Theodorus van der Groe

Tweede leerrede over de bekering

Uit Matth IV: 17

Van toen aan heeft Jezus begonnen te prediken en te zeggen bekeert u, want het koninkrijk der hemelen is nabij gekomen.

Het allergrootste wonder van Gods oneindige wijsheid en ondoorgrondelijke goedertierenheid en genade, dat van ons allen eeuwig moet aangebeden worden, is hierin gelegen, dat God de Heer zijnen eigen Zoon niet gespaard heeft, maar hem in de wereld heeft gezonden om de allernietigste en verdoemelijkste zondaren de allergrootste zaligheid te prediken en te verkondigen: de aanbiddelijke Zoon Gods, ja de oneindige en heerlijke God zelve heeft zich, o! onbegrijpelijk en aanbiddelijk wonder aller wonderen! zo laag en diep vernederd, dat hij het ambt van een predikant of leraar, hier op de wereld, onder de zondige mensenkinderen heeft aangenomen en bediend. Want, zo verhaalt de Evangelist Matth. in de woorden van onzen tekst: van toen aan heeft Jezus begonnen te prediken en te zeggen, bekeert u, want het koninkrijk der hemelen is nabij gekomen. Matth. gewaagt hier van het begin van des Heilands leraarsambt en predikdienst hier op aarde, hoe hij gedoopt zijnde van Johannes in de Jordaan, en na ene zware aanvechting en verzoeking van de Satan te hebben uitgestaan, het allereerst in Galilea heeft aangevangen voor de Joden te prediken. En wat waren het toch voor zaken, geliefden! die de grote Heiland en Zaligmaker der wereld het eerst aanving zijnen toehoorders voor te houden en te prediken? Dit legt Matth. voor ons open, schrijvende dat hij allereerst begon aan de wereld te prediken de leer der bekering, roepend tot allen en een iegelijk van degenen die hem hoorden: Bekeert u, want het koninkrijk der hemelen is nabij gekomen.

De Zaligmaker wist hoe alle mensen van natuur zondaars waren, en van God door de zonde ganselijk waren vervreemd en af geweken! hoe er nu geen ander middel ter hunner zaligheid en behoudenis over was, als van stonden aan, door hem, als de weg tot God weder te keren en zich in zijne zalige gemeenschap te laten herstellen. Hiertoe begon hij zijne dienst en prediking onder de mensen nu, met hun deze grote en nodige waarheid op het allerernstigst voor te stellen, hun van alle kanten roepende tot bekering, als het enige middel om het eeuwige verderf te ontgaan en behouden te worden. Waartoe ons zelven hier breder uitgelaten, mijne toehoorders! Dit grote genadewerk van des zondaars bekering is het, dat wij onder des Heeren bijstand tot breedvoeriger opening en verklaring onder handen genomen hebben. Wij hebben er in het morgenuur reeds bij wijze van voorbereiding van beginnen te handelen, en zouden deze stoffe nu verder vervolgen, de Heere biddend om zijnen nodigen lichtenden Geest, zegen en genade. Amen!

Wij hebben de zaken alzo geschikt, dat wij voor het tegenwoordige maar alleen zullen handelen over een gedeelte van het voorstel of de vraag van onzen Onderwijzer, in hoe vele stukken bestaat de waarachtige bekering des mensen, en in ene volgende verhandeling over het andere gedeelte van deze vraag en des Onderwijzers antwoord op dezelve. De Onderwijzer spreekt dan:

1. Van ene bekering, en beschrijft

2. Die nader als ene waarachtige bekering en eigent die

3. Toe aan mensen, en onderzoekt

4. In hoe vele stukken of delen die bestaat.

1. Wat het eerste aanbelangt, het onderwerp, daar wij van handelen, is de Bekering. Wij hebben, zo van de zaak als van het woord, reeds in het morgenuur verscheidene dingen tot verklaring gezegd, nu willen wij daar verder mede voortgaan, en eerst voor uwe aandacht vertonen en open leggen, dat de bekering des zondaars tweezins moet aangemerkt worden, als: ene eerste en tweede bekering. a. De eerste of algemene bekering is die, waarin de mens lijdelijk vinden wij, dat de Schrift gemeenlijk Gods en zijnen H. voorkomt en niet werkelijk, want zo bekering des zondaars ons in de H. wordt voorgesteld als het genadewerk Geest, dat hij zelve in des mensen ziel werkt, zonder dat de mens daar zelve iets toe doet of doen kan, dewijl hij in het beginsel der bekering voorkomt als geheel dood in de zonde en volstrekt machteloos om iets uit zichzelf tot zijn eigen bekering te kunnen doen, hierom lezen wij dat de bekering als ene genadige werking Gods van hem wordt afgebeden, bij Jer. 31: 18, daar wij Efraïm, zijnde de Joodse kerk, aldus tot de Heere horen bidden, bekeer mij, zo zal ik bekeerd zijn; ziet ook Hand. 5: 31, dezen heeft God door zijne rechterhand verhoogd tot enen Vorst en Zaligmaker, om Israël te geven Bekering en vergeving der zonden, en Hand. 2: 18 lezen wij, dat God ook aan de Heidenen de Bekering gegeven had ten leven, en Paulus vermaant ons 2 Tim. 2:25, dat men degenen, die tegenstaan, met zachtmoedigheid zal onderwijzen, of God hen te eniger tijd Bekering gave tot erkentenis der waarheid: het is waar, de Remonstranten en andere Pelagianen, die zich met alle kracht op de verkleining van des mensen natuurlijke verdorvenheid door de zonde toeleggen, leren wel dat de mens in zichzelf enige inwendige dispositie, geschiktheid, kracht, of bekwaamheid heeft, om op de uitwendige voorstelling van het Evangelie in Christus te geloven, en zich waarlijk te bekeren, maar deze hun leer loopt ganselijk tegen het woord van God aan, in hetwelk wij klaarlijk onderwezen worden van aller mensen natuurlijke onbekwaamheid en volstrekte machteloosheid, om iets tot hun Bekering te kunnen toebrengen, of Gods Geest enigszins in de hand te werken; want

1. Komen ons alle mensen van natuur in Gods woord voor als volslagen blinden, die geheel verduisterd zijn in het verstand, Eph. 4: 18, als natuurlijke, die niet begrijpen de dingen die des geestes Gods zijn, want zij zijn hem dwaasheid en hij kan ze niet verstaan, omdat ze geestelijk onderscheiden worden, I Cor. 2: 14. Daar dan nu alle mensen van natuur door de zonde zo ganselijk blind en verduisterd in hun verstand zijn, zo dat zij de minste rechte bevatting, begrip of kennis niet hebben, noch kunnen hebben, van goddelijke en geestelijke dingen, daar spreekt het van zelve, dat een mens dan geen het minste verstand of kennis. heeft, hoe of op welke wijze hem zelve tot God te bekeren, maar dat hij hier een Goddelijk onderwijs vooraf nodig heeft, om zijn duister verstand te verlichten en zijne blinde ogen te openen. Het verstand van de verborgenheid der Bekering en het Koninkrijk Gods, moet de mens op ene bijzondere wijze van boven gegeven en meegedeeld worden. Volgens hetgeen de Zaligmaker tot zijne Discipelen zei Matth. 13: 11, om dat het u gegeven is, de verborgenheden des koninkrijks der hemelen te weten, maar dien en is het niet gegeven.

2. Komen ons de mensen van natuur in Gods woord ook voor, als zijnde in zodanig ene verkeerde en kwade gestalte door de zonde, dat zij zich niet willen bekeren, noch zulks kunnen willen, dewijl zij zodanig aan hun vleselijke en zondige natuur verslaafd zijn, dat zij met de minste dispositie, lust of genegenheid hebben, of kunnen hebben, om zich daarvan los te maken. Hierom klaagde de Heiland zo ernstig over de Joden, Joh. 5: 40, dat zij tot hem niet wilden komen, opdat zij het leven zouden hebben, en Matth. 23: 37, getuigt hij dat het aan hem geenszins had ontbroken, dat hij Jeruzalems kinderen wel menigmaal had willen vergaderen, gelijkerwijs ene hen hare kiekens bijeenvergadert onder de vleugelen, maar dat zìj niet gewild hadden. Ja hij moest van de mensen, voor welker oren en ogen hij zijn Evangelie zo lang gepredikt had, en zo vele krachten had verricht, nochtans dit getuigenis geven, dat zij de duisternis liever gehad hadden, dan het licht, Joh. 3: zo. En zo beschrijft ons de Bijbel. alle mensen van natuur als haters en vijanden van God, die zich geheellijk tegen God aankanten, en het afzwerven liefhebben. Hoe zouden deze zich toch kunnen willen bekeren tot God, want die men haat dien mijdt men, en daar zondert men zich van af zo veel men immers kan.

3. Ontmoeten ons alle mensen van natuur in Gods woord niet alleen als zo blind en onwillig maar als volstrekt machteloos en krachteloos om zich in het allerminste tot God te kunnen bekeren, Paulus getuigt van alle mensen in zichzelf 2 Cor. 3: 5, dat zij niet bekwaam zijn iets te denken als uit hun zelven, maar dat al hun bekwaamheid uit God is, en Jer. 13: 23, wordt van aller mensen natuurlijke onmacht tot Bekering aldus gesproken, zal ook een moorman zijne huid veranderen of een luipaard zijne vlekken, zo zult gijlieden ook kunnen goed doen, die geleerd zijt kwaad te doen. Daarom leert ons de Heere Jezus zo nadrukkelijk, Joh. 6: 44, dat niemand tot hem kan komen, hetgeen het eigenlijke werk des geloofs en der bekering is, tenzij' de vader hem trekke. Ja de mens komt ons van natuur in het woord als d o o d voor, door de zonde en de misdaden: zo weinig nu als een dode iets kan doen om zichzelf levendig te maken, even zo weinig kan een mens ook doen, tot zijne geestelijke levendmaking of bekering.

4, Van `s mensen gebondenheid, in de macht des Satans; het is waar, hier wordt wel tegen geworpen dat God de Heere overal in zijn woord de bekering van de mens zelve vordert, als iets dat de mens doen moet, dat het overal geboden wordt bekeert u, hetgeen dan ene ongerijmdheid in handeling van God de Heere zoude zijn, als de mens waarlijk geen de minste gesteldheid of bekwaamheid tot bekering in zich had. Dan hierop antwoorden wij, dat de allerhoogste God zijne wijze redenen heeft, waarom hij de Bekering als een noodzakelijke plicht van de mens zelve vordert.

1. Omdat het des Heeren soevereine macht en recht is zulks te mogen doen, want des mensen onmacht, blindheid en onwilligheid is zijne zonde, waardoor hij voor God verdoemelijk is.

2. Wil de Heere hierdoor de mensen hunnen schuldigen plicht onder het oog brengen, en hun doen zien hun diepe ellende en machteloosheid, ten einde zij zich voor God zouden verootmoedigen en aangezet worden, om vurig en aanhoudend te zijn in de gebeden, en de Heer om zijn licht, geest, kracht en sterkte aan te roepen, tot dat hij hen genadiglijk verhoort, biddende met Efraïm bekeer mij Heere, zo zal ik bekeerd zijn.

3. Eindelijk eist en vordert God in zijn woord de Bekering ook daarom van de mens zelve, ofschoon hij er ten enenmale machteloos toe is, om door en onder dit zijn gebod de zijnen te overtuigen en hen zelve door zijnen Geest tot bekering te bewerken, evenals hij in het natuurlijke handelde met Lazarus, die gestorven was. De Heiland riep hem toe: Lazarus, kom uit, namelijk uit het graf, Joh. 11: 13, niet opdat Lazarus uit zichzelf zou opstaan en uitkomen, want dar was geheel onmogelijk, dewijl hij dood was, maar de Heiland gebruikte onder dat roepen zijne goddelijke kracht aan Lazarus en maakte hem levendig, zonder dat Lazarus van zijne zijde daartoe iets deed of doen kon. Even zo handelt God de Heere hier met alle zijne uitverkorenen; ook hij roept hun in zijn ' Evangelie toe, Bekeert u; dit geroep brengt hij dan nu door zijnen Geest nader aan hun harten, verlicht hun verstand, maakt hen uit de dood der zonde levendig en werkt ' dus zelve de Bekering in hun zielen, waardoor zij zich dan tot God bekeren. Ziet geliefden! zo blijkt dan nu uit dit betoogde klaarlijk dat de Bekering des zondaars geheellijk het werk Gods is, en dat de zondaar hier niet zichzelf, maar dat God de zondaar bekeert. Ja de Bekering is een werk waartoe de gehele aanbiddelijke Drie-eenheid, Vader, Zoon en H. Geest, gelijkelijk vereist worden, aan welke dit werk ook daarom alzo in het woord wordt toegeschreven, gelijk wij gemakkelijk zouden kunnen aantonen. Doch bijzonder en voornamelijk is de Bekering het eigen werk des H. Geest, dewijl het behoort tot de bediening van de toepassing der zaligheid, die de H. Geest van eeuwigheid op zich genomen heeft, om ze in der tijd aan het ganse uitverkoren en gekochte zaad van Christus uit te voeren; de H. Geest komt de mens overtuigen eerst van zonden,, Joh. 16: 8, wederbaart de mens en stort hem een nieuw geestelijk leven in, Joh. 3: 5, en verwekt in hem enen haat en afkeer tegen de zonde, en een lust en bekwaamheid om de Heere te dienen, Ezech. 36: 27:en dus is de bekering dan eigenlijk een genadewerk des H. Geest, ene leer waardoor God verheerlijkt en de zondigen mens tot niet gebracht wordt. b. Tot nog toe hebben wij maar alleen gehandeld van de eerste bekering des zondaars, waardoor hij uit de dood der zonde levendig gemaakt, wedergeboren en tot God in Christus gebracht wordt, en waarin de uitverkoren zondaar aldus alleen lijdelijk voorkomt. Behalve deze, is er nu nog ene andere of tweede bekering, waarin de mens meer doende en werkende voorkomt, niet door enige kracht uit zichzelf, maar door hebbelijke genade des H. Geest, hem in zijne eerste bekering en wedergeboorte ingestort, volgens welke hij nu zijne zaligheid uitwerkt in vrees en beving, Phil. 2: 12, en deze is de bekering van enen bekeerden gelovige, die gedurig in het gemeen voor al Gods volk over blijft, waardoor zij zich nog dagelijks tot God in Christus moeten bekeren, met zichzelf, door het geloof en de hoop des eeuwigen levens, van de zonden gedurig te reinigen en af te keren, en zichzelf door genade ' toe te leggen en te benaarstigen, om in het goede steeds voort te gaan, en in de weg van Heiligmaking meer en meer te wandelen; van zodanig ene gemene en dagelijkse bekering der bekeerde gelovigen lezen wij zeer veel in het woord, bijzonder wordt er zo ene bekering van hen vereist, wanneer zij in zware zonde zijn afgevallen, om welke de Heere zijn aangezicht voor hen moet verbergen: dan is het bijzonder de plicht van Gods volk, zich opnieuw tot de Heere te bekeren en daartoe genade bij hem en zijnen Geest te zoeken, om hun bedrevene zonde te zien, zichzelf daarover diep voor de Heere te vernederen en te verootmoedigen, hun toevlucht tot Christus bloed te nemen, zich in die Fontein te laten neerzinken en schoon wassen en reinigen, en alzo kracht en sterkte van Heiligmaking te verkrijgen, gelijk het op die wijze ging met David, Petrus en andere gelovigen. Van zodanig ene bekering handelt Paulus 2 Cor. 7: 5-11. Op die wijze ziet uwe aandacht dan nu, dat er eigenlijk ene tweeërlei Bekering des mensen tweede Bekering, doch ofschoon ene eerste en ene zo is, zo handelt nochtans de Catech. hier ter plaatse maar voornamelijk alleen van de eerste Bekering des zondaars, waardoor hij uit de dood in het leven en de gemeenschap Gods overgaat, en van deze bekering handelen wij nu ook maar alleen en wensen die uwe aandacht verder open te leggen.

Gezien hebbende tot dus ver in het gemeen, wat er is van des mensen bekering, hoe het een genadewerk Gods is, en hoe er een tweeërlei Bekering is, moeten wij nu verder gaan openleggen van hoedanig ene bekering wij hier handelen.

1. De onderwijzer ondervraagt zijnen leerling na ene waarachtige bekering des mensen, daarmede vooronderstellende dat alle Bekering, die voorgewend wordt, geen ware noch rechte bekering is, maar dat er velerlei bedrieglijke en valse bekeringen in de wereld gevonden worden, waarop de Satan vele ellendige en dwaze zielen nederzet, en hun daarmede naar het eeuwige verderf sleept, hierom zullen wij de voornaamste soorten van valse en bedrieglijke nu eerst wat nader gaan beschouwen en ze uwe aandacht openleggen, tot voorkoming van het schadelijke zelfbedrog, dat tegenwoordig, helaas! zo ongemeen vruchtbaar is in de wereld, en er zo velen voor eeuwig ongelukkig en rampzalig maakt, och mijne toehoorders! mocht gij allen een hart hebben om acht te geven op de dingen, die wij nu zullen prediken.

Daar is, ten eerste, ene geveinsde bekering, als men om enige inzichten van vlees en bloed, om de wereld te bedriegen en bij dezelve achting, gunst of voordeel te behalen, de huik, als men zegt, naar de wind hangt, of om meer of min zijn levensgedrag verandert en het op verbetering toelegt, reinigende alzo het buitenste van de beker, en zichzelf gelijk makende, met de Farizeeën, aan de gepleisterde graven die van buiten wel helder en wit, maar van binnen vol stank en doodsbeenderen zijn, van zo ene geveinsde en valse bekering lezen wij Jer. 3: 10, daar de Heere zegt, en zelfs in allen dezen heeft hare trouweloze zuster Juda haar tot mij niet bekeerd, met haar ganse hart, maar valselijk, spreekt de Heere, zij komen uiterlijk in kleding, gelaat en woorden zeer zedig en ingetogen voor de dag, en maken veel vertoning van ijver, deugdzaamheid en nauwgezetheid, zij voegen zich gemeenlijk of bij de ware, of bij schijnvromen, en doen hun best, dat zij onder dezelve enen goeden naam en achting mogen verkrijgen en behouden; zij zijn zeer gezet en nauwkeurig in alle uiterlijke godsdienstplichten, en doen zeer veel om het buitenste van de kelk te reinigen, terwijl haar hart van binnen vol van onreinheid is, zodanige mensen zijn ten allerhoogste rampzalig en ongelukkig, want zij zijn daar geheel op uit, om God, mensen en zichzelf te bedriegen, en het gebeurt zelden dat zulke opzettelijk geveinsden ooit tot waarachtige bekering komen, want de Heere gaf ze al meest over aan zichzelf, en aan de blindheid en verstoktheid hunnes harten.

2. Daar zijn anderen, die zich bekeren valselijk tot de Heere, door ene gedwongen bekering, als men door schrik en vrees voor de hel, of van Gods oordelen afgezet en bewogen wordt, om vele van zijne zonde na te laten, en zijn gedrag en wandel merkelijk te veranderen, zich begevende tot vele uiterlijke plichten en godsdienstigheden. Het kan in dezen met een mens zeer ver komen, geliefden! Hij kan zeer vele zonden verbreken en veel verbeteren, en blijven nochtans geheel onbekeerd wandelen op de weg des verderfs, en alles maar doende uit dwang en vrees, zonder dat zijn hart waarlijk vernieuwd en veranderd wordt, wat kan een levendig en ontwaakt geweten hier in sommigen niet al verandering te weeg brengen, hetwelk nochtans geen waarachtige bekering is; hoe menigmaal gebeurt het niet, dat een mens langen tijd in de zonden zorgeloos en ongevoelig geleefd hebbende, God hem eindelijk komt arresteren in zijn geweten en hem met gemeen licht bij zijne zonden bepalen, hem het gevaar van zijnen weg, de hel en verdoemenis levendig voorhoudende; dan komt er grote schrik, ontsteltenis, angst en benauwdheid in zo eens harte en gemoed, en het gaat met hem als er staat Openb. 6: 3, en ik zag en ziet een vaal paard, en die daarop zat, zijn naam was de dood en het volgde hem na: aanstonds gaat zo ene zijn leven beteren, neemt sterke resolutie tegen de zonden (niet gewillig, maar de tegenwoordige nood, waarin hij is, dwingt er hem toe) huilen, wenen, zuchten, kermen, en beloften, zijn er geen gebrek, even als een dief, die het stelen haat, omdat hij daarom hangen moet: daarbij gebeurt het ook menigmaal, dat een mens onder zware oordelen en bezoekingen van God zijnde, om die af te wenden, om die pijnlijke roede van de rug af te krijgen, zichzelf met de Ninevieten wakker gaat zetten tot ene uiterlijke Bekering, doende menigvuldige beloften van beterschap, die zolang gehouden worden als de plaag duurt, maar daarna keert hij met de hond weder tot zijn uitbraaksel, en met de gewassene zeugen tot de wentelingen des slijks. Zodanig ene soort van bekering was er in Kaïn, Saul, Achab, en andere goddelozen, en zo ene bekering hebben sommigen onder ons nu nog, die wel met de Geest is begonnen, maar die nu wederom geheel met vlees eindigt, iemand kan door gemene, overtuiging somtijds al een goed begin tot bekering maken voor het oog van de gehele wereld, en geven vele schone verwachtingen van zich, doch zijne bekering vervalt wederom allengs en neemt af als een bloem des velds, hij krijgt met Demas de wereld weder lief, en keert er wederom geheel in terug. Deze zijn degenen die, de hand eens aan de ploeg geslagen hebbende begonnen een toren te bouwen, dat voortaan ten halve of in het begin laten steken, en niet zelden gebeurt het, dat het laatste van de zodanigen erger is dan al hun eerste, en dat zij naderhand wel de bitterste vijanden en lasteraars en vervolgers van de godzaligen en van de zaken des Heeren worden, ja wat gebeurt het ook niet menigmaal, dat men zich valselijk zoekt te bekeren op zijn ziek- of doodbed, de vrees van sterven en van voor Gods oordeel te komen, ontwaken dan veeltijds de slapende consciëntie, zelfs tot enen groten trap, dan is er bij velen geweldige benauwdheid, schrik en ontroering; welke belijdenissen van zonden, welke smekingen en gebeden, welke beloften van beterschap, hoort men dan sommigen niet doen, welke tranen ziet men dan niet storten, en nochtans is het gemeenlijk maar een gedwongen bekering, die uit nood en vrees voorkomt: laat de mens maar weder gezond worden, hij zal wel ras tonen wat er van zijne bekering is, en dat hij zich even eens bekeerd heeft als de slangen, die leggen hun oude huid wel af, maar zij krijgen terstond weder ene andere, het blijft het slangenvel, de slangen aard, de slangenhuid; ziet alle zodanige en dergelijke soorten van Bekeringen zijn geen waarachtige Bekeringen, waardoor `s mensen hart en des moormans huid veranderd wordt, de leeuw ligt wel voor enen tijd aan de ketting, zo dat hij niet kan roven of verslinden, maar hij behoudt zijnen leeuwenaard, zodanige Bekeringen rijzen op in enen storm, maar zij vergaan weder in ene stilte, en hoe meer er de mens dan door beroerd is geweest, hoe verstokter hij naderhand is, even als sterke purgeermiddelen, die, wanneer zij geen effect doen, het lichaam meer verstoppen.

3. Is hier ook ene ingebeelde Bekering, door ene burgerlijke en uitwendige Bekering, als de mens zich verbeeldt, dat hij bekeerd is, terwijl hij nochtans alle zijne dagen, tot heden toe, buiten God in de zonde geleefd heeft. Zouden wij hier alle de verscheidene bedriegerijen en inbeeldingen der mensen ophalen en openleggen, toehoorders, daar was geen einde aan, de wereld is toch tot berstens toe vervuld met mensen, die Salomon ons naar het leven beschrijft en afmaalt, Spreuk. 30: 12, als een geslachte dat rein is in zijne ogen en van zijnen drek niet gewassen is, ik zal dan maar enige voorname inbeeldingen en bedriegerijen voorstellen. Het meest algemeen bedrog en inbeelding is daarin gelegen, dat men de bekering stelt in enen burgerlijken wandel, en in het najagen en betrachten van allerhande uitwendige Godsdienstigheid, waarmede het bij sommigen wel tot enen zeer hogen trap komen kan, terwijl zij nochtans ganselijk onbekeerd zijn: men is in de Christenkerk geboren, gedoopt en opgevoed, men heeft zijne belijdenis gedaan en gaat nu gedurig ten avondmaal, leeft in alles eerlijk, zedig, onbesproken en somtijds zelfs zeer Godsdienstig, men is een vijand van alle uiterlijke zonden, en gaat die openlijk tegen, veel leest men in de Bijbel en in andere vrome boeken, men zoude niet gaarne enen kerkgang verzuimen, men is zeer gezet en naarstig in het bidden, men spreekt gaarne van goddelijke en geestelijke dingen tot anderen, men heeft zelfs ook ene vleselijke liefde en genegenheid voor enen onbekenden God en enen Heere Jezus, daar men zo vele goede dingen van leest en hoort, men belijdt voor hem zijne zonden, ook zelfs wel met tranen, men bidt Hem om vergeving, men neemt hem op zijne wijze aan voor zijnen Heere en Zaligmaker, men maakt een verbond met hem, men gelooft in hem, ja, laten wij er nog al maar meer bijvoegen, men vast met de Farizeeën tweemaal per week, men geeft tienden van alles, rijke aalmoezen, men vermaant, men bestraft anderen over hun zonden en goddeloosheid, en zoekt hun God te doen vreezen, men hoort gaarne ernstige leraars prediken, die de zonde zeer bestraffen, zij kunnen ons hier niet te nauw gaan, men is gaarne in het gezelschap van de vromen, als zij ons maar niet van al te nabij onderzoeken, en in dit alles handelt men zeer oprecht voor zichzelf, men kent zich vrij van alle geveinsdheid, men zou schrikken voor huichelarij, wat dunkt u, aandachtigen, zoude men niet zeggen van buiten dat zulk een mens waarlijk wedergeboren en bekeerd was? Nochtans kan het zo verre komen en de mens kan evenwel nog geen droppel van de ware bekering hebben in zijn hart, men kan met de jongeling alle de geboden van de wet uiterlijk zeer nauwkeurig onderhouden van zijne jeugd af aan, en missen nog de gehelen Jezus, men kan God de Heere dagelijks zoeken en een lust hebben aan de kennis zijner wegen, men kan als een volk, dat gerechtigheid doet en het recht van zijn Gods niet verlaat, de Heere vragen na de rechten zijner gerechtigheid, en enen lust hebben om tot hem te naderen, Jes. 58: 2, en nochtans kan men in de zonden leven en ten enenmale onbekeerd zijn: hieruit kunnen wij afnemen, kan men zo hoog burgerlijk en godsdienstig zijn en tevens geheel onbekeerd, wat er dan van dien algemene burgerlijken sleurwandel is, die men overal onder de mensen vindt, die nog op verre na immers niet lijkt naar die hoge burgerlijkheid en uitwendige godsdienstigheid, die wij nu beschouwd hebben, doch daar zijn nog andere bedriegerijen en ingebeelde valse Bekeringen.

4. Ene halve of stuksgewijze Bekering, waardoor men maar van ene zijde wordt bekeerd, en aldus geheel onbekeerd blijft, dit heeft plaats geliefden 0 als een mens bij gemeen licht des Geestes van zijne zonden overtuigd wordt, hij ziet dat hij onbekeerd is, dat hij op enen verkeerden weg wandelt die niet goed is, hij raakt tot stilstand, hij wordt in zijn verstand en oordeel overreed dat hij wedergeboren en bekeerd moet worden zal hij behouden worden, dit maakt zulk enen zeer werkzaam en baart uiterlijk grote veranderingen in zijn gedrag en wandel, doch in plaats dat die overtuiging nu zoude doorwerken tot ene dadelijke en waarachtige Bekering des harten, zo blijft zulk een ter midderweg hangen en stilstaan, hij vindt enen valsen grond, waarop hij gaat rusten, en meent dat het nu wel met hem is: hij kan nu op ene verstandige wijze in de H. Jezus geloven en vrij wel van de verborgen waarheden des geloofs, daar hij veel van gelezen en gehoord heeft, spreken; hij kan met de vromen omgaan, en voegt zich bij hen, zolang zij uiterlijk met hem meegaan, en hij niet nauw van hen bekeken wordt, doch wordt hij getrouw behandeld, wordt hij gewaarschuwd dat hij zichzelf bedriegt, aanstonds komt zijn hart daar tegen op, en hij zoekt zich van de tederste en getrouwste vromen af te zonderen, zich voegende bij andere, die wat gemakkelijker handelen, wat zachter pleisters leggen en zo nauw niet toezien, en zo is en blijft zulk een maar ten halven bekeerd, en in het geheel onbekeerd, omdat ene halve Bekering geen ware Bekering is, zo een is met de koning Agrippa een bijna Christen, en hoe nabij hij ook komen mag, zo is nochtans zijn staat in sommige opzichten alzo gevaarlijk, ja zelfs gevaarlijker als immer te voren, de H. Schrift gebruikt een zeer zoete en aardige gelijkenis van alle zulke mensen, zij vergelijkt dezelve Hos. 7, 8: bij een koek die niet is omgekeerd, zodanigen zijn even als een koek aan de ene zijde gaar gebakken, maar nog rauw aan de andere zijde, hierom moeten zij nog eens omgekeerd worden het onderste boven, zij moeten nog weder op nieuw door Gods geest ontdekt en overtuigd worden van hun ganse verloren staat in de zonden, en van hun volstrekte machteloosheid, zullen zij ooit voor de ware Bekering en verandering des harten vatbaar gemaakt worden.

5. Daar is wel degelijk ook ene ruimen, geruste en gemakkelijke Bekering, en dus ene valse en ingebeelde, als iemand denkt dat hij bekeerd is, en' nog wel verder voor zijn dood bekeerd zal worden, terwijl hij nochtans blijft hinken op twee gedachten, en God en de wereld te gelijk wil dienen, zo een is bevreesd en stemt toe dat de mens bekeerd, en dat God gediend moet worden, maar dat het er zo nauw zou moeten toegaan, als sommige hedendaags willen, kan hij niet toestemmen, hij meent dat er vele femelarijen onder lopen, veel inbeelding, veel vooroordelen van andere; hij meent dat men God wel kan dienen en wel bekeerd kan zijn, al is men juist zo heel fijn niet, al zondert men zich juist van de wereld zo niet af; hij kan niet zien, dat er zo vele mensen zouden verloren gaan, dat de weg zo nauw is en dat er maar zo weinigen bekeerd zouden worden, dat al die deftige leraars en grote en wijze mensen, die hij kent en daar hij mede omgaat, zo blind en onwetende van de weg der zaligheid zouden zijn, en dat een deel slechte en eenvoudige mensen dien alleen zouden weten, niet denkende dat het Gods weg van alle tijden is deze dingen voor de wijzen en verstandigen te verbergen en de kinderkens te openbaren. Hierom neemt hij voor, hij zal God dienen en hem van de zonden wachten zo veel hij kan, hij zoekt ene mannelijke godvruchtigheid en meent zo wel als anderen zalig te zullen worden, want God is barmhartig, die heeft zijn eigen zoon in de wereld gezonden, daar gelooft hij in, daar vertrouwt hij op, dat die hem zal zalig maken, en komt hij al menigmaal te zondigen, wel, hij is een mens, men is hier niet volmaakt, de besten struikelen nog, God wil de zonden vergeven. Ziet, deze soort van Bekering is zo vals, ijdel en ingebeeld als het wezen kan, en maakt de weg tot de zaligheid zo ruim, dat er vlees en bloed gemakkelijk door kan, arme en ongelukkige mensen! die dit Bekering noemen, maar nog hebben wij hier al des Satans listen niet, aandachtigen! om de arme zielen in het eeuwige verderf te helpen, neen.

6. Dit is ook wel degelijk ene valse en ingebeelde Bekering, daar men ongetwijfeld mede verloren gaat, als iemand van zichzelf denkt, en gelooft dat hij bekeerd is, terwijl hij nochtans van geen dadelijke verandering, wedergeboorte en Bekering, of aan de wijze hoe iets van zichzelf weet, zo een behelpt zich hiermede, dat men wel bekeerd kan zijn, al weet men juist niet te spreken van tijd en wijze, dat men in zijne jeugd wel bekeerd kan zijn geworden, dat aller mensen verandering niet even openbaar zichtbaar en gevoelig is, dat er vele zwakgelovigen zijn, deze dingen alle tezamen, zijn in zichzelf wel waarachtig, maar zij worden van zulk enen geheel verkeerd op zichzelf overgenomen en toegepast, en hij gebruikt ze als messen, daar hij zijn eigen ziel mede vermoord! want hoe kan een mens van zichzelf weten en vast stellen dat hij bekeerd is, zo hij volgens zijn eigen bekentenis de klare blijken daar niet van zien kan! hoe kan hij weten dat hij een zwakgelovige is, als hij door zwakheid niet kan geloven, waar rust deze zijne wetenschap toch op, hij mist de klare en voldoenende blijken van zijne Bekering, en evenwel hij weet dat hij bekeerd is. O! ongelukkige en rampzalige wetenschap! deze dingen lopen elkander vlak tegen het hoofd, en ontdekken zich op het klaarst dat het maar vervloekte listen des Satans zijn om de arme mensen te bedriegen. Ongelukkigen die alzo in de strikken en klauwen van dezen helse leeuw zijn, en zichzelf zo met as voeden!

7. Niet minder is het ene valse en ingebeelde Bekering, als iemand tot een grond van zijne Bekering stelt enige dingen, die hij weleer in hem zelven ondervonden heeft, doch die geen waarachtige Bekering geweest zijn, gelijk als bijvoorbeeld, iemand is te voren eens sterk overtuigd en over de zonden in zijn geweten verschrikt en gewond geweest, het heeft enigen tijd geduurd, en de mens zeer werkzaam gemaakt, naderhand is het stilletjes wederom gezakt, het onweer is over, nu denkt de arme verdwaalde mens dat hij genezen is, nu meent hij dat dat werk zijne Bekering is geweest, dit is een van de allerschadelijkste valsheden en bedriegerijen, geliefden, die er zijn kunnen, want als de duivel dit de mensen eens vast in het hoofd gebracht heeft, de Heere geneze hem dan van zijne inbeelding, dan gelijkt hij de gekken en zinnelozen in het dolhuis, die niet kunnen nalaten zich stijf in te beelden, dat zij vorsten, koningen en keizers zijn, die de ganse wereld regeren, dan is de mens wel deerlijk ongelukkig; maar vrienden, zo hier zulke mensen onder ons mochten zijn, och, laat u toch haastig van uwe dwaasheid genezen, bedenkt dat sommige bitterheden van de zonden gevoeld te hebben, geen ware Bekering is; het is wat anders, een verschrikt en benauwd zondaar, en een bekeerd zondaar. Gevoelen van schuld is genoeg om schrik en vrees in het gemoed te brengen, maar daar is geestelijke, goddelijke en hemelse genade nodig, om Bekering in de ziel te brengen; indien pijn, vrees, benauwdheid en beroerte genoeg waren tot Bekering, dan moesten de verdoemden in de hel het meest bekeerd zijn, want die zijn het meest in pijn en angst over de zonde, Bekering is ene verandering van het hart, maar schrik en vrees laten het hart onveranderd, hoe vele bewegingen zij ook mogen maken.

Eindelijk 8. Om hier niet alles op te halen, het is ook wel degelijk ene valse en ingebeelde Bekering, die rust op het afbreken, tegenstaan en wegruimen van sommige zonden, daar ons humeur tegen gekant is. Daar valt niets gemakkelijker alsdan zulke zonden uit de weg te ruimen en na te laten, zo mijdt een gierigaard alle overdaad, een overdadig mens alle gierigheid enz., op deze wijze kunnen wij door onze gesteldheid en humeur ene menigte van uiterlijke zonden laten. Behalve dit, heeft de mens ene menigte van vleselijke bijeinden en oogmerken, die hem vele zonden doen tegenstaan en overwinnen, vlees en bloed, hoogmoed en zelfliefde kunnen hier somtijds al een wonderlijke rol spelen, maar daar is nochtans met en bij dit alles, het mag zo verre komen als het wil, het klatergoud mag nog zo schoon schitteren, geen aas noch droppel ware Bekering. De mens verandert hier maar en verwisselt de zonden in hare soort, hij werpt de ene buiten, maar haalt de andere in, hij laat de ouden knecht lopen, en hij huurt een nieuwen, de Jood verkoopt zijn slaaf aan een Turk, de Turk verkoopt hem aan een Heiden, hier verandert de slaaf wel van meester, maar hij is een slaaf, en hij blijft een slaaf, zo verandert de mens ook wel van zonden, maar hij is en blijft nochtans een slaaf van de zonde, het ware laten van de zonde, het afstaan van de ongerechtigheid, is niet alleen algemeen over alle zonden, maar het komt ook voort, en hangt geheel af van ene invloeiing van ware genade in het hart, gelijkerwijs de lucht ophoudt duister te zijn van de invloeiing des lichts.

Ziet daar mijne toehoorders! zo hebben wij u dan voorgesteld en opengelegd hoe velerlei valse en bedrieglijke soorten van Schijnbekeringen er al in de wereld zijn, en daarom met recht ondervraagt de Onderwijzer met zo veel nadruk zijnen leerling naar ene waarachtige Bekering, over welke wij nu, als het de Heere behaagt, in het vervolg zullen moeten handelen, om dan nu voor tegenwoordig tot een besluit te komen, och, mocht het de Heere behagen u lieden alle te zamen, jong en oud, arme en rijke, deze dingen, die nu heden verhandeld zijn, nader in hun gewicht op het hart te brengen, en er u ernstig werkzaam door te maken, tot zelfbeproeving en onderzoeking omtrent deze grote en noodzakelijke waarheid. Gij moet allen te zamen waarlijk en wezenlijk bekeerd worden, dat lijdt geen tegenspraak, of gij moet eeuwig verloren gaan, het zal er nu maar op aankomen of wij bekeerd zijn, en of wij in waarheid van God de Heere zelve bekeerd zijn dit is de grote zaak, mijne toehoorders, daar ons aller eeuwig heil aan hangt! en daarom bidden wij u alsof God door ons bade, hebt u liefde voor uwe eeuwige zaligheid, och, onderzoekt en beproeft toch u zelven, terwijl het nog tijd is, want na dezen zal er geen tijd meer zijn, onderzoek uzelven nauwer en nauw. Komt aan, klein en groot, jong en oud, laat ons onze wegen toch gaan onderzoeken en doorzoeken, want wij gaan naar ene eeuwigheid, wij moeten alle voor het oordeel komen en daar alles verantwoorden wat wij hier op de wereld gedaan hebben, en daarom, mensen! ziet toch allen tezamen dat gij uwe rekening klaar maakt, en dat gij Christus tot uwen borg en betaalman krijgt, eer die grote en vreselijke dag des Heeren komt; de Heere drukke de noodzakelijkheid en het gewicht hier van nader op onze harten en doe ons vreezen en beven,

Amen.

Gepredikt te Rijnsaterwoude de 19 Augustus 1736 en te Kralingen, 11 maart 1781.