Preken

van

Ralph Erskine

bedienaar van het Evangelie te Dunfermline - Schotland

over

Spr. 3:17 De wegen van de Wijsheid lieflijkheid, en haar paden vrede

Pred. 9:14,15 De kleine stad belegerd en verlost; of: de verlossing van de Kerk door Christus, en de ondankbaarheid van de mensen aan de heerlijke Verlosser voorgesteld

Jes. 8:18 Het oordeel van de wereld over Christus en Zijn volgelingen, of: de ware godvrezende door de goddelozen bespot en gesmaad

 

 

Deel 1

 

 

 

Inhoud

De wegen van de Wijsheid lieflijkheid, en haar paden vrede (1e preek) *

De wegen van de Wijsheid lieflijkheid, en haar paden vrede (2e preek) *

De wegen van de Wijsheid lieflijkheid, en haar paden vrede (3e preek) *

De wegen van de Wijsheid lieflijkheid, en haar paden vrede (4e preek) *

De wegen van de Wijsheid lieflijkheid, en haar paden vrede (5e preek) *

De kleine stad belegerd en verlost; of: de verlossing van de Kerk door Christus, en de ondankbaarheid van de mensen aan de heerlijke Verlosser voorgesteld *

Het oordeel van de wereld over Christus en Zijn volgelingen, of: de ware godvrezende door de goddelozen bespot en gesmaad *

De wegen van de Wijsheid lieflijkheid, en haar paden vrede (1e preek)

Spr. 3:17. Haar wegen zijn wegen der liefelijkheid, en al haar paden vrede.

Gelijk de weg van de godsdienst een veilige en zekere weg is (Spr. 10:9), zo wordt hij hier beschreven als een aangename en liefelijke weg. In de voorafgaande verzen worden verscheidene andere kentekenen gegeven, welke als zoveel gronden zijn, om ons te bewegen naar de ware wijsheid en Christus, de wezenlijke Wijsheid van de Vader, te vragen. De gelukzaligheid van hen die wijsheid vinden is een zeer voortreffelijke gelukzaligheid, ver te boven gaande wat in deze wereld te vinden is, (vs. 14, 15). Het is ware gelukzaligheid, waarin al die dingen begrepen zijn, welke verondersteld worden een mens gelukkig te maken (vs. 16, 17). De wijsheid wordt hier voorgesteld als een verstandige en schone koningin, die giften uitdeelt aan haar geliefde onderdanen; zoals, lengte van dagen, ja het eeuwig leven; rijkdom en eer. Hier zijn ware rijkdommen, de onnaspeurlijke rijkdommen van Christus; ware eer, "de rechtvaardige is voortreffelijker dan zijn naaste;" ja, al waren zij in deze wereld in donkerheid begraven, in de toekomende zullen zij blinken gelijk de zon. Hier is waar genoegen; "haar wegen zijn wegen der liefelijkheid."

Het is geen bewijsgrond tegen dit onderwerp, dat de goddeloze wereld geen vermaak kan scheppen in de wegen van de Wijsheid; want gelijk dat voedsel verrukkelijk is voor een beest, dat voor een mens walglijk zou zijn als de dood, zo ook zijn die dingen liefelijk voor een onvernieuwd mens, daar een geheiligde ziel van zou walgen. Het is daarom geen wonder, dat die dingen die voor een vernieuwde ziel zeer liefelijk zijn, verafschuwd worden door hen, van welken de beestachtige natuur nooit werd veranderd, of die geen geestelijke gezondheid hebben. Indien wij wilden bewijzen, dat wijn aangenamer smaakt dan azijn, of brood dan as, zouden wij ons daartoe niet wenden tot een zieke of kranke; een gezonde, die moet dat beoordelen. Zij die geringe gedachten van God hebben, kunnen Hem niet liefhebben, of zich in Hem verlustigen, doch allen, die Hem in Christus eren, weten en erkennen, dat "de wegen der wijsheid wegen der liefelijkheid zijn, en alle haar paden vrede."

Zoals de mensen zien, zo is datgene waarin zij zich vermaken. Wij zijn van nature vol van boosaardige vijandschap tegen God en de godzaligheid, en daarom zijn zij door geen rede te overtuigen, dat God en de godzaligheid de liefelijkste dingen zijn; ik zeg, geen rede zal hen van die vijandschap overtuigen, geen rede zal een luiaard overtuigen, dat arbeid beter is dan slaap of luiheid; geen rede zal een dronkaard, vraat, of wellusteling overreden, dat onthouding en matigheid het aangenaamste leven zijn. Zolang God hun harten niet verandert, zullen zij niet veranderen van datgene waarmee zij zich vermaken.

De woorden van onze tekst bevatten tweeërlei leer. De ene is, "dat de wegen der wijsheid liefelijkheid zijn;" de andere, "dat haar paden vrede zijn."

Verscheidene vragen kunnen hier worden voorgelegd en opgelost, om de woorden daardoor nauwkeuriger te verklaren en tot beter begrip van hun mening.

( l ) Wat moeten wij verstaan door de wegen van de Wijsheid?

Aangezien wij door de Wijsheid voornamelijk Christus moeten verstaan, Die de Wijsheid Gods is, in Wie al de schatten van wijsheid en kennis verborgen zijn, zo moeten wij door de wegen van de Wijsheid verstaan, of de wegen waarin de Wijsheid tot ons komt, welke zijn goedertierenheid en waarheid: "Gij zult Jakob de trouw [of waarheid] Abraham de goedertierenheid geven, die Gij onze vaderen van oude dagen af gezworen hebt" (Micha 7:20); "Hij is gedachtig geweest Zijner goedertierenheid, en Zijner waarheid aan het huis Israëls" (Ps. 98:3). Goedertierenheid legt het fondament; waarheid legt de hoeksteen aan; of de wegen welke de Wijsheid ons aanwijst, om er in te wandelen, welke zijn geloof en liefde. Het geloof ziet Christus en neemt de toevlucht tot Hem: de liefde verlustigt zich in Hem. Door het geloof komen wij tot Christus: door de liefde wandelen wij in Zijn liefelijke wegen.

(2) Waarom wordt er gezegd, dat de wegen der Wijsheid liefelijkheid zijn? Zij zijn niet slechts liefelijk, maar liefelijkheid, in het afgetrokkene.

Dit is om aan te wijzen, dat de wegen van de Wijsheid zodanig zijn, dat er overvloedige verlustiging en voldoening in te vinden is. Al de genietingen en vermakelijkheden van de zinnen zijn niet te vergelijken bij het vermaak, dat de begenadigde ziel vindt in de omgang en de gemeenschap met God, en in de loopbaan van heilige Evangeliedienst en gehoorzaamheid. Het is dan ook niet slechts deze of die weg van de Wijsheid, maar haar wegen zijn alle bestrooid met rozen en vermaken

(3) Wat moet men verstaan door de paden van de Wijsheid?

Indien dit iets anders betekent dan de wegen van de Wijsheid, en niet maar een andere uitdrukking voor dezelfde zaak is, dan schijnt het te betekenen, dat niet slechts de wegen van de godsdienst in het algemeen, maar dat al de bijzondere paden van die weg liefelijk zijn. Iedere genadedaad, elke plicht, elk bijzonder deel van de geestelijke dienst, ja het verborgen pad van de godsdienstplichten, zowel als de openbare wegen van de godsdienst, zijn alle liefelijkheid.

(4) Wat moet verstaan worden door vrede?

Dat de paden der Wijsheid niet alleen vredig, maar vrede zelf zijn; niet alleen op vrede uitlopen, want: "Let op de vrome, en ziet naar de oprechte; want het einde van die man zal vrede zijn:" want zij brengen ook mee, bevorderen en vermeerderen vrede en verzoening tussen God en de mens; vrede van het geweten tussen de mens en Hem; en vrede van overeenstemming tussen mensen onderling. Van het eerste leest u in Rom. 5:1 "Wij de gerechtvaardigd zijnde uit het geloof hebben vrede bij God door onze Heere Jezus Christus;" van het tweede in Spr. 15:15 "Een vrolijk hart is een gedurige maaltijd;" en van het derde in Ps. 133:1 "Ziet hoe goed en hoe liefelijk is het, dat broeders ook samen wonen."

De woorden zelf zijn een leerstellig voorstel,waaraan wij in de behandeling niets toevoegen, namelijk:

Dat de wegen van de Wijsheid liefelijkheid en haar paden vrede zijn.

De volgorde waarin wij dit leerstuk ter opheldering, met de Goddelijke bijstand, zullen behandelen is de volgende:

I. Zullen wij de waarheid van dit voorstel aantonen, dat de wegen van de Wijsheid liefelijkheid zijn.

II. De hoedanigheid overwegen van dat vermaak, dat in de wegen van de Wijsheid wordt gevonden.

III. Over de bijzondere paden van de Wijsheid spreken, welke alle vrede zijn.

IV. De natuur en de eigenschappen van die vrede verklaren, en

V. Het gehele onderwerp toepassen.

I. Wij zullen de waarheid van dit voorstel trachten aan te tonen, namelijk, "dat de wegen van de Wijsheid liefelijkheid zijn." Dit kunnen wij doen, (1) bij wijze van gevolgtrekking uit bijzonderheden, door sommige van de wegen van de Wijsheid, die liefelijkheid zijn, voor te stellen. (2) Door enkele van de bronnen van vermaak te ontsluiten, waaruit de kinderen van de Wijsheid, die hun wegen bewaren, hun vermaken en vertroostingen putten.

1e Wij kunnen de waarheid van de opmerking bewijzen uit een gevolgtrekking van bijzonderheden, door sommige van de wegen van de Wijsheid die liefelijkheid, zijn na te speuren. Ik zal hier vier wegen van de Wijsheid vermelden, namelijk: voorzienige besturingen; leerstellingen; evangelische genaden; en geestelijke weldaden en werken van God in en omtrent de kinderen van de Wijsheid, die alle liefelijkheid zijn.

[1] Er zijn voorzienige besturingen, die een deel zijn van de wegen van de Wijsheid. Deze zijn wonderlijk vermakelijk en onnaspeurlijk. (Rom. 11:33) "O diepte des rijkdoms, beide der wijsheid en der kennis Gods! Hoe ondoorzoekelijk zijn Zijn oordelen, en onnaspeurlijk Zijn wegen!" (Openb. 15:3) "Groot en wonderlijk zijn Uw werken, Heere, Gij almachtige God; rechtvaardig en waarachtig zijn Uw wegen; Gij Koning der heiligen". De Heere geeft Zijn volk dagelijks reden Hem te loven voor Zijn goedertierenheid, (Ps. 35:27) "Groot gemaakt zij de Heere die lust heeft tot de vrede Zijns knechts".

Tegenwerping. Doch wat te zeggen van Zijn roeden en verdrukkingen? "Alle kastijding, als die tegenwoordig is, schijnt geen zaak van vreugde maar van droefheid te zijn" (Hebr. 12:11)

Antwoord. Men moet in aanmerking nemen, dat er niet geschreven staat, dat zij een zaak van droefheid zijn, maar dat zij dat schijnen te zijn. Zij zijn niet waarlijk smartelijk, maar verblijdend, want er kan veel blijdschap zijn in de verdrukking (1 Thess. 3:7). Indien wij de Schrift raadplegen, zullen wij vinden, dat grote verdrukking gepaard gaat met blijdschap (Hab. 3:16, 17, 18). Zo ook David was zeer bang; Saul jaagde hem na als een veldhoen en vervolgde hem; de Filistijnen verdachten hem; zijn vrienden, in plaats van hem te kunnen troosten, waren gevangen genomen; het volk sprak van hem te stenigen; doch David sterkte zich in zijn God (1 Sam. 30:6). Ziet ook Jak. 1:2 en 2 Kor. 12:10. "Acht het voor grote vreugde, mijn broeders, wanneer gij in velerlei verzoekingen valt." "Daarom heb ik een welbehagen in zwakheden, in smaadheden, in noden, in vervolgingen, in benauwdheden om Christus wil. Want als ik zwak ben, dan ben ik machtig." Zij waren verblijd in hun verdrukking. Zij hebben de roving van hun goederen met blijdschap aangenomen (Hebr. 10:34). Er zijn veel voorbeelden, die dit bewijzen; zelfs verheugden de martelaars zich in de vlammen. Waarom riep die martelaar uit, dat het vuur en de pijniging welke hij verduurde, liefelijker waren dan een bed van rozen? Waarom waren Paulus en Silas zo opgewekt en vrolijk in een duistere kerker en hun voeten verzekerd in de stok? Wel, zij bezegelden dit met hun bevinding, dat de wegen van de Wijsheid liefelijkheid zijn, namelijk in voorzienige besturingen en zeer droevige bedelingen, zowel als in voorspoedige.

[2] Er zijn leerstellingen die een deel zijn van de wegen van de Wijsheid, en ook die zijn alle liefelijkheid. De waarheden en leerstukken van Gods Woord zijn zoeter dan honig en honigzeem (Ps. 19:11). "Uw getuigenissen zijn mijn vermakingen", zegt David (Ps. 119:24). "Als Uw woorden gevonden zijn, zo heb ik ze opgegeten, en Uw Woord is mij geweest tot vreugde en tot blijdschap mijns harten (Jer. 15:16). Hiermee wordt te kennen gegeven, dat Zijn woorden moeten worden opgegeten en verwerkt, voordat de zoetigheid daarvan kan worden gesmaakt. Er is voornamelijk in de leer van het Evangelie van Christus een bijzondere aangenaamheid, Hoe liefelijk is het leerstuk van Zijn vleeswording! Ziet hoe de engelen die bezingen voor de herders (Luk. 2:10—14). Gaat van Zijn vleeswording tot Zijn dadelijke gehoorzaamheid; wat is die liefelijk! Zij is de gerechtigheid Gods; de menselijke natuur van Christus had nimmer enig bestaan afgescheiden van de goddelijke; zodra zij er was, was zij verenigd met God. Zo verheerlijkte Hij de wet. Laat ons voortgaan van Zijn doen tot Zijn lijden. Hoe liefelijk is de leer van Zijn lijdelijke gehoorzaamheid! Hij is om onze overtredingen verwond; bevredigde de rechtvaardigheid Gods, "heeft Zichzelf voor ons overgegeven tot een offerande en een slachtoffer, Gode tot een welriekende reuk" (Ef. 5:2). O wat een liefelijk en smakelijk leerstuk kan dat voor ons zijn! Doch, laat ons van Zijn lijden voortgaan tot Zijn opstanding. Hoe liefelijk is de leer van Christus’ opstanding! Hier is de grondslag van onze blijde hoop. "Wij zijn wedergeboren tot een levende hoop door de opstanding van Jezus Christus uit de doden" (1 Petr. 1:3). Gaan wij van Zijn opstanding over tot Zijn hemelvaart. Hoe liefelijk is de leer van de hemelvaart van Christus! (Ef. 4:8) "Als Hij opgevaren is in de hoogte heeft Hij de gevangenis gevangen." (Hand. 5:31) "Deze heeft God door Zijn rechterhand verhoogd tot een Vorst en Zaligmaker, om Israël te geven bekering en vergeving van de zonden. (Ps. 68:19) "Gij zijt opgevaren in de hoogte, Gij hebt de gevangenis gevankelijk gevoerd, Gij hebt gaven genomen, om uit te delen onder de mensen. De woorden zijn zeer nadrukkelijk: "Hij is opgevaren in de hoogte, Hij heeft gaven genomen voor de mensen." Ziet verder van Zijn hemelvaart op Zijn voorbidding. Hoe liefelijk is de leer van Zijn voorbidding in de hemel. Hiervan lezen wij: 1 Joh. 2:1, 2) "Indien iemand gezondigd heeft, wij hebben een Voorspraak bij de Vader, Jezus Christus de Rechtvaardige". (Hebr. 7:25) "Hij kan volkomen zaligmaken degenen die door Hem tot God gaan, alzo Hij altijd leeft om voor hen te bidden." Hij is God in onze natuur; niets kan de mens nader zijn dan de mensheid. Christus is van ons geslacht, en Gods eeuwige Zoon, Zijn geliefde Zoon; al wat Hij vraagt verkrijgt Hij; "de Vader hoort Hem altijd." Deze leerstellingen zijn zoveel bronnen, waaruit ware gelovigen veel vertroosting en zoetigheid kunnen putten.

Ik kan over dit punt een menigte liefelijke dingen aanvoeren; zoals, de liefelijke raadgevingen van Christus, de liefelijke nodigingen, de liefelijke beloften, en de liefelijke getuigenissen van het Woord.

1. De liefelijke raadgevingen van Christus in het Woord zoals: (Openb. 3:17, 18) "Ik raad u, dat gij van Mij koopt goud, beproefd komende uit het vuur, opdat gij rijk moogt worden; en witte klederen, opdat gij moogt bekleed worden, en de schande van uw naaktheid niet geopenbaard worde; en zalf uw ogen met ogenzalf, opdat gij zien moogt." O wat een liefelijke Raadgever is Christus, de Wijsheid Gods! "Hij zal u leiden door Zijn raad, en daarna zal Hij u in heerlijkheid opnemen."

2 De liefelijke nodigingen van het Woord, zoals deze: (Jes. 55:1) "O alle gij dorstigen, komt tot de wateren, en gij die geen geld hebt, komt, koopt en eet, ja komt, koopt zonder geld, en zonder prijs wijn en melk;" en, (Matth. 11:28) "Komt herwaarts tot Mij allen, die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven."(Hosea 14:2) "Bekeer u, o Israël, tot de Heere uw God toe, want gij zijt gevallen om uw ongerechtigheid". (Jer. 3:4, 14, 22) "Zult gij niet van nu af tot Mij roepen: Mijn Vader, Gij zijt de Leidsman mijner jeugd". Bekeert gij u, afkerige kinderen, spreekt de Heere, want Ik heb u getrouwd; en Ik zal u aannemen, een uit een stad, en twee uit een geslacht, en zal u brengen te Sion". "Keert weder, gij afkerige kinderen, Ik zal uw afkeringen genezen". En hoe liefelijk zal Hij hen op de laatste dag nodigen, die hier Zijn nodiging gehoor geven. "Komt, gij gezegende mijns Vaders! Beërft dat koninkrijk hetwelk u bereid is van de grondlegging der wereld."

3. De liefelijke beloften van het Woord, die groot en dierbaar, en Ja en Amen zijn in Christus, zoals de belofte van wedergeboorte; (Ezech. 36:26) "En Ik zal u een nieuw hart geven, en zal een nieuwe Geest geven in het binnenste van u, en Ik zal het stenen hart uit uw vlees wegnemen, en Ik zal u een vlezen hart geven." De belofte van rechtvaardigmaking en vergeving van zonde; (Hebr. 8:12) "Want Ik zal hun ongerechtigheden genadig zijn, en hun zonden en hun overtredingen zal Ik geenszins meer gedenken." De belofte van aanneming tot kinderen; (2 Kor. 6:18) En Ik zal u tot een Vader zijn, en gij zult Mij tot zonen en dochteren zijn, zegt de Heere, de Almachtige". De belofte van heiligmaking; (Ezech. 36:27) "En Ik zal Mijn Geest geven in het binnenste van u; en Ik zal maken, dat gij in Mijn inzettingen zult wandelen, en Mijn rechten zult bewaren en doen. De belofte van de Geest daartoe overvloediglijk te zullen geven; "Want Ik zal water gieten op de dorstige, en stromen op het droge; Ik zal Mijn Geest op uw zaad gieten, en Mijn zegen op uw nakomelingen" (Jes. 44:3). De belofte van vernieuwde mededelingen uit Zijn volheid; Joh. 1:16) "En uit Zijn volheid hebben wij allen ontvangen, ook genade voor genade". De beloften van vrede en vertroosting; (Joh. 16:33) "Deze dingen heb Ik tot u gesproken, opdat gij in Mij vrede hebt." De belofte van sterkte en ondersteuning, en van alles wat nodig is tot de verrichting van de dadelijke en lijdelijke plicht, tot doen en lijden; (Jes. 40:29) "Hij geeft de moeden kracht, en Hij vermenigvuldigt de sterkte dien, die geen krachten heeft". De belofte van Zijn altijddurende tegenwoordigheid; (Hebr. 13:5) "Ik zal u niet begeven, en Ik zal u niet verlaten", De belofte van volharding; (Jer. 32:40) "En Ik zal een eeuwig verbond met hen maken, dat Ik van achter hen niet zal afkeren, opdat Ik hun weldoe; en Ik zal Mijn vrees in hun hart geven, dat zij niet van mij afwijken."

4. De liefelijke getuigenissen van het Woord, met betrekking tot andere dingen, behalve wat ik nu vermeld heb; zoals:

(1) Een getuigenis van liefelijke gelijkenissen; onder anderen die van de verloren penning, en welke blijdschap het terugvinden daarvan verschafte. Daardoor wordt voorgesteld welke waarde de Heere stelt op de verloren ziel, wanneer zij gevonden wordt; alsof het een schat is waarin Hij bijzonder vermaak schept. De gelijkenis van het verloren schaap; zo een als wij zijn, en welke blijdschap er was toen het gevonden werd. De gelijkenis van de verloren zoon, en wat een vreugde er was toen hij terugkwam. Deze zijn alle drie aangetekend in Luk. 15.

(2) Een getuigenis van liefelijke voorzienigheden; zoals de voorzienigheid over Jozef; de voorzienigheid over Esther; alle voorzienigheden in betrekking tot Israël; de voorzienigheid omtrent de drie jongelingen en Daniël, die in het boek van Daniël zijn aangetekend: Wat een veld van liefelijke overdenking is hier!

(3) Een getuigenis van liefelijke bevindingen van de heiligen; zoals de bevinding die David had, dat de Heere hem uit de klauw van de leeuw gered en uit de ruisende kuil opgehaald had; zijn bevinding van gemeenschap met God; (Ps. 84:11) Één dag in Uw voorhoven is beter dan duizend elders"; (Ps. 63:2) "Voorwaar ik heb U in het heiligdom aanschouwd, ziende Uw sterkheid en Uw eer". De bevinding van de bruid: (Hoogl. 2:3) "Ik heb grote lust in Zijn schaduw, en zit er onder, en Zijn vrucht is mijn gehemelte zoet. Hij voert mij in het wijnhuis, en de liefde is Zijn banier over mij." Ja, tot onze vertroosting zijn er getuigenissen opgetekend van hun bevindingen onder verlating en duisternis; (Ps. 77:8) "Zal dan de Heere in eeuwigheden verstoten? Heeft God vergeten genadig te zijn? (Jes. 49:14) Doch Sion zegt: De Heere heeft mij verlaten, en de Heere heeft mijner vergeten."

(4) Een getuigenis van liefelijke benamingen, die God, Christus, de Geest en de heiligen worden gegeven.

1. Vele liefelijke benamingen worden aan God gegeven, als: "de Vader der barmhartigheden;" de God en Vader van onze Heere Jezus Christus;" de Vader der wezen". O! Laten arme, vaderloze, hulpeloze zondaren opmerken, wat een liefelijke, aangename bron hier voor hen geopend wordt. (Ps. 10:14) "Gij ziet het immers, want Gij aanschouwt de moeite en het verdriet, opdat men het in Uw hand geve; op U verlaat zich de arme; Gij ziet geweest een Helper der wezen". Hij wordt genoemd; (Jer. 2:13) De Springader des levendigen waters;" een Fontein die altijd opspringt en overvloeit. (Jes. 35:6, 7) "Alsdan zal de kreupele springen als een hert, en de tong des stommen zal juichen; want in de woestijn zullen wateren uitbarsten, en beken in de wildernis. En het dorre land zal tot staand water worden, en het dorstig land tot springaders der wateren; in de woning der draken, daar zij gelegen hebben, zal gras met riet en biezen zijn". Hij wordt genoemd de Hoop Israëls; (Jer. 14:1) "O Israëls (hoop, of) verwachting, zijn Verlossing in tijd van benauwdheid!" Hij wordt een zondevergevend God genoemd; (Exod. 34:6, 7) Heere, Heere, God, barmhartig en genadig, Die de ongerechtigheid, en overtreding, en zonde vergeeft." Hij wordt een gebed-verhorend God genoemd; (Ps. 65:3) "Gij hoort het gebed; tot U zal alle vlees komen."

2. Veel liefelijke namen worden Christus gegeven. Hij wordt de Herder genoemd; de getrouwe Herder; de overste Herder; de goede Herder, Die niet zal dulden, dat Zijn volk iets ontbreekt; hun zal geen voorraad, bescherming, besturing, raad, of wat ook ontbreken; ook een goedertieren Herder; Hij zal Zijn kudde weiden gelijk een herder; Hij zal de lammeren in Zijn armen vergaderen en in Zijn schoot dragen; de zogenden zal Hij zachtjes leiden (Jes. 40:11). Hij wordt de Heelmeester genoemd; de barmhartige Samaritaan; de Heere onze Heelmeester. Hij wordt de Verlosser genoemd, Die ons rantsoen betaalt. Hij wordt de Wens aller heidenen genoemd; een Vriend; een Man; een Bruidegom; een Broeder; een Voorspraak; Wonderlijk, Raad, Sterke God, Vader der eeuwigheid, Vredevorst, Zon der gerechtigheid, de Zaligmaker van zondaren. Elk van deze betrekkelijke titels is vol van zoetheid en liefelijkheid. Ook Zijn vergelijkende benamingen zijn vol liefelijkheid: Hij is veel schoner dan de mensenkinderen; heerlijker dan de roofbergen; de blinkende Morgenster; de Roos van Saron; de Appelboom onder de bomen des wouds. En naast al deze zijn Zijn volstrekte namen vol van liefelijkheid: Hij is God boven allen te prijzen in der eeuwigheid; de Waarachtige God en het eeuwige leven. O wat een heerlijk veld van overdenking is hier voor de begenadigde ziel!

3. Vele liefelijke benamingen worden gegeven aan de Heilige Geest. Hij wordt de Indachtigmaker genoemd (Joh. 14:26); de Helper, Die onze zwakheden te hulp komt (Rom. 8:26); de Leraar (1 Joh. 2:27); de Openbaarmaker van diepe en verborgen dingen, Die alle dingen onderzoekt, ook de diepten Gods; de Overtuiger (Joh. 16:8); Hij Die heiligt; de heidenen worden geheiligd door de Heilige Geest (Rom. 15:16). Daarom wordt Hij de Geest der heiligmaking genoemd (Rom. 1:4); de Trooster (Joh. 14:26); de Getuige (Joh. 15:26); Die zal van Mij getuigen; de Voorbidder, Die voor ons bidt met onuitsprekelijke zuchtingen (Rom. 8:26). Het woord, dat door Trooster is overgezet, betekent een Voorspraak. O wat zijn hier liefelijke dingen!

4. Vele liefelijke benamingen worden de kinderen Gods gegeven. Zij worden Gods tempel genoemd (1 Kor. 3:16); Gods gewenste akker (Jer. 35:10) zij hebben Hem veel gekost: de leden van Zijn lichaam; elke gelovige mag Hem zijn Hoofd noemen; de beminden des Heeren, die zeker zullen wonen; de beminde van Zijn ziel (Jer. 12:7) de bruid, de vrouw des Lams (Openb. 21:9). O wat een liefelijke verwantschap is dit! Zij zijn Zijn kroon; zij zullen een sierlijke kroon zijn in de hand des Heeren (Jes. 62:3); het eigendom van de Heere der heirscharen (Mal. 3:17); Zijn kudde; ja Zijn oogappel, "want die ulieden aanraakt raakt Zijn oogappel aan" (Zach. 11:8).

Al deze liefelijke dingen en een grote verscheidenheid van andere, zijn te vinden in de leerstellingen van Zijn Heilig Woord, welke een deel zijn van de wegen van de Wijsheid. Zij zijn dan voorzeker liefelijkheid.

Tegenwerping. Doch wat zegt u van de geboden en bedreigingen van het Woord? Is daar enige liefelijkheid in?

Antwoord. Zeker het Woord is een magazijn van verlustiging. De geboden leggen ons een liefelijk werk op; de striktste dienen slechts om onze ellenden van ons te weren, en ons van het mes af te houden waarmee wij onze vingers, indien niet onze keel, zouden afsnijden. De strengste bedreigingen weerhouden ons slechts van in het verterend vuur te lopen en ons enig genot te ontlopen. Zo dragen zelfs de bitterste delen van Gods Heilig Woord bij tot ware verlustiging en wezenlijk genoegen.

[3] Behalve voorzienige besturingen en leerstellingen zijn er evangelische genaden, die een deel zijn van de wegen van de Wijsheid. Iedere genadedaad brengt voldoening en verlustiging mee. Ik zal tot voorbeeld nemen: kennis, geloof, liefde en hoop.

1. De kennis, welke een deel is van de wegen van de Wijsheid, in welke wij genodigd worden te wandelen, is liefelijk. Wat een liefelijke zaak is het God in Christus te kennen, zoals dat geopenbaard is in het Evangelie! Dit is een spiegel waarin zoveel uitnemende dingen te zien zijn. Het genot van de natuurlijke kennis is groot, maar de liefelijkheid van de zaligmakende kennis is veel groter. Het genot, dat de groten hebben in hoven, in grootsheid, en praal, en luister, is niet te vergelijken bij het genot, dat een ijverig student in zijn boeken heeft; nochtans is dat genoegen niets, bij hetgeen een gelovige heeft in de kennis van God en Christus. Indien u dat genot en dit genoegen bij elkaar vergelijkt, versmaden wij de vergelijking; doch wanneer u het genot, dat dronkaards, hoereerders en wellustelingen hebben in hun vleselijk wegen, vergelijken wilt met de liefelijkheid van de wegen van de Wijsheid, dat versmaden wij niet alleen, maar dat verfoeien wij. De Wijsheid geeft ons de kennis van de beste dingen; de kennis van toekomende dingen; de kennis van dingen die zeer liefelijk zijn. O wat is liefelijker dan de kostelijke zaligheid, God, en de heerlijkheid! De verlustigingen van de zintuigen zijn de laagste en dierlijkste, ja walgelijk, in vergelijking van de hemelse verlustigingen van een vernieuwd gemoed. Hoe liefelijk is de kennis van de dingen die het nauwst in verband staan met onze zielen en de eeuwige zaligheid! Dit moet een feestmaal zijn voor de gemoederen van de wijzen. Vraag iemand, die kermt onder het gewicht van de zonde en de vrees voor de toorn Gods, of de geruststellende kennis van vergeving van de zonde, en verzoening met, en aanneming bij God, hem niet aangenamer zou zijn, dan al uw vleselijk genot u zijn kan. Vraag een ziel, die het bewijs van haar genade heeft verloren en in duisternis wandelt, of de ontdekking van haar deel aan Christus, en de verzekering van de liefde Gods, en het terugkeren van het licht van Zijn aanschijn haar niet aangenamer zou zijn, dan enig vermaak of genoegen, dat de aarde kan verschaffen. Vraag iemand op zijn sterfbed, als hij niet onzinnig is, of de kennis van zijn zaligheid hem nu niet beter en liefelijker zou zijn, dan al de zinnelijke vermaken en waardigheden van de wereld. Hoe liefelijk is de kennis die zeker en onfeilbaar is! En dat is deze kennis. Zij is gegrond op het onfeilbaar Woord van God, dat duurt tot in eeuwigheid. Hoe liefelijk is de kennis die bevindelijk is! Dat de ziel gesmaakt heeft, dat de Heere genadig is, en dat zij de zoetigheid van Zijn liefde heeft geproefd, is een liefelijker kennis, dan de geleerdste goddelozen in de wereld kunnen hebben.

2. Wat is het geloof een liefelijke genade! Te ervaren, dat wij op een rots staan, en dat onder ons eeuwige armen zijn, en dat wij zo’n volkomen zekerheid van onze zaligheid hebben als de onveranderlijke eed van de onveranderlijke God, wat een genot moet dat zijn voor de gelovige ziel! De moeite van de godvruchtigen vloeit meest voort uit hun ongeloof, doch hoe meer zij geloven, hoe meer zij vertroost worden; (Joh. 14:1) "Uw hart worde niet ontroerd: Gijlieden gelooft in God gelooft ook in Mij." Het leven van het geloof is een liefelijk leven. Dewelke gij niet gezien hebt, en nochtans liefhebt; in dewelke gij nu, hoewel Hem niet ziende, maar gelovende, u verheugt met een onuitsprekelijke en heerlijke vreugde (1 Petr. 1:8). Gij, "die in de kracht Gods bewaard wordt door het geloof, tot de zaligheid, die bereid is, om geopenbaard te worden in de laatste tijd. In welke gij u verheugt, nu een weinig tijd (zo het nodig is) bedroefd zijnde door menigerlei verzoekingen (1 Petr. 1:5, 6). Er is blijdschap en vrede in het geloven (Rom. 15:13). O hoe liefelijk is het geloof van de onzienlijke dingen (Hebr. 11:1) Hem te zien Die onzienlijk is! Hoe liefelijk is het geloof van eeuwige liefde! De terugblik van het geloof, en het vooruitzien van het geloof van eeuwige liefde!

3. De liefde is een liefelijke genade; de liefde Gods. Helaas! Alle genoegens van de wereld zijn maar beuzelingen en als het speelgoed van een kind, vergeleken bij het genot van de liefde Gods. Er is een liefelijkheid in het uitgaan van de ziel naar zo’n voorwerp. Indien de zinnelijken vermaak hebben in hun snode en ongeoorloofde begeerten, en de eerzuchtige wereld genot vindt in haar ijdele begeerten, dan moeten de godvruchtigen zeker een ander soort van genoegen hebben in hun geestelijke verlangens, en nog veel meer in hun liefde. En, indien elke liefde, krachtens haar natuur, een liefelijkheid ziet in het geliefde voorwerp, wat een onuitsprekelijke liefelijkheid moet er dan zijn in de liefde Gods! Hoe liefelijk zijn de diensten van de liefde! Zoals die van Jakob voor Rachel. Hoe liefelijk zijn de smarten van de liefde! Er is een liefelijkheid in krankheid van liefde (Hoogl. 2:4).

4. De hoop is een liefelijke genade. Wat een blijdschap is er in de hoop van de heerlijkheid (Rom. 5:2). Het is niet een hoop op verderfelijke rijkdommen, maar op een onverderfelijke kroon. Het is niet een hoop op het woord van een bedrieglijk mens, maar op het woord van de eeuwige God. Deze hoop zal ons nooit beschamen. Hoe liefelijk is het, wedergeboren te zijn tot een levende hoop op die hemelse erfenis (1 Petr. 1:3). O wat is het genot van spijs en drank, van vrolijkheid en dartelheid, van hoogmoed en dapperheid? Niets dan blote verdwijnende dromen. "Indien wij alleen in dit leven zijn hopende, zo zijn wij de ellendigste van alle mensen", maar deze hoop op het toekomende leven hebbende, zijn wij de gelukkigste van alle mensen.

Zo zou ik over al de genaden van de Geest kunnen handelen. Elke genadedaad bevat een bron van liefelijkheid in zich, zelfs die geestelijke handelingen van bekering of berouw, droefheid naar God en doding, welke zeer moeilijk en bitter schijnen te zijn. Geestelijk vasten gaat gepaard met geestelijk feesthouden. (Zach. 8:19) "Alzo zegt de HEERE der heirscharen: Het vasten van de vierde, en het vasten van de vijfde, en het vasten van de zevende, en het vasten van de tiende maand, zal den huize Juda tot vreugde, en tot blijdschap, en tot vrolijke hoogtijden wezen". Hoe kon hun vasten een hoogtijd zijn? Wel er is liefelijkheid in evangelische boetvaardigheid. De tranen van droefheid naar God zijn tranen van blijdschap. Nooit heeft de gelovige meer genoegen, dan wanneer hij met een betraand oog tot Christus opziet. (Ps. 126:5, 6) "Die met tranen zaaien zullen met gejuich maaien. Die het zaad draagt, dat men zaaien zal, gaat al gaande en wenende, maar voorzeker zal hij met gejuich wederkomen, dragende zijn schoven". Zij maaien zowel terwijl zij zaaien als daarna; en als de zaaitijd een oogsttijd is, wat zal dan wel de oogst zelf zijn? Zo ziet u; dat de wegen van de Wijsheid liefelijkheid zijn.

[4.] Er zijn geestelijke weldaden en werken Gods in en omtrent de kinderen van de Wijsheid, die een deel zijn van de wegen van de Wijsheid, en die alle liefelijkheid zijn. De werken Gods zijn de wegen Gods. (Openb. 15:3) "Groot en wonderlijk zijn uw werken, Heere, Gij almachtige God; rechtvaardig en waarachtig zijn Uw wegen, Gij Koning der heiligen". Ik zal vier van Zijn weldadige werken vermelden, die vol van liefelijkheid zijn, namelijk: verlichting, rechtvaardigmaking, heiligmaking en verheerlijking.

1. Verlichting is het werk van Christus, de Wijsheid Gods, zoals hij een Profeet is. O hoe liefelijk is dit goddelijk licht. (2 Kor. 4:6) "God, Die gezegd heeft, dat het licht uit de duisternis zou schijnen, is Degene, die in onze harten geschenen heeft, om te geven verlichting der kennis der heerlijkheid Gods in het aangezicht van Jezus Christus". Het is een licht, dat in de ziel schijnt, waardoor niet alleen het hoofd onderricht, maar ook het hart verzadigd en veranderd wordt. Is het licht van de natuurlijke zon liefelijk, wat moet dan het licht van de Zon der gerechtigheid wel zijn?

2. Rechtvaardigmaking is het werk van Christus, zoals hij een Priester is. O wat een liefelijkheid ontdekt zich in dit werk, in deze weg van de Wijsheid! (Rom. 5:1, 2, 11.) "Wij dan, gerechtvaardigd zijnde uit het geloof, hebben vrede bij God, door onzen Heere Jezus Christus; door Welken wij ook de toeleiding hebben door het geloof tot deze genade, in welke wij staan, en roemen in de hoop der heerlijkheid Gods. En niet alleenlijk dit, maar wij roemen ook in God, door onzen Heere Jezus Christus, door Welken wij nu de verzoening gekregen hebben". Ziet hoe David zich in dit werk verheugt: (Ps. 103:3, 4, 5) Loof den HEERE, mijn ziel, en vergeet geen van Zijn weldaden; Die al uw ongerechtigheid vergeeft, die al uw krankheden geneest; Die uw leven verlost van het verderf, die u kroont met goedertierenheid en barmhartigheden; Die uw mond verzadigt met het goede, uw jeugd vernieuwt als eens arends." Wat een vrede geeft een bekendmaking van de vergeving van de zonde in de ziel: "Zoon! wees welgemoed, uw zonden zijn u vergeven."

3. Heiligmaking is het werk van Christus, zoals hij een Koning is, want hiermede richt Hij Zijn troon op in het hart. O wat een liefelijkheid is daarin te zien, want overeenkomstig de mate van heiligheid zijn de geestelijke zinnen geoefend. Als het oog zich verlustigt in het geliefde voorwerp, en het oor gestreeld wordt door welluidende tonen, en de smaak geniet van voedsel, en de reuk van welriekende geur; hoe liefelijk moet het dan wel zijn de heerlijkheid van Christus te aanschouwen, Zijn stem te horen, Zijn goedheid te proeven, Zijn kracht gewaar te worden en Zijn geur te ruiken. Is er enige liefelijkheid in versiering en in schoonheid, hoe liefelijk moet het dan wel zijn, versierd te wezen met het schone beeld van God! De vruchten van dit werk zijn liefelijk, zowel voor God als voor de ziel. (Hoogl. 4:16; 5:1; en 2:14) "Ontwaak Noordenwind, en kom gij Zuidenwind, doorwaai mijn hof, dat zijn specerijen uitvloeien. O, dat mijn Liefste tot Zijn hof kwame, en ate Zijn edele vruchten! Ik ben in Mijn hof gekomen, o Mijn zuster, o bruid. Ik heb Mijn mirre geplukt, met Mijn specerijen; Ik heb Mijn honigraten met Mijn honig gegeten, Ik heb Mijn wijn, mitsgaders Mijn melk gedronken. Eet, vrienden, drink en wordt dronken, o Liefste. Mijn duive, zijnde in de kloven der steenrotsen, in het verborgene van een steile plaats, toon Mij uw gedaante; doe Mij uw stem horen, want uw stem is zoet, en uw gedaante is liefelijk."

4. Verheerlijking en volkomen zaligheid is het werk van Christus en daarin is het genot van de heiligen volkomen. Hij is hun een oorzaak van de eeuwige zaligheid geworden (Hebr. 5:9). Het is Zijn werk hen te roepen tot deze vreugde, en hen in Zijn vreugde te doen ingaan, en hen daarvan ten volle te overtuigen. "Gij zult mij het pad des levens bekend maken; verzadiging van de vreugde is bij Uw aangezicht; liefelijkheden zijn in Uw rechterhand eeuwiglijk" (Ps. 106:11). Dan zijn gewis de wegen van de Wijsheid liefelijkheid.

2e Om deze waarheid verder te bewijzen, namelijk, dat de wegen van de Wijsheid liefelijkheid zijn, door enige liefelijke bronnen van genot te ontsluiten, waaruit de kinderen van de Wijsheid, die haar wegen bewaren, hun vertroosting putten, zal ik een viervoudige bron en fontein vermelden, waaruit de gelovige zijn genot kan trekken, namelijk: God en Zijn eigenschappen; Christus en Zijn volheid; de Geest en Zijn werkingen; het verbond en zijn beloften.

1. God en Zijn eigenschappen zijn de bron en fontein van de vergenoeging van de gelovigen. O wat is hier een oceaan van verlustiging! Hij is een God van oneindige macht, wijsheid en goedheid. Hier is wijsheid om te besturen, macht om te beschermen, heiligheid om te heiligen, rechtvaardigheid om te voldoen, goedheid om medelijden te hebben, en getrouwheid om alles te doen wat Hij gezegd heeft. Waar zult u troost vinden, als u die niet in God vindt? Wat een schraal portie is de wereld. Doch God is het eeuwig en onveranderlijk Deel van Zijn volk. Er is meer grond van troost in dat ene woord: "Ik zal uw God zijn", dan in duizend werelden. Wat kan hun ontbreken, die een God hebben om er heen te gaan? Kan hem water ontbreken die de Oceaan bezit? Kan hij licht missen, die de Zon tot zijn beschikking heeft?

2. Christus en Zijn volheid zijn de Fontein en Bron van zijn genot; de Schatkamer van Zijn verlustiging waaruit hij dagelijks mag halen wat hij tot zijn troost behoeft. De grote dingen die hij voor Zijn bruid doet zijn onuitsprekelijk. Hij betaalt al haar schulden en voorziet in al haar behoeften. Al haar fonteinen zijn in Hem, en uit Zijn volheid ontvangen zij ook genade voor genade (Joh. 1:16). In Hem woont al de volheid van de Godheid lichamelijk (Kol. 2:9, 10) en zij zijn volmaakt in Hem. Hij is ons geworden wijsheid van God, en rechtvaardigheid, en heiligmaking, en verlossing (1 Kor. 1:30).

3. De Geest en Zijn werkingen zijn de Bron en Fontein van de vertroostingen van de gelovigen. Hij is de Trooster (Joh. 16:7) en Hij geeft soms een sterke vertroosting: (Hebr. 6:18) "Opdat wij door twee onveranderlijke dingen, in welke het onmogelijk is, dat God liege, een sterke vertroosting zouden hebben, wij namelijk, die de toevlucht genomen hebben, om de voorgestelde hoop vast te houden." Zij die de Geest van het geloof en van de bekering hebben, hebben de belofte van de Geest tot vertroosting, en in al Zijn onderscheiden werkingen zijn menigvuldige vertroostingen. De Geest wordt in Zijn werking vergeleken bij de wind: (Hoogl. 4:16) "Ontwaak Noordenwind, en kom gij Zuidenwind, doorwaai mijn hof, dat zijn specerijen uitvloeien"; bij water: (Joh. 3:5) "Voorwaar, voorwaar zeg Ik u, zo iemand niet geboren wordt uit water en Geest, hij kan in het koninkrijk Gods niet ingaan;" bij vuur: (Matth. 3:11) "Die zal u met de Heilige Geest en met vuur dopen;" bij olie: (Ps. 45:8) "Gij hebt gerechtigheid lief en haat goddeloosheid; daarom heeft U, o God, Uw God gezalfd met vreugdeolie boven Uw medegenoten; (1 Joh. 2:27) "En de zalving, die gijlieden van Hem ontvangen hebt, blijft in u, en gij hebt niet nodig, dat iemand u lere; maar gelijk dezelve zalving u leert van alle dingen, zo is zij ook waarachtig, en is geen leugen; en gelijk zij u geleerd heeft, zo zult gij in Hem blijven." Nu, dit is de wind, die liefelijk hun zeilen vult, en hun reis naar de hemelse haven bevordert. Dit is die fontein van water in hen, opspringende tot in het eeuwige leven; en de beekjes van deze rivier verblijden de stad Gods. Dit is het vuur, dat hun harten brandende in hen maakt, en dit is de vreugdeolie, die de raderen van hun ziel smeert, om de Christelijke loopbaan te lopen, terwijl de blijdschap des Heeren hun sterkte is.

4. Het verbond en zijn beloften zijn voor de gelovigen fonteinen en bronnen van vermaak. De gehele schat van het Evangelie is hun gegeven, om er zich in te verlustigen. De zinnelijke, onwetende wereld weet er weinig van, welke liefelijke en ondersteunende genoegens daar voor hen uit voortvloeien. Wat verschafte dit een vertroosting aan David: "Hoewel mijn huis alzo niet is bij God. nochtans heeft Hij mij een eeuwig verbond gesteld, dat in alles wel geordineerd en bewaard is, voorzeker is daarin al mijn heil, en alle lust, hoewel Hij het nog niet doet uitspruiten." (2 Sam. 3:5). Gods verbond der belofte, dat in Christus vast staat, is de vertroosting van de Christen in al zijn ellenden: (Ps. 119:50) "Dit is mijn troost in mijn ellende; want Uw toezegging heeft mij levend gemaakt". Een belofte uit de Schrift, van de liefde Gods en van het toekomende leven, is oneindig meer waard dan al de rijkdommen, waardigheden en genoegens van de wereld; deze vergaan, "maar het Woord des Heeren bestaat in der eeuwigheid". Wij hebben beloften, die gepast zijn voor elke staat en iedere moeilijkheid. O vrienden, welke vertroosting zouden wij kunnen vinden, als wij geen belofte hadden? Wat anders dan een belofte kan hen vertroosten, die in het gemis verkeren? Wij kunnen meer verblijd zijn in ziekte, met een belofte dan anderen in hun gezondheid, zonder een belofte. Een belofte in de gevangenis is meer dan vrijheid; een belofte in armoede is meer dan rijkdom; een belofte in de dood is beter dan het leven. Al wat u hebt, zonder een belofte, kunt u in één ogenblik verliezen, samen met uw ziel en uw hoop; doch al wat u hebt, met een belofte, staat vast. Ja gelovige, u bent onuitsprekelijk veel zekerder van hetgeen u in belofte hebt, dan van wat u bezit. De vertroosting die u bezit is de stroom-vertroosting, die spoedig kan ophouden, doch de vertroosting die u in belofte hebt is de fontein-vertroosting, die nooit kan worden afgesneden. Daarom worden wij geroepen door het geloof te leven en niet bij gevoel. Gevoelige vertroostingen zijn hier niet vast, maar de belofte, de grond van het geloof, is vast en onbeweeglijk. Wij kunnen met blijdschap door de dood gaan met een belofte van het leven in onze hand, terwijl de ongelovigen in wanhoop in het stof terneer liggen. Al zouden wij door ongeloof aan de belofte Gods twijfelen, nochtans zal dat de belofte niet krachteloos maken, want: "Het vaste fondament Gods staat." Al zouden hemel en aarde voorbij gaan, Zijn Woord zal niet voorbij gaan, totdat alles zal vervuld zijn.

 

De wegen van de Wijsheid lieflijkheid, en haar paden vrede (2e preek)

Spr. 3:17. Haar wegen zijn wegen der liefelijkheid, en al haar paden vrede.

Onze gezegende Verlosser wordt gedurig in de heilige bladeren en voornamelijk in dit Spreukenboek voorgesteld onder de naam van Wijsheid; niet alleen in dit teksthoofdstuk van ons, vanaf vers 13—18, doch ook in hfdst. 4:7; 8; 9:1; enz. Onder deze Naam, wordt Zijn heerlijke voortreffelijkheid, in vele van de bovengenoemde plaatsen, in een helder licht gesteld, dat zij kostelijker is dan robijnen, en dat al wat u lusten mag niet met haar is te vergelijken. Wat zo sierlijk en verheven door Job, (Hoofdst. 28:12—20) wordt gezegd tot lof van de wijsheid, kan met recht van Hem worden gezegd. Gelijk Christus, de wezenlijke Wijsheid Gods zozeer voortreffelijk heerlijk is in en van Zichzelf, zo ook draagt alles wat Hem aangaat en tot Hem behoort een indruk van Zijn heerlijke waardigheid. Hij is het Afschijnsel van de heerlijkheid des Vaders en het uitgedrukte Beeld Zijner zelfstandigheid, en de Zijnen vertonen uit kracht van hun vereniging met Hem het beeld Gods; zij zijn de goddelijke natuur deelachtig geworden en worden aangemerkt als de heerlijken op aarde. De rechtvaardige is voortreffelijker dan zijn naaste; van des Konings dochter is geheel verheerlijkt inwendig. De godsdienst van de gezegende Jezus is heerlijk, voortreffelijk en goddelijk, en het onderscheidend kenmerk van allen, die toebereid worden voor de heerlijkheid. De belijdenis hiervan is ten hoogste raadzaam en waarlijk een sieraad, en de oprechte en godvruchtige beoefening het kenmerk van de ware Christen, en dat een goddelijk levensbeginsel in de ziel geplant is. In één woord, alles wat God aangaat is beminnelijk en liefelijk, en brengt de grootste verlustiging en voldoening voort, want "de wegen der Wijsheid zijn liefelijkheid en al haar paden vrede."

Wij hebben reeds volbracht wat ons voornemen was te zeggen over het eerste algemene hoofdpunt volgens de voorgestelde wijze van behandeling, welke was om de waarheid te betogen van het voorstel, namelijk, dat de wegen van de Wijsheid liefelijkheid zijn. Wij hebben dit gedaan bij wijze van gevolgtrekking uit bijzonderheden, door enige van de wegen van de Wijsheid die liefelijkheid zijn, te behandelen, en daarna door enige van de bronnen van vermaak te ontsluiten, welke Sions kinderen hebben, die haar wegen bewaren. Wij zullen nu voortgaan tot:

II. De tweede zaak die wij voorstelden, welke was: te spreken over de hoedanigheid van dat vermaak, dat in de wegen van de Wijsheid wordt gevonden. Hier zullen wij gelegenheid hebben de voortreffelijkheid van de liefelijkheid van de wegen van de Wijsheid na te gaan, en hoe die alle werelds genoegen overtreffen.

1. Het liefelijk genot van de wegen van de Wijsheid is wezenlijk en duurzaam. Het wordt genoemd, een onuitsprekelijke en heerlijke vreugde (1 Petr. 1:8), terwijl daarentegen de zinnelijke vermaken, evenals het lachen van de kinderen, voorbijgaand vluchtig zijn. Evenals kinderen het ene ogenblik lachen en het volgende schreien, zo wordt de wereldse blijdschap op de hielen gevolgd door droefheid, want zij heeft geen diepte en versterkt het hart niet tegen benauwdheid, gelijk de blijdschap van het geloof dat doet. Daarom wordt van het vermaak van de wereld, wanneer het met het geestelijk genoegen wordt vergeleken, gezegd, dat "gelijk het geluid van de doornen onder een pot, (Pred. 7:6) alzo het lachen eens zots is;" het is niets dan een flikkering en het is voorbij. Hierom ook kunnen de wereldse genoegens worden vergeleken bij Jona’s wonderboom, die in één nacht werd, en in één nacht verging (Jona 4:6, 7). Wij zijn vlug klaar ons te verheugen in de troost, die het schepsel biedt, doch God beschikt een worm, en hij verdort. Wanneer een mens er de meeste verwachting van heeft, dan komt er een worm, die ze met wortel en tak opeet. Het zijn zulke vertroostingen, die de wind kan uitdrogen, of het water kan ze verdrinken, het vuur kan ze verbranden; de mot kan ze opeten, of de dief kan ze stelen; krankheid kan ze doen vergaan, of de dood kan ze vernietigen; de een of andere worm kan er aan knagen en ze opeten. Doch de genoegens van de godzaligheid zijn zo hecht en wezenlijk, dat zij vuur en water kunnen trotseren. (Jes. 43:1,2) "Maar nu, alzo zegt de Heere, uw Schepper, o Jakob, en uw Formeerder, o Israël; Vrees niet, want Ik heb u verlost, Ik heb u bij uw naam geroepen, gij zijt Mijn. Wanneer gij zult gaan door het water, Ik zal bij u zijn, en door de rivieren, zij zullen u niet overstromen; wanneer gij door het vuur zult gaan zult gij niet verbranden, en de vlam zal u niet aansteken." Zij kunnen verdrukking, of benauwdheid, of vervolging, of honger, of naaktheid, of gevaar, of zwaard uitdagen: (Rom. 8:35, 38, 39) zij kunnen dood, of leven, of engelen, of overheden, of machten, of tegenwoordige of toekomende dingen trotseren; noch hoogte, noch diepte noch enig ander schepsel zal ons kunnen scheiden van de liefde Gods, welke is in Christus Jezus onze Heere.

2. De liefelijkheden van de wegen der Wijsheid zijn redelijke genoegens, en wel gegrond, en veilig. Zij zijn niet gegrond op misvattingen en inbeeldingen, doch zij zijn bekrachtigd door de belofte en de eed van God, die twee onveranderlijke dingen, in welke het onmogelijk is dat God liege (Hebr. 6:18). Niemand, behalve een liegende duivel, of een ongelovig hart vol van godslastering zal de grondslag van hun geloof en vertroosting in twijfel trekken. De goddelozen echter verheugen zich in hun waan, zij hebben het aan hun onwetendheid en dwaling te danken, dat zij vrolijk kunnen zijn; zij lachen maar in hun slaap, en als krankzinnigen in hun verdwaasdheid. Als zij de kortstondigheid van hun vermaken en de langdurigheid van hun smarten kenden: als zij wisten hoe zij God ergeren met hun vleselijk genot, hoe de duivel zich verblijdt in hun vreugde, en hoe dicht zij bij de hel, en eeuwig wee en gejammer zijn, het zou hun gelach in een klaaglied veranderen. Zij verblijden zich op een blote vergissing; het hart zal ook in het lachen smart hebben, en het laatste van die blijdschap is droefheid (Spr. 14:13). "Zoveel als zij zichzelf verheerlijkt heeft, en weelde gehad heeft, zo grote pijniging en rouw doet haar aan" (Openb. 18:7). Ik heb van een zeker onkruid gelezen, dat de schepselen, die het eten, hun leven lang doet lachen; zo’n onkruid eten de goddelozen van de wereld, dat zij lachende naar de hel gaan.

3. Het liefelijk genot van de wegen van de Wijsheid is geestelijk, rein en heilig. De duivel is er een vijand van; het is in strijd met de zonde, en het is een gebod: "Verblijdt u te allen tijd" (1 Thess. 5:16). Het is de gave Gods, de vrucht van de Geest Gods, en het gaat gepaard met de vreze Gods. (Hand. 9:31) "De gemeenten wandelden in de vreze des Heeren en de vertroosting des Heiligen Geestes." Het is gewaarborgd door Zijn gebod en bevorderd door Zijn belofte. De vermaken van de goddelozen daarentegen zijn onrein en zondig, dat zijn verboden vermaken, die door God veroordeeld en door Zijn bedreigingen vervloekt zijn. De goddelozen hebben geen vrede, zegt de Heere (Jes. 48:22). Hij verbiedt de blijdschap aan een wederstrevig volk: Verblijdt u niet, o Israël, tot opspringens toe, gelijk de volken: want gij hoereert van uw God af (Hos. 9:1). Hij vermaant hen tot wenen, en rouwklagen, en het hart te scheuren. (Joël 2:12, 13) "Bekeert u tot Mij met uw gehele hart, en dat, met vasten en geweer, en met rouwklage. En scheurt uw hart en niet uw klederen, en bekeert u tot de Heere uw God, want Hij is genadig, en barmhartig, lankmoedig, en groot van goedertierenheid, en berouw hebbende over het kwade." (Zie Jak. 5:1—5) God betuigt tegen hun vrede, en spreekt het vonnis over hen uit, dat zij zullen wenen en huilen. "Welaan nu, gij rijken, weent en huilt over uw ellendigheden, die over u komen. Uw rijkdom is verrot, en uw klederen zijn van de motten verteerd geworden; uw goud en zilver is verroest en hun roest zal u zijn tot een getuigenis en zal uw vlees als een vuur verteren".

4. De liefelijkheden van de wegen van de Wijsheid zijn verlichtend, zij schenken rust in het midden van ellende en moeilijkheden. (Ps. 94:19) "Als mijn gedachten binnen in mij vermenigvuldigd werden, hebben Uw vertroostingen mijn ziel verkwikt." Zij geven verlichting van tegenwoordige vrezen voor gevaar en benauwdheid, en ontslag van toekomende vrezen voor dood en oordeel. Doch de wereldse genoegens, in plaats van verlichting van ellende te geven, vermeerderen die. Ja, de gedachten over de dood, het oordeel en de eeuwigheid, zullen al hun blijdschap schielijk bederven en een einde maken aan hun verheuging.

5. De liefelijke genietingen van de wegen van de Wijsheid zijn zowel reinigende, als reine wegen; zij zijn verbeterende, zij maken ons beter. Het is er zo ver van af, dat zij het gemoed zouden krenken en tot de zonde leiden, dat zij het integendeel in orde brengen en reinigen, en de zonde, meer dan ooit, hatelijk maken. Niemand haat de zonde zozeer als hij, die het meest van de liefelijkheid van de goddelijke genade heeft geproefd en die het meeste geniet van de blijdschap van Gods heil. Zij worden niet gevangen in de strikken van het vlees, zolang zij de smaak van de goddelijke genietingen niet verliezen, en hun verlustiging in Christus niet laten verwelken. Zolang wij ons in God blijven verlustigen is de wereld maar drek, is eer ons als rook, en is begeerlijkheid ons een stank. Dat is de beste en sterkste Christen, die de meeste geestelijke verlustiging en genieting heeft; en waarom? God ontmoet de vrolijke en die gerechtigheid doet, degenen die Hem gedenken op hun wegen (Jes. 64:5). Doch de vleselijke vermaken bederven, in plaats van reinigen; zij maken de mens erger en niet beter. Dat zijn strikken om de mensen te vangen, en om hun zielen te betoveren en te bevlekken, die zuiver voor God moesten zijn. Het geraas van de zinnelijke genietingen smoort de stem Gods en van de rede. O! Wat is er weinig van God in de jacht, in dobbelen en kaarten, drinken dansen, tieren en brassen, waarmee de mensen zich vermaken. Hoe weinig is er van de hemel in hun gemoed, wanneer het hart in zinnelijke lusten verzonken en verdronken ligt. Dan is het versteend en verhard tegen het Woord en de waarschuwingen van God. Dan zijn zij dwaas, ongehoorzaam, dwalende, wanneer zij menigerlei begeerlijkheden en wellusten dienen (Tit. 3:3). Dezulken zijn onwillig, de dingen die hun eeuwige vrede aangaan kalm en ernstig te overwegen, en daarom zien wij zo dikwijls, dat zij verachters en bespotters van de genademiddelen worden.

6. De liefelijkheden van de wegen van de Wijsheid zijn edel en hemels. Zij zijn van dezelfde natuur als die welke de heiligen en engelen van God hebben. Welk verschil er ook is in graad, zij zijn nochtans van dezelfde soort. Het is dezelfde God en dezelfde heerlijkheid, die nu de gelovige verheugt, zoals die met ongedekt aangezicht aanschouwd worden. Indien de hemel de staat van de hoogste blijdschap en vergenoeging is, dan moet de staat van genade, welke er het dichtst bij komt, een liefelijke staat zijn. Doch de zinnelijke genietingen zijn laag en aards, zo ongelijk aan de genietingen van de hemel, dat niets het hart meer van de hemel aftrekt en het er meer ongeschikt voor maakt.

7. De liefelijke genietingen van de wegen van de Wijsheid zijn hoog en verheven; hier verlustigt de ziel zich in dingen van de hoogste waarde. De vermaken van de heiligheid zijn heerlijke en verheven verlustigingen, die voortkomen uit de grootste en heerlijkste dingen, en onderhouden worden door God, en Zijn genade, en eeuwige heerlijkheid, terwijl het genot van de zinnen gevoed wordt met beuzelingen en zwijnendraf. De genoegens van de vleselijke mens in deze wereld zijn als die van jonge kinderen, die met poppen, en speelgoed, en snuisterijen, en vlinders spelen. Wij kunnen aan de stof waarmee hun vermaken worden gevoed oordelen welk van de twee het liefelijkste en vermakelijkste leven is; met de goddelozen zich te vermaken in hun schande, en aan de rand van de ellende te liggen, of met de ware gelovige zich te verlustigen in de liefde Gods, en zich te verblijden in de zekerheid van de hoop van de heerlijkheid Gods. Het ware genot van de gelovigen is met de engelen, zich in God en in de heerlijkheid Gods in Christus te verlustigen, maar het genot van de zondaars is, evenals de zwijnen, in het slijk van de zonde te wentelen, en evenals de honden hun eigen uitbraaksel op te eten (2 Petr. 2:22).

8. De liefelijkheden van de wegen van de Wijsheid zijn duurzaam, ja eeuwig. Wij verheugen ons niet in een beweeglijk, maar in een onbeweeglijk goed, in de onveranderlijke God; in de onveranderlijke liefde Gods; in de onveranderlijke belofte van het verbond, en in de hoop van een onbeweeglijk koninkrijk. Deze liefelijkheden zijn liefelijkheden eeuwiglijk (Ps. 16:11). Weliswaar, dat de blijdschap van de gelovigen hier in deze wereld dikwijls wordt onderbroken door de nabijheid van het vlees, en de overmacht van de zonde, en de verbergingen van Gods aangezicht, doch nochtans houdt God, ten minste in de wortel, hun vertroostingen in het leven, en Hij zal ze doen uitspruiten, als wij ze nodig hebben en het goed voor ons is, en niemand zal hun blijdschap van hen wegnemen (Joh. 16:22). De dood kan de blijdschap van een gelovige niet doden, het graf kan die niet begraven, miljoenen eeuwen zullen haar niet doen eindigen, want God heeft ons gegeven een eeuwige vertroosting, en goede hoop in genade (2 Thess. 2:16). De wereldse genoegens zijn echter maar van korte duur; zij zijn al voorbij voordat wij gewaarworden, dat wij ze gehad hebben, en de wereldlingen zaaien daarmede de zaden van eeuwige smart. De duivel is daarin bezig hen te krauwen, evenals de slachter de keel van een varken scheert voordat hij het de nek afsnijdt. Hij, die vele dagen, en maanden, en jaren in zondige vermaken heeft doorgebracht, heeft er geen genot meer van wanneer het voorbij is; niet meer, dan wanneer het er nooit geweest was, ja veel erger. De beenderen en het stof van vele duizenden liggen op het kerkhof, die menige zoete beet geproefd en menige vrolijke, wulpse dag gehad hebben; en wat zijn zij er nu te beter om? Wat hebben zij meer, dan diegenen die hun tijd in smart en droefheid hebben doorgebracht? Die armoede en smart geleden heeft is daar hun gelijke. Hun zielen hebben even weinig van dat genot, als hun stof. In de hemel worden die vleselijk verlustigingen verafschuwd, in de hel zijn zij in eeuwige vlammen omgezet, en de nagedachte is als brandhout voor het verterend vuur. Helaas! Hoe dwaas is het de genieting van de zonde te verkiezen, die maar voor een tijd is (Hebr. 11:25). De blijdschap van de goddelozen gaat schielijk ten onder in eeuwige droefheid. (Job. 20:4-9) Weet gij dit? Van altoos af, van dat God den mens op de wereld gezet heeft, dat het gejuich de goddelozen van nabij geweest is, en de vreugde des huichelaars voor een ogenblik? Wanneer zijn hoogheid tot den hemel toe opklom, en zijn hoofd tot aan de wolken raakte; zal hij, gelijk zijn drek, in eeuwigheid vergaan; die hem gezien hadden, zullen zeggen: Waar is hij? Hij zal wegvlieden als een droom, dat men hem niet vinden zal, en hij zal verjaagd worden als een gezicht des nachts. Het oog, dat hem zag, zal het niet meer doen; en zijn plaats zal hem niet meer aanschouwen." (Job 21:12, 13) "Zij heffen op met de trommel en de harp, en zij verblijden zich op het geluid des orgels. In het goede verslijten zij hun dagen; en in een ogenblik dalen zij in het graf." Dan zal de kortstondige droefheid van de vromen in eeuwige blijdschap vergeten zijn. (Joh. 16:20) "Voorwaar, voorwaar Ik zeg u, dat gij zult schreien, en klaaglijk wenen, maar de wereld zal zich verblijden; en gij zult bedroefd zijn, maar uw droefheid zal tot blijdschap worden". O vrienden! wie kan de vermaken van de goddelozen op prijs stellen, die op hun einde let? Indien dwaas en onzinnig te zijn een wonder was, dan zou het een wonder zijn, dat de goddelozen vrolijk kunnen zijn, wanneer hun gewetens hun aanzeggen, dat zij niet verzekerd zijn, dat zij nog een uur buiten de hel zullen blijven. Wanneer zij toch zeggen; "Ziel neem rust, eet, drink en wees vrolijk", dan kan God plotseling tot hen zeggen: "Gij dwaas, in deze nacht zal men uw ziel van u afeisen; en hetgeen u bereid hebt, wiens zal het zijn", en waar is dan uw sport en uw pret? Gelijk een papieren muur geen weerstand kan bieden aan het verterend vuur, evenmin kunnen uw vergankelijke genoegens bestaan voor het fronsen van God, of voor het gezicht van de dood. Ja, zij kunnen maar nauwelijks verduren, dat men eens ernstig denkt aan de dag van de dood en van het oordeel dat ophanden is. Zij hebben hun gerustheid en plezier te danken aan hun dwaasheid, zekerheid en onzinnigheid. Ook verhindert en verijdelt hun tijdelijk genot hun eeuwige genietingen, terwijl het liefelijk vermaak van de heiligen eeuwig is.

III. Ons derde punt was, dat wij zouden spreken over enige van de bijzondere paden van de Wijsheid, welke beide vrede en liefelijkheid zijn. Vrede en liefelijk vermaak zijn zo nauw aan elkaar verwant, dat de vrede als het vuur, en het vermaak als de vlam is. Vrede is de wortel van die liefelijke genietingen, en het genot is de vrucht van de vrede. Ik heb in de verklaring gezegd, dat de paden van de Wijsheid òf zulke wegen zijn waarin de Wijsheid tot ons komt, òf zulke die de Wijsheid ons aanwijst, opdat wij die zullen bewandelen. Bij de behandeling van het eerste algemene hoofd, heb ik voornamelijk die wegen geschetst waarlangs de Wijsheid tot ons komt, en wel in het bijzonder: haar liefelijke voorzienige besturingen, waaraan wij ons met blijdschap onderwerpen en waarin wij liefelijk berusten; liefelijke leerstellingen welke wij met blijdschap mogen geloven en aankleven; liefelijke evangelische genaden welke wij met vermaak ontvangen en beoefenen; en liefelijke geestelijke weldaden en werken Gods in en omtrent ons, welke wij met blijdschap hebben te koesteren en waarvoor wij Hem aanbidden.

Behalve de algemene wegen van de Wijsheid zijn er echter ook bijzondere paden, voornamelijk zodanige welke de Wijsheid ons aanwijst, om die te bewandelen, welke zullen bevonden worden liefelijkheid en vrede te zijn. Die paden zijn òf inwendig, dat zijn zulke, welke het oefenen van de genaden betreffen, òf uitwendig, en dat zijn de zodanige, die het verrichten van de plichten betreffen

1e Er zijn inwendige paden van de Wijsheid, die betrekking hebben op de genaden, die geoefend worden. Ik heb dit reeds aangestipt bij de behandeling van het eerste algemene hoofd, waarin ik over de algemene evangelische genaden heb gesproken, en zal daarom hierover niet verder uitweiden, noch herhalen wat ik daarover gezegd heb, doch alleen een paar dingen daaraan toevoegen, en wel voornamelijk de beide volgende:

1. Blijdschap. Inwendige blijdschap is een genade waartoe de gelovigen vermaand worden die te beoefenen. Gelijk het Koninkrijk Gods bestaat in rechtvaardigheid zo ook in vrede, en blijdschap door de Heilige Geest (Rom. 14:17). Zij ontvangen niet de Geest der dienstbaarheid wederom tot vrees, meer de Geest de aanneming tot kinderen, door welke zij roepen. Abba, Vader (Rom. 8:15). O vrienden! Wat moet dat liefelijk zijn, bekwaam gemaakt te worden met vrijmoedigheid, liefde en vertrouwen, God Vader te noemen, en in elk gevaar en elke nood tot Hem de toevlucht te nemen om hulp en onderstand. Zij alleen, die het genieten, kennen er de liefelijkheid van. De vrucht des Geestes is liefde, blijdschap en vrede (Gal. 5:22). Indien de blijdschap zelf een deel is van de staat van de genade, dan kunt u beseffen dat het een allerliefelijkst pad is.

2. Inwendige droefheid, vrezen, zorgen en onrust worden de kinderen van God verboden. De kinderen van de Wijsheid, en daarom ook de wegen van de Wijsheid, moeten liefelijkheid en vrede zijn. God heeft ons bevolen onze bekommernissen op Hem te werpen, en heeft beloofd voor ons te zorgen (1 Petr. 5:7). Hij vermaant ons in geen ding bezorgd te zijn, maar dat wij onze begeerten in alles, door bidden en smeken, met dankzegging laten bekend worden bij God. (Filip. 4:6). Kan er een liefelijker koers zijn dan die, welke alle buitensporige zorgen, vrezen en smarten uitsluit, evenzeer als gezondheid ziekte buitensluit? Hier wordt het ongeoorloofd verklaard ellendig en bedroefd te zijn; geen droefheid wordt vergund dan die, welke tot onze blijdschap strekt. Ja, God heeft zorg, en vrees, en onrust verboden,, want Zijn gebod is: "Zijt niet bezorgd, (Jes. 35:4 en 41:10) Zegt de onbedachtzamen van hart: Weest sterk en vreest niet, ziet ulieder God zal ter wraak komen met de vergelding Gods, Hij zal komen en ulieden verlossen." "Vreest niet, want Ik ben met u, zijt niet verbaasd, want Ik ben uw God, Ik sterk u, ook help Ik u, ook ondersteun Ik u met de rechterhand Mijner gerechtigheid". Wat vreest u dan? Vreest u smaadheid? Dan doet u dat in strijd met de wil van God, die zegt: "Vreest niet de smaadheid van de mens, en voor hun smaadredenen ontzet u niet" (Jes. 51:7). Vreest u de grimmigheid van de mensen, de macht en woede van de vijanden? (Jes. 51:12) "Wie zijt gij, dat gij vreest voor de mens, die sterven zal? En voor eens mensen kind, dat hooi worden zal? Wel, het is in strijd met uw godsdienst, want God zegt: Vreest hen niet. (Jes. 45:5, 13) "Vreest niet, want Ik ben met u, Ik zal uw zaad van de opgang brengen, en Ik zal u verzamelen van de ondergang. Ook eer de dag was, ben Ik, en daar is niemand die uit Mijn hand redden kan; Ik zal werken en wie zal het keren?" (Jes. 44:2, 8) "Zo zegt de Heere uw Maker, en uw Formeerder van de buik af, Die u helpt: Vrees niet, o Jakob Mijn Knecht, en gij Jeschurun, die Ik uitverkoren heb." "Verschrikt niet, en vreest niet, heb Ik het u van toen af niet doen horen, en verkondigd? Want gijlieden zijt Mijn getuigen. Is er ook een God behalve Mij? Immers is er geen andere Rotssteen, Ik ken er geen." Vreest u vervolging of de dood door wreed geweld? Wel, dat is in strijd met de wil van God, Die zegt: Matth. 10:28) "Vreest u niet voor degenen die het lichaam doden, en de ziel niet kunnen doden; maar vreest veel meer Hem, Die beide ziel en lichaam kan verderven in de hel". O, wat moet dit dan een liefelijk, vredig pad zijn, waar alles wat kwellend en smartelijk is verboden, en alles wat verrukkelijk en verblijdend is, geboden is! Hier wordt ons het werk en de plicht opgelegd, ons in de Heere te verblijden: ja, ons te aller tijd te verblijden (Filip. 4:4). Nu, o arme misleide zondaar, die graag vrij zoudt willen zijn van zorgen, vrees en droefheid, als u zichzelf aan Christus geven en de paden van de Wijsheid kiezen wilt, dan zult u van die alle vrij zijn, uitgenomen in zoverre ze noodzakelijk zijn voor uw blijdschap. (Ps. 33:1 en 97:11) "Gij rechtvaardige, zing vrolijk in de Heere, en verheug u, gij rechtvaardige, en zingt vrolijk alle gij oprechten van hart." (Ps. 132:9, 16) "En dat Uw gunstgenoten juichen; en hun gunstgenoten zullen zeer juichen." (Ps. 5:12) "Maar laat verblijd zijn allen die op U betrouwen; tot in eeuwigheid laat ze juichen, omdat Gij ze overdekt; en laat in U van vreugde opspringen die Uw Naam liefhebben". (Filip. 3:1) "Voorts, mijn broeders, verblijdt u in de Heere." U die geen leven liefhebt dan een leven van genot en vrolijkheid, hier is het te krijgen. Als u God tot uw God, en Christus tot uw Meester wilt hebben, en u verkiest de wegen van de Wijsheid, dan zullen vrolijkheid en geestelijke blijdschap uw werk en uw bezigheid zijn. Doch er zijn ook:

2e Uitwendige paden van de Wijsheid, die betrekking hebben op het verrichten van de plichten, welke ook alle vol van liefelijkheid en vrede zijn. Ik zal enkele van deze behandelen.

1. De plicht van het horen en lezen van het Woord: wat is het liefelijk daarin bezig te zijn. Dit blijkt helder uit de bevinding van allen, die door het Woord verlevendigd, vernieuwd en verkwikt zijn geworden. Indien u die er geen liefelijkheid in ziet, hen niet wilt geloven die zeggen, dat zij het ervaren, gelooft dan ten minste het Woord van God en de verklaringen van de heiligen vanouds. (Ps. 119:14, 16, 24, 47, 92, 93, 72, 103, 111, 127, 162, 165.) "Ik ben vrolijker in den weg Uwer getuigenissen, dan over allen rijkdom. Ik zal mijzelven vermaken in Uw inzettingen; Uw woord zal ik niet vergeten. Ook zijn Uw getuigenissen mijn vermakingen, en mijn raadslieden. En ik zal mij vermaken in Uw geboden, die ik liefheb. De wet Uws monds is mij beter, dan duizenden van goud of zilver. Indien Uw wet niet ware geweest al mijn vermaking, ik ware in mijn druk al lang vergaan. Ik zal Uw bevelen in der eeuwigheid niet vergeten, want door dezelve hebt Gij mij levend gemaakt. Ik heb Uw getuigenissen genomen tot een eeuwige erve, want zij zijn mijns harten vrolijkheid. Daarom heb ik Uw geboden lief, meer dan goud, ja, meer dan het fijnste goud. Ik ben vrolijk over Uw toezegging, als een, die een groten buit vindt. Die Uw wet beminnen, hebben groten vrede, en zij hebben geen aanstoot." Het is het werk en het kenmerk van een welgelukzalig mens, dat zijn lust is in des Heeren wet, en hij overdenkt Zijn wet dag en nacht (Ps. 1:1, 2).

Vraagt u: Wat is er in het Woord, dat zoveel genoegen verschaft?

Dan antwoord ik: Daarin worden vele liefelijke dingen gevonden voor Gods kinderen, om er zich in te verlustigen. Behalve de aangename leringen van het Woord, vindt men er ook liefelijke raadgevingen, nodigingen, beloften en getuigenissen, zoals ik reeds heb aangemerkt.

2. De plicht van het gebed, zowel in het verborgen als in gezelschap, wat is die liefelijk voor hen, die daarin geoefend zijn? (Jer. 33:3) "Roept tot Mij, en Ik zal u antwoorden; en Ik zal u bekendmaken grote en vaste dingen, die gij niet weet". Wij kunnen de vraag, wat het horen zo onaangenaam maakt, in betrekking tot het vorige punt beantwoorden: Wel, omdat zij horende, niet horen. Indien zij toch de stem Gods hoorden, zou het hun de liefelijkste zaak ter wereld zijn, want het is een levendmakende, een hartversterkende en opwekkende stem. En zo ook, wat maakt het gebed verdrietig? Wel, omdat zij, biddende, niet bidden. Als de mensen wisten wat dat was, evenals Jakob, met God in het gebed te worstelen, zij zouden de naam van de plaats Bethel, een huis Gods, de poort van de hemel noemen; zij zouden die Pniël noemen, waar zij God gezien hadden, aangezicht tot aangezicht (Gen. 28:17 en 32:30). Kan iemand menen, dat het een smartelijk werk voor een schuldige ziel is, om vergeving, en voor een vuile ziel, om reiniging te bidden? Zou het verdrietig werk voor een liefhebbend kind zijn met zijn vader om te gaan en te spreken? Het is het godloochenend hart; dat zegt: Het is tevergeefs God te dienen, want wat nuttigheid is het, dat wij Zijn wacht waarnemen? Ziet, wat een vermoeidheid" (Mal. 3:14 en 1:13); dat is maar een kreupele en levenloze dienst. De tijd zal echter komen, wanneer zij, die nu het gebed verachten, zullen gaan bidden; ziekte, dood en verschrikking zullen hen, die het nu met een paar dode, vormelijke en harteloze woorden afmaken, leren ernstig te bidden.

3. De plicht van loven en danken, wat is die liefelijk voor hen, die daarin geoefend zijn! Zij weten voorzeker niets van dit werk, die er het genot niet van kennen. Indien er iets in de wereld liefelijk is, dan is het de lof van God, die voortvloeit uit een liefhebbend, gelovig hart, dat vervuld is met de majesteit, barmhartigheid, goedheid en voortreffelijkheid van God in Christus om Zijn heerlijke en aanbiddelijke eigenschappen te vermelden, zoals die in het aangezicht van Jezus uitblinken, met een licht, dat de zon in helderheid oneindig te boven gaat. O! Wat is dat liefelijk, de Vader in de Zoon, de Godheid in de mensheid van onze Heere Jezus Christus, en de rijkdom van de genade in de spiegel van het Evangelie, de menigvuldige wijsheid Gods, te zien en te aanbidden! Er is niet één volmaaktheid Gods, niet één plaats in het Evangelie, niet één deel van het werk van de Geest in de ziel, of het bevat zodanige stof van lof aan God, dat die de gelovige zielen met blijdschap kan vervullen, en het een zeer liefelijk werk doet zijn. Zij weten niets van het leven van de godsdienst, die zich nooit in het loven hebben vermaakt; zij moeten aan een gevaarlijke kwaal lijden, die hen van de liefelijkste dingen doet walgen. Ziet hoe de Geest van God de aangenaamheid van deze bezigheid voorstelt. (Ps. 147:1; 149: 1, 2; 95:1, 2, 3; 96:1, 2, 3). "Looft den Heere, want onze God te psalmzingen is goed omdat Hij liefelijk is; de lof is betamelijk. Halleluja. Zingt den Heere een nieuw lied; Zijn lof zij in de gemeente van Zijn gunstgenoten. Dat Israël zich verblijde in Dengenen Die hem gemaakt heeft; dat de kinderen Sions zich ver heugen in hun Koning. Komt, laat ons de Heere vrolijk zingen, laat ons juichen de Rotssteen onzes heils. Laat ons Zijn aangezicht tegemoet gaan met lof, laat ons Hem juichen met psalmen. Want de Heere is een groot God, ja een groot Koning, boven alle goden. Zingt den Heere een nieuw lied, zingt den Heere gij gehele aarde. Zingt de Heere, looft Zijn Naam; boodschapt zijn heil van dag tot dag. Vertelt onder de heidenen Zijn eer, onder alle volken Zijn wonderen". O wat is dat verblijdend, wanneer de drang van de liefde onze lippen opent, zodat onze mond Zijn lof verkondigt. Dit is de verlustiging van heiligen en engelen. Hoe zijn zij te beklagen, die geen betere ontspanning, of genezing van zwaarmoedigheid kennen, dan het gebruik van een glas bier, een stel kaarten en een gezelschap van onheilige vloekers, dronkaards en losbollen! Wie ook zich wil overladen met de genietingen van het vlees, er zijn nog enige weinige gelukkige zielen, die het met dat ene ding van David houden: (Ps. 27:4) "Een ding heb ik van de Heere begeerd, dat zal ik zoeken: dat ik al de dagen mijns levens mocht wonen in het huis des Heeren, om de liefelijkheid des Heeren te aanschouwen, en te onderzoeken in Zijn tempel". (vs. 5 en 6) "Want Hij versteekt mij in Zijn hut, ten dage des kwaads; Hij verbergt mij in het verborgene Zijner tent; Hij verhoogt mij op een rotssteen. Ook nu zal mijn hoofd verhoogd worden boven mijn vijanden, die rondom mij zijn, en ik zal in Zijn tent offeranden des geklanks offeren; ik zal zingen, ja, psalmzingen den HEERE."

4. De plicht van het deelnemen aan het Heilig Avondmaal; wat is dat liefelijk, waardige avondmaalsgangers te zijn. Zij, die weten wat het is God bij zulke gelegenheden te ontmoeten, zullen weten, dat er niets op aarde te vergelijken is bij hetgeen soms bij die plechtige maaltijd wordt genoten. Dit heilig feestmaal is opzettelijk door de Koning van de heiligen van spijs voorzien tot liefelijk onderhoud van Zijn geslacht. Daar is het geslachte Lam van God, ons Pascha, dat voor ons geslacht is om onze zonden weg te nemen, het liefelijk voedsel. Gelijk onze zondige vermaken Zijn droefheid waren, zo ook is Zijn droefheid onze blijdschap: Zijn smart ons genoegen; Zijn dood ons leven; Zijn lijden ons feestmaal. (Joh. 6:33, 50, 51) "Want het Brood Gods is Hij, Die uit den hemel nederdaalt, en Die der wereld het leven geeft. Dit is het Brood, dat uit den hemel nederdaalt, opdat de mens daarvan ete, en niet sterve. Ik ben dat levende Brood, dat uit den hemel nedergedaald is; zo iemand van dit Brood eet, die zal in der eeuwigheid leven. En het Brood, dat Ik geven zal, is Mijn vlees, hetwelk Ik geven zal voor het leven der wereld." Hier hebben wij gemeenschap met God, als een verzoende God in Christus, Zijn eeuwige Zoon, Die Hij, de beledigde Majesteit, gezonden heeft, om onze Verlosser, Zaligmaker en Borg te zijn. Hier hebben wij met Christus, als voor ons gekruisigd en verheerlijkt, voor ons geofferd en tentoongesteld als ons levendmakend en versterkend Hoofd. Hier hebben wij gemeenschap met de Heilige Geest, Die de weldaad van de verlossing aan onze zielen toepast, ons tot de Zoon trekt, en licht, leven, sterkte en vertroosting uit Hem aan ons meedeelt. Hier hebben wij gemeenschap met het lichaam van Christus, Zijn geheiligd volk, de erfgenamen van het eeuwig leven in Christus; ook worden ons hier vergeving van zonden en de zaligheid verzegeld en de grootste goedertierenheden, die in de wereld worden genoten, in zichtbare afbeeldingen voorgesteld, opdat de middelen gepast zouden zijn voor de broosheid en zwakheid van onze tegenwoordige staat. Indien u nooit enig vermaak in deze dingen hebt gevonden, dan is dat omdat u voor de zonde levend en voor God dood bent en geestelijke zin mist. De hemel zelf toch zal u niet liefelijk zijn, wanneer niet uw natuur veranderd is, en u dus een verandering hebt ondergaan in betrekking tot hetgeen u liefelijk is. Indien de kinderen Gods, op enige tijd, weinig genot vinden in die goddelijke instelling, dan vindt dit zijn oorzaak hierin, dat de een of andere ongesteldheid de eetlust wegneemt en de zoetste dingen bitter doet smaken, omdat dan het geloof niet geoefend wordt en hun geestelijke zintuigen verstompt zijn.

5. De plichten van de Sabbatdag dienst, of van het werk van de dag des Heeren. Hoe liefelijk is dit voor allen, die de Sabbat een verlustiging noemen, opdat de Heere geheiligd worde, die te eren is! (Jes.58:13) Hoe liefelijk gaat dan de geoefende gelovige van bloem tot bloem, om voor zijn ziel honing te vergaderen voor de winter! Hoe liefelijk gaat hij van belofte tot belofte; van plicht tot plicht; van bidden tot lezen en horen, en wederom van lezen en horen tot bidden; van bidden tot loven; van de openbare tot de verborgen, en van de verborgen tot de openbare dienst van God; van de ene stichtelijke bezigheid tot de andere en van de ene stichtelijke lering tot de andere, om daardoor honig en zoetigheid voor zijn ziel te vergaderen en voorraad op te leggen voor de dood en de eeuwigheid! Helaas! Mijn vrienden, indien zinnelijke wereldlingen, die de Sabbat maar een dag van spel en ledigheid maken, wisten welk onuitsprekelijk genot geoefende zielen soms in hun openbare en huiselijke godsdienst vinden, zij zouden zich schamen over hun dwaasheid en onzinnigheid, dat zij een dag in een kroeg verkiezen boven een dag in Gods huis! Wat moest het hen beschaamd maken, als zij de koning David horen zeggen: Één dag in Uw voorhoven is beter dan duizend elders". O vleselijke, dierlijke zondaar! Wat voor u zwaar werk is, is de ontspanning van de heiligen, en die dwaasheden welke uw sport en uw ontspanning zijn, zouden hun gevangenis, en blok, en zware arbeid zijn, want zij verlustigen zich in op die Heere te wachten, Die u niet kent.

6. De plicht van heilige samenspreking is een ander liefelijk deel van het werk. Hoezeer dit ook onder Gods volk in onbruik is geraakt, nochtans blijft de plicht altijd bindend, en is de oefening liefelijk voor allen, die er zich mee bezighouden, die met elkaar spreken, niet van horen zeggen, doch bij bevinding, over de gemeenschap met God. die zij genoten hebben: de gebeden, die Hij verhoord, de verlossingen, die hij geschonken, en de ondersteuning en vertroosting in ellende, die hij vergund heeft. Zij spreken over de strijd met hun verzoekingen en hoe zij die mochten overwinnen; zij besturen elkaar in hun zwarigheden, en vertroosten elkaar met dezelfde vertroosting waarmee zij door de Heere zijn vertroost geworden; en zo stichten zij elkaar door hun geestelijke gesprekken. O Christenen! Indien uw genade niet kwijnend en uw ziel de smaak van de hemelse dingen niet verloor, zoudt u meer lust hebben in heilige samenspreking met de vromen en daartoe meer behoefte hebben aan onderlinge bijeenkomsten. (Mal. 3:16; Hebr. 10:24, 25; 3:13) "Alsdan spreken, die den HEERE vrezen, een ieder tot zijn naaste: De HEERE merkt er toch op en hoort, en er is een gedenkboek voor Zijn aangezicht geschreven, voor degenen, die den HEERE vrezen, en voor degenen, die aan Zijn Naam gedenken. En laat ons op elkander acht nemen, tot opscherping der liefde en der goede werken; en laat ons onze onderlinge bijeenkomst niet nalaten, gelijk sommigen de gewoonte hebben, maar elkander vermanen; en dat zoveel te meer, als gij ziet, dat de dag nadert. Maar vermaant elkander te allen dage, zolang als het heden genaamd wordt, opdat niet iemand uit u verhard worde door de verleiding der zonde". O vrienden! U die zich nooit hebt kunnen vermaken in de gesprekken van de vromen, over geestelijke onderwerpen, wat is het onderwerp van uw gesprekken met hen met wie u omgang hebt? Spreekt u over betere dingen dan God? Over hogere dingen dan de hemel? Of over dingen waarbij u nader belang hebt dan die van uw eeuwige belangen? Gaat naar een gezelschap van vrolijke kerels, zoals u ze noemt, en naar een gezelschap van ernstige, godvrezende mensen, en schrijft heimelijk al de woorden op, die u in beide gezelschappen hoort, en leest ze over, en ziet wat het liefelijkst en aangenaamst is. Wat een mengelmoes van onzin, onbeschaamdheid, lichtzinnigheid, wereldsgezindheid, hoogmoed en dwaasheid, en misschien ook wel onreinheid en godslastering zult u in het ene vinden; en wat een smakelijk, noodzakelijk en stichtelijk gesprek in het andere. Het is vrij wat aangenamer onder blatende schapen, en onder zingende vogels te verkeren, dan onder nietsdoende, kakelende, dwaze gezellen. Bij de eerste zult u nog enig natuurlijk goed vinden zonder inmenging van zondig kwaad, doch wat anders zult u in een goddeloos, dwaas gezelschap bespeuren, dan hoezeer de natuur verdorven is? Hoe zijn de zondaars bulten zichzelf, hoe verdwaast de duivel hen, en wat wordt God vergeten, terwijl Hij bij hen tegenwoordig is en zij in de ketenen van de duivel aan de rand van de dood en de hel liggen! Gewis, heilig samenspraken met de vromen is in zichzelf liefelijker, dan al de onbetekenende pret en de onbeduidende grappen van de goddelozen. Als u er niet zo over denkt, is dat, omdat u uw smaak hebt verloren, de duivel u bedrogen en de zonde u van uw verstand beroofd heeft. Zo heb ik u enige van de paden aangetoond, die vrede zijn, welke de Wijsheid ons aanwijst, opdat wij er in zullen wandelen.

IV. Ik kom nu tot ons vierde punt, namelijk: De natuur en de eigenschappen te verklaren van die vrede, die in de paden van de Wijsheid wordt gevonden. Het is een vrede, die onmetelijk verschilt van de vrede die de goddeloze kunnen hebben. Ik zal daarom, 1e Die vrede ontkennenderwijze beschrijven, door aan te tonen welke soort van vrede die van de goddelozen is, en 2e zullen wij die vrede stellig behandelen, door aan te tonen wat voor soort van vrede in de paden van de Wijsheid wordt gevonden.

1e Laten wij die vrede ontkennenderwijze bezien, en aantonen wat voor soort van vrede de goddelozen hebben.

1. Het is een vrede, die geen schriftuurlijke proef kan doorstaan. De mens kan niet verdragen, dat hij doorzocht wordt, omdat hij het licht haat. (Joh. 3:19, 20) "En dit is het oordeel, dat het licht in de wereld gekomen is, en de mensen hebben de duisternis liever gehad dan het licht, want hun werken waren boos. Want een ieder, die kwaad doet haat het licht, en komt tot het licht niet, opdat zijn werken niet bestraft worden." De ware vrede echter heeft lust onderzocht te worden bij de regel van het Woord. (Ps. 26:2) "Proef mij, Heere, en verzoek mij; toets mijn nieren en mijn hart." (Ps. 139:23, 24) "Doorgrond mij, o God, en ken mijn hart; beproef mij, en ken mijn gedachten. En zie of bij mij een schadelijke weg zij, en leid mij op de eeuwige weg."

2. Het is een vrede, die niet op schriftuurlijke kenmerken gegrond is. Welke schijn van waarheid en echtheid iemands vrede ook mag hebben, ja, al beroept hij zich op een groot deel van de Schrift, hij is vals indien hij geen volledig bewijs uit het Woord heeft (Jes. 8:20) "Tot de wet en tot het getuigenis; zo zij niet spreken naar dit woord, het zal zijn, dat zij geen dageraad zullen hebben."

3. Het is een vrede, die stand houdt met zonde en luiheid. Hij is bestaanbaar met het aan de hand houden van bekende zonde; terwijl de ware vrede de ziel doet volharden in de strijd tegen elk kwaad. (Ps. 68:17) "Waarom springt gij op, gij bultige bergen? Deze berg heeft God begeerd tot Zijn woning, ook zal er de Heere wonen in eeuwigheid". Hij blijft bestaan niettegenstaande traagheid en zekerheid, terwijl de ware vrede de luiheid doodt en tot geestelijke werkzaamheid opwekt. (Filip. 4:6, 7) "Weest in geen ding bezorgd; maar laat uw begeerten in alles, door bidden en smeken, met dankzegging bekend worden bij God. En de vrede Gods, die alle verstand te boven gaat, zal uw harten en zinnen bewaren in Christus Jezus." (Ps. 119:32) "Ik zal de weg van Uw geboden lopen, als Gij mijn hart verwijd zult hebben".

4. Het is een vrede, die de duivel behaagt en geen tegenstand tegen hem verwekt; terwijl de ware vrede door de gehele macht en al de list van de hel wordt tegengestaan. (Luk. 11:21) "Wanneer een sterk gewapende zijn hof bewaart, zo is al wat hij heeft in vrede". (Ef. 6:11) "Doet aan de gehele wapenrusting Gods, opdat gij kunt staan tegen de listige omleidingen van de duivel."

5. De vrede van de goddelozen is een goddeloze vrede. (Deut. 29:19) "Zij zeggen: Ik zal vrede hebben, wanneer ik schoon naar mijns harten goeddunken zal wandelen". Zij denken, dat zij mogen liegen, en stelen, en zweren, en hoereren, en Sabbatschenden, en toch vrede hebben. Dit is een onheilige vrede. Het is beter een brullend geweten te hebben, vol van de verschrikkingen van de Almachtige.

6. Het is een vrede, die op bedrog gegrond is. "Hij voedt zich met as, het bedrogen hart heeft hem terzijde afgeleid; zodat hij zijn ziel niet verlossen kan, noch zeggen: Is er niet een leugen in mijn rechterhand?" (Jes. 44:20). Het is alsof iemand in de top van een mast slaapt, op het punt van in de oceaan geslingerd te worden, en nochtans droomt, dat hij over alles heerst. Zou iemand hem benijden? Dit is de toestand van de onheiligen. Zij zijn aan alle gevaar onderhevig, aan de zwaarste donder van de hemel blootgesteld, en nochtans over niets dromende dan gerustheid en stilheid, terwijl zij elk ogenblik in de oceaan van Gods toorn kunnen storten; want zij hebben geen schuilplaats, geen sterkte; wie zou hen benijden?

7. Het is een gevaarlijke verderfelijke vrede. (Jes. 50:11) "Ziet, gij allen die een vuur aansteekt, die u met spranken omgordt: wandelt in de vlam van uw vuur, en in de spranken die gij ontstoken hebt; dat geschiedt u van Mijn hand, in smart zult gijlieden liggen." (1 Thess. 5:3) "Want wanneer zij zullen zeggen: Het is vrede, en zonder gevaar, dan zal een haastig verderf hen overkomen, gelijk de barensnood een bevruchte vrouw, en zij zullen het geenszins ontvlieden". De voorspoed van de zotten zal ze verderven, en zo verderft de vrede van de goddelozen hen. Zij wachten naar vrede en aanschouwen moeite; zij menen, dat zij veilig zijn, terwijl zij op het punt zijn voor eeuwig om te komen.

8. Het is een heiligschennende vrede, want God vergunt Zijn vijanden geen vrede. "De goddelozen, zegt God, hebben geen vrede" (Jes. 57:21). Indien u een onbekeerd mens bent, die in een staat van vijandschap tegen God leeft, Hij zal u geen ogenblik gemoedsrust toestaan; en als u het neemt, dat is diefstal, dan neemt u wat het uwe niet is. Overweeg dit, o mens, in uw vrolijke en luidruchtige uren. Uw gemoed moest op de pijnbank liggen, zolang niet de vijandschap tussen God en u is weggenomen, en u deel hebt aan de gezegende Vredemaker. En dat temeer, aangezien er sluitbomen zijn, zowel aan de zijde van God, als aan uw zijde, die u bulten alle vrede sluiten, welke alleen het voorrecht is van hen, die de wegen van de Wijsheid betreden.

[1] Aan de zijde van God zijn er vier sluitbomen, die ons buiten de vrede sluiten.

(1) De macht van God is een slagboom, die uitsluit. God alleen is met gezag bekleed, om vrede te geven. Alle engelen in de hemel kunnen geen troostelijk woord tot een zondaar spreken, indien God tegen hem is. Hij schept de vrucht der de lippen, vrede, vrede, dengenen die ver zijn, en dengenen die nabij zijn (Jes. 57:19). Mensen of engelen kunnen niet scheppen, dit is een werk, dat aan God alleen eigen is. Vleselijke mensen beschouwen vergevende genade als een lichte zaak; zij menen, dat het licht is vergeving te schenken en gemakkelijk die aan te nemen. Doch neem een schuldige geweten, die zichzelf, als het ware, boven de hel ziet hangen. elk ogenblik verwachtende er in te storten, dan kunnen alle leraars in de wereld zo iemand geen goed doen, wanneer de Heere hem niet bemoedigt. Helaas, dit is zo’n zwaar slot, dat niemand dan de Geest Gods het kan omdraaien.

(2) De heiligheid Gods is een sluitboom, die de goddelozen buiten de vrede sluit. Zijn heiligheid, in de geboden van de wet geopenbaard, zegt: voordat u vrede zult hebben, moet Ik volmaakte gehoorzaamheid ontvangen. Wat vrede, zolang als uw geestelijke hoererijen daar zijn?

(3) De rechtvaardigheid Gods is een sluitboom, want Zijn rechtvaardigheid, in de bedreiging, zegt: voordat u vrede zult hebben, moet Ik voldoening ontvangen. (Gal. 3:10) "Want zo velen als er onder de werken der wet zijn, die zijn onder de vloek." (Jes. 57:21) "De goddelozen, zegt mijn God, hebben geen vrede’.

(4) Ja, de goedertierenheid Gods sluit ons van de vrede uit, want gelijk goedertierenheid zich niet zal uitlaten tot oneer van de rechtvaardigheid, zo volgt op verachte goedertierenheid de hevigste wraak. "Of veracht gij de rijkdom Zijner goedertierenheid, en verdraagzaamheid, en lankmoedigheid, niet wetende, dat de goedertierenheid Gods u tot bekering leidt? Maar naar uw hardigheid en onbekeerlijk hart vergadert gij uzelf toorn, als een schat, in de dag des toorns en der openbaring van het rechtvaardig oordeel Gods" (Rom. 2:4, 5). "Ziet toe, dat gij Dien die spreekt niet verwerpt; want indien dezen niet zijn ontvloden, die degene verwierpen, welke op aarde goddelijke antwoorden gaf, veel meer zullen wij niet ontvlieden, zo wij ons van Die afkeren Die van de hemelen is (Hebr. 12:25).

[2] Aan de zijde van de zondaar zijn er ook vier sluitbomen, die hen van de vrede uitsluiten.

(1) Hun verdorvenheid is een belemmering; de ene zonde maakt plaats voor de andere, en verschillende begeerlijkheden verwekken grote beroering. "De goddelozen zijn als een voortgedreven zee, want die kan niet rusten, en haar wateren werpen slijk en modder op" (Jes. 57:20).

(2) Hun geweten is een slagboom, die hun vrede belet. Het geweten laat zich niet bevredigen zonder onderhouding van de wet. Gods afgevaardigde is een verschrikking voor de mens. Zij is als een Rebekka, toen de kinderen zich samen stieten in haar lijf. Het geweten veroordeelt en doorsteekt het hart van de zondaar met dolken.

(3) Hun kruisen staan hun vrede in de weg. Evenals de Israëlieten toen zij in Egypte waren en in de woestijn, hoewel God hun monden stopte, dit hun murmureringen niet kon stoppen, zo kunnen zij niet leren in elke staat vergenoegd te zijn. Zij murmureren tegen God. Het kruis verbittert hen, en alles maakt hen bevreesd; terwijl van de rechtvaardige geschreven staat: "Hij zal van geen kwaad gerucht vrezen; zijn hart is vast, betrouwende op de Heere" Zo is het met de goddeloze niet.

(4) Hun vertroostingen zijn een sluitboom, die deze vrede van hen weert. Gelijk zij God niet kunnen dienen zonder afgetrokken te worden, zo ook kunnen zij niet in voorspoed leven zonder afgeleid te worden. (Pred. 5:11) "De slaap des arbeiders is zoet, hij hebbe weinig of veel gegeten: maar de zatheid des rijken laat hem niet slapen". Een begenadigd mens kan rustig slapen, omdat hij zijn hoofd neerlegt op de hoofdkussens van Gods voorzienigheid en belofte, terwijl de goddelozen, wanneer zij beweren, dat zij hun ziel aan God toevertrouwen, nochtans hun rijkdommen Hem niet kunnen toevertrouwen. Zij kunnen Hem hun tijdelijke belangen niet opdragen; hun vertroostingen weren hun vrede van hen.

2e Wij zullen nu deze vrede stellig omschrijven, door aan te tonen wat die vrede is, die in de paden van de Wijsheid wordt gevonden.

1. Het is een innerlijke vrede. Er is een uitwendige uiterlijke vrede in de wereld, tussen mensen en mensen, zoals ik in de verklaring van de woorden heb opgemerkt; doch de wereldse vrede wordt Gods volk dikwijls onthouden: "In de wereld zult gij verdrukking hebben." Doch Hij heeft de Zijnen vrede van een geestelijke natuur beloofd, zeggende (Joh. 16:33) "In Mij zult gij vrede hebben". Deze innerlijke vrede is, of een vrede boven ons, met God, of vrede binnen in ons, in ons hart. De ene is de oorzaak, de ander het gevolg. Vrede met God hebben alle ware gelovigen in de eerste ogenblikken van hun rechtvaardigmaking. (Rom. 5:1) "Wij dan gerechtvaardigd zijnde uit het geloof hebben vrede bij God door onze Heere Jezus Christus". Deze innerlijke vrede, welke ontstaat uit de vrede met God, kan beschouwd worden, òf in betrekking tot de zonde, òf tot verdrukking. Zoals die betrekking heeft op de zonde, heeft hij drieërlei gezichtspunt. Hij ziet op de zonde en haar schuld; op God en Zijn toorn, het loon, dat de zonde verdient; en op Christus en Zijn bloed, als het middel voor beide, dat de schuld van de zonde en de toom Gods wegneemt, zoals Hij de zonde verzoend heeft door het bloed van Zijn kruis. In dit opzicht is deze vrede "een liefelijke bedaardheid en stilheid van het gemoed, ontstaande uit een besef van vergeving en verzoening in en door de Heere Jezus Christus, door de Geest Gods in de ziel gewerkt". En zoals deze vrede betrekking heeft op verdrukking, sluit het dezelfde zaak in, "namelijk een zoete bedaardheid van geest en stilheid van het gemoed, voortvloeiend uit een besef van de gunst van God door Christus." Verder houdt hij drie dingen in;

(1) Een berusten in en onderwerping aan de wil van God, wat de mens ook overkomt, vast besloten het kruis op te nemen met een volstrekte onderwerping aan het welbehagen Gods.

(2) Een heldenmoed, om alle moeilijkheden het hoofd te bieden, zeggende: (Ps. 60:14) "In God zullen wij kloeke daden doen, en Hij zal onze wederpartijders vertreden". (Ps. 18:30) "Want met U loop ik door een bende, en met mijn God spring ik over een muur".

(3) Heilige zekerheid en een liefelijk inwendig gevoel van kalmte, temidden van moeite en ellende. Temidden van de stormen bezitten zij hun zielen in lijdzaamheid.

Deze vrede, zoals hij betrekking heeft op de zonde, staat tegenover vijandschap. De vijandschap heeft een dodelijke slag gekregen in de wedergeboorte en rechtvaardigmaking. God heeft vrede met de ziel, en de ziel heeft vrede met God. En zoals deze vrede betrekking heeft op verdrukking, is hij het tegenovergestelde van ontrustende gedachten, onlijdzaamheid onder moeite, en een murmurerende gesteldheid.

2. Het is een goddelijke vrede en hij heeft een goddelijke oorsprong. Al de drie Personen van de heerlijke Drie-eenheid werken hierin samen, als de Oorzaak van deze vrede. God de Vader wordt de God des vredes genoemd, Die de Satan onder onze voeten verplettert. Hij geeft vrede, Hij schept, onderhoudt, bewaart en volmaakt die. De Zoon wordt Vredevorst genoemd. Als Profeet predikt hij vrede, als Priester verwerft Hij hem; en als Koning roept Hij die uit en beveelt hem. Ja, in het afgetrokkene, Hij is onze vrede en blijdschap in het geloven, Die door Zijn krachtige, heilzame, onwederstandelijke werking alle stormen van de ziel overmeestert. Vrede is een vrucht van de Geest (Gal. 5:22).

3. Het is een heilige vrede; "Die Uw wet beminnen hebben grote vrede, en zij hebben geen aanstoot." Zo velen als er naar deze regel zullen wandelen, over dezelven zal zijn vrede, en barmhartigheid, en over het Israël Gods". Gelijk geschreven staat: "Een ieder, die deze hoop op Hem heeft, die reinigt zichzelf, gelijk Hij rein is," zo ook, die deze vrede heeft, die is de zonde bitter. Vrede met God kan niet bestaan zonder oorlog met de zonde. Wanneer de zonde de overmacht heeft kunnen de gelovigen niet rusten, totdat zij opnieuw besprengd zijn met het bloed van de Vredemaker.

4. Het is een wonderlijke vrede; het is een wonder, want het is een vrede in het midden van vuur en water. De drie jongelingen wandelen in het midden van het vuur en hebben vrede; de Israëlieten gaan door de Rode Zee, en hebben vrede. Dit is overeenkomstig Zijn belofte: "Wanneer gij zult gaan door het water, Ik zal bij u zijn, en door de rivieren, zij zullen u niet overstromen; wanneer gij door het vuur zult gaan zult gij niet verbranden, en de vlam zal u niet aansteken" (Jes. 43:2).

5. Het is een edele en veredelende vrede. Hij verheft de ziel boven alle lagere dingen, zodat zij met een edelmoedige verachting neerziet op de niet noemenswaardige ijdelheden, welke de genegenheden van de wereld betoveren. Een mens, die deze vrede heeft, kan kronen en diademen vertreden, alsof zij mest waren. Hij is niet bevreesd noch met teveel ontzag vervuld voor de verschrikkingen, die de geesten ontmoedigen, en kleinmoedige mensen in de wereld verslaan, maar hij overwint de wereld. (1 Joh. 5:4, 5) "Want al dat uit God geboren is overwint de wereld; en dit is de overwinning die de wereld overwint, namelijk ons geloof. Wie is het die de wereld overwint, dan die gelooft, dat Jezus is de Zoon van God?" (Ps. 46:2—6) "God is ons een Toevlucht en Sterkte; Hij is krachtelijk bevonden een Hulp in benauwdheden. Daarom zullen wij niet vrezen, al veranderde de aarde haar plaats, en al werden de bergen verzet in het hart der zeeën. Laat haar wateren bruisen, laat ze beroerd worden; laat de bergen daveren, door derzelver verheffing! Sela. De beekjes der rivier zullen verblijden de stad Gods, het heiligdom der woningen des Allerhoogsten. God is in het midden van haar, zij zal niet wankelen; God zal haar helpen in het aanbreken van den morgenstond."

6. Het is een vaste en welverzekerde vrede, vaster dan de bergen en heuvelen. (Jes. 54:10) "Want de bergen zullen wijken, en heuvelen wankelen, maar Mijn goedertierenheid zal van u niet wijken, en het verbond Mijns vredes zal niet wankelen, zegt de Heere uw Ontfermer". Het is een eeuwige vrede en vertroosting, gebouwd op eeuwige grondvesten, zoals de eeuwige liefde Gods en de eeuwige gerechtigheid van Christus.

7. Het is een zoete en verzoetende vrede. Hij verzoet ieder lot en doet een mens zeggen: "Ik heb geleerd vergenoegd te zijn in hetgeen ik ben". Hij verzoet het kruis en doet hem daarin roemen, zeggende: "Maar het zij verre van mij, dat ik zou roemen anders dan in het kruis van onze Heeren Jezus Christus". Hij kan een gevangenis in een paleis, en een pijnbank in een bed van rozen veranderen. Hij doet de ziel kennismaken met die wonderspreuk: (2 Kor. 6:10) "Als droevig zijnde, doch altijd blijde; als arm, doch velen rijk makende; als niets hebbende, en nochtans alles bezittende" Hij verzoet het aanzien en het vooruitzicht van de dood. O hoe zal deze vrede de gedachten over de koning van de verschrikkingen verzachten! en de ziel doen zeggen: "O dood! Waar is uw prikkel?" Hij verzoet de overdenkingen en bevattingen van de dag van het oordeel, omdat de mens de Rechter als zijn Vriend en zijn Gerechtigheid aanmerkt, en dat hij bevredigd is met de goddelijke rechtbank, door het bloed van Jezus. Dat is een ellendige vrede, die niet bestaan kan met, maar verslagen en verward wordt bij de gedachten aan de dood, het oordeel en eeuwigheid. Daarom verbant de goddeloze, temidden van zijn vleselijke vrede, de gedachten aan die ontzaglijke dingen, die anders zijn vrede zouden verstoren. Doch hier is een vrede die de ziel bevredigt met de dood, het oordeel en de eeuwigheid, ja, haar zich doet verheugen in het gezicht van deze ontzaglijke en onvermijdelijke dingen.

8. Het is een volmaakte vrede. "Gij zult hem in volmaakte vrede bewaren, wiens gemoed vast op U staat" (Engelse overzetting Jes. 26:3). Hij is volmaakt daarin, dat het niet een flauwe indruk is, maar het is zo’n vrede, die het doel zal bereiken waartoe hij gegeven is en die niet vruchteloos zal zijn. Ja, hij is volmaakt daarin, dat hij niet alleen na de tijd tot volmaaktheid zal aanwassen maar zelfs reeds in de tijd een soort van volmaaktheid heeft. Het is toch een vrede, die alle verstand te boven gaat, een onuitsprekelijke en onbegrijpelijke vrede, er is geen einde aan zijn toeneming: "Der grootheid (of aanwas) van deze heerschappij, en des vredes zal geen einde zijn" (Jes. 9:6). Hij is ook volmaakt ten opzichte van zijn grondslagen, zodanige als: God en Zijn eigenschappen; Christus en Zijn gerechtigheid; de Geest en Zijn werkingen: het verbond en Zijn beloften.

Wanneer het geloof de vrijheid van het verbond in het oog krijgt, dan komt de vrede in als een rivier, hoe onwaardig de ziel ook in zichzelf is; ziet het op de volheid van het verbond, dan komt de vrede in, hoe leeg de ziel ook in zichzelf is; beschouwt het geloof de vastheid van het verbond, dan komt de vrede in de ziel, al is zij nog zo veranderlijk. Wanneer het geloof de Middelaar van het verbond beschouwt, brengt dat vrede in. Onder een besef van onwetendheid komt de vrede in daaruit, dat Hij een Profeet is, om te onderwijzen; onder een bewustzijn van schuld daaruit, dat Hij een Priester is; onder een gevoel van dienstbaarheid daaruit, dat Hij een Koning is. Wanneer het geloof deze dingen in het oog heeft komt de vrede in de ziel. De verbondsbelofte door het geloof gezien verwekt vrede. Kan ik vrede hebben, die zo’n bedrieglijk hart heb? Ja, wanneer ik op de belofte zie, die de waarachtige God geschonken heeft. Kan ik vrede hebben, die zo’n afkerig hart heb, dat nooit woord houdt? Ja, omdat, al breek ik mijn woord, God Zijn woord niet breken kan. De waarheid zal de gordel van Zijn lendenen zijn, en Zijn verbond zal Hem vast blijven. Wanneer het geloof de voorwaarde van het verbond ziet, namelijk; de gerechtigheid van Christus, komt de vrede in als een waterstroom, want de beloften zijn daardoor bekrachtigd. Het geloof maakt gebruik van de gerechtigheid van Christus, als een rechtvaardigheid bevredigende gerechtigheid, als een schuldbetalende en zaligheid verwervende gerechtigheid, als een verbond verzegelende en sterkte gevende gerechtigheid. Het geloof gebruikt haar als een rantsoen, een wasvat en een ladder.

 

De wegen van de Wijsheid lieflijkheid, en haar paden vrede (3e preek)

Spr. 3:17. Haar wegen zijn wegen der liefelijkheid, en al haar paden vrede.

De dingen, die voor de goddelozen liefelijk zijn, kunnen niet op prijs gesteld worden door iemand die waarlijk ziet wat het einde van die dingen is. Wie zou hem benijden, die slechts voor één dag een kroon draagt, en de volgende dag een voorwerp van bespotting van de goddelozen is? Of wie zou een dag van pret en vermaak verkiezen, als hij wist, dat die zou veroorzaken, dat het overige van zijn leven vol van smart en ellende zou zijn? Wie zou de staat van de bozen en goddelozen benijden, van welken de levenstijd maar op zijn best een dag van zondig vermaak is, die uitloopt in een eeuwigheid van wee en pijniging? Wat kan dat smartelijk zijn voor een nadenkende gelovige, een werelds zinnelijk mens te zijn, temidden van zijn verwaandheid en vrolijkheid, als hij overdenkt waar die mens binnenkort zal wezen, en hoe spoedig zijn gehele toestand veranderd zal zijn? Het zou onze harten bedroeven wanneer wij zo iemand plotseling dood zagen neervallen, en helaas! zou het ons niet smarten, wanneer wij de slag van de doods en van de toorn zien aankomen, waaronder zij voor eeuwig zullen omkomen? Als de zaak zo staat, wie zou dan niet hechter en duurzamer genoegens verkiezen, zulken als ons hier worden voorgesteld:De wegen der Wijsheid zijn liefelijkheid".

Nu wij hebben afgehandeld wat wij wilden zeggen over het leerstellig gedeelte van het onderwerp, door de waarheid van het voorstel aan te tonen, namelijk. dat de wegen van de Wijsheid liefelijkheid zijn; de hoedanigheid hebben overwogen van dat vermaak, dat in de wegen van de Wijsheid wordt gevonden; over sommige van de bijzondere paden van de Wijsheid hebben gesproken, welke alle vrede zijn; en de natuur en de eigenschappen van die vrede hebben verklaard, zullen wij overgaan tot de toepassing van ons onderwerp.

V. Ons vijfde punt was de toepassing. Is het zo, dat "de wegen der Wijsheid liefelijkheid zijn", dan is de gevolgtrekking welke ik er voor het ogenblik uit wil afleiden, de misvatting en dwaling van de wereld en van alle vleselijk mensen open te leggen, die het er voor houden, dat iemands genoeglijke dagen ten einde zijn, dat hij gek, gemelijk en zwaarmoedig zal worden, wanneer hij zijn goddeloosheden begint te verzaken, en Christus gaat zoeken. Omdat zij zelf niet weten wet een liefelijke smaak de geestelijke vertroostingen en goddelijke genietingen hebben; omdat zij geen verlustiging kennen dan die, welke vleselijk en werelds is, daarom beelden zij zich in, dat de weg van de godsdienst een zeer onaangename weg is.

Om er dit gebruik van te maken, zal ik de volgende drie dingen behandelen: 1. Dit denkbeeld bestrijden, om er de ongerijmdheid van aan te tonen. 2. Enige vleselijk tegenwerpingen tegen de liefelijkheid van de godsdienst beantwoorden. 3. Aantonen wat die dingen zijn, waarin de gelovigen een liefelijkheid zien, welke de wereld niet kent.

1e Ik zal iets spreken tot de bestrijding van die misvatting en dwaling van de wereld, dat de weg van de Wijsheid en van de ware godsdienst geen liefelijke weg is.

1. Moet niet die weg liefelijk zijn, die God aangenaam is? En dat is de weg van de Wijsheid en van de godsdienst, zoals wij kunnen zien in 1 Petr. 2:5, waar de gelovigen genoemd worden: "Een heilig priesterdom om geestelijke offeranden op te offeren, die Gode aangenaam zijn door Jezus Christus." De Heere heeft een welgevallen aan hen, die Hem vrezen, die op Zijn goedertierenheid hopen (Ps. 147:11). En moet dat niet het voornaamste genot van de heiligen zijn, God te behagen?

2. Moet dit voor de ziel niet liefelijk zijn, wat haar leven en gezondheid is? Nu, de weg van de Wijsheid, of de weg van geloof, liefde en heiligheid is de wezenlijke gezondheid van de gelovige ziel. De weg van ongeloof, vijandschap en zonde daarentegen is de zwaarste krankheid van de ziel. Leven en gezondheid is een voortdurend, liefelijk genot. Alleen de zonde staat tegenover zielsgezondheid. "Genees mijn ziel, want ik heb tegen U gezondigd".

3. Moet dat niet een liefelijke, aangename weg zijn, die alle vrezen en moeiten wegneemt? Nu, zodanig is de weg van de Wijsheid, de weg van het geloof in de Heere Jezus Christus. (Joh. 14:1) "Uw hart worde niet ontroerd; gijlieden gelooft in God, gelooft ook in Mij". Hij neemt de vrees van de dood en van de verdoemenis weg, en moet daarom groter genot schenken, dan deze wereld kan geven. Een ernstige gedachte van de eeuwige zaligheid, waarvan de wegen van de Wijsheid de eerstelingen zijn, kan die ware vergenoeging aan de ziel schenken, welke alle wereldse rijkdom en eer nooit kan geven.

4. Moet niet die weg liefelijk zijn, die de oorzaak van alle droefheid, namelijk, de zonde wegneemt? Zodanig is de weg van de Wijsheid; hij neemt de zonde, de oorzaak van de ellende, weg. Op deze weg, wordt de schuld van de zonde, door de rechtvaardigmaking, en de heerschappij van de zonde, door de heiligmaking weggenomen, totdat haar bestaan zal worden weggenomen in de verheerlijking. De weg van de Wijsheid is de weg van heiligheid, welke de ondergang van de zonde is.

5. Moet die weg niet liefelijk en vermakelijk zijn, welke bestaat in zich te verblijden en in genaden die niet zonder vermaak kunnen worden geoefend; zoals, kennis, geloof, liefde, hoop en blijdschap? "Want het koninkrijk Gods is niet spijs en drank, maar rechtvaardigheid en vrede, en blijdschap door de Heilige Geest" (Rom 14:17). De weg van de Wijsheid bestaat in die blijde oefeningen, hetzij men die beschouwt als de weg welke de Wijsheid ons aanwijst, opdat wij er in zullen wandelen, of als de weg waarin de Wijsheid tot ons komt.

6. Moet niet die weg aangenaam zijn, die bestaat in gemeenschap met God, Die de Fontein van liefelijkheid en verlustiging is, en ons dicht bij Hem brengt, als een God van liefde? Zodanig is de weg van de Wijsheid: (1 Joh. 4:16) "En wij hebben gekend en geloofd de liefde, die God tot ons heeft. God is liefde; en die in de liefde blijft, die blijft in God, en God in hem."

7. Moet dat niet een liefelijke weg zijn, die een ieder, die dat verkiest, vrijwillig alle genietingen in de wereld doet verlaten en die laat varen voor het genot van deze weg. Zij verkiezen met Mozes het minste van Christus boven het beste van de wereld. "Verkiezende liever met het volk Gods kwalijk gehandeld te worden, dan voor een tijd de genieting van de zonde te hebben. Achtende de versmaadheid van Christus meerdere rijkdom te zijn, dan de schatten in Egypte" (Hebr. 11:25, 26). Zouden zij zo’n ruil doen, als zij het niet een liefelijker weg hadden gevonden, en die tot eeuwig genot strekt? Allen, die ooit de weg van de Wijsheid hebben beproefd kunnen er nooit genoeg van krijgen. Hoe heiliger zij zijn, hoe heiliger zij zouden willen zijn. Die het meeste heeft, verlangt nog meer te hebben. (Filip. 3:12, 14) "Niet dat ik het reeds gekregen heb, of reeds volmaakt ben; maar ik jaag daarnaar, of ik het ook grijpen mocht, waartoe ik van Christus Jezus ook gegrepen ben. Maar een ding doe ik, vergetende hetgeen dat achter is, en strekkende mij tot hetgeen dat voor is, jaag ik naar het wit tot de prijs van de roeping Gods, die van boven is in Christus Jezus.’ (Ps. 27:4) "Een ding heb ik van de Heere begeerd, dat zal ik zoeken; dat ik al de dagen mijns levens mocht wonen in het huis des Heeren, om de liefelijkheid des Heeren te aanschouwen, en te onderzoeken in Zijn tempel".

8. Moet niet dat een liefelijke weg zijn, die zodanig is, dat zij, die hem eens verkozen en beproefd hebben, nooit zullen verkiezen weer tot hun vorige genoegens terug te keren? Nu, zo één is de weg van de Wijsheid. Elk proefje van het genot daarvan doet de gelovige met Efraïm zeggen: "Wat heb ik meer met de afgoden te doen?" (Hos. 14:8). "Uw hand zij over de Man Uwer rechterhand, over van des mensen Zoon, Die Gij U gesterkt hebt, zo zullen wij van U niet terugkeren" (Ps. 80:18). Het doet de mens zeggen: "ik zal Uw bevelen in der eeuwigheid niet vergeten, want door dezelve hebt Gij mij levend gemaakt." Als Gods weg niet aan hun verwachtingen had beantwoord, dan hadden zij overvloedige gelegenheid en meer dan voldoende verzoekingen gehad, om tot de staat waaruit zij gekomen waren, en tot een loszinnig goddeloos leven terug te keren. Dat leven willen zij echter voor de hele wereld niet weer verkiezen. Daarom is het zeker, dat zij dit de liefelijkste weg vinden, zij het niet altijd in gevoelige verlustiging, dan toch ten minste terwijl hun geweten daar bevrijd en hun gemoed beveiligd blijft voor de verschrikkingen welke die zondige genoegens teweegbrengen. Ja, wanneer zij op hun plaats zijn, dan walgen zij zelfs van de nagedachte over hun zondige vermaken.

9. Moet niet die weg liefelijk zijn, die de smartelijkste dingen in aangename kan veranderen? Dat wat gal en alsem kan zoet maken, moet noodzakelijk zelf zeer zoet zijn. Zodanig is de weg van de Wijsheid. die de ziel onder alle verdrukkingen kan opbeuren en verblijden, ja, daarin doen roemen (Rom. 5:3). Leest tot dit einde 2 Kor. 12:9, 10: "En Hij heeft tot mij gezegd: Mijn genade is u genoeg, want Mijn kracht wordt in zwakheid volbracht. Zo zal ik dan veel liever roemen in mijn zwakheden, opdat de kracht van Christus in mij wone. Daarom heb ik een welbehagen in zwakheden, in noden, in vervolgingen, in benauwdheden om Christus’ wil. Want als ik zwak ben, dan ben ik machtig.

10. Moet niet dat een liefelijke weg zijn, die voor de verlichte ziel het gezicht van de dood en het oordeel zo beminnelijk kan maken, als het ooit schrikkelijk geweest is voor de ontwaakt geweten? Zeker, die weg en dat genoegen is niet veel waard, dat geen ernstige gedachte over de dood en het oordeel kan verdragen. Hoe onbetekenend is dat genot, dat vergaat bij het gezicht van de dood, en dat verschrikt wordt en wegvliedt bij het vooruitzicht van het oordeel! Doch in de weg van de Wijsheid kan men de dood in het aangezicht zien, en zeggen: Kom, o vriend! Waarom vertoeft uw wagen te komen? De dood toch, als een vijand, is een van de zegetekens van de overwinning van het geloof: "De dood is verslonden tot overwinning" (1 Kor. 15:54); en als een vriend, is hij de wagen waarmee de ziel naar de hemel gevoerd wordt. Die deze weg bewandelt kan tot het oordeel opzien en tot de Rechter zeggen: "Kom, Heere Jezus, kom haastelijk" (Openb. 22:20). "Kom haastelijk, mijn Liefste, en wees Gij gelijk een ree, of gelijk een welp der herten op de bergen der specerijen" (Hoogl. 8:14).

In één woord, het moet een eeuwig liefelijke weg zijn, die tot liefelijk genot leidt.

2e Wij zullen enige tegenwerpingen beantwoorden, die het vlees bedenkt tegen de liefelijkheid van de wegen van de Wijsheid, of het vermaak van de godsdienst.

Tegenwerping. 1. Hoe kan die weg liefelijkheid zien, die alle vermaak verbiedt? Die vereist het vlees te doden, de wereld te laten varen, onszelf te verloochenen, en dus al onze genoegens op te geven?

Antwoord. De kracht van deze tegenwerping ligt hierin, dat de wegen van de Wijsheid ondankbaar zijn voor het vlees en ons verplichten van onze zonden te scheiden. Gelijk zij, die in het vlees zijn God niet kunnen behagen, zo kunnen zij ook geen behagen hebben in God of in Zijn wegen. Een nieuwe en geestelijke natuur is noodzakelijk zullen wij lust hebben in deze nieuwe en geestelijke dingen, want, "de natuurlijke mens begrijpt niet de dingen, die des Geestes Gods zijn. Want zij zijn hem dwaasheid, en hij kan ze niet verstaan, omdat ze geestelijk onderscheiden worden." Denkt u toch, o zondaar, dat de zonde zo liefelijk is, dat een mens niet genoeglijk of vrolijk kan leven zonder haar? Terwijl zij waarlijk het aangenaamste leven hebben, die het meest vrij zijn van de zonde. De zonde is een verbreking van de wet van God en een verzet tegen Zijn gezag. Is er dan geen vrolijkheid behalve in zich tegen God te verzetten, geen ander genot, dan onze Schepper en Verlosser te beledigen? Wat een zondige naturen hebben wij, die zulke genoegens moeten hebben! Kan een mens niet vrolijk leven, tenzij hij de God des levens tergt en Zijn barmhartigheid vertreedt? Kan hij niet genoeglijk leven, tenzij hij zich in het slijk wentelt en vergif drinkt? Helaas! Welk genot is daarin, God te onteren en onszelf te verwoesten? Laat het wel overwogen worden dat het tot onze eeuwige blijdschap is, en om eeuwige pijn te verhoeden, dat de genietingen van de zonde verboden zijn, die toch alle geestelijke en eeuwige blijdschap uitsluiten. Zult u het Woord van God en de weg van de Wijsheid beschuldigen, omdat die u willen behoeden voor zulk duur genot en zulke gevaarlijke genoegens? U zult het gebruik van de heerlijkste vruchten en dranken nalaten, als uw dokter u zegt, dat het uw leven in gevaar zal brengen, of u zware pijn zal veroorzaken; en zoudt u zich ergeren wanneer de Heelmeester van de zielen u waarschuwt, u te wachten voor dat liefelijk vergif, dat de ziel verwoest? Ja, is niet, zelfs voor het tegenwoordige, de deugd liefelijker dan de ondeugd? Matigheid liefelijker dan dronkenschap? Kuisheid liefelijker dan onreinheid, en matigheid liefelijker dan vraatzucht en onmatigheid? Brengen niet die dingen zulke beroeringen van het geweten, ongesteldheid, schande en wroeging teweeg, dat zij hun straf meebrengen? Al is het, dat iemands rijkdom en uitwendige staat er niet door verteerd zouden worden, dan toch zijn kostelijke ziel.

2e Tegenw. Hoe kan de weg van de Wijsheid liefelijkheid zijn, wanneer het een deel van die weg is ons kruis op te nemen en op verdrukking te rekenen, want er staat geschreven, dat "wij door vele verdrukkingen moeten ingaan in het koninkrijk Gods"; en, dat "allen die godzaliglijk willen leven zullen vervolgd worden".

Antw. 1. Wat het lijden en de kastijdingen betreft, daarvan ligt de oorzaak in de zonde. God straft de mensen niet omdat zij in de weg van de Wijsheid wandelen, maar omdat zij er niet in wandelen. Het is geen gering deel van de liefelijkheid van de weg van de Wijsheid, dat die de mensen buiten de weg van de straf houdt. Is het dan niet onredelijk wanneer wij het onszelf moeilijk maken met het in onze Heelmeester af te keuren, dat Hij ons pijn aandoet, om ons te genezen? Wanneer wij onszelf ziek gemaakt hebben met teveel te gebruiken van het schepsel en van zinnelijk genot, dan is het geen wonder, dat een pijnlijke en onaangename behandeling voor ons nodig is.

2. Wat het lijden voor de zaak van Christus betreft, dat wordt gewoonlijk beloond met liefelijke genietingen, zowel hier als hiernamaals. Als wij de vreugde van de martelaren kenden, wij zouden nooit huiveren voor hun lijden. Wat anders heeft velen van hen, die voor Christus hebben geleden, de zwaarste kwellingen met onverschrokken moed en vastberadenheid doen tegemoet treden, dan het innerlijk genoegen, dat zij in God en Zijn dienst hebben gevonden?

3. In één woord, het lijden en de beproevingen van de kinderen Gods zijn alleen een kastijding tot hun nut; of om tot beproeving te dienen; of als geneesmiddel tot bevordering van de gezondheid. Een weinig van de edik van de verdrukking zal hen hun genoegen en hun voorspoed des te beter doen smaken. O wat hebben voorspoed, rijkdom en eer al een jammerlijk werk in de wereld gemaakt! Zien wij niet dat zij, die in de wereld het voorspoedigst zijn, gewoonlijk de trotste en weerstrevigste zijn? En zullen wij dan tegenzin hebben in die noodzakelijke, gematigde verdrukking, welke strekt om ons tegen zo’n verkeerdheid te beveiligen? Gods volk zou, door hun zwakheid, geneigd zijn zich met hun genoegens te overladen, indien niet oneindige Wijsheid hun de een of andere bittere saus toediende, om de spijsvertering te bevorderen. Nochtans weten zij allen bij ervaring, dat de tijden van hun grootste verdrukking gewoonlijk de tijden zijn waarin zij het meest vertroost worden. Wanneer Hij ze voert in de woestijn, dan spreekt Hij naar hun hart, en geeft hun het dal Achor tot een deur van de hoop, zodat hun verdrukkingen hun vertroosting niet verhinderen, maar die bevorderen (Hos. 2:13, 14). Gelijk hun verdrukkingen overvloedig zijn, alzo zijn ook hun vertroostingen overvloedig (2 Kor. 1:5). Wanneer hun gedachten binnen in hen vermenigvuldigd werden, hebben Zijn vertroostingen hun ziel verkwikt (Ps. 94:19). Hun lijden werkt mee tot hun blijdschap en hun beproevingen tot hun overwinning.

Tegenw. 3. Hoe kan de weg van de Wijsheid liefelijkheid zijn, of kunnen wij voor waar aannemen, dat zij die God vrezen het hoogste genot hebben, wanneer wij het tegendeel zien in de bedruktheid van hun aangezichten, in hun hevige twijfelingen, en vrezen, en klachten; zodat, terwijl vele goddelozen een leven van vrolijkheid hebben, zij daarentegen een leven van smart en rouw hebben?

Antw. Deze tegenwerping, aangaande hetgeen over het algemeen het geval schijnt te zijn, vereist nader overwogen te worden.

1. Wij moeten onderscheid maken tussen jongbekeerden en bevestigde heiligen. Het is geen wonder, dat iemand die pas veranderd is grote smart en droefheid onderworpen is, dat hij zolang in de zonde en ellende heeft geleefd. Doch wie zal hieruit afleiden, dat de weg van de godzaligheid niet liefelijk is, omdat iemand, die er pas op gekomen is, het beklaagt, dat hij zolang de weg van de goddeloosheid heeft bewandeld? De klacht van boetvaardige zielen betreft niet hun tegenwoordige godsvrucht, maar hun vroegere goddeloosheid.

2. Wij moeten onderscheid maken tussen zwakke en sterke christenen. Hoe meer genade en godsvrucht iemand heeft, hoe meer vrede en genot daarmede gewoonlijk gepaard gaan. Luistert naar de klachten van de godzaligen; hebben zij droefheid over hun godzaligheid? Of gaat het daarover, dat zij niet godzalig zijn? Klagen zij over hun geloof, of over hun ongeloof? over hun geestelijkheid, of over hun vleselijkheid? Wie zal dan zeggen dat de heiligheid niet liefelijk is, omdat de mensen. die haar bezitten er graag meer van zouden willen hebben?

3. Wij moeten onderscheid maken tussen gelovigen, die sedert hun bekering in de een of andere grote en verwondende zonde zijn gevallen, en tussen gelovigen, die meer oprecht met God wandelen en hun tere wandel en vrede hebben behouden. Het is geen wonder, dat David, na zijn zonde, klaagt, dat zijn beenderen verbrijzeld zijn, en dat Petrus naar buiten gaat, bitterlijk wenende. De gelovigen kennen zoveel van het kwaad van de zonde, dat zij er niet zo gemakkelijk onder kunnen wandelen, als de blinde, verstokte wereld, die er ongevoelig voor is.

4. Wij hebben onderscheid te stellen tussen de verzekerden gelovige en de twijfelende, die bevreesd is, of hij wel in een staat van genade en van vereniging met Christus is. De droefheid van die mens gaat daarover, dat hij vreest of hij niet misschien nog ongeheiligd is. Dit geeft niet te kennen, dat de godsdienst onaangenaam is; neen het toont juist, dat de weg van de Wijsheid zeer liefelijk en aangenaam in zijn ogen is. Waarom zou hij anders zo ontroerd zijn, wanneer hij er aan twijfelt of hij zijn voeten wel op die weg heeft gezet.

5. Wij moeten onderscheid maken tussen gelovigen, die de uitgebreidheid van het genadeverbond recht verstaan, en anderen, die dat licht missen. Indien een gelovige, door een verkeerde bevatting, van gedachte is, dat de genade van het Evangelie, zich niet tot zo’n onwaardig schepsel, tot zo’n groot zondaar als hij is, uitstrekt, dan is het geen wonder, dat hij verontrust is. Dit sluit echter niet in, dat zo iemand overtuigd is, dat er geen liefelijkheid in de weg van de Wijsheid is: neen, dat geeft veeleer te kennen, welke hoogachting hij heeft voor de voortreffelijkheid van het Evangelie en de welgelukzaligheid van de erfgenamen van de belofte, hoewel hij door een verkeerde opvatting zichzelf uitsluit en daardoor onder vrees verkeert.

6. Overweegt, dat de droefheid van de gelovigen met blijdschap bestaanbaar is. Beproeft de meest ontmoedigde, treurigste Christenen, of zij hun staat en hun genietingen zouden willen ruilen voor het beste en grootste, dat de bozen en goddelozen genieten, en u zult ervaren, dat zij het niet voor heel de wereld zouden willen doen, noch tot de staat waarin zij geweest zijn terugkeren. Ja, de droefheid naar God van een gelovige gaat gepaard met een duurzame blijdschap, in vergelijking met welke het vleselijk genot en gelach maar onzinnigheid en dwaasheid is. Kleine, niet noemenswaardige, belachelijke voorvallen en beuzelingen prikkelen tot luid gelach, doch grote dingen geven ons innerlijke, liefelijke vergenoeging en blijdschap, welke er een afkeer van heeft zich door lachen te uiten. De genietingen van de gelovigen zijn daarom gewoonlijk niet zo zichtbaar voor anderen, als het vleselijk genot van de wereld.

7. Overweegt, dat de wortel van het vermaak van de gelovigen niet naar buiten te onderscheiden is; de wereld kan hun vrede en hun genoegen niet verstaan. Het is een vrede, die alle verstand te boven gaat, en een vreemde zal zich met de blijdschap ervan niet vermengen. Zij hebben het manna, dat verborgen is, en de witte keursteen, en de nieuwe naam, welke niemand kent, dan die hem ontvangt (Openb. 2:17). De wereld kan de genade van Christus, noch de vertroostingen van de Geest binnen in hen, niet zien. Hun kruisen zijn zichtbaar, doch niet hun zalving door de Heilige Geest, de Trooster.

8. Overweegt, dat hoe bedrukt de heiligen dikwijls zijn door menigerlei verzoekingen, zij dat echter niet altoos zijn: neemt hen waar als zij in hun element zijn, en dan zult u zien hoe verheugd zij zijn. Wanneer zij tot Gods heilige berg gebracht zijn, dan verheugen zij zich in Zijn bedehuis (Jes. 56:7). Misschien ontmoet u ze, wanneer zij in een dal zijn. Een vis is een zeer levendig schepsel, maar het moet in het water zijn, niet op het land. Zo is het ook met een gelovige. (Ps. 122:1, vergeleken met Ps. 120:5, 6) "Ik verblijd mij in degenen, die tot mij zeggen: Wij zullen in het huis des Heeren gaan".— "O wee mij, dat ik een vreemdeling ben in Mesech, dat ik in de tenten Kedars woon. Mijn ziel heeft lang gewoond bij degenen, die de vrede haten." Neemt een gelovige, wanneer hij zichzelf is, wanneer de Heere Zijn lamp over hem doet lichten, wanneer er geen twist tussen hem en zijn God is, wanneer zijn geweten besprengd en zijn hart gereinigd is, wanneer de Heere het licht van Zijn aanschijn over hem verheft, en ziet dan of hij geen verheugd mens is (Ps. 4: 7, 8).

9. Als u wilt beoordelen of de weg van de Wijsheid liefelijk is, ziet dan naar hen, die door het geloof in de Heere Jezus Christus leven en overeenkomstig de barmhartigheid van het Evangelie, en staart niet op de neerslachtigheid en droefheid van hen, die zichzelf smart aandoen door hun afzwerven van de weg van de Wijsheid en van de heiligheid. Toch hebben zelfs de zwakke en treurende gelovigen meer vreugde dan de goddeloze wereld, ja zelfs zij, die vele malen door zwakheid vallen. De bewaring van een ziel voor die wanhoop, waarin zij zouden worden geworpen, als zij geen Christus hadden om daarheen te vlieden, en de proefjes van barmhartigheid die zij hebben genoten, en de verlevendigingen die zij ontvangen onder hun smarten, en de hoop die zij hebben op betere dagen, zijn voldoende om al hun smarten te boven te komen, hoeveel temeer al die beuzelachtige, lichte, voorbijgaande genoegens van de wereld.

10. U moet in aanmerking nemen, dat dit het leven van volmaakte blijdschap niet is; het zal altijd met enige droefheid vermengd zijn. Vertroosting zal niet volmaakt zijn, zolang niet de heiligheid volmaakt is. Wat hier ontbreekt zal in het Nieuwe Jeruzalem vergoed worden, wanneer de gelovigen zullen ingaan in de vreugde huns Heeren.

Tegenw. 4. Hoe kan de weg der Wijsheid lieflijkheid zijn, wanneer die het tegenovergestelde gebiedt, namelijk: vasten, en wenen, en treuren? Zodat het niet alleen aan de zwakheid van de belijders, maar aan de weg, die hun wordt voorgeschreven, te wijten is.

Antw. Indien Gods kinderen vallen en hun beenderen breken, moeten zij de pijn verduren, dat zij weer gezet worden; sommige van hun smarten zijn tot genezing. Hun wordt zowel bevolen te rouwklagen, als zich te verblijden. Zij worden niet geroepen tot een klagen, dat onbestaanbaar is met hun blijdschap en met zich ten allen tijde te verblijden. Indien de gelovigen maar leefden zoals God het van hen eist, zij zouden de wereld tot een wonder zijn wegens hun zeer grote blijdschap; de wereld zou verbaasd staan, en de vreugde, en hoop, en vertroosting met welke zij vervuld worden, bewonderen. Zij zouden zo bezig zijn in de liefde en de lof van de heerlijke Verlosser, dat zij nauwelijks tijd over zouden hebben, om er op te letten of zij arm of rijk waren, of om er acht op te slaan of de wereld hen eerde, of niet eerde. Die beuzelachtige dingetjes zouden hen ternauwernood in de gedachten komen. O! De blijdschap, die zij zouden hebben in hun eenzaam bidden; in hun hemelse overdenking; in hun heilig samenspraken; in hun lezen en horen van de beloften, en in hun openbare godsdienst, als zij maar meer in alles de leiding van de Geest, hun Trooster, volgden! Wat maakt, dat de gelovigen deze wereld verachten, en dat zij al haar genoegens niet waardig achten ze na te lopen, of er enige aandacht aan te schenken, maar dat zij een smaak voor liefelijker dingen hebben en door het geloof, in plaats van haar kinderachtige ijdelheden, iets beters hebben gekregen? Indien God en Zijn gunst beter zijn dan zulke wormen; als wij, en de hemelse heerlijkheid beter is dan deze vergankelijke beuzelingen, dan kunt u wel nagaan, dat de blijdschap van de gelovigen, die door hen genoten wordt, beter moet zijn dan alle genot van deze ondermaanse wereld. Indien u lust hebt in een leven van genot, komt dan over tot Christus en gelooft Hem dat "de wegen der Wijsheid liefelijkheid zijn, en alle haar paden vrede". Wij zullen nu

3e, overwegen wat deze dingen zijn, waarin de gelovigen een liefelijkheid zien, welke de wereld niet kent. Niemand anders weet welke vertroosting deze weg oplevert, want het bewandelen van deze weg is de vrolijkheid van zijn hart (Ps. 119:111).

1. Hij vindt troost in zijn God, die de God aller vertroosting is, Wiens liefde voor de gelovige ziel is, wat de zon is voor het lichaam, namelijk: om haar te verlichten, te verwarmen, te verlevendigen en te vertroosten. Was het niet, dat de zonde soms verduistering veroorzaakte, of enige wolken verwekte, of het venster sloot, dan zou hij zich voortdurend verheugen; hij zou zich met David versterken in de Heere zijn God, en ervaren hoe liefelijk het is, gerechtvaardigd zijnde door het geloof vrede bij God te hebben (Rom. 5:1). Welke troost is deze gelijk, God te hebben tot onze vertroosting!

2. Hij vindt troost in zijn Hoofd, de Heere Jezus Christus, Die de Vertroosting Israëls is. De gelovige trekt door het geloof troost uit de dood van Christus, uit het leven van Christus en uit de opstanding van Christus; uit Zijn voorbidding, uit Zijn ambten, uit Zijn bloed en uit Zijn gerechtigheid; uit Zijn Woord, Zijn verbond en Zijn middelaarschap. Daarom kan hij met de apostel triomferen: (Rom. 8:34) "Wie is het die verdoemt? Christus is het die gestorven is, ja dat meer is, die ook opgewekt is; die ook ter rechterhand Gods is; die ook voor ons bidt."

3. Hij troost zich in Zijn Leidsman, de Geest Gods, Die hem tot een Trooster gegeven is, (Joh. 14:16, 17) "En Ik zal de Vader bidden, en Hij zal u een andere Trooster geven, opdat Hij bij u blijve in der eeuwigheid. Namelijk de Geest der waarheid, welke de wereld niet kan ontvangen, want zij ziet Hem niet, noch kent Hem niet; maar gij kent Hem, want Hij blijft bij ulieden, en zal in u zijn." (Joh. 15:26) "Maar wanneer de Trooster zal gekomen zijn, Die Ik u zenden zal van de Vader, namelijk, de Geest der waarheid, Die van de Vader uitgaat, Die zal van Mij getuigen". Hij kan troost scheppen uit de bewegingen, invloeden en bewerkingen van de Geest; uit Zijn verlichtende, levendmakende, versterkende, onderwijzende en besturende werkingen, en uit Zijn voortdurende inwoning, als een Fontein van water in hem, springende tot in het eeuwige leven.

4. Hij heeft vertroosting in zijn geweten, omdat hij haar getuigenis heeft. (2 Kor. 1:12) "Want onze roem is deze, namelijk het getuigenis van ons geweten, dat wij in eenvoudigheid en oprechtheid Gods, niet in vleselijk wijsheid, maar in de genade van God in de wereld verkeerd hebben". Wanneer heel de wereld als in een vloed is, is een goed geweten als een ark, het geweten van een goddeloos mens is zijn hel, maar het geweten van een gelovige is zijn hemel op aarde. Wanneer zij besprengd is met het bloed van Christus, geeft zij een mens vrede in zijn gemoed, welke beroeringen ook buiten hem plaats grijpen.

5. Hij vindt troost in zijn genade, hoewel Christus, de Fontein van de genade, zijn voornaamste vertroosting is. Doch ook de stromen zijn liefelijk, aangezien die als zoveel tekenen van eeuwige liefde, en zoveel onderpanden van het eeuwige leven, ja, de eerstelingen daarvan zijn.

6. Hij vindt troost in zijn godsdienstplichten, omdat hij die hun eigen plaats geeft. Het is hem liefelijk God te dienen en te verheerlijken. Er ligt zoetigheid in de meest stipte waarneming ervan. Hoe meer hij verenigd is met de wil van God, in zelfverloochening, in het vergeven van zijn vijanden, of in welk deel ook van zijn gebiedende of voorzienige wil, hoe meer zoetigheid en vertroosting hij ondervindt. Ja er is een liefelijkheid in zijn bitterste wegen, zelfs in zijn tranen, want zijn water wordt in wijn veranderd en zijn vasten in een feestmaal. Dit wordt als een beweeggrond gebruikt tot het kiezen van de weg van de Wijsheid, en om de waarheid en de vrede lief te hebben: (Zach. 8:19) "Alzo zegt de Heere der heirscharen: Het vasten van de derde, en het vasten van de vijfde, en het vasten van de tiende maand zal den huize Juda tot vreugde, en tot blijdschap, en tot vrolijke hoogtijden wezen; hebt dan de waarheid en de vrede lief."

7. Hij trekt vertroosting uit zijn bevindingen, omdat hij kan terugzien op de Bethels bezoeken, die hij van God heeft ontvangen, en wanneer hij gedenkt, dat God de God van Bethel is, dezelfde God in zijn slechtste tijden, Die Hij ooit in zijn beste tijden voor hem geweest is. Hoe vertroostend zijn de bevindingen van de goedertierenheid van hun Vaders, in hun gebeden te verhoren, hen te helpen in hun engten, hen te verlossen in hun benauwdheden; bevindingen van Zijn terugkeren na verberging, en van hen te verlevendigen na diep verval; bevindingen van plotselinge wendingen in hun toestand, van dienstbaarheid tot vrijheid, van vrezen tot blijdschap; van onverwachte verschijningen en betoningen van Zijn heerlijkheid na verlating, en van hun verwachting te voorkomen, wanneer zij niet anders dachten, dan dat zij zouden vergaan. Hoe heeft Hij hen verrast wanneer Hij hen uit een ruisende kuil opgehaald, hun ongerechtigheden vergeven en hun afkeringen genezen heeft, en hen met vrijmoedigheid, heilige moed en vertrouwen tot Zijn troon heeft doen toegaan!

8. Hij vindt vertroosting in Zijn medewerkers; ik bedoel, de uitdelers van het Evangelie, die medewerkers van onze blijdschap worden genoemd (2 Kor. 1:24). Het is hun ambt, in de Naam des Heeren, de gevangenen te prediken loslating, en de treurigen te troosten. Hoe liefelijk zijn de voeten desgenen die vrede verkondigen, desgenen die het goede verkondigen (Rom. 10:15). Hoe beminnelijk zijn de inzettingen Gods voor de gelovigen! Zij zullen water scheppen met vreugde uit de fonteinen des heils.

9. Hij vindt vertroosting in Gods gunstbewijzen: in de tijdelijke gunstbewijzen waarmee God hem zegent in zijn korf en in zijn baktrog, en zo verblijdt hij zich in het gebruik van het schepsel, dat voor hem geheiligd is door het Woord Gods. Ook in zijn geestelijke gunstbewijzen; in zijn kleed waarmee hij bekleed is: Christus’ eeuwige gerechtigheid; is zijn vrijbrief welke hem beveiligt: het eeuwig verbond. O wat een grond van vertroosting is hier! Menigten van goedertierenheden omringen hen, en elke dag worden de gunstbewijzen over hen vernieuwd, tot onderhouding van hun vertroosting. Gezegend zij de God en Vader van onze Heere Jezus Christus, Die ons gezegend heeft met alle geestelijke zegeningen in de hemel in Christus (Ef. 1:3).

10. Hij wordt vertroost in zijn kruisen. Dit is duidelijk te zien in 2 Kor. 1:4: "Die ons vertroost in al onze verdrukking, opdat wij zouden kunnen vertroosten degenen die in allerlei verdrukking zijn, door de vertroosting met welke wijzelf van God vertroost worden." Het is vertroostend te weten, dat zijn kruisen middelen zijn tot zijn genezing. Daardoor zal de ongerechtigheid Jakobs verzoend worden, en dit is de gehele vrucht, dat Hij zijn zonde zal wegdoen. Alle dingen zullen hem medewerken ten goede, en zo zal ook zelfs de verdrukking voor hem voordelig zijn.

11. Hij heeft vertroosting in zijn leven, want, "Immers zullen hem het goede en de weldadigheid volgen al de dagen zijns levens" (Ps. 23:6). O wat een vertroostend leven heeft hij, wanneer hij beleeft wat hij is! Wanneer zijn leven een leven van het geloof, een leven van de liefde, een leven van gemeenschap met God, een leven van verzoening en vrede met God, een leven van heiligmaking en heiligheid is, dan is het een troostelijk leven.

12. Hij heeft blijdschap in zijn dood, omdat het een sterven in het geloof, (Hebr. 11:13) en een sterven in de Heere is (Openb. 14:13). Niet alleen is het sterven hun gewin (Filip. 1:21), maar de dood is hun liefelijk, terwijl zij sterk zijn in het geloof, en de dood beschouwen als het voorportaal van eeuwige blijdschap en liefelijkheden in Gods rechterhand.

Zo hebben wij getracht enige dwaalbegrippen weg te nemen, welke de wereld en vleselijke mensen hebben over hen, die hun goddeloze levenskoers opgeven, en de wegen van de Wijsheid kiezen; wij hebben enige vleselijke tegenwerpingen uit de weg geruimd tegen de genietingen, die in de weg van de godsdienst te vinden zijn, en de veelzijdigheid behandeld van die dingen, waarin de gelovigen een duurzaam genot vinden en welke hun liefelijk zijn.

 

De wegen van de Wijsheid lieflijkheid, en haar paden vrede (4e preek)

Spr. 3:17. Haar wegen zijn wegen der liefelijkheid, en al haar paden vrede.

Het is mogelijk, dat velen overtuigd zijn, van de waarheid van hetgeen hier verklaard wordt van de wegen van de Wijsheid, en dat zij daarom menen, dat het onnodig is woorden te vermenigvuldigen over dit onderwerp. Wie toch zou zo onzinnig zijn niet te erkennen, dat de weg van de ware godsdienst de beste en liefelijkste weg is? Doch, helaas! Dit is een grove misvatting. Het is waar, dat velen, die niet bekeerd zijn, oppervlakkig overtuigd zijn; velen hebben een flauwe mening, dat Christus en de hemel, en heiligheid het beste zijn, terwijl nochtans hun werkelijk oordeel niet overeenstemt met hun mening. Zij hebben dan ook lust tot de wereld en haar begeerlijkheden, die zijn hun het liefst, en zij verlustigen zich niet in God en Zijn wegen; hun hart wandelt hun gierigheid, de wereld en haar begeerlijkheden na: zondige vermaken zijn hun keuze. Wij kunnen gemakkelijk nagaan wat hun wezenlijk oordeel is, uit hetgeen zij verkiezen, en waar zij zich aan onttrekken. Dat zij hun geestelijke genoegens kunnen missen bewijst, dat zij geen grondige overtuiging hebben, dat "de wegen der Wijsheid liefelijkheid zijn en alle haar paden vrede".

Het leerstellig deel van het onderwerp besproken zijnde, en een onderrichtende toepassing van de leer verhandeld hebbende, door enige misvattingen aan te wijzen en te herstellen, welke de goddeloze wereld geneigd is te koesteren omtrent de liefelijkheid van de wegen van de Wijsheid, zullen wij nu overgaan tot een ander gebruik.

Het tweede gebruik, dat wij van dit leerstuk maken. zal zijn tot onderzoek en beproeving, of u met de vrede en de liefelijkheid van de wegen van de Wijsheid bekend bent, of niet. Als u in de weg van de Wijsheid wandelt, zult u ook zeker iets van het genot daarvan kennen.

Wij zullen vier dingen nagaan, die in de weg van de Wijsheid gevonden worden, en welke de begenadigde ziel genot schenken. 1. Liefelijke gezichten. 2. Liefelijke bevindingen. 3. Liefelijke indrukken. 4. Een liefelijke overbuiging en neiging van de ziel tot geestelijke vermaken.

1e Onderzoekt wat u kent van de liefelijke gezichten die in de weg van de Wijsheid worden gevonden. Er zijn sommige gezichten, die daartoe de weg bereiden en pijnlijk zijn, doch die daartoe strekken om het genot teweeg te brengen. Die welke voorafgaan zijn: een gezicht van uw verloren staat: uw gemis van al het goed, dat Adam in de staat der rechtheid had, en van al het kwaad, dat Adam na de val onderworpen was; uw gemis van al de genade welke de tweede Adam heeft mee te delen; uw onbekwaamheid om uzelf te verlossen en uw algehele onmacht om uzelf te helpen. Hebt u een persoonlijk bedroevend gezicht hiervan gekregen, waardoor u bekommerd bent geworden omtrent uw zaligheid? De weg zo gebaand zijnde, wat kent u van het liefelijk gezicht van Christus de Zaligmaker en van God in Christus, waarvan melding gemaakt wordt in 2 Kor. 4:6, en Joh. 1:14. "God, Die gezegd heeft, dat het licht uit de duisternis zou schijnen, is Degene, Die in onze harten geschenen heeft, om te geven verlichting der kennis van de heerlijkheid Gods in het aangezicht van Jezus Christus". "En het Woord is vlees geworden en heeft onder ons gewoond (en wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als des Eniggeborenen des Vaders); vol van genade en waarheid." Deze gezichten van Christus, de Zon der gerechtigheid, zijn zo liefelijk, dat zij medewerken, om de vreselijkste dingen troostelijk en liefelijk te maken, wanneer zij in Christus worden aanschouwd. Een gezicht van God is vreselijk voor een zondaar, doch wanneer Hij in Christus wordt aanschouwd is Hij een verzoend God. Een gezicht van de rechtvaardigheid is vreselijk, doch in Christus is het een bevredigde rechtvaardigheid. Een gezicht van toorn is verschrikkelijk, doch in Christus gezien is het gestilde toorn, dan ziet men de hel geblust met Zijn bloed. Een gezicht van de wet en haar vloek is vreselijk, maar in Christus gezien is het een vervulde wet, want "het einde der wet is Christus, tot rechtvaardigheid een ieder, die gelooft". Hij heeft de wet verheerlijkt en haar heerlijk gemaakt. Een gezicht van de dood is verschrikkelijk, doch in Christus gezien heeft hij zijn prikkel verloren. De gelovige kan dan ook over hem zegepralen en uitroepen: Dood! Waar is uw prikkel? Alles buiten Christus heeft een vreselijk uitzicht, maar in Christus ziet alles er liefelijk uit.

Vraag. Doch kunnen zij geen liefelijke gezichten van God in Christus hebben, die nochtans nooit zaligmakende gezichten hebben gehad?

Antw. Om misvattingen te voorkomen zal ik u vier eigenschappen opnoemen van deze liefelijke gelovige gezichten, die zaligmakend zijn, en welke de gelovigen hebben wanneer zij eerst geloven, of in hun verdere geloofsoefeningen. Zaligmakende gezichten van Christus zijn 1e Klaar en onderscheiden. 2e Persoonlijk. 3e Krachtig. 4e Verzekerend, onder de invloed van die krachtige onderscheidende genade. Dit betekent de verzekering en de overreding van het geloof. Een zondaar, die van zonde en toorn overtuigd, en door de wet van God veroordeeld is, zou geen verlichting kunnen krijgen door in Christus te geloven, wanneer hij niet in het geloven zoveel verzekering had van de barmhartigheid Gods in Christus, hem in het Evangelie geopenbaard, als hij verzekerd was van de toorn Gods, hem in de wet geopenbaard. Zoveel persoonlijke krachtige overtuiging als hij tevoren had van toorn door de wet, welke hem deed wanhopen, zoveel persoonlijke overreding krijgt hij nu van genade door het Evangelie, welke hem doet hopen. De persoonlijke verzekering die hij heeft als hij onder overtuiging is, de persoonlijke verzekering van de bedreigingen van de wet welke hem veroordelen, kan op geen andere wijze worden genezen, dan door een even persoonlijke verzekering van de belofte van het Evangelie welke hem vrijspreekt.

Of het tegenwoordig geslacht deze leer wil horen en kan verdragen, of niet, zij zal nochtans waar bevonden worden. Wee ons indien wij er niets van kennen, dat er in het zaligmakend geloof evenzeer verzekering en overreding van de belofte van het Evangelie is, als er in de overtuiging een persoonlijke verzekering en overreding van de bedreiging van de wet is, en als wij vreemdelingen zijn van ware overtuiging van zonde en ellende. Indien de Geest van God, als een Geest der dienstbaarheid, u nooit een bijzondere verzekering van de bedreiging van de wet heeft gegeven, met toepassing op uzelf, zodat u zag, dat u persoonlijk met toorn werd gedreigd; zo ook bent u vreemdelingen van het ware zaligmakend geloof, indien de Geest van God, als een Geest van het geloof, u nooit een persoonlijke verzekering van de een of andere evangeliebelofte heeft gegeven, met toepassing op uzelf, zodat u zag, dat er barmhartigheid voor u in het bijzonder was. Indien het zo niet was, dan zou het middel niet gepast zijn voor de kwaal; de pleister zou te klein zijn voor de wond; de balsem door het Evangelie toegediend zou niet geschikt zijn voor de wond, die de wet heeft toegebracht. Doch zo is het, dat, gelijk er in de overtuiging zo’n geloof van de wet is, dat een mens daardoor persoonlijk overreed wordt van de kwaal aan welke hij lijdt; er zo ook in de bekering zo’n geloof van het Evangelie is, dat een mens daardoor persoonlijk overreed wordt, dat er voor een geneesmiddel voor hem gezorgd is. Anders zou er geen verlichting of hulp voor hem zijn.

Wel is waar kan het overblijvende ongeloof iemand zeer in dienstbaarheid houden, doch evenals wij spreken over wat er in de natuur van het geloof is, zo ook spreken wij over wat er plaats grijpt, wanneer het geloof werkzaam is en geoefend wordt. Het geloof ziet, dat het Evangelie zoveel plaats maakt voor de hoop van de zaligheid, als de wet in hem gemaakt heeft voor de vrees van de verdoemenis. Hier is een deel van de liefelijke gezichten, die te verkrijgen zijn in de wegen van de Wijsheid.

2e De kinderen van de Wijsheid hebben liefelijke bevindingen in hun weg, waarbij u zichzelf kunt beproeven wat u van het liefelijke daarvan kent. Het zijn niet alleen bevindingen van dingen die in zichzelf liefelijk en aangenaam zijn, maar ook van onaangename dingen, die op iets, dat liefelijk en begeerlijk is, uitlopen. Ik spreek hier niet van buitengewone bevindingen, doch zelfs van zulke die gewoon zijn, zoals: bevindingen van het kwaad van de zonde. Deze worden deels door het Woord, deels door de roede verkregen, doende een mens weten, hoe kwaad en bitter de zonde is, en wat een fontein van boosheid in zijn hart is. Bevindingen van de bedrieglijkheid van het hart, dat als een bedrieglijke boog is, spoedig afwijkende van de zoetste gestalte, zodat de plagen van het hart de mens geheel schijnen te zullen overwinnen. Bevindingen van de ijdelheid van de wereld; ijdelheid in het afgetrokkene. Dit leren zij, met Salomo, bij bevinding: "IJdelheid der ijdelheden, het is al ijdelheid". En wie kan het beter weten dan hij, want hij had meer van de genoegens, rijkdom en eer van de wereld, dan iemand die voor of na hem geweest is, nochtans zegt de Prediker: "Het is al ijdelheid". Bevindingen van de listigheid van de duivel, die een sluwe vijand is: zijn listen zijn hun niet onbekend. Hij schikt zich in zijn verzoekingen naar ons beroep en onze aard. Bevindingen van de waarheid van de bedreiging, zoals die genadige bedreiging: "Indien zijn kinderen Mijn wet verlaten, zo zal Ik hun overtreding met de roede bezoeken, en hun ongerechtigheid met plagen." Zij voelen dit met David bewaarheid in hun verbrijzelde beenderen. Bevindingen van de waarheid van de belofte, evenals Israël (Joz. 23:14) "En ziet, ik ga heden in de weg van de gehele aarde, en u weet in uw gehele hart, en in uw gehele ziel, dat er niet een enig woord gevallen is van al die goede woorden, welke de Heere uw God over u gesproken heeft, zij zijn u alle overkomen, er is ervan niet een enig woord gevallen". Bevindingen van de goedheid van de belofte en van de zegeningen, die er als een schat in opgelegd zijn. Dit ervaren zij soms in voorzienigheden en soms in de instellingen van de godsdienst, wanneer zij er toe gebracht worden te zeggen: "Het is mij goed nabij God te zijn. Bevindingen van de tekenen van de gunst van God, wanneer Hij hun gebeden hoort; hun genade geeft om te bidden en te worstelen; wanneer Hij tot hen spreekt, dat hun zonden vergeven zijn: liefelijke invloeden van Zijn genade meedeelt; hen herstelt na hun afwijkingen; tot hen terugkeert na verlating, hen te hulp komt in hun noden en ondersteunt in benauwdheid.

Doch opdat de mensen zich niet met bevindingen mogen bedriegen, maar mogen weten of zij betrouwbaar zijn, zal ik u een kenmerk van de ware bevindingen voorstellen, namelijk, dat het werkende bevindingen zijn, zoals er geschreven staat: (Rom. 5:4) "De bevinding werkt hoop". Dit is waar van alle gegronde bevindingen, wanneer zij met elkaar vergeleken en aan elkaar verbonden worden. Hoewel verschillende bevindingen verschillende uitwerkingen hebben, nochtans werken zij alle enig voordeel en nut voor ons. De bevinding van het kwaad van de zonde werkt uit, dat zij de mens de zonde doet haten, dat hij een walging van zichzelf zal hebben, en zich van alle schijn van kwaad zal onthouden. Bevinding van de bedrieglijkheid van het hart werkt, dat een mens over zijn hart zal waken, het zal verdenken en wantrouwen, en dat hij zal begeren, dat het doorzocht en beproefd wordt. Bevinding van de ijdelheid van de wereld werkt een hartelijke gespeendheid aan de wereld en de vertroostingen van de tijd, en strekt om het hart voor de Heere in te winnen en aan Hem te verbinden. Bevinding van de listigheid van de duivel werkt in de ziel een begeerte om de gehele wapenrusting Gods aan te doen, en door het gebed de toevlucht te nemen tot God in Christus: "Hierover heb ik de Heere driemaal gebeden". De mens wordt daardoor vernederd, "een scherpe doorn wordt gegeven", opdat hij zich niet zou verheffen. Bevinding van de waarheid van de bedreiging werkt een heilige, kinderlijke vrees, zoals die van David: "Het haar mijns vleses is te berge gerezen van verschrikking voor U, en ik heb gevreesd voor Uw oordelen". En zo wordt hij bewaard voor vermetelheid. Bevinding van de waarheid van de belofte werkt meer en meer afhankelijkheid van een belovende God, zoals Hij de Waarheid en Getrouwheid Zelf is, en dat bewaart hem voor wanhoop. Heeft Hij in deze of die bijzondere zaak Zijn belofte vervuld, en zou Hij feilen in hetgeen Hij verder gesproken heeft? Bevinding van de goedheid van de belofte en de liefelijkheid, die de ziel ziet in de weg des Heeren, in een gepastheid van de belofte, zal het geloof van de mens verder versterken. Toen de Israëlieten het grote werk van God aan de Rode Zee zagen, toen zongen zij Zijn lof. Wanneer zij ondervonden, dat de Heere Zijn belofte vervulde, dan ontvlamde dit hun liefde, en zij spraken: "Ik zal de Heere liefhebben, want Hij heeft de stem mijner smekingen gehoord" (Ps. 116:1). Bevinding van de tekenen van Gods liefde, werkt ook liefde en dringt hen tot liefde, het wekt ook blijdschap op, en maakt dat zij in de Heere roemen en zich verheugen in de schaduw van Zijn vleugelen. In één woord, door alle bevinding worden zij meer en meer geworteld in het geloof en komen zij trapsgewijze meer en meer tot een gevoelige verzekering van de liefde Gods. Beproeft u, wat u van deze dingen weet.

3e Er zijn liefelijke indrukken, waaraan u ook kunt beproeven of u bekend bent met de liefelijkheden van de wegen van de Wijsheid. Wat zijn deze indrukken? In één woord gezegd, zij zijn Gods zegel en indruk op het hart, waardoor het blijkt een nieuw hart te zijn, wanneer het met een gepaste gestalte wordt ingedrukt. De voornaamste indruk is die, welke in 2 Kor. 3:18 vermeld wordt: "Zijn heerlijkheid aanschouwende worden wij naar hetzelfde beeld van gedaante veranderd, van heerlijkheid tot heerlijkheid, als van des Heeren Geest." Zij zien een stempel en indruk van de Geest Gods op het hart, waardoor het van een werelds een hemels hart, in plaats van een trots een nederig hart, en in plaats van een vleselijk een heilig hart wordt. Het maakt de ziel geheel heerlijk inwendig, naar de mate van de openbaring van Zijn heerlijkheid. Iets van Gods beeld blijft ingegrift. Dit wordt echter zeer weinig onderscheiden, doch er is een tweevoudige, meer blijvende gestalte en indruk, die zelfs wanneer de gelovigen op zijn laagst zijn nog op hun geest ingedrukt blijft.

1. De eerste is een arme en nooddruftige gestalte. (Matth. 5:3) "Zalig zijn de armen van geest, want hunner is het koninkrijk der hemelen". Zij zijn arm ten opzichte van zichzelf, leeg van zichzelf; arm ten opzichte van hun gerechtigheid; arm ten opzichte van hun sterkte; en daarom bereid te zeggen: "In de Heere alleen heb ik gerechtigheden en sterkte", want ik heb die niet van mijzelf; geen genade, geen goed heb ik in mijzelf. Zij dragen indrukken om van hun armoede en hun gemis, zij zijn er ver van af, dat zij zouden menen rijk en verrijkt te zijn, en niets nodig te hebben. Deze indruk, deze gestalte is aan God zo aangenaam, dat Hij van zulken zegt: "Op deze zal Ik zien, op de arme en verslagene van geest, en die voor Mijn Woord beeft" (Jes. 66:2).

2. De andere is een hongerige en dorstige gestalte, waarvan in Matth. 5:6 geschreven staat: "Zalig zijn die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid; want zij zullen verzadigd worden". Dit blijft gewoonlijk ook in de gelovige, wanneer hij op zijn laagst en slechtst is, en volgt het voorgaande op de voet. Omdat hij arm en van alle dingen in zichzelf verstoken is, daarom begeert hij bediend te worden uit de volheid van Christus. Er blijft enig uitzien in zijn ziel: "O, dat ik nabij God werd gebracht! O, dat Hij mij nog eens beliefde te bezoeken? O, dat ik Zijn kracht en heerlijkheid in het heiligdom mocht aanschouwen! Hoelang, Heere! hoelang!" Dit is ook zo’n liefelijke gestalte in de ogen van God dat Hij zulken verzadiging beloofd heeft. "Omdat Hij de dorstige ziel verzadigd en de hongerige ziel met goed vervuld heeft" (Ps. 107:9). "Want de nooddruftige zal niet voor altoos vergeten worden, noch de verwachting van de ellendige in eeuwigheid verloren zijn" (Ps. 9:19).

Deze twee bijzonderheden veronderstellen en geven te kennen, dat zij een indruk omdragen van hun gemis en zwakheid, en van de volheid en algenoegzaamheid van Jezus Christus. Doch aangezien zij, die geveinsden en onwedergeborenen zijn, op zekere tijden, vele goede en zeer wonderlijke, ja zelfs verblijdende indrukken kunnen hebben, evenals zij, die op de steenachtige plaatsen bezaaid worden, welke als zij het Woord gehoord hebben, terstond het met vreugde ontvangen, zal ik u het onderscheid voorstellen tussen de liefelijke, geestelijke indrukken, die op de weg van de Wijsheid worden gevonden, en die, welke geveinsden en verworpenen kunnen hebben:

(1) Ware en zaligmakende indrukken zijn gezellig, zij vergezellen elkaar en gaan hand aan hand. Bij voorbeeld: heilige vrees drijft de liefde niet uit, noch drijft de liefde de vrees uit; heilige roem in de Heere neemt het leven in zijn tegenwoordigheid niet weg, noch neemt het heilig leven de roem weg; blijdschap vernietigt de goddelijke droefheid over de zonde niet, noch verhindert goddelijke droefheid de geestelijke blijdschap; het geloof neemt de bekering niet weg, noch de bekering het geloof; de nederigheid van een mens beneemt hem zijn vrijmoedigheid voor God niet, noch neemt zijn vrijmoedige toegang zijn nederigheid weg; zijn geringe gedachten van zichzelf staan zijn hoge gedachten van Christus niet in de weg, noch zijn hoge gedachten van Christus zijn lage gedachten van zichzelf; zijn gemis van vertrouwen in zichzelf vernietigt zijn heilig vertrouwen niet, noch vernietigt zijn heilig vertrouwen zijn wantrouwen van zichzelf. Ja, in plaats van elkaar te bestrijden zijn zij eensgezind in elkaar voort te helpen en aan te sporen. De blijdschap van de huichelaar echter neemt zijn droefheid weg; zijn geloof en zijn vals vertrouwen vernietigen zijn bekering en sluiten die uit; zijn vrees verdrijft zijn liefde, en zijn vermeende liefde tot God verdrijft zijn vrees voor Hem: de ene goede indruk die hij heeft neemt de andere weg, zij kunnen niet in elkaars gezelschap verkeren. Geestelijke indrukken echter in de gelovigen wekken elkaar op en verlevendigen elkaar.

(2) Ware en zaligmakende indrukken zijn onbeperkt en onbegrensd, en de goede gestalten van de huichelaars zijn beperkt en begrensd, in zover, dat zij er in rusten en er mee voldaan zijn, zonder dat zij er iets door verkregen hebben. Zo ver gaan zij en zij houden het er voor, dat zij niet verder behoeven te gaan, als zij maar denken, dat zij zoveel hebben als hen uit de hel houden, of in de hemel brengen zal. Doch de ware gelovigen hebben geen beperkte maten van genade. Welke heilige indrukken zij ook ontvangen, zij begeren meer en meer en altijd meer, jagende naar volkomen volmaaktheid. "Ik acht niet, dat ik zelf het gegrepen heb. Maar één ding doe ik, vergetende hetgeen achter is, en strekkende mij tot hetgeen voor is, jaag ik naar het wit, tot de prijs van de roeping Gods, die van boven is in Christus Jezus.

(3) De ware en zaligmakende indrukken zijn blijvende indrukken; zij zijn voor de gelovige als zijn dagelijks brood. Al eet en drinkt een mens niet altijd, nochtans is het gebruiken van voedsel tot onderhoud van het lichaam het dagelijks werk van een mens. Evenzo is de gelovige, al is hij niet altijd onder goddelijke indrukken, of in een geestelijke gestalte, doch aan veranderingen onderhevig, voortdurend aldus werkzaam. Wanneer enkele dagen voorbijgaan, waarin hij deze spijs moet missen, zijn die hem als dagen van honger en geestelijke schaarste; zijn ziel kwijnt en is moeilijk wegens het gemis van datgene waarnaar hij in de plicht uitziet. De huichelaars zijn echter volkomen op hun gemak wanneer zij die dingen missen, zonder dat zij ooit verlangend uitzien naar de Heere, dat Hij tot hen mocht terugkeren. De gelovige daarentegen sterft van armoede en gebrek; dat zijn zijn droevige dagen, die hij zuchtende doorbrengt, totdat alles weer herstelt, wanneer de Heere door Zijn Geest terugkeert en zijn hart verlevendigt en zijn ziel verkwikt. Wel is waar, leert de bevestigde gelovige in het gemis van gevoelige genietingen door het geloof van de Zoon van God te leven, doch ook dat geloof zendt menige verlangende blik uit tot de Heere, dat Hij mag terugkeren met Zijn liefelijke en gevoelige omhelzingen.

(4) Deze indrukken in de gelovigen zijn niet alleen blijvend maar ook natuurlijk. Indien de huichelaar soortgelijke indrukken kan hebben, zijn zij hem niet natuurlijk, zij zijn zijn element niet. Hij heeft geen nieuwe natuur; daarom kan hij niet verdragen, dat hij lang onder enigerlei goede en geestelijke indrukken zou zijn. Zijn vleselijk onvernieuwde natuur verzet er zich tegen, en omdat het bedenken van zijn vlees vijandschap tegen God is, is het hem goed, dat de indrukken verdwijnen. Doch bij een kind van God zijn deze indrukken natuurlijk: zij zijn zijn nieuwe natuur, zijn element. Zij zijn als de ademtocht van zijn nieuwe natuur, aan zijn geheiligd deel zo natuurlijk eigen, als de adem aan zijn lichaam, ja, zij zijn hem zo natuurlijk, dat zij als een deel van zijn leven zijn, terwijl het als de dood voor hem is, wanneer zij worden weggenomen. Wanneer hij dan ook onder deze liefelijke en hemelse indrukken verkeert is hij geneigd de hele wereld te bezweren, hem toch niet van zijn blijdschap te beroven en die te verstoren. "Ik bezweer u, gij dochteren Jeruzalems, die bij de reeën of bij de hinden des velds zijt, dat gij die liefde niet opwekt, noch wakker maakt, totdat het dezelve luste" (Hoogl. 2:7).

In één woord, de huichelaar en de godzalige verschillen in hun bewegingen en genegenheden van elkaar, als de beweging van een uurwerk verschilt van de beweging van de zon. Het ene beweegt door kunst, de andere krachtens zijn natuur. De bewegingen en de indrukken van de huichelaar zijn kunstmatig, evenals het werk van een klok, onder de invloed van de gewone werkingen van de Geest, waardoor hij bewerkt wordt door uitwendige middelen en voorzienigheden. De indrukken van de gelovigen zijn hun echter natuurlijk, onder de invloed van de Geest, Die in hen woont. Welke uitwendige voorzienigheden en goddelijke inzettingen ook als ondergeschikte middelen gebruikt worden, om ze te bevorderen, nochtans zijn zij de vruchten van de bijzondere werkingen van de Geest Die in hen is, als een Fontein van water springende tot in het eeuwige leven. Hun indrukken verschillen dan ook zoveel van elkaar, als een door de regen veroorzaakte overstroming, die spoedig weer opdroogt, verschilt van een levende bron, die nooit geheel opdroogt, ook wanneer de toevoer vermindert.

4e Er is een liefelijke overbuiging en neiging van de ziel tot geestelijke dingen en geestelijke vermaken. Indien een mens weet wat hem het meest behaagt en waarin hij het meeste genot vindt, dan kan hij weten, of hij de liefelijke weg van de Wijsheid kent, of niet, en of hij de Geest van Christus heeft, of dat hij Die mist, want die de Geest van Christus hebben bedenken de dingen, die des Geestes zijn. Dit is een duurzaam en onfeilbaar kenmerk, dat zelfs de zwakste Christenen ternauwernood zullen durven ontkennen, namelijk: wat zij het liefst zouden doen, en wat hun het meest behaagt en mishaagt. Konden zij heiliger zijn, daar zouden zij meer lust in hebben, dan in rijker te zijn. Konden zij meer van God hebben, dat zou hun meer genoegen doen, dan meer van de wereld te genieten, ja, dan al de genoegens en eerbewijzen van de wereld. Zij zijn nooit zo met zichzelf en met hun hart ingenomen, dan wanneer zij het dichtst bij de hemel zijn, en de meeste kennis van God, en een indruk van Zijn eigenschappen, en een gevoel van Zijn tegenwoordigheid hebben. Zij hebben nooit zoveel op met hun leven, dan wanneer het zeer heilig en vruchtbaar is, en het meest heeft van een wandel met God. Zij zijn nooit zo misnoegd over hun harten, dan wanneer zij het minst van God in zich vinden, en zij zeer dood, en duister, en loom, en ongeschikt voor gemeenschap met Hem zijn. Zij zijn nooit zo ontevreden over hun leven en het nooit zo moe, dan wanneer het zeer vleselijk, en onvruchtbaar, en onheilig, en onbedachtzaam is. Dit is een zeker blijk van hun oprechtheid. Het toont aan wat zij liefhebben, en waar hun hart en hun wil naar uitgaat, en doet zien wat een mens in oprechtheid zou willen zijn. Zijn behagen en zijn mishagen zijn de onmiddellijke zekere openbaringen van zijn lust en neiging; en arme twijfelende zielen moesten dikwijls tot dit kenmerk de toevlucht nemen. Bij de goddelozen is het geheel anders en het is een zeker kenmerk van hun ellende, dat het hun aangenamer zou wezen, groot dan goed, rijk dan rechtvaardig en godsdienstig te zien; hun begeerlijkheden dan de Heere te dienen. Zij zijn meer ingenomen met de toejuiching van mensen dan met de goedkeuring van God, en willen liever ver van God dan nabij God zijn. Zij houden de wereld en de zonde voor hun ontspanning en verlustiging, en zij beschouwen de weg van de Wijsheid als een zwaarmoedige, vermoeiende en onaangename weg. Dit toont, dat zij hun oude verdorven natuur en hun boosaardige vijandschap tegen de Geest en het leven van Christus nog hebben. Daarom kunnen zij God niet meer behagen, dan Zijn heilige wegen hun behagen, want "het bedenken des vleses is de dood, maar het bedenken des Geestes is het leven en vrede. Daarom dat het bedenken van het vlees vijandschap is tegen God; want het onderwerpt zich de wet Gods niet; want het kan ook niet. En die in het vlees zijn kunnen Gode niet behagen" (Rom. 8:6—8).

In één woord, het is de liefelijke bezigheid van de gelovigen zich naar de inwendige mens in de wet des Heeren te verlustigen, zich te verblijden in Zijn Woord.

Tegenw. Kunnen niet huichelaars en ongelovigen zich in het Woord verblijden en verlustigen, zoals die, waarvan Jes. 58:2 zegt: "Hoewel zij Mij dagelijks zoeken, en een lust hebben aan de kennis Mijner wegen, als een volk, dat gerechtigheid doet en het recht zijns Gods niet verlaat, vragen zij Mij naar de rechten van de gerechtigheid, zij hebben een lust tot God te naderen;" en als Herodes, die het Woord graag hoorde, en de hoorders, die bij de steenachtige grond worden vergeleken, die het Woord met blijdschap ontvingen?

Antw. Er is een groot onderscheid tussen geestelijke en vleselijk blijdschap. Zelfs de droefheid naar God in de gelovige is de stof van zijn blijdschap, in zoverre hij meer verblijd is, wanneer zijn hart wegens de zonde wil smelten, dan hij zou zijn, al had hij alle vleselijk genietingen van de wereld. Doch de vleselijke blijdschap van de goddeloze is de stof van zijn droefheid, ja, zijn hart heeft ook in het lachen smart. Zelfs de grootste smarten van degenen die God vrezen zijn geneeskrachtig, gezondmakend, en worden door blijdschap gevolgd; terwijl de grootste blijdschap van de goddelozen schadelijk en verderfelijk voor hen zijn en smart tot gevolg hebben. De droefheid naar God drijft het gif van de zonde uit, dat hun blijdschap zou bederven.

Het onderscheid tussen de godvruchtigen en de goddelozen in hun verlustiging is echter meer in het bijzonder te zien in de volgende vier zaken, namelijk in de stof, de wijze, de mate en het einde van hun blijdschap en verlustiging.

1. Wat de stof en grond van de verlustiging betreft van een mens die God vreest, die is God Zelf, Christus Zelf, en het Evangelie zelf; terwijl de stof van de blijdschap van de huichelaar meer gelegen is in zijn kennis van die dingen, en zo maakt zijn kennis hem opgeblazen.

2. Er is ook onderscheid in de wijze van hun verlustiging. Die van de godzalige is hecht en duurzaam en komt voort uit de bijzondere genade van de Geest. Maar de blijdschap van de goddeloze en huichelaar is onbetrouwbaar, zwak en voorbijgaand, voortvloeiende uit de gewone genade van de Geest en niet uit de nieuwe natuur, maar uit enige indruk op de oude ratuur. Zijn blijdschap is dan ook niet natuurlijk; hij is ook niet in zijn element, zoals wij hiervoor reeds hebben duidelijk gemaakt.

3. Zij zien ook onderscheiden in de mate van hun blijdschap. De blijdschap, die de gelovige in de Heere heeft, is zijn voornaamste verlustiging, zij is zijn verheugende blijdschap. (Ps. 43:4). De natuurlijke mens daarentegen heeft iets waarin hij meer lust heeft; die heeft meer genot in wereldse rijkdom en eer; doch de godzalige heeft meer vermaak in het Woord dan in allerlei werelds genot. "Hoe lief heb ik Uw wet! Zij is mijn betrachting de ganse dag. Zij zijn mij zoeter dan honig en honigzeem. Daarom heb ik Uw geboden lief, meer dan goud, ja meer dan het fijnste goud" (Ps. 19:11; 119:97, 127). "Velen zeggen: Wie zal ons het goede doen zien? Verhef Gij over ons het licht Uws aanschijns, o Heere. Gij hebt vreugde in mijn hart gegeven, meer dan ter tijd, als hun koren en hun most vermenigvuldigd zijn" (Ps. 4:7, 8).

4). Zij verschillen in hun doeleinde en uitwerking. De blijdschap van de godzaligen verwekt in hen een begeerte naar gelijkvormigheid aan de wet, inwendig en uitwendig, terwijl de goddelozen zichzelf, op zijn best, tevreden stellen met een uitwendige reformatie. Er is eenzelfde onderscheid tussen hen als tussen de twee schilders of ervaren kunstenaars, die samen een en hetzelfde schilderstuk beschouwden. De ene bezag het met bewondering en vergenoegde zich in het te bezien en te prijzen, doch trachtte niet zelf een dergelijk stuk te schilderen, doch de ander bezag het met een begeerte om het na te maken, en prees het door zijn kunde te werk te stellen in het na te bootsen. Evenzo is het met de wedergeborene en de onwedergeborene. De wedergeborene houdt van Gods Woord en verlustigt er zich in, zodat hij verlangt en tracht het gelijkvormig te worden; doch de onwedergeborene vindt rust in de beschouwing van het Woord, en blijft tevreden, al wordt hij het niet gelijkvormig.

Zo hebben wij u enkele van de liefelijke gezichten aangewezen, die in de weg van de Wijsheid worden gevonden; wij hebben u enige van de liefelijke bevindingen voorgesteld, die de kinderen van de Wijsheid op hun weg ontmoeten; wij hebben gesproken over sommige van de liefelijke indrukken, welke zij ontvangen, die bekend zijn met de wegen van de Wijsheid; en wij hebben de liefelijke overbuiging en neiging van de ziel tot geestelijke dingen en geestelijke vermaken overwogen.

Wij zouden dit gebruik van beproeving, om te weten of wij in de weg van de Wijsheid wandelen en bekend zijn met Zijn liefelijkheden, nog verder kunnen uitbreiden en er de grond en oorzaak van kunnen onderzoeken, namelijk, de werkende en de middellijke oorzaak, de Geest en het Woord van God. Wij zouden dit kunnen doen door een nadere beschouwing van het Voorwerp, namelijk, Christus in Zijn persoon, Zijn koop, Zijn verbond en Zijn instellingen; van de eigenschappen, namelijk, een onuitsprekelijke en zeer heerlijke vreugde; van de uitwerkingen, zoals verblijdende, verheffende, versterkende, heiligende en ondersteunende liefelijkheden die er in worden gevonden, doch de overweging daarvan zou ons in een te uitgebreid veld van stof voeren. Aangezien wij kortheid wensen te betrachten, zullen wij het voor het tegenwoordige hierbij laten en ons niet verder uitbreiden.

 

De wegen van de Wijsheid lieflijkheid, en haar paden vrede (5e preek)

Spr. 3:17. Haar wegen zijn wegen der liefelijkheid, en al haar paden vrede.

Het is in het geheel niet te verwonderen, dat de weg van de godsdienst en de heiligheid liefelijkheid en vrede is, wanneer men in aanmerking neemt, dat Christus Zelf de Weg is, en dat al wat in en met Hem is, aan de ware gelovige onbegrijpelijk genot verschaft. Wat een voldoening de begenadigde ziel vindt in de gemeenschap met een verzoende God in Christus, weten alleen zij, die gemeenschap hebben met de Vader en de Zoon, door de Geest. Hoewel niets zekerder is dan, dat de wegen van de Wijsheid niet alleen liefelijk, maar liefelijkheid zijn, en dat elk afzonderlijk pad van die weg vrede is, nochtans is er bijna niets zozeer een paradox voor het vleselijk bedenken. Dit is echter niet te verwonderen, daar de mens een vreemdeling is van het leven en de kracht van de godsdienst, en van het wezenlijk genot en de voldoening, die ontstaan uit de beschouwing van God en Zijn voortreffelijkheden, en uit de verheffing van het licht Zijns aanschijns over de ziel. Het getuigenis van de Geest Gods in de Schrift, zoals de bevinding van de heiligen, dat het getuigenis bevestigt, stelt het echter buiten alle twijfel, dat de wegen van de Wijsheid liefelijkheid zijn, en al haar paden vrede.

Van deze leer gebruik gemaakt hebbende tot onderrichting en onderzoek, zullen wij nu tot een ander gebruik overgaan.

Het derde gebruik zal zijn tot vermaning van tweeërlei personen. (1) Van de goddelozen, die geen genoegen kunnen vinden in de weg van de Wijsheid. (2) Van de vromen, in het bijzonder van zulken die bezwaard en bedroefd zijn; dat zij meer moesten trachten te tonen, dat de weg die zij bewandelen, liefelijk is.

1e Wij zullen onze vermaning richten tot de goddelozen, die nooit enig vermaak vonden in de weg van de Wijsheid, noch ooit andere vermaken konden genieten, dan die zinnelijk en dierlijk zijn. O vrienden! Laat u vermanen de weg van de Wijsheid te komen beproeven en haar liefelijkheid te proeven. Om u hiertoe op te wekken zullen wij eerst enige beweegredenen voorstellen en dan enige besturingen geven.

(1) Wij zullen u de volgende vier beweeggronden voorstellen, welke wij u aanraden ernstig te overwegen.

1. Overweegt hoe snood het hart is, dat meer vermaak heeft in de zonde dan in God en in heiligheid, dat het schepsel vermakelijk en God onaangenaam vindt. Wat een schande is dit voor uw verstand en uw wil! Wat is het een schande, dat het verstand de duisternis liever heeft dan het licht, en dat de wil de dood verkiest boven het leven! Is het geen schande voor beide, dat zij de slechtste dingen liefelijker achten dan de beste? Als u niet meer verstand had, dan dat u meer ingenomen was met drek dan met spijs, met naaktheid dan met kleding, men zou u niet wijs genoeg achten aan uw eigen beschikking en aan uzelf te worden overgelaten. Toch is de dwaasheid die u openbaart onuitsprekelijk veel groter, wanneer u meer lust hebt in u met zwijnendraf te voeden dan met hemels manna; wanneer u liever uw schandelijke naaktheid aan de wereld vertoont dan, dat u bekleed wilt zijn met een hemelse mantel, met een mantel van volmaakte gerechtigheid tot uw rechtvaardigmaking, en met een kleed van genade en heiligmaking. O zondaar! U hebt een God van oneindige goedheid om zich in te verlustigen en u hebt vrijheid tot Hem te komen. U hebt, evenzeer als anderen, vrijheid Hem lief te hebben, te bewonderen, te aanbidden, op Hem te betrouwen en uw harten in het verborgen voor Hem open te leggen, en toch hebt u geen lust in Hem, noch begeerte aan Hem te denken of over Hem te spreken. U komt tot de openbare inzettingen, maar u schept er geen behagen in, omdat u vreemdelingen bent van hun innerlijke en geestelijke delen; u ziet op de begaafdheid en de gaven van de leraar, op zijn voorstelling en voordracht van de leer, doch u bent nooit ingenomen met de geestelijke stof die hij heeft behandeld, en toch hebt u misschien lust genoeg in drinken, en feesthouden, en ijdel geklap; die dingen bent u zelden moe. Doch elke geestelijke inspanning is voor u een vermoeidheid. Het is één van de dingen die uw bekering in de weg staan, dat u vreest, dat de godsdienst u van uw pret zal beroven en veroorzaken, dat u het overige van uw dagen in bezwaardheid zult doorbrengen. Helaas! Wat openbaart zich hier een blindheid en boosheid!

2. Overweegt hoe ondankbaar uw hart is, dat, waar God zulke voorrechten en verlustigingen heeft daargesteld, en Christus verworven heeft, dat zondaren erdoor zouden bekoord worden, u nochtans zoudt zeggen, dat u ze in ‘t geheel niet als verlustigingen wilt aanmerken. Indien uw kind, of een bedelaar, de beste dingen die u hem kunt geven zou afwijzen en wegwerpen, zeggende: "Er is niets liefelijks in;" zoudt u dat niet als monsterachtige ondankbaarheid beschouwen? Waarom handelt u dan zo met Christus en Zijn liefelijke zegeningen, zeggende: "Ziet wat een vermoeidheid!" (Mal. 1:13). Doch indien u het lezen, bidden, horen, en andere godsdienstige oefeningen nog moe bent, ziet toe, dat u God niet tergt u in een plaats te werpen, waar u meer reden zult hebben moe te zijn. Zult u het helse vuur, en de smartelijke terugblikken op uw dwaasheid, en het ontzaglijk besef van de nimmer eindigende toorn van God niet moe zijn, welke uw deel zullen zijn, omdat u de liefelijkste diensten moe bent, en de grootste goedertierenheden welke Hij kan aanbieden, hebt verworpen, alsof het lastige, waardeloze dingen waren? Indien God niet waardig is, dat men Hem liefheeft en zich in Hem verlustigt boven alle andere dingen, dan voorzeker is Hij niet God. Indien de hemel en de heiligheid niet liefelijker zijn dan alle genoegens van de aarde en van de zonde, dan behoren zij niet zulke heerlijke namen te hebben. Men mag de zonde en de aarde de hemel noemen, doch wee hun, die geen betere hebben.

3. Overweegt en weest ervan verzekerd, als God en heiligheid, en Zijn weg u niet liefelijk zijn, dat Hij geen lust in u heeft, omdat u meer lust hebt in vuile verwelkende beuzelingen dan in God en Christus. Hij kan geen lust hebben in uw persoon, noch in uw gebeden. "Het offer des goddelozen is den Heere een gruwel" (Spr. 5:5, 6). Hoe rechtvaardig zuilen zij allen verdoemd worden, die de waarheid niet geloofd hebben, maar een welbehagen hebben gehad in de ongerechtigheid. Indien u voortgaat feitelijk te zeggen, dat u geen lust in Hem hebt; hoe vreselijk zal dat zijn, wanneer u Hem zult hoort zeggen, dat Hij geen lust in u heeft. Heeft Christus heiligheid en eeuwige liefelijkheden gekocht tot de prijs van Zijn bloed, en meent u, dat vleselijke, zinnelijke vermaken beter zijn dan die? O vrienden, wat dunkt u, heeft Christus Zich vergist, of vergist u zich, in het bepalen van haar waarde?

4. Overweegt, dat, indien God en de wegen van de Wijsheid u niet liefelijk toeschijnen, dan ook de hemel zelf u niet lieflijk kan voorkomen, wanneer u waarlijk aanmerkt wat de hemel is. De hemelse gelukzaligheid bestaat in de volmaaktheid van die heiligheid, dat zien, die liefde, blijdschap en genieting van God, welke u zozeer haat, en waarin u geen behagen kunt hebben. Indien het weinigje heiligheid, dat zich hier op aarde in de onvolmaakte heiligen vertoont, u zo onaangenaam is, welk genot zoudt u dan kunnen hebben in die volmaakte heiligheid, welke boven wordt gevonden? Indien de gedachten aan, en het vermelden van God, en het zingen van Zijn lof u onaangenaam zijn, dingen waarin u geen lust hebt, wat zoudt u dan in de hemel doen, waar dit in volmaaktheid, uw eeuwig werk zou zijn? U hebt waarlijk geen recht begrip van de hemel, indien u hoopt daar te kunnen zijn, zonder dat u hier lust hebt in hemelse dingen. Welke soort van hemel verwacht u toch? Kunt u God smeken u in de heerlijkheid te brengen, wanneer u de heerlijkheid een ellende, genade een last en de godsdienst een vermoeidheid acht? Indien u meent, dat er een hemel is van zulke zinnelijke vermaken als u begeert, of indien u de hemel alleen verkiest, als een plaats van meer draaglijke ellende dan de hel, dan zult u binnenkort ervaren, dat u in al uw verwachtingen bedrogen en in uw hoop ellendig teleurgesteld bent.

(2) Opdat u niet alleen zoudt komen, om de liefelijkheden van de weg van de Wijsheid te beproeven, maar dat u die ook zoudt proeven, zullen wij de volgende besturingen geven:

1. Wilt u de liefelijkheden van de weg van de Wijsheid en de vrede van die weg proeven, komt dan en ziet; komt en speurt de liefelijkheid na van de weg van de Wijsheid. Blijft niet op een afstand staan kijken, waar u niets ziet dan de buitenzijde; oordeelt niet naar horen zeggen, waaraan geen reuk of smaak is: "Smaakt en ziet, dat de Heere goed is" (Ps. 34:9). De zoetheid van de honig of van spijze wordt niet behoorlijk gekend door er naar te zien, doch door ze te proeven. Komt naderbij en beproeft wat het is in het geloof en de hoop van het eeuwige leven, en in de liefde en gunst van God door Jezus Christus te leven. De dop is niet zoet, maar dient alleen om de pit te verbergen, die het zoetste deel is; en waarlijk de kern van de godsdienst is bedekt met een schaal die zo hard is, dat vlees en bloed haar niet kunnen breken. Een harde rede, en moeilijke voorzienigheden over de kerk en particuliere gelovigen zijn zulke harde schalen, dat velen die nooit kunnen klein krijgen en daarom nooit de zoetheid ervan proeven.

2. Werpt uw vooroordelen en uw verkeerde bevattingen weg, welke u bedrogen, en uw gemoed tegen de wegen van de Wijsheid hebben opgezet. Dit zou natuurlijk op het voorgaande volgen, want de mensen zullen nooit van hun vooroordelen tegen Christus bevrijd worden, voordat zij komen en zien. Nathanael zeide: "Kan uit Nazareth iets goeds zijn? (Joh. 1:47) Filippus zeide tot hem: Kom en zie". Hij gaf daarmee te kennen, dat een gezicht van Christus zou uitwerken, dat de vooroordelen zouden worden weggenomen. Kan er enig genot zijn in de wegen van de Wijsheid, in een godsdienstig leven? Ja, indien u wilt komen en zien, zult u uw vooroordelen spoedig wegwerpen. Deze twee dingen zijn nauw aan elkaar verbonden en oefenen wederkerig invloed op elkaar uit. Zij, die niet willen komen en zien, zullen hun vooroordelen niet loslaten, en die hun vooroordelen niet willen laten varen, zullen niet komen en zien. Een mens kan overreed worden zijn spijze te verafschuwen, indien u hem maar kunt doen geloven, dat zij vergiftigd is; of zijn klederen te haten, als u hem maar kunt wijsmaken, dat zij met de pest besmet zijn; zo ook, indien u toelaat, dat uw verstand zodanig misleid wordt, dat het de beminnelijke natuur van de heiligheid en van de weg van de Wijsheid over het hoofd ziet, en meent, dat het beeld Gods maar inbeelding, een hemels leven maar geveinsdheid is, en dat het maar hoogmoed is in de mensen, heiliger te zijn dan anderen. Als u gelooft wat de duivel en zijn werktuigen zeggen, dan is het geen wonder, dat u zelfs de naam van heiligheid haat; ja, dan zult u nooit God liefhebben, noch enige beminnelijkheid in Zijn dienst zien. Hoe kunt u liefelijkheid zien in het grootste goed, zolang u het aanmerkt als een kwaad.

3. Laat het u in het gebruik van de ingestelde middelen daarom te doen zijn, dat de Heere Jezus uw natuur vernieuwt, en dat Zijn Geest u een nieuw verstard geeft, om geestelijke dingen te onderscheiden, en een nieuw hart, om er smaak in te vinden. Ons oude verdorven verstand en hart zullen dit nooit doen; die zijn onvatbaar voor de dingen Gods, en kunnen ze daarom niet ontvangen, noch gunstig gezind zijn. (1 Kor. 11:14, 15) "De natuurlijke mens begrijpt niet de dingen, die des Geestes Gods zijn: want zij zijn hem dwaasheid, en hij kan ze niet verstaan, omdat zij geestelijk onderscheiden worden. Doch de geestelijke mens onderscheidt wel alle dingen, maar hij zelf wordt van niemand onderscheiden". (Rom. 8:6, 7) "Want het bedenken des vleses is de dood; maar het bedenken des Geestes is het leven en vrede; daarom dat het bedenken des vleses vijandschap is tegen God: want het onderwerpt zich der wet Gods niet, want het kan ook niet". De eetlust en de smaak van elk levend schepsel komt overeen met zijn natuur. Een vis kan geen lust hebben in het droge, noch een vogel in onder water te zijn. Hetgeen uit het vlees geboren is, dat is vlees, en heeft daarom slechts lust in vleselijke dingen; en hetgeen uit de Geest geboren is, dat is geest, en vindt daarom smaak in geestelijke dingen. Zoekt daarom de nieuwe natuur deelachtig te worden.

4. Indien u de liefelijkheid van de weg van de wijsheid wilt proeven, onthoudt u dan van de liefelijkheden van de weg van de dwaasheid, namelijk die zondige vleselijk vermaken waarmee u zo ingenomen bent, want zij verdwazen uw verstand, bederven uw eetlust, en maken, dat de liefelijkste dingen u walgelijk toeschijnen. Wanneer het hart met zinnelijke genoegens overladen is, maakt dit het Woord en de wegen Gods onsmakelijk. De verloren zoon (Luk. 15) dacht niet eerder over de liefelijke en volle overvloed in het huis van zijn vader, dan toen hij honger en gebrek begon te lijden en hem de draf werd onthouden. Daarom bevordert God zo dikwijls het werk van de bekering door verdrukking. Misschien kunt u zich niet indenken hoe u er toe zoudt komen uw zinnelijke vermaken te verlaten. U, die nooit edeler vermaken gekend hebt, dan eten, drinken, pret maken en dergelijke, wat zult u doen, wanneer pijn en ziekte u uw eten, en drinken, en pretmaker moe zullen doen worden, en u zult zeggen: "Ik heb er geen lust in?" Deze dingen waarvan u nu zo afkerig bent die te verlaten, zullen misschien binnenkort zo’n last voor uw ziel zijn, als onverteerde spijze voor een ongestelde maag, zodat u geen rust zult hebben, voordat u ze uitgespuwd hebt. Helaas! U zult nooit weten wie uw vrienden zijn, zolang u uw bedriegers niet verlaat; noch de liefelijkheden van een heilig leven kennen, tenzij u de vergiftige vermaken van de zonde laat varen. Dan zult u ervaren, dat de wegen van de Wijsheid uw genoegens niet zullen verwoesten, maar dat zij uw vermaak en lust zullen veranderen en herstellen, en die edel, hemels, geestelijk, hecht en duurzaam maken. Zij zullen u het leven voor de dood, licht voor duisternis, goud voor schuim, en de grootste vrede en veiligheid in plaats van het grootste gevaar geven.

2e Wij zullen een woord van vermaning spreken tot de vromen, in het bijzonder tot zulken, die bezwaard en bedroefd zijn, die zo treurig leven alsof zij meer droefheid dan liefelijkheid in de wegen van de Wijsheid vinden. Wij vermanen hen, dat zij zich zullen beijveren door hun blijmoedige wandel, als zulken die vrolijk zijn en gerechtigheid doen, te tonen, dat de weg die zij bewandelen een liefelijke weg is en dat haar paden vrede zijn. Om de vermaning aan te dringen, zullen wij enige beweegredenen aanvoeren, enige besturingen geven en enige tegenwerpingen uit de weg ruimen, die onder de behandeling kunnen worden gemaakt.

[1] Wij zullen als beweegredenen de volgende zes bijzonderheden overwegen:

1. Laat de neerslachtige gelovige overwegen, dat hij door zijn treurigheid en neerslachtigheid God en Zijn dienst bij de wereld schijnt te beschuldigen, alsof Hij een harde Meester en Zijn dienst een onaangename dienst was. Ik weet wel, gelovigen, dat u er zo niet over denkt; ik weet wel, dat u niet over God en Zijn dienst klaagt, en dat u niet neerslachtig daar heengaat omdat u heilig bent, maar omdat u vreest, dat u niet heilig bent. Toch kunt u zodoende aan onkundige mensen grote oorzaak geven anders te oordelen. Als u zag, dat een knecht altijd stroef en zwaarmoedig was, die vrolijk en opgeruimd placht te zijn, toen hij in een andere dienst was, zoudt u dan niet menen, dat hij een meester had die lastig voor hem was? Als u zag, dat een vrouw sedert haar huwelijk altijd droevig was, die tevoren veel hartelijker en opgeruimder was, zoudt u dan daaruit niet besluiten, dat zij een onaangenaam huwelijksleven had? Nu, zo kan uw droevigheid uw hemelse Meester, Die u dient, smaad berokkenen; en bent u niet met de Heere Jezus Christus getrouwd? Zult u aan de onwetende wereld oorzaak geven uw hemelse Man oneer aan te doen? Kunt u over uw hart verkrijgen, dat God, Die u hoogacht, oneer en ongelijk wordt aangedaan?

2. Overweegt wat een beklagenswaardige verhindering u hierdoor kunt zijn voor de bekering en zaligheid van anderen. Uw treurig aangezicht en uw moedeloze klachten kunnen de mensen een schrik aanjagen voor de wegen van de Wijsheid alsof dat geen liefelijke maar veeleer droevige wegen waren. U behaagt de duivel en zijn instrumenten, die de mensen van Christus en zijn wegen trachten af te houden door hun te doen geloven, dat de dienaars van Christus een gezelschap van ziekelijke, neerslachtige, zwaarmoedige zielen zijn, en dat godzaligheid de weg is, om de mensen gek te maken. Dit is dan ook inderdaad een van die wegen waarvan de Profeet Jesaja zegt: (Hoofdst. 59:15) "de waarheid ontbreekt er, en wie van het boze afwijkt, stelt zich tot een roof", of, zoals in de kanttekening staat: "maakt dat hij voor onwijs gehouden wordt". Satan en de goddelozen maken de mensen wijs, dat zij, als zij hun hart op de hemel willen zetten, nooit meer een aangenaam leven op aarde moeten verwachten. Wilt u dan meewerken om deze laster van de duivel en zijn instrumenten te bevestigen? Kunt u vrede hebben met zo’n struikelblok in de weg van uw ellendige kennissen te leggen om hun zaligheid te verhinderen? Misschien hebt u die vroeger verhinderd door uw zondige vrolijkheid en zult u het nu doen door uw zondige bedruktheid? Als u een hemels, blij leven kon leven, zodat de heerlijkheid van u hoop zich vertoonde in uw gelaat, gedrag en omgang, hoe aantrekkelijk zou dat zijn voor de onwetenden, die krachtens hun natuurlijke vijandschap de voortreffelijkheid van de godsdienst niet kunnen zien, doch er slechts een oordeel van vormen uit het gedrag van de personen die hem belijden. Dat zullen voorzeker de beste en gelukkigste personen zijn, die de grootste vertroostingen hebben en de zwaarste onrust van het gemoed overwinnen. O, als het genoegen en de uitnemendheid van de godsdienst meer uitblonk in het leven van de Christenen, de wereld zou gedwongen worden te bewonderen wat zij zo ontzaglijk haten, en sommigen zouden nieuwsgierig worden, om te weten wat het toch is, dat ons zo vervrolijkt, en wensen deelgenoten gemaakt te worden van onze blijdschap! O vrienden! Zullen zij roemen, die niets hebben dan een ijdele voorbijgaande wereld om hen te troosten, en zult u niet roemen in de Heere? Zullen zij zich beroemen op hun vergankelijke rijkdommen, en zult u zich niet beroemen op de onnaspeurlijke rijkdommen van Christus? (Ps. 34:2, 3, 4) "Ik zal den HEERE loven te aller tijd; Zijn lof zal geduriglijk in mijn mond zijn. Mijn ziel zal zich beroemen in den HEERE; de zachtmoedigen zullen het horen en verblijd zijn. Maakt den HEERE met mij groot, en laat ons Zijn Naam samen verhogen". (Ps. 44:9) "In God roemen wij de gehele dag, en Uw Naam zullen wij loven in eeuwigheid". Het zou kunnen zijn, dat arme vergankelijke zondaren, dit horende zichzelf gingen beklagen en bij zichzelf gingen denken: "Het is waarlijk niet voor niets, dat deze mensen zich verblijden, en zo’n aangenaam, troostelijk leven hebben, en er zo verheugd uitzien, zelfs bij het verlies van al die dingen waarin al onze verkwikking gelegen is." Daarom, o gelovige! Als u de Heere niet wilt onteren, en uw naaste de moed niet wilt benemen zijn weg te bewandelen, tracht, door genade, tot dit blijmoedig leven en dit roemen in de Heere te komen.

Tegenw. "Ik vrees, als ik zou trachten zo te leven, om anderen daardoor te bemoedigen, dat dit, zolang ik niet in staat ben mij inwendig te verblijden en geen voldoende reden van verheuging in mijzelf kan vinden, mij tot een huichelachtige schijnvertoning van blijdschap en moed zou brengen".

Antw. Elke gelovige in Christus heeft voldoende reden tot onuitsprekelijke vreugde, buiten zichzelf, in de volmaaktheden Gods, de volheid en gerechtigheid van Christus en de beloften van het verbond, welke als onwankelbare fondamenten staan tot zijn gelovige verzekering, zelfs wanneer hij die goede kenmerken en tekenen, die soms de grondslag van zijn duidelijke verzekering zijn, niet in zich kan vinden. U moet weten, dat u uw vertroosting niet behoort op te schorten en uw blijdschap en vreugde niet behoeft na te laten, zolang u die volle, duidelijke verzekering niet hebt, die u zo graag zoudt willen hebben, Ja, ik verzeker u, dat het zwakste geloof en de kleinste hoop recht geven op een troostelijker leven, dan u kunt leven. Dat is geen huichelarij, doch plicht, dat u naar buiten in daden vertoont, wat u bevolen is in betrekking tot heilige moed en vertrouwen, ook al kunt u niet komen tot die mate van inwendige vertroosting, welke u begeert.

Ik herinner mij, dat ik eens een stervende heilige, hierop doelende, tot sommigen die daar aanwezig waren, hoorde zeggen: "Ik had dikwijls een sterke begeerte meer over Christus en de godsdienst te spreken en u die aan te prijzen, dan ik gedaan heb, doch wat mij de moed en de vrijmoedigheid benam was de vrees, dat het van achteren zou blijken, dat ik zelf maar een huichelaar was; dit was een verzoeking voor mij". Misschien zijn er sommigen van het volk van de Heere, die onder verzoekingen van dit soort verkeren. Het zij ver van mij, mijn vrienden, dat ik iemand zou willen overhalen om te liegen en te huichelen, gelijk sommigen misschien doen, die vrijmoedig over de godsdienst kunnen spreken, alleen om zich bij anderen aan te bevelen en een naam te maken, dat zij beter met de godsdienst bekend zijn, dan inderdaad het geval is; doch ik spreek tot matige, ernstige en geoefende zielen. U liegt niet, ook beweert u niet, dat u een blijdschap hebt, die u niet hebt, wanneer u slechts, zo goed als het u mogelijk is, dat weinigje tracht uit te drukken, dat u hebt. Waarlijk, een weinigje vrede en vermaak, een klein weinigje van deze blijdschap en dit genoegen is van zo’n hoge en hemelse natuur, gegrond op de kleinste hoop van het eeuwig leven in Christus, dat het u in staat zal stellen, in het uitdrukken daarvan, de grootste verlustigingen van de goddelozen te overtreffen. In gemoede te trachten het uitwendig deel te verrichten is zowel een geboden plicht, als een middel om de inwendige blijdschap van de ziel te bevorderen, evenals uitwendige ongemakken van het lichaam kunnen medewerken tot inwendige versterking van het gemoed, en de verrichting van uitwendige plichten het middel kunnen zijn tot een inwendige gestalte. Het is geen huichelarij de uitwendige middelen te beproeven, al gevoelt u een gemis van de inwendige gestalte en bemoediging. Indien u uw toorn niet kunt inhouden zoals u wel zoudt willen, is het geen geveinsdheid. maar uw plicht die te verbergen en zijn zondige werkingen tegen te staan; ja, in zo te handelen zal uw toorn des te spoediger worden onderdrukt. Zo is het geen huichelarij, maar uw plicht, wanneer u uw ongeregelde trek in spijs en drank niet kunt inhouden, uw handen te bedwingen en uw mond te sluiten, en u te onthouden van die dingen waarin u zo’n trek hebt; zo te handelen kan die trek zelf wegnemen. Indien de dronkaard wilde aflaten van zijn drinken en de vraat van zijn zondige spelen, dan zou misschien het vuur van zijn zinnelijkheid uitgaan uit gebrek aan brandstof, gelijk het met andere lusten van het vlees zou gaan, wanneer de mensen geen gelegenheid hadden ze te voldoen. (Rom. 13:14) "Maar doet aan de Heere Jezus Christus en verzorgt het vlees niet tot begeerlijkheden". Zo ook, wanneer u uw inwendige twijfelingen en smarten niet naar wens kunt te boven komen, laten zij u daarom niet verschrikken, noch zo bedrukt voor het oog van de wereld uw weg doen gaan, dat God daardoor onteerd en uw heilige belijdenis veracht zou worden. U zult ervaren, dat uw pogen om een heilige opgeruimdheid van gelaat, uitdrukking en gedrag te vertonen, ook wanneer u de inwendige vertroosting, die u wel zoudt wensen te hebben, mist, kan medewerken om uw buitensporige onrust te overwinnen en de blijdschap die u begeert zeer te bevorderen.

Doch opdat u reden mag zien voor de vrolijke wandel waarover wij hebben gesproken, vermaan ik u, bij wijze van beweegreden:

3. Overweegt, dat indien u maar een sprankeltje zaligmakende genade hebt, het niet mogelijk is het geluk van uw staat, en de reden die u hebt om in blijdschap te leven, te bevatten of uit te drukken. Als u in het geheel geen genade hebt, dan spreek ik tot u niet, doch als u ze hebt en toch vreest, dat u ze mist, daar het nauwelijks mogelijk is genade te missen en toch zeer bedrukt te zijn en te klagen, dat u ze mist, dan bezit u, indien u ze in de geringste mate hebt, daarin een onuitsprekelijke schat van verlustiging. Ik heb reeds eerder kenmerken aangewezen, en indien u waarlijk op de weg van de Wijsheid uw voeten hebt gezet, dan is God de Uwe, Christus is de Uwe, de Geest is de Uwe, de belofte is voor u, de hemel is van u krachtens recht en zal van u zijn krachtens bezit. Zullen zij in droefheid leven en vertroosting weigeren, die over een paar dagen in blijdschap zullen verslonden zijn? Als u hiervan zeker was, en dat u eeuwig met de Heere zult zijn, nadat u nog een paar dagen geleefd hebt, zou niet uw geweten u beschuldigen wegens uw kleinmoedigheid, en getuigen, dat uw gemis van blijdschap een bewijs is van gebrek aan dankbaarheid voor zo’n goedertierenheid?

Tegenw. "Ja, ik zou mij kunnen verblijden, indien ik van dit alles zeker was; doch daar ik eerder denk, dat ik er geen deel aan zal hebben, kan ik er maar weinig door vertroost worden."

Antw. (1) Vanwaar hebt u zulke vrezen? Hebt u niet in uw ziel die liefde tot God en Christus, die haat tegen en dat moe zijn van de zonde, die begeerte naar gemeenschap met God in Christus, die hoogachting voor het Evangelie en voor het onderzoekend Woord van God, die liefde tot de heiligen, tot Gods kinderen, die blijken zijn van genade, en dingen die met de zaligheid gevoegd zijn? En zult u niettegenstaande dit nog in twijfel trekken, of u die kenmerken hebt en of het koninkrijk van u zal zijn; het zijn uw zwakheid en onbedachtzaamheid, die uw droefheid veroorzaken.

(2) Bent u niet zeker, dat Christus en Zijn weldaden de uwe zijn? Wel man, vrouw, ik ben er zeker van, dat zij de uwe zijn in de aanbieding en in de algemene belofte. Indien zij de uwe niet zijn op een bijzondere zaligmakende wijze, dan is het niets dan uw voortdurende weigering welke u er van berooft. Indien u Christus en Zijn aangeboden weldaden niet wilt hebben, waarom veinst u dan zo met uw klagen, dat u ze niet hebt? Als u toch gewillig bent, dan zijn zij de uwe.

Tegenw. "Hoe kunnen wij getroost leven, beide onder zoveel zonde, en zoveel lijden? Misschien kent u onze omstandigheden niet, anders zoudt u ons niet aanmanen tot blijdschap en vrolijkheid."

Antw. Als u naar die maatstaf oordeelt zult u zich nooit verblijden voordat u in de hemel komt, want voor dat zult u nooit vrij van zonde en lijden zijn. Het schijnt wel, dat u meent, dat niemand anders zich mag verblijden en zo zoudt u alle troost uit de wereld bannen, want niemand is zonder zonde en lijden. Zijn uw zonden groot, gelovigen? Wel, weest er dan bedroefd over naar God, doch laat dat uw dankbaarheid en blijdschap niet verhinderen, want de vergeving van zonde en de beloften van begonnen verlossing hier en van volkomen verlossing hiernamaals zijn van u. Zijn uw verdrukkingen groot? Wel, weest er nederig onder, doch verblijdt u, dat zij vaderlijke kastijdingen zijn, die uit Zijn liefde voortvloeien en tot uw hoger goed medewerken, en dat u door de Heere gekastijd wordt, opdat u met de wereld niet zoudt veroordeeld worden. Zegt mij, is er meer kwaad in uw zwakheden en lijden, dan er goedheid in God, liefelijkheid in Christus, gelukzaligheid in de hemel, en volheid in het verbond is? Als u dat niet durft zeggen, dan hebt u voorzeker meer grond om u te verblijden, dan om treurig te zijn. Ja, God geeft Zijn kinderen geen stof tot treuren, die niet met blijdschap vermengd is, of daartoe de weg baant: "Zalig zijn die treuren; want zij zullen vertroost worden " (Matth. 5:4). Evangelie-vernedering gaat gepaard met en wordt gevolgd door een weldadige hart vertederende vertroosting.

4. Overweegt, dat bevordering van vrede en blijdschap het voorname einddoel van het eeuwig Evangelie is. Gelijk God geen lust heeft in de dood van de goddelozen, maar daarin, dat zij zich bekeren en leven, zo ook heeft Hij zeker geen lust in de neerslachtigheid van Zijn kinderen, maar daarin, dat zij in liefde en in vrolijke gehoorzaamheid voor Zijn aangezicht wandelen. Het is het ambt van Christus, rust te geven aan hen, die vermoeid en belast zijn" (Matth. 11:28). Hij is gezalfd om de armen het Evangelie te verkondigen (Luk. 4:18). Toen Hij de wereld ging verlaten was Zijn legaat, dat Hij Zijn discipelen naliet, vrede en troost: (Joh. 14:1,18,27) "Uw hart worde niet ontroerd; gijlieden gelooft in God, gelooft ook in Mij. Ik zal u geen wezen laten; Ik kom weder tot u. Vrede laat Ik u, Mijn vrede geef Ik u; niet gelijkerwijs de wereld hem geeft, geef Ik hem u. Uw hart worde niet ontroerd en zij niet versaagd." Hij voorzegt aan hen hun lijden; maar Hij belooft hun, dat hun droefheid tot blijdschap zou worden; dat zij in Hem vrede zouden hebben. wanneer zij in de wereld verdrukking zouden hebben (Joh. 16:20, 33). Toen Hij na Zijn opstanding aan hen verscheen, was Zijn groetenis aan zijn vrienden: "Vrede zij ulieden" (Joh. 20:19, 21, 26). En het overvloedig zijn en het vermeerderen van deze heiligen vrede is de wens en de groetenis van Paulus, aan de Kerk, in al zijn zendbrieven. Het Evangelie zelf is de boodschap des vredes; het werk van de bediening is de prediking van vrede en verzoening met God. De boodschap van de engelen, toen zij de geboorte en vleeswording van de Vredevorst aankondigden was: "vrede op aarde, in de mensen een welbehagen". God maant Zijn volk aan, zich te alle tijd te verblijden, en het is het merkteken waarmee de gelovigen worden beschreven, dat zij gerechtvaardigd zijnde uit het geloof, vrede met God hebben, zich verblijden in de hoop van de heerlijkheid Gods, en roemen in de verdrukking (Rom. 5:1, 2). Menigten van Schriftuurplaatsen, die hetzelfde bevestigen, kunnen dienen om de vromen met schaamte te doen zien op hun gedrag onder hun voorkomende moeilijkheden en bezwaren; evenals men een schreiend kind in een spiegel doet zien hoe misvormd zijn aangezicht is. Indien u daardoor uw ziel verwondt en uzelf smart aandoet, blijft dan niet staan in die verwonde staat, maar wendt u, evenals David, tot uw Heelmeester en bidt Hem u de vreugde Zijns heils weer te geven en u vreugde en blijdschap te doen horen, opdat uw beenderen zich verheugen en uw verbroken hart zich mag verblijden (Ps. 51:10, 14). Waarom zoudt u uw gemis blijven zitten beklagen, terwijl de Fontein, Die alles bevat, voor u openstaat om er heen te gaan? Of waarom zoudt u over uw wonden zitten te klagen zonder tot de Heelmeester te gaan, Die u Zijn hulp om niet aanbiedt? En wat zou het, al genezen zij niet zo gauw? Wonden kunnen in een uur worden toegebracht, maar zij worden gewoonlijk niet in een uur genezen. Wacht Zijn tijd af en gebruikt de middelen; vertrouwt gemoedigd op Hem en u zult ervaren, dat de genezing gunstig voortgaat, hoewel zij voor de dood niet volkomen zal uitgewerkt zijn.

5. Overweegt, dat, evenals liefelijkheid en vrede het leven van de hemel zijn, het zo ook het heiligst en zaligst leven moet zijn, dat het leven van de hemel het dichtst nabij komt. Naar de hemel te gaan is in te gaan in de vreugde van onze Heere. Aangezien de meest blijde Christenen de zaligste zijn, zo zijn die ook de heiligste. Blijdschap is een deel van onze heiligheid en van onze godsdienst: (Rom. 14:17) "Het koninkrijk Gods is rechtvaardigheid, en vrede, en blijdschap door de Heilige Geest." Daarom onthouden wij God zonder deze heilige verlustiging een voornaam deel van Zijn dienst, namelijk het dankoffer. Hoe ongeschikt is een twijfelende, kwijnende, neerslachtige ziel tot het groot en verheven werk van lof en dank, dat onze dagelijkse offerande behoorde te zijn! Wij snoeren zodoende onze monden, wanneer wij de lof des Heeren moesten vertellen en uitgalmen. Wat een schande is het, dat de dienstknechten van de duivel zo opgewekt en de dienaars van God zo neerslachtig zijn! Zult u zo kwijnend naar de hemel gaan, terwijl zij dansende naar de hel gaan? O gelovige, u kon zo vrolijk leven voor uw bekering, toen u de zonde diende, en zult u, nu u Christus dient, zo mismoedig leven alsof u een slechte ruil had gedaan, of ten minste aanleiding geven, dat de mensen dit denken? Ik weet, dat u voor de hele wereld niet zoudt willen, dat u nog in die staat was, waarin u was voor uw bekering en het geloof in Christus Jezus; waarom zoudt u dan leven alsof u nu ellendiger bent dan u tevoren was?

6. Overweegt, dat het bijzonder werk van de Heilige Geest, de Derde Persoon van de heerlijke Drie-eenheid, is, te troosten zowel als te heiligen. Als u niet graag het heiligend werk van de Geest zoudt tegenstaan, waarom zoudt u dan niet even afkerig zijn van het tegenstaan van Zijn vertroostend werk? Het is toch dezelfde Geest Die u in beide weerstaat, en wanneer u Zijn vertroostend werk weerstaat, verzet u zich ook tegen Zijn heiligend en versterkend werk, dat u bekwaam en krachtig zou maken zowel om Hem te dienen als voor Hem te lijden. De blijdschap des Heeren toch zou uw sterkte zijn.

[2] Wij zullen tot besturing, om dit genot en deze blijdschap te verkrijgen de volgende raadgevingen voorstellen:

1. Tracht een meer volkomen en vaste kennis te verkrijgen van God en Zijn eigenschappen en verbondsbetrekking tot u in Christus Jezus. Indien oneindige volmaaktheden u geen stof van vermaak zijn, is het omdat u ze niet kent. Indien het u toeschijnt, dat de zon niet licht is, vloeit dit daaruit voort, dat u het gezicht mist, of dat u niet naar het licht ziet. Indien u geen smaak kunt vinden in het beste voedsel of in de aangenaamste spijze, dan vindt dit zijn oorzaak hierin, dat uw trek van streek is, of dat u het niet proeft. Indien uw meest gepaste en toegenegen vriend u niet beminnelijk is, is dit omdat u zijn gepastheid en liefde niet kent. Zo ook, indien de oneindige en eeuwige God, Die alle oneindige en eeuwige volmaaktheden bezit, u geen genot kan verschaffen, is dit omdat u Hem niet kent. Bestudeert dan Zijn oneindige volmaaktheden en weest veel werkzaam in het eenzaam gebed en in overpeinzing, wetende, dat het de liefde zelf is waarmee u te doen hebt, want "God is liefde"; het is dus de Fontein van al wat liefelijk is tot Welke u nadert. Het is een koud hart, dat door het vuur niet kan worden verwarmd; het is waarlijk een dood hart, dat door het leven niet kan worden levend gemaakt. Staat ook naar een volkomen en vaste kennis van Zijn verbondsbetrekking tot u, als uw God, uw Vader, uw Vriend in Christus. Als u Hem liefhebben, of zich in Hem verlustigen wilt, denkt dan niet van Hem dat Hij wreed is, of een vijand. Liefde en verlustiging worden nooit uitgehaald door blote geboden en bedreigingen, doch, als door een zeilsteen, magnetisch in beweging gebracht door aantrekkende goedheid. Indien God niet allerbeminnelijkst, allerliefelijkst en liefhebbend was, zou nooit het zeggen: "heb Mij lief, of Ik zal u verdoemen", enig mens Hem doen liefhebben, maar hem eerder in vrees en haat van Hem doen vlieden. Nu, Zijn liefde is geopenbaard in Zijn verbond van de belofte, dat u hebt aangegrepen in de dag waarin u geloofd hebt. Daarin heeft Hij Zich verbonden uw Vader, uw Zaligmaker en uw Heiligmaker te zijn, en dat verbond kan niet vernietigd worden. "Want bergen zullen wijken, en heuvelen wankelen; maar Mijn goedertierenheid zal van u niet wijken, en het verbond Mijns vredes zal niet wankelen, zegt de Heere, uw Ontfermer" (Jes. 54:10). Gods voorzienigheid geeft u niet zo’n zekerheid, dat de zon zal schijnen, en dat de beken zullen stromen, en dat de aarde vruchtbaar zal zijn, als Gods verbond u geeft van alles, dat noodzakelijk is tot uw zaligheid,

Vraag. Maar hoe zal ik zeker weten, dat ik met God in verbond ben?

Antw. Uit uw toestemming. God biedt Zichzelf aan uw Vader te zijn; Zijn Christus, dat Hij uw Zaligmaker, Zijn Geest, dat Hij uw Heiligmaker mag zijn. Bent u het daarmee eens geworden, of niet? Indien de zonde u zo zoet en liefelijk is, dat u onwillig bent God tot uw Deel te hebben; als u Hem niet tot uw verzoende Vader, uw Zaligmaker en uw Heiligmaker wilt hebben; waarom veinst u dan zo, met over uw ellende te klagen, terwijl u uw zaligheid afwijst? Doch bent u tot een hartelijke toestemming gebracht, dan bent u waarlijk en geestelijk in het verbond en de weldaden zijn van u, en daarom moesten de blijdschap, het genot en de vertroosting daarvan ook de uwe zijn.

2. Indien u de liefelijkheid van de wegen van de Wijsheid wilt ervaren, laat dan het werelds genot varen. Laat uw hart niet overstelpt zijn met wereldse zorgen, of droefheid, of onrust. U kunt zich niet in God verlustigen, wanneer u zich van Hem afkeert om het in het schepsel te zoeken. Als u minder uw genot zocht in vrienden, en gezondheid, en rijkdom, en voorspoed in de wereld, dan zoudt u meer in God hebben. Het vlees is geneigd de mensen te verdwazen in zinnelijke bevattingen te geven van de natuur van de zaligheid. Eerst beeldt u zich in, dat het een uitnemend iets is rijk en beroemd te zijn, en over anderen te heersen, en overvloed te hebben van alles wat geriefelijk is voor het vlees; en omdat God aan al die vleselijk inbeeldingen niet voldoet gaat u menen, dat Hij u verwaarloost, of hard met u handelt. Alsof elke persoon in een stad moest murmureren omdat hij geen burgemeester, of overheidspersoon, of rechter is, terwijl men, als men slechts verstand genoeg had om het te bezien, zou weten, dat men bewaard wordt van een dubbel bezwaar en van een last waaronder men misschien zou bezwijken. Maar wanneer het vlees de mensen verdwaast, zodat zij deze wereldse dingen overschatten, zien zij altijd uit naar bedrieglijke genoegens, of zij zijn moeilijk omdat hun vleselijk begeerten overdwarst worden, zodat zij hoe langer hoe minder ophebben met de ware en duurzame verlustigingen en er geen rechte trek meer in hebben.

3. Wacht u, dat u zichzelf niet in enige zonde toegeeft, en blijft wakende tegen verzoeking, want de zonde zal droefheid en smart voortbrengen in plaats van blijdschap en genoegen. De zonde is de oorzaak van lijden. Wanneer zij u blijdschap belooft, bereidt zij u slechts droefheid; wanneer zij u overhaalt tot vermetelheid, voert zij u tot wanhoop; wanneer zij u veiligheid belooft, geeft zij u onrust; en wanneer zij u geheimhouding belooft, leidt zij u tot schande. Weest er zeker van, dat u op de een of andere wijze uw zonde zult gewaarworden, als zij u vinden zal (Num. 32:23). Daarom, indien u gezondigd hebt, stelt niet uit door geloof en bekering tot Christus te vlieden. Indien u dus de doorn kunt uitrukken, die u kwelt, zal de weg van de Wijsheid u liefelijker zijn. Als u het vermaak van de godsdienst niet wilt verbeuren, verlaat dan het huis, verlaat het gezelschap tot schande en de gelegenheden, die u in de zonde verstrikken. Wanneer u dit niet doet zullen uw beste besluiten en voorzorgen zo zwak blijken te zijn, dat het vlees u zal verlokken en u van uw geluk en genot zal beroven.

4. Voegt u bij vrolijk gezelschap; niet vleselijk, maar heilig; niet zulken die hun tijd verspillen met onprofijtelijk, onbetekenend, ijdel gesnap; die zich meer bezighouden met kwaad van hun naaste, dan met goed van Christus te spreken; die zelden iets anders doen dan hun eigen goed uitbazuinen, of wanneer zij soms iets goeds van een ander zeggen, daarmede slechts op het oog hebben van anderen kwaad te spreken. Wacht u voor het gezelschap van zulken, die slechts vleselijk, ijdel en werelds in de omgang zijn, doch zoekt het gezelschap van hen, die het best bekend zijn met de liefelijkheid van de godsdienst, en van welken de opgeruimde gesprekken hun kennis van de liefde Gods en de genade van Christus openbaren. Er gaat een verrukkelijke kracht uit van de omgang met blijde Christenen en dankbare hemelsgezinde gelovigen. IJzer scherpt men met ijzer; alzo scherpt een man het aangezicht zijns naasten (Spr. 27:17).

5. Laat uw gebeden gepaard gaan met dankzegging. Wanneer u tot God spreekt, onderzoekt dan niet alleen nauwkeurig uw behoeften, om die in het gebed voor te stellen, maar ook de goedertierenheden welke u ontvangt, om daarvoor te danken; laat een dankbare erkenning daarvan niet vergeten worden. Ik raad bezwaarde en vreesachtige zielen aan zoveel van hun tijd en woorden te besteden aan het erkennen van het goed, dat zij ontvangen, als aan het belijden van hun zonden, en in het danken van God voor hetgeen zij hebben, als in het bidden tot Hem om wat zij missen. Dan zult u ervaren, dat opgewektheid van hart wordt bevorderd door uitdrukkingen van dankbaarheid. Ik geef u dezelfde raad ten opzichte van uw gedachten, namelijk, dat u tracht zoveel gedachten te besteden aan de overdenking van genade en goedertierenheid, als van zonde en ellende; de goedertierenheid en liefde Gods in Christus evenzeer te overdenken, als Zijn verschrikkingen en bedreigingen. Waarom zult u alleen uw gedachten bepalen bij uw verdrukkingen en noden, terwijl u in een land woont, dat overvloeit van melk en honig? Waarom zult u steeds de gal en de alsem in uw mond houden? Dit is de weg, om zowel het voordeel van de verdrukking, als het genot van de godsdienst te verliezen. Hoedt u, dat u geen vrezen of smarten koestert, behalve de zodanige, die dienstig zijn tot bevordering van het geloof, de hoop en de liefde, en de weg bereiden tot dankbaarheid en blijdschap, want de godsdienst bestaat niet uit enige andere soort van droefheid. Overdenkt naarstig, boven alle dingen, de liefde Gods geopenbaard in Christus, hetwelk het meest uw liefde tot Hem zal uithalen en u alle ingevingen zal doen haten, die God als onbeminnelijk en onbegeerlijk aan u willen voorstellen.

6. Indien u de rust en het genot van de gelovigen wilt kennen, zoekt dan in alle omstandigheden in de wil van God te berusten. U kunt geen rust en geen genot verwachten, zolang u alleen de vervulling van uw wil zoekt en mort over de beschikking van de wil van God. Indien u in uw wil rust, zal uw rust verstoord en onvolkomen zijn, doch indien u in Gods wil rust, dan zal een voortdurende vrede en rust uw deel zijn. U bidt dat Zijn wil geschiede, en indien u berust in wat Zijn wil doet, zult u rust en voldoening vinden, wat u ook overkomt. Onderwerpt u in elke plicht aan Zijn gebiedende wil, want de vertroostingen van de godsdienst houden gelijke trek met de oefeningen daarvan, en kunnen niet verwacht worden in een weg van luiheid. Onderwerpt u aan Zijn beschikkende wil, want zodoende zult u ervaren, dat uw kruisen in vertroostingen veranderd en uw verdrukkingen met troost vermengd zullen worden. Zoals: "Vreest niet, gij klein kuddeken! Want gelijk het uws Vaders welbehagen is ulieden "het kruis te geven", zo is het ook uws Vaders welbehagen ulieden "het koninkrijk en de kroon te geven". Waarlijk, het vooruitzicht hiervan is stof van onuitsprekelijke vreugde; "wij roemen in de hoop van de heerlijkheid Gods (Rom. 5:2). Gelijk het genot van de vleselijken bestaat in het gevoel voor wat zij onder handen hebben, zo bestaat het genot van de gelovigen hoofdzakelijk in een besef of gezicht van wat zij in hoop hebben, of van hetgeen zij voor eeuwig bij God zullen genieten, en dat zij altijd met de Heere zullen wezen.

7. Overdenkt veel de nadelen die er aan verbonden zijn, dat u zich niet in de Heere vermaakt en verlustigt. Weinig blijdschap in de Heere getuigt van weinig licht en veel duisterheid, en daaruit ontstaan de verkeerde bevattingen van God en Zijn bedelingen. Weinig vermaak in de Heere getuigt van weinig leven en sterkte, weinig geloof en liefde, en weinig nederigheid.

8. Overpeinst de grote voordelen, die aan de verlustiging en het vermaak in de Heere verbonden zijn. Deze genieting is uw heiligheid, uw zaligheid, uw hemel. Dit is de hemel van de strijdende Kerk en de hemel van de triomferende Kerk; het is de hemel en de gelukzaligheid van God Zich in Zichzelf te verlustigen. Hoe meer u zich in de Heere vermaakt, hoe nauwer u aan Hem verbonden wordt. (Joh. 14:21) "Die Mijn geboden heeft, en dezelve bewaart, die is het, die Mij liefheeft; en die Mij liefheeft zal van Mijn Vader geliefd worden; en Ik zal hem liefhebben, en Ik zal Mijzelf aan hem openbaren.

9. Weet en overweegt, dat uw tegenwerpingen tegen deze verlustiging niet zo gewichtig zijn, dat zij uw verplichtingen daartoe in het minst zouden kunnen verzwakken. Wat betekenen tegenwerpingen, die aan schuld zijn ontleend, wanneer u Christus als uw gerechtigheid aanmerkt? Welk gewicht hebben bezwaren, die u opwerpt wegens uw onreinheid, uw duisterheid en uw dodigheid, wanneer u Christus beschouwt als uw Heiligmaking, uw Licht en uw Leven? Gedenkt in welke gevallen u geroepen wordt u in de Heere te verblijden, namelijk in die omstandigheden en tijden waarin u geneigd bent te denken, dat het uw plicht is de moed op te geven. Wanneer God bitterheid schrijft op alle dingen; waarom anders zou Hij het schepsel bitter maken, dan opdat u zich in Christus zoudt verlustigen? Want dan spreekt Hij: "bij Mij van de Libanon af" (Hoogl. 4:8). Wanneer u teleurgesteld bent in uw verwachtingen van andere dingen, van geliefde betrekkingen en genietingen, misschien van zo’n leraar; wel, gaat dan een weinig verder. Wanneer u onder twijfelmoedigheid en moedeloosheid, vrezen en bezwijkingen van de geest bent, verlustigt u dan in de Heere en hoopt op Hem. (Ps. 42:12 en 43:5) "Wat buigt gij u neder, o mijn ziel? En wat zijt gij onrustig in mij? Hoop op God,want ik zal Hem nog loven; Hij is de menigvuldige verlossing mijns aangezichts, en mijn God". Wanneer u in de duisternis wandelt en geen licht hebt; wanneer u onrustig van geest bent en niet weet wat te doen; dan zegt Hij: "Komt herwaarts tot Mij, allen, die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven. Neemt Mijn juk op u, en leert van Mij, dat Ik zachtmoedig ben en nederig van hart; en gij zult rust vinden voor uw zielen." Wanneer u op een plaats komt, waar twee wegen ineen lopen en u niet weet welke te kiezen, vergenoegt u dan met Hem, Die zegt: "Ik zal de blinden leiden door de weg, die zij niet geweten hebben; Ik zal ze doen treden door de paden, die zij niet geweten hebben; Ik zal de duisternis voor hun aangezicht tot een licht maken, en het kromme tot recht. Deze dingen zal Ik hun doen, Ik zal hen niet verlaten" (Jes. 42:16). Wanneer moeilijkheden en verdrukkingen aan elke zijde al hoger rijzen, ook dan hebt u zich in de Heere te verlustigen. "Wanneer de afgrond roept tot de afgrond, en al Zijn baren en golven over ons heengaan; ook dan zal de Heere des daags Zijn goedertierenheid gebieden, en ‘s nachts zal Zijn lied bij ons zijn" (Ps. 42:8, 9). Wanneer de wereld zo slecht is, dat u niet weet wie u zult vertrouwen en met wie u zult omgaan; verlustigt u ook in dat geval in Christus, Die een betrouwbare Vriend is, aan Wie u alles kunt vertellen wat in uw hart is: Hij is een "Vriend, Die meer aankleeft dan een broeder". Wanneer de wereld ondersteboven gaat en alle dingen verkeerd lopen: als er niets dan een Babel van verwarring te zien is, in de gang van zaken in de kerk, of in de staat; dan is het een tijd om u in de Heere te verblijden. "God is ons een Toevlucht en Sterkte; Hij is krachtelijk bevonden een Hulp in benauwdheden. Daarom zullen wij niet vrezen, al veranderde de aarde haar plaats, en al werden de bergen verzet in het hart der zeeën. Laat haar wateren bruisen, laat ze beroerd worden; laat de bergen daveren, door derzelver verheffing! Sela. De beekjes der rivier zullen verblijden de stad Gods, het heiligdom der woningen des Allerhoogsten." (Ps 46:2-5). In al deze omstandigheden en in duizend andere is er liefelijkheid in Christus en in Zijn wegen. Verblijdt u hierin, dat Christus altijd Dezelfde is, wanneer andere dingen u begeven of verlaten. Verblijdt u hierin, dat Hij vol is; wanneer op alle andere dingen ledigheid geschreven staat, dan is er een onmetelijke volheid in Hem. Verblijdt u hierin, dat Hij zo mild is; zo milddadig in de uitdeling van Zijn volheid. Verblijdt u hierin dat Hij onveranderlijk is. Al verandert u, en al verandert de hele wereld, nochtans is Hij onveranderlijk in Zijn liefde, onveranderlijk in Zijn Woord, onveranderlijk in Zijn verbond: "Want bergen zullen wijken, en heuvelen wankelen; maar Mijn goedertierenheid zal van u niet wijken, en het verbond mijns vredes zal niet wankelen, zegt de Heere, uw Ontfermer". Verblijdt u hierin, dat Hij zo vol medegevoel is; dat Hij in al uw benauwdheden benauwd is; dat hij. die u aanraakt, Zijn oogappel aanraakt. Verblijdt u hierin, dat Hij zo zoet is, dat Hij al de wateren van Mara voor u zoet maakt; dat Hij u zo na, zo nauw aan u verwant is; dat Hij uw Hoofd, uw Man, uw oudste Broeder, uw Herder, uw Vriend, uw Heelmeester, uw Alles in allen is. Hij is Been van uw been, en Vlees van uw vlees, krachtens de natuurlijke verwantschap, die er tussen Hem en u is: uw Borg uit kracht van de wettelijke betrekking en eenheid tussen Hem en u; en uw Leven krachtens de mystieke en geestelijke vereniging met, en betrekking tot u. "Die de Heere aanhangt, of met Hem verbonden is, is één geest met Hem. De overweging van deze dingen kan troost verschaffen in alle omstandigheden.

 

De kleine stad belegerd en verlost; of: de verlossing van de Kerk door Christus, en de ondankbaarheid van de mensen aan de heerlijke Verlosser voorgesteld

uit

Pred. 9:14,15. Er was een kleine stad, en weinig lieden waren daarin; en een groot koning kwam tegen haar, en hij omsingelde ze, en hij bouwde grote vastigheden tegen haar. En men vond daar een armen wijzen man in, die de stad verloste door zijn wijsheid; maar geen mens gedacht denzelven armen man.

Het is geen uitgemaakte zaak onder de uitleggers, of dit een geschiedenis of een gelijkenis is. Ik zal hier over deze zaak niet twisten, maar vat het op als een gelijkenis. Ik houd het er voor, dat de Geest Gods aan ons heeft overgelaten de toepassing te maken, hetwelk ik zal trachten te doen, naar ik hoop, zowel in overeenstemming met het geloof, als gepast voor de tegenwoordige gelegenheid.

De verzen bevatten een tijding uit de hemel.

1. Hier wordt een stad beschreven: "Daar was een kleine stad, en weinig lieden waren daarin". 2. De stad werd belegerd: "en een groot koning kwam tegen haar, en hij omsingelde ze, en hij bouwde grote vastigheden, tegen haar." 3. De stad werd verlost, en het beleg opgebroken: "En men vond daar een arme wijze man in, die de stad verloste door zijn wijsheid. 4. De ondankbaarheid van de burgers: "maar geen mens gedacht dezelve arme man".

1e Hier wordt een stad beschreven in haar hoedanigheid: het was een kleine stad; alsmede het geringe aantal inwoners: weinig lieden waren daarin. Nu, wat hebben wij door deze stad te verstaan? Wel,

1 Indien wij door deze stad de wereld in het algemeen verstaan, kan het vreemd toeschijnen, dat de wereld een kleine stad zou worden genoemd. Doch hij, die als Henoch met God wandelt, en zoals de profeet Jesaja het uitdrukt, in de hoogte woont, ziet, dat deze wereld slechts een schaduw is; ja, voor God zijn alle volkeren als niets. En gelijk zij klein is, zo zijn er ook weinig mensen in; omdat zij, die wij mensen noemen, volgens de Schrift niet kunnen worden onderscheiden van dieren en adderen, van welke er velen zijn. Doch er worden maar zeer weinig mensen in de wereld gevonden, niemand dan zij, die veranderd en van dieren tot mensen gemaakt zijn: "Het gedierte des velds zal Mij eren, de draken en de jonge struisen. Dit volk heb Ik mij geformeerd, zij zullen Mijn lof vertellen (Jes. 43:20, 21).

2. Door de stad hebben wij de Kerk van God in het bijzonder te verstaan. De naam van de stad is Jehovah shammah, de Heere is daar; de muur van de stad is heil, door God gesteld tot muren en voorschansen; het voedsel van de burgers is het Woord van God, en het Brood, Dat uit de hemel is nedergedaald. Wij zullen echter later overwegen in welk opzicht de Kerk zo dikwijls in de Schrift bij een stad wordt vergeleken. Het is maar een kleine stad, en weinig mensen zijn daarin, vergeleken bij haar vijanden en het overige van de wereld, die buiten de Kerk zijn.

2e De stad wordt belegerd. Waarin wij aanmerken:

1. De grootheid van de belegeraar: "een groot koning kwam tegen haar, en hij omsingelde ze". Hetzij wij, in één opzicht, God aanmerken als deze grote Koning, of, in een ander opzicht, de duivel en de zonde en de dood, die hem vergezellen; deze omsingelen of belegeren de stad in velerlei opzicht.

2. Let op de grootheid van het beleg: "hij bouwde grote vastigheden tegen haar". God in zijn ontzaglijke rechtvaardigheid; de duivel in zijn woedende boosaardigheid; de zonde in haar verwoestende listigheid; en de dood in zijn vreselijke verschrikkingen. Een groot koning, die grote vastigheden bouwt tegen een kleine stad, daar weinig mensen in zijn, dat moet hen in een zeer sombere toestand brengen. Doch,

3e De kleine stad wordt verlost, en het beleg opgebroken. "Men vond een arme wijze man in de stad, die haar door zijn wijsheid verloste". Let hier weer op twee dingen, namelijk: Hoe de verlosser wordt beschreven; en hoe de stad door hem verlost werd.

(1) Hoe de verlosser wordt beschreven: "Men vond een arme wijze man in de stad." Naar mijn gedachte is het niet alleen in overeenstemming met het geloof, maar ook zeer waarschijnlijk het oogmerk van de woorden, een beschrijving te geven van Christus, de Verlosser en Zaligmaker van Zijn gemeente, die ons hier wordt beschreven:

1. In Zijn mensheid, als een Man; want "Hij was een Man van smarten: Het Woord is vlees geworden".

2. In Zijn godheid, als een wijze Man; want Hij was, en is, de wezenlijke Wijsheid van God.

3. In Zijn vernedering, als een arme Man; want, "Hij is om uwentwil arm geworden, daar Hij rijk was".

4. In Zijn bestemming tot dit werk; Hij werd in de stad gevonden. Wie vond hem? God, Die zegt: "Ik heb een rantsoen, ik heb verzoening gevonden; ik heb David Mijn Knecht gevonden." Waar werd Hij gevonden? In de stad zelf, onder de mensen: "Ik heb hulp besteld bij een Held, zegt God. ik heb een Verkorene uit het volk verhoogd" (Ps. 89:20).

(2) Hoe en op welke wijze Hij de stad verloste, namelijk: door Zijn wijsheid: Hij verloste de stad door Zijn wijsheid". Door Zijn Godheid, want was Hij niet de oneindig wijze God geweest, Hij zou nooit de stad hebben kunnen bevrijden. Hij is het, Die door Zijn wijsheid de hemelen uitbreidde toen Hij de wereld maakte; die door Zijn wijsheid de wet vervuld en de toorn Gods gestild heeft; Die door Zijn wijsheid de oude slang verslagen en de werken van de duivel verbroken heeft: Die door Zijn wijsheid de overtreding gesloten en de zonde verzegeld en de dood overwonnen heeft, en zo door Zijn wijsheid de stad van de gerechtigheid, van duivel, zonde, hel en dood heeft verlost. Hij verlost de Gemeente, de Kerk, de stad Gods, in Zijn wijsheid, door de prijs van Zijn bloed en door de kracht van Zijn Geest. Aldus is de stad verlost en het beleg opgebroken.

4e Merkt in de woorden op de ondankbaarheid van de burgers, of hoe de burgers hun liefdeloosheid wordt verweten: "maar geen mens gedacht dezelve arme man". Wij zien hier;

1. De natuur van hun verkeerde handeling en de verzwaring van hun ondankbaarheid. Zij waren er zo ver vanaf hem liefderijk te vergelden en te zeggen: "Wat zullen wij de Heere vergelden voor al Zijn weldaden aan ons bewezen?", dat zij hem niet gedachten, zij dachten niet eens aan hem. Zij maakten zich schuldig aan een zondig vergeten; zij vergaten hem en wat zij hem te danken hadden: zij vergaten spoedig zijn grote werken.

2. De algemeenheid van deze ondankbaarheid: "geen mens gedacht dezelve arme man;" niemand, neen, niet één was er, die hem gedacht; zij waren allen volkomen ondankbaar. Zo hebben wij de geschiedenis open gelegd en met enkele woorden gewezen op de verborgenheid, welke er in vervat is.

Uit de aldus geopende woorden kunnen wij deze leer afleiden:

Dat hoewel het werk van de verlossing, of de verlossing die door Christus voor zondaren is teweeggebracht, een zeer groot en gedenkwaardig werk is, als het opbreken van een zwaar beleg tegen een kleine stad; er nochtans in de mens een neiging is, om de Verlosser of Bevrijder en al Zijn liefderijk werk voor hen te vergelen.

Wij behoeven ter bevestiging van deze leer niet verder te gaan, dan tot de instelling van het Avondmaal des Heeren: "Doet dat tot Mijn gedachtenis". Alsof daar gezegd werd: Behoort u Mij, uw Verlosser, niet te gedenken, die het grote beleg, dat om u geslagen was, heeft doen opbreken. Nochtans bent u geneigd Mij, en alle vriendelijkheid die Ik u bewezen heb, te vergeten; daarom heb Ik deze instelling gegeven, opdat u het zoudt gedenken: "Doet dat tot Mijn gedachtenis". Doch deze leer zal nader bevestigd worden in de verdere behandeling van dit leerstuk, op de volgende wijze volgens de voorgaande verdeling.

I. Ik zal eerst iets spreken over de kleine stad, en de weinige lieden, die daarin zijn.

II. Over het zwaar beleg, dat om haar geslagen was.

III. Over de verlossing daarvan, en de opheffing van het beleg.

IV. Over de ondankbaarheid van de burgers, en hun geneigdheid om de verlosser te vergeten.

V. Het geheel toepassen.

I. Ik zal eerst spreken over de kleine stad. "Daar was een kleine stad, en weinig lieden waren daarin". In dit deel van de tekst komen vier aanmerkelijke dingen voor, die de Kerk betreffen.

1. Dat de Kerk van God bij een stad kan worden vergeleken en in de Schrift dikwijls daarbij vergeleken wordt. (Ps. 46:5) "De beekjes van de rivier zullen verblijden de stad Gods". De Kerk, bij een stad vergeleken, is een versterkte plaats tot beveiliging. "Wij hebben een sterke stad; God stelt heil tot muren en voorschansen: en er zijn wachters op haar muren besteld". Het is een plaats van samenleving, waar de heiligen gemeenschap met elkaar hebben, elkaar vermanen en vertroosten. Het is een plaats van enigheid, waar de enigheid van de Geest door de band des vredes moet worden behouden. Het is een plaats van handelsverkeer, waar wij handel kunnen drijven met de hemel, en waar goud, beproefd komende uit het vuur, en witte klederen, en ogenzalf, om niet te koop worden aangeboden. Het is een plaats van vrijheid, waar al de ware burgers vrijgemaakt zijn van de wet als een verbond; van de vloek van de wet de toorn Gods, en alle onderwerping daaraan; alsmede van de schuld en van de heerschappij van de zonde. Het is een plaats van orde en regel, van welke de burgers volgens orde en regel zijn ingekomen, ingaande door de poort van de stad, namelijk door Christus, Die de Deur is. Het is een plaats van rust, geriefelijk om er in te wonen; hier alleen wordt een rustplaats voor de ziel gevonden. Het is een liefelijke vreugdevolle plant: "Schoon van gelegenheid, een vreugde van de gehele aarde". Daar wordt het liefelijk geklank gehoord, door de zilveren bazuin van het Evangelie; alsmede de liederen Sions. Het is een plaats van pracht en luister, de zetel van de Koning. Daar is het hof van de Koning, de troon van de Koning; de troon der genade, en een dagelijkse toegang om de Koning in Zijn schoonheid te zien. Het is een plaats van voorrechten, een bevoorrechte plaats, waar voorrechten zijn die de zichtbare Kerk geschonken zijn. Daar is een Fontein Die voor hen openstaat; zij hebben in de doop een bezegeld recht op het verbond, hebbende de belofte, dat zij recht hebben op het zegel van het verbond van de belofte en dus een gezegelde machtiging om tot Christus te komen, een algemene aanneming tot kinderen, en daarop vele vaderlijke daden van ontferming, die hun betoond worden. God onderwijst hen door Zijn Woord, tuchtigt hen door Zijn roede, bestraft hen door Zijn dienstknechten en wanneer zij van de weg afwijken wijst Hij hen terecht door Zijn Woord, zeggende: "Dit is de weg". Zij hebben inzettingen, sacramenten, dienaars, en een recht om de dienaars en ambtsdragers van de stad te kiezen. Dit is het voorrecht van elke stad, veel meer van de stad Gods. En als dit gemist wordt is zij in zoverre een beroofde en geplunderde stad. De zichtbare Kerk geniet vele voorrechten, als: vergeving van zonde, vrede met God, heiligmaking, het eeuwige leven, toegang tot de tafel van de Koning, het Lam, het licht van de plaats en de tempel; de Heere Zelf is de Tempel tot Welke zij komen; zij hebben aanspraak op het Nieuwe Jeruzalem, een pas van de Koning voor de hemel, "Ik verordineer u het koninkrijk".

2. Dat de Kerk een kleine stad is; het is een klein kuddeken (Luk. 12:32). Het is maar een klein plekje, vergeleken bij de uitgestrekte wildernis van deze wereld; het is een besloten hof (Hoogl. 4:12). De Kerk wordt bij een kleine stad vergeleken, in vergelijking bij deze wereld, en zij is maar een kleine stad in de ogen van de wereld; klein en veracht. En waarlijk, de ware burgers zijn ook maar klein in hun eigen ogen; de allerminste van al de heiligen; de minste van al Gods goedertierenheden onwaardig; ja niets in hun eigen schatting, en minder dan niets, erger dan niets. De Kerk is een kleine stad, een kleine steen afgehouwen uit de berg, voor welke nochtans vele steden en koninkrijken zijn gevallen. Deze kleine stad heeft de grote stad Nineve en het prachtige Tyrus overleefd, en de graven van vele beroemde en merkwaardige steden betreden, omdat, al is het maar een stad, het nochtans de stad van de grote God is. "Zeer heerlijke dingen worden van u gesproken, o stad Gods, Sela!" (Ps. 87:3).

3. Dat het een stad is met mensen; een kleine stad en mensen daarin. Het heeft de oneindige wijsheid Gods goedgedacht deze beroemde kleine stad te doen bestaan, niet uit gevallen engelen, maar uit gevallen mensen. "Aan de zijde van de poorten, voor aan de stad, aan de ingang van de deuren, roept de Wijsheid overluid: Tot u, o mannen, roep ik, en Mijn stem is tot der mensen kinderen" (Spr. 8:3, 4). En zalig zijn die mensen die, door de Wijsheid overmocht, besluiten zich als burgers van deze kleine stad te laten inschrijven, niet alleen om, door een belijdenis van Christus, in haar voorsteden te komen wonen, maar om door de poorten in de stad te gaan, terwijl de Koning van de stad aan de deur van hun harten staat, en klopt, en hun verzekert, dat Hij de Deur van de stad is, zeggende: "Ik ben de Deur; indien iemand door Mij ingaat, die zal behouden worden; en hij zal ingaan en uitgaan en weide vinden" (Joh. 10:9). Het is een stad met mensen, een stad voor het menselijk geslacht, een vrijstad voor zondaren uit de mensen. Laat daarom niemand buiten blijven staan, zeggende: "Het zijn niet zulken als ik ben, die God roept in te komen". Als u van het geslacht van Adam, en van de kinderen der mensen bent, wordt Christus u aangeboden en u wordt geroepen tot het aannemen van de schenking van vrijheid, van al de voorrechten en vrijstellingen van de stad Gods, en van daarin vrije mensen te zijn. O vrienden! "Indien de Zoon u zal vrijgemaakt hebben, zo zult gij waarlijk vrij zijn." Verder moeten wij nog aanmerken:

4.Dat in deze kleine stad, namelijk in de zichtbare Kerk, maar "weinig mensen zijn". Ik bedoel, dat er in vergelijking van het overige van de wereld maar weinigen zijn, die een zichtbare en betrouwbare belijdenis van het geloof hebben; terwijl de onzichtbare Kerk, zij die de kracht van de godsdienst en de waarheid van het geloof hebben, maar weinigen zijn, vergeleken bij de grote menigte belijders. In deze stad dan waren, zoals de tekst zegt "slechts weinig lieden". Velen zijn buiten de stad en velen zijn in de omtrek van de stad, doch weinigen zijn binnen de stad, en die alleen zijn veilig, want: "Buiten zijn de honden, en de tovenaars, en de hoereerders, en de doodslagers, en de afgodendienaars, en een ieder die de leugen liefheeft en doet" (Openb. 22:15). Buiten zijn de dronkaards, zweerders, Sabbatschenders en goddelozen ja, behalve de openbare onheiligen zijn buiten, de vormdienaars, de geveinsden en de ongelovigen. Doch binnen zijn de heiligen, de gelovigen, de liefhebbers van God; "velen zijn geroepen, maar weinigen uitverkoren". Ja, wij mogen zeggen, dat er vele nabijkomenden maar weinig inwonenden zijn; velen komen in als honden, die weer uitgaan (1 Joh. 2:19) "Zij zijn van ons uitgegaan, maar zij waren uit ons niet:" doch weinigen zijn inwonenden, gelijk kinderen Sions, en medeburgers van de heiligen (Ef. 2:19). De overigen van de wereld, of zij nabijkomenden zijn of niet, worden niet gerekend mensen te zijn, maar veeleer honden en dieren. Zo toch worden allen genoemd die buiten Christus, en dus buiten de stad zijn: Jes. 43:20) "Het gedierte des velds zal Mij eren, de draken en de jonge struisen; want Ik zal in de woestijn wateren geven, en rivieren in de wildernis, om Mijn volk, Mijn uitverkorenen drinken te geven." Zo kon in de uitgestrekte volkrijke stad Jeruzalem geen mens worden gevonden: "Gaat om door de wijken van Jeruzalem, en ziet nu toe, en verneemt, en zoekt op haar straten, of gij een mens vindt" (Jer. 5:1). Hoe, niet één mens? Neen, zij alleen werden als mensen aangemerkt, die recht deden, die de waarheid zochten; doch zulken waren niet te vinden: zij waren allen in beesten ontaard, zij waren allen door dierlijke lusten als redeloze schepselen geworden. Nochtans zal van Sion gezegd worden: "Die en die is daarin geboren". Doch het is maar hier en daar een: "een kleine stad en weinige lieden daarin".

II. Ons tweede punt was te spreken over het zwaar beleg, dat om de kleine stad geslagen was.

Ik zal hier overwegen wie de grote koning is, die tegen de stad opkwam, en wat de grote vastigheden zijn, die tegen haar gebouwd waren. Ik verklaar dit overeenkomstig ons inzicht als volgt.

1. Door de grote koning kunnen wij de grote God verstaan in Zijn ontzaglijke gerechtigheid, die op het zondigen van de mens een woedende Vijand werd van de gehele stad van de mensenkinderen. Aan deze toorn is de kleine stad, die Hij uit de wereld heeft uitverkoren, van nature evenzeer blootgesteld als het overige van de wereld, want zij zijn allen "kinderen der ongehoorzaamheid, en daardoor van nature kinderen des toorns, gelijk ook de anderen" (Ef. 11:2, 3). Daarom is Zijn eerste verschijning aan hen, die Hij voorgenomen heeft Zich tot een stad te maken, om er in te wonen, in vreselijke majesteit, door hun zielen te omsingelen en grote vastigheden tegen hen te bouwen. Doch misschien zult u vragen: Welke vastigheden? Wel, de grote vastigheden of versterkingen van de vloeken en bedreigingen van de wet. Door een werk van overtuiging en aanklacht van het geweten en wettische vernedering, welke gewoonlijk een Evangelie-werk en een zaligmakende verandering voorafgaan, past Hij de vloek en de bedreigingen van de wet aan hun geweten toe, zeggende: "Vervloekt is een iegelijk, die niet blijft in al hetgeen geschreven is in het boek der wet, om dat te doen" (Gal. 3:10). Dit brengt de ziel tot de kennis, dat zij een vervloekt, een veroordeeld schepsel is, en dit brengt haar in vrees voor de eeuwige verdoemenis. De overigen in de wereld, die deze zware toorn Gods in een andere wereld zullen gewaarworden, liggen, zonder vrees daarvoor, in deze wereld te slapen, doch de kleine stad, die er voor eeuwig van zal verlost worden, wordt nu, in deze wereld, genadig door de vrees voor die toorn verschrikt en wakker geschud, opdat zij de Zaligmaker en Verlosser van de stad op prijs zullen stellen. De grote God bestormt de stad met Zijn vreselijk geschut, evenals een kleine stad, die met zware oorlogskanonnen omringd is. Hij dondert van Sinaï, en bouwt grote vastigheden tegen haar: de grote vastigheid van een verbroken wet; het grote bolwerk van een gedreigde vloek; de grote sterkte van beledigde heiligheid; en het sterke fort van in woede ontstoken rechtvaardigheid. In één woord, al de oneindige volmaaktheden van God, die door haar zonde beledigd en onteerd zijn, worden in slagorde rondom de stad geschaard. Wanneer de grote God Zich als een Vijand vertoont, breekt Hij hen met breuk op breuk, en Hij loopt soms op hen aan als een geweldige, zeggende; (als in Deut. 32:39-42) "Er is niemand, die uit Mijn hand redt! Want Ik zal Mijn hand naar den hemel opheffen, en Ik zal zeggen: Ik leef in eeuwigheid! Indien Ik Mijn glinsterend zwaard wette, en Mijn hand ten gerichte grijpt, zo zal Ik wraak op Mijn tegenpartijen doen wederkeren, en Mijn hateren vergelden. Ik zal Mijn pijlen dronken maken van bloed". Ja, God ontdekt Zich niet alleen zo geducht aan hen, wanneer Hij ze voor het eerst doet ontwaken, tot hun vernedering en overtuiging, doch ook later verschijnt Hij hun soms zo vreselijk tot hun beproeving en tuchtiging. Zo ervoer Job welke grote vastigheden van Gods vreselijke majesteit tegen hem gebouwd waren, als hij zeide: (Hoofdst. 6:4) "want de pijlen des Almachtigen zijn in mij, welker vurig venijn mijn geest uitdrinkt; de verschrikkingen Gods rusten zich tegen mij." Zo ook Heman: (Ps. 88:16, 17) "Ik draag Uw vervaarnissen; ik ben twijfelmoedig. Uw hittige toornigheden gaan over mij: Uw verschrikkingen doen mij vergaan." Doch,

2. Wij kunnen door de grote koning ook de duivel versteen in zijn verwoede boosheid tegen de kleine stad. Hij wordt een overste, "de overste van de macht des luchts, of der duisternis, genoemd, die heerschappij voert in de harten van de kinderen der ongehoorzaamheid." (Ef. 11:2). Deze machtige en boosaardige overste kwam in het begin van de wereld tegen de kleine stad van het menselijk geslacht, toen er maar weinig mensen in waren. Er was toen, in letterlijke zin, slechts één man en één vrouw in de stad, en hij omsingelde ze, en bouwde grote vastigheden van vleiende leugentaal en leugenachtige verzoekingen tegen haar. Hij overwon de stad en verwoeste ze; zoals ons in Gen. 3 de zonde en de val van onze eerste ouders, door de machtige listigheid van de slang, worden beschreven. Hij gaat nog altijd voort zondaren door zijn boosheid en listigheid, geweld en bedrog, te belegeren en te verwoesten, en hij bouwt hoofdzakelijk grote vastigheden tegen haar. Welke vastigheden? Wel, zijn menigvuldige verzoekingen, listige vonden en vurige pijlen: "want zijn gedachten zijn ons niet onbekend" (2 Kor. 2:11). Wij worden vermaand (Ef. 6:12-16) "bovenal aan te nemen het schild des geloofs, met hetwelk gij al de vurige pijlen van de boze zult kunnen uitblussen; want, wij hebben de strijd niet tegen vlees en bloed, maar tegen de overheden en machten." De duivel valt de stad aan zowel door hoge bolwerken te bouwen, als door diepe mijnen te leggen. Wij lezen van de diepten van de satan (Openb. 2:24), en dat hij de overste van deze wereld is, zoals hij in Joh. 12:31 en elders wordt genoemd. Hij heeft duizenden boze werktuigen tot zijn beschikking waarmee hij de kleine stad omsingelt en beschiet. Hij heeft een verraderlijke partij, die aan zijn zijde staat, zowel binnen in als buiten de kleine stad: in de Kerk zowel als buiten haar. Hij heeft in de zichtbare kerk zijn verraderlijke Judassen, om de belangen en vrijheden en voorrechten van de stad te verraden en de stad door verraad in zijn handen over te leveren. Wij lezen Luk. 11:21,22 van de wapenrusting van de duivel; hij wordt daar de sterkgewapende genoemd, die zijn hof of paleis bewaart; maar als Een daarover komt, die sterker is dan hij, en hem overwint, Die neemt zijn gehele wapenrusting daar hij op vertrouwde. Wat die wapenrusting is kunnen wij voor een deel weten uit 2 Kor. 4:4: "In dewelke de god van deze eeuw de zinnen verblind heeft, namelijk van de ongelovigen". Helse duisternis sluit het licht van het Evangelie buiten en staat het tegen; de duisternis van onkunde, de duisternis van dwaling, en de duisternis van misleiding. Dit is een groot deel van de wapenrusting van de duivel, samen met hoogten van overleggingen, vleselijke redeneringen, hoogmoed, vooroordelen en zich verheffende gedachten (2 Kor. 10:5). Deze zijn een deel van zijn wapenrusting en van zijn grote vastigheden.

3. Wij kunnen door de grote koning ook de zonde verstaan. De zonde is de grote koning, die van nature in en over ons heerst. Daarom zegt de apostel: "Dat dan de zonde niet heerse in uw sterfelijk lichaam" (Rom. 6:12). De zonde en de duivel zijn altijd bondgenoten. Hun macht is zeer groot, zo groot, dat alle mensen aan hun regering en heerschappij onderworpen zijn. Gelijk alle mensenkinderen slaven van de zonde zijn, als hun koning, zo ook worden alle kinderen van God in deze wereld dikwijls door haar gevangen genomen. (Rom. 7:23) "Ik zie een andere wet in mijn leden, welke strijdt tegen de wet mijns gemoeds, en mij gevangen neemt onder de wet der zonde, die in mijn leden is". De kracht en het gezag van de zonde wordt een wet genoemd, namelijk de wet der zonde en des doods, van welke niets ons kan vrijmaken dan de wet des Geestes des levens in Christus Jezus (Rom. 8:2).

Nu, welke vastigheden bouwt deze grote koning tegen de kleine stad? Waarlijk, de zonde heeft de sterkste vastigheden in de wereld. Zij heeft het eigen ik tot een sterkte, zodat een mens, zal hij de zonde vernietigen, in het wezen van de zaak, zichzelf en de beste en nuttigste leden van zichzelf, zijn rechterhand, zijn rechteroog, zijn leden vernietigen moet. (Kol. 3:5) "Doodt dan uw leden, die op de aarde zijn". Wanneer een mens zijn begeerlijkheden doodt, verloochent hij zichzelf. Het zelf, het eigen ik, is zo machtig, dat het met Koning Jezus wedijvert, en om de troon vecht, zelfs nadat Christus het hart heeft in bezit genomen. Eigen gemak, eigen genot, eigenzinnigheid, eigenwijsheid, eigenliefde, eigen achting, eigengerechtigheid, zijn de sterkten van de zonde. Ook de wet is een van haar sterkten: (1 Kor. 15:56) "De kracht van de zonde is de wet". De kracht van de zonde ontvangt sterkte uit de wet van de werken. De kracht van de zonde is een voornaam deel van de vloek van de wet der werken, in zover, dat geen macht die vastigheid kan vernietigen, dan de macht, die een volkomen voldoening aan de wet kan geven. Die sterkte van de zonde wordt dan ook nooit terneder geworpen, zolang niet een mens, door het geloof, de wet-voldoenende gerechtigheid van Christus heeft aangenomen.

4. Wij kunnen verder door de grote koning ook de dood, de koning van de verschrikkingen verstaan (Job. 18:14). De dood is een machtige koning, van wie het gehele zondige geslacht van Adam wettige gevangenen zijn. De voortdurende strijd waarin de dood voortdurend gewikkeld is, zelfs met de ware kinderen die in Sion geboren zijn, de kleine stad, is van die aard, dat wanneer alle andere vijanden verslagen en vernietigd zijn, de dood het langste het veld behoudt: "De laatste vijand, die te niet gedaan wordt, is de dood" (1 Kor. 15:26).

En welke vastigheden bouwt deze koning tegen de kleine stad? Hij bouwt twee grote vastigheden, de ene voor, en de andere achter haar. Voor de dood staat de sterkte van verschrikking en vrees wegens de zonde, welke de prikkel des doods is, en daardoor worden velen, die in de kleine stad wonen, lange tijd, "met vrees des doods, in dienstbaarheid gehouden" (Hebr. 2:15). De verschrikkingen des doods omvangen hen soms, en de vrees van de hel achtervolgen hen bij de gedachte aan de dood. Er is nog een andere sterkte achter de dood, namelijk: schijnbare overwinning. Wanneer ziel en lichaam door de dood worden gescheiden, en het lichaam als de gevangene van de dood in het graf ligt, waar de wormen het verslinden en verrotting over het schijnt te triomferen. Daarom wordt de dood de laatste vijand genoemd, die te niet gedaan zal worden, omdat hij een schijnbare overwinning over het zichtbaar deel van de gelovige behaalt, totdat de laatste bazuin zal slaan, en de doden onverderfelijk en onsterfelijk zullen worden opgewekt.

III. Ons volgende punt was, te spreken over de verlossing van de stad en de opheffing van het beleg. Hier geeft de tekst ons aanleiding, om te overwegen: 1e Hoe de Verlosser wordt beschreven; en 2e Hoe de verlossing is teweeggebracht.

1e Overweegt hoe de Verlosser wordt beschreven: "En men vond daar een arme wijze man in". Hij wordt ons hier zo voorgesteld, dat wij hem kunnen aanmerken

1. In Zijn mensheid, als een Man. Onze Heere Jezus Christus, de heerlijke Zaligmaker en Verlosser was een Mens, een Man. Tevoren was van Hem geprofeteerd, dat Hij het Zaad van de vrouw, het Zaad Abrahams, zou zijn; en in de volheid van de tijd is Hij geworden uit een vrouw, geboren uit een maagd: "Het Woord is vlees geworden". Hij werd mens, een waarachtig mens. Hij maakte al de verschillende trappen door van de mens, ontvangenis, kindsheid, jongelingsjaren, rijpere leeftijd: Hij was een ellendig mens, "een Man van smarten en verzocht in krankheid". Hij was sterfelijk evenals wij zijn, en Hij stierf werkelijk, evenals wij moeten sterven. Hij stierf een pijnlijke, smadelijke en schandelijke dood, dat wij gedenken in het Heilig Avondmaal.

2, Wij kunnen de Verlosser in Zijn Godheid aanmerken, als een wijze Man. Wijsheid wordt onder de gevallen mensen niet gevonden. Zij hebben allen door de val van Adam het verstand verloren en zijn dwazen geworden; dwaasheid is in hun natuur gebonden. Daarom moet Hij, Die de Verlosser is, een mens zijn, Die nooit in Adam viel, een wijze man, dat is, Die God is zowel als Mens; een Persoon, Die bij de natuur van de mens de wijsheid van God bezit, ja, Die "de Wijsheid Gods" is (1 Kor. 1:24). Hij is het, Die zegt: (Spr. 8:12) "Ik, Wijsheid woon bij de kloekzinnigheid". Van hem getuigt de Vader: "Ziet, Mijn Knecht zal verstandiglijk handelen". Deze heeft door Zijn oneindige wijsheid de stad verlost; doch hierover later. Hij is wezenlijk wijs, zijnde de Wijsheid Zelf; God, Wiens verstand oneindig is. Hij is mededeelbaar wijs, want in Hem zijn al de schatten der wijsheid en der kennis verborgen, en Hij heeft de Geest der Wijsheid, om Die te geven.

3. Wij kunnen de Verlosser in Zijn vernedering aanmerken als een arme Man; arm ten opzichte van uitwendige dingen: (2 Kor. 8:9) "Want gij weet de genade van onze Heere Jezus Christus, dat Hij om uwentwil is arm geworden, daar Hij rijk was, opdat gij door Zijn armoede zoudt rijk worden". Hij had al de rijkdommen en al de volheid van de Godheid in Hem, nochtans werd Hij arm. Velen zijn tegen hun wil arm, doch Hij werd vrijwillig arm; Hij werd een arme Dienstknecht. "Hoewel Hij het geen roof behoefde te achten Gode evengelijk te zijn, heeft Hij nochtans de gestaltenis van een dienstknecht aangenomen". Hij nam onze natuur aan, niet in haar beste staat, maar de geringste staat van onze natuur. Hij werd arm in Zijn geboorte, arm in Zijn leven, en arm in Zijn dood. Hij werd geboren, niet uit een koningin, maar uit een geringe maagd; niet in een paleis, maar in een stal, in een kribbe neergelegd: "De vossen hebben holen en de vogelen des hemels nesten; maar de Zoon des mensen heeft niet, waar Hij het hoofd nederlegge". Hij had niets om schatting te betalen voordat Hij een vis bevel gaf het te brengen. Hij werd in Zijn leven en in Zijn dood door anderen verzorgd wegens zijn wezenlijke uiterste armoede. Hij was arm als een mens, en nochtans wijs als God. In Hem ontmoetten de armoede van de mensen en de wijsheid Gods elkaar; en in Hem kwamen zij als in een Middelpunt samen.

4. Wij kunnen de Verlosser beschouwen in Zijn bestemming tot dit werk: Hij werd in de stad gevonden. Hij werd gevonden door God, Die zegt: Ik heb verzoening (Engelse overzetting een Rantsoen) gevonden; Ik heb David Mijn Knecht gevonden (Job. 33:24; Ps. 89:21). Hij werd gevonden in de stad, onder de mensen, Hij was uit het volk verkoren (Ps. 89:20). Hij werd in gedaante gevonden als een mens (Filip. 2:8). Hij werd gevonden, gewillig en met blijdschap gereed zijnde dit werk van verlossing en bevrijding te ondernemen. "Ziet Ik kom, Ik heb lust, o Mijn God, om Uw welbehagen uw wil te doen (Ps. 40:8, 9; Hebr. 10:9). Hij werd machtig bevonden, en in elk opzicht bekwaam om het werk te doen: (Ps. 89:20) "Ik heb hulp besteld bij een Held". En gelijk Hij persoonlijke geschiktheid had, zijnde zowel God als mens, en God~mens in één persoon, zo heeft Hij, Die hem vond, hem ook bekwaam gemaakt door de zeer voortreffelijke zalving van de Heilige Geest: (Ps. 89:21) "Ik heb David Mijn Knecht gevonden; met Mijn heilige olie heb ik Hem gezalfd". Aldus heeft God de Vader Hem tot dit werk verzegeld (Joh. 6:27). Christus erkent dat Zelf, (Jes. 61:1, 2) zeggende: "De Geest des Heeren Heeren is op Mij, omdat de Heere Mij gezalfd heeft, om een blijde boodschap te brengen de zachtmoedigen; Hij heeft Mij gezonden om te verbinden de gebrokenen van hart, om de gevangenen vrijheid uit te roepen, en de gebondenen opening der gevangenis. Om uit te roepen het jaar van het welbehagen des Heeren, en de dag van de wraak onzes Gods"; om de stad te verlossen.

2e Hoe de verlossing is teweeggebracht. Wij moeten hier twee dingen een weinig ontsluiten. 1. De stof van Zijn werk: "Hij verloste de stad". 2. De wijze van de verlossing: "Door Zijn wijsheid".

(1) In het algemeen, de stof van Zijn verlossingswerk: Hij verloste de kleine stad; Hij deed het beleg opbreken. Wij zullen hier bezien hoe Hij het werk aanvat tegenover de grote koningen, die grote vastigheden tegen de kleine stad bouwden.

Indien wij het beleg beschouwen als geslagen door de grote Koning, dat is, de grote God, dan zijn de grote vastigheden, die tegen de stad gebouwd zijn: de gebroken wet van God, die de zondaar vervloekt, en de beledigde eigenschappen van God, namelijk, rechtvaardigheid, heiligheid en waarheid, die alle in slagorde geschaard staan tegenover de zondaar. Doch ziet, de arme wijze man komt en vervult die wet, welke wij hadden gebroken, en draagt de vloek, die wij op ons hadden gehaald. (Gal. 4:4) "Maar wanneer de volheid des tijd gekomen is, heeft God zijn Zoon uitgezonden, geworden uit een vrouw, geworden onder de wet, opdat Hij degenen, die onder de wet waren, verlossen zou". (Gal. 3:12) "Christus heeft ons verlost van de vloek der wet, een vloek geworden zijnde voor ons". Op deze wijze bevredigt Hij de rechtvaardigheid Gods, verdedigt Hij de heiligheid Gods, en verheldert Hij de waarheid Gods. (Ef. 5:2) "Christus heeft ons liefgehad en Zichzelf voor ons overgegeven tot een offerande en een slachtoffer, Gode tot een welriekende reuk". Hij is de Heere onze gerechtigheid geworden en het einde der wet tot rechtvaardigheid een ieder die gelooft. In Hem hebben de goedertierenheid en waarheid elkaar ontmoet, en de gerechtigheid en vrede elkaar gekust, opdat God de kleine stad zou kunnen zaligmaken, en haar barmhartigheid bewijzen in een weg, die bestaanbaar was met de eer van Zijn beledigde eigenschappen, welke nu door Zijn gehoorzaamheid en voldoening meer verheerlijkt zijn, dan zij ooit onteerd waren door onze zonde en rebellie. Zo brak Hij de grote vastigheden af, die de grote Koning van hemel en aarde tegen de kleine stad had gebouwd, en dat op het bevel en met toestemming van de Koning, overeenkomstig Zijn wil en Zijn gebod: "Dit gebood heb ik van Mijn Vader ontvangen" (Joh. 10:18).

2. Beschouwen wij de omsingeling als het werk van de duivel, de grote koning van de hel en de overste van de macht van de duisternis, die heerst in de harten van de kinderen van de ongehoorzaamheid, dan zullen wij zien, dat Hij het beleg opheft, deels door de prijs van Zijn bloed, dat Hij voor ons vergoot, en deels door de kracht van Zijn Geest, die ons is gegeven. Door de prijs van Zijn bloed verlost Hij van het koninkrijk van de duivel; want Hij heeft door de dood te niet gedaan degene, die het geweld des doods had, dat is, de duivel" (Hebr. 2:14) "Hiertoe is de Zoon van God geopenbaard, opdat Hij de werken van de duivel verbreken zou" (1 Joh. 3:8). Zo was Hij aangekondigd volgens de eerste belofte: (Gen. 3:15) "Het zaad van de vrouw zal de slang de kop vermorzelen". Christus nam een houten kruis, een boom, in Zijn armen, en sloeg daarmee de grote sterkten neer, die de satan tegen de kleine stad bouwde. Evenals de duivel door middel van een boom zijn batterijen opwierp: evenzo brak Christus door een boom zijn sterkten af. Want, aan het kruis heeft Jezus Christus "de overheden en de machten uitgetogen en die in het openbaar tentoongesteld, en heeft door hetzelve over hen getriomfeerd" (Kol. 2:15). Ook vernielt Hij door de kracht van Zijn Geest de vastigheden van de duivel, wanneer Hij de burgers een geestelijke wapenrusting geeft, namelijk: het schild van het geloof, de helm der zaligheid, het zwaard des Geestes en al dat geestelijk wapentuig, dat vermeldt wordt in Ef. 6:14-17. Daarmee blussen zij de vurige pijlen van de duivel uit; werpen zij zijn sterkten neer, weerstaan zij de duivel, en overwinnen hem door de kracht en sterkte van de overste Leidsman van hun zaligheid. Hoewel zij voortdurend strijden, zolang zij hier zijn, nochtans verslaan zij langzamerhand de duivel en zijn werktuigen, die Christus en Zijn volk, Zijn zaak en belangen tegenstaan. De waarheid overwint tenslotte, en de vrienden van de waarheid overwinnen door het bloed des Lams en door het woord van hun getuigenis (Openb. 12:11).

3. Beschouwen wij de belegering als het werk van de grote koning, de zonde, die van nature in onze sterfelijke lichamen heerst, en vraagt u, hoe de arme wijze Man haar vastigheden vernietigt, dan is het antwoord, dat Hij dit verdienstelijk en krachtdadig doet. Hij doet dit verdienstelijk met Zichzelf te geven tot een offerande voor de zonde: (Joh. 1:29) "Ziet het Lam Gods, Dat de zonde der wereld wegneemt". (Hebr. 9:26) "Maar nu is Hij eenmaal in de voleinding der eeuwen geopenbaard, om de zonde te niet te doen door Zijns Zelfs offerande". En dan doet Hij het krachtdadig, deels door de dadelijke toerekening van Zijn gerechtigheid, om in de rechtvaardigmaking de schuld van de zonde weg te nemen, en deels door de krachtdadige werking van Zijn Geest, om in de heiligmaking de heerschappij van de zonde weg te nemen. In de rechtvaardigmaking vernietigt Hij de wettelijke macht van de zonde; want "de kracht van de zonde is de wet;" doch wanneer de gerechtigheid Gods toegerekend en aangenomen is, en Christus voor de persoon het einde der wet tot rechtvaardigheid is geworden, dan heeft de wet, omdat zij voldoening heeft ontvangen, niet langer macht, om die persoon onder de vloek te houden, waarvan de kracht van de zonde het voornaamste deel is. Eveneens vernietigt Hij in de heiligmaking de dadelijke heersende macht van de zonde. Deze beide worden, dunkt mij, ingevoerd in dat woord: (Rom. 8:2) "De wet des Geestes des levens in Christus Jezus heeft mij vrijgemaakt van de wet der zonde en des doods". Ook wordt van beide in het bijzonder gesproken: (vs. 3 en 4) "Want hetgeen de wet onmogelijk was, omdat zij door het vlees krachteloos was, heeft God, Zijn Zoon zendende in gelijkheid des zondigen vleses, en dat voor de zonde, de zonde veroordeeld in het vlees; opdat het recht der wet vervuld zou worden in ons, die niet naar het vlees wandelen, maar naar de Geest". Hier hebben wij de vernietiging van de wettelijke macht van de zonde; en in vs 13, "Indien gij door de Geest de werkingen des lichaams doodt, zo zult gij leven;" dat is de verbreking van de werkelijke heersende macht van de zonde. Zo slecht Hij, door Zijn vergevende en reinigende genade, de sterkten van de zonde, en dat door middel van het Evangelie, zoals het de kracht Gods tot zaligheid is. "De wapenen van deze krijg zijn niet vleselijk, maar krachtig door God, tot nederwerping van de sterkten; omdat wij de overleggingen ter neerwerpen, en alle hoogte, die zich verheft tegen de kennis van God, en alle gedachte gevangen leiden tot de gehoorzaamheid van Christus" (2 Kor. 10:4, 5).

4. En beschouwen wij het beleg als geslagen door de grote koning, de dood; ziet, onze Koning Jezus, "de arme wijze Man", verlost de stad door de grote vastigheden, die de dood heeft gebouwd, omver te werpen. Hij doet dit door de prikkel van de dood en de overwinning van het graf weg te nemen. De prikkel van de dood is de zonde. welke Hij, zoals ik zo-even gezegd heb, beide verdienstelijk en krachtdadig wegneemt, totdat hij volkomen zal weggenomen zijn in de heerlijkheid, waar wij Hem zullen gelijk wezen: want wij zullen Hem zien, gelijk Hij is. De overwinning van het graf, welke is het verderf, het verderf van het lichaam, zal Hij wegnemen in de grote dag, "wanneer dit verderfelijke zal onverderfelijkheid aangedaan hebben, en dit sterfelijke zal onsterfelijkheid aangedaan hebben; en dat woord zal geschieden, dat geschreven is: de dood is verslonden tot overwinning". Daarom mag de gelovige in het geloof van dit alles dat triomflied zingen: "Dood! Waar is uw prikkel? Hel! Waar is uw overwinning? De prikkel nu des doods is de zonde; en de kracht van de zonde is de wet. Maar God zij dank, Die ons de overwinning geeft door onze Heere Jezus Christus" (1 Kor. 15:54,57). Zo hebben wij de stof van het verlossingswerk bezien, doch verder zullen wij,

(2) De wijze daarvan, in het bijzonder aanmerken. Het geschiedde in oneindige wijsheid. Hij verloste de stad door Zijn oneindige wijsheid. Evenals van Zijn scheppingswerk wordt gezegd: "Gij hebt ze alle met wijsheid gemaakt"; zo ook van Zijn verlossingswerk: "Hij verloste de stad door zijn wijsheid". Hij heeft de aarde gemaakt door het Woord van Zijn kracht, de wereld bereid door Zijn wijsheid, en de hemel uitgebreid door Zijn verstand (Jer. 10:12). Deze is het, Die door Zijn wijsheid de stad verloste.

1. In het bijzonder, heeft Hij door Zijn wijsheid alle beletselen weggenomen, die onze zaligheid in de weg stonden, toen Hij zichzelf gaf tot een rantsoen voor velen: de wet en de rechtvaardigheid Gods bevredigde; de duivel versloeg; de zonde te niet deed, en de dood overwon. En zo versloeg Hij, behalve die ene grote Koning, Die Hij met de stad verzoend en bevredigd heeft, al de andere grote koningen en hun grote vastigheden, zodat wij mogen zeggen: "Die grote koningen geslagen heeft; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid. En heeft heerlijke koningen gedood; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid". O wat een oneindig wijze overste Leidsman van de zaligheid, die door Zijn wijsheid een kleine stad, die zo zwaar belegerd was, kon verlossen!

2. Door Zijn wijsheid heeft Hij de verst van elkaar gelegen en meest strijdige uitersten verenigd door de vereniging van God en mens in één Persoon: De oneindige en eeuwige God met een stukje leem. Dit is een verborgenheid, die tienduizend maal groter is dan, dat een engel een worm was geworden. Hij is een arme wijze Man geworden, om de kleine stad te verlosser. "De verborgenheid der godzaligheid is groot: God is geopenbaard in het vlees."

3. Door Zijn wijsheid heeft Hij de meest tegenstrijdige belangen, die van God en van de mens verenigd: het belang van Zijn eer en van onze zaligheid, die na de val zo in elk opzicht verschillen. In sommige opzichten, aangezien de mensen in een staat zijn gekomen waarin het belang van de duivel ook het hunne is, schenen het belang en de eer van God het verderf van de mens te vereisen, terwijl ‘t het belang van de mens was verlost te worden. In oneindige wijsheid is er overeenstemming gebracht tussen Gods belang, en het belang van de kleine stad, doordat Christus is voorgesteld tot een verzoening, opdat de eer van Gods gerechtigheid en rechtvaardigheid evenzeer, ja nog meer, zou bereikt worden in de kleine stad te verlossen, dan in hen die buiten de stad zijn te verderven.

4. Door Zijn wijsheid heeft Hij de meest tegenstrijdige eigenschappen in God tot overeenstemming gebracht, namelijk: haat en liefde; Zijn haat tegen de zonde en Zijn liefde tot de zondaar. Er is bij God niets hatelijker dan de zonde, en nochtans is Gode niets liever dan de zondaar die in Christus is, in wie God een welbehagen heeft. Oneindige wijsheid beraamde de verzoening van de schijnbaar tegenstrijdige eigenschappen in God, opdat de stad door de wijsheid Gods in een verborgenheid: de menigvuldige wijsheid Gods, zou verlost worden.

5. Door Zijn wijsheid voert Hij de grootste zaken uit door de meest onwaarschijnlijke middelen. Wie zou hebben kunnen denken, dat het zaad van een arme vrouw, die bedrogen was, de kop zou vermorzelen van de slang, de bedrieger; dat een arme vrouw zo’n mannelijke Zoon zou baren; dat een arme Man de gewapende legioenen van de hel zou overwinnen, dat door Zijn striemen ons genezing zou worden; dat wij door Zijn bloed zouden worden gewassen; en dat dit bloed al de grote vastigheden zou ondermijnen, die tegen de kleine stad waren gebouwd?

6. Door Zijn wijsheid doet Hij het grootste goed uit het grootste kwaad voortkomen. Kan er iets ergers zijn dan de zonde? Nochtans brengt de wijsheid hieruit voor God grotere eer en de mens grotere zaligheid toe. God had, als het ware, het oude verbond met baksteen opgebouwd, de duivel en onze eerste ouders braken het echter af. Nu, zegt God, zal ik met cederen bouwen en alle duivels in de hel zullen het niet neerhalen: "Goedertierenheid zal eeuwiglijk gebouwd worden" (Ps. 89:3). O, hier is wijsheid! En wij mogen zeggen: De Koning nu der eeuwen, de onverderfelijke, de onzienlijke, de alleen wijze God, zij eer en heerlijkheid in alle eeuwigheid Amen. (1 Tim. 1:17).

IV. Ons vierde punt, dat wij hebben voorgesteld, was, dat wij zouden spreken over de ondankbaarheid van de burgers, en hun geneigdheid om hun Verlosser te vergeten: "Maar geen mens gedacht dezelve arme Man." Dit is de zonde waarvan God Zijn kerk vele malen heeft beschuldigd. (Deut. 32:18) "De Rotssteen, Die u gegenereerd heeft, hebt gij vergeten; en gij hebt in vergetenis gesteld de God, Die u gebaard heeft". (Ps. 106:21) "Zij vergaten God, hun Heiland, Die grote dingen gedaan had in Egypte. Zij vergaten haast Zijn werken.

Ik zal iets spreken over de volgende vier dingen: 1. Over de natuur van hun vergeetachtigheid. 2. Over het voorwerp daarvan: zij vergaten "de arme wijze Man" en Zijn werk. 3. Over de algemeenheid van deze vergeetachtigheid: "geen mens gedacht dezelve arme man". 4. Over de reden van deze vergeetachtigheid.

1. Wij zullen eerst de natuur van deze vergeetachtigheid bezien. Tot recht verstand daarvan moet u weten dat het vergeten van Christus, of geheel, of gedeeltelijk is. Een totaal vergeten heeft in de goddeloze plaats, van wie geschreven staat: "Al zijn gedachten zijn, dat er geen God is," Een gedeeltelijke vergeetachtigheid wordt ook nog in de gelovigen gevonden, die in een grote mate kunnen vergeten wat God aan hun zielen gedaan heeft. De vromen kunnen aan dadelijke vergeetachtigheid schuldig zijn, evenals David, toen hij, na zijn grove zonde van overspel, liep te beramen hoe hij Uria zou vermoorden. Doch er is een hebbelijke vergeetachtigheid, welke de goddelozen eigen is, die de kennis van God niet begeren, en God nooit gedenken, dan wanneer zij er door toorn toe worden gedreven, evenals zij van wie geschreven staat: "Als Hij hen doodde, zo vraagden zij naar Hem; en keerden weder, en zochten God vroeg; en gedachten, dat God hun Rotssteen was, en God de Allerhoogste hun Verlosser". Zij gedenken God nooit, zolang Hij hun niet een dodelijke slag toebrengt. Deze vergeetachtigheid geeft het gemis van een geestelijk gezicht en een ontdekking van God te kennen; alsmede het gemis van die levendige indruk van Hem, welke tot een recht gezicht van Hem vereist wordt. Wij kunnen God niet recht gedenken indien wij Zijn volmaaktheden niet in Zijn werk zien uitblinken, evenals David, toen hij van Gods werken zeide: "Gij hebt ze alle met wijsheid gemaakt". Wanneer wij de wijsheid, en macht, en andere eigenschappen van God in Zijn werken zien uitblinken, in het bijzonder in Zijn verlossen van de kleine stad, de kerk, dan, en niet eerder zullen wij Hem recht gedenken; ook wanneer wij zien dat Zijn grote doeleinde in alles de eer en heerlijkheid van deze volmaaktheden is, en hiervan rechte indrukken omdragen, zodat wij Hem niet alleen bespiegelend maar in werkelijkheid en met toe-eigening gedenken; alsmede wanneer wij gedenken hoe Hij ons in het bijzonder heeft verlost uit de macht en het beleid van de grote dingen, die tegen ons waren, en Zijn Naam daarvoor de verschuldigde lof toebrengen.

2. Het voorwerp van deze vergeetachtigheid: "Geen mens gedacht dezelve armen wijzen man". Wij zijn van nature geneigd onze Schepper, onze Verlosser, Zaligmaker, Beschermer en Weldoener, onze beste Vriend te vergeten. Wij vergeten de Verlosser, de arme wijze Man, Die in de stad werd gevonden. Wij vergeten Zijn mensheid, dat Hij een man is; Zijn godheid, dat Hij de wijsheid Gods is; Zijn vernedering en armoede, dat Hij om onzentwil is arm geworden; Zijn bestemming tot dit verlossingswerk; alles wordt vergeten. Wij vergeten al de verlossingswerken, welke Hij heeft gewrocht; de verlossing, die Hij heeft voleindigd. Wij vergeten Zijn scheppingswerken, hoewel de hemelen Zijn eer verkondigen. Wij vergeten de werken van Zijn voorzienigheid, zowel die van voorspoed, als van tegenspoed; beide de gewone en buitengewone, evenals Israël, waarvan geschreven staat: "Als nu Jeschurun vet werd, zo sloeg hij achteruit, en hij liet God varen, Die hem gemaakt heeft, en versmaadde de Rotssteen zijns heils". Zij vergaten de plagen van Egypte; het verdrinken van de Egyptenaren; de plechtige verschijning Gods op Sinaï, toen de berg beefde onder het gewicht van God en de vlammen opstegen tot de middelste hemel. Wij vergeten Zijn verlossingswerk. Hij verlost van de grimmigheid van de gerechtigheid, de vloek van de wet, de dienstbaarheid van de zonde, de slavernij van de duivel. en de prikkel des doods; van de toorn Gods, die vreselijke toorn, die onverdraaglijke toorn, die eindeloze toorn, die machtige en eeuwige toorn, die eeuwig komende toorn; Hij verlost van de toekomende toorn; en toch zijn wij geneigd de Verlosser en de verlossing te vergeten. Wij vergeten deze verlossing en haar noodzakelijkheid; haar genoegzaamheid; haar voortreffelijkheid; haar kracht; haar volheid; haar aangenaamheid; alles wordt vergeten. Wij vergeten ook Zijn werk van wedergeboorte: het werk van overtuiging en vernedering; het werk van bekering en heiligmaking. Hoewel dit werk van genade een wezenlijke verandering, een gevoelige verandering, een algemene verandering teweegbrengt; nochtans kan alles vergeten worden, zover, dat wij de gelovige in de war kunnen brengen met hem de vraag te stellen: Hebt u een wedergeboorte-gestalte, dezelfde gemoedsgesteldheid als toen u eerst geloofde? Waar is de weldadigheid van uw jeugd, de liefde van uw ondertrouw? Ja, mededelingen en openbaringen, en gemeenschapservaringen, ze kunnen alle vergeten worden.

3. De algemeenheid van deze vergeetachtigheid: "geen mens gedacht dezelve arme Man", Dat dit ongelovig vergeten van Christus, de Verlosser, algemeen is, blijkt duidelijk uit twee bewijsgronden.

(1) Uit de voorbeelden van alle eeuwen van de wereld. De eerste mens, die gemaakt is, begon zijn afval van God door zijn zonde. Hij vergat de goedgunstigheid van God in hem zo’n uitnemend bestaan en zulke voortreffelijke weldaden te schenken. Hij vergat het verbond, dat God met hem gemaakt had, waardoor hem verboden was van de boom te eten, die in het midden van de hof was, op gevaar van eeuwige verwoesting van zichzelf en zijn nakomelingschap, en toch dreef het gesis van de slang alles uit zijn gedachte. Hoe schielijk vergat Noach de grote verlossing uit de zondvloed, toen de gehele wereld buiten hem en zijn huis, door de wateren was verzwolgen; hij was niet zodra uit het water verlost of hij verdronk in de wijn. Hoe schielijk vergat Lot de verlossing uit de vlammen van Sodom, en viel hij in het vuur van de begeerlijkheid. Salomo vergat die God, Die hem tweemaal verschenen was en verviel tot afgoderij. David vergat spoedig hoe de Heere hem uit de hand van Saul had verlost en viel in de zonde van overspel en doodslag. Israël vergat God en al Zijn wonderwerken. De tien melaatsen, op één na, vergaten terug te keren en God te danken, Die hen genezen had. De discipelen van Christus vergaten spoedig het wonder van de broden; zij genoten zoete gemeenschap met Christus, en toch dreven Judas en zijn partij alles uit hun gedachten. "Geen mens gedacht dezelve arme Man".

(2). Het blijkt uit de vele tekenen welke de Heere van Zichzelf en Zijn werken ter herinnering en gedachtenis heeft opgericht als bewaarmiddelen tegen dit vergeten van hem. Gods scheppingswerken herinneren aan Hem; de hemelen verkondigen Zijn eer. De werken van Zijn voorzienigheid herinneren aan Hem. "Hij heeft Zichzelf niet onbetuigd gelaten", zelfs onder de heidenen, "gevend hun regen en vruchtbare tijden". Elke droppel regen is een gedenkteken van God. Gods inzettingen herinneren aan Hem. Waartoe anders heeft Hij ons Sabbatten en sacramenten gegeven, dan om ons de werken van God en de dood van Christus in gedachtenis te brengen? "Doet dit tot Mijn gedachtenis." In één woord: de Heilige Geest is ons gegeven, opdat wij Hem zouden gedenken. (Joh. 14:26) "Maar de Trooster, de Heilige Geest, Welke de Vader zenden zal in Mijn Naam, Die zal u alles leren, en zal u indachtig maken alles wat Ik u gezegd heb". Het was alsof Christus zeide: Ik heb lange tijd onder u gepredikt, u hebt menige preek van Mij mogen horen; maar alles is weg, u vergeet alles; daarom zal Ik u de Heilige Geest zenden, om het u indachtig te maken. Deze dingen bewijzen de algemeenheid van deze zonde: "Geen mens gedacht de arme wijze Man." Beschouwt verder:

4. De reden van deze vergeetachtigheid. Wij zullen u daartoe bepalen bij de volgende vier redenen.

(1) Zij vloeit voort uit de algemene verdorvenheid van onze natuur. Het geheugen heeft evenals alle andere vermogens van de ziel een slag gekregen door de val van Adam; onze hoofden zijn verpletterd toen wij van zo’n hoogte van zaligheid in zo’n diepte van ellende vielen.

(2) Het vloeit voort uit de weinige achting welke de mensen hebben voor de arme wijze Man en Zijn groot verlossingswerk, en dat zij het zo weinig op prijs stellen, dat Hij ons heeft verlost. Het is vreemd, als men bedenkt, hoe de werken van mensen bewonderd en de werken van God gering geacht worden. Indien een dokter een man onder behandeling zal nemen, die ernstig ongesteld en gevaarlijk ziek is, zal die man meer ingenomen zijn met het werk van de dokter dan met het werk van God. Hij zal zijn dokter betalen, doch nooit zijn God danken. Velen zullen de werken van mensen met bewondering en de geschiedenis met opgetogenheid lezen, die het verhaal van het leven en de dood van Christus zullen lezen zonder in het minst bewogen te worden.

(3). Het vloeit hieruit voort, dat het geheugen volgepropt zit met andere dingen, met de prullen van de hel. Het was een lage behandeling van Christus, toen Hij naar een stal gebracht en in een kribbe gelegd werd, omdat voor Hem geen plaats was in de herberg. Doch het is duizendmaal erger, wanneer uw hart zo vol is van de wereld, begeerlijkheden en drekgoden, dat er geen plaats voor Christus is.

(4) Het vloeit voort uit de geringe indruk die Christus en Zijn verlossingswerk op ons maakt. De natuurkundigen geven dit als reden op van de herinnering, dat iets een krachtige indruk op de hersenen maakt. Doch, helaas! De werken Gods vliegen als een schaduw over ons heen, en zo zijn ze vergeten. Het is het beste voor het geheugen, dat de Geest van God met leven en kracht tot de ziel komt: "Uw woorden zal ik niet vergeten", zegt David, "want door dezelve hebt u mij levend gemaakt". Het liet een indruk na, en daarom bleef het. Wanneer het Woord van God en de werken van God geen indruk maken, is het geen wonder, dat zij spoedig vergeten worden. Er is een vogel van de hemel, de overste van de macht van de lucht, de duivel, die alles wegpikt wat u hoort, indien uw hart geen binnenkamer voor Christus is. Indien Hij uw Schat was, zou uw hart het kabinet zijn. Waar uw schat is, daar is ook uw hart.

V. Het vijfde en laatste punt is de toepassing van het onderwerp. Wij zullen dit pogen te doen in een gebruik van onderrichting, van geklag, van beproeving en van vermaning.

Wij zullen er eerst enige gevolgtrekkingen uit afleiden ter onderrichting. Is het zo, als gezegd is, dan zien wij hieruit,

1. De verachtelijke staat van de Kerk van God in deze wereld. Zij is maar als een kleine stad, en weinig mensen zijn daarin. Het is een verachte stad. De wereld noemt haar een verdrevene; "het is Sion, zeggen zij, niemand vraagt naar haar" (Jer. 30:17). Evenals Christus veracht en van de mensen verworpen was, zo zijn het ook Zijn vrienden en volgelingen; zij zijn een klein kuddeke, een verachte kudde. Wat ook de staat van de zichtbare Kerk is; al ziet zij er soms uit, schoon gelijk de maan, zuiver als de zon, schrikkelijk als slagorden met banieren, wanneer haar zichtbare heerlijkheid, de leer, dienst, tucht en regering, niet voor het oog bedekt is; toch is de onzichtbare Kerk in deze wereld gewoonlijk een arm, klein, veracht hoopje, waarvan (in Zef. 3:12) geschreven staat: "Ik zal in het midden van u doen overblijven een ellendig en arm volk; die zullen op de Naam des Heeren betrouwen."

2. Ziet hieruit de gevaarlijke toestand van de gemeente Gods in deze wereld. Het is een stad, door een grote koning belegerd, die grote vastigheden tegen haar bouwt. De Kerk is als een brandende braambos, temidden van het vuur; zij is in een gevaarlijke strijdende staat. De Kerk van God is de mannelijke Zoon, waarop de rode draak staat te wachten, om het kind te verslinden zodra het geboren is (Openb. 12:4). In wat een schijnbaar hulpeloze toestand is de gemeente Gods! Een grote stad kan het niet best uithouden tegen een grote koning en grote sterkten; hoeveel te minder een kleine stad met weinig mensen daarin.

3. Ziet hieruit de wonderlijke genade van God in de uitvinding van een Zaligmaker, en dat een grote, om de kleine stad te verlossen. Ziet de genade van onze Heeren Jezus Christus, "Die daar Hij groot en rijk was, om onzentwil is arm geworden", en in de gestalte van een arme Man, nochtans oneindig wijs, zijnde zowel God als Mens, de stad verlost heeft en het beleg heeft doen opbreken. O ziet en bewondert Zijn wijsheid waardoor Hij de stad heeft verlost!

4. Ziet hieruit de weergaloze ondankbaarheid van de zichtbare Kerk, waar zo’n grote verlossing is teweeggebracht; dat geen mens de arme wijze Man gedenkt, dat zij zich aan zo’n algemene vergeetachtigheid schuldig maakt. Ongeloof ontdekt zich door onachtzaamheid. Het leven van het geloof is een leven van geestelijk gedenken, doch het ongeloof openbaart zich door vergeetachtigheid. Door het geloof gedenken wij aan Christus, doch door het ongeloof vergeten wij Hem en al zijn goedertieren en liefderijke daden, hoewel er een blijvende bediening is ingesteld om ons geheugen te hulp te komen! O wat een afschuwelijke ondankbaarheid is dat, Hem te vergeten Die aan ons gedacht heeft! Vergeetachtigheid is die fontein van godloochening en goddeloosheid, welke de wereld en het tegenwoordig geslacht overstroomt; de mensen vergeten God en Christus. Indien zij gedachten, dat er een God in de hemel is, die acht geeft op hetgeen zij doen, zij zouden niet leven zoals zij doen. De mensen gaan zo op in de tegenwoordige wereld, dat zij aan geen andere wereld denken. Zij vergeten Hem, Die gekomen is om uit deze tegenwoordige boze wereld te verlossen en voor een andere te zorgen. Zolang wij alleen aardse dingen bedenken geven wij geen acht op de grote zaligheid en de grote Zaligmaker en Verlosser.

5. Ziet hieruit, wat hier als gevolgtrekking wordt afgeleid, (vs. 16) "dat wijsheid beter is dan kracht". Christus wordt hier en in de Spreuken dikwijls voorgesteld onder de naam van Wijsheid. De wijsheid van Christus is ontegenzeglijk beter dan de kracht van de mensen, beter dan de kracht van vleselijk vernuft, beter dan de kracht van de menselijke rede, beter dan de kracht van grote legers. Toch wordt de wijsheid van de arme man veracht, en naar Zijn woorden wordt niet gehoord; Christus wordt veracht en Zijn Evangelie wordt verwaarloosd en verworpen.

2e Gebruik. Laat ons dan deze leer toepassen als de stof voor een klacht over de belegerde stad, in het bijzonder van de Kerk van Schotland. Laat ons eerst de Kerk bezien en dan de belijders die daar in zijn.

1e Wij zullen de Kerk van Schotland bezien, meer algemeen als een belegerde en een verloste stad; en nochtans een zeer ondankbare, haar Verlosser vergetende stad. Als een stad, die vele malen en op velerlei wijzen belegerd is, voornamelijk door de duivel en zijn instrumenten, die God in rechtvaardigheid toeliet de stad te kwellen en te verstoren en grote vastigheden tegen haar te bouwen.

Ik zou hier kunnen beginnen met de eerste steen, die meer dan 1600 (1900) jaren geleden in de Kerk van Schotland is gelegd, namelijk kort na de hemelvaart van Christus, toen God door middel van de vervolging het eerst Christenen en belijders van het Evangelie onder ons zond. Toen waren wij in letterlijke zin een kleine stad en weinig mensen daarin. Hoeveel grote vastigheden van heidense duisternis en heidense afgoderij werden tegen de kleine stad en het kleine kuddeke, de volgelingen van Christus, gebouwd. Toen was hier een tempel voor Apollo en daar een tempel voor Diana; hier een voor Jupiter en daar een voor Juno; een voor Mercurius en een andere voor Venus; een voor de zon en een andere voor de maan; hier een voor deze god en godin en daar een voor die; alsmede vele tempels voor de duivel,waar zoveel bloedige onmenselijke offeranden werden geofferd! Men zou zeggen, hoe kon de kleine stad blijven staan, wanneer zij omsingeld was met zulke grote vastigheden, die tegen haar gebouwd waren.

Ik zou kunnen voortgaan tot de vijfde eeuw, toen de kleine stad eerst formeel werd belegerd en de grote vastigheid van paapse duisternis en antichristelijk bijgeloof tegen haar werd gebouwd. Toen Palladius door de Paus van Rome naar Schotland werd gezonden hield de kleine stad het een lange tijd tegen Rome uit, doch de belegering van de kleine stad duurde niet minder dan tien eeuwen; want van de tijd van Palladius tot de Reformatie was ongeveer duizend jaren. Tot de vijftiende eeuw toe was de kleine stad met die donkere wolk bedekt, werd zij overlopen, onderdrukt en bijna geheel verwoest. Alleen had God, temidden van die donkere dagen, van tijd tot tijd Zijn getuigen, die tegen Rome en de hel getuigden, ook wanneer zij allen voor hen gebracht werden.

Ik zou tot latere tijden kunnen afdalen, toen de kleine stad weer werd aangevallen, en de grote vastigheid van bisschoppelijke tirannie en despotische willekeur tegen haar gebouwd werd; toen de inwoners van de stad werden bespied, nagejaagd, ja, tot de dood toe vervolgd, gevangen gezet, beboet, van hun vrijheid beroofd, verbannen, gemarteld en gedood, omdat zij voor de rechten en het koningschap van de heerlijke Heere en Koning van de stad opkwamen. Meermalen werd de stad vóór de laatste revolutie zo geplaagd, en er leven nog vele getuigen, die getuigenis kunnen afleggen van de zware beproevingen, onder de laatste regeringen ondergaan.

Verder kan ik hier opmerken hoe ook in onze tijd, waarvan wij nog heugenis hebben, zowel als op dit ogenblik, de stad vele malen belegerd en aangevallen is; deels van buiten af, door invallen van vreemden en door een onmenselijke opstand, waarin paapse raddraaiers getracht hebben de stad in haar meest kostbare en heilige belangen ten onder te brengen, welke pogingen heimelijk werden begunstigd door parlementswetten, welke de dwalingen toelieten en de patronaten herstelden; en deels van binnen uit, wijl onnatuurlijke burgers in zekere mate haar fondamenten zoeken te ondermijnen.

Vraag. Wie zijn zij binnen de kleine stad, die de vrede verstoren en de fondamenten van de stad vernielen?

Antw. Dit is zeker, indien er zo’n partij in de stad is, bestaande uit dieven en moordenaars, die niet inkomen door de deuren en poorten van de stad, maar van elders inklimmen; indien er zijn, die niet het welzijn van de stad, maar zichzelf zoeken; die haar graveerselen, de leer, de dienst, de tucht en het bestuur van de stad, met houwelen en beukhamers in stukken slaan; indien daar zulken zijn, die niet vaststaan tegen het veroordelen van de Evangeliewaarheid, en verdoemelijke dwalingen dulden; indien er zulken zijn, die niet ophouden het geslacht van de rechtvaardigen te ergeren, en de burgers te verwonden en te slaan en de sluier van hen te nemen; indien er zijn, die de gemeenten met geweld, zonder er de burgers in te kennen, herders of opzieners over de stad opdringen; die een heilig en godvrezend stel ambtsdragers tegenstaan en een los, wettisch, dwalend en schandelijk stel steunen: ik zeg, het is zeker, dat die de verstoorders van de vrede van de stad zijn: deze zijn het, die grote vastigheden tegen de stad bouwen.

2e Beziet de kerk van Schotland, niet alleen als een belegerde stad, doch ook als een stad, die tot hiertoe verlost is door de wijsheid van de arme wijze Man, de heerlijke Heere Jezus Christus.

Door Zijn wijsheid heeft Hij de stad eerst van het heidendom verlost. Niet alleen bracht Hij het Evangelie, in de eerste tijden van het Christendom, reeds zo spoedig na de opstanding van Christus, in Schotland, dat Hij volgens de berekening van sommigen nog geen vijftien jaren in de hemel was, toen Hij het Evangelie tot Schotland zond; en ongeveer vijftien jaren daarna een andere troep Christenen zond, die voor de tweede eerste vervolging naar ons land vluchtten, omdat zij hoorden, dat het Evangelie daar was aangenomen. Doch Hij zette ook in het tweehonderd en derde jaar na Christus, een Christelijke koning op de troon, Donald de Eerste, die de Christelijke godsdienst bij de wet vaststelde en de sterkten van het heidendom die door de Barden, Druïden en heidense priesters werden verdedigd, afbrak. Deze verlossing werkte Hij langzamer~ hand uit, totdat de heidense afgoderij verdreven was.

Door Zijn wijsheid verloste Hij de stad op een merkwaardige wijze door de heerlijke Reformatie van het Pausdom, en het duistere antichristelijke bijgeloof. Hij wendde onze duizendjarige gevangenis, gelijk waterstromen in het zuiden en deed het licht uit de duisternis voortkomen, door brandende en schijnende lichten, heilige, wijze en ijverige instrumenten te verwekken, om dat heerlijk werk te beginnen, uit te werken en voort te zetten, en dat van tijd tot tijd door een Plechtig, Nationaal Verbond maken, waarover de Heere zichtbare blijken van Zijn genadige tegenwoordigheid en goedkeuring gaf.

Door Zijn wijsheid verloste Hij genadig de stad bij de laatste revolutie, waarin Hij ons meer dan een weinig leven gaf in onze dienstbaarheid, aan welke wij waren onderworpen onder de Bisschoppelijke regering en dwingelandij. Toen gaf Hij ons gelegenheid om het werk van de reformatie voort te zetten, meer dan waartoe wij op die tijd hart en moed hadden. En hoewel de heerlijkheid van de tweede tempel niet gelijk was aan die van de eerste; (ik meen dat de revolutie niet kon halen bij de Reformatie) nochtans was het zo’n heerlijk werk van God, in de stad te verlossen van hen, die haar geheel zochten te verwoesten, dat menigten in dit geslacht de heerlijkheid Gods in Zijn heiligdom gezien hebben en de voorrechten en vrijheden van de stad Gods hebben mogen genieten. Sommigen waren van mening, dat er zovelen in de gezegende vruchten van deze gelukkige Revolutie binnen de laatste veertig jaren hebben mogen delen, zij het dan in een meer verspreide weg door de gehele natie, als er vroeger in de gezegende vruchten van de vorige Reformatie, op een meer begrensde wijze, op bijzondere tijden en plaatsen hebben gedeeld, toen de Geest over grote menigten tegelijk werd uitgestort. Hoe dit ook zij, wij hebben nochtans reden om de wijsheid, kracht en genade van onze heerlijke Verlosser op te merken.

Door Zijn wijsheid heeft Hij van tijd tot tijd, en tot hiertoe, de stad verlost, niet alleen van invallen en opstanden, waardoor de kerk en de staat met ondergang werden bedreigd, en dat wij tot Paapse dienstbaarheid en Antichristelijke duisternis zouden worden teruggebracht; doch Hij heeft de stad zover verlost, ook van rustverstoorders en verwoesters van binnen, dat het evangelielicht nog onder ons schijnt, en wij nog de zuivere inzettingen van het Evangelie mogen hebben. Wij mogen nog in vrede onze kerkelijke plechtige dagen hebben; wij hebben Sabbat op Sabbat, preek op preek, "gebod op gebod en regel op regel"; en welke verwarringen ook in de stad geweest zijn en nog zijn, tot hiertoe is er nog enig getuigenis overgebleven. En ik hoop, dat Hij voor Zichzelf nog een worstelend overblijfsel in Schotland heeft overgelaten, zowel onder leraars als volk, dat, terugziende op de verlossing, die Hij ons tot hiertoe heeft geschonken, reden heeft te zeggen: "Tenware de Heere, Die bij ons geweest is, als de mensen tegen ons opstonden, toen zouden zij ons levend verslonden hebben; toen zouden ons de wateren overlopen hebben: een stroom zou over onze zielen gegaan zijn, toen zouden de stoute wateren over onze zielen gegaan zijn (Ps. 124:2—5). Zo kunnen wij haar als een verloste stad beschouwen.

3e Wij kunnen deze Kerk ook beschouwen als een zeer ondankbare stad, die haar Verlosser niet gedenkt. Dit is de voornaamste oorzaak van alle verwarringen, verdeeldheden en moeilijkheden, van alle ellenden, die de stad overkomen, "geen mens gedacht dezelve arme Man". Wij zijn algemeen ongelovig en onachtzaam; wij vergeten de Verlosser de verschuldigde dank te betuigen. Wij overwegen niet recht wat God voor ons gedaan heeft; wij hebben geen diepe indrukken van Zijn wonderlijke goedertierenheid; wij gedenken Zijn gunst niet, Zijn goedertierenheid heeft ons niet tot bekering geleid. Het is geen wonder, dat de stad vele verwoestingen te aanschouwen geeft, want vele malen heeft Christus, evenals tot Jeruzalem, tot ons gesproken: "Hoe menigmaal heb ik uw kinderen willen bijeen vergaderen, gelijkerwijs een hen haar kiekens bijeen vergadert onder de vleugelen, en gij hebt niet gewild? Ziet uw huis wordt u woest gelaten".Geen mens gedacht de arme wijze Man", Die die grote Verlosser van de stad is.

Waar is de man, die recht gedenkt aan de grote verlossing, welke God Schotland schonk bij de eerste inkomst van het Evangelie, toen Hij reeds zo vroeg tot ons kwam, als wij niets dan hout en steen en duivelen aanbaden? Waar is de man, die de grote verlossing gedenkt, welke Hij ons schonk in de heerlijke Reformatie, toen Hij de vastigheden van het pausdom omverwierp, zo vele eeuwen nadat Hij de bolwerken van het heidendom had geslecht? Waar is de man, die de genadige verlossing gedenkt welke Hij voor ons teweegbracht in de Revolutie, (want ik bepaal mij slechts tot de meest bekende en aanmerkelijke tijdperken) waarvan wij de vruchten nog genieten (onder de invloed van een vreedzame vorst, wiens erfopvolging op de troon samenviel met dat aanmerkelijk tijdperk): welke goedheid en genade van onze grote en heerlijke Verlosser wij behoorden te gedenken zolang wij deze inzettingen van het Evangelie in vrede en vrijheid genieten, zonder vrees voor vijandelijke verstoring van buiten, zoals die welke de volgelingen van Christus onder vorige regeringen, voor de genoemde genadige revolutie, te verduren hadden? Nog eens, waar is de man, die de vele, vele andere bijzondere verlossingen gedenkt, waarmee dit land, vroeger en later, is begunstigd geweest? En wat heeft Hij dikwijls de grote vastigheden neergeworpen, die de hel tegen de kleine stad gebouwd had.

O, ondankbaar Schotland! Hoe hebben wij ons plechtig trouwverbond met onze heerlijke Verlosser vergeten! Telkens en telkens weer hebben wij met opgeheven handen gezworen Hem en Zijn waarheid getrouw te zullen zijn, en de leer, dienst, tucht en regering van Zijn huis, volgens het voorbeeld, dat in de Schrift wordt gegeven te zullen beschermen, en alle dwalingen en antichristelijke verdorvenheden te zullen weren. Welke blijken hebben wij gegeven van onze ondankbaarheid en vergeetachtigheid daarin, dat wij, in plaats van deze nationale verbintenissen te gedenken in vele gevallen onze verbondstrouw hebben verbroken, en onze in het verbond bezworen beginselen hebben verlaten, en onze verbonden hebben verbrand en begraven! Zult gij dit de Heere vergelden, gij dwaas en onwijs volk? Hoe blijkt onze ondankbaarheid aan onze Verlosser uit de inbreuken op de regels van Gods Woord, waarnaar wij gezworen hebben te zullen wandelen, en op de grondwet van deze Kerk, waarvan onze hervormers verklaard hebben, dat zij op Gods Woord gegrond was, daarin, dat Gods volk het recht is ontroofd zijn eigen leraars te kiezen; een recht, waarvan onze Kerk in haar belijdenisgeschriften, op grond van Gods Woord, verklaart, dat het hun toekomt. Doch onze afwijking en verlating van de goede oude weg, in dat punt, heeft langs verscheidene trappen een aanmerkelijke hoogte bereikt. Het komt mij voor, dat het loslaten hiervan is begonnen in de Synodale vergadering van 1649; is bevestigd en voortgezet in het Parlement in 1690; en nu enigermate in dit jaar 1732 is voltooid, zoals het nooit tevoren door enigerlei handeling van de Kerk is geschied.

Wat een ondankbaarheid aan onze Verlosser openbaren wij in ons vergeten en verzuimen van nationale dankdagen uit te schrijven voor de vele goedertierenheden en de menigvuldige verlossingen welke God ons van tijd tot tijd heeft geschonken, en nationale vast- en bededagen wegens onze nationale schuld; in het bijzonder wegens die algemene zonde, dat wij onze Verlosser en onze verlossing niet gedenken, maar al Zijn goedheid achter onze rug werpen! Aan wat een ondankbaarheid staan wij schuldig, dat wij geen beter gebruik maken van het licht van het Evangelie, dat nog onder ons blijft schijnen!

Wat zijn wij schuldig, dat wij God niet gedenken en de rechtvaardigheid Gods in alle kwaden, die de kleine stad overkomen! Zal er een kwaad in de stad zijn, dat de Heere niet doet? Al kunnen wij geen verraderlijke Judas rechtvaardigen, die Christus en Zijn waarheid verraadt; noch een vreesachtige Petrus, die onder de een of andere beproeving tegelijkertijd Christus en Zijn zaak kan verloochenen; noch enigerlei goddeloze werktuigen van de onvrede, de verwoesting en de verstoring van de stad; nochtans behoren wij, in alles wat ons overkomt, God te rechtvaardigen en Zijn gerechtigheid te erkennen. Doet gij u dit niet zelf? Doordien gij de Heere uw God verlaat, Die de Verlosser van de stad is? Onze boosheden kastijden ons, en onze afkeringen straffen ons (Jer. 2:17, 19). Wij hebben geen recht gebruik gemaakt van de vrijheden en voorrechten van de stad, die wij soms hebben genoten; daarom laat God rechtvaardig toe, dat wij een beroofd en geplunderd, een gescheurd en verstoord volk zijn. Laat ons daarom niet schimpen op leraars, kerkelijke vergaderingen, gerechtshoven, of andere werktuigen. Wij behoren tegen de duivel zelfs geen beschimpende beschuldiging in te brengen, maar laat ons liever zeggen: "De Heere schelde u"; de Heere schelde de duivel en zijn werktuigen; de Heere schelde een verkeerde geest; de Heere schelde een afkerige geest; de Heere schelde de instrumenten van de rampspoeden van de Kerk. "De Heere is rechtvaardig, want wij hebben gezondigd". Zegt niet: die en die personen hebben verwoesting over de Kerk gebracht, want u en ik, wij zijn het, die door onze zonden God getergd hebben het te doen en wij zullen Hem tot nog verschrikkelijker toorn aanporren, indien wij niet vernederd worden wegens onze zonden, voornamelijk daarover, dat wij onze Heere Jezus, de Verlosser van de stad niet hebben gedacht. Doch,

Ten tweede: wij zullen niet verder uitweiden over de Kerk in het algemeen, en ons verder bepalen bij hetgeen een ieder van ons persoonlijk betreft, hoe wij reden hebben ons vergeten van Christus te beklagen.

Hoewel Zijn Naam is als een olie die uitgestort is, toch gedenken wij Zijn liefde, Zijn voorschriften, Zijn beloften, Zijn voorzienigheid en Zijn inzettingen niet. Waaruit blijkt dit? Helaas! Wanneer zetten wij ons neer om Hem en Zijn verlossende liefde te bewonderen? Als u een zeldzaam kunststuk ziet, hoe verwondert u zich daarover. En wat bent u weinig met verwondering vervuld over hetgeen God gedaan heeft! Wij zouden sommigen verlegen kunnen maken met de vraag, of zij wel ooit in hun gehele leven een kwartier hebben doorgebracht vol verwondering over de grote verlossing, die Christus voor zondaren heeft teweeggebracht. Wanneer hebt u de verlossing, die Christus gewerkt heeft, uitgebazuind, en aan anderen verkondigd wat Christus voor u of voor Zijn Kerk gedaan heeft. Dit is het werk van de heiligen, op liefelijke toon uit te roepen: "Gij zijt heerlijk in heiligheid, vreselijk in lofzangen, doende wonder; groot van raad en machtig van daad". Wanneer denkt u ernstig na over Hem, en over hetgeen Hij heeft gedaan voor u, en de Kerk, en de kleine stad? Dit is de beoefening van de heiligen, die Hem gedenken: "Mijn overdenking van Hem zal zoet zijn". Helaas! Ons allen ontbreekt verstand. "Een os kent zijn bezitter, en een ezel de kribbe zijns heren; maar Israël heeft geen kennis, Mijn volk verstaat niet." Overweegt wat een zondig en tergend kwaad deze vergeetachtigheid is, en hoe schadelijk die is: het is een openlijke verachting, het werk van Zijn handen niet te gedenken of gade te slaan. Indien een ervaren kunstenaar de helft van zijn leven zou besteden aan het maken van een wonderlijk kunstwerk, en hij zou dat u brengen, en u zoudt het niet waarderen, zou die man niet ten hoogste beledigd zijn? Hoeveel temeer beledigt u God wanneer u Zijn werken vergeet! God heeft zes dagen besteed aan het werk van de schepping; bijna zes duizend jaren aan het werk van de voorzienigheid; en evenveel tijd – ja een eeuwigheid – aan het werk van de verlossing, en zullen wij dat alles vergeten en onderschatten? Wat is dit een openlijke verachting van God en Zijn Christus! Het is ook afschuwelijke ondankbaarheid, dat Hij voor ons werkt, en in ons werkt, en dat wij er nooit over denken. Het is een verijdeling van het doel van Zijn werk. Zijn doel is, dat wij Zijn eigenschappen zullen zien uitblinken in Zijn werken van genade en barmhartigheid, waarin zoveel wonderen heerlijk uitkomen: wonderlijke wijsheid; wonderlijke macht; wonderlijke heiligheid, wonderlijke rechtvaardigheid; wonderlijke goedertierenheid; wonderlijke waarheid. Zijn doel is, dat Zijn daden ons tot onze plicht zullen aansporen, en dat wij die aan het nageslacht zullen vermelden, terwijl wij door vergeetachtigheid Zijn doel geheel trachten te verijdelen. Deze vergeetachtigheid is de moeder van afvalligheid. Als wij onze plicht vergeten, verzaken wij die; als wij God vergeten, verzaken wij Hem en wij verlaten Hem. Deze vergeetachtigheid tergt God. Wanneer de stad vergeet wat Hij voor haar heeft gedaan, tergt dit God, om niets meer voor de stad te doen. Het verbittert God, zodat Hij in plaats van werken van verlossing en goedertierenheid, werken van oordeel, vreemde werken en vreemde daden zal doen. Indien wij God vergeten, tergen wij Hem ons, krachtens de wet van de vergelding, ook te vergeten; ja, een geheel vergeten van God brengt een algemene verwoesting teweeg: "De goddelozen zullen terugkeren naar de hel toe; alle God vergetende heidenen."

3e Gebruik. Laat ons deze leer toepassen tot beproeving U kunt er uw staat aan toetsen. Indien uw staat goed is;

1. Dan zult u als een kleine stad zijn: u zult zeer klein zijn in uw eigen ogen; een arm hulpbehoevend schepsel in uw eigen schatting.

2. Dan hebt u zichzelf belegerd gezien: dan hebt u gezien, dat u onder de toorn Gods, onder de macht van de duivel, onder de heerschappij van de zonde en des doods was. Dan hebt u leren kennen, dat het u onmogelijk was de grote vastigheden, die tegen u gebouwd waren, terneder te werpen, en dat u voor eeuwig verloren was, tenzij er Een kwam, om u te verlossen.

3. Indien uw staat goed is, dan is Christus, de Verlosser en Zaligmaker, aan u ontdekt; dan hebt u een gezicht van Hem gekregen als een Mens, de Godmens, een arm Mens, een arm maar wijs Mens, als een Man van God tot dit werk gegeven. Hebt u Hem gezien als de Wijsheid en de Kracht Gods? Hebt u de wijsheid Gods gezien in door Hem de stad te verlossen, door de rechtvaardigheid Gods te bevredigen; de werken van de duivel te verbreken; Zichzelf te geven tot een offerande voor de zonde; en door de dood van de prikkel van de doods te verlossen. Hebt u alzo de wijsheid Gods gezien in het slechten van de vastigheden, die tegen u gebouwd waren?

4. Bent u gebracht tot een gelovig gedenken aan Hem, tot een dagelijks gedenken aan Hem; en bent u bedroefd, dat u Hem zo weinig gedenkt? Was uw toegaan tot een Avondmaalstafel, Hem te gedenken, en hetgeen Hij voor u heeft gedaan; en is dat nog uw begeerte en uw uitzien, zijn Liefde te gedenken meer dan de wijn, en uit Hem en tot Hem te leven?

4e Gebruik. Ik zal sluiten met een woord van vermaning.

1. Komt tot Christus, de Verlosser van de stad. O zondaar! Zolang u buiten Christus bent, bent u in een gevaarlijke staat; u bent aan deze kleine stad gelijk; grote koningen omsingelen u en bouwen grote vastigheden tegen u. Gods vastigheden omsingelen u en zijn tegen u: Zijn rechtvaardigheid, Zijn toorn, Zijn vloek, Zijn wraak; hoe zult u ontvlieden? Bent u machtig tegen God te strijden?— De bolwerken van de duivel zijn tegen u en u kunt zijn verzoekingen niet verhinderen. Als hij zijn zin kan krijgen, zal hij u zolang tot zondigen verzoeken, totdat hij u in de hel heeft. – De sterkten van de zonde zijn tegen u gericht: de schuld van de zonde; de kracht van de zonde daar u onder ligt; de zonde zal u naar de hel drijven, als u niet verlost wordt. — De macht van de dood is tegen u. Het is onzeker hoe spoedig u zult sterven, misschien nog deze nacht, of morgen, of overmorgen; u weet de juiste tijd niet, doch wanneer het ook is, als hij u buiten Christus vindt, zal hij een vreselijke prikkel hebben, een vreselijk gevolg van weeën en ellenden tot in alle eeuwigheid: de eerste dood zal gevolgd worden door de tweede dood, dat is die poel, die daar brandt van vuur en sulfer (Openb. 21:8). Daarom, o zondaar! Vliedt de toekomende toorn, neemt de toevlucht tot Christus de Verlosser.

Wilt u tot de Godmens om verlossing komen? Wilt u zich laten inschrijven bij de arme wijze Man? Wilt u met deze Man gaan? U hebt geen wijsheid om uzelf te verlossen, evenmin als macht; maar Hij verlost de stad door Zijn wijsheid. Al hebt u zichzelf uw gehele leven als een dwaas aangesteld, al bent u nog zo’n onverstandige dwaas, deze man gedenkt u: hier is wijsheid om u te verlossen: Hij is ons geworden wijsheid van God. Door Zijn wijsheid heeft Hij Gods rechtvaardigheid bevredigd; door Zijn wijsheid heeft Hij de duivel verslagen; door Zijn wijsheid heeft Hij de zonde te niet gedaan; door Zijn wijsheid heeft Hij de dood overwonnen. O kiest de Verlosser, en de verlossing is van u, want Hij, Die de Zaligmaker is, is de zaligheid van zondaren. Al kunt u niets doen, dat behoeft u niet in de weg te staan, want wijsheid kan alles voor u doen. O weest tevreden, dat u niets bent, en dat Hij door Zijn wijsheid alles voor u en tot u zij. Het is een voornaam deel van het geloof te weten, dat u zichzelf niet kunt zaligmaken of verlossen, en de Zaligmaker en de zaligheid, die u worden aangeboden te verwelkomen; alsmede gelovig te gedenken wat Hij voor u heeft gedaan en nog wil doen. Zegt niet: er staan zoveel dingen in de weg: duisternis, doodheid, hardheid, ongeloof, vijandschap en onnoemelijke andere kwaden waarvan u verlost moet worden; want het is Zijn ambt de stad te verlossen, de ziel te verlossen van al die sterkten van de hel. Biedt Hij aan u door zijn oneindige wijsheid te verlossen, geeft u dan het gehele werk in Zijn wijze en machtige handen.

2. Ik vermaan u de Verlosser te gedenken. Laat Zijn klacht niet zijn: "Geen mens gedacht de arme wijze Man". O gedenkt Hem, Die aan ons gedacht heeft in onze nederigheid; Die van eeuwigheid u gedacht heeft; Die u gedacht heeft toen Hij aan het kruis hing; Die u gedenkt nu Hij in de hemel is en voor u bidt aan de rechterhand des Vaders, want Hij leeft altijd om voor ons te bidden. Hij gedenkt u altijd en zult u Hem dan niet gedenken? Gedenkt wat Hij voor u heeft gedaan; gelooft dat alles wat Hij deed voor u was; Zijn werken van de schepping, van de voorzienigheid en van de verlossing zijn u ten goede. U hebt belang bij al Zijn werken; daarom, vergeet ze niet. Overweegt, dat Hij u gedenkt, wanneer u Hem vergeet; ja, wanneer u zichzelf vergeet. Zion zeide: "de Heere heeft mij verlaten, en de Heere heeft mij vergeten"; doch de Heere zeide: "Kan ook een vrouw haar zuigeling vergeten, dat zij zich niet ontferme over de zoon haars buiks? Ofschoon deze vergate, zo zal Ik toch u niet vergeten".

Wij zullen nu onze rede beëindigen met u nog twee besturingen te geven.

1. Ziet op tot de Heilige Geest, dat Hij u gedenkt. Sommigen hebben op het horen van het woord, het in vurig gebed aan de Heere opgedragen, of Hij het voor hen wilde bewaren, en datzelfde woord is, toen zij in duisternis verkeerden, met onuitsprekelijke blijdschap aan hun harten toegepast. De Geest van God is de beste Indachtigmaker; vraagt of Hij u alle dingen leren en alles indachtig maken wil.

2. Ziet uit naar een vernieuwde blik van Christus. Christus zag Petrus aan en toen gedacht Petrus Christus en Zijn woord. Één blik van Christus zal u uw zonde met smart en droefheid doen gedenken. O beijvert u Hem voortdurend te gedenken, zodat u Hem en Zijn goedheid nooit vergeet. Een werkzaam gedenken van Hem, al kunt u Hem niet zodanig gedenken, dat u alles gedenkt wat Hij zegt, zou u kunnen doen gedenken, te doen wat Hij zegt en alzo uw Verlosser te verheerlijken met uw hart, en mond en leven. Gedenkt welke grote dingen Hij voor de kleine stad heeft gedaan en nog zal doen. Wacht op Hem totdat Hij Zijn werk voleindigt.

 

Het oordeel van de wereld over Christus en Zijn volgelingen, of: de ware godvrezende door de goddelozen bespot en gesmaad

Jes. 8:18. Ziet, ik en de kinderen, die mij de HEERE gegeven heeft, zijn tot tekenen en tot wonderen in Israël, van den HEERE der heirscharen, Die op den berg Sion woont.

Vergelijken wij deze tekst met de onderwerpen waarover ik onlangs heb gepredikt, dan zien wij, dat er vierderlei oordeel wordt geveld over Christus, de heerlijke Verlosser van een uitverkorene wereld. 1. Het oordeel van de Vader over Hem: "Ik heb Hem gegeven tot een Verbond des volks, tot een Licht der heidenen". 2. Het oordeel van de Geest, Die van Hem getuigt, volgens de woorden van Christus: "Die zal van Mij getuigen." 3. Zijn Eigen oordeel over Zichzelf: "Ik en de Vader zijn Één". 4. Het oordeel van de wereld over Hem en Zijn volgelingen: "Ziet Ik en de kinderen, die Mij de Heere gegeven heeft, zijn tot tekenen en tot wonderen in Israël." – In het eerste beveelt de Vader Hem ons aan door Zijn goedkeuring: "Ik zal U geven tot een Verbond des volks". In het tweede beveelt de Geest Hem ons aan door Zijn getuigenis: "Die zal van Mij getuigen". In het derde beveelt hij Zichzelf ons aan in Zijn bekendmaking: "Ik en de Vader zijn Één". Doch in het vierde misprijst de wereld hem en zij behandelt hem met verfoeiing: "Ziet Ik en de kinderen, die Mij de Heere gegeven heeft, zijn tot tekenen en tot wonderen in Israël". Ziet, hoe de Gift van de Vader wordt veracht, hoewel Hij Hem tot een Verbond van het volk gaf! Ziet, hoe het getuigenis van de Geest wordt verworpen, als Hij van Christus getuigt! Ziet, hoe Zijn Eigen bekendmaking wordt veronachtzaamd, waarin Hij afkondigt, dat Hij en de Vader Één zijn! Ziet hoe onwaardig deze Heerlijke over het algemeen wordt onthaald door hen die Hem horen, namelijk met Hem en al Zijn kinderen op ongehoorde wijze met smaad en verachting te overladen.

Men mocht wel denken, dat Christus en Zijn kinderen door de lieden van de wereld beter zouden worden onthaald, in aanmerking genomen, dat Hij van de Vader is gegeven tot een Verbond van het volk, doch de meeste mensen zijn zulke vreemdelingen van hun waarachtig belang, zulke afvalligen en vijanden van Christus, dat Zijn beste vrienden de heftigste tegenstand zullen ontmoeten, wanneer zij het krachtigst voor Hem getuigen. Dat Hij, Die van de Vader tot een Verbond van het volk is gegeven, echter steeds sommige vrienden onder de mensen zal vinden, die voor Hem getuigen, blijkt uit dat woord: "Die zal van Mij getuigen; en gij zult ook getuigen". Zij zullen voorzeker geen reden hebben zich te schamen over hun getuigenis van Hem, aangezien Hij zo’n heerlijk persoon is, dat Hij en Zijn Vader één in wezen zijn. Welke behandeling zijn van Hem getuigende vrienden nochtans hebben te wachten, zelfs in Israël, wordt in deze tekst verklaard door hun heerlijke Leidsman: "Ziet Ik en de kinderen die Mij de Heere gegeven heeft, zijn tot tekenen en wonderen in Israël."

Opdat u niet mag denken, dat wij de bedoeling van de woorden verkeerd verstaan, en men ons zou kunnen vragen: "Van wien spreekt de profeet hier, van zichzelf of van een ander?" antwoorden wij:Hij spreekt zowel van Zichzelf, als van een ander. Dat hij van zichzelf spreekt blijkt duidelijk uit het verband, dat u op uw gemak kunt nazien; en dat hij ook van een ander spreekt blijkt uit Hebr. 2:13, waar deze tekst wordt aangehaald en op Christus toegepast: "Ziet daar, Ik en de kinderen die Mij God gegeven heeft". Zodat hier de profeet het voorbeeld en Christus het Tegenbeeld is. Daarom is het duidelijk, dat ik in het behandelen van dit onderwerp van de betekenis niet zal afwijken, wanneer ik het, òf op Christus, òf op Zijn dienaars en vrienden toepas. Ik zal het beschouwen, òf als de taal van de Profeet, het voorbeeld, die over zichzelf spreekt en over zijn kinderen, die door middel van hem bekeerd zijn; en zo kan het worden toegepast op alle getrouwe gezanten van Christus, en degenen die door middel van hen bekeerd zijn; òf als de taal van Christus, het Tegenbeeld, sprekende van Zichzelf en van al Zijn vrienden en volgelingen, die, naar Zijn wil, gebaard en wedergeboren zijn door het Woord der waarheid: "Ziet Ik en de kinderen, die Mij de Heere gegeven heeft, zijn tot tekenen en tot wonderen in Israël".

Het doel van dit en verscheidene volgende hoofdstukken is, aan te tonen wat een grote verwoesting binnenkort, wegens hun zonden, over het koninkrijk van Israël zou worden gebracht door de koning van Assyrië. In deze tijd van gedreigde en voor de deur staande ellende vertroost de Profeet Gods volk (vs. 11) met de zelfde vertroosting waarmee God hem vertroost had: "Want alzo heeft de Heere tot mij gezegd met een sterke hand, en Hij onderwees mij van niet te wandelen op de weg dezes volks". Hier kunnen wij aanmerken: 1e Dat er een neiging in de mensen is om te wandelen in de weg van het volk waaronder zij leven, al is het geen goede weg; de beste van de mensen zijn daartoe geneigd. 2e God zal hen, die Hij liefheeft en de Zijnen zijn, bekwamen tegen de stroom van de gewone verdorvenheid in te zwemmen, al worden zij daarom zonderling genoemd. In deze tijden van benauwdheid waarschuwt de Heere Zijn volk ook door de profeet tegen alle zondige vrezen: (vers 12) "Gijlieden zult niet zeggen; Een verbintenis, van alles daar dit volk van zegt: Het is een verbintenis; en vreest gijlieden hun vrees niet, en verschrikt niet". Verbindt u niet met hen en weest niet bevreesd voor hun verbintenis. Wanneer de vijanden van de Kerk zondige verbintenissen op touw zetten moeten de vrienden van de Kerk waken tegen zondige vrezen voor deze verbintenissen. Wij behoren in zware tijden voornamelijk te waken tegen zulke vrezen, die ons verkeerde wegen zouden doen inslaan tot onze veiligheid, of van zondige wapenen zouden doen gebruik maken om het kruis te ontvlieden. Dan raadt hij hun een godsdienstige en goddelijke vrees aan: (vs. 13) "De Heere der heirscharen, Die zult gijlieden heiligen, en Hij zij uw vrees; en Hij zij uw verschrikking". De gelovige vrees van God is een bijzonder bewaarmiddel tegen de angst en de vrees voor mensen. Zij, die waarlijk God vrezen, behoeven geen kwaad te vrezen, want die zal Hij tot een heiligdom zijn, doch anderen zal Hij tot een Steen des aanstoots wezen, waarover zij zullen struikelen, en vallen, en verbroken worden (vs. 14, 15). Zij die hulp ontvangen, om de vrees van God te bewaren en voor mensenvrees bewaard te worden, zullen ervaren dat God hun hoog vertrek is. Doch de goddelozen en al hun bondgenoten zullen, al is het dat zij de handen ineenslaan, niet ongestraft blijven, maar struikelen, en verstrikt, en gevangen worden. Verder, (vs. 16) stelt hij het onuitsprekelijk voorrecht van Gods volk voor, dat hun de woorden Gods zijn toebetrouwd: de Schrift als een getuigenis, om ons geloof te besturen, en een wet, om er onze praktijk naar te regelen. Het is Gods afkondiging, met het zegel van de hemel verzegeld; het is dat goede pand, dat toebetrouwd is aan hen, die discipelen zijn. Daarna onderwijst ons de profeet (vs. 17) uit eigen praktijk, welk goed gebruik wij van dit voorrecht moeten maken, en wat zijn vast besluit was. Hij omhelsde de wet en het getuigenis en werd er door vertroost temidden van alles wat hem ontmoedigde. De profeet volgt hier de raad op, vs. 12, die God had gegeven: (vs. 17) "Daarom zal ik de Heere verbeiden, Die Zijn aangezicht verbergt, voor de huize Jakobs, en ik zal Hem verwachten". God keek Zijn volk dreigend aan, en de profeet verbeidde en verwachtte Hem. Wanneer God Zijn aangezicht verbergt en dreigt met zijn oordelen te zullen komen, ook dan moet Zijn volk hem opwachten en Zijn wederkomst verwachten in een weg van goedertierenheid. Zij die in geloof en biddende de Heere verbeiden mogen Hem met hoop en blijdschap verwachten.

Dat de profeet deze weg volgde, oordeelde men zeer onvoorzichtig en belachelijk. Hij en zijn leerlingen, onder wie de wet en het getuigenis verzegeld waren, werden daarom beschimpt en bespot, veracht en gesmaad: "Ziet, ik en de kinderen, die mij de Heere gegeven heeft zijn tot tekenen en tot wonderen in Israël". U kunt, om de woorden kort te verdelen, daarin de zes volgende dingen opmerken.

1. Het teken van verwondering of weeklacht: "ziet". De profeet drukt zijn verwondering uit, dat de godzaligheid zo vreemd geacht wordt; of, hij klaagt over de zonde van die tijd, dat godsvrucht en godsdienst zo ongewoon onder hen waren.

2. De partij die hier bespot en veracht wordt, en waarover men zich zo verwondert: "Ik en de kinderen, die mij de Heere gegeven heeft", de profeet en zijn leerlingen; leraars en die door hun dienst bekeerd zijn; Christus en Zijn vrienden.

3. Let op het merk van smaad en bespotting waarmee zij bestempeld worden: "zij zijn tekenen en wonderen"; zij worden beschouwd als wangedrochten en monsters, zij zijn voorwerpen van bespotting en belaching.

4. Zij die schuldig zijn aan deze hooggaande verachting: en dit is de bijzondere overweging waarom hun spreken de stof is van verwondering en klacht: "het is in Israël". Was het in Egypte geschiedt of onder de heidenen, dan zou het niet zo vreemd geweest zijn; maar dat zij tot tekenen en wonderen waren in Israël, dat zij met verachting werden behandeld door een volk, dat de ware godsdienst beleed, dat maakte het des te vreemder.

5. De oorsprong van deze bedeling: het is van de Heere der heirscharen. God had het in Zijn voorzienigheid zo beschikt: Zijn heersende vrijmachtige hand was, ter beproeving van Zijn volk, in die dingen, waarin de mensen een zondige hand hadden.

6. De grond van vertroosting, die Gods kinderen hebben onder al deze en dergelijke ontmoedigingen; welke ligt opgesloten in de namen, die Hem hier worden gegeven.

(1). Hij is de Heere der heirscharen, Die alle heirscharen van de hemel en van de aarde tot Zijn beschikking heeft, zodat de smaders en verachters van Zijn volk hun geen kwaad kunnen doen; ja, geen haar van hun hoofd kunnen aanraken, zolang Hij hun daartoe geen vrijheid en verlof geeft.

(2). Hij woont op de berg Zion. Daar waren de tekenen van Zijn tegenwoordigheid en de ark, die een type van Christus was. Zijn wonen op de berg Zion beduidt niet alleen Zijn tegenwoordigheid bij Zijn volk, maar ook, dat Hij op een troon van genade en barmhartigheid woont, als een God, Die in Christus de wereld met Zichzelf verzoenende was. Hij woont op de berg Zion, daar Hij zich aan Zijn volk openbaart, altijd bereid om hun gebeden te horen en naar hun klachten te luisteren; bereid om hun begeerten in te willigen, hun kruisen te heiligen, en hen in hun lijden en in de smaad, die zij om Zijn Naam hebben te verduren, te ondersteunen. Hoewel Hij voor het tegenwoordige Zijn aangezicht verbergt voor het huis van Jakob, en de tijd van verberging ook een tijd van smaad voor hen is, waarin zij verachting en schande ondergaan, nochtans woont hij op de berg Zion, zodat zij weten waar Hij te vinden is en zij Hem weer zullen zien.

In plaats van vele opmerkingen uit de woorden aan te voeren, zal ik mij voornamelijk bij deze ene bepalen:

Dat gelijk het altijd zo geweest is, het nog het deel van Christus en Zijn vrienden is, hetzij het leraars of het volk zijn, die Zijn beeld dragen, als monsters te worden aangemerkt; gehaat, veracht, gesmaad, en over wie men zich verwondert. Of, kort gezegd, Christus en Zijn volk zijn de wonderen van de wereld. "Ziet, Ik en de kinderen, die Mij de Heere gegeven heeft, zijn tot tekenen en tot wonderen in Israël."

In de behandeling van dit voorstel, zal ik, met de bijstand van de Heere, de volgende dingen verhandelen.

I. Enige opmerkingen maken ter verdere verklaring van de tekst.

II. Enige Schriftuurplaatsen bijbrengen tot bevestiging van de leer.

III. Sommige van die smetten onderzoeken, welke op Christus en Zijn volgelingen plegen geworpen te worden.

IV. De redenen van het leerstuk aanwijzen, vanwaar het komt, dat zij zo als monsters worden beschouwden tot tekenen en wonderen in Israël zijn.

V. Enige gevolgtrekkingen afleiden tot toepassing van het gehele onderwerp.

I. Wij zouden eerst enige opmerkingen maken tot de verdere verklaring van de tekst. De zes volgende opmerkingen liggen er duidelijk in opgesloten.

1. "Dat bekeerde mensen de kinderen van Christus zijn, en de kinderen van die leraars, die het middel tot hun bekering geweest zijn". Zij zijn de kinderen van Christus als de enige Bewerker van hun wedergeboorte en aanneming tot kinderen: "Ziet daar, Ik en de kinderen, die Mij God gegeven heeft’ (Hebr. 2:13). Zij zijn de kinderen van de leraars, die het middel zijn geweest tot hun wedergeboorte. "Mijn kinderkens", zegt de apostel, "die ik wederom arbeide te baren, totdat Christus een gestalte in u krijge" (Gal. 4:19). "In Christus Jezus heb ik u door het Evangelie geteeld" (1 Kor. 4:15). "Ik heb ulieden toebereid, om u als een reine maagd, een man voor te stellen, namelijk Christus". Christus is de eeuwige Vader van alle gelovigen; gelijk zich een vader ontfermt over zijn kinderen, zo zal Hij Zich over hen ontfermen, want naar Zijn wil heeft Hij hen gebaard door het Woord der waarheid. Leraars zijn de vaders van allen aan wie de Heere hun bediening zegent, als het middel tot hun wedergeboorte. Niet zodra baart de Kerk, de vrouw van wie in Openb. 12 wordt gesproken, aan God enige kinderen, of de draak staat gereed, om ze zodra zij geboren zijn te verslinden. "Ziet Ik en de kinderen, die Gij Mij gegeven hebt, zijn tot tekenen en tot wonderen."

2. "Dat het de kracht Gods is, welke hen, die door het Woord Gods zijn bekeerd en wedergeboren, bekeert en wederbaart:" "Wie is dan Paulus, en wie is Apollos, anders dan dienaars, door welke u geloofd hebt, en dat gelijk de Heere aan een ieder gegeven heeft? (1 Kor. 3:5, 6.) Leraars moeten zulken, die door hun dienst bekeerd zijn, beschouwen als de kinderen, die God hun gegeven heeft. Tot welk goed ook zij voor anderen dienstbaar geweest zijn, het is alleen aan de vrije genade van God te danken; had God ze niet gegeven, zij zouden nooit in staat geweest zijn hun enig zaligmakend goed te doen. Christus beschouwt de gelovigen als Zijn kinderen, welke de Vader Hem heeft gegeven: "Ik heb Uw Naam geopenbaard aan de mensen. die Gij mij uit de wereld gegeven hebt. Zij waren Uwe, en Gij hebt Mij dezelve gegeven, en zij hebben Uw Woord bewaard" (Joh. 17:6). Zij waren Uw door verkiezing van eeuwigheid en Gij hebt hen Mij gegeven, om te worden verlost door Mijn bloed en wedergeboren door Mijn Geest. Dit werk van de wedergeboorte geschiedt voornamelijk door de kracht van de Vader want: "Niemand", zegt Christus, "kan tot Mij komen tenzij de Vader Die Mij gezonden heeft, hem trekke".

3. "Dat de beste, die ooit in de wereld was, daarin de slechtste behandeling ondervindt". Ik en de kinderen, die Gij Mij gegeven hebt, zijn tot tekenen en tot wonderen". Wij worden als monsters, en wangedrochten, en als voorwerpen om aan te gapen beschouwd. Wie? Wel Christus en Zijn kinderen; leraars en hun geestelijke kinderen: de opperste Herder en de schoonste van Zijn schapen: de onderherders en de bloem van hun kudde. Christus en Zijn vrienden, beide leraars en anderen, worden over het algemeen door de goddelozen gehaat en veracht.

4. "Dat zij die de godsdienst belijden en de ware God aanbidden nochtans Christus en Zijn volk kunnen verachten: Zij zijn tot tekenen en tot wonderen. Waar? Zelfs in Israël: niet alleen in Babel, maar zelfs "in Israël". Velen die de naam van Christenen dragen, zijn vijanden van Christus; zij belijden de godsdienst en toch zijn zij verachters van allen, die waarlijk godsdienstig zijn: "Die zijn niet allen Israël, die uit Israël zijn;" want zelfs in Israël worden verachters gevonden van de God van Israël en van het Israël Gods. Zelfs in de zichtbare kerk, worden verachters gevonden van de onzichtbare kerk en haar heerlijk Hoofd.

5. "Dat het niet buiten Gods voorzienigheid omgaat, dat de kinderen Gods veracht, gesmaad en met verwondering aangezien worden: Het is van de Heere der heirscharen, Die op de berg Zions woont". Zal er een kwaad in de stad zijn, dat de Heere niet doet?" Hij bestelt het kwaad van de verdrukking; Hij laat het kwaad van de zonde toe tot wijze doeleinden. Hij is niet de bewerker van de zonde, maar Hij heerst over de goddeloosheid van de mensen, en doet die ten goede medewerken tot verheerlijking van Zijn Naam en ten goede voor Zijn volk. De mensen hebben een goddeloze hand in alle tekenen van verachting, die zij over de vromen uitgieten; doch God heeft een heilige hand in die te regelen tot beproeving van het geloof en de lijdzaamheid. Het is, temidden van alle ontmoediging van buiten, tot vertroosting van Zijn kinderen, dat het niet bulten de wijze voorzienigheid Gods om gaat, dat verachting over hen wordt uitgegoten. Het is van de Heere der heirscharen; Hij heeft Simeï geboden David te vloeken. Het is ook tot hun vertroosting, dat Hij de Heere der heirscharen is, Die door zo’n werktuig als Hij belieft te gebruiken Zijn wil uitvoert. en dat Hij die God is, Die op de berg Zion woont, Die krachtiglijk is bevonden een hulp in benauwdheden, en om vertroosting te geven in tijden van moedeloosheid. Hij is niet op een grote afstand, Hij woont op de berg Zion.

6. Dat het stof voor verwondering en klacht is voor al Gods kinderen, zowel leraars als volk, dat de kracht van de godsdienst en van ware godsvrucht zo zeldzaam, en in een zondige wereld aan zoveel verachting blootgesteld is, en dat in het bijzonder in Israël. En toch is het zo: Hoort des Heeren Woord, gij die voor Zijn Woord beeft; uw broeders, die u haten, die u verre afzonderen, om Mijns Naams wil, zeggen: Dat de Heere heerlijk worde; doch Hij zal verschijnen tot ulieder vreugde, zij daarentegen zullen beschaamd worden" (Jes. 66:5). Daar zien wij, dat het niets nieuws is, dat de godzaligen, zelfs in Israël, vervolgd worden om de Naam van Christus; door mensen die aanspraak maken op geweten, en een ijver voor de eer en de heerlijkheid Gods, en het goede en het welzijn van de Kerk; die hun haat en verachting voortzetten met een gedaante van godsvrucht. Christus getuigt dit, als Hij zegt: "Zij zullen u uit de synagogen werpen; ja de ure komt, dat een iegelijk die u zal doden, zal menen Gode een dienst te doen" (Joh. 16:2). Deze opmerkingen acht ik genoegzaam tot nadere verklaring van de tekst. Wij zullen nu,

II. Enige schriftuurplaatsen bijbrengen tot bevestiging van de leer, namelijk: dat gelijk het altijd zo geweest is, het nog het deel van Christus en Zijn vrienden is, hetzij het leraars of het volk zijn, die Zijn beeld dragen, als monsters te worden aangemerkt; gehaat, veracht, gesmaad, en over wie men zich verwondert. U kunt hiervan beide in het Oude en het Nieuwe Testament voorbeelden vinden. Ziet hiervan in het Oude Testament een voorbeeld in David: (Ps. 71:7) "Ik ben velen als een wonder geweest; doch Gij zijt mijn sterke Toevlucht." Een ander voorbeeld van de gelovigen in de Kerk onder het Oude Testament vinden wij vermeld (in Ps. 123:3,4): Wees ons genadig, o Heere, wees ons genadig, want wij zijn der verachting veel te zat. Onze ziel is veel te zat des spots der weelderigen, der verachting der hovaardigen". Een ander voorbeeld hebben wij in Josua en zijn vrienden: (Zach. 3:8) "Hoor nu toe Josua gij hogepriester, gij en uw vrienden, die voor uw aangezicht zitten; want zij zijn een wonderteken". Wenden wij ons tot het Nieuwe Testament dan zien wij een voorbeeld in de gelovige Hebreeën: (Hebr. 10:33) "Wij zijn door smaadheden en verdrukkingen een schouwspel geworden". Een ander voorbeeld hebben wij in al de eerste Christenen: (Hand. 28:22) "Want wat deze sekte aangaat, ons is bekend, dat ze overal tegengesproken wordt". Dan zien wij een voorbeeld in de bloem van de kudde, Christus Zelf, de overste Leidsman van de kudde: (Luk. 2:34) "Ziet, Deze wordt gezet tot een val en opstanding van velen in Israël, en tot een teken, dat wedersproken zal worden". "Christus is de Steen, Die verworpen zou worden" (Ps. 118:22). "Aanmerkt Deze, Die zodanig een tegenspreken van de zondaren tegen Zich heeft verdragen" (Hebr. 12:3).

"Ik zou hier de waarheid van de leer kunnen bewijzen door een gevolgtrekking uit bijzondere feiten, door aan te tonen hoe Christus en Zijn Vader, Zijn Geest en Zijn Woord, Zijn dienaars en Zijn volk, alsmede Zijn godsdienst, tot tekenen en wonderen geweest en gesmaad zijn.

1. Christus Zelf werd wedersproken en gesmaad. Zij weerspraken Zijn Persoon, als gering en verachtelijk: (Jes. 53:2) "Hij had geen gedaante noch heerlijkheid". Zij weerspraken Zijn prediken als vals, partijzuchtig, onzinnig en verleidend: (Joh. 7:12; Luk. 22:2 en 16:14). Zij smaadden en spraken kwaad van de wonderen die Hij deed, zeggende dat Hij die deed in bondgenootschap met Beëlzebul, de overste van de duivelen (Matth. 12:24). Zij weerspraken Zijn zedelijk gedrag, Hem beschuldigende, dat Hij een sabbatschender, een godslasteraar, een wijnzuiper en een vriend van tollenaars en zondaren was. Zij weerspraken Zijn volgelingen, die beschouwende als een onwetende en verachtelijke schare (Joh. 7:48, 49). Zij smaadden Hem in Zijn ambten: in Zijn lerend ambt, wanneer zij Hem uitdaagden te profeteren wie het was, die Hem geslagen had; in Zijn zaligmakend ambt, wanneer zij Hem uitdaagden Zichzelf te verlossen, gelijk Hij anderen gedaan had; in Zijn koninklijk ambt, wanneer zij Hem uitdaagden door af te komen van het kruis te bewijzen, dat Hij de koning van de Joden was.

Het is lang geleden, dat de wereld Hem zo weersprak en smaadde; dat Hij voor een teken en een wonder in Israël werd gehouden, dat men Hem zelfs in Israël tegensprak. Doch zijn er ook in deze tijd niet velen, die Hem tegenspreken en smaden, zelfs nu, nu Hij verhoogd is tot de plaats van heerlijkheid en macht? Ja, hoe weerspraken de Joden Hem nog in deze en in vele andere opzichten! Hoe weerspreken de Mohammedanen Hem, als zij hun lage bedrieger in Zijn plaats verkiezen! Nog eens, hoe weerspreken Arianen en Socinianen Christus dagelijks, als zij stellen dat Hij slechts een bloot mens was, hoewel Hij het geen roof behoefde te achten Gode evengelijk te zijn? Hoe weerspreken Kwakers en geestdrijvers Hem als zij leren, dat Hij een zuiver niets, of een lege naam was, en een wij weten niet wat voor soort van Christus stellen, in plaats van die Jezus, Die te Jeruzalem gekruisigd werd! Hoe weerspreken Atheïsten en Deïsten hem, alsof Hij een echte bedrieger was, en de godsdienst die Hij heeft ingesteld een groot bedrog, en Zijn Evangelie slechts scherts! Hoe wordt Hij door onheilige en onwetende mensen weersproken, alsof onze Liefste niet meer was dan een andere liefste, als zij zeggen: "Wat is uw Liefste meer dan een andere liefste?" Hoe smadelijk spreken de Vrijzinnigen van Hem, alsof Hij een dienstknecht van de zonde was! Hoe weerspreken de wettischen hem, alsof niet Hij alleen de Heere onze gerechtigheid was! Hoe weerspreken de Roomsen Hem, Hem smedende, en door hun leer tot een valse Christus makende. Zij beroven Hem van zijn waarachtige mensheid, als zij leren, dat zijn lichaam niet alleen in de hemel is, maar dat hij wezenlijk lichamelijk in alle plaatsen is, waar het offer van de mis geofferd wordt. Zij maken het daarom overalomtegenwoordig en nemen daardoor de wezenlijke natuur van een lichaam weg. Zij smaden Hem in zijn ambten en beroven Hem daarvan. Zij ontzetten Hem uit Zijn profetisch ambt, als zij de Paus stellen tot een onfeilbare rechter over alle geschillen. Zij ontzetten Hem uit Zijn priesterlijk ambt, dat bestaat in voldoening en voorbidding. Zij maken Zijn voldoening van nul en geen waarde door er de voldoening van menselijke werken mee te verenigen, alsof de Zijne zonder die onvolmaakt was; en zij ontnemen Hem Zijn voorbidding, als zij die ook aan de heiligen meedelen. Ja, zij verheffen in dit werk de maagd Maria ver boven Christus, want zij bidden haar de Vader te vragen, dat Hij Christus, haar zoon, gebiedt, krachtens moederlijk gezag, zo en zo voor hen te doen. Dit blijkt duidelijk uit de echt paapse leerstukken uit het Reimse Testament. Zij ontzetten Hem ook uit Zijn koninkrijk ambt, door de Paus als de plaatsbekleder van Christus te erkennen, terwijl Hij Zelf tegenwoordig is, en hem de macht toe te schrijven de algemene, christelijke kerk te regeren, de zonde te vergeven en wetten te maken die bindend zijn voor de gewetens van de mensen, hetwelk dingen zijn, die alleen aan Christus Eigen zijn. Daardoor nemen zij Christus de kroon van het hoofd en zetten die op het hoofd van de Paus. Dit staat vast, dat aanspraak te maken op het recht van regering, terwijl de wettige vorst tegenwoordig is, opstand is tegen die vorst, omdat de opdracht van het regentschap ophoudt in de tegenwoordigheid van Hem, Die de aanstelling heeft gegeven. Christus, nu, is altijd met Zijn gemeente. (Matth. 28:20) en daarom moet de Paus noodzakelijk, door Zijn aanmatiging, Christus uit Zijn ambten ontzetten.

Helaas! Wat is het beklagenswaardig, dat deze verdoemelijke leer zich zelfs zozeer in dit land verbreidt, vooral in het noorden, waar naar wij horen, de paapse mis even plechtig wordt bediend, als wij deze goddelijke instellingen bedienen. En aangezien de bisschoppelijke regering de grondslag en het fondament was, waarop het Pausdom eerst werd opgebouwd, wat was het dan een stof van klagen, dat men in de Episcopale, of Bisschoppelijke Kerk zoveel op heeft met de paapse ceremoniën, die daar worden gehandhaafd. Daardoor toch worden de instellingen van onze Heere Jezus Christus zo’n smaadheid aangedaan, alsof die zonder de door hen daaraan toegevoegde uitvindingen onvolmaakt, onvolkomen en gebrekkig waren. Ik denk niet dat het de kostelijke tijd waard is, mij hier in te laten met bijzondere personen en hun beginselen, waartoe ik nu, naar sommigen misschien denken, een schone gelegenheid heb. Wij moesten medelijden hebben met, en bidden voor hen, die ons, of onze heerlijke Heere en Zijn inzettingen verachtelijk behandelen. In het bijzonder behoorden wij een onwetend geslacht met medelijden aan te zien en te beklagen dat zo verblind is, dat het niets meer begeert, dan dat dit rijk geheel onderworpen mocht worden aan een paapse regering, en een Antichristelijk juk, dat noch wij, noch onze voorvaderen hebben kunnen dragen. Gewis, zulken weten en overwegen niet, wat een smaad Christus en het ware Christendom door het Pausdom wordt aangedaan. Deze zijn de harde woorden, die de goddeloze zondaars tegen Hem gesproken hebben (Jud. vs. 15), dat het teken is, dat wedersproken zal worden.

2. Evenals Christus Zelf, zo wordt ook Zijn Vader weersproken en gesmaad. Sommigen ontkennen Zijn bestaan, hoewel dat zo noodzakelijk is, dat indien Hij niet is, het onmogelijk is, dat er iets anders zou zijn. Toch zeggen vele dwazen in hun hart wat zij niet durven uitspreken: "Er is geen God" (Ps. 14:1). Hij die zegt, dat er geen God is, zou wel wensen, dat er geen was, en als hij er wat aan doen kon, zou er geen zijn. Sommigen beschuldigen godslasterlijk het alziend oog van blindheid, zeggende: "de Heere ziet het niet" (Ps. 94:7); zij beschuldigen de Eeuwige van vergeetachtigheid, zeggende: "God heeft het vergeten" (Ps. 10:11); zij beschuldigen de Almachtige arm van zwakheid, zeggende: "Zou God een tafel kunnen toerichten in de woestijn? Zou Hij ook brood kunnen geven? Zou Hij Zijn volk vlees toebereiden?" (Ps, 78:19, 20); zij beschuldigen Zijn rechtvaardigheid van onrechtvaardigheid, zeggende: "Al is het, dat wij zondigen, wij zullen de dood niet sterven". Sommigen weerspreken en berispen Zijn voorzienigheid door op haar beschikkingen aanmerkingen te maken, daarover te murmureren en te klagen. Sommigen ontheiligen Zijn Naam, door die als een stopwoord te gebruiken, waardoor zij aan hun buitensporige hartstochten lucht geven en waarmee zij de onbeduidendheid van andere ijdele woorden aanvullen. De Naam van God wordt zo niet alleen misbruikt door hen, die hun vervloekte eden uitbraken, waardoor zij de oren van elk fatsoenlijk mens doen tuiten: doch ook door hen, die, in hun gewone gesprekken de Naam van God lichtvaardig of oneerbiedig gebruiken; Hij is nabij in hun mond, doch ver van hun hart. Zulke uitdrukkingen, waardoor eigenlijk het bestaan van God erkend wordt, als: O God! O Heere! Of dergelijke; of een beroep op Zijn alwetendheid, als: God weet het! De Heere weet het! Of een inroeping van Zijn gunst, als: God zegene mij! God zij mij genadig! Ik zeg, dat men deze of dergelijke uitdrukkingen onbehoorlijk gebruikt, wanneer men daarmede niets bedoelt dan zijn verwondering of verbazing, of zijn hartstochtelijke verontwaardiging uit te drukken, of iets anders dan haar eigenlijke en ontzaglijke betekenis is, en dit is een blijk van een ijdel gemoed, waarin een verschuldigde hoogachting van die heerlijke en vreselijke Naam gemist wordt. De mond van de goddelozen verheft zich aldus tegen de hemel. De Heere schelde hen, Die Jeruzalem verkiest! (Zach. 3:2).

3. Evenals Christus Zelf en Zijn Vader, zo wordt ook Zijn Geest gesmaad. Velen zijn waarlijk grof onkundig van de Heilige Geest, evenals die waarvan vermeld wordt, (in Hand. 19:2) dat zij zeiden: "Wij hebben zelfs niet gehoord of daar een Heilige Geest is". Anderen, die van de Heilige Geest horen, lasteren de Geest van Christus en komen vreselijk dichtbij de onvergeeflijke zonde, wanneer zij smadelijk spreken van Zijn roeringen, als van geestdrijverige inbeeldingen, van Zijn bewerkingen, als van dwaze begrippen, en van al Zijn genaden en werkingen, als van dromen en bedriegerijen.

4. Zijn Woord wordt gesmaad: "Doch de Joden de scharen ziende, werden met nijdigheid vervuld, en wederspraken hetgeen van Paulus gezegd werd, wedersprekende en lasterende" (Hand. 13:45). Godloochenaars weerspreken het gezag van de Schrift. De roomsen weerspreken de duidelijkheid van de Schrift en nemen opgeschreven overleveringen met dezelfde achting en genegenheid aan. Sommigen spotten goddeloos met de woorden van de Schrift en maken zich vrolijk over de taal van de Schrift: (Jer. 6:10) "Het Woord des Heeren is hun tot een smaad; zij hebben geen lust daartoe". Wufte verstanden genieten geen grappen zozeer, dan die waardoor het heilig Woord belachelijk wordt voorgesteld; evenals Belsazar in Zijn dronkemanspret geen bekers beter konden behagen dan de heilige vaten uit de tempel. Doch Hij Die in de hemel woont zal lachen; de Heere zal ze bespotten. Ten spijt van machteloze boosaardigheid zal Hij de wet verheerlijken en die heerlijk maken.

5. Zijn godsdienst en Zijn leer worden weersproken en gesmaad. De waarheid daarvan en van het Evangelie wordt vele malen gesmaad, bespot en tegengesproken als vals en ongegrond; evenals de Atheense filosofen de spot dreven met het middelaarschap, en de opstanding van de doden. Zijn wetten werden aangemerkt als hard en onredelijk, als harde woorden. Zijn inzettingen werden veracht, als gering en zonder gedaante of liefelijkheid; dat plaats maakte voor de opzichtige versierselen van menselijke vinding in de dienst van God. Sabbatten en sacramenten worden bespot en veracht. Het eerste Christendom werd ijverig belasterd omdat het de afgoderij uitwierp, want toen de duivel tot zwijgen was gebracht in zijn orakelen, opende hij zijn mond met leugen en laster. Juliaan gelastte, dat de Christenen met geen andere naam, dan die van Galileeërs mochten worden genaamd. De hervormde godsdienst werd eveneens gesmaad. Waar, zeggen de Roomsen, was uw godsdienst voor Luther en Calvijn? Wel, toen was die in de Bijbel; daar is het Pausdom nooit geweest. Hoewel in die godsdienst de gehele leer wordt gehandhaafd, die Christus en Zijn apostelen predikten, toch worden zij, die Hem belijden en prediken, scheurmakers en ketters genoemd. En hoe wordt zelfs onder hen, die de hervormde godsdienst belijden, de bloem van de godzaligheid tegengesproken en veracht door hen, die alleen in een vorm rusten! Zij die vurig van geest zijn, dienende de Heere, moeten verwachten, dat zij die lauw en onverschillig in de godsdienst zijn, kwaad van hen zullen spreken.

6. Zijn dienstknechten en Zijn volk worden ook gesmaad. De predikers van Christus worden overal met grote vijandschap weersproken. Zij zijn vertrapt "als uitvaagsels van de wereld en aller afschrapsel tot nu toe" (1 Kor. 4:1316). De vaandeldragers hebben het meest te verduren gehad. Ook de belijders van de godsdienst zijn gesmaad, beschimpt en vervolgd: (Matth. 5:11, 12) "Zalig zijt u als u de mensen smaden, en vervolgen, en liegende alle kwaad tegen u spreken om Mijnentwil. Verblijdt en verheugt u, want uw loon is groot in de hemelen; want alzo hebben zij vervolgd de Profeten, die voor u geweest zijn." Gods erfdeel was altijd een gespikkelde vogel, en Zijn kinderen zijn altijd tot tekenen en tot wonderen geweest, en zij, die in hun tijd de grootste zegeningen waren, werden altijd als beroerders van Israël gebrandmerkt. Indien zij de Heere des huizes Beëlzebul hebben geheten behoeft het niet te bevreemden, dat men zijn volgelingen scheldnamen geeft. Doch dit leidt ons tot het derde punt, dat is:

III. Sommige van die merktekenen van smaad en verachting te onderzoeken, welke op Christus en zijn volgelingen plegen geworpen te worden. Het is een waar woord, dat de apostel spreekt, in betrekking tot de kinderen Gods: "Indien wij alleen in dit leven op Christus zijn hopende, zo zijn wij de ellendigste van alle mensen" (1 Kor. 15:19). Hij spreekt dit met het oog op de beproevingen waarop zij in de wereld moeten rekenen. Zij toch moeten het mikpunt van de vijandschap van de wereld en het onderwerp van de bespotting van de goddelozen, ja zelfs van vele belijders in Israël zijn: "Ziet ik en de kinderen, die mij de Heere gegeven heeft, zijn tot tekenen en tot wonderen in Israël". De volgende en dergelijke smetten worden op hen geworpen:

Het eerste smadelijk merkteken is, dat zij als monsters en gedrochten van dwaasheid en onbeschaamdheid worden aangemerkt: (1 Kor. 4:10) "Wij zijn dwazen om Christus’ wil": dat is, wij zijn dat naar het oordeel van de wereld, omdat wij verdrukking verkiezen boven de zonde; omdat wij God meer vrezen dan de mens, en de toorn Gods meer dan de toorn van een koning. De wereld acht het dwaasheid, dat men liever verdrukking lijdt dan dat men zondigt. De drie jongelingen werden ongetwijfeld als dwazen beschouwd, dat zij zich aan de vurige oven van de koning blootstelden, doch het getuigde voorzeker van meer wijsheid dan dat men zich blootstelt aan de vurige oven van God, Wiens toorn vreselijker is dan de grimmigheid van alle koningen van de aarde. De wereld acht de keuze van Mozes dwaasheid, dat hij verkoos liever met het volk van God kwalijk gehandeld te worden, dan voor een tijd de genieting van de zonde en de weelde en pracht van Farao’s hof te hebben.

De tweede smaadheid welke hun wordt aangedaan is, dat zij soms als monsters en wonderen van goddeloosheid en slechtheid worden beschouwd. Christus Zelf werd gesmaad als de meest doortrapte schurk, die de aarde betrad als iemand, die met de duivel in verbond stond; Zijn volgelingen werden van de grootste goddeloosheid beschuldigd; hun godsdienstige onderlinge bijeenkomsten werden gesmaad, alsof die slechts klederen waren om het doel van hoererij en onreinheid te bedekken. De Roomsen beschouwden de Protestanten als de ergste soort van gevleesde duivels; en worden niet zij, die nauwgezet zijn, door loszinnige mensen aangemerkt als lage mensen, een troep huichelaars, leugenaars en bedriegers? Zij trekken hun een berenhuid aan en dan gaan zij hen aanbassen en plagen. Er zijn gezelschappen waarin een ellendige, genadeloze, vloekende en tierende lichtmis een kind van God zal vervolgen, trachtende u te doen geloven, dat hij zo zwart is als de hel, en als u hem nauwkeurig gadeslaat, dan zult u bemerken, dat de duivel, de vader van de leugens, de aanklager van de broederen, door hem spreekt, en dat zijn tong hen belastert, wanneer hij hen als vijanden van de wet en van heiligheid voorstelt. Zo zei men van Paulus: "Deze raadt de mensen aan dat zij God zouden dienen tegen de wet" (Hand. 18:13).

Een derde smet welke hun wordt aangewreven is, dat men hen soms voorstelt als monsters van verongelijking en schadelijkheid. Hoewel om hunnentwil de wereld blijft staan en de goddelozen vele goedertierenheden worden bewezen, nochtans worden zij veelal beschouwd als de beroerders van Kerk en Staat. Niemand die meer de zonden van de kinderen Israëls betreurde dan Elia, en nochtans werd hij de beroerder Israëls genoemd. Zo worden zij dikwijls beschuldigd, dat zij oproermakers zijn en vijanden van het burgerlijk bestuur, van welken de wetten verschillen van alle volkeren: (Esth. 3:8) "Want Haman had tot de koning Ahasveros gezegd: Daar is een volk verstrooid en verdeeld onder de volkeren in alle landschappen uws koninkrijks, en hun wetten zijn verscheiden van aller volkeren wetten; ook doen zij des konings wetten niet; daarom is het de koning niet geoorloofd hen te laten blijven". Wanneer zij de wetten van koning Jezus houden en zich verzetten tegen de wetten van de aardse regering die met de wet van God in strijd blijken te zijn, dan worden zij als wetteloze mensen behandeld. Toen Amos de zonden van Israël bestrafte, klaagden de priesters van Bethel hem aan bij de regering. Dit werd ook de Christenen verweten: (Hand. 17:7) "Dezen, die de wereld in roer brengen, zijn ook hier gekomen, en al deze doen tegen de geboden des keizers, zeggende, dat er een andere koning is, namelijk een Jezus." Zo werden ook de bouwers van Jeruzalem’s muren bij de regering aangeklaagd en van oproer beschuldigd: (Neh. 2:19) "Zij bespotten ons en verachten ons, zeggende: Wat is dit voor een ding, dat gijlieden doet? Wilt gijlieden tegen de koning rebelleren?"

Een vierde smet die op hen wordt geworpen is, dat zij soms voor monsters van hoogmoed en inbeelding worden uitgemaakt; mensen die graag iets zonderlings zijn: mensen die menen, dat zij wijzer zijn dan anderen; men beschouwt ze als een sekte en partij, die zich boven alle anderen verheft: (Hand. 28:22) "En wet deze sekte aangaat, ons is bekend, dat ze overal tegengesproken wordt". De godvrezenden worden hier voorgesteld onder de boosaardige onbillijke benaming van een sekte of partij die zonderling wilde zien. Zij die een sekte oprichten of vormen, worden beschouwd als vijanden van de maatschappij; doch er is niet de minste aanleiding om de ware belijders of volgelingen van Christus dit schandelijk karakter aan te wrijven. Zij toch stellen datgene vast wat van algemeen belang voor alle mensen is.

Wel lezen wij van de sekte van de Sadduceeën, die met recht die naam verdienden, omdat zij de grondslag van de godsdienst omkeerden, doordat zij een toekomende staat en de onsterfelijkheid van de ziel loochenden; terwijl het Evangelie en de ware godsdienst die beginselen zijn, welke het eeuwig welzijn van de mens betreffen en vaststellen. Het kan ook geen sekte worden genoemd omdat het een natuurlijke strekking heeft om de kinderen der mensen door liefde aan de Zoon van God en aan elkaar te verbinden. Christus is gestorven om de middelmuur des afscheidsels af te breken en alle vijandschap te doden: en Hij heeft al Zijn volgelingen geleerd, dat zij niet alleen elkaar doch ook hun vijanden zullen liefhebben. Zijn Evangelie en zij die het geloven zijn er ver van af, dat zij een sekte zouden zijn, want die leidt tot verdeeldheid en dient om onenigheid te zaaien. Weliswaar heeft de prediking van het Evangelie veel twist in de wereld verwekt: waardoor de predikers van het Evangelie als twistzoekers zijn gebrandmerkt, zoals de profeet zegt: (Jer. 15:10) dat hij een man des twists en een man des krakeels was, den ganse lande. Christus zegt, in die betrekking, (Matth. 34, 35) "Meent niet, dat Ik gekomen ben om vrede te brengen op de aarde: Ik ben niet gekomen om vrede te brengen, maar het zwaard. Want Ik ben gekomen om de mens tweedrachtig te maken tegen zijn vader, en de dochter tegen haar moeder, en de schoondochter tegen haar schoonmoeder:" daarmee te kennen gevend, dat het Evangelie strijd en twist zou veroorzaken, en hoeveel smaad dit Zijn volgelingen zou berokkenen, alsof zij twistzoekers en scheurmakers weren. Doch welke verdeling er ook door wordt veroorzaakt, nochtans was de prediking op generlei wijze de oorzaak van twist, want haar doel was juist die weg te nemen. Zover de waarheid en de beginselen van het Evangelie de harten van de mensen krachtig overmogen, zover maakt het hen zachtmoedig, rustig en liefderijk, want de wijsheid die van boven is, is zuiver en vreedzaam, en het Evangelie verkondigt vrede op aarde. In één woord, zij die in waarheid het Evangelie geloven zijn er zo ver van af, dat zij een verdeeldheid zoekende sekte zijn, dat, terwijl de stichters van sekten gewoonlijk door wereldlijk belang werden gedreven en rijkdom, eer en grootsheid op het oog hadden, daarentegen de ware godsdienst, in plaats van hem eer toe te brengen, een mens open legt voor schande. In tijden van openbare vervolging stelt het hem ook bloot aan boeten en verbeurdverklaring, aan brandstapels, pijnbanken en gevangenissen, zoals het lot was van de eerste Christenen en gedurende vele eeuwen daarna, en ook, sedert de Reformatie, van sommigen in Brittannië, en ook in Schotland. En dat het in deze tijd ons lot niet is, is alleen aan de weerhoudende Voorzienigheid te danken; doch wie weet hoe spoedig het uw lot kan zijn. Het is er echter in dit opzicht ver van af, dat het een sekte zou zijn die door wereldlijk belang wordt gedreven.

Wij lezen ook van de sekte van de Farizeeën. Dat die een sekte waren bleek duidelijk daaruit, dat zij naar de lof van mensen dorstten: de huizen van de weduwen opaten, en dergelijke dingen. Sommige gezworen vijanden van de Christelijke godsdienst, zoals Caesar Vanimus, hebben alles wat daar tegen werd ingebracht ijverig onderzocht en moesten erkennen dat er niets in was, dat naar wereldlijke of vleselijk doeleinden riekte. Het ware Christendom is een hemelse roeping en wordt niet door vleselijk wijsheid geleid.

Doch indien niettegenstaande dit alles de ware volgelingen van Christus voor een sekte worden uitgemaakt; indien een nauwgezette en ernstige wandel — indien een ijverig strijden voor het geloof – indien een vlijtig waarnemen en aankleven van de goddelijke waarheden en inzettingen – indien een samenkomen in godsdienstige bijeenkomsten tot onderling gebed en samenspreking, en een staan naar de onderdrukking van dwaling, onzedelijkheid en onheiligheid – indien een krachtige tegenstand van alles wat inbreuk maakt op de rechten van Christus, of strekt om de leer, de dienst, de tucht en de regering van Zijn huis te benadelen; ik zeg, indien deze en dergelijke dingen de kenmerken van een sekte worden genoemd; laat dat ons niet ontroeren, maar eerder met David doen spreker: "Indien dit goddeloos is, dan zal ik mij nog lager aanstellen" (Engelse overzetting van 2 Sam. 6:22). Laat ons door de onbillijke naam van een sekte niet worden afgeschrikt van de beginselen en praktijken van het Evangelie; het is beter, dat de mensen ons smaden omdat wij Christus volgen, dan onder de vloek Gods te zijn omdat wij die verlaten.

Een vijfde smet die hun wordt aangewreven is, dat zij soms als monsters van dwaling, en tekenen en wonderen wegens nieuwigheid in leer en gedrag worden beschouwd. (Hand. 17:19, 20) "Welke nieuwe leer is dit, daar gij van spreekt? Want gij brengt enige vreemde dingen voor onze oren." En toch was het niets dan de leer van het Evangelie, die van het begin van de wereld in het Paradijs gepredikt en onder het Oude Testament beleden was. Deze leer werd gesmaad als een nieuw ontwerp, als een leer die de wet omverwierp: "Deze raadt de mensen aan, dat zij God zouden dienen tegen de wet" (Hand. 18:13). Christus Zelf was verplicht Zich te verdedigen tegen deze beschuldiging: Meent niet, dat Ik gekomen ben om de wet of de profeten te ontbinden; Ik ben niet gekomen om de wet te ontbinden, maar te vervullen" (Matth. 5:17). Paulus verdedigde zich aldus: "Doen wij dan de wet te niet door het geloof? Dat zij verre; maar wij bevestigen de wet" (Rom. 3:31).

Een zesde smaad die hun wordt aangedaan is, dat zij als monsters van zwaarmoedigheid, botheid en domheid worden beschouwd. Dat is een gewone smaad die op de godsdienst wordt geworpen alsof die de mensen somber, suf, stomp en zwaarmoedig maakt, dat voornamelijk wordt veroorzaakt door de neerslachtigheid, waaraan de nieuwelingen in de godsdienst gewoonlijk onderworpen zijn, zolang zij onder een geest van de dienstbaarheid en onder een wetswerk van overtuiging en vernedering zijn. Doch laten arme vernederde zielen, die bezwaard zijn onder een gevoel van de zonde, en vrees van toorn, en smartelijke terugblikken op hun verwaarloosde tijd; en die bekommerd zijn wat in het oordeel en de gehele lang eeuwigheid door van hen zal worden; ik zeg, laten die gedenken, dat het beter is, voor een poosje dat juk te dragen, totdat de Heere Zelf het van hen aflicht, al worden zij dan voor gek en zwaarmoedig gehouden, dan het juk van Gods eeuwige toorn te dragen, dat om de nek van alle verachters van God en de godzaligheid zal worden gebonden. Soms wordt deze smaad veroorzaakt, doordat de ware godsdienst zijn volgelingen zo geheel anders maakt, dan de wereld is. Ware godzaligheid doet een mens alle zondig vermaak en genot, zowel als alle zondig voordeel en gewin verlaten. Omdat dit zo geheel het tegenovergestelde is van hetgeen de wereld najaagt, wordt de mens, die aan de wereld gestorven is, dadelijk als zwaarmoedig veroordeeld, terwijl geen genot in de wereld te vergelijken is bij de liefelijkheid en het vermaak van de godsdienst: "De wegen van de Wijsheid zijn liefelijkheid". Het is er zover van af, dat de godsdienst een zwaarmoedig en droevig iets zou zijn, dat niets een godsdienstig mens met meer smart en bedruktheid vervult, dan dat hij niet godsdienstig genoeg is, en dat hij denkt, dat hij geen godsdienst heeft. Enig vooruitzicht van eeuwige zaligheid in Christus Jezus, vrijheid van goddelijke toorn, gemeenschap en omgang met God, en het leven en de kracht van de godsdienst is het beste tegengif tegen zwaarmoedigheid, dat ik ken, en de grootste bevorderaar van matige vrolijkheid en geestelijke blijdschap.

In één woord, menigvuldig zijn de smadelijke aanmerkingen welke op de ware godsdienst en de vrienden ervan worden gemaakt. Soms wordt hun verweten. dat zij monsters van ondankbaarheid aan de wereld zijn, omdat zij haar niet willen toegeven en behagen in de weg van de goddeloosheid; omdat zij haar alleen van dienst willen zijn, zover het geoorloofd is, en niet verder. Soms worden zij gesmaad als monsters van toorn en wrevel, omdat hun ijver voor God boosaardigheid, gemelijkheid en wrok wordt genoemd. De zachtmoedigen van de aarde kunnen beledigingen verdragen, die hun persoonlijk worden aangedaan, doch indien zij niet kunnen verdragen, dat de eer van God wordt aangeraakt; indien zij de kwaden niet kunnen verdragen, zoals tot lof van de gemeente van Efeze wordt vermeld (Ef. 2:2), dan worden zij bedild en als heethoofdige dwepers gebrandmerkt. Indien zij getrouw zijn in het bestraffen van de zonde, en tegen andere algemene gebreken, of persoonlijke buitensporigheden getuigen, dan zullen zij geen beter onthaal ontvangen als de profeet Micha: "Ik haat hem, omdat hij over mij niets goeds profeteert". Soms worden zij gesmaad als beuzelaars en klappers. De Atheense wijsgeren, Epicuristen en Stoïcijnen, streden met Paulus en beledigden hem, zeggende: "Wat wil toch deze klapper zeggen?" Soms worden zij gesmaad wegens de genade van God, die zich in hen openbaart: (Gal. 4:29) "Die naar het vlees geboren was, vervolgde degene die naar de geest geboren was. Alzo ook nu." De vervolging waarop hier gedoeld wordt, was die van smaad en bespotting namelijk, gelijk Ismaël Izak bespotte. Waarlijk, spot en hoon, welke oprijzen uit haat en verachting van onze broeder, zijn een graad van doodslag: "Doch ik zeg u: zo wie ten onrechte op zijn broeder toornig is, die zal strafbaar zijn door het gericht. En wie tot zijn broeder zegt, Raka, die zal strafbaar zijn door de grote Raad. Maar wie zegt, gij dwaas, die zal strafbaar zijn door het helse vuur (Matth. 5:22). Raka betekent hier alle tekenen en gebaren die verachting uitdrukken, zoals: sissen en beledigen en zijn broeder verachtelijk aanzien. Nu, het bespotten waarmee Ismaël Izak bespotte, kwam voort uit de verachting van en de haat tegen de genade van God in Izak. Dit geeft Paulus te kennen, als hij zegt, dat hij vervolgde degene die naar de geest geboren was. Zo haatte Kaïn zijn broeder, omdat de genade van God in hem was; omdat zijn werken goed waren (1 Joh. 3:12). Een voornaam deel van het lijden van Christus bestond hierin, dat Hij bespot werd om Zijn vertrouwen op God: "Hij heeft op God vertrouwd; dat Hij Hem nu verlosse, indien Hij Hem wel wil" (Matth. 27:43). De kleine jongens van Bethel bespotten Elisa wegens zijn persoon, zeggende: "Kaalkop ga op, kaalkop ga op". En wegens de genade en gunst Gods, waarmee zijn Meester Elia bedeeld had: Ga op, of vaar op, evenals Elia; ga op, niet naar Bethel, zoals sommigen aanmerken, maar ga op naar de hemel; dit goddeloos bespotten vloekte hij in de Naam van God. Laat dit de kinderen leren dat zij zich wachten van de vromen te bespotten. De vloek van God ontbrandde over deze kinderen, en twee beren kwamen uit het woud en verscheurden van hen twee en veertig kinderen (2 Kon. 2:23, 24). Dit zijn enkele van de vele smetten, die op de godsdienst en de volgelingen ervan worden geworpen, omdat zij tot tekenen en tot wonderen zijn in Israël.

IV. Ons vierde punt was de redenen van deze leer aan te wijzen: vanwaar het komt, dat Christus en Zijn kinderen zo tot tekenen en tot wonderen in Israël; of waarom zij zo met tekenen van smaad en verachting werden en nog worden gebrandmerkt.

1. Zij zijn tot tekenen en tot wonderen omdat men hen niet kent. (1 Joh. 3:1 ) "Daarom kent ons de wereld niet, omdat zij Hem niet kent". De wereld kende Christus niet en daarom mishandelden zij Hem; "indien zij Hem gekend hadden, zij zouden de Heere der heerlijkheid niet gekruist hebben" (1 Kor. 2:8). Christus was veracht omdat de wereld Hem niet kende. "Hij was in de wereld en de wereld heeft hem niet gekend" (Joh. 1:8). De wereld kende de waardigheid van Zijn Persoon niet. dat Hij de Zoon van God was; ja, wanneer Hij Zich de Zoon van God noemde, noemden zij Hem een godslasteraar en stenigden Hem. Zij kenden de voortreffelijkheid van Zijn leer niet, anders zouden zij nooit hebben gezegd, dat Hij het volk bedroog. Zij kenden het doel van Zijn komst niet, of dat Hij de Zaligmaker van de wereld was en zou sterven opdat zij mochten leven. Zij kenden Hem niet in de kracht van Zijn opstanding of in de gemeenschap van Zijn lijders, en daarom smaadden zij Hem. De wereld kent Zijn volgelingen niet, noch Zijn vrienden; al kent zij hen wat hun uitwendige omstandigheden betreft, nochtans kent zij Gods volk niet. De wereld kent hen niet in hun geestelijke betrekking tot God, als de kinderen van God. De wereld kent hen niet in hun geestelijke staat van gunst bij en vriendschap met God. De wereld kent hen niet in hun geestelijke voorrechten, genaden en giften. De wereld kent hen niet ten aanzien van hun liefde tot God, en Gods liefde tot hen, en hoe Hij hen gezind is. De wereld kent hen niet in hun geloofsdaden omtrent een God in Christus. De wereld kent hen niet in hun verborgen plichten en in hun verborgen gemeenschap met God; hun leven is met Christus verborgen in God. Evenals in een vorstige nacht de sterren te zien zijn door hen, die in dat gewest wonen, terwijl zij die in een ander klimaat wonen, ze niet kunnen onderscheiden; zo ook zullen de genaden van de vromen zich als zoveel schitterende diamanten vertonen aan het geestelijk onderscheidingsvermogen van hen, die met hen in hetzelfde geestelijk klimaat wonen. Doch de wereld kan hen niet onderscheiden; die leeft in een andere luchtstreek. "De natuurlijke mens begrijpt niet de dingen die des Geestes Gods zijn. Want zij zijn hem dwaasheid". De wereld kent hen niet ten opzichte van hun nuttigheid; hoe nuttig zij zijn, om zegeningen te doen afdalen op hen onder wie zij wonen, en vele droevige oordelen van hen te weren, zodat tien rechtvaardigen Sodom voor het verderf zouden bevrijd hebben. De wereld kent hen niet in al die opzichten. Zij kennen hen niet, omdat zij geestelijk blind zijn; zij kennen hen niet, omdat zij niet met hen verkeren; zij zoeken hun gezelschap niet, zij mogen handel met hen drijven, maar zij hebben geen geestelijke omgang met hen. Hoe uitnemend zijn de wegen Gods, dat zij alleen worden afgekeurd door hen, die ze niet kennen!

2. Zij zijn tot tekenen en tot wonderen in de wereld, omdat zij de wereld niet gelijk zijn; zij zijn geheel anders dan de goddelozen. Evenals de mensen zich zullen verwonderen over iemand, die niet is als een ander mens, zo zijn zij ook tot wonderen omdat zij van de wereld verschillen, ja, zij zijn van een andere wereld. (Joh. 15:18, 19) "Indien u de wereld haat, zo weet, dat zij mij eerder dan u gehaat heeft. Indien gij van de wereld waart, zo zou de wereld het hare liefhebben: doch omdat gij van de wereld niet zijt, maar Ik u uit de wereld heb uitverkoren, daarom haat u de wereld." Zij zijn wedergeboren en hebben een andere natuur; zij zijn hier vreemdelingen en hebben hun aangezicht naar een andere wereld gewend. Zij zijn op velerlei wijzen anders dan de wereld. De wereld en zij zijn onderwerpen van verschillende aandoeningen; de ene wordt van God gehaat, en de andere heeft Hij lief. Zij zijn onderdanen van verschillende heren, namelijk, God en de duivel. Deze twee heren gebieden tegenovergestelde dingen; zij beloven tegenovergestelde lonen, en zij bedreigen met tegenovergestelde straffen. De duivel gebiedt de mensen hun lusten te dienen; hij belooft hun tijdelijk genot en dreigt hen, die hem niet willen dienen met tijdelijke ellenden. Doch Gods geboden, beloften en bedreigingen zijn van een andere natuur, en zo is er een groot verschil tussen de ene en de andere, omdat zij onderdanen zijn van verschillende heren. De vromen zijn uit de duisternis tot het licht gebracht en uit de macht van de satan tot God. De goddelozen worden door de Satan gevangen geleid naar zijn wil. De duivel heerst in de harten van de kinderen van de ongehoorzaamheid, ja de god van deze wereld verblindt hun ogen, en geeft hun allerlei kwaad in, en vervult hen met vooroordeel en vijandschap tegen de heiligen. Gelijk zij voorwerpen zijn van verschillende genegenheden en onderdanen van verschillende heren zo zijn zij ook personen, die uit verschillende grondbeginselen werken. De één werkt alleen uit het vlees de ander werkt uit de Geest; tegengestelde geesten bewerken hen onderscheiden: "Wij hebben niet ontvangen de geest der wereld, maar de Geest die uit God is." Verder zijn zij ook mensen van verschillende doeleinden, hetzij wij aanmerken het doel, dat zij beogen, of het doel, dat met hen beoogd wordt. Wat betreft het doel, dat zij beogen; hij die God vreest, bedoelt de eer van God als zijn voornaamste en hoogste oogmerk, doch de goddeloze heeft de voldoening van zijn begeerlijkheden ten doel. Wat betreft het doel, dat met hen beoogd wordt: het einde van hem die God vreest zal zijn, dat hij zal ingaan in de vreugde zijns Heeren, om voor eeuwig bij Hem te wezen, terwijl het einde van de goddeloze zal zijn, dat hij in de hel zal worden geworpen om met de duivel en zijn engelen gepijnigd te worden. Nu, aangezien zij in elk opzicht zo geheel anders zijn dan de wereld, is het geen wonder, dat zij voor de wereld tot tekenen en tot wonderen zijn, want, "wat mededeel heeft de gerechtigheid met de ongerechtigheid? En wat gemeenschap heeft het licht met de duisternis? En wet samenstemming heeft Christus met Belial? Of wat deel heeft de gelovige met de ongelovigen?" (2 Kor. 6:14, 15). Omdat zij nu zo in alles van de wereld verschillen en met de wereld niet kunnen meedoen, daarom worden zij daarin door haar gesmaad: "Waarin zij zich vreemd houden, als gij niet medeloopt tot dezelfde uitgieting der overdadigheid, en u lasteren" (1 Petr. 4:4).

3. Zij zijn tot tekenen en tot wonderen in de wereld, omdat zij vijanden zijn van de weg van de wereld. De goddeloosheid van de wereld is hun een kwelling: "Want deze rechtvaardige man Lot, wonende onder hen, heeft dag op dag zijn rechtvaardige ziel gekweld door het zien en horen van hun ongerechtige werken" (2 Petr. 2:8). "Een ongerechtige man is den rechtvaardigen een gruwel, maar die recht is van weg, is den goddelozen een gruwel" (Spr. 29:27). De vromen haten hun wegen, niet hun personen; wij zijn verplicht uw personen lief te hebben, maar uw ondeugden te haten: (Ps. 139:21, 22) "Zou ik niet haten, Heere, die U haten? En verdriet hebben in degenen die tegen U opstaan? Ik haat ze met volkomen haat, tot vijanden zijn ze mij". Het kan niet anders of zij moeten de goddelozen tot tekenen en wonderen zijn, voornamelijk wanneer zij haten wat die liefhebben, en liefhebben wat zij haten. De wereld staat ook niet bij hen ten achter in haar haat, want gelijk de vromen de goddeloosheid van de goddelozen haten, naarmate hij God vreest, zo ook haten de goddelozen de vromen en hun godzaligheid. Het bedenken van het vlees is vijandschap tegen God, en omdat het hart vol van vijandschap is, spreekt de mond uit de overvloed van het hart, en hij spreekt smadelijk. De wortel van al deze tegenstand is de vijandschap die gezet is tussen het zaad van de vrouw en het zaad van de slang.

4. Zij zijn tot tekenen en tot wonderen in Israël en in de wereld, omdat zij de wereld bestraffen en doen wat in hun vermogen is, om hen hun vleselijk genot, hun lievelingsvermaken en hun zondige plezieren, waarop zij zo verzot zijn, te doen verlaten. Gods kinderen zijn de lichten van de wereld: (Filip. 2:15) "Opdat gij moogt onberispelijk en oprecht zijn, kinderen Gods zijnde, onstraffelijk in het midden van een krom en verdraaid geslacht; onder welke gij schijnt als lichten in de wereld" De natuurlijke mens wil tot dit licht niet komen: "Want een ieder die kwaad doet haat het licht, en komt tot het licht niet, opdat zijn werken niet bestraft worden" (Joh. 3:20). Zij willen, om zo te spreken, niet in de nabijheid van de godzaligen komen; zij willen niet met hen in gesprek komen over enig geestelijk onderwerp; zij willen niet graag met hen praten, opdat hun praat, welke niet anders is dan de taal van Asdod, niet door hen bestraft worde; zij willen liefst niet met hen wandelen of omgaan, omdat anders hun wandel en omgang de hunne zou veroordelen. Daarom moeten zij er niets van hebben om zich bij hen te voegen; hun gezelschap is hun slechts tot een last; zij gevoelen zich gebonden wanneer zij verplicht zijn enige tijd in hun gezelschap door te brengen, voornamelijk wanneer het zeer geestelijke Christenen zijn. Hoe geestelijker hun wandel is, hoe hatelijker die is voor de vleselijke mens. De vromen zijn het zout van de aarde om de wereld voor bederf te bewaren; dit zout zal hun wonden en zweren pijn doen, en zij kunnen niet verdragen tegengestaan te worden; daarom haten zij in de poort degene die bestraft en zij hebben een gruwel van die, die oprecht spreekt (Amos 5:10). "Bestraft de spotter niet, opdat hij u niet haat", zegt Salomo, en, "wie de spotter tuchtigt behaalt zich schande en die de goddeloze bestraft, zijn schandvlek" (Spr 11:7, 8). De mensen weerspreken de godsdienst, omdat die hen weerspreekt. Waarom anders waren de Farizeeën zo verbitterd tegen Christus, dan omdat Hij Zijn gelijkenissen tegen hen sprak: (Joh. 7:7) "De wereld kan ulieden niet haten, maar Mij haat zij, omdat Ik van dezelve getuig, dat haar werken boos zijn". Hij was gezet tot een teken, dat overal wedersproken zou worden, omdat Zijn leer overal de wandel van de wereld weerspreekt. Het is dan ook geen wonder, dat allen die Zijn leer haten uit vrees van daardoor overtuigd en veroordeeld te worden, het weerspreken. Waarom anders worden getrouwe leraars in de wereld zo gehaat, dan omdat zij de mensen hun overtredingen, hun dronkenschap, hun hoererij, hun zweren, liegen en sabbatschenden, hun slechtheid, schurkerij en ondeugd aanzeggen? Niemand zal echter beweren,dat zij hen daarom haten, maar zij zullen misschien zeggen, dat het om het een of ander kwaad is, dat zij tegen hen aanvoeren. De Satan toch verbergt zijn laster en zijn wreedheid het best onder de dekmantel van het voorwendsel van godsdienst. Wilden zij de mensen maar vleien en van vrede spreken tot hen, tot wie God niet van vrede spreekt, dan zouden zij veel smaad en veroordeling vermijden, doch dat durven zij niet doen; hun werk is niet een nieuwe wet, of een nieuw Evangelie te maken, maar dat te prediken, dat gemaakt is. De lastbrief van een leraar luidt: "Laat hen tot u wederkeren, maar gij zult tot hen niet wederkeren" (Jer. 15:19). De harten en het leven van de mensen moeten met het Woord van God in overeenstemming worden gebracht, want het woord van God kan zich nooit schikken naar de humeuren en de inbeeldingen van de mensen. Die mensen willen behagen kunnen geen bewijzen leveren, dat zij dienstknechten van Christus zijn; daarom zal men hen smaden en kwaad van hen spreken.

V. Ons vijfde punt was, de toepassing van het onderwerp. Wij zullen dit trachten te doen in een gebruik van onderrichting, beproeving, en vermaning.

Het eerste gebruik zal dan zijn tot onderrichting. Is het zo, zoals gezegd is, dat Christus en Zijn volk worden gehaat, veracht en gesmaad, en dat de wereld zich over hen verwondert? Dan kunnen wij hieruit zien:

1. De noodzakelijkheid van de dag van het oordeel. Als toch de wereld hier moest geoordeeld worden, dan zouden de beste die er in zijn, smadelijk afgekamd en veroordeeld, ja, als monsters gehaat worden. Doch wat een wonder van goddelijke lijdzaamheid is het, dat deze Heerlijke, tegen Wie en Wiens volgelingen zoveel gesproken is, terwijl Hij en Zijn kinderen met smaad overladen zijn, al deze smadingen niet met donder en bliksem beantwoordt. Nu is het een dag van lijdzaamheid, maar de dag van de wraak komt, waarin Hij niet langer zal stilzwijgen. (Judas: 14, 15) "En van deze heeft ook Enoch, de zevende van Adam, geprofeteerd, zeggende: Ziet de Heere is gekomen met Zijn vele duizenden heiligen; om gericht te houden onder hen, vanwege al hun goddeloze werken, die zij goddelooslijk gedaan hebben, en vanwege al de harde woorden, die de goddeloze zondaars tegen Hem gesproken hebben". Deze dag zal God niet verhaasten, want Hij weet, dat hij komt. (Ps. 37:13) "De Heere belacht hem, want Hij ziet, dat zijn dag komt".

2. Ziet hieruit de plicht van allen, die deze tijding horen: de plicht van de belijders, de plicht van de goddelozen, en de plicht van de heiligen. Ziet de plicht van de belijders, dat zij de goddelozen geen aanstoot geven. Uw schandelijke wandel kan oorzaak geven, dat de heiligen door de goddelozen gesmaad worden. want wanneer u, die de godsdienst belijdt, ijdel en dartel bent in uw omgang, dubbelhartig en bedrieglijk in uw handelingen, los en onteder in uw wandel, dan zult u een kwaad gerucht van de godsdienst brengen en maken, dat de vijanden denken, dat de godsdienst maar bedrog is. Ziet de plicht van de goddelozen, dat zij zich wachten, onder welk voorwendsel ook, voor het smaden en verachten van de godsdienst en de godsdienstigen. Indien er geen anderen dan heiligen in de hemel zullen komen, wat zal dan van hen worden, die zulken als monsters beschouwen. Ziet ook de plicht van de heiligen en van alle kinderen van Gods, die gesmaad worden, dat zij het niet vreemd moeten achten, als de wereld hen als monsters beschouwt; ja zo blind is de wereld, dat zij u houden voor zulken, die uit de wereld moesten gebannen worden. Paulus beschouwde, voor zijn bekering, de heiligen als de dood waardig: (Hand. 26:9—11) "Ik meende waarlijk bij mijzelf, dat ik tegen de Naam van Jezus van Nazareth vele wederpartijdige dingen moest doen. Hetwelk ik ook gedaan heb te Jeruzalem; en ik heb velen van de heiligen in de gevangenis gesloten, de macht van de overpriesters ontvangen hebbende; en als zij omgebracht werden stemde ik het toe. En door al de synagogen heb ik hen dikmaals bestraft en gedwongen te lasteren; en bovenmate tegen hen woedende heb ik ze vervolgd ook tot in de buitenlandse steden". Acht het niet vreemd, als de wereld u veroordeelt en veracht, u bent daar in goed gezelschap, ja het beste gezelschap, bij Christus Zelf. "Ziet Ik en de kinderen, Die Mij de Heere gegeven heeft, zijn tot tekenen en tot wonderen". Ik vrees, dat ik mijzelf nog meer van die smaad zou berokkenen, wanneer ik over dit onderwerp nog verder zou uitweiden.

3. Hier zien wij de reden waarom de godzaligen in alle eeuwen vervolgd en als barbaren, als monsterachtige mensen, en de godsdienst als een monsterachtig gevoelen, beschouwd en mishandeld zijn. Het volk des Heeren behoeft dit niet als iets vreemds te beschouwen: "Houdt u niet vreemd over de hitte der verdrukking onder u, die u geschiedt ter verzoeking, alsof u iets vreemds overkwame" (1 Petr. 4:12). Het behoeft ons niet vreemd voor te komen als ook de godsdienst zelf bespot wordt. Wij konden nog vele dingen tot opheldering van dit punt bijbrengen, doch daar wij bij de behandeling van punt reeds vele voorbeelden hebben aangewezen zullen wij dit nu niet verder uitbreiden.

4. Ziet hieruit welke reden de godzaligen hebben smaad en tegenspreking met lijdzaamheid te verdragen, aangezien Christus Zelf en al Zijn volgelingen zo zijn behandeld geworden. Wij zijn geneigd wanneer wij gesmaad worden dat zeer afschuwelijk voor te stellen, en te zeggen: "Mijn toorn is billijk ontstoken: het is niet te verdragen"; en echter hoeveel verdraagt God wanneer Zijn Naam gesmaad wordt. Wat is Christus verdraagzaam onder het smaden van Zijn Naam. O, hoe moest dit onze verontwaardiging over de hoon, die onze naam wordt aangedaan, matigen. Dit verhindert niet, dat wij alle gepaste middelen aanwenden, om onze goede naam te verdedigen, welke als kostelijke olie is. Het behoort alleen onze toornigheid te matigen, want wie zijn wij, dat wij niet zouden worden tegengesproken, ziende, dat Christus de tegenspreking van zondaren heeft willen verdragen?

Ziet hieruit wat een wonder van goddelijk vermogen het is, dat het ware Christendom en de volgelingen ervan, in de wereld zijn staande gebleven, gehandhaafd en bewaard, niettegenstaande de algemene tegenspraak en de tegenstand waarmee zij hebben te kampen gehad. De nederzetting van de Evangelie-kerk werd in het eerst door al de machten van de hel tegengestaan, en alle eeuwen door heeft zij zoveel tegenstand ondervonden, dat zij, als het niet uit God geweest was, zou te niet gegaan zijn: "Dit is van de Heere geschied, en het is wonderlijk in onze ogen". Dat een belijdenis, die zo in strijd is met vleselijke gedachten en zinnelijke lusten van de mensen, in de wereld zou bewaard worden is een wonder, aangezien zij overal wordt wedersproken, gesmaad en beschimpt, en nochtans wonderlijk overwinnende is, niet alleen zonder, maar tegen alle menselijk vermogen en geweld in, en dat eeuwen lang. Hier is het braambos, dat brandt en niet verteert.

De bedriegerijen van Mohammed konden in de wereld geen voortgang maken, zolang niet, met het zwaard in de hand, op straf van de dood, verboden werd hem of zijn leer te weerspreken; en door zulke barbaarse middelen hebben die het nu meer dan duizend jaren uitgehouden. Zo heeft ook de Antichrist zijn belangen gehandhaafd door te maken, dat allen, die het beeld van het beest niet zouden aanbidden, zouden gedood worden (Openb. 13:15). Zo zijn de dwalingen en de valse godsdienst verbreid geworden, doch ontneemt hun die steunsels en zij moeten te niet gaan. Waar is al de luister van de heidense goden en afgoderijen? Zwijgen niet hun godsspraken, zijn niet hun altaren verlaten en hun goden van de aarde vergaan? Wij kunnen niet alleen zeggen: "Waar zijn de goden van Hamath en Arpad? Waar zijn de goden van Sefarvaim, Hena en Ivva?" Maar waar zijn de goden van Babel en Egypte, Griekenland en Rome, en de doorluchtige namen van Saturnus, Jupiter, Juno en Diana, enz? Waar zijn de goden van onze voorvaderen, voordat zij het licht van het heerlijk Evangelie ontvingen? Hun namen zijn in het stof geschreven. Doch ziet! Christus en Zijn heerlijke leer bloeien nog tot op deze dag in sommige plaatsen van de wereld. Hoewel gedurende vele eeuwen van alle menselijke steun verstoken en aan alle kanten aangevallen door onverschrokken en onverzoenlijke vijanden, nochtans staat zij door haar eigen innerlijke waarheid en voortreffelijkheid, en die goddelijke kracht welke er mee gepaard gaat. Ja tot het einde van de wereld zal de overste Leidsman van de zaligheid in Zijn evangelie-koets rijden, met Zijn kroon op Zijn hoofd en Zijn boog in Zijn hand, overwinnende en opdat Hij overwon.

6. Ziet hieruit de dwaasheid en de snoodheid van hen die kwaadspreken van de weg des Heeren, die Christus weerspreken en Zijn heilige godsdienst als monsterachtig beschouwen. Zeker, wij moesten hun toestand beklagen wegens de oneer welke hierdoor de naam van God in Christus wordt aangedaan. Hoe moest het ons aandoen dat die God, Die de wereld heeft gemaakt, in de wereld zo gelasterd wordt! Dat Christus, Die de wereld zo heeft liefgehad, door de wereld zo gehaat wordt! Wat anders moesten wij doen met de smaad, die op Hem en zijn volgelingen wordt geworpen, dan wat koning Hiskia deed met de godslasterlijke brief van Rabsake? Hij breidde die uit voor het aangezicht des Heeren. zeggende: "O Heere, neig Uw oor en hoor; Heere doe Uw ogen open en zie;" en met de Psalmist zeggen: "Hoe lang, o God, zal de wederpartijder smaden? Zal de vijand Uw Naam in eeuwigheid lasteren?" In wat een ellendige toestand zijn zij, die zo vermetel de weg van de Heeren smaden! Hoewel zij het met een voorkomen van zekerheid doen, nochtans zal deze steen zeker terugkomen op hem, die hem rolt, en op wie deze steen valt, die zal hij zeker tot gruis vermalen. Hoe weinig overwegen deze smaders welk kwaad zij de zielen van anderen doen. Onbezonnen zielen worden gemakkelijk bedrogen en ertoe gebracht ingewortelde vooroordelen te voeden tegen datgene, wat zij overal horen weerspreken en smaden. Niet velen hebben genoeg onderscheiding en beslistheid om een goede gedachte te onderhouden van datgene, wat zij die zich voor verstandig uitgeven ten allen tijde belachelijk voorstellen en afbreken. Vele arme zielen zijn door deze middelen geheel verleid. Onder voorwendsel van vrijheid van denken, een fatsoenlijke wandel en een edelmoedige verachting van iets zonderlings te willen zijn, worden atheïstische en deïstische beginselen ingezogen, weerhoudingen van het geweten afgeschud, dierlijke lusten ingewilligd, ja bepleit; en ernstige godzaligheid, en vurige vroomheid worden met verachting aangezien; en zo wordt het hart onneembaar versterkt tegen Christus en het Evangelie.

Van deze leer kan gebruik worden gemaakt bij wijze van beproeving. Bij deze leer kunt u uw staat beproeven. Hoewel elk merkteken van smaad geen kenmerk van genade is; want van sommigen is met recht veel te zeggen, die nochtans begenadigde mensen zijn, en anderen worden ten onrechte gesmaad, die toch genadeloos zijn; nochtans zijn er enkele dingen waaraan wij kunnen beproeven, wanneer wij gesmaad worden, of de smaad, die op ons wordt geworpen, zodanig van ons wordt ontvangen, dat wij het besluit kunnen opmaken, dat wij de kinderen van Christus zijn, die met Hem Zijn smaadheid dragen. Ik mag hierop toepassen wat de apostel van de kastijding zegt: (Hebr. 12:8) "Indien gij zonder kastijding zijt, welke allen deelachtig zijn geworden, zo zijt gij dan bastaarden en niet zonen;" en toch is de kastijding op zichzelf, als een verdrukking, geen merkteken van het kindschap, als die niet geheiligd wordt. Zo is het ook hiermee, indien u zonder smaad bent dan bent u bastaarden en niet zonen, en toch is de smaad op zichzelf geen teken, dat u kinderen bent, indien die niet gepaard gaat met zaligmakend goed, en als het niet wordt geheiligd.

Misschien zult u vragen: Hoe zullen wij weten of wij uit de smaad enig zaligmakend goed ontvangen, waaruit wij kunnen weten, dat wij kinderen zijn? "Ziet, ik en mijn kinderen zijn tot tekenen en wonderen".

1. Het is een kenmerk, dat iemand zaligmakend goed uit de smaad trekt, als hij die met hetzelfde gemoed en dezelfde Geest ontvangt, waarmee Christus hem ontving. Hoe ontving Christus de smadingen? Wel, Hij ontving die als uit de hand van Zijn Vader. Smaad was een deel van Zijn bittere beker. Nu, Christus zegt: "De drinkbeker, die Mij de Vader gegeven heeft, zal ik die niet drinken?" Zo beschouwt ook een kind van God de smaad, als komende uit de hand van God. Al ziet hij er de zondige hand van de mens in, hij ziet er ook de heilige hand van de Voorzienigheid in. Dit wordt in de tekst opgemerkt: "Wij zijn tot tekenen en tot wonderen, van de Heere der heirscharen, die op de berg Zions woont;" wij zien er de hand van onze God in. Zo ook David: God heeft Simeï geboden, vloek David. Nog eens; Christus ontving de smaad met zachtmoedigheid, want Hij was zachtmoedig en nederig van hart. Wanneer Hij gescholden werd, schold Hij niet terug, en Hij dreigde niet, als Hij leed; ja, Hij was zo ver van terug te schelden, dat hij om vergeving bad voor Zijn smaders. Wanneer de smaad ons goed doet, dan zal iets van dezelfde Geest in ons zijn. (1 Petr. 2:23) "Hij ontving het met onderwerping: "Hij gaf het over aan Dien, Die rechtvaardig oordeelt." Zo zullen wij ons ook onderwerpen aan Gods voorzienige verdrukkende wil en daardoor meer vernederd worden.

2. Het is een teken, dat iemand zaligmakend goed uit de smaadheden trekt, als die hem tot zelfonderzoek brengen, of hij ook reden heeft gegeven, dat men hem zou smaden: en wanneer hij bevindt, dat hij de mensen daartoe geen rechtvaardige reden heeft gegeven, dat hij dan zijn ziel gaat onderzoeken, om de zonde te zien en te betreuren waarmee hij God getergd heeft om hem met de gesel van de tong te bezoeken; en daarop met Job gaat bidden: "Doe mij weten, waarover Gij met mij twist" (Job. 10:2). En als hij bovendien God dankbaar is, het alleen aan Zijn genade toeschrijvende, dat hij bewaard werd, voor enige gegronde aanleiding tot zulk een laster te geven.

3. Het is een bewijs, dat de smaad ons nuttig is geweest, als die ons is overkomen terwijl wij in een weg van afwijking verkeerden en het middel is geweest tot ons herstel; zodat wij de Heere moesten danken, dat Hij ons die heeft toegezonden, om daardoor een einde te maken aan onze afvalligheid. Dit is een blijk, dat de smaad ons goed heeft gedaan, gelijk David van de verdrukking zeide: "Het is mij goed, dat ik verdrukt ben geweest; eer ik verdrukt werd, dwaalde ik; maar nu onderhoud ik Uw Woord" (Ps. 119:67, 71). Dat smaad een deel van Zijn verdrukking was blijkt uit: (vs. 69) "De hovaardigen hebben leugens tegen mij gestoffeerd".

4. Het is een blijk, dat de smaad ons goed is geweest, wanneer wij, op een geestelijke wijze, naar behoren aangedaan zijn over datgene waaruit die is ontstaan. Indien het uit onze zonde ontstaat, zodat wij aanleiding hebben gegeven tot de smaad en God er door onteerd is; indien in dat geval de ziel meer bedroefd is over de oneer die God is aangedaan, dan over iets, dat in betrekking staat tot haar persoonlijk belang, dan is dit een blijk, dat het goed voor haar geweest is. Dan legt men zijn eigen eer in het stof en men treurt over de oneer, die God is aangedaan. Indien de smaad ontstaan is uit het nakomen van onze plicht, en de ziel daarop meer tot de plicht wordt bekrachtigd, zoals die, waarvan wij in Neh. 5:9 lezen: "Zoudt gij niet wandelen in de vrees van onze God, om de versmading van de heidenen, onzer vijanden?" David zeide ook: (Ps. 119:69) "De hovaardigen hebben leugens tegen mij gestoffeerd; doch ik bewaar uw bevelen van ganser harte". Wanneer een mens in plaats van van de plicht te worden afgehouden door de smaad, die op hem wordt geworpen, in het doen van zijn plicht meer versterkt en omzichtiger is geworden. Indien de smaad ontstaan is uit ijver voor de belangen en de zaak van Christus, en men het daarop tot zijn eer rekent: "Achtende de versmaadheid van Christus meerdere rijkdom te zijn, dan de schatten in Egypte". En men meer smart heeft over de smaad, die Christus wordt aangedaan, dan over wat men ons aandoet, zeggende: (Ps. 69:10) "De ijver van Uw huis heeft mij verteerd; en de smaadheden van degenen, die U smaden, zijn op mij gevallen". Dit zijn ook blijken, dat de smaad een mens goed doet: wanneer het hem naar de dag van de openbaring van de kinderen Gods doet verlangen; wanneer onze goede naam zal worden opgeklaard en de laster waarmee wij gelasterd zijn zal worden weggevaagd. Zover over de kenmerken ter beproeving.

Wij kunnen deze leer ook toepassen tot vermaning. Geen tijd hebbende om verschillende soorten van mensen aan te spreken, zal ik de volgende raadgevingen voorstellen en die in het algemeen geven.

1. Laten alle belijders van de godsdienst zorg dragen, dat zij niemand oorzaak geven hen en hun godsdienst als monsterachtig te beschouwen. Sommigen die de livrei van Christus dragen mogen beschuldigd worden, dat zij door hun liegen, bedriegen, dronkenschap, hoererij en ondeugden een schande voor Zijn geslacht zijn. Hoewel het onrechtvaardig en onbillijk is de godsdienst te smaden, omdat sommigen die Hem belijden, zich aan smaad blootstellen, nochtans is het ongetwijfeld een betreurenswaardige zonde in hen, die daartoe oorzaak geven. Wij moeten met David bidden: "Leid mij in het rechte pad, om mijner verspieders wil". Onze vijanden zijn onze verspieders; en hoewel geen zondige praktijk met de godsdienst bestaanbaar is, nochtans zullen de vijanden dat denken en zeggen, indien zij zien, dat wij die met de belijdenis van de godsdienst bestaanbaar maken.

2. Indien de wereld er op gezet is smadelijk van de godsdienst te spreken, laat dat ons des te meer verbinden er gunstig over te spreken. Elke gelovige behoort een getuige en een pleitbezorger voor zijn godsdienst en voor de waarheid te zijn. Wanneer u hoort hoe Gods Naam misbruikt, Zijn waarheid tegengesproken en Zijn volk gesmaad wordt, hebt u dan nooit een woord voor hem te zeggen? Wie zich nu hier voor Hem en voor Zijn woorden zal geschaamd hebben, voor die zal Hij Zich schamen wanneer Hij komen zal in de heerlijkheid Zijns Vaders. Als wij onze liefste vrienden in de wereld horen belasteren, zullen wij klaar staan om het voor hen op te nemen en hen te verdedigen; en zijn wij niet gebelgd over de smaad en verachting, die God, en Christus, en de Schriften van de waarheid worden aangedaan? Zijn wij bevreesd, dat wij geen bekwaamheid hebben om de waarheid te verdedigen, dan mogen wij bemoediging trekken uit die belofte: "Het zal u in dezelve ure gegeven worden, wat u spreken zult". Uit de mond van de kinderkens en van de zuigelingen kan Hij sterkte grondvesten, en zo de vijand en wraakgierige stillen.

3. Houdt de godzaligen voor de heerlijken die op de aarde zijn, hoe verachtelijk en hatelijk de wereld ook over hen oordeelt. De rechtvaardige, hoe ook gesmaad, is voortreffelijker dan zijn naaste: de goddelozen, die zijn de monsters. Laat niemand daarom te erger van de weg van godsdienst en godzaligheid denken, noch vrezen die weg te bewandelen, wegens de verachting die er over uitgegoten wordt. Overweegt wie de smaders zijn; over het algemeen mensen met een liederlijk losbandig leven. Indien u zulken tot uw leidslieden kiest, dan leidt de blinde de blinde en beiden zullen in de gracht vallen. Ziet hoe beuzelachtig hun smadingen zijn; zij die de godsdienst weerspreken, stellen de leugen tot een toevlucht en onder de valsheid verbergen zij zich. Overweegt hoeveel ten gunste van de goede oude weg kan worden gezegd, wie het ook zijn, die het smaden: "De wegen der Wijsheid zijn liefelijkheid en al haar paden vrede". Al de rijkdom en al het genoegen van de wereld heeft de waarde niet van één uur gemeenschap met God in Christus, in de weg van het geloven van het Evangelie en het omhelzen van de waarheid genoten. Overweegt, dat de godzaligen, hoe zij ook worden afgekamd, weer zullen worden opgericht, want hun smaadheid is de smaadheid van Christus en Zijn godsdienst. Hoewel niemand zal beweren, dat het de godsdienst is, die hij haat, doch alleen zulke en zodanige belijders van de godsdienst, nochtans houdt Christus het er voor, dat Hijzelf in die twist is betrokken. Als Zijn volk met tongen of handen vervolgd wordt, is het een vervolging van Christus: Saul, Saul, wat vervolgt gij Mij? Christus zal gewis een te machtige Partij zijn voor zijn vijanden; Hij zal Zich de zaak van Zijn vrienden en kinderen aantrekken, en daarom zullen Hij en Zijn volk, Zijn zaak en Zijn waarheid, eer alles geschied is, gelukkig overmogen en de overhand hebben, laat de wereld doen en zeggen wat zij wil.

4. Wacht u, dat u uw naaste in geen geval smaadt, opdat u niet gevonden wordt onder de smaders van Christus en Zijn kinderen. De apostel zegt: "Broeders spreekt niet kwalijk van elkander".

(1) God verbiedt dit: "Gij zult geen vals gerucht opnemen (Engelse overzetting uitstrooien): en stelt uw hand niet bij de goddelozen om een getuige tot geweld te zijn" (Exod. 23:1) "Gij zult geen vals gerucht uitstrooien"; dit kan ook worden overgezet: "Gij zult geen vals gerucht aannemen, of opnemen". Dit geeft te kennen, dat het uitstrooien en het opnemen van een vals gerucht evengelijk verboden worden.

(2) God geeft bijzonder acht op dit slecht gedrag: "Ik heb de beschimping Moabs gehoord en de scheldwoorden van de kinderen Ammons, daarmede zij mijn volk beschimpt hebben" (Zef. 2:8).

(3) God bedreigt in dezelfde plaats hen, die aan deze goddeloosheid schuldig staan: "Daarom, zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heere der heirscharen, de God Israëls, Moab zal zeker zijn als Sodom, en de kinderen Ammons als Gomorra; Dat zullen zij hebben in plaats van hun hoogmoed, want zij hebben beschimpt en hebben zich groot gemaakt tegen het volk des Heeren der heirscharen (Zef. 2:9, 10). "Wat zal u de bedrieglijke tong geven? Of wat zal ze u toevoegen? Scherpe pijlen eens machtigen: mitsgaders gloeiende jeneverkolen" (Ps. 120:3, 4).

(4) De Schrift toont aan, dat dit de gewone praktijk van de goddelozen en van de kinderen van de duivel is. Christus zegt tot Zijn smaders: (Joh. 8:44) "Gij zijt uit de vader de duivel, en wilt de begeerten uws vaders doen." "Gij doet de werken uws vaders."

(5) Lasteraars zullen geteld worden onder het getal van degenen, die verbannen zullen worden van het aangezicht des Heeren: Dwaalt niet: noch hoereerders, noch afgodendienaars, noch overspelers, geen lasteraars zullen het koninkrijk Gods beërven" (1 Kor. 6:10).

(6) Banden van menselijkheid moesten ons verplichten elkaar niet te smaden: de banden van wederkerige verplichting, broederschap en nabuurschap. Het verbreken van deze banden verzwaarde de smaad die David onderging: (Ps. 55:13—15) "Want het is geen vijand, die mij hoont, anders zou ik het hebben gedragen; het is mijn hater niet, die zich tegen mij groot maakt, anders zou ik mij voor hem verborgen hebben. Maar gij zijt het, o mens als van mijn waardigheid; mijn leidsman en mijn bekende, die wij samen in zoetigheid heimelijk raadpleegden, wij wandelden in gezelschap ten huize onzes Gods".

Geeft, om dit grote kwaad te vermijden, nauw acht op uw hart; want dat is de bron waaruit valse getuigenissen en lasteringen voortkomen (Matth. 15:19). Zoekt uw hart vervuld te krijgen met liefde tot God en de mensen. De liefde denkt geen kwaad en spreekt het evenmin. Wacht u, dat u te haastig één of ander kwaad gerucht van uw naasten zoudt geloven. Zoals wij reeds aanhaalden is Gods gebod: "Gij zult geen vals gerucht opnemen". Wilt u geen smader zijn, wacht u dan voor ledigheid; dat is de wortel van veel smaad: "Zij leren ook ledig omgaan bij de huizen, en zijn niet alleen ledig, maar ook klapachtig en ijdele dingen doende, sprekende hetgeen niet betaamt" (1 Tim. 5:13). Indien u geen smader wilt zijn, wacht u dan voor hoogmoed en eigenliefde: die wekken op tot smaadtaal. Zo deed Sanballat: (Neh. 4:2, 3, 4) "Wat doen deze amechtige Joden? Zal men ze laten geworden? Zullen zij offeren? Zullen zij het in één dag voleinden? Zullen zij de stenen uit de stofhopen levend maken, daar ze verbrand zijn? En Tobia de Ammoniet was bij hem, en zeide: Al is het, dat zij bouwen, zo daar een vos opkwam, hij zou hun stenen muur wel verscheuren. Hoor, o onze God, dat wij zeer veracht zijn, en keer hun versmaadheid weder op hun hoofd, en geef hen over tot een roof in een land van de gevangenis." Evenals uit hovaardigheid gekijf voortkomt, zo ook versmading; omdat een mens niet kan verdragen, dat anderen boven hem staan. Wilt u geen smader zijn, wacht er u dan voor, dat u het bidden niet verzuimt. Als u gesmaad wordt, smaadt dan niet terug, maar laat de smaad, die u wordt aangedaan u tot God uitdrijven, opdat u niet verbitterd wordt. Zo handelde Nehemia ook. David sprak, als hij Achitofels smadingen had overdacht: (Ps. 55:17) "Mij aangaande, ik zal tot God roepen, en de Heere zal mij verlossen". In één woord, wilt u geen smader zijn, wacht u dan voor geveinsdheid en voor het najagen van de lof van de mensen, zoals de Farizeeën deden. Als zij maar worden toegejuicht, trekken zij er zich niets van aan hoezeer hun naaste gesmaad wordt; zij nemen alle maatregelen en wenden alles aan, om hun eigen naam op te bouwen op de puinhopen van de goede naam van hun naasten. Doch indien iemand, onder de dekmantel van godsdienst, of onder voorwendsel van nauwgezetheid, zich benaarstigt om te maken, dat anderen veracht en zij vermaard worden, dan slaan zij slechts een weg in, die hun naam stinkende zal maken: "Die daar zeggen, Houdt u tot uzelf, en naakt tot mij niet, want ik ben heiliger dan gij: deze zijn een rook in Mijn neus, een vuur de ganse dag brandende" (Jes. 65:6).

5. Ik vermaan u, die om Christus gesmaad wordt, dat u de smaad om Zijnentwil draagt. Dat is Gods uitdrukkelijk bevel: (Hebr. 13:13) "Zo laat ons dan tot Hem uitgaan buiten de legerplaats, Zijn smaadheid dragende". (Jes. 51:7, 8) "Vreest niet de smaadheid van de mens, en voor hun smaadredenen ontzet u niet. Want de mot zal hen opeten als een kleed, en het schietwormpje zal hen opeten als wol". Christus heeft voor ons menige smaadheid gedragen, en zullen wij geen smaad om Hem dragen? "Indien zij de Heere des huizes Beëlzebul hebben geheten, hoe veel temeer Zijn huisgenoten?" De heiligen is in alle eeuwen dit kruis tot een gewoonte geworden. (Ps. 69:8) "Om uwentwil draag ik versmaadheid". De heiligen onder het oude Testament, in Hebr. 11 vermeld, hadden wrede bespottingen te verduren. Doch er is een zegen ook in dit deel van het kruis:(Matth. 5:11) "Zalig zijt gij, als u de mensen smaden, en vervolgen, en liegende alle kwaad tegen u spreken, om Mijnentwil". (1 Petr. 4:14) "Indien gij gesmaad wordt om de Naam van Christus, zo zijt u zalig; want de Geest der heerlijkheid, en de Geest van God rust op u." Ja, het strekt tot heerlijkheid Gods, want er volgt: "Wat hen aangaat, Hij wordt wel gelasterd, maar wat u aangaat, Hij wordt verheerlijkt." Er komt een dag, waarin zij, die om Christus wil gesmaad worden, openlijk door Hem zullen worden gerechtvaardigd en voor de Zijnen erkend: "Een ieder, die Mij belijden zal voor de mensen, die zal Ik ook belijden voor Mijn Vader, Die in de hemelen is"; dat is, welke beledigingen hun ook van de mensen worden aangedaan, omdat zij zich aan Mijn Evangelie houden, de dag komt, waarin Ik hen openlijk tegen zulke boosaardige verwijtingen zal verdedigen. De smaders zullen in die dag rekenschap moeten geven van al hun woorden (Jud.: 15). Smaadheid te dragen voor Christus geeft een goede staat te kennen. (Luk. 6:22, 23) "Zalig zijt gij, wanneer u de mensen haten, en wanneer zij u afscheiden, en smaden, en uw naam als kwaad verwerpen, om des Zoons der mensen wil. Verblijdt u in die dag, en zijt vrolijk: want, ziet, uw loon is groot in de tremel: want hun vaders deden desgelijks de profeten". Het is daarentegen geen goed teken, wanneer alle mensen goed van ons spreken: (vs. 26) "Wee u, wanneer al de mensen wel van u spreken! Want hun vaders deden desgelijks de valse profeten". Gods volk is meestal veel levendiger gesteld, wanneer het onder smaad verkeert, dan op andere tijden: (2 Kor. 12:10) "Daarom heb ik een welbehagen in zwakheden, in smaadheden, in noden, in vervolgingen, in benauwdheden, om Christus’ wil: want als ik zwak ben, dan ben ik machtig. Wij zijn hier pelgrims, in een vreemd land, in het land van onze vijanden, wij blijven hier niet, daarom moeten wij om Christus smaadheid dragen. Laat ons Zijn smaadheid dragen, want wij hebben hier geen blijvende stad, maar wij zoeken de toekomende (Hebr. 13:13, 14). Christus heeft ons vooraf gewaarschuwd, dat wij om Zijn Naam gesmaad zullen worden. "Gedenkt des woords, dat Ik gezegd heb: een dienstknecht is niet meerder dan zijn heer. Indien zij Mij vervolgd hebben, zij zullen ook u vervolgen". (Joh. 15:20). Op deze gronden moeten wij om Christus wil smaadheid dragen wanneer wij daartoe worden geroepen.

Vraagt u: Wat hebt u tot onze ondersteuning, om smaadheid te dragen om Christus’ wil?

Dan antwoord ik: Een mens, zal hij om Christus smaadheid dragen, moet waarlijk een Christen, waarlijk een gelovige zijn; anders zal hij de smaad nooit recht kunnen dragen. Hij is het en de kinderen, die Hem de Heere gegeven heeft, die tot tekenen en tot wonderen zijn. Behoort u niet onder Zijn kinderen, dan kunt u niet vurig voor Hem lijden. Zal een mens smaadheid om Christus dragen, dan moet hij noodzakelijk niet alleen een gelovige, doch een sterke gelovige zijn, die Christelijke moed genoeg heeft, om zowel een gefluit als een gezang te verdragen; ik bedoel, zowel een gefluit of gejouw van smaad en verachting, als een gezang van toejuiching en lof. Om dit te dragen, dat men de verachting en het gevaar van de wereld doorloopt, als een monster beschouwd en tot een smaad van de dwazen gesteld wordt, wordt de wapenrusting van lijdzaamheid en geestelijke moed vereist. En dit alles vereist sterkte van geloof: "Ziende op de overste Leidsman en Voleinder van het geloof Jezus, Die voor de vreugde, die Hem voorgesteld was, het kruis heeft verdragen en schande veracht, en is gezeten aan de rechterhand des troons Gods" (Hebr. 12:2). In de volgende woorden worden wij vermaand Hem aan te merken, Die zodanig een tegenspreken van de zondaren tegen Zich heeft verdragen, opdat wij niet verflauwen en bezwijken in onze zielen; want wij hebben tot den bloede toe niet tegengestaan, strijdende tegen de zonde. Het vereist veel ijver voor en liefde tot God. Helaas! wie kan zeggen: "De ijver van Uw huis heeft mij verteerd?" Het vereist een goede zaak en een goed geweten. Indien iemand vast overtuigd is, dat zijn zaak goed is, dat zal hem helpen smaadheid te dragen. Dat men niet lijdt als een kwaaddoener, al wordt men als zodanig gesmaad en daarin een goed geweten te hebben is zeer bemoedigend in deze strijd. (1 Petr. 3:16; 4: 15) "En hebt een goed geweten, opdat in hetgeen zij kwalijk van u spreken, als van kwaaddoeners, zij beschaamd mogen worden, die uw goede wandel in Christus lasteren. Doch dat niemand van u lijde als een doodslager, of dief, of kwaaddoener, of als een, die zich met eens anders doen bemoeit". In één woord, er is een gedurige afhankelijkheid toe nodig van de overste Leidsman der zaligheid, Die door lijden geheiligd is.

Tenslotte. Laat ons aanmerken en gedenken, dat de zaak van Christus bij het einde zal blijken een overwinnende zaak te zijn, hoe zij ook in de wereld gesmaad wordt. Sedert de val van Adam is er scheiding, en scheuring, en verdeeldheid in de wereld: een strijd tussen het zaad van de vrouw en het zaad van de slang; tussen Michael en zijn engelen en de draak en zijn engelen. Doch Michael en zijn engelen, Christus en Zijn kinderen zullen het veld behouden, en wedersproken waarheden zullen krachtig verdedigd en opgeklaard worden. Zal het hier niet ten volle geschieden, de dag des Heeren zal het dal van de beslissing zijn, wanneer de grote zaak van de ware godsdienst zal beslist, en de kop van de slang zodanig zal vermorzeld worden, dat die nooit zijn gesis meer zal doen horen of zijn venijn uitspuwen.

Het is nu een dag van smaadheid, een dag om een klaaglied aan te heffen wegens de bittere laster, die daarin plaats grijpt. Ja, ik mag de hemel en de aarde tot getuigen roepen. of de predikers en belijders van het Evangelie ooit meer gesmaad en belasterd zijn geworden, dan in deze afvallige eeuw, waarin, indien sommige leraars de zonden en dwalingen van de tijd in haar gruwelijkheid voorstellen, het noemen daarvan reeds genoeg is om ergernis te geven, hoewel de natie onder haar gewicht wegzinkt. Nooit was de bediening van het Evangelie verachtelijker dan in onze dagen. De duivel heeft vele instrumenten gebruikt en de meeste van die hebben uitgewerkt, dat de inzettingen van het Evangelie er door in verachting geraakt zijn. Nog meer te beklagen is, dat velen een zondige hand hebben gehad in hun eigen bediening in verachting te brengen, die door een droevig toegeven aan, en meegaan met de algemene openbare afwijkingen en dwalingen van onze tijd, struikelblokken hebben gelegd in de weg van de voortgang van het Evangelie en de stichting en opbouwing van de zielen hebben verijdeld.

Het is een dag waarin het Evangelie van Christus veracht is. Er is een tijd geweest, waarin sommigen het de moeite waard hebben geacht over zee te gaan, om het eeuwig Evangelie te genieten, doch nu het zo overvloedig en goedkoop is geworden is het velen te veel er de straat voor over te steken, om het op een werkdag te horen, tenzij zij er iets anders te doen hebben, misschien wel om een buurman met hun tegenwoordigheid genoegen te doen, of bij een doop of een huwelijk. Hoe afkerig zijn wij van het Evangelie en vertreden wij het honigzeem!

Wij beleven een tijd waarin sommige van de vrienden van Christus openlijk bespot, en in schotschriften gesmaad, en als tekenen en wonderen aangestaard worden; waarin sommige heilige waarheden in het openbaar gelasterd en bespottelijk voorgesteld worden. Ondertussen maken aartsvijanden van de godsdienst en van het zuiver Evangelie van de gelegenheid gebruik om het Evangelie af te breken. Wat zeg ik! In de Naam van de grote God, daag ik alle machten van de aarde en de hel uit, om het af te breken: eerder zullen zij de vloed, of het opkomend tij kunnen tegenhouden, of het opgaan van de zon kunnen keren, dan dat zij het minste van de voorschriften van de eeuwige waarheid zullen kunnen afbreken: geen jota noch tittel daarvan zal op de aarde vallen. Dagon zal voor de ark vallen, en de staf van Aäron zal de staven van de tovenaars verslinden.

Wij beleven een tijd waarin de voorzienigheid beide Kerk en Staat doen schudden. Voornamelijk de Ark moet schudden, wanneer met houwelen en beukhamers geslagen wordt naar hen die haar dragen. Velen lopen op al haar vier hoeken, namelijk, de leer, dienst, tucht en regering tegelijk aan, om haar in stukken te breken, terwijl openbare vijanden, het Pausdom en de afgezworen Bisschoppelijke regering, op alle hoeken van het land inbreuk maken, onder het oog van de kerk, die intussen, onbewust van het gevaar, dat haar dreigt, niets schijnt te doen, dan door inwendige twisten met haar linkerhand haar rechterhand af te houwen.

In één woord, het is een dag waarin dat woord schijnt vervuld te worden, dat er spotters zullen komen, die naar hun eigen begeerlijkheden zullen wandelen. Dronkaards, hoereerders, godloochenaars, godslasteraars, losbandigen, en goddelozen spotters vieren nu hoogtij; het is nu hun uur, en de macht van de duisternis. Dit is stof voor weeklacht en diepe jammerklacht. Doch eerlang zal God Zijn dag hebben, en dat zal een heerlijke dag zijn, wanneer Christus zal verschijnen in al de heerlijkheid en pracht van de bovenwereld, tot eeuwige verschrikking en verwarring van al Zijn wederpartijders, en tot eeuwige blijdschap en eer van al Zijn vrienden, die, hoewel zij nu tot tekenen en tot wonderen zijn, wegens versmading, dan tot tekenen en tot wonderen zullen zijn, wegens vermaardheid: wanneer Christus hen aan Zijn Vader onberispelijk zal voorstellen, zeggende: "Ziet, ik en de kinderen die Gij Mij gegeven hebt, die, gelijk zij in de tijd met Mij in versmaadheid hebben geleden, nu met Mij tot in alle eeuwigheid in Mijn heerlijkheid moeten heersen".

O vrienden, laat ons boven alles zoeken, aan de kant van Christus te staan; nu aan de zijde van de waarheid en op de rechtse weg naar de hemel, welke beschimpingen ook onderweg ons deel zijn, zodat wij in de weg van de openbaring van de kinderen Gods een plaats mogen ontvangen rechts van de troon.

Moge de Heere het gesprokene zegenen; Zijn Naam zij lof en dank. Amen!