De geschiedenis van Klein Geloof

W. Huntington. s. s.

VIJFDE SAMENSPRAAK

Rentmeester. Zo heb ik u dan gevonden op de oude plaats!

Herder. Daar is geen vrees voor: ik kruip hier altijd als de kruik ledig is; want na de tijd van het kooien vergelijk ik mij zelven bij niemand anders dan bij dien, Nazareeër, die door de Filistijnen van zijne kracht beroofd was, want ik heb er een afkeer van, iemand in het aangezicht te zien.

Rentmeester. Gelijk ijzer ijzer scherpt, zo scherpt het gelaat eens vriends een terneer gebogen broeder door hartelijke raad.

Herder. Ik heb, sedert wij de laatste maal scheidden, tussen beiden nagedacht over die Aziatische bergbewoners; hun karakter en gedrag is zonderling.

Rentmeester. Dat zijn zij, zij zijn bijna, zo niet ten volle drie duizend jaren, lang een plaag en pest geweest voor elk vorstelijk zaad en elk getrouw dienaar die verschenen is in het gebied van Zijn Majesteit.

Herder. En, eilieve, welk nut kunnen de moeder en de kinderen verkrijgen door rond het paleis te slenteren? Daar er enen onverzoenlijken haat tussen hen bestaat, moeten zij, bij tijden, al hun vooroordelen opgewekt zien, en tot op de laagsten trap in zichzelf ellendig gemaakt worden. En de onaangename gewaarwordingen, veroorzaakt door de herhaalde bestraffingen en berispingen die zij krijgen, zouden, dunkt mij, genoegzaam zijn, hen te beletten om ooit de plaats van het paleis te genaken.

Rentmeester. Het is een oproerig geslacht, zij kunnen met rusten; en daar zij zelve noch rust noch vrede hebben, kunnen zij het niet dulden dat zulks door anderen wordt genoten; en daar zij gezworen, vijanden van de regering zijn, worden zij dikwijls tot bedaren gebracht, als zij slechts een van de kinderen des Konings kunnen kwellen of benauwen, of zelfs een dienaar die waarlijk en van harte aan zijne Majesteit getrouw is.

Herder. Eilieve, waren enige van hun voorgangers ooit dienstbaar m de Vorstelijke Familie, dat zij zulk ene pest voor het Hof zijn? Zo niet, dan zou ik denken, dat zij, volkomen vreemdelingen van het Huishouden, en van de, order der familie moeten zijn; en daarom hunnen afstand door onkunde bewaren; en geen acht op hen slaan, even als duizenden doen, die, gelijk Gallio, zich over geen dezer dingen bekommeren.

Rentmeester. Een zeker prins en prinses, van overouden tijd, die uit Vorstelijk Bloed waren, ontmoetten, op hun reizen door het rijk van Mitzraim, of het land van Cham., gemeenschappelijk Hagar, de over-over-over-overgrootmoeder van deze. Hagarenen, en huurde haar als ene dienstmaagd voor allerlei werk; in welken lagen toestand zij zich lang, schijnbaar met grote getrouwheid, gedroeg, tot dat zij, na verloop van tijd zich zo in de genegenheden der prinses indrong, dat deze haar beschouwde als hare eigene dienstmaagd, om hoofdzakelijk hare persoon te dienen als ene statiedame.

Herder. Voorspoed zal gewis de oprechtheid der personen beproeven, en de drijfveren ontdekken die hen besturen. Als een wijs kind gelijk de kleine Hebreeër die door zijne broeders verkocht werd in Egypte vooruit komt, wordt zijne dankbaarheid aan: zijnen weldoener aangezet; hij wordt onder zulke kinderlijke banden van verplichting. gelegd, dat hij liever onverdiende gevangenschap wilde verduren dan hem beledigen. Maar als dwazen voorspoedig zijn, dan loopt hu:ä voorspoed uit tot hun verderf. De voorspoed der zotten zal ze verderven. (Spreuk. 1: 32).

Rentmeester. De spreuk wordt bevestigd door de zaak die nu behandeld wordt, daar Hagar ruim twaalf jaren in het huisgezin was geweest, verheven tot de hogen rang van statiedame, en in groot aanzien bij de prinses stond, zo werd zij bijna haars gelijke. Het blijkt, dat de bezittingen van dit vorstelijk paar door Goddelijke aanwijzing zeer uitgestrekt waren, en zij wisten beiden dat hun namen en hun geslacht nooit uitgewist zouden worden, en daar de prinses zelf onvruchtbaar was terwijl een toekomstige erfgenaam grotelijks begeerd werd, en, wanhopende aan een opvolger, verlaat zij het onvruchtbare bed, in de hoop het vruchtbaar te maken (Hoogl. 1: 10) door hare statiedame, en overreedt haren prins tot het toegeven, daar het werd gedaan in hope van een, erfgenaam, welke zij besloten had aan te nemen. (Gen. 16: 2).

Herder. Dat was waarlijk ene zonderlinge afwijking. De grenzen der vrouw overschrijdende, en zulks moet de oprechtheid der statiedame op de proef gesteld hebben tot een getuigenis!

Rentmeester. Dat deed het, want zij werd bevrucht en toen zij dit merkte, verachtte zij hare weldoenster, en trachtte zich in haren stand te vestigen. Toen deze behandeling de prins ter oor kwam, weigerde hij in de stoel te verschijnen, maar gelastte de prinses die zelve te beklimmen, en tegen hare maagd te getuigen naar de inzettingen en wetten van haar eigen huis waarin zij terstond toestemde, en getuigde tegen haar, zonder vrederechter, getuigen, gezworene, gerechtsdienaar, heraut, of scherprechter. De prinses was zowel beschuldigster als verdedigster: zij droeg het getuigenis, bracht hare eigene beschuldiging in, sprak zelf haar vonnis uit, en bracht het zelf ten uitvoer; maar of het eindigde in geseling of andere lijfstraf, kunnen wij niet verzekeren, evenwel harde maatregelen, ruwe behandelingen, en verbanning zijn op schrift bewaard.

Herder. Ik dacht wel dat het zo zou eindigen, want gelijk de Wijsheid zegt: "Om drie dingen ontroert zich de aarde ja om vier, die zij niet dragen kan. Om een knecht, als hij regeert en enen dwaas, als hij van brood verzadigd is, Om ene hatelijke vrouw, als zij getrouwd wordt en ene dienstmaagd, als zij erfgename is van hare vrouw". (Spreuk. 30: 21, 22, 23). Eilieve, waarheen is zij verbannen? Wat was haar toevluchtsoord ten gevolge van het heerszuchtig vonnis der prinses?

Rentmeester. Daar de prinses de enige uitvoerster was, verjoeg zij haar uit de tent in de woestijn en zond haar hare verwijtingen en enige donderende volzinnen achterna, maar kon haar niet vervolgen, door gebreken en ouderdom.

Herder. En waagde zij het nooit uit hare ballingschap weder te keren?

Rentmeester. Neen, zij vergat nooit het heftig verhoor, want het wordt aangenomen, dat er tegen haar gerechtelijk tekeer gegaan is met de uiterste gestrengheid van vrouwelijke hevigheid. In zulke handen kan de booswicht, vooral in zulke gevallen waar het recht op de stoel betwist wordt, door ene mededingster naar het bed in zulke gevallen, en in zulke handen, zeg ik, is het onmogelijk dat enige toegeeflijkheid betoond, voorspraak of verzachting verwacht kan worden.

Herder. En zo is zij nooit weergekeerd?

Rentmeester. Niet uit eigen beweging; maar de Hogere Machten traden tussen beiden, en riepen haar bij de benaming van Sarahs dienstmaagd, ten einde haar te vernederen, en om af te snijden dat haar zaad erfgenaam van het koninkrijk zou worden, en haar werd gezegd dat haar zoon een wilde man zou zijn; zijn hand zou tegen iedereen zijn, en de hand van iedereen tegen hem. Toen werd haar geboden huiswaarts te keren, en zich aan hare wettige vrouw te onderwerpen.

Herder. Dit moet de prinses levend hebben beproefd; want het is, in uitvoering, het heerszuchtig vonnis opheffen.

Rentmeester. De raad der Hogere Machten moet bestaan. Dit werd gedaan om de prinses om, hare ongelovigheid te vernederen, opdat zij verslagenheid zou ontmoeten uit hare eigene uitvindingen, en om haar te tonen dat de Hogere Machten geraadpleegd hadden moeten worden, eer de misdadige veroordeeld was geworden, en Hun goed of afkeuring ingeroepen, eer het vonnis zo heftig ten uitvoer was gebracht. En voorts, om haar te verootmoedigen om het geringschatten van hare waardigheid, haar van boven opgedragen, door hare slavin te verheffen tot gelijken rang met haarzelf op de stoel des bevels, en nog meer door haar recht af te staan tot het bed en de omhelzingen van de prins.

Herder. En, eilieve, hoelang bleef zij in de vorstelijke tent na hare terugkomst uit de ballingschap?

Rentmeester. Ruim veertien jaren, maar in betrekking als een dienstbare tot alle verrichtingen. Maar toen de zoon gebaard was, trok hij de genegenheden van de prins tot zich, hetwelk ene vernieuwde vernedering voor de prinses was; maar na de tijd van twee jaren baarde de prinses zelve enen zoon.

Herder. Wondervolle werken der Hogere Machten, die "de onvruchtbare tot een blijde moeder maakt".

Rentmeester. Dat was zij; want bij hare verlossing zei zij: "de Allerhoogste heeft mij een lachen gemaakt zodat allen die het horen met mij zullen lachen". Maar zodra de dienstmaagd de aanstaande erfgenaam zag, en de genegenheden van de, prins dagelijks op de erfgenaam der belofte zag overgaan, barstte zij, op de groten feestdag, op de dag van het spenen, voor het gehele gezelschap doophefsters, vroedvrouw, vrienden en buren openlijke verachting uit; en haar zoon zette een groten mond op, en bespotte de aanstaande erfgenaam. Deze verachting en bespotting trof de Hogere Machten, die de prinses bovennatuurlijke kracht hadden verleend, en uit kracht van Wiens belofte en beloofde kracht de erfgenaam verwekt was, en hun die "dus de spot drijven, worden de banden vaster gemaakt". (Jes. 28: 22),

Herder. En werd het haar daarna nog vergund in de vorstelijke tent te blijven? Ik zou gedacht hebben, dat op dit grote feest, toen al de moeders, die het spenen bijwoonden, tegenwoordig waren, zij ene vrouwelijke, rechtbank en een rechter die gezworene was, zouden hebben doen inschrijven en op ene herhaling en wederuitvoering van het vonnis der verbanning hebben aangedrongen.

Rentmeester. Of de prinses, op de dag van het speenmaal, raad van een der dames aan het Hof bekwam of niet, is onzeker; evenwel werd het vonnis herhaald en door de Hogere Machten goedgekeurd; en zowel de moeder als de zoon werden voor eeuwig van de vorstelijke tent verbannen. Sedert dien tijd heeft zij geen anderen naam gedragen dan "de dienstbare vrouw een dienstbare slavin", die als bijzit gebruikt is geweest, en om hare onbeschaamdheid verbannen werd en het kind wordt genoemd: "Een kind des vleses, een zoon der dienstbare vrouw, een dienstknecht", omdat zijne moeder niet vrij was, en een onecht kind of bastaard.

Herder. En is noch Hagar, noch iemand van hare nakomelingen, sedert dien tijd ooit door de Hogere Machten toegestaan geworden de, vorstelijke tent binnen te gaan?

Rentmeester. Neen, het vonnis is nooit herroepen, maar is sedert dien tijd opgehelderd en weder bekrachtigd, waar door zij verstoken zijn, niet alleen van in de vorstelijke tent te komen, maar ook zelfs van de vorstelijke kapel, en dat door ene eeuwige inzetting: "Geen bastaard zal in de vergaderingen des Heeren komen; zelfs van de vorstelijke kapel, zijn tiende geslacht zal in de vergaderingen des Heeren niet komen" (Deut. 23: 2). Dus strekt zich het gebod uit tot het tiende geslacht en vergunt of duldt het dan nog geen verdraagzaamheid.

Herder. Dit geeft gemakkelijk verklaring aan het gedrag der Hagarenen. Ongetwijfeld zijn sommige overblijfselen der taal van het hof, en der inzettingen van het Paleis, het huishoudelijk bestuur, en uitwendige voorrechten zoals de besnijdenis, offeranden, huichelachtige verzoekschriften, vormelijke vroomheid en bedrieglijke feestviering door overlevering van eeuw tot eeuw meegedeeld, welke hen in staat moeten stellen om zelfs het vorstelijk zaad te bedriegen, zolang zij in enen toestand van minderjarigheid of onmondigheid zijn.

Rentmeester. Hun overgrootmoeder bedroog de prinses zelf; want toen zij, op last van de Hogere Machten, uit hare ballingschap thuis kwam en hun bevelen in de oren der prinses herhaald had, heeft zij haar jaren lang verontrust, en hare dienstbare kinderen hebben de erfgenamen der belofte tot op dezen dag zo zeer gekweld als hun. overgrootmoeder ooit de vrije vrouw verontrusten kon.

Herder. Maar daar hij een wild mens moest zijn, "en zijne hand tegen iedereen moest zijn, en de hand van iedereen tegen hem (Gen. 16: 12), is het zo onmogelijk deze twee partijen te verzoenen, of ene vereniging tot stand te brengen, als het is om schapen en bokken in ene kooi te doen verkeren; en het moet ene voorbarige onderneming zijn om te pogen dit ten uitvoer te brengen.

Rentmeester. Een woest mens is hij, en woest zal hij blijven, vrijmachtig recht zal nooit hem of de zijnen temmen. Hij wordt een kind des vleses genoemd; en, "de kinderen des vleses zijn de kinderen des Konings niet, maar der beloften (in tegenoverstelling van hen) worden voor het zaad gerekend" (Rom. 9 8). Vandaar de Goddelijke bekendmaking: jk ben de Jehovah Abrahams, Izaks en Jakobs. Dit is Mijnen naam eeuwig, en dit is Mijne gedachtenis van geslachte tot geslachte" (Ex. 3: 15). Van welken Naam en gedachtenis de Hagarenen en Ismaël lieten voor eeuwig buitengesloten zijn.

Herder. En evenwel, toen de Koning der koningen het Laagland Paleis bezocht, vond Hij velen van die in het huis; ja zelfs geloof ik dat het paleis daarvan vol was.

Rentmeester. Dat is waar, maar Hij zei hen dat de dienstknecht niet eeuwig in het huis blijft, maar dat de zoon er eeuwig in blijft (Joh. 8: 35), En Hij was zo goed als Zijn woord; want Hij verliet Jeruzalem in dienstbaarheid met hare kinderen, en liet haar ten laatste haar huis woest, in hetzelfde geval met Hagar, die er een voorbeeld van was,' totdat Hij er ten uiterste over vertoornd was; en toen verbrandde Hij het paleis boven hun hoofd, en ene menigte van hen er in; en ging toen in een ander land, bouwde enen anderen, en bezocht eindelijk dit ons land; en breidde Zijne koninklijke tent over ons uit, in dezen onzen heerlijken, heiligen berg tussen de zeeën, waar de Antichrist zolang de tabernakelen van zijne paleizen wenste te vestigen, welke plaats de kinderen nu twisten, en die intijds voor hunnen vader overwonnen zal worden; en dan zal hij aan zijn einde komen, en niemand zal hem helpen (Dan. 11: 45). En, daarna, zal de Koning ene stad bouwen, en ene woning, die voor altijd het Vorstelijk zaad zal beveiligen tegen de Hagarenen.

Herder. Eilieve, waarom werd. de spotter een woest mens geheten?

Rentmeester. Voornamelijk omdat de Hagarenen nooit door genade te temmen waren. Hun oorsprong was woest. Zij moesten boswachters in de woestijn zijn in ene woeste en onbebouwde streek; op enen woeste voet leven, door roverij en afzetterij, hetwelk ene woeste en buitensporige levenswijze is. Zij zijn woest in hun manieren, praktijken en gewoonten; in hun taal; en woest in hun geesten, die nooit getemd, vernederd, noch met het vorstelijk zaad verzoend werden en echter bezigen zij alle kunsten en listen om hen te verstrikken; om bastaarden bij de Koning binnen te moffelen, en het paleis daarmede te vullen.

Herder. En echter tenslotte moeten zij weten dat zij de kinderen des Konings nooit geheel en al kunnen bedriegen noch verderven, veel minder de Koning zelf. En wanneer zij dit alles weten gelijk ik veronderstel dat zij moeten, doordat de Koning ze allen ontdekt, die door hen bedrogen werden, en door het blootleggen der huichelarij en het voeren tot een vreselijk einde van zulk een aantal bastaarden die Hem toegevoerd zijn te volharden in het weerstaan van alle bewijzen, en alle overtuigingen, die bij hen verwekt zijn, en dat voor zulk een aantal jaren achtereen, bewijst dat zij zo onvermoeid en onuitputtelijk in het kwaad zijn als de hond Smut zelf, die, als hij een schaap of een lam bij het oor beet krijgt, nooit zijn beet loslaat totdat zijne tanden doorgebeten hebben, en zijn beet er uit gescheurd is, tenzij hij er afgeroepen, of afgeschud wordt; en hij blaft en gromt, hopende daardoor het trommelvlies van hun oor te doen springen. Ik heb een arm lam, nadat de hond er afgeroepen was, zien staan en hijgen naar de adem, zien haspelen en strompelen als een dronkaard, en in zulk ene verschrikking en verwarring, dat het niet wist waar het was, noch in maanden lang in staat was rustig te eten.

Rentmeester. Als hij hun oren op zulk ene wijze verscheurt, moesten zijne tanden uitgebroken worden. De meeste herders breken de tanden hunner honden uit.

Herder. Wij hebben twee honden. Mijn Meester heeft de tanden van de Leeuw uitgebroken (Psalm 58: 6), maar niet de tanden van Smut; hetwelk naar ik veronderstel nagelaten is, opdat hij ze eens vrij hevig zou kunnen schudden en als een prooi voor zijne tanden worden geslingerd,

Maar om tot ons onderwerp over de Hagarenen terug te keren. Het is mij duidelijk, mijnheer, uit hetgeen gij eerst gezegd hebt, dat Hagars eerste misdaad bestond in het staan naar de regering en de heerschappij.

Rentmeester. Zodra zij bevrucht was hetwelk slechts ene vleselijke en op het best genomen ene onwettige bevruchting was, was de eerste misdaad welke zij pleegde, dat zij de gezegende Moeder van vele volkeren verachtte, die door de Koning gezegend en alzo gesteld was. De verlatene, die geen Goddelijke man had, verachtte. de gehuwde vrouw; en deze verlating wordt toegepast op allen die de vrij geborene dochters van Sarah geheten worden tot op de huidige dag. Die de rechtvaardige haten, zullen verlaten worden (Psalm 36:21).

Herder. Het blijkt mij, dat de volgende zaak welke zij op het oog had, heerschappij was; zij dong naar de zetel om te gebieden; want zij bespotte hare meerdere, en ook haar bestuur.

Rentmeester. Dat deed zij en door dit te doen, veranderde zij de stoel des heuvels in een stoel der spotternij, en werd er overeenkomstig met haar gehandeld. In het kort: Eigen wil was hare wet; zij poogde naar gelijkheid met de Prins; van de prinses van het huishouden had zij een afkeer; naar de volstrekte regering in de vorstelijke tent stond zij, en omdat zij zich verhoogde, werd zij vernederd.

Herder. En het blijkt dat haren zoon dezelfde rol speelde. Hij eiste een recht op de prins als zijn opvolger, en verwachtte zijn erfgenaam te worden, de erfgenaam van zijne waardigheid, zijne zegeningen, beloften, verbonden, weldadigheid, rijk en persoonlijk eigendom en dat door onwettige en vleselijke afkomst; want hij was op het best beschouwd maar een onecht kind des vleses, of een bastaard. Voorwaar, een schonen erfgenaam, om de schatten van vrijmachtige genade, en de weldaden der Goddelijke Voorzienigheid te beërven! De wilde man zou ene edele vertoning gemaakt hebben in het hemelse rijk, en in de stad, die fundamenten heeft, wiens kunstenaar en bouwmeester God is!

Rentmeester. Vrije wil heeft zijne wet; trotsheid en begeerlijkheid waren zijne bewéegoor7,aken; hij stond naar de heerschappij, en toen de erfgenaam der belofte, de toekomstige erfgenaam, de type van de groten Koning verscheen, liet hij niet na het kind te bespotten, en, door die kleine te verachten, verachtte hij de Koning, die hem gezonden had, en werd voor eeuwig verbannen.

Herder. Ik zie de reden waarom Hagar de verlatene genoemd wordt; het is omdat zij zonder God is, gelijk Sinaï, waarvan zij het beeld is en Ismaël wordt de dienstbare zoon genoemd, omdat hij dienstbaar is aan de wet, en als dit zo is, moet hij onder haren vloek liggen. Eigen wil en heerschappijverachting waren de val en het verderf voor 'beide, moeder en zoon.

Rentmeester. Dat waren zij; en gij hebt op hare kenmerken gewezen, die beschreven zijn geworden tot ene waarschuwing voor alle geslachten. Zij worden kinderen des vleses geheten; en worden gezegd naar het vlees te wandelen in plaats van te wandelen naar de Geest; de heerschappij te verachten en onderwerping te weigeren aan de Koning der koningen. Vermetel zijn zij; zij vermeten zich zonder Goddelijke toelating, en wagen het hun hoop te bouwen, en vooruit te komen en te verzekeren zonder ene Goddelijke waarschuwing. Eigenzinnig, bespotten en weder staan, verachten en belasteren zij de vrijmachtigen wil van hunnen Formeerder, de besluiten en de raad daarvan, verheffen zichzelf tot de heerschappij, en maken van eigen wil hun wet. "Zij schromen niet de heerlijkheden te lasteren" (2 Petr. 2: 10). Zij zijn niet bevreesd kwaad te spreken over de onweerstaanbare macht en het vrijmachtig gezag van de Koning der heiligen; en de opgedragen macht der uitverkorenen, die tot koningen en priesters gemaakt zijn; ja, van beiden wordt zonder vrees kwaad gesproken, en zelfs aan Abaddon toegeschreven!

Herder. Hij is inderdaad een wild mens! en het wilde mens schijnt in al de kinderen te leven, en ik. ben verzekerd dat de profetie tot het einde des tijds in vervulling zal blijven; want hij kan noch zijne beginselen noch zijne praktijk laten varen, voor dat God Zijne voorspelling intrekt en daarom zal zijne hand tegen elke getrouwe of koningsgezinde zijn, en elke getrouwe zal zijne hand tegen hem hebben, zo lang de wereld bestaat.

Rentmeester. En langer ook; want hij zal het vorstelijke zaad zelfs in de sombere verblijven haten, evenmin zullen de kinderen Sions iets beminnelijks aan hen vinden, schoon in de gewesten der gelukzaligheid met onsterfelijke zielen vervuld zijn.

Herder. Dit verklaart hun rondkruipen door het vorstelijk paleis; het is om de kinderen eigenzinnig te maken; hen aan te zetten, om de opperheerschappij en regering van hunnen vorstelijken Vader te verachten; om de wetten van Sion te bespotten; en om het vorstelijk gewaad van Mordechai te verachten, door wien het welzijn van Israël wordt gezocht, en door wien hij van vrede spreekt tot al zijn zaad.

Rentmeester. In het kort, dat is hun gehele werk, behalve het ondermijnen der muren Sions en het verlagen van de vorstelijke familie tot op gelijken trap met zichzelf. Deze punten worden bevorderd door al de tovenaars, goochelaars, sterrenkijkers en waarzeggers, die ooit verschenen, of ooit verschijnen zullen, in de synagogen der Hagarenen. En ik weet, dat er geen prins noch prinses in het gehele huisgezin des Konings is, of zij zouden weten, als zij zorgvuldig opmerkten, dat hun dezelfde dingen in het geheim ingegeven worden, zelfs door Abaddon zelf, het welk een zeker bewijs is, dat hij de oorsprong is van die oproerige en verderfelijke leerstellingen, en de hoofdonderwijzer van die leerlingen der academie.

Herder. Ik geloof dat gij gelijk hebt, schoon Abaddon somtijds verschijnt als een engel des lichts, en deze dingen voorwendt, terwijl hij het bloed in beweging. brengt, de vleselijke gevoelens prikkelt, de driften aanzet, de verdorven lusten (Rom. 1: 26) der natuur in beweging brengt, en het gelaat in tranen verdrinkt. Evenwel koken opstand, eigen wil en heerschappij miskenning op de bodem; en dikwijls, als hij waarschijnlijk niet met eerlijkheid slaagt, voert hij dezelfde zaken met woede en geweld aan, en als hij ze niet in het hart kan bevestigen, zal hij er het gemoed mede aanvechten, tot dat hij het ongeschikt maakt om op iets anders te letten.

Rentmeester. Dat zal hij. Maar de meest gewone wijze is door ene beweging aan de vleselijke driften te geven, vergezeld van de aanprikkeling der beweeglijke aandoeningen der natuur en dan wordt de pil, dit brood des bedrogs, met eerlijkheid verguld, ingeslikt, maar "daarna zal de mond vol zandsteentjes zijn' (Spreuk. 20: 17). En ik weet, uit zuivere ondervinding, dat dit met hysop, moet uitgewist worden, voor dat zij ooit ruste in hunnen buik vinden (Job 20: 20),

Herder. Of Smut gromt of vleit, ik weet dat hij op niets doelt dan op het bijten, verwoesten en verslinden beide van schapen en lammeren.

Rentmeester. En ik weet dat de Hagarenen en Athalia beide in samenzwering overeenstemmen; want er wordt niets minder bedoeld dan "al. het koninklijke zaad om te brengen" (2 Kon. 11:l). Wat mij betreft, het smart mij evenzeer, als ik een van die kinderen des Konings met de jongens van Hagar zie, als het u smart, een lam in de kaken van Smut te zien. Ik heb vroeger Klein Geloof gadegeslagen, nadat hij weggeslopen was om bij hen te komen, als hij te huis kwam, zelfs toen hij nog een klein ding was, dat hij dan tegen mij worstelde en mompelde om mij te overtuigen waar hij geweest was, en om de ellendigen opstand te ontdekken, die zij in het gemoed van het kind hadden ingeprent.

Herder. Wel, wat kon zulk ene rode mier zeggen?

Rentmeester. Zeggen! Dan trok hij zijnen mond deftig, vonkelde met zijne ogen, zag heen en weder, en begon dan: "Het verwondert mij dat de Koning niet meer kinderen heeft. Waarom neemt hij niet enige andere soorten van jongens aan? Waarom neemt hij ze niet allen aan? Ik gevoel liefde tot hen en, als ik ze liefheb, hoe veel te meer moet Hij ze dan liefhebben, Wiens naam en natuur liefde is! gelijk gij zelf somtijds erkend hebt, Mijnheer Rentmeester?"

Herder. Dan beschouwt Klein Geloof "de Koning voor even zo iemand als hij zelf is" (Ps. 50: 21). En eilieve, welk antwoord hebt gij de kleinen stijfkop gegeven?

Rentmeester. Ik zei hem dat "waarom" en "waarvoor" geen voegzame woorden voor kinderen waren; en dat noch de Koningin, noch de kinderen, noch de dienaren geoorloofd werden ze te gebruiken; vooral op ene oproerige wijze, als zij iets aan te merken hadden op de uitvoeringen van Zijne Majesteit, "die alle dingen bestuurt naar de raad van Zijnen wil". En ik gebood hem zijnen tong te breidelen en toe te zien, dat hij geen oproerig komplot veroorzaakte, geen geest van samenzwering voedde, het bestuur van zijnen Vader niet verachtte, en zelf naar het bewind staan, totdat hij aan enen eik ophing, en in zijnen opstand omkwam, gelijk Absalom.

Herder. En hoe nam hij dat op? Kon zijn gelaat het verdragen?

Rentmeester. Hij kon gemakkelijk ontdekken dat ik wist waar hij geweest was; en dat ik een antwoord gaf op hetgeen er in zijn hart was, zowel als op hetgeen uit zijnen mond kwam, Wat betreft zijne blikken, zij geleken op een hond die zijn staart in de kokskeuken verbrand had, en naar zijn hok wegkroop met ene zweep achter hem.

Herder. Dit bewijst dat hun eigen geweten rechtstreeks tegen hunnen opstand staat, zowel als de Koning en de oorkonde van Sion; want het gelaat, zelfs van een kind, kan voor ene dagvaarding van beiden niet bestaan.

Rentmeester. Er was nooit ene Hagareen in de wereld, noch ooit iemand van het vorstelijke zaad, wanneer Zij door hen misleid zijn, die ooit ene minuut voor de rechtbank van hun geweten gerechtvaardigd konden staan; ofschoon hij verwachten mag voor de troon van het Goddelijk gericht te bestaan, denkende dat er minder nauwkeurigheid of gestrengheid bij de vreselijke Majesteit zal bestaan, dan er gevonden of verkregen wordt in een gerechtshof van onpartijdigheid. "Wanneer een mens tegen enen mens zondigt, zo zal de rechter hem oordelen, maar wanneer hij tegen de Koning zondigt, wie zal voor hem bidden?" (1 Sam. 2:25).

Herder. Eilieve, zonden zij Klein Geloof nooit huiswaarts, morrende over de kleding van het Hof? Want zij zijn daarover zeer verwoed.

Rentmeester. Dat is gemakkelijk te verklaren want zij worden uitdrukkelijk de "kinderen des vleses, het nakroost van de aardsen vader geheten, en gelijk het aardse hoofd is, zodanig zijn ook zij die aards zijn". Terwijl hun overgrootvader in het vlees was, droeg hij geen gewaad behalve dat van zijn eigen maaksel, maar toen hij in het gericht gebracht werd, van zijn bekleedsel ontbloot, en de schande zijner naaktheid ten toon gesteld, ontving hij er een dat bereids gemaakt was, hem door een ander vrijwillig geschonken, en liefdevol aangedaan; ook vond hij vóór dien tijd geen vrede.

Herder. Ik zeg, morde Klein Geloof nooit tegen de vorstelijke klederen als hij van het Hagareense kasteel gewoon was huiswaarts te komen?

Rentmeester. Veeltijds. Ik herinner mij, dat hij mij eens zei, dat hij vond dat de Hagarenen even goed gekleed waren als de Kinderen des Konings. En wat Koos en Karel en Thomas betrof, hij had hen horen zeggen dat zij nooit gevallen waren noch hun klederen hadden bemorst, gedurende hun leven; ook is er tot op dezen dag geen vlek op hen.

Herder. Ene waarschijnlijke zaak, dat kinderen schoner en reiner zouden zijn die het gehele jaar door over de zandbank rollen dan die welke in het Koninklijk paleis bewaard worden!

Rentmeester. "En wat de vorstelijke klederen betreft", zegt Klein Geloof, zij lachen er om; en mij dankt, dat zij ruim zo goed gekleed zijn als een van mijne broeders en zusters, "Bovendien", zegt hij, als wij allen eendere klederen dragen, zullen wij de ene uit de anderen niet kunnen onderscheiden. Hagars jongens dragen elk hun eigene klederen, en zij schijnen altijd goed gekleed; en, wat mij betreft, mij zou het best bevallen als ik mijn eigen gewaad mocht dragen (Jes. 4: l).

Herder. En wat zeide gij tegen het, kleine, onbescheiden bedorven ding?

Rentmeester. Ik gaf het hem altijd als ik hem alleen had. Ik zei hem, dat hij eerlang buikpijn zou krijgen; en dat hij dan zou uitroepen: "0 dat ik het aangezicht des Konings kon zien! Hij kust mij nooit gelijk Hij de andere kinderen doet". Ik zei hem, dat, terwijl hij de kleding der Hagarenen beminde, hij nooit zou weten wat een kus van zijnen Vader, noch zelfs een genadige toeknik van Hem betekent; want de Koning omhelsde noch kuste nooit enig kind in het ganse paleis, voordat hij van zijn oude klederen ontbloot was en zich onderworpen had om "het beste kleed te worden aangedaan, een ring aan zijnen vinger en schoenen aan zijne voeten" (Luk. 15: 22). Het beste kleed gaat altijd gepaard met de liefkozingen en de kussen. En hij had zelfs eens de brutaliteit mij te zeggen, dat de Hagarenen nooit worden gestraft, gekastijd noch geslagen, zoals de kinderen van het paleis; zij wisten niet wat het was te worden bedroefd of gekweld, gerost of gezweept, of hun gehele leven door een striem over hunnen rug te hebben.

Herder. Ik ben verwonderd over de vermetelheid van Klein Geloof. Welk antwoord kon gij hem geven? Het is gewis een juiste opmerking van de Wijsheid, dat "de dwaasheid in het hart der jongen wordt gevonden, en dat de roede der tucht ze verre weg zal doen" (Spr. 22: 15)., "Gij zult hem met de roede slaan", zegt de Wijsheid, "en zijne ziel van de hel redden" (Spr. 23: 14).

Rentmeester. Naar de macht die mij tot stichting gegeven is, "heb ik hem met de roede bezocht (1 Cor. 4: 21), en hem verteld, dat de dingen die hij vreesde, hem waarschijnlijk zouden overkomen". Hij was bevreesd een bastaard te zullen worden genoemd; maar "als hij zonder kastijding was, van welke alle kinderen des Konings deelgenoten waren, hij dan een bastaard en geen, zoon was," (Hebr. 12: 8). En dat hetgeen hij gezegd had, bewees, dat al de Hagarenen bastaarden waren; zij hadden geen veranderingen, en vreesden daarom de Koning niet. Ik heb hem bedreigd, bestraft en geslagen tot dat hij weder schreeuwde; en hij achter de kolommen der zaal, onder de trap, achter de deur, onder de zitplaatsen of ergens anders kroop, om slechts uit mijn gezicht te komen. Maar ik wist, dat hij er geen klacht aan de Koning over durfde brengen, noch ooit weg lopen; ook kon hij nooit buiten het bereik van mijne tong komen, noch uit het gezicht van mijn oog, noch van de slagen die ik hem gegeven had, noch van de beschuldigingen, die ik tegen hem had ingebracht.

Herder. Ik durf zeggen dat hij u in zijn hart gehaat heeft, En ongetwijfeld hebben anderen in het huishouden zijne wond geheeld, en hem vrede toegeroepen, eer de Koning van vrede had gesproken (Jer. 6:14), en u voorgesteld als (gelijk Mozes) te veel op u nemende en te grote gestrengheid gebruikende. Maar dit herstelt nooit de buikpijn

Rentmeester. Ik kende het welbehagen des Konings aangaande hem; bezigde zijne inzettingen met betrekking tot mijne handelingen met hem; zond in het geheim mijne verzoekschriften ten zijnen behoeve op, en verwachtte de vervulling van de belofte des Konings, namelijk, "dat die hem bestraft, daarna gunste zal vinden, meer dan die met de tong vleit (Spr. 28: 23); en zo heb ik het altijd bevonden. En voorts zei ik hem, dat de Hagarenen roemden op hun gave ruggen; maar dat zij hem nooit verteld hadden met hoeveel slagen de bastaarden geslagen worden in het zwarte hol, als zij in de buitenste duisternis waren geworpen.

Herder. Dit is de muren van Sion met ene getuigenis afbreken, de kinderen door de breuken leiden, en de vorstelijke familie ontsieren, tot dat zij nauwelijks van de inwoners van Mesech te onderscheiden zijn, die rond de tenten van Kedar vertoeven. Een van de vorstelijke familie, kermde in de ouden tijd in de geest, alleen bij het gezicht van deze woeste jongens: "0 wee mij! dat ik vreemdeling ben in Mesech, dat ik in de tenten Kedars wone" (Ps. 120: 5). Ja, hij verklaarde zelfs dat hij "liever een dorpelwachter in des Konings huis wilde zijn, dan te wonen in de tenten der goddelozen". Hoe vreselijk moeten dus de zeden van Klein Geloof verdorven zijn, als hij de omgang en het gewaad der Hagarenen goedkeurde, en zelfs bewonderde!

Rentmeester. Hij was werkelijk vreselijk bedorven, en dat is wat zij bedoelen. Wanneer iemand der jonge prinsen of prinsessen een der meer beschaafden of meer verfijnden uit Hagar's familie heeft uitgenodigd, om op een der feesten van de Koning tegenwoordig te zijn; dan spreken wij met eerbied van des rentmeesters getrouwheid, zeggende dat hij verzekerd is, dat hij de tafel zal voorzien van alles wat de Koning vergunt, dat hij niets achter houdt, noch iets voor zich zelve op zijde zet.

Herder. Verschoon mijn plotseling storen maar wat ik wilde zeggen is, dat dezelfde zaken welke zij opnoemen als beweegredenen om hem in te leiden, dezelfde zaken zijn welke hun ziel haat; zij kunnen nooit feest houden op zulke dingen als die zijn, noch hun gestolen brok genieten, terwijl zulke gerechten voor hun staan. "Zotten kunnen slechts op dwaasheid leven" (Spr. 15: 4). Vaste spijzen bekomt nooit goed bij hen, die hunnen "buik voeden met de oostenwind" (Job 15. 2).

Rentmeester. Neen, inderdaad niet. Want ik heb opgemerkt, wanneer ik de jonge prinsen en prinsessen 'hen heb zien geleiden door de kleerzalen naar de eetzaal, dat zodra zij hunnen blik gevestigd hadden op de vorstelijke klederen, zij zulke verborgene, sluwe, verachtelijke, ingekankerde blikken wierpen, dat ik hun gezichten bij niets anders kon vergelijken dan bij het beeld van de duivel dat ik eens zag, die voorgesteld wordt als loerende van onder de tinne der hoofdkerk. En, zelfs aan de tafel konden zij niets van des Konings spijzen nuttigen. Zij handelden gelijk hun Gibionitische betrekkingen zulks deden toen zij tot Josua kwamen. Zij kwamen niet om het verbond des Konings, dat bereids opgericht was, te omhelzen, maar om "een verbond met hem te sluiten" (Jos. 9: 5). En daarom brachten zij hun oude schoenen, oude klederen en hun beschimmeld brood mede (Jos. 9: 5). Om hun voeten geschoeid, hun zielen gevoed, en zichzelf bekleed te hebben, ten koste van de Koning, daarmede konden zij het niet eens worden. Evenzo handelen deze Hagareense dames; zij dragen hare eigene korst in hare reiszakken, en zitten die gelijk een eekhoorn af te knabbelen, terwijl hare harten, gelijk ene pruilende duif, van, verontwaardiging opzwellen over elk gerecht dat voor haar staat, zelfs tegen de armen dienaar, die de tafel bedient. In het kort, zij willen niets van de Koning behalve Zijn naam, noch enige gunst van Hem, dan om haren hoogmoed te voeden en geëerd te worden door de oudsten des volks. De algemene taal van elke Hagareen staat dus in de oorkonden beschreven: Je dien dagen zullen zeven vrouwen enen man aangrijpen, zeggende: "Ons brood zullen wij eten, en met onze klederen zullen wij bekleed zijn laat ons alleenlijk naar Uwen naam genoemd worden, neemt onze smaadheid weg" (Jez. 4: l).

Herder. Het is mij een wonder dat de jonge prinsen en prinsessen zulke lieden niet doorzien, want enige van de kinderen des Konings zijn zeer scherpziende, en ik ben verzekerd dat zij dit affen eten zijn, als zij kort bij hunnen vader of bij, hun moeder blijven.

Rentmeester. Als iemand der Hagarenen in het paleis komt, verschijnen zij nooit zonder een masker of ene sluier. De boetvaardige Jodin aan de voeten van de Messias verscheen nooit in meer eenvoudigheid, oprechtheid, berouw en toewijding, dan zij doen. Zij zijn snel om te horen, traag om te spreken. Over getrouwheid en liefde tot de Koning spreken zij, over hun onwaardigheid klagen zij, op overvloedige gehoorzaamheid maken zij aanspraak en op al wat men zegt geven zij ene betrekkelijke toestemming, als zij iemand aan de tafel ontdekken die gave bezit om de geesten te onderscheiden (1 Cor. 12: 10). Met dit masker, dezen sluier, dit kleed, deze voorgewende bekering en met deze betrekkelijke erkenning en toestemming misleiden zij er legioenen, door zich in te dringen in hun genegenheden, en een goeden dunk van hen te verkrijgen, in zoverre dat de oproerkreten en waarschuwingen der wachters, de aankondigingen en verklaringen des Konings, tezamen met de raad en het onderricht van des Konings bedienden, nauwelijks vertrouwen zal verwerven, als zij alarm slaan en getuigen zouden tegen die aartsbedriegers.

Herder. Dat is waarlijk de enige manier om het zaad des Konings op ene lijn met het bastaardgeslacht te stellen, want als zij de kinderen des Konings van hun versierselen hebben beroofd, hen in een oproerige geest geleid en zich zelve in hun maskeradekleed opgetooid, dan moeten de laatsten, in uitwendige schijn, de beste vertoning maken. Men zou het onmogelijk achten, om onder het doordringend oog des Konings, het gewaad, de taal, het gelaat en de versierselen van het Vorstelijk zaad tot op zulk ene mate als die na te bootsen.

Rentmeester. Het wordt gedaan tot op de hoogsten trap des bedrogs, en dient om ons aan te tonen, da~ er in de ware godsdienst ene ongewone schoonheid bestaat, waarvan onze vijanden zelf de beoordelaars zijn, of anders zouden de slechtste mensen zich zoveel moeite niet berokkenen, en zulke gevaarlijke waagstukken ondernemen, alleen om in een nagebootst kleed te verschijnen. Herjers zijn in het landelijk leven vreemdelingen van de kunsten en wetenschappen, die in de hoofdsteden gekend worden. Het is niet onmogelijk in de openbare straten, ene bedrijvige gedaante ener vrouw te ontmoeten, die schijnbaar de veertigjarige ouderdom niet overtreft, waarmede gij zo in liefde brandende waart, en het voorwerp huwde, in de morgen even zo bedrogen zoudt kunnen zijn als Jacob, die Rachel huwde, en met Lea bedrogen werd. Hare tanden zouden door de tandmeester gemaakt; haar versierd haar, van een vreemde genomen, door de kapper opgemaakt en gekleurd, haar blank, of blozend gelaat de kunst van de parfum, hare heupen bij de modemaakster gekocht, en hare voeten aangevuld door het vernuft van Sint Crispijn, op zulk ene wijze, dat gij alles wat aan haar was, en de helft van hetgeen gij huwde, in de lorrenzak zoudt kunnen werpen; en het weinige dat er overbleef kon op de proef, oud genoeg bevonden worden, om uwe moeder te zijn. Ogen, wenkbrauwen, tanden, haar, armen en handen, benen en voeten, werden in de fabriek zowel als in het Paradijs vervaardigd.

Herder. Zo dit het geval is, ziet het er uit alsof de meeste mensen hun eigen makers, of ten minste her~ scheppers wilden zijn. En zo al hetgene gij zegt waarheid is, dan zou ik zo ik ooit in ene dier grote steden moest zijn, elk bedrijvig persoon als een werktuigelijk beeld beschouwen, in plaats van als het maaksel van Jehovah's, handen.

Rentmeester. Wijzere lieden dan gij en ik zijn misleid; en gij zijt een bijzonder gelukkig herder als gij nooit een wolf in schaapskleding onder uwe kudde gehad hebt. Al hetgene ik gezegd heb over het uitwendige bedrog, wordt niet kunstmatiger voortgezet, dan het uitwendig vermommen der Hagareense juffrouwen. Ik heb dikwijls opgemerkt, wanneer iemand der jeugdige prinsessen een der meer beschaafde onder hen op de vorstelijke feestmalen hadden genodigd, als een der leermeesters iets vermeldden aangaande Zijner Majesteits vrijmacht, Zijne eeuwige en onveranderlijke liefde, de Vorstelijke wet der vrijheid, dat de wil van Zijne Majesteit de regel der kinderen is, de onveranderlijkheid van de raad en de eisen des Konings, der Vorstelijke klederen der familie, de zekerheid, dat allen, die uit vorstelijk bloed zijn, zullen komen om het koninkrijk en de troon der heerlijkheid te beërven, dat het genoeg was; af viel het masker, het geblankette gelaat verbleekte zichtbaar, de klopping des harten werd hoorbaar, het schaapskleed week, de versierselen, de spelden, armbanden en sluiers vielen geheel en al af; en in plaats van, opgetooid haar was er kaalheid; in plaats van enen gordel was er ene scheur, in plaats van strikken enen gordel des zaks en brandende toorn, in plaats van Sions schoonheid" (Jez. 3).

Herder. Dan is zulk spreken het beste dat te voorschijn gebracht kan worden, ten einde hen te ontdekken en te weren.

Rentmeester. Dat is het, want het geneest hen, of maakt hen slechter. De Koning haat een gehuichelde getrouwe, of ene lauwe belijdenis van Zijnen naam en Zijne zaak en zegt dat Hij wilde, dat zij koud of heet zijn.

Herder. Ik weet dat zij getrouw aan Hem of aan de Mammon moeten zijn. Zij moeten een van beiden haten, en de andere aankleven. Eilieve, zaagt gij ooit iemand van hen daar, als de dienstknechten het beste kleed van de kinderen brachten?

Rentmeester. Ja; en ik heb hun gelaat nauwkeurig gadegeslagen, en de verachtelijke blikken opgemerkt, die zij er op vestigden, terwijl hun harten van verontwaardiging zwelden, evenals het hart van Haman, de vijand der Joden, die, niettegenstaande al zijnen voorspoed, zijn toenemen in rijkdommen, in kinderen en gunst bij de Koning, niet tevreden was, zolang Mordechai de Jood aan de poort zat. Het is de hamer der waarheid, die het ei verbreekt, de slang te voorschijn brengt, en hun heenzendt gelijk Haman, treurende en met het hoofd bedekt (Esth. 6: 12).

Herder. Dat moet het, vooral als zij het gebod des Konings horen, en dat door de Koning kwaad over hen besloten is (Esth. 7: 7).

Rentmeester. Zij zullen handelen gelijk Haman op het laatst deed: opstaan om aan de Koningin te vragen o

levensbehoud; en ook olie van het vorstelijk zaad vragen als de Koning in persoon verschijnt; want hun lampen zullen uitgaan, zodra de bazuin des Archangels hun gewetens verontrust, en de naderende komst des konings verkondigt.

Herder. "Zo de rechtvaardigheid des Konings de enigen glans der kinderen is, en Zijne verlossing hun enige lamp die brand (Jes. 62: l), dan kunnen geen vonken van menselijke verlichting voor de heiligen glans branden, of hun vlam voor goddelijke zaligheid onderhouden, welk ene eeuwige lamp is. Zon, maan en sterren, zullen alle verduisteren wanneer de Zon der Gerechtigheid verschijnt. En kunnen wij verwachten, dat vreemde vuur zal bestaan voor de flikkering der goddelijke wrake, als het werk van Jehova's handen, de lichten des hemels, bezwijken? Neen. Zie (zegt de Koning), gij allen, die een vuur aansteekt, die u met spranken omgordt, wandelt in de vlam van uw vuur, en in de spranken, die gij ontstoken hebt. Dat geschiedt u van Mijne hand, in smart zult gijlieden liggen (Jes. 50: 11).

Rentmeester. Dat is het voorspelde vreselijke einde, en het bepaalde ontzettende vonnis, waarin zij zelfs de erfgenamen der belofte willen storten, door opstand in hun gemoed te verwekken, die zij nooit bedwingen kunnen en welke zij in zoverre slaagden, dat zij hen voor enen tijd ontevreden maakten, hetwelk hen aan onderscheidene straffen blootgesteld heeft, maar nooit aan verbanning of onterving. Verbeuring van de dagelijkse benodigdheden, en verboden te worden het Hof te genaken, zijn de zwaarste straffen, die ooit op het Vorstelijk zaad zijn toegepast. Israël is nooit van zijnen Vorst verlaten, evenmin hebben de erfgenamen der belofte ooit hun recht verloren.

Herder. Het is goed voor dezulken als de arme Klein Geloof, dat de Koning oneindig wijs is, en dus Zijne eigene kinderen kent, en dat Hij de Getrouwe is, daarom kan niemand Hem doen veranderen.

Rentmeester. Klein Geloof woont in de schoot der Eeuwige Liefde. Zij mogen hem beroven van zijne versierselen, vrede en gelukzaligheid, en hem van de aangezichtszaal aftrekken en van de poorten van het paleis wegvoeren, maar nooit van des Konings gunst, want die is eeuwig; noch van de beloofde erfenis, want die is zeker voor al het zaad.

Herder. En zij moeten dit, zowel als gij, gewaar zijn geworden, want hun vruchteloze arbeid moet hen dit bericht hebben; bovendien, als zij zichzelf voor enen tijd in het hart en in de genegenheden van zijne vijanden kunnen verbergen, dan is het slechts gelijk aan de onbestendige genegenheden van een bakerkind, dat iedereen "pa" en "ma" noemt die het voeden; maar als het bij de ouders te huis gebracht wordt, is alles vergeten.

Rentmeester. Zo is het met het zaad des Konings; allen die hen liefde toedragen, worden door hen bewonderd; en die om hun hart en hun genegenheden streeft, is verzekerd die te verkrijgen; maar zodra de Koning hen toeknikt, keren hart, ziel en alles wenend weder tot de Koning terug, zeggende: "Heere onze God! andere heren, behalve Gij, hebben over ons geheerst, doch door U alleen gedenken wij uwen naam." (Jez. 26. 13).

Herder. En het is, ten beste genomen, de Koning zelve van hun liefde beroven; want dezelfde wet, waarvoor deze Hagarenen strijden, gebiedt hen, dat zij hunnen Koning en Schepper zullen liefhebben met hun gehele hart, en ziel, en gemoed, en kracht; zodat zij verbrekers zijn der wettische regels, en de ganse tijd dat zij er voor strijden, dieven van de Koning zelf.

Rentmeester. Zij zijn dieven en moordenaars, en de Koning geeft hen geen betere namen.

Herder. Ook verdienen zij geen betere, want ik zie duidelijk, dat het gehele doel van die Hagarenen in al hun bewegingen, is om te bedriegen; en zij schijnen daarin zo wanhopig en onvermoeid te zijn, als hij die ze uitgezonden heeft en hun aan het werk houdt.

Rentmeester. Het is zo. En de grenzen te bewegen die de vrijmachtige Majesteit gesteld heeft, ten einde alles te ontbloten, en de geslachten des hemels en der hel op één lijn te plaatsen, is het beoogde doel; waarom worden er anders zovele bastaards vermomd in de familie ingedrongen? En waarom worden er anders zovele strikken uitgezet, om het Vorstelijk zaad te verstikken, en hen naar het kasteel weg te voeren?

Herder. En als zij een dier zwakke kleinen van 's Konings zaad wegvoeren, wat voeren zij daar dan mee uit?

Rentmeester. Het eerste wat zij beproeven is, hun de ogen te verblinden. De Hagarenen kunnen niets met hen uitvoeren, tenzij zij hen kunnen verblinden. Hij, die het gezicht zijner ogen bezit, zal goed merken op zijn eigen weg. De blinden worden niet toegelaten anderen dan blinden te leiden. Zij gebruiken dikwijls sterrenkundige lezingen, die hun opleiden tot het bewonderen der dwaalsterren. En dit duidt aan, wie de redenaars zendt, want "het is de God dezer eeuw die de zinnen verblindt, van degenen die niet geloven", wie ook de eer mag hebben van zulke werktuigen te zijn.

Herder. En dan dienen zij hen, geloof ik, gelijk sommige Herders een omzwervend schaap gediend hebben, dat van mijne kooi afgedwaald was. Zij misvormde het gewis; zij hebben het geschoren, en zichzelf met de wol bekleed; maar zij hebben het nooit gespijzigd, ook konden zij dat niet, want zij leden zelf honger.

Rentmeester. Ik heb Klein Geloof in dezelfde gehavende toestand tehuis zien komen; bleek en mager, met een ingevallen gelaat en een hongerigen buik; zijn kleed van ootmoed half aan en half uit; zijne schoenen uitgegleden, en met zeer hielen, gelijk een jongen die vogelnestjes gestoord had, met grote gaten in zijne kousen; ja, zij hebben "de enkelen ontbloot, en de schenkelen ontdekt" (Jez. 47: 2); en dat zodanig dat hij "naakt wandelde, en men zijne schaamte zag". (Openb. 16: 15).

Herder. En wat deed gij met hem? Liet gij hem in het paleis komen in zulk ene kleding als die, met al zijne "onreinheid in hare zomen?" (Klaagl. 1:9). Welk ene vertroosting moet hij maken onder de andere kinderen Zij moeten rondom hem geschaard zijn als "een zwerm. vogels"; hij moet geleken hebben op enen gesprenkelde vogel in hun midden". (Jer. 12: 9). Vandaar de klacht des Konings, in het volgende vers: "Vele herders hebben Mijnen wijngaard verdorven, ze hebben Mijnen akker vertreden". (Jer. 12: 10).

Rentmeester. Hij zou inderdaad niet openlijk in het gezelschap der Koningskinderen komen; want hij zou de trappen opklauteren of rondslenteren over de gangen of ergens anders, om uit het gezicht te komen; en als bij slechts ene naald kon lenen of stelen, trachtte hij de gaten dicht te halen of te stoppen, door ene nieuwe lap op een oud kleed te zetten, hetwelk het gat slechts groter maakte". (Matth. 9, 16). Ik heb hem wel eens met zijne benen kruiselings betrapt. "Wat", zei ik, zijt gij kleermaker geworden? Zijt gij aan het werk van uw grootvader en grootmoeder? Gij naait uwe vijgenbladen aan elkander". (Gen. 3:7). "Wee over hem die zich met zulk ene bedekking bedekt". (Jez. 30: l). De Koning zal u ontbloten, dat zal Hij. Denkt gij in de tegenwoordigheid des Konings te kunnen staan, gelijk een meisje in een voorschoot (Gen. 3:7). "Klederen, klederen (Jez. 61: 10). "Gij zult het aangezicht des Konings nooit met vreugde aanschouwen zonder het beste kleed". (Luk. 15:22).

Herder. Wel, gij schijnt op de hoogte van al zijne streken te zijn,. In zijn geweten moet hij u rechtvaardigen, maar in zijnen hoogmoed moet hij u haten: en echter moet hij u als een' getrouwen dienstknecht vrezen en voor u beven, want er is majesteit en kracht in trouw en eerlijkheid; daarom verklaart de vrijheid dat "een getrouwe gezant medicijn is" (Spr. 13: 17) en waar gezondheid bestaat, moet ook kracht en uitwerking bestaan.

Rentmeester. Ik wist waar hij geweest was, en wat hij dan voornemens was, zo goed als hij zelf, want ik was vroeger aan hetzelfde vruchteloze zwoegen en onnutte arbeiden geweest. En als ik hem ontdekte, dan kleurde hij voor mij, en keek als diegenen, die de overspelige vrouw voor de Koning beschuldigden "toen Hij hen, die zonder zonden waren, gelastte de eersten steen te werpen"; ja zelfs, als hij bij de overige kinderen kwam, hield hij vol dat som ige van hen vertellingen uit de school hadden verhaald, en dat de rentmeester het niet kon geweten hebben, zonder dat het hem gezegd was,

Herder. Arme Klein Geloof! Hij neemt niet in aanmerking dat, als "de wachter hem niet vindt" (Hoogl. 3:3), noch de rentmeester hem ontdekt, "de zonde hem zeker vinden zal" (Num. 32: 23). En als de buikpijn hem eens aantast, zal "het gelaat zijns aangezichts tegen hem getuigen" (Jes. 3: 9).

Rentmeester. Gewis; en het aangezicht van Klein Geloof is even zeker bode als Noachs duif zulks was, hetzij de boodschappen vrede of oorlog, krankheid of gezondheid, hope of vertwijfeling zijn, want wij weten dat hij nooit zulk een aangezicht krijgt, of naakt verschijnt, terwijl hij op de Koning ziet, of Hem verwacht om "goud, beproefd, komende uit het vuur, opdat hij rijk worde en om witte klederen, opdat hij worde bekleed, opdat de schande zijner naaktheid niet openbaar worde" (Openb. 3: 18).

Herder. Mijn tijd is verstreken; de schapen zullen wel rondzien, want zij zijn vandaag allen in de woeste heide.

Rentmeester. Wat laat gij de schapen ooit over de heide lopen?

Herder. 0 ja, twee of drie dagen in de week, waar zij weinig of niets krijgen, tenzij ze in het een of ander besloten veld kruipen waarvan het hek open gebleven is, en zo een enkele bete onder enige anderen van des Konings kudde bekomen. Dit doet hen goed, het geeft eetlust, en doet hen scherp bijten, en hoe korter zij het afbijten, hoe zoeter het gras is, en hoe vetter zij worden.

Rentmeester. Wel, ik dacht dat zij nooit uit de weide waren, behalve op des Konings maaltijd (Amos 7: l), ofschoon zij dikwijls buiten de kooi zijn. Bovendien, wat zegt de landeigenaar wel, als hij hen daar ziet? want gij weet dat hij de god dezer wereld is.

Herder. De schapen des Konings gaan in en uit en vinden weide. Uit zowel als in. En zij worden niet alleen over de heide gevoerd, maar zij lopen somwijlen ook onder het kaf en Zullen dat doen, totdat het geheel afgebrand is (Mal. 4: l). Als de schapen altijd in grazige weiden moesten legeren, zouden zij geneigd zijn, om te handelen zoals slechte herders doen, namelijk het met hun voeten vertreden (Ezech. 34:'19). Om zulks te beletten, worden zij in de heide geleid onder het onkruid en de doornen (Hebr. 6: 8) en in de korenstoppelen, onder de distelen (Hoz. 10: 8). Dit verwekt zulk enen honger bij hen, dat zij gretig zijn, om de bast der vijgenboom af te kauwen (Joël 1: 7). Als hun eetlust dus opgewekt is, kunt gij ze, in de tijd van het opsluiten in de kooi, tezamen zien legeren, gelijk duiven aan hare vensteren. Als zij in de grazige weiden ongeveer twee uren uitgeleid zijn', voeden zij zich, en leggen zich neder om stil te rusten; en als zij zo op ene goede weide geweid zijn, maken zij altijd ene goede kooi (Ezech, 34: 14), hetwelk hun in staat stelt des Konings akkerwerk te arbeiden (1 Cor. 3: 9), en het braakland te mesten (Jer. 4: 3).

Rentmeester. Ik zou denken dat gij ze nauwelijks meer zoudt kennen.

Herder. Als ik ze niet ken, dan toch de Koning wel; evenzeer de hond Smut; en als zij niet dood tut de kooi terugkeren, haalt de Koning hen gewoonlijk, of jaagt hen de hond Smut achterna. en als deze hen beet krijgt, komen zij zeker terug, ofschoon de hond nooit voornemens is ze daar te brengen.

Zijn vreselijk blaffen in hun oren verontrust hen, ene bewustheid van hun gevaar doet hen naar de kooi uitzien, de Koning richt hun pad, en Smut doet hen hare schreden verhaasten.

Rentmeester. Maar, ik zeg, wat zegt de opperste heer, de heer van de lage heerlijkheid, over het lopen der schapen op de heide? Ik veronderstel dat hij zou wensen, dat al de bokken zouden komen om de heide af te weiden, tot het laatste uit zichzelf opgegroeide plantje.

Herder. Dat zou hij zeker, maar het moet zo niet zijn. De meeste vetweiders erkennen, dat het voor ander vee gezond is, er enige bokken bij te hebben en de Koning houdt het er ook voor, of anders zou Hij het niet toelaten. En het is zeker, dat de schapen bij elkander blijven, schoon zij op een en hetzelfde veld zijn, en dikwijls eten wat de bokken laten staan; en de reuk der kudde de ganse dag in. hare neusgaten hebbende, doet' het hen een afkeer hebben van tezamen te weiden; want niets stinkt meer in de neusgaten van het schaap dan enen, ouden harigen bok. (Dan. 8: 21).

Rentmeester. Niettegenstaande de reuk der bokken, erkent gij dat sommigen van de schaapskooi afdwalen en bijgevolg van de goeden Herder en Eigenaar der schapen. En waar kunnen zij anders henen gaan dan onder de bokken? Zulks vertoornt de Eigenaar, waarom Hij zich van hen moet onttrekken; en ik geloof dat dit bewezen wordt, door dat de hond onder hen gezonden wordt.

Herder. Dat is waar. En het spreekwoord wordt bevestigd: "Als zij de goeden Meester verlaten, vinden zij zelden een betere". Maar de schapen komen gewoonlijk schielijker naar de kooi terug, dan zij doen als zij er van afdwalen. Smut is er zeker van, dat hij ze zal doen lopen.

Rentmeester. Toen hij "de arme Gadarener onder de graven bezat, die met ketenen en boeien gekluisterd was, brak de Heere ze, en werd de satan door de duivel in de woestijn gedreven" (Luk. 8: 29). En toen hij in de zwijnen voer, liep de gehele kudde geweldig van ene steilte in het meer". (Luk. 8: 33). Of het een mens, een schaap, of een zwijn is, hij moet noodwendig gaan waar de duivel henen drijft.

Herder. Steeds voorwaarts; en op zekeren dag zal hij de bokken met evenveel geweld doen lopen in het tegenbeeldige der Alphalitus (Openb. 19: 20); evenzo als hij de zwijnen in het meer Gennezareth deed storten.

Rentmeester. Het wordt gezegd, dat de zwijnen die de duivel dreef, allen in de wateren omkwamen. (Matth. 8: 32). En als de bokken en de zwijnen, die de satan drijft, in de poel des vuurs omkomen, en in verwoesting en verderf verdronken zullen worden, dan zal het oude spreekwoord ene vreselijke vervulling hebben, en zonder scherts herinnerd worden, namelijk, dat "de duivel zijne zwijnen naar ene schone markt gebracht heeft!"

Herder. Ik moet gaan.

Rentmeester. Hoe dikwijls kooit gij in de week?

Herder. Vijf en dikwijls zes malen per week.

Rentmeester. Zal Vrijdag een Vrijdag zijn?

Herder. Even zoveel als elke anderen dag der week, want de schapen zullen gewis zowel Vrijdag als Zaterdag in de heide zijn; maar de laatste is voor mij enen drukken dag, door het water halen om de troggen te vullen en de weiden te overzien.

Rentmeester. Wilt gij Vrijdagnamiddag als niets onvoorziens het belet, aan het paleis komen? Vraag aan iedereen naar de klerk der keuken, en hetzij vriend of vijand, zij zullen u naar des Rentmeesters zaal wijzen hetzij met enen verachtelijke glimlach, of met enen blik van goedkeuring.

Herder. Ik zal zorgen daar te zijn, als de goede Voorzienigheid mijnen weg richt. Tot dan. Mag de Heere Zijnen Engel voor de Rentmeester henen zenden, en hem voorspoedig maken in het werk van zijn meester Abraham

Rentmeester. En mag de Fontein van alle vrede die de groten Herder der schapen wederbracht uit de doden, door het bloed des eeuwigen Verbonds, met u zijn en u volmake in elke afdeling van uw herderlijk werk, om Zijnen wil te doen, in u datgene werkende, wat welbehaaglijk is in Zijn oog!