor dat hij volkomen de laatsten vijand de dood zal hebben teniet gedaan ten laatsten dage.

8. Menigmaal hebben Gods kinderen te worstelen met schrik tegen het oordeel, als zij eens denken wat zal het zijn als Christus als Rechter zal komen op de wolken, en ik ook voor de Rechterstoel zal staan om het vonnis te ontvangen, maar zij kan gebruikmaken en ziende op Christus, zeggen, hij die mijn Heere, mijn Koning, mijn Hoofd, mijn Middelaar is, hij is die mij hier met zijne gerechtigheid bekleed heeft, en gemaakt heeft dat ik in het gericht bestaan kan wegens alle beschuldigingen, die zal mijn Rechter zijn, en hij zal zeggen tot mij, omdat hij iets van hemzelf in mij ziet, omdat hij mij bekleed heeft met zijne gerechtigheid, en omhangen met zijne heiligheid, leggende van zijn heerlijkheid en glans op mij: komt gij gezegende des Vaders beërft dat Koningrijk, het welke u bereid is van de grondlegging der wereld.

Zie daar hoe een gelovige ziel Christus gebruikt tegen alle de kwaden die hem drukken.

Nu zouden wij ten tweeden moeten, zien, hoe Christus te gebruiken tot het goede en de bevordering in de genade, om toe te nemen en voort te gaan, en daarin moeten wij zien hoe Christus in zijn Persoon, natuur, in zijn ambt en staten, in zijn volheden en algenoegzaamheden, hoe hem te gebruiken om, hem te stellen tot een voorbeeld, met een woord, met een gedurig afzien van ons eigen, en van al wat in ons is, en een gedurige toekeer tot Christus en alle zijne volheden en zalige algenoegzaamheden, tot heil, troost, en blijdschap van onze ziel

1. In opzicht van Christus namen, die moeten wij aanmerken:

a. Zo als die zijn, en zo als hij die draagt voor zichzelf.

b. Het gebruik dat een ziel daar van te maken heeft tot haar nut en blijdschap.

Vooreerst: aan Christus zijn alle heerlijke namen gegeven; ik zie nu niet zo zeer op zulke die betreffen zijn wezen, als wel die gene die. het meest tot verkwikking van zijn kinderen zijn, en dan mag ik zeggen dat in Hemel, of op Aarden niets is dat tot verkwikking, beveiliging, beschutting, of bekering strekt daar Christus niet bij vergeleken word.

Als God, zo draagt hij alle heerlijke en voortreffelijke namen, want daar is geen naam die God bezit die hij niet heeft, hij is Jehova, de Wezenaar die is dat hij is, de vervuller van alle zijne beloften, de Jah, de betamelijke, die alles met zijne kinderen doet dat betamelijk en met zijne deugden overeen komende is, de El-giboor, de sterke God. die machtige en zalige Heere, de El-schaddai, God de algenoegzaam, niet alleen voor zichzelf, maar tot vervulling van al het gebrek zijner kinderen, en al die namen draagt de Middelaar, opdat Gods kinderen die beschouwende daar van haar gebruik zoude, maken tot haar geestelijke sterkte.

Bijzonder de naam van Zone Gods de enige en geliefde Zoon, een naam waardoor hij een is met de Vader, hebbende als Zoon het zelfde wezen en bestaan. en deel aan alle des Vaders goederen, een naam daardoor een gelovige ziel alle troost, verkwikking en blijdschap in is, zo dikwijls als zij daar aan denken; want zo zij hem beschouwen als de Zoon Gods, zo beschouwen zij haar zelfs in de gemeenschap met hem, als zonen en dochteren, ja hij is als zoon erfgenaam des Konings.

Maar bijzonder moeten wij letten op de namen die hij draagt, als de Messias, de Middelaar, de Borg, besteller van alles, en hier zouden wij kunnen spreken van zijne eigen namen Jezus Christus, daar alle verkwikking in is opgewonden, wat moet dat niet een troost zijn voor ene ziel, als zij ziende hare zonden in haar grootheid, denken kan, ik heb een Middelaar wiens naam is Jezus, Zaligmaker, die gekomen is in de de wereld om zondaren zalig te maken, en zo is de naam als enen olie die uitgestort is, ja merkt en zie hem aan als Christus de gezalfde des Vaders, die van God zelf is verordineerd om Middelaar en Borg te zijn; wat zwarigheden kunnen daar dan voor de ziel in zijn? want dan kan zij door hem gaan tot de Vader, en met hem als die de Vader zelfs heeft verordineerd, en bekwaam gemaakt, en de volheid in hem gelegd.

Ja als onzen Heere zo kunnen zij op hem zien als haren Heere, en zeggen: mijn oog is op u, en uwe is op mij, om mij te verzorgen, te bewaren, te beschutten, gelijk een heer zijne knechten en dienstmaagden doet, beschaduwen zij des Middelaars namen die hij draagt, die afnoeming van aardse en hemelse dingen, van hemelse dingen het aangename en schaduwachtige dat, in hem veel meer als in dat alles is.

Bij levende dingen die redeloos zijn, bij een Leeuw die sterk is, fors overwinnende, bij een Lam dat zachtmoedig is, als een Lam is hij ter slachting gelegd, bij de Tabernakel, de Tempel, het Wasvat, de Altaar, de Ark, 't Verzoendeksel, en waartoe meer, als om te tonen dat hij onzen Tabernakel, onzen Tempel, ons Wasvat, onzen Altaar, onze Ark, ons Verzoendeksel is.

Bij menselijke dingen, die afkerende wapenen zijn, een Zwaard, en Pijl, een Boog, een vurige Pijl, bij beschermende wapenen, haar Schild, haar Beukelaar, haar Rondas.

Ja daar zijn geen Helden ooit zo beroemd in het woord door hun heldendaden die zij hebben uitgevoerd, of Jezus wordt daarbij vergeleken, daar zijn geen Mozessen zo groot, geen Josua's, geen Gideons, Jefta's, geen Davids, geen Daniëls, daar hij niet mee benaamd word, en dat allemaal om te tonen dat zij geen heldendaden hoe groot konden doen, of dat hij het nog oneindig overtreft, hij word ook vergeleken bij al wat schoon en heerlijk is, onder de mensen, niet alleen een mens, maar de schoonste van de mensenkinderen, een mensen zoon, een man bij uitnemendheid, de man van Gods volk, de Heere, de Bruidegom, alle lieve namen die hem gegeven worden om de ziel tot hem uit te lokken.

Maar wat zal nu het gebruik zijn, dat de ziel daar van maken zal.

1. Dat zij moet denken dat Jezus niet een van alle die namen tevergeefs draagt.

2. Dat al wat in die namen in haar kracht waarachtig is, dat dat nog veel meer en waarachtiger in haar kracht in Christus is, dat zij naar de aard van hare noden gebruikt, bij voorbeeld vindt de ziel zich verduisterd te zeggen, O! Heiland, verlicht gij mij als een zon, bestraalt mij, vindt zij zich koud, verwarmt mij als een zon, vind zij haar aangevallen door de vijanden, weest gij mij tot een schild, vind zij zich weerloos en machteloos, weest gij mij tot een rotssteen om daarin te wonen, om gedurig daarin te gaan, vindt zij zich ellendig door de zonden, melaats en besmet, weest gij mij tot een medicijnmeester om mij te genezen, vind zij zich verlaten, gij zijt mijn man, Heere en Koning, vind zij zich daar liggende neergeveld door de vijand, gij zijt een zwaard, een pijl, weert hem af, en red mij uit de mond van dien helse leeuw als dien sterken held, vind zij zich hongerig en dorstig, wees mij tot een fontein., vind zij zich gejaagd door de vijand, weest mij tot een schuilplaats, tot een hoog vertrek, vind zij zich schuldig, weest gij mij tot een verzoendeksel, vind zij zich amechtig, wees gij mij tot een schaduw om onder te schuilen, en zo kan de ziel vau dat alles naar de aard van hare noden gebruik maken en hoe gemeenzamer dat men dit kan doen, hoe aangenamer dat het voor de ziel is.

Maar de tweeden: wij zeiden ook dat wij Christus moesten gebruiken in betrekkingen tot zijn persoon en naturen.

1. In opzicht van zijn Goddelijke natuur, dat is nuttig tot sterkte en steunsel voor het geloof; want zo Jezus geen God was zo hadde hij onze Middelaar niet kunnen zijn, dan zou hij ons niet hebben kunnen verlossen, dan had zijn bidden niet volwichtig geweest, maar omdat hij God is zo kan hij de Zaligmaker zijn, en dit te beschouwen is nuttig voor de ziel, om, dat zij weet dat zij haar vertrouwen niet stelt op mensen, op iets dat geen God is, maar op hem die de waarachtige God en het eeuwige leven is.

2. In opzicht van zijne menselijke natuur, 't is waar wij kennen Jezus nu niet meer naar het vlees als staande onder de wet om die te volbrengen en die te gehoorzamen, maar wij kennen hem naar als in de Hemel- verheerlijkt, en in dien opzicht moeten wij van hem gebruik maken als die eens zullen aan Christus' verheerlijkt lichaam gelijkvormig werden gemaakt, hetgeen niet moet werden verslaan op zijn Luthers; want die zeggen, dat Christus menselijke nature overal tegenwoordig is, en zoude de gelovige Christus gelijkvormig zijnde, ook overal tegenwoordig moeten zijn, hetgeen onmogelijk is, en strijdig tegen Gods woord, maar wij zullen hem gelijk zijn in heerlijkheid, is dat niet wonderlijk te denken? Christus die mijn vlees en bloed heeft aangenomen is nu reeds in de Hemel, en zo is er al een gedeelte van mijn vlees, daar, als een bewijs en onderpand dat ik daar komen zal, omdat ik met Christus verenigd ben, en zo kan zij Christus' menselijke natuur gebruiken tot troost en bemoediging, en een onderpand van haar aanstaande heerlijkheid.

3. Zij moeten van hem gebruik maken als de Middelaar die zichzelf heeft voor borg aangeboden, om alles te dragen en te doen, dat daar te dragen en gedaan mocht werden, hij is de uitwerker, de verkondiger, de aansteller, de toepasser van de verzoening, die het ratificeert, en de verzoening bekend maakt, zodat God hier een Middelaar ontdekt, die verbergt heeft, en een Middelaar die zichzelf verborgen heeft, ja hij is het die de gerechtigheid verkondigt een grote gemeente, die in welke God de wereld was verzoenende, en die de verzoening heeft geratificeerd, dewijl hij is opgestaan van de doden en als de grote Hogepriester zit aan Gods rechterhand, waaraan het bleek dat hij volkomen voldaan had, ja hij is de Middelaar, de Petra, het fundament.