Enige uitmuntende oefeningen en predikaties

Petrus Immens

Oefening gedaan op de 18 December 1719, over het gebruik maken des Middelaars. voor een die genegen is met God in een verbond te treden.

1. Zo zullen wij aanmerken wat dingen dat men een zorgeloos zondaar zoude kunnen voortbrengen, die nog buiten God, buiten Jezus, buiten het verbond is, echter gerust en wel tevreden, om hem te overtuigen, zo van zijn eigen ellende als van de noodzakelijkheid van de Middelaar om door en in hem een verbond met God te maken.

2. Dan zullen wij zien hoe dat iemand in overtuiging van zijn ellendige en verloren staat, buiten het verbond, ja zelfs in beweging van hoogachting en begeerte tot de Heere Jezus. echter hem niet durft gebruiken om tot hem te gaan, wat gronden dat er zijn om hem aan te moedigen en op te wekken.

3. En dan zullen, wij zien hoe een gelovige die nu reeds staat met God in het verbond, de Middelaar best zoude gebruiken tot zijn heil en zaligheid.

Wat het eerste, aangaat, namelijk wat wegen en middelen men zoude voor een zondaar gebruiken, om hem te overtuigen, dat zouden deze volgende kunnen zijn.

1. Ten eersten, dat men. de zondaar zo uw moeten ontdekken, dat hij wegens Adams bondbreuk onder de schuld en heersende smet der zonde zo ligt, dat geen zaligheid ooit voor hem in zichzelfs is te wachten of te hopen, zodat het grote toeleg zou moeten zijn, om zulke te overtuigen dat zij zijn ellendig, arm, jammerlijk, blind, en naakt en aan alle dingen gebrek hebbende, en hoe minder dat hij over dezen zijnen dodelijke toestand gevoelig is, hoe ellendiger dat hij is, en hoe dodelijker, gelijk als iemand in het natuurlijke die het vuur heeft daar men in snijd en kerft, zo lange als daar geen gevoel in komt, zo is het dodelijk, en gelijk dit waar is in het natuurlijke, zo veel meerder in het geestelijke, zo lange als iemand geen gevoelen van zijn ellende heeft, is hij op het allergevaarlijkste, en niemand denke bij zich zelven, de leraren, spreken zo, maar het is slecht zwaarhoofdigheid, de mens is zo ellendig niet, zijn staat is zo gevaarlijk niet, het is maar om een mens te beroeren en te ontzetten, o! hij weet dat wij in geen staat zijn al zei gij nog zo veel om de zondaar zijn ellende te ontdekken zo al die is, 't is veel groter als het met tongen uitgesproken kan worden

2. Dan zou men ook een zondaar moeten voorhouden, hoe dat hij, nog iemand buiten hem, enig schepsel in Hemel noch op Aarde in staat is om hem van zijn ellendestaat te kunnen verlossen, geen Engel, mens, ja al was het dat hij uitwendig verbeterd werd, maar zo zal nooit een zondaar gezaligd én in Gods gunste hersteld worden, daar moet genoeg gedaan worden aan de gerechtigheid Gods, die door de zonde beledigd is, en hem ontdekken dat noch God, noch zijn heiligheid en rechtvaardigheid, noch de Wet liet toelaat dat een zondaar, schoon daar nu al voldaan was, noch kan noch wil zich tot God wenden, dat, God zelf zijn hand moet neigen tot hem.

3. Dan zou men ook om hem te overtuigen hem moeten aantonen, dat God naar zijne onnaspeurlijke, genade door zijne wijsheid een weg heeft uitgevonden, dat hij een Middelaar zelfs ontdekt heeft, zijn eigen Zoon die hij van eeuwigheid daartoe heeft verordineert en aangesteld, die in de tijd gekomen is in de wereld, om te doen dat daar te doen, en te lijden dat daar te lijden was, ja dan zou men hem moeten overtuigen, hoe dat een Middelaar machtig, algenoegzaam en willig is om elk zondaar hoe groot, hoe hard, hoe langdurig, tegen hoe vele overtuigingen hij gezondigd heeft, evenwel te kunnen en te willen zaligen, en tot zijne gemeenschap te brengen.

4. Dan zou men ook moeten voorstellen, hoe hij al de waarheden die wij daar genoemd hebben dat hij zo ellendig is, dat er moet voldaan werden, dat daar toe een Middelaar is, dat hij niet alleen met het oog des verstands, met aandacht moet beschouwen: maar dat hij daarvan indruk en levendige aandoening moet hebben: want al wist hij al die waarheden nog zo klaar, en zij waren niet op zijn hart gezonken, hij zou geen voortgang maken. Derhalve:

a. Zo moet hij weten dat een zondaar van naturen dood zijnde, in zonden en misdaden God hem door zijn genade en geest moet levendig maken door een boven natuurlijke kracht, dat niemand dat zichzelf kan geven.

Zo moet een ieder weten, dat, als God nu een zondaar levendig gemaakt heeft, hij dan genoodzaakt word om van zijn zijde met God het verbond te maken, dat hij met de Middelaar moet worden een plant, ja hem tonen hoe hij tot die genereuze gemoedsdaad, en resolutie zoude mocten komen. om aan de ene zijde de zonde, de wereld, de satan haar dienst op te zeggen, en dat met de alleruiterste gewilligheid, geheel zonder te delen aan de wereld, satan of oude boelen, want dan zoude het God niet aangenaam zijn, ook voor altijd, nooit te hunkeren naar de wereld, derhalve zo hij dan enige indruk heeft ontvangen van dit alles, zo zal hij ook, aan de andere zijde zich moeten vergenoegen met Jezus en zich aan hem verklaren, en dat, ook met de allerhartelijkste gewilligheid, aan Jezus zelfs, hem, alleen geheel en voor altijd om zelfs kruis en lijden, en tegenstand met en voor hem te dragen, zonder achteruit te deinzen: zo, nu alle deze dingen geen beweging kunnen maken op het hart van een zorgeloos zondaar, gelijk wij vrezen; want hij is blind, dood en ongevoelig, zo zoude men hem dan nog kunnen voorhouden de, grootheid van de zonde die hij begaat; want zo een die de aanbieding Gods versmaad is een dubbelde verbondbreker, de duivelen hebben maar eens gezondigd als zij, zijn gevallen, en de genade, en zaligheid en is haar nooit voorgesteld, zo dat zij tegen. de aangeboden genade niet zondigen, maar een zondaar levende onder het Evangelie, die zondigt tweemaal, ja duizendmaal, want hij maakt zich niet alleen schuldig aan de zonde van het werkverbond dat hij verbroken heeft, maar hij verbreekt het verbond der genade en hoe schrikkelijk is dat. God zal nooit weer een tweede Middelaar geven om dat te helen, de Middelaar zal ook zulken naam op zijn lippen niet nemen en haar drankoffers van bloed niet offeren, zodat zulke zondaars zijn zonder God, zonder Christus, zonder hope in de wereld, buiten het verbond. zonder verzoening, en zij en kunnen ook geen gedachten krijgen dat God ooit tot hem zal naderen, dewijl zij dat middel waar door God tot een zondaar nadert, verwerpen en versmaden, en zo zijn zij ongelukkig en rampzalig die zich aan deze grote zonde schuldig maken. Want let eens wat Paulus zegt. Hebr. 12. Indien zij niet zijn ontvloden die de genen verwierven die op aarde Goddelijke antwoorden gaf. namelijk Mozes, hoe zullen wij ontvlieden en wat straffe meent gij zullen worden waardig geacht die de Zone Gods versmaadt, en het bloed des eeuwigen Testaments onrein acht, en hier mag ik ook zeggen, Hoe zullen wij ontvlieden zo wij op zo groten zaligheid geen acht geven, zulken zaligheid, daar alle heil voor een zondaar in is gelegen, en daarom onbekeerde, zorgeloze, en nog onverlegen, met u zelfs geruste zondaren, versmaders van Gods eeuwige liefde. Ach! dat gij nog eens ontwaakte uit de strikken des satans, daar in gij gevangen ligt tot u eeuwig verderf, o! gij moogt u nog laten bedriegen door de satan, en u laten ophouden dat die zou zeggen, God is genadig, het zal zo kwaad niet zijn, dat zou met Gods barmhartigheid en liefde niet bestaan: of het is nog tijd genoeg, de dingen leggen nog al te veel toe, of zoude het juist zo moeten zijn, 't en komt zo nauw niet, dat is maar geveinsdheid, of de condities die zijn te zwaar, dan zoude ik moeten afstaan van mijn beste lusten, ik heb nog teveel lust tot de wereld. Jezus is mij, niet aangenaam nog beminnelijk genoeg, wees verzekert dat, zo gij zo voort gaat niemand is in staat uw ongeluk ooit te kunnen beschrijven, Voor tijd en eeuwigheid, ach zondaar ik raad u met Paulus, ontwaakt gij die slaapt en staat op uit de doden en Christus zal over u lichten'. Wee, wee! u gij geruste te Zion, en gij zekere op de Berg van Samaria, uw ongeluk dat is aanstaande. Ach! dat deze dingen eens met kracht op uw hart zonken.

Maar ten tweeden, dat eigenlijk onzen voornamen, toeleg was, is om zulke onder ons te overtuigen en tegemoet te komen, die geraakt zijn, door Gods genade indruk hebben gekregen van hare zonden, en wel zien de Middelaar des verbonds, echter terug werden gehouden. en niet durven van hem gebruik maken, om aan die te tonen dat er alle gronden zijn die haar 'moeten opwekken, en dat 'er niets is dat haar kan hinderen, om dan de zulke op te wekken, zo moet ik zeggen, dat zij niet al, te, zeer verschrikt en zijn over hunnen zonden en overtredingen van Gods Wet. 1. Zegge ik, hij moet niet te zeer zijn verschrikt over zijn zonden en deszelfs grootheid, doch als ik dit zegge wil ik daarmee niet zeggen dat daar geen reden zijn voor een zondaar om daar over bekommerd en ontzet te zijn. O ja! want ik verbeelde mij, zo God het gezicht van zonden en indruk niet matigde in zijne kinderen, en haar nu en dan liet zien een straal van zijne genade, dat zij het niet zouden kunnen dragen, maar onder dat gezicht bezwijken. 2. Als ik zeg, dat Gods heiligheid en rechtvaardigheid haar niet te zeer zoude verschrikken, zo wil ik ook daar mee niet zeggen dat iemand die zou beschouwen, om daar door te werden, gebracht tot betamelijke eerbied en ontzag voor God en hoe God hem rechtvaardig zoude kunnen werpen in de hel: maar ik wil alleen dit maar zeggen, neemt dit niet op als een grond om u te beroeren en te ontzetten: om dat gij daar van een indruk hebt, dat gij zoudt denken ik kan of mag niet tot God naderen, maar neemt dat liever op tot u voordeel, en als een blijk dat God zijne hand aan u gelegd heeft, dat hij het u ontdekt heeft daar gij te voren zorgeloos waart, en daar geen indruk van had, en zo zoudt u dan kunnen zeggen, wel wat is dat, dat God mij zo veel indruk geeft van mijne zonden, van zijne heiligheid, en rechtvaardigheid, mag ik dat niet opnemen als een bewijs dat God mij aan mijn zelven heeft ontdekt en bekend gemaakt, en zo wilde ik hebben dat die dingen niet aanmerkte om u af te schrikken; want daar legt het de satan op toe, somtijds zegt hij, het gezicht van de zonden is niet groot genoeg en als dat groot en levendig is, dan zegt hij, zoudt gij zo een zondaar, tot God, die zo heilig en zo rechtvaardig is, naderen en hij verbergt dat geen dat tot troost en aanmoediging diende, en zo houd hij de ziel terug: neem in dien opzicht laat u hier door niet verzetten, 't is waar gij zijt zo zondig, God is zo, maar dat gij dat ziet is een blijk van genade en geestelijk leven in uwe ziel.

Bekommerde ziel dit moet u bemoedigen als gij eens denkt hoe God, die u als zo heilig en rechtvaardig voorkomt, als een vertoornd rechter zelfs een Middelaar besteld heeft om u te zaligen, ik bid u, let eens, moet dat niet tot moedgeving zijn van een bekommerde, dat God, die zo heilig is, die ene is die de Middelaar heeft gevonden, van eeuwigheid daar mede zijnde bezig geweest om hem te verordenen, ja dat hij het is die hem in de schaduwen heeft ontdekt en voorgesteld tonende dat er verzoening gevonden was. en dat hij hem in de volheid des tijds heeft doen mens worden van onze natuur uit het zaad van Davids, aan de broederen in alles gelijk, dat hij hem mens zijnde, heeft doen lijden en sterven, alles lijdende en doende dat er mocht gedaan en geleden worden, en dat de Vader betuigt in dien Middelaar zijn vol genoegen te hebben, verklarende van de Hemel, als hij riep, dit is mijn Zoon in dewelken ik mijn welbehagen heb, ja niet alleen in de Zoon, maar ook in zijn offerande, zijnde genoegzaam en voldoende aan zijne gerechtigheid, 't welk hij betoond heeft als hij hem uit de doden heeft opgewekt, gevende mede als een kwitantie, hem in de Hemel heeft opgenomen, en aan zijn rechterhand geplaatst. Zo gij nu eens dacht bekommerde ziel, ik leve in een overtuigend gezicht van mijn zonden, maar daar is God die ik door mijn zonden beledigd heb, en die ontdekt zelfs uit liefde de Middelaar, hij verklaart zijn genoegen in hem, en dat hij wil in hem de zondaar tot de gemeenschap brengen, en zegt daarom, zondaar, grimmigheid is niet bij mij, wie zoude mij als een distel of doorn in oorlog stellen, dat ik tegen hem zou aanvallen, hij moest mijn sterkte aangrijpen en vrede met mij maken, ja vrede zal ik met hem maken, mocht dat niet een overtuigend zondaar opwekken, dat de Vader zelf van de Hemel zijn Zoon aanbied en zegt, ziet daar is mijn Zoon, mijn sterkte, in dien heb ik de verzoening gelegd, met zijn verdiensten ben ik tevreden en voldaan, neemt hem maar aan, toon u goedkeuring in hem, omhelst hem door het geloof, neemt hem aan, en dan zult gij met mij vrede hebben, men zou zeggen wat zal iemand terug houden.

Ja zo een zondaar eens denkt hoe dat God de ere en glorie van zijne deugden zoekt, in alles wat hij doet. en dat God ook van hem vordert dat hij dat ook zal zoeken, en dat God nooit luisterrijker zijn deugden ontdekt als in het zaligen van de zondaar, dat hij door zijn liefde genade, barmhartigheid, heiligheid, rechtvaardigheid, algenoegzaamheid, wijsheid en macht ontdekt. en als ten toonstelt, zo zij dit eens op merken, zou zij niet moeten zeggen, heeft God dat voor? eist hij het ook van mij? en kan hij het van geen zondaar ontvangen als alleen van die, die zich naar hem wenden en in hem zoeken gevonden te worden, en dat ik dat doen zou zo ik het verbond inwilligde, zou dat geen drangreden zijn om zich aan God over te geven, ja zo hij eens lette dat God zegt, zie daar is mijn Zoon daar al mijne, deugden luisterrijk in afstralen, want hij is het afschijnsel van mijne heerlijkheid, kon ik, wel meer mijne liefde aan u ontdekken, als dat ik hem afzondere, daar stelle, hem u aanbiede en presentere, wel hoe! zult gij hem dan niet gebruiken; en zoudt gij zeggen, Heere ik zal u de eer van uwe deugden niet geven? Ach! neen nooit meer als dat gij u tot God wend, en dat gij uw welgevallen toont aan Gods weg, en daar en is niet dat u tot verschrikking moet zijn aan de zijde Gods. 0 neen voor u niet bekommerde die de weg voor goed keurt en Amen zegt, en zegt Heere wilt gij u in zo een ellendige te Salem verheerlijken, en groot maken? Ziet hier ben ik, word dan in mij verheerlijkt, dan is al wat in God is maar om het hart uit te lokken en op te wekken, naar hem toe. Wel ziel wat houd u dan nu nog terug, daar God van zijn kant zo nabij komt als hij immers kan, u zo voorkomt om u van de schroom en vrees te ontheffen, en zegt in mijn liefde Amen het is mij aangenaam en welgevallig.

Ja niet alleen is er niets aan de zijde Gods dat tot verschrikking kan zijn, maar ook niets aan de zijde van de Middelaar; daar is niet in of aan hem, of het moet het hart bemoedigen en opwekken, ik spreke tot oprechte die hunzelf niet willen nog kunne van hem terug houden, want zorgeloze die hier een verkeert gebruik van maken daar spreek ik niet tegen.

1. Tot oprechte zeg ik dan om die op te wekken, Jezus de Middelaar des verbonds, begrijpt eens dat in hem is al, wat bevattelijk en niet bevattelijk is Gods woord van achteren tot voren is zo vol van die algenoegzaamheid en volheid van Jezus uit te drukken dat ik mag zeggen alle de volheid woont in hem, hier kan geen wereld, of zonde, of satan inbrengen dat aan hem iets mankeert, of ontbreekt, want dan was hij niet volmaakt, ik zal nu niet zeggen hoe in hem een volmaaktheid is als God. Want als God, bezit hij alle volmaaktheid met de Vader en de Geest, ook niet hoe in hem een volmaaktheid is als mens, dat geschied bij andere gelegenheid, maar bijzonder hoe in hem een volmaaktheid is als de verdienende Middelaar, en indien wij dit in het brede zou voorstellen, zo zouden wij alle zijne volheden en dierbaarheden moeten voorstellen. dit niet alleen, maar hij is een volle Middelaar, want hij heeft al gedaan en geleden dat er moest gedaan en geleden werden, Paulus zegt dat in hem alle volheid woont Col..1. ja hij is niet alleen algenoegzaam wegens zijne verdiensten, maar hij is vol van genade en waarheid, en zo vol dat wij uit zijn volheid ontvangen genade voor genade dieswegen, daar is dan niet bedenkelijk dat zou tegengeworpen worden dat niet ten vollen in de Heere Jezus is.

2. Niet alleen is de Heere Jezus vol algenoegzaam, dat alles is in hem, maar hij is ook gewillig, en om de gewilligheid van de Heere Jezus eens te tonen, daar het toch doorgaans de kleine aan hapert.

a. Zo zullen wij zien onder wat spreekwijzen en zijn Jezus en zijn nodiging voortkomt.

b. En hoe Christus al de zwarigheden die, iemand zou kunnen inbrengen wegneemt.

c. Hoe hij zich gedragen heeft op aarden, omtrent ellendige om zijn gewilligheid te tonen.

d. Dan zullen wij zien hoe hij de grootste zondaren gezaligd heeft: vooreerst om de gewilligheid van Jezus te ontdekken, zo vinden wij verscheidene spreekwijzen, somtijds zo zullen wij vinden hoe Jezus opwekkender wijze voorkomt Jes. 4 5. wendt u naar mij toe, en wordt behouden alle gij einde der aarde, daar ziet gij hoe Jezus de einden der aarden opwekt om tot hem te komen, met een bijgevoegde belofte, somtijds zal hij het doen vermanender wijze, Jes. 55. 0! alle gij dorstigen komt tot de wateren, en gij die geen geld hebt komt koopt zonder geld en eet, zonder prijs, beide wijn en melk, nu kan Christus geen meer grond geven aan een verlegen ziel die niets heeft om haar te overtuigen van zijn gewilligheid als dit, dat zij zo zou komen als zij is, kan hij haar wel krachtiger opwekken somtijds klagender wijze, ach! of mijn volk naar mij gehoord hadden Ps. 81. kan hij wel meer doen als tonen hoe hard het hem valt niet te komen, op dien zelven nagel zal hij slaan Joh. 5. gij en wilt tot mij niet komen, opdat gij het leven heeft, somtijds komt hij voor raden der wijze, mijn naam is raad, zo gij mij om, raad vraagt, ik ben de opperste wijsheid, ik zoude u raden dat gij van mij koopt goud beproeft komende uit het vuur, en witte klederen om de schande uwer naaktheid te bedekken, zo dat Jezus haar niet vriendelijker kan voorkomen, ja hij zend zelfs de leraren uit, en legt het woord der verzoening in haar monden en zegt, dat zij zoude bidden, ja bid ze zo alsof ik zelfs door haar bade dat zij haar zouden laten met God verzoenen ook komt hij voor betuigender wiize. zondaar ik heb geen lust in u dood, maar dat gij u bekeerd en leeft, ja God niet hebbende meerder boven hem om bij te kunnen zweren, zo zweert hij bij hem zelven en zegt, zo waarachtig als ik leve, ik heb geen lust in uw bederf. Zie daar hoe genegen dat Jezus is om ellendige te zaligen. Zondaar, bekommerde gelooft gij Jezus niet? Ja maar zegt iemand, daar zijn nog zo veel zwarigheden die in de weg staan.

Ten 2. Jezus neemt ook die met kracht weg, de hoofdbelofte van dat al is, Joh. 6. Al wat mij de Vader geeft zal tot mij, komen, en die tot mij komt zal ik geenszins uitwerpen, in deze belofte zijn alle zwarigheden weggenomen die iemand ooit of ooit zoude kunnen inbrengen, want indien Jezus had aangehaald honderd duizend gevallen, en gezegd, die is zo, en die is zo, zo had iemand nog zwarigheid kunnen maken, en zeggen dat is mijn geval niet, of ik heb het in die omstandigheid niet, maar nu komt Jezus dat allemaal voor, en hij zegt niet een te zullen voor 't hoofd stoten, om geen waarom, dat iemand zou denken ik ben te groten zondaar, ik heb al te langdurig gezondigd wegens te veel overtuigingen en aanbiedingen van genade, Jezus neemt met dat ene woord geen lust alles weg. Neemt nu eens dat de satan die aan de rechterhand van Josua stond, stond om, hem weder te staan, wij ook moeten begrijpen dat dien aanklager der broederen gelijk hij staat aan de zijde Gods om een zondaar te beschuldigen en te verdoemen, en sententie te eisen, ook staat hij aan de zijde van een zondaar, hij zegt tot hem meent gij dat Jezus voor uw zonden gestorven is, en in de wereld gekomen, hij is wel gestorven voor zondaars maar niet voor u, ziet gij naar wel verlegen, dat dit een list is van de satan. Uw Jezus is gekomen voor verlegenen, om die te zoeken, en zalig te maken, dat zei hij zelf, Luc. 10. Let maar op de reden van zijn, komst, de Heere, Jezus zegt niet, om de zoekende van mij te zaligen, maar om zelfs te zoeken zulke die verloren en nog afdwalende zijn.

Dat gij nu een begrip en overtuigend gezicht hebt van uwe ellende, dat is een bewijs dat Jezus zoekende hand reeds aan u gelegd is, want dat is het eerste, dat Jezus een zondaar ontdekt aan zich zelfs, ja neemt nog eens: worden niet alle de zwarigheden weggenomen als Paulus zegt 1 Tim. Dat Christus is in de wereld gekomen om zondaren zalig te maken, en dat is een getrouw woord en aller aanneming waardig, zo gij nu bij u zelfs dacht, en de satan maakte u wijs het is voor u niet. 0! zegt tegen de satan, 't is zo niet het is ook voor mij, want het is voor mij een getrouw woord en aller aanneming waardig, ja zijn niet alle zwarigheden weggenomen als Paulus zegt, Rom. 8. wie zal beschuldiging inbrengen tegen de uitverkoren Gods? God is het die rechtvaardig maakt, wie is het die verdoemt? Christus is het die gestorven is, ja dat meer is die ook opgewekt die ook ter rechterhand Gods zit, die ook voor ons bidt. Alsof Paulus wilde zeggen daar blijft geen beschuldiging meer over, al wilde de duivel u nog zo veel wijs maken, gelooft het niet, want het is God die rechtvaardigt, en Christus is gestorven en heeft voldaan, zo dat geen beschuldigingen meer gelden.

Ten derden: heeft Christus Jezus tot overtuiging van zijn gewilligheid, zich niet zo gedragen in zijne omwandeling op aarden dat elk daar van mocht getuigenis geven waarom heeft hij anders onze krankheden op hem genomen, en onze smarten gedragen? als om dat te tonen. Zo veel kranke en ellendigen genezende, heeft Jezus wel ooit iemand afgewezen, die tot hem komen om geholpen te worden? al waren het zelfs Heidenen die als honden gerekend werden.

't Is wel waar dat Jezus zei dat hij te Nazaret niet veel krachten aan deed, maar dat haperde niet aan hem, maar aan haar ongeloof, maar al die gewillig was van hem geholpen te worden, die genas hij, zegt bij niet Matth. 11. komt allen tot mij die vermoeid en belast zijt, ik zal u ruste geven voor uw ziele, 't wonderlijk dat een zondaar die geen recht heeft om tot Jezus te gaan. die zoude naderen en mar stoutmoedig toe treden. En bekommerde zielen die immers recht hebben, die genodigd werden, en zegt ik durf niet, ach bekommerde! het is er zo verre vandaan dat Jezus u zou wegstoten dat hij in het tegendeel u roept en alle hinderpalen die u zouden beletten uit de weg neemt, en door zijne daden betuigt hij zelfs aan de grote zondaren, hoe ontfermende en hoe gewillig hij is, zodat er, voor u niets overblijft, want hij neemt alles weg.

4. Jezus om zijne gewilligheid te tonen heeft de grootste zondaren gezaligd kan er wel groter zondaar bevat werden als Adam, die niet alleen zondigde voor zich zelfs, maar door zijn zondigen het gehele menselijk geslacht heeft verdoemelijk gesteld, evenwel voor hem was ook genade en zaligheid, want zo haast hij gevallen was, zo haast richtte God een Genadeverbond met hem op, als hij beloofde, dat het Vrouwenzaad het Serpent de kop zou vermorzelen, ja neemt eens. Manasse die zo goddeloos was, dat zijns gelijke voor of na niet is geweest. Goddelozer dan alle de Koningen van Israël, en niet alleen voor zich zelfs, maar die gans Israël deed zondigen, en haar van de Heere aftrok, en afgoden deed dienen, zo dat God, zich wegens Jeruzalem om zijn zonde die hij haar hadden doen zondigen niet wilde laten verbidden, zo groot en schrikkelijk was zijn zonde, en evenwel zo heeft God aan hem genade bewezen wanneer dat hij in zijn hogen ouderdom, na zo langdurig gezondigd te hebben, werd in benauwdheid gebracht, toen vermoedigde hij zich, en toen bekende Mannasse dat de Heere God was: Ja zo gij eens aanmerkt, God de H. Geest die ook het zijne doet tot u bemoediging dat werk dat gij in u bevind, dit gericht van zonden, dat Jezus u zo beminnelijk en dierbaar is, dat is van hem, hij heeft het gewerkt, hij zou de wereld der uitverkorenen overtuigen van zonde, van gerechtigheid en van oordeel, hij zoude haar doen zien haar ellende en de gerechtigheid en van oordeel. Hij zoude haar doen haar ellende, en gerechtigheid van de Heere Jezus, als genoegzaam om voor God te bestaan: bent gij dan overtuigt van uwe ellende van 's Vaders en Jezus liefde, die zelf de zondaar toeroept, en ook u, zo gaat dan toe, wat draalt gij en staat nog van verre, zegt, ik zal tot de Koning ingaan, daar kan naar niets haperen als onwilligheid en wil je niet, zo gaat gij verloren, maar zegt gij ik heb wel lust om als een ellendige gezaligd te worden, langs denk weg des verbonds. wel kont gij dan wel beter doen als tot de Middelaar gaan, op zijn offer het verbond maken? laat ons zeg ik met Paulus met vrijmoedigheid toegaan tot de troon der genade, op dat wij genade en barmhartigheid mogen verkrijgen. t Is waar kinderen Gods gij had reden om niet te durven, zo gij mocht toe gaan door u zelfs. en zo gij aan de een zijde maar zaagt God de Vader, en aan de andere zijde u zelfs, en de Heere Jezus als in het midden, maar dar. komt de Geest, en zegt, kom ik zal uwe hand brengen in Gods hand, en gij en zult dan niet beschaamt werden , door de vlam van Christus' offer, o! als gij het verbond maakt, gij doet het op een volwichtig offer.

Ik weet wel dat het niet altijd gaat in die Levendheid, met die vrijmoedigheid, maar daar spreek ik nu niet van, ik neme maar de zwarigheden weg, om u op te wekken, en ik zegge gij moogt om gij moet komen, gij moogt niet achter blijven, zegt niet mijn zonden zijn te groot om genade te verkrijgen, wel de zonde die, gij nu doen zoudt om achter te blijven, en dat te zeggen die zoude nog de allergrootste zijn, die gij ooit gedaan hebt: want dan betwist gij de algenoegzaamheid, genade, barmhartigheid van de Bondgod, en van de Bondmiddelaar, is dat niet een grote en schrikkelijke zonde, en bent gij verschrikt door uwe zonde? Wel doet dan deze daar niet bij, want gij kont wel begrijpen dat er geen groter zonden en zijn, als God en Jezus te onteren, en dat doet gij zo gij niet tot hem gaat, om als een zondaar ja als de grootste zondaar door hem gezaligd te worden.

Ja maar zegt gij, ik durf niet, zoude ik zo een gering schepsel aan de grootste God mij overgeven, en met hem komen in een verbond, hoe zoude ik dat durven onderstaan? Wel kinderen Gods, bekommerde, ik geloof dat het daar wel meest aan scheelt, laat het nu als een met wat beroering zijn, dat zal liet werk niet hinderen, en t zal God en de Heere Jezus daarom niet te minder aangenaam zijn: weet dit, daar is een tweeërlei niet durven, de enen durft niet, en het komt voort uit niet willen: maar daar en hapert het u immers niet aan, als, u God en Jezus werd aangeboden, en het, verbond gelijk het geschied, en daar werd u gevraagd of gij God wel tot u deel wilde hebben? Zoud gij wel zeggen ik wil niet, ik heb geen lust aan de kennis van zijne wegen, in tegendeel, ijst en gruwt u het hart niet als dit daar in zoud opkomen? wel nu zo God u nodigt, gij zegt ik wil wel, en de Geest u prepareert wat, zal of kan u dan terug houden. o! Gaat dan al mocht gij het doen hikkende en snikkend, met een betraande oog en bevende hand: zegt ik zal ingaan, ik wil niet langer de Krone houden van Jezus hoofd, ik wil hem ook de ere geven dat ik als de grootste der zondaren, door hem gezaligd ben, ik doe het niet op mijn zelfs of door mijn zelfs, maar op zijn volmachtig en algenoegzaam offer, daar leg ik mij op neer.

Nu zoude het mogelijk wel gebeuren dat er van Gods kinderen wezen zoude, die. zeggen zoude, ik heb het wel, gedaan, ik heb mij wel aan God en Christus overgegeven, maar het heeft dat gevolg niet in mijn ziel, dat ik getroost, gemoedigd en gesterkt werd ik ben al even twijfelmoedig, God heeft het aan zijne zijde niet beantwoord; wel geen nood, blijft jij maar bij die keuze, houd maar aan, zegt, Heere had ik het niet gedaan, ik zoude nog aanstonds gereed wezen om u de hand te geven, en op Jezus offer het verbond te maken: en neemt, God die gaf liet al niet, is hij niet waard dat gij hem blijft aankleven, en op hem wachten, is God niet Soeverein en vrijmachtig, het scheelt menigmaal aan u zelfs, vele van Gods kinderen klagen dat God haar niet ontmoet: en liet komt dikwijls hier vandaan:

Zij leren niet genoeg onderscheiden de daden van hun hart, als zij naar binnen keren, zij vinde een geest der genade, dat is een inwendig levendig werkzaam beginsel, en. zij vinden ook een zondig verdorven vlees, een onwedergeboren deel in haar, nu gebeurd het dat soms de genade, het vernieuwt beginsel het geestelijk leven werkzaam is, en dat dan voor die tijd de verdorvenheden zich stille houden, en soms gebeurt het wel dat de ouden mens zo werkzaam is dat zij als geen daden van geestelijk leven bespeuren, naar dat dit nu is zo zijn zij, of gemoedigd, of bekommert, dan leggen zij met een overhoop, zij zullen zich soms s avonds hartelijk, en gelovig aan 1 God opdragen, s anderen daags als de werkzaamheid weer wat over is, zijn zij zo hartelijk niet, dan zijn zij aanstonds weer geschud en beroerd, indien gij nu bekommerde nauw lette op uw hart, zo zoud gij zien, dat een blijk van genade was, dat er vlees en geest in u is, die tegen elkander strijd voeren, want waarom bent gij zo treurig over de zonde, zo begerig naar God en Christus, is dat niet een bewijs van uw geestelijk leven? Wanneer zij eens liet Genadeverbond beschouwen, de Bondgod, de Middelaar, de Geest, en de goederen des Verbonds in hare schoonheid en dierbaarheid, och! zeggen zij, het is voor mij al te groot, ik ben al te onwaardig, wie zou zich zelven dit durven laten voorslaan, ik weet bekommerde, zo gij het beschouwd in betrekking tot u zelfs, dan is het voor u te groot, ja veel te groot om te ontvangen, maar het is niet te groot voor de Bondgod om te geven, zo gij nu eens denkt dat dat de grootheid van de Goddelijke liefde en genade, is, zulk een grote genade aan doodwaardige te schenken, zo zoud gij wel zeggen in verwondering en aanbidding, 't is ja voor mij wel te groot omdat ik zo onwaardig ben, maar voor God niet, hij wil het geven, hij dringt het zelfs op, hij stelt het voor, hij verplicht mij om het aan te nemen, en dan zoude het u niet alleen ootmoedig, maar ook vrijmoedig, gaat dan toe en laat u niet terug houden.

Gods kinderen wilden wel dat in haar zoiets was, dat evenredig was, in de weegschaal kon gelegd worden, met Gods genade en Christus liefde, dat is, och zeggen zij, is God zo een genadige God, bied hij zoveel aan, is Jezus zoveel liefde en ontferming, wil de Geest zoveel doen, bied God mij zoveel genade en heil aan, wat mochten er levendiger uitgangen des harten zijn, sterker bewegingen van liefde tot God in Christus, als zij dat nu eens vinden dat het hart zo levendig, is, dan is 't wel, dan is 't alsof zij beter geschikt waren om met God in het verbond te treden, dan gaan zij toe, maar gaat dat weer over, dan leggen zij wij neer, dan twijfelen zij, wie weet of het wel oprecht is geweest, ziet gij nu wel dat hier nog een worsteling in ligt, van het Werkverbond, daar de natuur toch zo toe genegen is, en daar vandaan komt dikwijls zo veel onvrijmoedigheid, en donkerheid in de ziele, ik weet wel gij zult zeggen, is er niet anders van doen als gewillig te zijn, en de Middelaar bekwaam te erkennen, wel wie zou dat niet doen.

a. Wel bekommerde zondaar, heugt u zo een tijd niet dat. gij niet wilde, en als het u werd voorgehouden, dat gij weigerde en afkerig waart, en wel zoud gezegd hebben ik heb geen lust nog welgevallen aan dien weg, ja als gij zat onder de aanbieding van het woord dat u hart daar tegen aandruiste.

b. En als God u nu al enig gezicht en indruk gaf, is er niet al veel te doen geweest eer gij tot tot die hoogte kwam, om u voor God en Christus te verklaren, en door zijn dienst, en afstand te doen van uwe zonden, en aan de weg waren er niet veel hoogten neder te werpen, Ging het wel zo gemakkelijk? was er niet veel tegenstand van de duivel, wereld en zonden, die u terug hielden? heeft het u niet al menige zuchtingen en tranen gekost? zoud gij dat wel durven ontkennen? wel zo dat zo is, doet gij dan geen zonden, dat u de dag der kleine dingen veracht, en zo verkeerd handelt. Derhalve, laat u dan niet langer schudden en terug houden om God de hand te geven. Nu mochten wij nog tonen hoe een gelovige de Middelaar des verbonds zal gebruiken zijn ganse leven door, in alle tegenheden tot zijn dood toe, doch dat is zo groot een ruimte dat wij het liever eens bijzonder, zullen verhandelen. Nu om te sluiten, nog een woord, voor eerst zo zullen wij zeggen. dat dit een stof is rect gepast op het avondmaal; want is het niet de grootste Middelaar Jezus, als dien steen waar op zeven ogen zoude zijn die wij daar als gelegd zien op de Bondstafel? word Jezus niet in het Avondmaal voorgesteld als van eeuwigheid verordineerd om Middelaar te zijn als in der tijd in de wereld gekomen, wordende vlees, zijne, broederen gelijk, als zijnde verbroken voor de zonden, en zijn bloed vergoten zo zien wij hem als voor onze ogen, in de tekenen gekruisigd en gestorven. Ten tweeden, zo wij dit eens brengen tot overtuiging van onbekeerde, is het niet een gepaste stof, want zulke die zullen maar onbeschaamd gaan aan het Avondmaal, en nog door onze waarschuwing, nog door de waarschuwing van andere, zich daar van laten afzetten of te rug houden, en zulke gaan zonder kennis of indruk te hebben van alle hare ellenden af van de Middelaar, zonder geloof, of liefde in en tot hem, en gelijk zij steunen en zorgeloos zijn op hare belijdenis dat zij lidmaten zijn van de Kerke, zo ook oin dat zij ten Avondmaal gaan, en gelijk liet waar was in de ouden dag dat die niet een Jood was die het in het openbaar was, en liet teken der besnijdenis ontvangen, had, maar die, die het in het verborgen was, en de besnijdenis des harten tot God in de geest had, zo is het ook nu waar dat die niet een Christen is. die gedoopt is, die ten Avondmaal gaat, maar die deel aan Christus heeft, zijnde zijne zalving deelachtig, gij mocht gaan ten Avondmaal. maar het is te denken, Christus de Gastheer zal komen aan zijn tafel, en zijn aanzitten, de gasten zal bezien, dat hij u ziende zonder bruiloftskleed zal zeggen, vriend hoe zijt gij hier gekomen? bind hem handen en voeten en werpt hem in de buitenste duisternis, wel ik bidde u zondaar! hoe zult gij ook behagen, zo gij geen deel aan Jezus hebt, de Middelaar in wien gij God alleen kond behagen, deswegen stoute, onbezonnen zondaren ziet toe wat gij doet, God laat hem niet bespotten, nadert toch niet want gij hebt geen recht, gij zult gemakkelijk zeggen, hoe zullen wij het weten of wij geen recht hebben? zoud gij ons wel proeven kunnen geven?

a. Gij moogt niet naderen, gij hebt geen recht, zo gij nog nooit met u zelven, in uzelf, over uzelf zijt verlegen geweest, denkende mijn God wat zal het met mij nog worden, ik ben nog buiten God, buiten Jezus, en het verbond, wat zal voor mij de dood en de eeuwige verdoemenis niet vreselijk zijn, daar ik geleefd heb onder de aanbieding van genade, kent gij dit nog niet, is u dit nog nooit op u hart gezonken, en hoe dat wegens uwe zonden voor God verdoemelijk en schuldig zijt, zo dat gij verlegen en beschaamt zijt geworden over u zelfs, ik zou wel vragen wat doet gij ten Avondmaal, tot wat einde gaat gij daar?

b. Is Jezus dien groten Middelaar, als de enige weg om in Gods gunst te komen, u nog nooit dierbaar en beminnelijk geweest, zo dat gij zei, nu weet ik hoe een heilig God, de God van een zondaar kan werden door de Middelaar, en zag gij de macht, algenoegzaamheid en gewilligheid, van den Middelaar, zo dat de reden was waarom hij aan uwe ziele dierbaar werd, om dat gij zaagt dat hi het alleen was, die u tot Gods gemeenschap kon brengen, en dat hij ook genoeg was.

4. Heeft dat dubbele gezicht zo van de Middelaar als van u zelven, u opgewekt om tot hem dadelijk heen te lopen, om als een verlorene in hem gevonden te zijn, is u hart werkzaam geweest, hongerende en dorstende, begerende, verlangende, uitziende naar hem om in hem gevonden te worde, was dat u dagelijks werk, ik vrage niet hoe gij het deed, met wat vrijmoedigheid., en of gij durfde, maar of gij het deed vrijmoedig of onvrijmoedig.

Heeft dat zo een wonderbare verandering in u gebracht, dat gij Van partij verandert zijt, en moet zeggen ik liep te voren tot de zonde, tot de wereld en haren dienst met mijn vol genoegen, maar zo gereed als ik daar heen liep, zo loop ik nu naar God en Christus, en zo aangenaam en beminnelijk is mij God en zijn dienst, en gemeenschap, zo deze dingen niet in u zijn, in min of meer maten en trappen, nadert niet aan de tafel; gij zoudt maar zijn een gast zonder Bruiloftskleed.

Maar gij bekommerde kleingelovige, vind gij dit in u, zegt gij, zo ellendig ben ik en nog duizendmaal meer, als ik bevatten, of uitspreken kan, dat heeft God mij doen zien, dat zie ik nog dagelijks.

Ik achte niemand zo hoog als Jezus en de weg van de vrije genade, hij is mij begeerlijk, alleen begeerlijk, wel u die gelooft is hij dierbaar, en wat is u gehele leven anders, is het niet een gedurig uitzien, begeren, verlangen, zuchten naar Jezus, om maar deel in hem te mogen hebben, en in zijn verdiensten, wat zijn de tocht van uwe ziel, gaat het niet al uit naar Jezus, uwe liefde, blijdschap, vergenoeging, verwondering, hebt gij u niet hartelijk aan hem gegeven en zo gegeven, dat gij uwe oude beloften hebt opgezegd, en uw oud verbond verbroken verbindende u om voor God te leven met een opzet des harten u daar voor verklarende, ja zegt gij dat laatste vind ik zo niet, Jezus is mij wel dierbaar en beminnelijk, en ik heb mij wel aan hem gegeven. maar de zonde die zijn nog zo werkzaam in mij, en de rust en gezetheid voor Jezus nog zo weinig; wel kinderen Gods ik vraag niet wat dat heersende of kwellende zonden zijn? ik geloof ja dat de zonde zich gedurig nog werkzaam vertoont, maar hoe bent u daar omtrent gesteld, ziet gij die aan als vriend of vijand, woud gij wel iets liever als dat de zonde meer gedood waren, en haar kracht benomen, gaat gij daar om niet naar Jezus om bij hem kracht en sterkte te halen? en doet u wel iets meer wee als dat gij ergens in tot oneer van God zijt, is dat dan niet een bewijs van genade, en geestelijk leven? en daarom klein gelovige ziel die zo bedeest zo onvrijmoedig zijt.

1. Laten de rommelende ingewanden van een barmhartig. God opwekken, om tot hem te lopen, werpt u in zijne armen.

2. Laten de rommelende ingewanden van een barmhartig Hogepriester u lokken, die zo ontfermende en medelijdende is; want als gij met een oog naar hem ziet, zo ziet hij er met tien naar u, als gij met een voet naar hem gaat, zo loopt hij met tien voeten naar u, hij zal u tegemoet komen, het is een Goddelijke, eeuwige, ontfermende liefde daar hij u mede voorkomt, die zo groot is, dat zij het verstand te boven gaat, hij nodigt u ook weder aan zijne tafel, daar zal hij staan en zeggen, ziet daar mijn bloedplassen daar ik u mede reinige, die ik om uwentwil gestort heb, ik, ik ben het die uwe overtredingen uitdelgt, en ik gedenk uwer zonden niet, God de Vader zal daar ook staan, zijne liefde u aanbiedende, en zowel als de Vader van de verloren zoon, als gij nog van verre staat, u tegemoet lopen, en omhelzen, ja hij wacht u om genadig te zijn, bent gij dan gewillig, komt staat op, komt staat op, kom tot u zelfs, zegt het is waar ik heb gezondigd, maar bij u is verzoening in het bloed van de Middelaar tot hem, en in hem zoek, ik gevonden te werden, en ik durf zeggen. zo gij zo komt tot God de Vader zal hij u in gunst aanzien, Jezus zal u omhelzen in zijne liefde armen, de Geest zal u ondersteunen en u alles geven, gaat dan toe, en hebt gij gezondigd wij hebben een voorspraak, een Hogepriester bij de Vader, namelijk Jezus Christus de rechtvaardige, die een verzoening is geworden voor de zonden en ook voor de uwe. Amen.