Preken

van

Ebenezer Erskine

bedienaar van het Evangelie te Stirling - Schotland

over

Openb. 22:2 De Boom des levens Zijn vruchten en bladeren afschuddende onder de natiën

Ezech. 37:9 De wind van de Heilige Geest blazende op de dorre beenderen in het dal des gezichts

Ps. 69:5 Roverij gepleegd, en teruggave gedaan, beide aan God en de mens

Luk. 1:78 De Opgang uit de hoogte, of de Dageraad van omhoog

Ps. 138:6 De nederige ziel de bijzondere gunsteling van de hemel

 

Deel 3

 

 

 

Inhoud

 

De Boom des levens Zijn vruchten en bladeren afschuddende onder de natiën (1e preek) *

De Boom des levens Zijn vruchten en bladeren afschuddende onder de natiën (2e preek) *

De Boom des levens Zijn vruchten en bladeren afschuddende onder de natiën (3e preek) *

De wind van de Heilige Geest blazende op de dorre beenderen in het dal des gezichts *

Roverij gepleegd, en teruggave gedaan, beide aan God en de mens *

De Opgang uit de hoogte, of de Dageraad van omhoog *

Predikatie *

Toespraak na het avondmaal *

De nederige ziel de bijzondere gunsteling van de hemel *

 

De Boom des levens Zijn vruchten en bladeren afschuddende onder de natiën (1e preek)

Openb. 22:2. In het midden van haar straat en op de ene en de andere zijde der rivier was de boom des levens, voortbrengende twaalf vruchten, van maand tot maand gevende zijne vrucht; en de bladeren des booms waren tot genezing der heidenen.

Ongeveer een jaar geleden mocht ik, bij een plechtige gelegenheid in een naburige plaats, over het onmiddellijk voorafgaande vers preken. Ik trachtte toen duidelijk te maken, dat dit gezicht van de apostel Johannes onmiddellijk betrekking heeft op de strijdende Kerk, wat ook haar verdere vervulling moge zijn in de triumferende Kerk in de heerlijkheid. Door "de zuivere rivier van het water des levens, klaar als kristal, voortkomende uit de troon Gods, en des Lams," moeten wij die grote overvloed van genade verstaan, die in de bedeling van het Evangelie, van een God van de genade, die in Christus de wereld met Zichzelf verzoenende was, voortkomt tot verloren zondaren, hetgeen duidelijk is voor een ieder, die het 1e en het 17e vers van dit hoofdstuk met elkaar vergelijkt, tussen welke een nauw en onafscheidelijk verband is. In het 1e vers komt de rivier van het water des levens voort, en in het 17e vers worden alle verloren zondaren geroepen en genodigd te komen en te drinken: "Die dorst heeft kome, en die wil, neme het water des levens om niet." Nu, indien de nodiging in vs. 17, aan de strijdende Kerk is, te komen en van het water des levens te drinken, dat aan geen twijfel onderhevig is, dan moet ook ongetwijfeld die rivier van het water des levens, uit welke wij genodigd worden te drinken, in de strijdende Kerk stromen.

Dit vastgesteld zijnde moet noodzakelijk volgen, dat de woorden van het 2e vers, dat ik heb voorgelezen, ook betrekking moeten hebben op de strijdende Kerk, voornamelijk wanneer wij het laatste gedeelte van het vers beschouwen, waar gezegd wordt, dat de bladeren van de boom tot genezing van de heidenen zijn. Nu, in de hemel zijn geen heidenen, of natiën, maar is slechts een hemels volk, de algemene vergadering van de eerstgeborenen, en dat volk heeft geen genezing meer nodig; de inwoners van dat land van heerlijkheid zeggen niet: "Wij zijn ziek;" zij zijn zonder vlek of rimpel of iets dergelijks; daarom moet deze boom des levens tot genezing van de kranke natiën van deze benedenwereld bestemd zijn.

Dit vooropgesteld zijnde versta ik de woorden als een figuurlijke beschrijving van Christus, de Zaligmaker van verloren zondaren, onder het begrip van een boom. Merkt hier op: (1) De natuur van deze boom; het is de boom des levens. (2) De geriefelijke standplaats van deze boom, welgelegen voor de stad Gods, de zichtbare kerk op aarde; deze boom des levens is "in het midden van haar straat, en op de ene en de andere zijde van de rivier." (3.) De vruchtbaarheid van deze boom des levens: "hij brengt twaalf vruchten voort, van maand tot maand gevend zijn vrucht." (4). De geneeskrachtige eigenschap van deze boom: zijn bladeren waren tot genezing der heidenen." Ik zal deze bijzonderheden verklaren in de verhandeling van de volgende leer, welke ik daaruit trek.

Leer. "Dat de Heere Jezus Christus een vruchtbare en geneeskrachtige boom is, die door zijn Vader in de stad van de Nieuw Testamentische Kerk is geplant tot nut van de van honger omkomende en kranke natiën der aarde." De grond van deze leer is duidelijk uit het algemeen overzicht, dat ik u reeds van de woorden heb gegeven: "In het midden van haar straat, namelijk van het Nieuwe Jeruzalem, dat nederdaalt uit de hemel, dat de Nieuw Testamentische Kerk is, en op de ene en de andere zijde van de rivier was de boom des levens, voortbrengende twaalf vruchten, van maand tot maand gevend zijn vrucht, en de bladeren des boom, waren tot genezing der heidenen (Engelse overzetting van de natiën)."

In de verhandeling van deze leer zal ik de orde volgen, die ik reeds in de verdeling van de woorden heb aangewezen. Ik zal met Gods hulp

I. Een weinig spreken over deze boom des levens.

II. Iets zeggen over de standplaats van deze boom in de stad Gods: "In het midden van de straat, en aan de ene en de andere zijde van de rivier."

III. Over de vruchtbaarheid van deze boom: "Hij brengt twaalf vruchten voort, van maand tot maand gevend zijn vrucht."

IV. Over de geneeskrachtige eigenschap van deze boom, en hoe zijn bladeren zijn tot genezing der heidenen, of van de natiën.

V. Het geheel toepassen, of, indien de tijd het niet toelaat, elk stuk afzonderlijk telkens bij de behandeling toepassen.

I. Ons eerste punt is, dat wij een weinig zullen spreker over Christus, onder het begrip van de Boom des levens. Hier zal ik: 1. Enige opmerkingen maken aangaande deze gezegende boom. 2. Aantonen waarom Hij de boom levens genaamd wordt. 3. Wat dat leven is, dat uit deze boom ontspringt. 4. De voortreffelijke hoedanigheden aanwijzen van dat leven, dat uit deze boom voortkomt voor hen, die door het geloof van zijn vrucht eten.

Ik zal dan ten eerste enige opmerkingen maken aangaande deze gezegende boom waarvan hier gesproken wordt.

1. Ik merk dan op, dat zulke figuurlijke spreekwijzen over Christus door de Geest Gods in de Schrift zeer gebruikelijk en gewoon zijn. Somtijds wordt Hij een plant, een Plant van Naam, genaamd (Ezech. 10:34:29). Soms een rijsje, en een scheut, die voortkomt uit de wortels van de afgehouwen tronk van Isaï (Jes. 11:1). Soms een boom: (Hos. 14:9) "Ik zal zijn als een groenende denneboom; uw vrucht is uit Mij gevonden." Soms onder het begrip van een appelboom: (Hoogl. 11:3) "Als een appelboom onder de bomen des wouds, zo is mijn Liefste onder de zonen." Zo ook wordt Hij hier in mijn tekst voorgesteld onder het begrip van een boom, van de Boom des levens. Onze gezegende Heere was, terwijl Hij hier op aarde was, een parabolisch soort van prediker, dat wil zeggen: Hij stelde hemelse dingen voor door gelijkenissen uit het dagelijks leven, en Hij blijft dezelfde trant van onderwijzen volgen, nadat Hij in de heerlijkheid verhoogd is. Hij heeft zoveel lust zich aan de kinderen der mensen bekend te maken. dat Hij Zich wil vergelijken bij alles wat maar kan dienen, om ons tot de kennis van Hem en Zijn genade te brengen.

2. U moet opmerken, dat Christus een boom is, die Zijn Vader geplant heeft: (Joh. 15:1) "Ik ben de ware Wijnstok, en mijn Vader is de Landman." Wanneer ik over Christus spreek als geplant zijnde, dan meet dat alleen van Hem verstaan worden naar zijn ambt, als Immanuël, Godmens of Middelaar: want naar Zijn goddelijke natuur aangemerkt is Hij dezelfde onafhankelijke, zelfstandig bestaande God met de Vader. Beschouwen wij Hem echter als Middelaar, dan is Hij door de Vader, als de grote Landman, geplant. Hij heeft Hem geplant in Zijn menswording door een dadelijke openbaring in het vlees. Sprekende van Zijn komst in het vlees, zegt Hij: "Gij hebt mij het lichaam toebereid; Hij is geworden uit een vrouw, en van het zaad Abrahams, naar het vlees." Hij plant hem verklarender- of leerstelliger wijze in de zichtbare Kerk: "Ik zal heil geven in Sion, aan Israël Mijn heerlijkheid." Hij plant Hem geestelijk in de harten van al de uitverkorenen in een dag van zijn heirkracht, op die tijd wanneer Christus in ons geopenbaard wordt en een gestalte in ons krijgt, wanneer wij geschapen worden in Christus Jezus.

3. Deze Boom des Levens is, wanneer Hij pas geplant is en begint uit te botten, klein, doch in zijn laatste vermeerdert Hij zeer. Hoe gering was Zijn eerste verschijning in die belofte, "het zaad van de vrouw zal de slang de kop vermorzelen;" niet meer dan een blote zinspeling op Zijn menswording en Zijn lijden, in de bedreiging, die tegen de slang werd uitgesproken. Hoe klein en onaanzienlijk was Hij in de ogen van een verblinde wereld, toen Hij begon op te schieten, bij zijn dadelijke komst in het vlees, "als een wortel uit een dorre aarde; Hij had geen gedaante noch heerlijkheid." Wanneer Hij eerst in een land begint uit te spruiten door de uitdeling van het Evangelie, achten de mensen hem zo weinig, dat zij zijn Evangelie aanmerken als dwaasheid en zot geklap. En wanneer Hij voor het eerst in het hart en de ziel in een dag van Zijn heirkracht opschiet is Zijn genade, Zijn koninkrijk, maar als een mosterdzaad, dat nauwelijks te zien is. Doch, hoewel Zijn beginsel gering is, zal toch Zijn laatste zeer vermeerderd worden. De prediking van het Evangelie van Christus door de apostelen was eerst als het uitstrooien van een handvol koren op de hoogte van de bergen, doch de vrucht daarvan ruiste als de Libanon; en Zijn geestelijk zaad en Zijn nakomelingen "zullen bloeien als het kruid der aarde," of ontelbaar zijn als de grassprietjes, of als "de dauw uit de baarmoeder des dageraads.". Doch hoe gering ook Zijn eerste bloesemen in het hart is, toch zullen zij, in wie Hij door de Geest een gestalte heeft gekregen, "groeien als een palmboom, en wassen als een cederboom op Libanon."

4. Merkt op, dat deze Boom des levens, nadat Hij enige tijd op deze benedenwereld gegroeid had, door het zwaard van de toorn en de rechtvaardigheid Gods werd afgehouwen: (Jes. 53:8) "Want Hij is afgesneden uit het land der levenden; om de overtreding mijns volks is de plaag op Hem geweest." De Joden en de Romeinen waren slechts als de bijl in de hand Gods om de Boom des levens af te houwen; want in het doden van de Vorst des levens deden zij "alles wat Zijn hand en Zijn raad tevoren bepaald had, dat geschieden zou." O menige houw, menige slag en stoot had deze Boom des levens te verduren voordat hij ter aarde viel: "Hij is om onze overtredingen verwond, om onze ongerechtigheden is Hij verbrijzeld; de straf, die ons de vrede aanbrengt, was op Hem." O wat een vervaarlijke slag werd deze Boom des levens door de Rechtvaardigheid toegebracht, toen zij uitriep: "Zwaard, ontwaak tegen Mijn Herder, en tegen de man, Die Mijn metgezel is!" De aarde beefde en de steenrotsen scheurden vanwege de zwaarte van de slag, die Hem werd toegebracht om onze zonden.

5. Hoewel deze Boom des levens door de hand van de rechtvaardigheid was afgehouwen zodat Hij stierf, toch kon de dood niet lang over de Boom des levens heersen; het was onmogelijk, dat de banden des doods of de sluitbomen van het graf hem konden vasthouden. Neen, neen, drie dagen nadat Hij was omgehouwen schoot deze Boom weer op, groter en heerlijker dan te voren. Hij was waarlijk afgesneden uit het land der levenden, en aan de dood overgeleverd om onze zonden, maar Hij is weer opgewekt om onze rechtvaardigmaking, en krachtiglijk bewezen te zijn de Zoon van God, naar de Geest der heiligmaking, uit de opstanding der doden. Onze hoop op de erfenis schoot op met deze Boom des levens, toen Hij weer opschoot uit het graf: (1 Petr. 1:3,4) "Geloofd zij de God en Vader van onze Heeren Jezus Christus, Die naar Zijn grote barmhartigheid ons heeft wedergeboren tot een levende hoop, door de opstanding van Jezus Christus uit de doden. Tot een onverderfelijke en onbevlekkelijke, en onverwelkelijke erfenis." Onze hoop en sterkte zou voor eeuwig vergaan zijn, indien deze Boom des levens in de dood zou zijn omgekomen.

6. Ik merk op aangaande deze Boom des levens, dat Hij nu in Zijn verhoogde staat al de bomen van het woud te boven gaat en overtreft. Op de weg uit de beek gedronken hebbende heft Hij nu het hoofd omhoog; vandaar die lof van de bruid: (Hoogl. 2:3) "Als een appelboom onder de bomen des wouds, zo is mijn Liefste onder de zonen." Hij overtreft hen alle oneindig; Hij is schoner, oneindig veel schoner dan de mensenkinderen, ja Hij overtreft alle engelen in de hemel en gaat die ver te boven, Hij heeft een uitnemende Naam boven hen geërfd; "Hij is uitermate verhoogd, ver boven alle overheid, en macht, en kracht, en heerschappij, en allen naam, die genaamd wordt, niet alleen in deze wereld, meer ook in de toekomende."

7. Ik merk op, dat hoewel deze Boom des levens nu ver boven de hemelen verhoogd is, Zijn takken nochtans in de uitdeling van het woord naar de aarde afhangen en neerbuigen, zodat wij niet in de hemel behoeven op te klimmen, om Hem van boven af te brengen: "Nabij u is het woord in uw mond en in uw hart. Dit is het woord des geloofs, hetwelk wij prediken." Overal waar het Evangelie wordt gepredikt, overal waar de tafel des Heeren gedekt wordt, daar buigen de zwaar beladen takken van de Boom des levens zich als het ware tot u neer, zodat u door het geloof onder Zijn schaduw mag gaan zitten, om Zijn voortreffelijke vrucht te eten. Doch hierover zullen wij bij de behandeling van ons tweede punt spreken.

Ten tweede. Ik zal nu verder aantonen waarom Hij, ten opzichte van Zijn voortreffelijkheid, de Boom des levens wordt genaamd. In het algemeen dan houd ik het er voor, dat Hij de Boom des levens wordt genaamd, met zinspeling op de boom van die naam, die in het aardse paradijs groeide, die naar de mening van godgeleerden het sacrament van het werkverbond was, waardoor Adam, als hij, na gedurende enige tijd in de staat van de rechtheid te blijven staan, daarvan gegeten had, bevestigd en vastgesteld zou geworden zijn in een staat van volmaakte heiligheid en gelukzaligheid. En dat uit dien hoofde hier van deze boom, die in het midden van het aardse paradijs stond, gebruik wordt gemaakt als een type of afschaduwing van Christus, door Wie een mens, als hij Hem eenmaal door een waar geloof eet en deelachtig is, voor eeuwig tegen de vloek beveiligd, en van de verdoemenis verlost is, en een eeuwige naam heeft in het geslacht van de hemel, die niet uitgeroeid zal worden. Doch, meer in het bijzonder, wordt Christus hier de Boom des levens genaamd:

1. Omdat Hij de eerste en oorspronkelijke oorzaak is beide van ons geestelijk en eeuwig leven. Uw ziel, gelovige, zou nooit een geestelijke ademhaling naar God gedaan hebben, als niet Christus de adem des levens in u had geblazen. Het is de "Geest des levens, die in Christus Jezus is," in de dode ziel ingaande door middel van het gelezen of gepredikte woord, die "ons vrijmaakt van de wet der zonde en des doods."

2. Hij is de stoffelijke oorzaak van ons leven. Het is het leven van Jezus, dat in de ziel van de gelovige is: (Gal. 11:20) "Ik leef," zegt Paulus, "doch niet meer ik, maar Christus leeft in mij." Christus, door de kracht van de eeuwige Geest, een gestalte in het hart gekregen hebbende, is de wezenlijke inwendige bestuurde van het leven der gelovigen: want Christus is in hen en zij zijn in Hem, zodat, gelijk het leven van het hoofd in al de leden is, zo ook het leven van Jezus in al de gelovigen is.

3. Hij wordt de Boom des levens genaamd, omdat Hij de verwerver van ons leven is; en zo is Hij de verdienende oorzaak van het leven. Het leven is door de dood, of door de afhouwing van de Boom des levens, voor een verloren wereld gekocht; daarom wordt Zijn dood een rantsoen, en het eeuwig leven een verkregen of verworven erfenis genoemd.

4. Hij is de bewarende oorzaak van ons leven; Hij houdt en bewaart onze zielen in het leven, door voortdurende versterkingen en mededelingen. Wanneer de ziel in een kwijnende staat is, herstelt Hij haar, gelijk David getuigt: (Ps. 23:3) "Hij verkwikt mijn ziel." Hij versterkt het overige, dat sterven zou. Wanneer de ziel als het verzengde graan is, wanneer de regen van de hemel wordt ingehouden, is Hij haar als de dauw. Hij daalt neer als de regen, en daarop brengen zij ten leven voort als het koren, en bloeien als de wijnstok.

5. Hij is de eindoorzaak van ons leven. Gelijk Hij de oorsprong van ons leven is, zo is Hij ook het einde van ons leven. "Want niemand van ons leeft zichzelf, en niemand sterft zichzelf. Want hetzij dat wij leven, wij leven den Heere; hetzij dat wij sterven, wij sterven den Heere. Hetzij dat wij leven, hetzij dat wij sterven. wij zijn des Heeren" (Rom. 14:7, 8).

Ten derde. Ik zal u zeggen wat soort van leven uit deze Boom des levens uitspruit. In Christus, de gezegende Boom des levens is een viervoudig leven te vinden.

1. Daar is een leven van rechtvaardigmaking in tegenstelling van de dood krachtens de wet. leder mens is van nature dood in het oog van de wet, evenals een boosdoener, die onder het vonnis des doods is; al is het vonnis nog niet werkelijk aan hem uitgevoerd, nochtans beschouwen wij hem als een dood mens, omdat hij dood is volgens de wet, want de rechter heeft het vonnis over hem uitgesproken, en de dag van de voltrekking nadert. Dit is de staat van elke zondaar, die buiten Christus is; hij is onder de wet als een verbond, en daarom dood voor de wet: de wet heeft hem reeds veroordeeld, want die spreekt tot elke zondaar: "De ziel, die zondigt, die zal sterven". Zodra nu de arme zondaar onder de schaduw van de Boom des levens komt, of door het geloof van de vrucht van deze Boom eet, wordt dit vonnis van de wet herroepen en ingetrokken, uit kracht van de toerekening van de eeuwige gerechtigheid van de Zoon van God als onze Borg, zodat de mens voor God als de rechtvaardigen Rechter en Wetgever begint te leven, omdat Hij bekleed is met die gerechtigheid, waardoor de wet verheerlijkt is. God vergunt de arme ziel, dat zij hierop kan rekenen en staat maken: (Rom. 6:11) Aangezien Christus is gestorven en weer opgewekt is, "alzo ook gijlieden houdt het daarvoor, dat gij wel der zonde dood zijt, maar Gode levende zijt in Christus Jezus onze Heere". De gelovige leeft zozeer Gode, uit kracht van de gerechtigheid van Christus, dat hij met de Apostel durft zeggen: "Wie zal beschuldiging inbrengen tegen de uitverkorenen Gods? God is het, Die rechtvaardig maakt; wie is het die verdoemt?"

2 In Christus, de gezegende Boom des levens, is een leven van heiligmaking of van heiligheid te vinden. Dit is de vrucht en het gevolg van het voorgaande. Een wettelijke dood heeft onvermijdelijk een geestelijke dood tot gevolg onder de kracht van de zonde, want "de kracht van de zonde is de wet". De wet verhindert ons en staat ons geestelijk leven tegen, omdat zij geschonden is. Anderzijds gaat een leven van rechtvaardigmaking onvermijdelijk gepaard met een leven van heiligmaking of heiligheid, hetwelk daarin gelegen is, dat de ziel vrijgemaakt is van de heerschappij en van de vuiligheid van de zonde; zodat die mens, die nu een inwendig beginsel van leven heeft, de wet begint te gehoorzamen, niet als een verbond waardoor hij het leven zoekt, maar als een regel van gehoorzaamheid, opdat hij de lof verkondigt van Hem, "Die hem uit de duisternis geroepen heeft tot zijn wonderbaar licht". Dit leven van heiligmaking heeft hij van Christus, de Boom des levens. "Ik zal hem zijn", zegt Hij, "als een groenende denneboom; uw vrucht is uit Mij gevonden. Die in Mij blijft en Ik in hem, die draagt veel vrucht". Al de vruchten van de gerechtigheid en heiligheid zijn door Jezus Christus.

3. Door deze Boom des levens leven wij een leven van vertroosting, want Hij is "de vertroosting Israëls, en gijlieden zult water scheppen met vreugde uit de fonteinen des heils". De bruid had "grote lust in zijn schaduw, en zat er onder, en zijn vrucht was haar gehemelte zoet". Dat getuigt, dat haar ziel, door het eten van de vrucht van deze boom, "als met smeer en vettigheid verzadigd was, en haar mond Hem roemde met vrolijk zingende lippen". Wanneer de ziel maar van de vrucht van deze boom proeft wordt haar gelaat met een hemelse blijdschap overtogen. Zo iemand getuigt: "Gij hebt mijn zak ontbonden en mij met blijdschap omgord", en hij wordt vervuld "met een onuitsprekelijke en zeer heerlijke vreugde". Dit leven van vertroosting gaat op en neer met de vrucht of de levendige oefening des geloofs, met het komen of gaan van de Heere. Wanneer Christus verschijnt wordt de ziel verlevendigd, en zij wordt verkwikt als de velden na een heerlijke regenbui en een warme dag.

4. Uit de Boom des levens ontspruit een leven van de heerlijkheid; want "dit is het getuigenis, namelijk, dat ons God het eeuwige leven gegeven heeft, en ditzelve leven is in Zijn Zoon. Die de Zoon heeft, die heeft het leven; die de Zoon van God niet heeft, die heeft het leven niet". Hij heeft er hier de eerste beginselen en het onderpand van, en hiernamaals in de hemel zal hij er eeuwig het volle bezit van hebben. Zo ziet u welk leven uit de Boom des levens voortspruit.

Ten vierde. Ik zal hieraan slechts enkele eigenschappen of hoedanigheden van dit leven, dat uit de Boom des levens ontspruit, toevoegen.

1. Het is een goddelijk leven, het is het leven Gods in de ziel. Een goed mens wordt een godvruchtig mens en een boos mens wordt een goddeloze genoemd. Wat, meent u, is de reden van deze tegengestelde benamingen? De reden is deze, dat een godvruchtig mens iets van het leven Gods heeft, terwijl een goddeloze van het leven Gods verstoken is. De uitdrukking is schriftuurlijk. Want van de boze staat geschreven, (Ef. 4:18) dat zij zijn "vervreemd van het leven Gods, door de onwetendheid die in hen is, door de verharding van hun harten". Het is een goddelijk leven: goddelijk in zijn oorsprong, goddelijk in zijn natuur en strekking, en goddelijk in zijn eind; het is een leven en wandelen met God, zoals van Henoch geschreven staat. Wanneer iemand van de vrucht van deze Boom des levens heeft geproefd, kan hij het daarna nooit meer buiten Gods gezelschap uithouden.

2. Het leven, dat de ziel uit de Boom des levens ontvangt, is van alle andere het uitnemendste leven. Er is in ieder mens drieërlei leven. Er is een plantaardig leven, dat hij met bomen, planten en andere dingen, die uit de aarde spruiten. gemeen heeft; verder is er een gevoelig leven, dat hij met de dieren van de aarde, de vogelen van de hemel, en de vissen van de zee gemeen heeft; hij heeft ook een redelijk leven, waardoor hij onderscheiden u van de schepselen van lagere orde, en dit is aan allen mensen gemeenschappelijk. Doch de gelovige is "voortreffelijker dan zijn naaste;" hij heeft een voortreffelijker leven dan zij, namelijk een leven, dat "met Christus verborgen is in God." "Die de Zoon heeft, heeft het leven," en hij heeft zo’n leven, waarvan alle anderen in de wereld vervreemd zijn.

3, Het leven, dat wij van de Boom des levens hebben, is een koninklijk en vorstelijk leven; want alle gelovigen, takken van deze boom zijnde, zijn "gemaakt tot koningen en priesters Gode en zijn Vader." Niet zodra is de ziel op Hem geënt of met Hem verenigd, of zij begint als een koning te leven, boven de wereld, met verachting op deze mesthoop neerziende.

4. Het is een hemels leven: het komt van de tremel, waar de bron van dit leven is, en het strekt zich altijd hemelwaarts: "Want onze wandel is in de hemelen, waaruit wij ook de Zaligmaker verwachten, namelijk, de Heere Jezus Christus." De gelovige, is "begerig naar een beter vaderland," en zijn oog is gericht op een vergelegen land. Hij "aanmerkt niet de dingen, die men ziet, maar de dingen die men niet ziet."

5. Het is een groeiend leven; want "het pad der rechtvaardigen is gelijk een schijnend licht, voortgaande en lichtende tot de volle dag toe. "Die in het Huis des Heeren geplant zijn, die zal gegeven worden te groeien in de voorhoven van onze Gods. De rechtvaardige zal groeien als een palmboom; hij zal wassen als een cederboom op Libanon." Dit leven groeit altijd, totdat het "komt tot de mate van de grootte van de volheid van Christus."

6. Het is een onsterfelijk, altijddurend, eeuwig leven. Het is er zover van af, dat dit leven eindigt wanneer het leven van het lichaam eindigt, dat het dan eerst volkomen en volmaakt wordt. Het is een leven, dat wat de duur betreft, evenwijdig zal lopen met het leven Gods. Zover over ons eerste punt; dat was, dat wij een weinig zouden spreken over deze Boom des levens.

II. Ons tweede punt was, dat wij iets zouden zeggen over de standplaats van deze boom in de stad Gods. Hij staat "in het midden van de straat, en op de ene en andere zijde van de rivier." Tot opheldering van dit deel van de tekst, zal ik de volgende bijzonderheden opmerken:

1. Dat de stad waarvan hier gesproken wordt geen andere is dan de Kerk van God. Ik heb in de opening van de tekst bewezen, dat, welke betrekking deze waarheid ook mag hebben op de verheerlijkte kerk, het voor mij nochtans helder is, dat hier in de eerste plaats, en onmiddellijk, de strijdende Kerk op aarde bedoeld wordt, die gedurig in de Schrift een stad wordt genoemd: (Ps. 87:3) "Zeer heerlijke dingen worden van u gesproken, o stad Gods." (Ps. 72:16) "die van de stad zullen bloeien als het kruid van de aarde," hetwelk van de Kerk onder het Nieuwe Testament wordt gesproken. Van alle gelovigen, terwijl zij nog op aarde zijn, wordt gezegd, dat zij werkelijk gekomen zijn tot de berg Sion, en de stad des levenden Gods, tot het hemelse Jeruzalem. En van het Nieuwe Jeruzalem, dat in het voorafgaande hoofdstuk wordt beschreven, wordt gezegd, dat "het nederdaalt van God uit de hemel;" omdat alle gelovigen, die de enige ware burgers zijn, van boven geboren zijn en in het koninkrijk Gods zijn ingegaan. Zij is een staaf om te bewonen: (Ps. 107:7) "Hij leidde ze in een rechte weg, om te geen tot een stad ter woning;" een stad van koophandel, waar de koopwaar van de hemel. tot een lage prijs, (Jes. 55:1) "zonder geld en zonder prijs, ter verkoop worden uitgestald. Het is een versterkte stad, die met heil ommuurd is: (Jes. 26:1) "Wij hebben een sterke stad, God stelt heil tot muren en voorschansen"; een stad, om daarheen de toevlucht te nemen, een vrijstad; een stad wegens haar schoonheid en stevigheid. Het is een koninklijke stad, want daar woont de grote Koning: (Ps. 132:13,14) "Want de Heere heeft Sion verkoren, Hij heeft het begeerd tot Zijn woonplaats, zeggende: Dit is Mijn rust tot in eeuwigheid, hier zal Ik wonen, want Ik heb ze begeerd."

2. Ik merk hier op, dat in deze stad stralen zijn; want de Boom des levens staat in het midden van de straat ter stad. Ik versta door de straat de ordinantiën, die door God zijn ingesteld, voornamelijk die, welke openbaar zijn. (Hoogl. 111:2) Wanneer de bruid haar Heere niet kon vinden in de afzondering in het verborgen, besloot zij op te staan, en in de wijken en in de straten der stad om te gaan, om te zien of zij daar Hem kon vinden, die haar ziel liefhad. De uitleggers stemmen overeen, dat men daar door de straten en wijken de openbare instellingen van de dienst van God moet verstaan. Zo wordt van de Wijsheid gezegd (Spr. 1:20), dat "zij haar stem verheft op de straten," dat is, in de openbare instellingen van de godsdienst, die zo genoemd worden, omdat, evenals de straat van een stad de plaats is waar de inwoners samenkomen, zo ook deze ordinantiën de plaats van openbare samenkomst van Gods Kerk zijn, waarheen de stammen opgaan, en zich neerbuigen voor de voetbank van Zijn voeten. In deze straten en wijken van de kerkelijke instellingen hebben de inwoners van de stad Gods zoete gemeenschap en lieflijk verkeer met God.

3. Merkt hier op, dat gezegd wordt, dat er ene rivier is, die midden door de stad Gods en in haar straten loopt, hetwelk overeenkomt met wat wij lezen in Ps. 46:4: "De beekskens van de rivier zullen verblijden de stad Gods, het heiligdom van de woningen des Allerhoogste." Dit is dezelfde rivier waarvan in het voorafgaande vers wordt gesproken en gezegd, dat zij "voortkomt uit de troon Gods en des Lams". Toen ik over dat vers heb gepreekt, heb ik aangetoond, dat deze rivier niets anders is dan de Geest Gods, namelijk die Geest waarvan geschreven staat: (Zach. 12:10) Doch over het huis Davids, en over de inwoners van Jeruzalem, zal ik uitstorten de Geest der genade, en der gebeden". (Jes. 33:21) "De Heere zal daar" door zijn Geest en de mededelingen van Zijn genade, bij ons heerlijk zien, het zal een plaats zijn van rivieren, van wilde stromen". (Jes. 44:3) "Want ik zal water gieten op de dorstige, en stromen op het droge". Uit deze rivier wordt de ganse stad Gods, worden alle ware gelovigen verkwikt, verzorgd, vruchtbaar gemaakt, gereinigd en verlevendigd.

4. Nog een andere zaak, die wij hier kunnen opmerken, is, dat Christus, de Boom des levens, aan elke zijde van de rivier is, en in het midden van haar straat. Hier wordt naar het mij voorkomt op de volgende dingen gewezen:

1e Dat een levende Verlosser, al is Hij in de hemel verhoogd "aan de rechterhand van de Majesteit in de hoogste hemelen", en hoewel de hemel Hem moet ontvangen tot op de tijd van Zijn tweede komst, nochtans steeds bij Zijn volk op aarde tegenwoordig is. Ja, Hij is in ieder deel van Zijn gemeente, want de Boom des levens is in het midden van de straat en aan de ene en de andere zijde van de rivier, dat is: overal waar gelovigen zijn, waar de ware Kerk van God is, wat ook haar standplaats is, terwijl zij in de strijdenden staat is, is Christus met haar. De takken van de boom strekken zich altijd tot haar uit, zelfs tot "het uiterste einde van de aarde," zoals het in Jes. 24:16 wordt uitgedrukt. O wat een onuitsprekelijke vertroosting is het, dat het heerlijk Hoofd overal is waar het lichaam is! "Ziet Ik ben met ulieden al de dagen tot de voleinding der wereld." En, "aan alle plaatsen daar ik Mijns Naams gedachtenis stichten zal, zal Ik tot u komen, en zal u zegenen." En, "waar twee of drie vergaderd zijn in Mijn Naam, daar ben Ik in het midden van hen".

2e De uitdrukking houdt in, dat Christus het middelpunt, en, als het ware, het hart van Zijn Kerk, van zijn volk, is. Hier toch wordt gezegd, dat Hij in het midden van de stad is: (Ps. 46:6) "God is in het midden van haar, zij zal niet wankelen; God zal ze helpen in het aanbreken des morgenstonds." Christus is het middelpunt van het leven van de Kerk; "Ons leven is met Christus verborgen in God"; Hij houdt onze zielen in het leven. Hij is het middelpunt van het licht, evenals de zon in het uitspansel voor deze benedenwereld is: "Ik ben het licht der wereld." Hij is het middelpunt van vertroosting; daarom wordt Hij de vertroosting Israëls genoemd; Hij geeft vreugdeloze voor treurigheid." Hij is het middelpunt van liefde en verlangen, "de wens aller heidenen": "tot Uw Naam en tot Uw gedachtenis is de begeerte van onze ziel." Hij is het middelpunt van het geloof; alle inwoners van de stad Gods hebben hun ogen op Hem gevestigd: zij zien op Hem en worden behouden: "Onze ogen zijn op de Heere onze God." Hij is het middelpunt van vereniging; zij allen "behouden Hem als het Hoofd, uit Hetwelk het gehele lichaam door de samenvoegselen en samenbindingen voorzien en samengevoegd zijnde, opwast met goddelijke wasdom." Er is een groot geroep om vrede, vrede, en men doet vele sluwe pogingen om de vrede en de eenheid van de Kerk te bewaren; doch wij kunnen onmogelijk één zijn, dan alleen in de Heere. Hij is het Middelpunt van de leer: van Hem geven al de Profeten getuigenis, en Van hem getuigen al de apostelen, en iedere waarheid van het Woord wijst op Hem. Er staat geen woord in de Bijbel, dat niet op Christus wijst, evenals de naald van het kompas naar de poolster wijst. Hij is het middelpunt van aanbidding; de gebeden en dankzeggingen van alle gelovigen eindigen in Hem; zij allen roepen: "Het Lam, dat geslacht is, is waardig te ontvangen de kracht, en rijkdom, en wijsheid, en sterkte, en eer, en heerlijkheid, en dankzegging."

3e Dat Christus. de Boom des levens, in het midden van de straat is, getuigt, dat Christus een gemeen en publiek goed voor de Kerk is, dat Hij daar staat tot nut van de inwoners. Deze Boom des levens groeit niet in een hoek, of in een besloten plaats, waar alleen sommige bijzondere personen mogen komen, maar op de openbare straat, op de marktplaats, waar iedereen vrije toegang tot Hem heeft. Het is in dit opzicht opmerkelijk, wat de bruid aangaande Christus zegt in Hoogl. 2:3. Zij zegt niet, dat haar Liefste is "als een appelboom onder de bomen van de hof," dat een omheinde plaats is, maar, dat Hij is "als een appelboom onder de bomen des wouds," waarvan elke voorbijganger mag plukken en eten, en het vrije gebruik heeft. Gelijk iedereen in de legerplaats van Israël het voorrecht had op de koperen slang te mogen zien, die daar was opgericht, zo ook heeft iedereen in de zichtbare kerk evengelijke toegang tot Christus, de Boom des levens, want hij is "in het midden van haar straat." O vrienden! twijfelt niet aan uw volmacht om tot Christus te komen, nu Hij in het midden van onze straten is, van alle hoeken van de stad toegankelijk. Christus wordt in het gepredikte Evangelie aan allen evengelijk aangeboden; Hij is voor iedereen te krijgen, die Hem maar wil aannemen, en toepassen, en aanspraak op Hem wil maken. Gelijk elke onderdaan van ons land van onze tegenwoordige vorst mag zeggen, hij is mijn koning, omdat hij als een algemeen goed gesteld is voor het gehele staatslichaam, en gelijk elke soldaat van een leger van de opperste bevelhebber mag zeggen, hij is mijn generaal, en als zodanig tot hem de toevlucht mag nemen: en gelijk elke soldaat aanspraak mag maken op de officier van gezondheid van een regiment, en zeggen, hij is mijn dokter, wegens de betrekking, die de ganse compagnie op hem heeft; zo ook mag iedereen, omdat Christus, krachtens ambt, de algemene Zaligmaker van zondaren, de Profeet, Priester en Koning van Zijn Kerk is, met persoonlijke toepassing, aanspraak maken op Hem, om de weldaad van Zijn zaligmakende ambten te genieten, en in het geloof zeggen; Hij is mijn Zaligmaker, mijn Profeet, Priester en Koning, want Hij is "die Zoon, Die ons gegeven, en dat Kind, Dat ons geboren is." Hij is ons geworden wijsheid van God, en rechtvaardigheid, en heiligmaking, en verlossing." Al wat Hij als Middelaar is, dat is Hij voor ons, Hij is in het midden van de straat van de stad.

4e Het houdt in, dat zij, die Christus willen vinden, Hem in de straten en wijken van de ordinantiën van het Evangelie moeten zoeken; want hier staat van de Boom des levens geschreven, dat Hij in het midden van de straat is, in de openbare instellingen van de kerk, zoals de prediking van het Woord, en de bediening van de sacramenten. O vrienden! "In Zijn tempel zegt Hem een ieder ere" (Ps. 29:9). Daar sticht Hij Zijns Naams gedachtenis; daar heeft Hij beloofd "tot u te komen, en u te zegenen" (Exod. 20:24). Daarom zijn zij, die de openbare ordinantiën de rug toekeren, buiten de weg om tot de Boom des levens te komen. Ik weet wel, dat de Heere soms een zondaar, die de brede weg des verderfs bewandelt, wil ontmoeten, zoals Hij het Paulus deed, toen hij naar Damascus ging; doch wanneer Hij dat doet, dan gaat Hij buiten Zijn gewone weg. Zijn gewone weg, die Hij houdt in het overtuigen, bekeren, en genezen van zielen, is, dat Hij het doet in Zijn heiligdom. Wij lezen van één Paulus, die op de weg naar Damascus bekeerd werd, doch wij lezen van drieduizend, die tot de gemeente werden toegedaan, die de prediking des Woords door Petrus bijwoonden (Hand. 2:41). Daarom zeg ik, die Christus de Boom des levens willen vinden, moeten tot de straten en wijken van de ordinantiën komen, evenals de bruid deed. Daar hebben de gelovigen menige aangename ontmoeting met de Heere gehad, en ik heb hoop, dat er sommigen hier zijn, die dat uit hun eigen ervaring kunnen bezegelen.

5e De uitdrukking geeft te kennen, dat Christus niet alleen in de openbare instellingen van de kerk wordt ontmoet, want dat ook zoete gemeenschap met Hem kan worden genoten in de meer persoonlijke en verborgen afzonderingen van Gods volk. De Boom des levens is toch niet alleen in de straat maar ook aan weerskanten van de rivier, door al de delen van de stad. Menige zoete gemeenschap met de Heere genieten de gelovigen in het huiselijk gebed, in het verborgen gebed, in eenzame overdenking, in het lezen van het Woord, in het verborgen of in de eenzaamheid, in Christelijke gesprekken en dergelijke. O, zegt David, "Als ik Uwer gedenk op mijn legerstede, en aan U peins in de nachtwaken, wordt mijn ziel als met smeer en vettigheid verzadigd." De harten van de discipelen op de weg naar Emmaüs waren brandende in hen, toen zij met elkaar spraken op de weg.

6e Het geeft te kennen, dat de invloeden des Geestes volstrekt noodzakelijk zijn, om de ordinantiën voor hen zoet te maken, en hun de vruchten van hetgeen de Verlosser verworven heeft in het gebruik van de inzettingen deelachtig te maken; want de zuivere rivier van het water des levens vermengt zich in de straten van de stad met de zich uitspreidende takken en takjes van de boom. Tenzij de rivier van de invloeden des Geestes met het Woord en het sacrament gepaard gast, en de dingen van Christus neemt en die aan ons verkondigt, zullen het slechts droge borsten en misdragende baarmoeders blijken te zijn. Daarom is het nodig, dat men voortdurend van de Heere afhankelijk is om de medewerkende invloeden van de Geest des levens: "Het is Paulus, die plant, en Apollos, die natmaakt, maar God, die de wasdom geeft." Bidt daarom, dat de rivier van het water des levens mag voortkomen uit de troon Gods, en des Lams, en dat de straten van de stad Gods, en de Boom des levens op de een en de andere zijde van de rivier, voortbrengende zijn twaalf vruchten, mogen gezien worden.

7e Het is hier ingesloten, dat Christus het versiersel van Zijn gemeente en Zijn volk is; want hier wordt van de Boom des levens gesproken, als het versiersel van de stad in het midden van haar straat. Christus is "de heerlijkheid van Zijn volk Israël; en het ganse zaad Israëls zal in Hem gerechtvaardigd worden en zich beroemen." Hij doet een schoonheid en heerlijkheid op de Kerk, in haar geheel aangemerkt, afstralen; Zijn tegenwoordigheid in haar straten maakt haar "schoon, gelijk Thirza, lieflijk als Jeruzalem, schoon gelijk de maan, zuiver als de zon, schrikkelijk als slagorden met banieren." En Hij is de schoonheid en het versiersel van elke afzonderlijke gelovige in de gemeente; een ieder van hen is schoon door de heerlijkheid, die Hij op hen gelegd heeft. Door de toepassing van Zijn verdiensten, en door Zijn Geest, Die in hen is, worden zij als "des Koning dochters geheel verheerlijkt inwendig, haar kleding is van gouden borduursel." Hij maakt hen "als vleugelen ener duif, overdekt met zilver, en welker vederen zijn met uitgegraven geluwen goud."

8e Hier wordt te kennen gegeven, dat de ganse stad en elk van de inwoners onder de schaduw van de boom woont of verblijft; want de boom is aan weerskanten en in het midden van de straat. Ik gedenk, dat de bruid, als zij over deze boom spreekt, zegt: "Ik heb grote lust in Zijn schaduw, en zit er onder," namelijk, de schaduw van Zijn bloed en Zijn eeuwige gerechtigheid; de schaduw van Zijn waarheid en getrouwheid, die verbonden zijn in zijn belofte; de schaduw van Zijn voorzienigheid. O welgelukzalig zijn zij, die door het geloof onder deze schaduwrijke boom zitten! Dit is de plaats waar Christus Zijn kudde legert in de middag van verzoeking, verdrukking, verlating en beproeving, en waar zij in kracht ervaren, dat er een Boom des levens is, aan de ene en de andere zijde van de rivier, en in het midden van de straat van de stad Gods.

 

De Boom des levens Zijn vruchten en bladeren afschuddende onder de natiën (2e preek)

Openb. 22:2. In het midden van haar straat en op de ene en de andere zijde der rivier was de boom des levens, voortbrengende twaalf vruchten, van maand tot maand gevende zijne vrucht; en de bladeren des booms waren tot genezing der heidenen.

Ik heb u deze algemene of veelomvattende leer uit de woorden van onze tekst gegeven: Dat onze Heere Jezus Christus een vruchtbare en geneeskrachtige Boom is, Die door Zijn Vader in de stad van de Nieuw Testamentische Kerk is geplant tot voeding en genezing van de van honger omkomende en kranke natiën van de aarde.

In de verhandeling van deze leer beloofde ik:

1. Een weinig te spreken over deze Boom des levens.

II. Over de standplaats van deze boom in de stad Gods.

III. Over de vruchtbaarheid van deze boom.

IV. Over de geneeskrachtige eigenschap van deze boom.

V. Het geheel toe te passen.

Over het eerste en tweede punt heb ik reeds gesproken. Ik ga nu over tot

III. Het derde punt in de verdeling, dat was, dat ik een weinig zal spreken over de vruchtbaarheid van deze Boom des levens: "Hij brengt twaalf vruchten voort, van maand tot maand gevend Zijn vrucht." Andere bomen dragen slechts eenmaal per jaar vrucht, en die brengen slechts één soort van vrucht voort, doch deze Boom des levens draagt iedere maand twaalfderlei vrucht. De duidelijke mening hiervan is, dat Christus allerlei vrucht voortbrengt, en dat in Christus alle soorten van zegeningen tot de kinderen der mensen worden overgebracht, en dat die altijd kunnen worden gevonden. Deze Boom des levens is nooit leeg of onvruchtbaar. Wanneer de ziel zich in het geloof tot Hem wendt, zal zij steeds ervaren, dat de takken van de boom beladen, de vruchten rijp, en voor het gebruik gereed zijn.

Om dit deel van de tekst te verklaren zal ik: 1e Enige van die vruchten nagaan, die aan deze Boom des levens groeien. 2e Enige van de maanden opnoemen, waarin Hij Zijn vrucht voortbrengt voor de zielen van de gelovigen.

Ten eerste, zal ik mij inlaten met enige van de vruchten van de Boom des levens. Ik zal u slechts vier trossen van Zijn vruchten aanbieden, namelijk: de vruchten van zijn Dood, van Zijn opstanding, van Zijn hemelvaart en van Zijn voorbidding.

1. Laat ons de vruchten van Zijn dood bezien, en niet alleen bezien, maar die ook proeven. Ik bied u slechts deze enkele aan, en, o zij zijn zoet voor de smaak van het geloof!

1e Door Zijn dood is een toornig God verzoend en bevredigd. Onmiddellijk na de val begon de toorn Gods als vuur tegen de zondige mens los te breken; doch door de dood van Jezus is de toorn Gods weggenomen en in een ander kanaal afgeleid: (Jes 12:1) "Gij zijt toornig op mij geweest, maar Uw toorn is afgekeerd en Gij troost mij." (Jes. 53:5) "Hij is om onze overtredingen verwond, om onze ongerechtigheden is Hij verbrijzeld: de straf, die ons de vrede aanbrengt, was op Hem, en door Zijn striemen is ons genezing geworden," (Kol. 1:20,21) "En dat Hij door Hem vrede gemaakt hebbende door het bloed Zijns kruises, door Hem, zeg ik, alle dingen verzoenen zou tot Zichzelf, hetzij de dingen, die op de aarde, hetzij de dingen, die in de hemelen zijn. En Hij heeft u, die eertijds vervreemd waart en vijanden door het verstand, in de boze werken, nu ook verzoend."

2e Het schuldbewijs, dat de rechtvaardigheid tegen ons had, is verscheurd; het handschrift, dat tegen ons was, is uitgewist, (Kol. 2:14) Hij heeft dat "aan het kruis genageld," opdat het niet meer geldig zou zijn; de vloek van een verbroken wet is te niet gedaan, zodat er nu "geen verdoemenis is voor degenen, die in Christus Jezus zijn, die niet naar het vlees wandelen, maar naar de Geest."

3e Een eeuwige gerechtigheid is aangebracht, toen die niet meer in de wereld te vinden was. "Wanneer de Messias zal uitgeroeid worden," zegt de Profeet Daniël, "zal Hij een eeuwige gerechtigheid aanbrengen." Christus heeft de zonde veroordeeld in het vlees, of door de offerande van Zijn vlees, "opdat het recht van de wet vervuld zou worden in ons." Zodat Hij "de Heere onze gerechtigheid is geworden.

4e Door Zijn dood is het verbond met velen versterkt (Dan. 9:27). Christus heeft het verbond der genade met Zijn bloed bevestigd, als het openbare Hoofd en de Plaatsbekleder van allen, die Hem van Zijn Vader gegeven zijn. Daarom wordt zijn bloed, het bloed des verbonds of des Nieuwe Testaments genoemd. Het is een bevestigde verzekerdheid waarop wij kunnen vertrouwen: bevestigd, zeg ik, door de dood van de Testamentmaker.

5e Door het afhouwen van deze Boom des levens is de kop van de oude slang, die ons verleid heeft, vermorzeld, en de macht des doods hem ontwrongen: "Hij heeft door de dood te niet gedaan degene, die het geweld des doods had, dat is, de duivel."

6e Door het neerveIlen van deze Boom des levens is het graf lieflijk en welriekende gemaakt.

2. Laat ons enige van de vruchten van deze Boom des levens bezien in Zijn opstanding, toen Hij uit het graf opkwam.

1e De levendmaking en opwekking van de ziel, die dood was in de zonde, is een vrucht van de opstanding van de Boom des levens. Dit past de apostel op de opstanding toe: (Kol. 2:12,13) "Zijnde met Hem begraven in de doop, in welke gij ook met Hem opgewekt zijt door het geloof der werking Gods, die Hem uit de doden opgewekt heeft. En Hij heeft u, als gij dood waart in de misdaden, mede levend gemaakt met Hem, al uw misdaden u vergevende." Er is een bijzonder vermogen in de opstanding van Christus, waardoor wij opgewekt worden tot nieuwigheid des levens; daarom begeert de apostel hoe langer hoe meer "de kracht van Zijn opstanding te kennen" (Filip. 3:10), en zegt de Kerk: (Hos. 6:2) "Hij zal ons na twee dagen levendmaken, op de derde dag zal Hij ons doen verrijzen, en wij zullen voor Zijn aangezicht leven."

2e Een andere vrucht van Zijn opstanding is de kwijtschelding van onze schuld, die wij aan de goddelijke rechtvaardigheid schuldig waren. De zonde is een schuld. Nu, Christus heeft in Zijn dood de schuld betaald, en is in Zijn opstanding daarvan ontheven. Daarom zegt de apostel ons, dat Hij "overgeleverd is om onze zonden, en opgewekt om onze rechtvaardigmaking." De gevangenis van het graf werd op bevel van de hemel geopend, een Engel wentelde de steen af van de deur des grafs, hetwelk duidelijk aantoont, dat de schuld betaald en de grote Rechter ten volle voldaan was: "Hij is uit de angst (Engelse overzetting de gevangenis) en uit het gericht weggenomen." Het geloof in een opgestane Christus kan de gehele wereld uitdagen enigerlei beschuldiging in te brengen: (Rom. 8:33) "Wie zal beschuldiging inbrengen tegen de uitverkorenen Gods? God is het, Die rechtvaardig maakt. Wie is het die verdoemt? Christus is het, Die gestorven is, ja dat meer is, die ook opgewekt is."

3e Een andere vrucht van de Boom des levens in Zijn opstanding is het herleven van onze hoop op herstel van de verloren erfenis: (I Petr. 1:3,4) "Geloofd zij de God en Vader van onze Heere Jezus Christus, Die naar Zijn grote barmhartigheid ons heeft wedergeboren tot een levende hoop door de opstanding van Jezus Christus uit de doden. Tot een onverderfelijke, en onbevlekkelijke, en onverwelkelijke erfenis, die in de hemelen bewaard is voor u."

4e Onze overwinning over de zonde is verzekerd. Elke gelovige kan bij het gezicht op een levende Christus zeggen: "Dood waar is uw prikkel?" Ja, door Zijn opstanding is onze opstanding op de laatste dag verzekerd

3. Laat ons ook de vruchten van Zijn hemelvaart aanschouwen en proeven.

1e Het gevangennemen van de gevangenis: (Ef. 4:8) "Daarom zegt Hij: Als Hij opgevaren is in de hoogte, heeft Hij de gevangenis gevangen genomen", een buit van zonde, duivel, dood en hel in triomf met Zich voerende.

2e Het verlenen van predikgaven aan mensen, ja het ambt van de bediening en de instellingen van het Evangelie tot opbouwing van Zijn geestelijk lichaam. Dat wij hier staan en u het Evangelie prediken en het sacrament bedienen is een vrucht daarvan, dat Christus in de hemel is.

3e De uitstorting van de Geest in een overvloediger mate dan onder de Oudtestamentische bedeling. Christus Zelf spreekt daarvan: (Joh. 16:7) "Doch ik zeg u de waarheid, het is u nut, dat Ik wegga; want indien Ik niet wegga, zo zal de Trooster tot u niet komen; maar indien Ik heenga, zo zal Ik Hem tot u zenden." Dit deed Hij om de plaats van Zijn lichamelijke tegenwoordigheid te vervullen.

4e Het bereiden van hemelse woningen voor ons, waar wij eeuwig met Hem mogen zijn, is een vrucht van de verhoging van Christus: (Joh. 14:3) "Ik ga heen om u plaats te bereiden; maar Ik kom weder, en zal u tot Mij nemen, opdat gij ook zijn moogt daar Ik ben." Evenals iemand, wanneer hij een vrouw getrouwd heeft, tegen de dag van het huwelijk voor een huis zorgt, zo ook gaat Christus, een gemeente, een bruid voor Zich gekocht hebbende, naar de hemel, om voor een woning voor haar te zorgen; en waarlijk, het is een woning, die gepast is voor zulk een grote Koning, "een huis niet met handen gemaakt, maar eeuwig in de hemelen." Ja, Zijn ingaan in de hemel is een onderpand, dat wij Hem op de rechte tijd zullen volgen; want Hij is ingegaan als de Voorloper van Zijn gemeente, (Hebr. 6:20) niet alleen ons tot nut, maar in onze plaats. Het hoofd boven zijnde zal het lichaam volgen.

4. Laat ons de vruchten van Zijn voorbidding bezien en proeven, welke groot, heerlijk en beminnelijk zijn.

1e Bevrijding van en sterkte tegen verzoekingen is een vrucht van Zijn voorbidding in de hemel: Luk. 22:31,32) "Simon, Simon, zie de satan heeft ulieden zeer begeerd te ziften als de tarwe; maar Ik heb voor u gebeden, dat uw geloof niet ophoude." Hij is ingewijd in al de strikken en vallen, die de satan voor al Zijn vrienden opzet; doch Hij breekt de strik door de kracht en het vermogen van Zijn voorbidding, zodat zij "ontkomen als een vogel uit de strik des vogelvangers."

2e Vrijmoedigheid, en vertrouwen op God en aanneming aan Zijn troon, is een vrucht van Zijn voorbidding: (Hebr. 4:16) "Laat ons dan met vrijmoedigheid toegaan tot de troon der genade, opdat wij barmhartigheid mogen verkrijgen, en genade vinden om geholpen te worden te bekwamer tijd." Wij zouden niet tot de troon van God durven opzien, als die ook niet de troon van het Lam was.

3e Door Christus voorbidding hebben wij een vlug antwoord op alle uitdagingen en beschuldigingen, die, van welke hoek dan ook, tegen ons worden ingebracht. De wet vervolgt, de rechtvaardigheid vervolgt, het geweten achtervolgt wegens schuld van de zonde; doch het geloof, het oog gericht hebbende op de voorbidding van Christus, kan voor het gerecht het hoofd omhoog heffen en zeggen: "Wie kan iets tegen mij inbrengen? God is het Die rechtvaardig maakt. Wie is het die verdoemt? Christus is het, Die gestorven is, ja dat meer is, die ook opgewekt is; Die ook ter rechterhand Gods is; Die ook voor ons bidt."

4e De verzekerdheid van de krachtdadige toepassing van al de weldaden, die Hij verworven heeft, en de legaten van Zijn testament, is een vrucht van Zijn voorbidding, "alzo Hij altijd leeft om voor hen te bidden." Hij zal er zeker voor zorgen, dat niet verloren u, wat Hij met Zijn bloed gekocht heeft; en dat de legaten van Zijn testament niet van nul en generlei waarde worden. Hij is Zelf de Uitvoerder van Zijn uiterste wil, en Hij leeft opdat die gehandhaafd wordt. En wat is Zijn uiterste wil? Het is dit: "Ik zal uw God zijn; ik zal hun ongerechtigheden genadig zijn; Ik zal de blinden leiden door de weg, die zij niet geweten hebben; Ik zal de duisternis voor hun aangezicht tot licht maken, en het kromme tot recht; deze dingen zal Ik hun doen, en Ik zal ze niet verlaten."

5e De verhoring van onze gebeden, de aanneming van onze personen en zwakke diensten is een andere vrucht van Zijn voorbidding. O vrienden, zou het niet zijn om de voorbidding van Christus, onze gebeden zouden nooit verder gaan dan onze lippen: (Openb. 8:3,4) "En daar kwam een andere Engel, en stond aan het altaar, hebbende een gouden wierookvat; en Hem werd veel reukwerk gegeven, opdat Hij het met de gebeden aller heiligen zou leggen op de gouden altaar, die voor de troon is. En de rook des reukwerks, met de gebeden van de heiligen, ging op van de hand des Engels voor God." Het opgaan van het reukwerk uit de hand van de Engel voor God geeft het welbehagen te kennen, dat God heeft in de dienst en de gehoorzaamheid van Zijn heiligen door Christus.

Neemt nu deze alle samen, en ziet of niet de Boom des levens een vruchtbare Boom is. Hij brengt twaalf vruchten voort, dat is, vele goede vruchten, een zeker getal genomen voor een onzeker.

Ten tweede, zal ik uw aandacht bepalen bij sommige van de maanden waarin Hij vrucht voortbrengt voor de zielen van Gods volk. U ziet hier, dat de Boom des levens "van maand tot maand Zijn vrucht geeft", dat is, in alle tijden van het jaar. Andere bomen geven slechts eenmaal in het jaar hun vrucht: doch hier is een boom, die van maand tot maand zijn vrucht geeft. Er is geen ogenblik tijd waarin door de hand en de mond van het geloof geen vrucht kan gekregen worden, die rijp en voor het gebruik gereed is. Sommige van die zijn zomer- en andere zijn wintermaanden.

1. Ik zeg: Sommige zijn zomermaanden.

1e Zo is er de lentemaand, of de tijd van bekering, of van de krachtdadige roeping, dan brengt de Boom des levens vrucht voort voor de ziel. In deze maand deelt de Boom des levens leven mee aan de dode ziel. Dan begint de arme ziel voor het eerst het sap van de ware olijfboom in te zuigen en van Zijn vrucht te proeven; dan brengt de Boom des levens voor de ziel de vrucht voort van een vernieuwde natuur: "Ik zal u een nieuw hart geven, en een nieuwe geest in het binnenste van u," de vrucht van het beeld en het afdruksel Gods; dan wordt zij de goddelijke natuur deelachtig.

2e Er is een aangename zomermaand van openbaringen en ontdekkingen van de goddelijke heerlijkheid van het aangezicht des Heeren. Dit wordt de zangtijd genoemd: (Ps. 138:5) "En zij zullen zingen van de wegen des Heeren, want de heerlijkheid des Heeren is groot". (2 Kor. 3:18) "En wij allen met ongedekt aangezicht de heerlijkheid des Heeren als in een spiegel aanschouwende, worden naar hetzelfde beeld in gedaante veranderd, van heerlijkheid tot heerlijkheid, als van des Heeren Geest."

3e Er zijn aangename en lieflijke zomermaanden van toegang tot God in de plichten en ordinantiën. Dan opent Hij de deur, die toegang tot Hem geeft en Hij brengt hen in de ontvangkamer: "Hij voert mij in het wijnhuis, en de liefde is Zijn banier over mij;" "en deze onze gemeenschap is met de Vader en zijn Zoon Jezus Christus." "Mijn ziel wordt als met smeer en vettigheid verzadigd."

4e Er is ook de lieflijke maand of tijd van aanmerkelijke verlossingen van geestelijke of van tijdelijke vijanden, die de Heere voor Zijn volk werkt. De gelovige vindt dan zoveel voedsel op de Boom des levens, dat hij het niet kan nalaten met de Kerk te tjilpen en te zingen: (Jes. 12:2,3) "Ziet, God is mijn Heil, ik zal vertrouwen en niet vrezen; want de Heere Heere is mijn Sterkte, en Psalm, en Hij is mij tot heil worden." "En gijlieden zult water scheppen met vreugde uit de fonteinen des heils." (Exod. 15:1,2) "Toen zongen Mozes en de kinderen Israëls de Heere dit lied, en spraken, zeggende: Ik zal de Heere zingen, want Hij is hooglijk verheven, het paard en zijn ruiter heeft Hij in de zee geworpen. De Heere is mijn Kracht en mijn Lied, en Hij is mij tot een Heil geweest: deze is mijn God, daarom zal ik hem een lieflijke woning maken, Hij is mijns Vaders God, dies zal ik Hem verheffen."

5e Dan is er de verrukkelijke maand van de hernieuwde of levendige geloofsoefening in de Heere Jezus Christus, of op het verbond en de beloften. Dit is een aangename maand waarin de ziel vervuld wordt met vrede en blijdschap. Het eten van de vrucht van de Boom des levens vervult ons "met een onuitsprekelijke en heerlijke vreugde."

6e Ook is er de maand van een levendige liefde tot de beminnelijke Jezus. Dit is een liefelijke zomermaand waarin de ziel overvloediglijk de vrucht eet van de Boom des levens. Wanneer de arme gelovige deze of die belofte krijgt, en in staat gesteld wordt deze honigraten des heils met de hand uit te knijpen en met de mond des geloofs uit te zingen, o, hoe worden dan de genegenheden van de ziel tot de Heere uitgehaald! Dan roept men met de Kerk uit: "Tot Uw Naam, en tot Uw gedachtenis is de begeerte van onze ziel;" en met David: "Wien heb ik nevens U in de hemel? nevens U lust mij ook niets op de aarde."

2. Gelijk er zomermaanden zijn, zo zijn er ook wintermaanden, waarin de Boom des levens zijn vrucht voortbrengt.

1e Daar is de scherpe doordringende wintermaand van overtuiging, bestraffingen en aanklachten van de Heere, wanneer Hij beschuldigingen inbrengt wegens het misbruik van goedertierenheden, wegens ontederheid van wandel en wegens onvriendelijkheid jegens hem: "Is dit uw weldadigheid aan uw vriend?" In deze maand brengt de Boom des levens de vrucht van berouw en bekering voort: "Zij zullen Mij aanschouwen, die zij doorstoken hebben, en zij zullen over Hem rouwklagen." "Die het zaad draagt, dat men zaaien zal, gaat al gaande en wenende; maar voorzeker zal hij met gejuich wederkomen, dragende zijn schoven." Het is in deze maand, dat de zonde de ziel bitter gemaakt wordt, en dat zij verder van de wet af wordt gebracht, en tot de gerechtigheid van de Zoon van God de toevlucht gaat nemen.

2e Dan is er de donkere wintermaand van verlating, wanneer de gelovige "zwart daar heengaat, niet van de zon:" uitroepende: Och of ik wist, dat ik Hem vinden zou! Ziet, ga ik voorwaarts, zo is Hij daar niet, of achterwaarts, zo verneem ik Hem niet. Als Hij ter linkerhand werkt, zo aanschouw ik Hem niet; bedekt Hij zich ter rechterhand, zo zie ik Hem niet. Doch ook dan brengt de Boom des levens door Zijn Geest vrucht voort in Zijn takjes: want hierdoor worden zij teerder, heiliger en omzichtiger gemaakt; hierdoor leren zij hoe kwaad en bitter de zonde is, die scheiding maakt tussen hen en hun God; hierdoor wordt de gelovige onderwezen meer door het geloof te leven op de voorraad, die in de handen van Christus is, dan op de genade, die hem geschonken is.

3e Ook is er de vermoeiende wintermaand van de overmacht van de inwonende verdorvenheid, wanneer de ziel uitroept: "Ongerechtige dingen hebben de overhand over mij; Ik ellendig mens! wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods!" O! Brengt de Boom des levens dan enige vrucht voort voor de ziel? Ia, want dan wordt de ziel, met Job vervuld met verfoeiing en walging van zichzelf, en zij leert meer en meer de les van zelfverloochening, en de toevlucht te nemen tot het bloed van de besprenging tot verderf van het lichaam van de zonde.

4e Er is ook de harteloze wintermaand van dodigheid, ongevoeligheid en onvruchtbaarheid. Dit is ook een sombere vermoeiende maand; doch nochtans brengt de Boom des levens in deze maand Zijn vrucht in de ziel voort, en onderwijst haar, dat haar leven niet in zichzelf maar in de Heere is: "Wij zijn gestorven en ons leven is met Christus verborgen in God. Wanneer nu Christus zal geopenbaard zijn, Die ons leven is, dan zullen wij ook met Hem geopenbaard worden in heerlijkheid."

5e Ook is er de stormachtige maand van inwendige en uitwendige beroering, die als twee zeeën samenkomen, de ziel "verdrukt en door onweder voortgedreven, ongetroost" zijnde, en toch, zelfs dan, "legt Hij de stenen gans sierlijk, en wordt zij op saffieren gegrondvest." De ziel wordt dan gespeend van deze wereld en bekwaam gemaakt "om deel te hebben aan de erve der heiligen in het licht."

6e Dan is er de sombere en duistere maand van de dood, waarin de avondschaduwen langer worden; de arme ziel "door vrees des doods van de dienstbaarheid onderworpen zijnde." Wel, ook in deze maand draagt de Boom des levens vrucht, die een tegengif is tegen de verschrikkingen van dood en graf. Door Zijn vrucht te proeven kan de gelovige de dood in het aangezicht zien, en zingen: "Dood waar is uw prikkel? Hel, waar is uw overwinning?" Hij heeft gezegd: "O dood, waar zijn uw pestilentiën? hel, weer is uw verderf?" (Eng Overz. [zie ook onze kanttekenaars] is) "O dood, ik zal uw pestilentiën zijn; graf, ik zal uw verderf zijn." "Al ging ik ook in een dal der schaduwe des doods, ik zou geen kwaad vrezen, want Gij zijt met mij; Uw stok en Uw staf, die vertroosten mij."

IV. Ons vierde punt is, dat ik een weinig zal spreken over de geneeskrachtige eigenschap van de Boom des levens, en hoe zijn bladeren zijn tot genezing van de heidenen of van de natiën.

Als de tijd het toeliet, zou ik hier kunnen aantonen, 1e wie wij door de natiën moeten verstaan. 2e Wat de krankheden van de natiën zijn. 3e Wat die bladeren van de boom zijn, die tot genezing van de natiën zijn. 4e Hoe het blijkt. dat deze bladeren bestemd zijn tot genezing van de natiën. Ik kan deze bijzonderheden slechts aanstippen.

Ten eerste. Wie hebben wij te verstaan door de natiën?

Ik antwoord in één woord, dat wij door de natiën allen moeten verstaan, die ooit uit Adam zijn voortgesproten, ieder schepsel, hetzij Jood of heiden, dat met een redelijke ziel begiftigd is. "Gaat heen," zegt Christus, "in de gehele wereld, predikt het Evangelie allen creaturen," zonder uitzondering. "Gaat dan heen, onderwijst al de volkeren, dezelve dopende in De naam des Vaders, des Zoons, en des Heiligen Geestes, lerende hen onderhouden alles wat Ik u geboden heb. Gaat en zegt hun, dat Ik, Die de Boom des levens ben, hun tot nut geordineerd ben, en dat er voor een ieder van hen vrucht genoeg, en leven genoeg, in Mij is. Hoewel ik niet aan een algemene verlossing geloof, toch belijd ik een algemene Zaligmaker in de aanbieding van het Evangelie: "Alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeborenen Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk, die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe." Doch ik geloof, dat hier in het bijzonder de arme heidense natiën worden bedoeld, als door tegenstellingen onderscheiden van de Joden. Ik zeg, zij of liever wij, die uit de heidenen zijn, worden in het bijzonder bedoeld, omdat Christus en de zegeningen van het Evangelie nu, onder het Nieuwe Testament, niet meer tot de Joden bepaald zijn. Neen, de grenspaal is afgebroken, het voorhangsel van ceremoniën, de middelmuur des afscheidsels van de Mozaïsche bedeling is gescheurd en neergehaald; zodat "het leven en de onverderfelijkheid aan het licht gebracht is", zowel voor ons als voor hen. De arme heidenen waren gedurende enige duizenden jaren, als vervreemd van het burgerschap Israëls, en vreemdelingen van de verbonden der belofte, uitgesloten. Wanneer zij van Christus, de Boom des levens, hoorden, hadden zij reden te zeggen: O kunnen wij enig voordeel van de Boom des levens hebben? O ja, zegt de Heere, hier is Mijn Christus, Mijn gezalfde Verlosser, tot een licht gegeven om de heidenen te verlichten, en om alle einden van de aarde tot zaligheid te zijn; Zijn bladeren zijn tot genezing van de heidenen.

Ten tweede. Aan welke krankheden lijden de volkeren, waarom zij nodig hebben, dat de genezende bladeren van deze gezegenden boom tot hen worden gebracht? Ik antwoord in het algemeen, dat alle volkeren van de aarde, van de val van Adam af, als een groot hospitaal van kranke mensen zijn geweest, die door een walglijke melaatsheid zijn aangetast: "Het ganse hoofd is krank, en het ganse hart is mat. Van de voetzool af tot het hoofd toe is er niets geheels aan hetzelve, maar wonden en striemen en etterbuilen." En blijft u nog vragen: Wat moeten wij verstaan door de krankheden van de natiën? Dan is mijn antwoord: Het is, in één woord, de krankheid van een verdorven natuur, die zich uitlaat in allerlei zonde en boosheid. De apostel doet verslag van de krankheden van de heidense volkeren voor de openbaring van Christus: (Ef. 2:1—3) "En u heeft Hij mede levend gemaakt, daar gij dood waart door de misdaden en de zonden, in welke u eertijds gewandeld hebt, naar de eeuw dezer wereld, naar de Overste van de macht des luchts, des geestes, die nu werkt in de kinderen van de ongehoorzaamheid. Onder welke ook wij allen eertijds verkeerd hebben in de begeerlijkheden van ons vlees doende de wil des vleses en der gedachten; en wij waren van nature kinderen des toorns, gelijk ook de anderen." (Ziet ook 1 Kor. 6:9—11; Rom. 1:20-32). Uit deze Schriftuurplaatsen kunt u zien, dat de erfzonde de krankheid van de natiën is, die zich in allerlei dadelijke overtredingen naar buiten openbaart. O vrienden! De zonde heeft al de vermogens van onze ziel gekrenkt, en al de leden van ons lichaam krank gemaakt. Zij heeft het verstand verblind, het hart verhard, het geweten verstompt, het geheugen verzwakt, de genegenheden verdorven, die alle van God afgekeerd en hen onder de ijdelheden van de tijd verstrooid; zij heeft ons van de Heere gescheiden, en met vijandschap, onkunde, hoogmoed, geveinsdheid, boosheid en alle kwaad vervuld. In één woord, zij heeft de dood over ons gebracht. Door de zonde is de bleke dood uitgespreid over de volkeren en over ieder mens, die uit Adam is voortgesproten: "Daarom gelijk door één mens de zonde in de wereld ingekomen is, en door de zonde de dood; en alzo de dood tot alle mensen doorgegaan is, in welke allen gezondigd hebben."

Ten derde. Wat hebben wij te verstaan door de bladeren, die tot genezing van de heidenen zijn? De uitdrukking geeft te kennen, dat alles wat in Christus is nuttig en heilzaam is. De bladeren van een boom worden van de gehele boom het minst gewaardeerd. Doch in of aan Christus, de Boom des levens, is niets, dat gemist kan worden, ook niet die dingen welke de vleselijk rede weinig of niet acht: Zijn Persoon, Zijn naturen, Zijn ambten, Zijn verschijningen, Zijn geboorte, Zijn leven, Zijn dood, Zijn opstanding, hemelvaart en voorbidding, alles wat in of aan Hem is, is nuttig en voordelig voor de verloren ziel, wanneer het in het licht van het Woord en de Geest door het geloof wordt gezien. Doch ik houd het er voor, dat wij door de bladeren van de boom, die een genezende kracht hebben voor de volkeren, in het bijzonder hebben te verstaan de leer, de beloften en de geschiedenissen van het heilig woord, waardoor de kennis van Christus, en het geloof in Christus, onder de natiën gewerkt wordt: (Ps. 107:20) "Hij zond Zijn Woord uit, en heelde ze." Het Woord, gepaard gaande met de kracht des Heilige Geestes, is de kracht Gods tot zaligheid voor een ieder, die gelooft." Door het Woord van Zijn kracht heeft Hij de wereld geschapen en de mens op aarde het aanzijn gegeven; en door de kracht van het Woord van Zijn waarheid in het Evangelie, schept Hij nieuwe hemelen en een nieuwe aarde, waarin gerechtigheid woont." Door het Woord van het Evangelie verdringt Hij het koninkrijk van de duivel in de wereld en in de harten van zondaren, en roeit het uit. Door dit wapen, dat niet vleselijk is, maar krachtig door God, tot nederwerping van de sterkten, "werpt Hij de overleggingen terneer, en alle hoogte, die zich verheft tegen de kennis Gods, en leidt alle gedachten gevangen tot de gehoorzaamheid van Christus." Door de prediking van het eeuwig Evangelie door de dienst van de apostelen werden de heidenen genezen van de afgoderijen, bijgelovigheden, dwalingen en andere gruwelen, gelijk wij in Efeze zien, waar zij geheel aan afgoderij waren overgegeven, godsdienst bewijzende aan de godin Diana (Hand. 19:27).

Zo ziet u wat deze bladeren van de Boom des levens zijn, die tot genezing van de heidenen zijn, namelijk de waarheden van het heerlijk en eeuwig Evangelie, die door de dienst des Woords onder de volkeren worden rondgestrooid.

Ten vierde. Hoe blijkt het, dat deze boom en Zijn bladeren tot genezing van de volkeren zijn?

1. Dit blijkt uit de voorzeggingen in de Schrift. Jacob voorzegde op zijn sterfbed, dat de volkeren de gezegende Silo zouden gehoorzaam zijn, of tot Hem zouden vergaderd worden. In Jesaja 11:10 staat een dergelijke profetie: "Want het zal geschieden tenzelfden dage, dat de heidenen naar de wortel Isaï, Die staan zal tot een banier der volkeren, zullen vragen, en Zijn rust zal heerlijk zijn." Het was geprofeteerd, dat de bazuin van het Evangelie zou worden geblazen, niet alleen in het land van Juda, meer ook onder de andere volkeren onder het Nieuwe Testament: (Jes. 27:13) "En het zal te allen dage geschieden, dat er met een grote bazuin geblazen zal worden; dan zullen die komen, die in het land Assur verloren zijn en die heengedrevenen in het land van Egypte, en zij zullen de Heere aanbidden op de heilige berg te Jeruzalem." Wat is dit andere de het uitstrooien van de genezende bladeren van de evangeliewaarheden onder de volkeren?

2. Het blijkt uit de beloften van de Schrift, voornamelijk de beloften aan Abraham gedaan: "In u," dat is, in uw zaad, namelijk in Christus, "zullen al de volkeren gezegend worden." (Ps. 72:17) "Zijn Naam zal zijn tot in eeuwigheid: zolang als er de zon is zal Zijn Naam van kind tot kind voortgeplant worden; en zij zullen in Hem gezegend worden; alle heidenen zullen Hem welgelukzalig roemen." Het was beloofd, dat Hij zou zijn "een Licht tot verlichting der heidenen, en tot zaligheid tot aan het uiterste van de aarde."

3. Het blijkt uit de opdracht, die de apostelen van Christus na Zijn opstanding is gegeven: (Matth. 28:19) "Gaat dan heen, onderwijst al de volkeren, dezelve dopende in de Naam des Vaders, en des Zoons, en des Heiligen Geestes, lerende hen onderhouden alles wat Ik u geboden heb." (Mark. 16:15) "Gaat heen in de gehele wereld, predikt het Evangelie allen creaturen." (Hand. 1:8) "Gij zult Mijn getuigen zijn, zo te Jeruzalem, als in geheel Judea en Samaria. en tot aan het uiterste der aarde."

4. Het blijkt uit de gehoorzaamheid van de apostelen in het uitvoeren van deze opdracht. Zij handelden volgens het bevel, dat zij van hun Heere hadden ontvangen. Wel is waar, verkeerden de apostelen gedurende een korte tijd in het duister omtrent de uitgebreidheid van de aanbieding van het Evangelie aan de heidenen, tot aan het gezicht, dat Petrus kreeg van het laken met de reine en onreine dieren; doch daarna predikten zij het Evangelie aan Joden en heidenen, zonder enig onderscheid te maken Christus aanbiedende, en Zijn genezende, verwelkomende waarheden predikende, aan elke man en vrouw, zonder onderscheid te maken tussen Barbaar of Scyth, dienstknecht of vrije.

5. Het blijkt ook dadelijk uit de werkelijke genezing van velen uit de heidense volkeren, door de bladeren van deze gezegende boom. In Openb. 7:4 lezen wij, dat er "honderd vier en veertig duizend verzegeld (of genezen) waren uit alle geslachten van de kinderen Israëls;" doch in vs. 9 lezen wij van "een grote schare, die niemand tellen kon, uit alle natiën, en geslachten, en volken, en talen, staande voor de troon, en voor het Lam, bekleed zijnde met lang witte klederen, en palmtakken waren in hun handen. En zij riepen met grote stem, zeggende: De zaligheid zij onze God, die op de troon zit, en het Lam." Nu, uit al deze blijkt duidelijk en klaar, dat de bladeren van de Boom des levens verordineerd en bestemd waren tot genezing der heidenen."

 

De Boom des levens Zijn vruchten en bladeren afschuddende onder de natiën (3e preek)

Openb. 22:2. In het midden van haar straat en op de ene en de andere zijde der rivier was de boom des levens, voortbrengende twaalf vruchten, van maand tot maand gevende zijne vrucht; en de bladeren des booms waren tot genezing der heidenen.

Ik heb in de beide voorgaande preken over deze tekst deze algemene of veelomvattende leer verhandeld: "Dat de Heere Jezus Christus een vruchtbare en geneeskrachtige Boom is, Die door Zijn Vader in de stad van de Nieuw Testamentische Kerk is geplant, tot nut van de verhongerende en kranke volkeren van de aarde."

Ik heb deze leer overeenkomstig de verdeling in vier punten verhandeld, en blijft nu nog over, het met een woord van toepassing, zijnde het vijfde of laatste punt, te sluiten.

Het eerste gebruik zal zijn, dat ik uit het geheel enige gevolgtrekkingen maak.

1. Uit hetgeen omtrent deze Boom des levens gezegd is kunnen wij zien, dat het paradijs, tot groot voordeel, door de tweede Adam weer geopend en herwonnen is. Gij weet, dat Adam, onmiddellijk na de val, uit het paradijs verdreven werd, en dat "de Heere God Cherubim stelde tegen het oosten van de hof van Eden, en een vlammig lemmer eens zwaards, dat zich omkeerde; om te bewaren de weg van de boom des levens." Doch hier, in mijn tekst, is het paradijs geopend, de Boom des levens toegankelijk verklaard, Zijn vrucht bestemd tot voeding, en Zijn bladeren tot genezing van de heidenen. In één woord, "het leven en de onverderfelijkheid is aan het licht gebracht door Christus," voor verloren zondaren, die uit de tegenwoordigheid Gods waren verbannen en buitengesloten. En vraagt u mij: Hoe komt dat? Dan is mijn antwoord: Dat Christus, als de tweede Adam, door Zijn bloed het vlammig zwaard van de gerechtigheid heeft uitgeblust met Zijn bloed: de vlammen van de toorn Gods zijn uitgeblust door het voldoenend bloed van Jezus, en daarop zet God de deuren van het paradijs. open; Hij opent een verse en levende weg naar de heerlijkheid.

2. Ziet wat een heerlijke en uitnemende maatschappij de Kerk van God is, namelijk de strijdende Kerk, die maar een flauwe vertoning is van wat de triumferende Kerk zal zijn. Doch zelfs de strijdende kerk is een gelukzalige plaats. U ziet hier, dat zij de hof Gods is: daar groeit "de Boom des levens" met Zijn twaalf vruchten, van maand tot maand gevend Zijn vrucht;" daar schudt de Boom des levens Zijn vrucht af, en laat die vallen; daar worden Zijn bladeren gevonden tot genezing van de heidenen; daar vloeit de zuivere rivier van het water des levens, die de stad Gods verblijdt. Van het aardse paradijs staat geschreven: (Gen. 2:10) "En een rivier was voorgaande uit Eden, om deze hof te bewateren, en werd van daar verdeeld, en werd tot vier hoofden." Doch hier is een veel betere rivier, namelijk het water des levens, en de verscheidene beken van de invloeden van de Heilige Geest. In de beschrijving van het aardse paradijs lezen wij, dat daar goud was, en dat het goud goed was, en dat daar ook was Bedola, en de steen Sardonyx. Dit is veel meer waar van de Kerk van Gods daar is "goud beproefd komende uit het vuur," goud, veel beter dan het goud van Ofir. O wat een gelukzalige en bevoorrechte plaats is de Kerk van God! "Zeer heerlijke dingen worden van u gesproken, o stad Gods. Schoon van gelegenheid, een vreugde van de ganse aarde is de berg Sion: Uit Sion, de volkomenheid der schoonheid verschijnt God blinkende; God is in haar paleizen; Hij is er bekend voor een hoog vertrek."

3. Ziet hieruit wat een heerlijke, algenoegzame en gepaste Zaligmaker Christus is; Hij is de boom des levens, de Fontein des levens, waaruit alle fonteinen ontspringen: "Want gelijk de Vader het leven heeft in Zichzelf, alzo heeft Hij ook de Zoon, als Middelaar, gegeven het leven te hebben in Zichzelf. Hij brengt twaalf vruchten voort, gepast voor de onderscheiden behoeften van verloren zondaren, die ten allen tijde en in alle toestanden voor het gebruik gereed zijn. In hem woont al de volheid van de Godheid lichamelijk; en welke ook onze zielsziekten zijn, er is voor ons een gepast geneesmiddel in hem: "Zijn bladeren zijn tot genezing der heidenen." Zodat Christus een gepaste en algenoegzame Zaligmaker is; "zodanig een Hogepriester betaamde ons." Hij is uitnemend berekend voor onze behoeften, welke schade of welk nadeel wij ook hebben geleden door van de verboden vrucht te eten; in de gezegenden Boom des levens is nu voor een gepast tegengif gezorgd.

4. Ziet welke voortreffelijke personen de gelovigen zijn. Zij zijn de takken en twijgen van de Boom des levens: "Ik ben de Wijnstok en gij de ranken;" alle takjes en ranken ontvangen hun voortreffelijkheid, sappen en vruchten uit de wortel waarop zij groeien. O, welgelukzalig zijn zij, die door de Geest en het geloof van de wortel van de eerste Adam afgesneden en in Hem geënt, aan de Heere verbonden, en één geest met hem zijn! Daarom worden de gelovigen "eikebomen der gerechtigheid" genoemd, "een planting des Heeren, opdat Hij verheerlijkt worde."

5. Ziet hieruit de uitnemendheid van het Evangelie, dat de Boom des levens ontdekt, en Zijn vruchten en bladeren tot de volkeren van de aarde brengt. Welgelukzalig is het volk, dat door het Evangelie dit lieflijk geklank kent, namelijk, die verborgenheid, die verborgen is geweest van alle eeuwen en van alle geslachten, maar die nu geopenbaard is, Wat een voorrecht is het, dat wij in deze wereld leven en in een dag en tijd, waarin het paradijs Gods geopend is, en waarin de Boom des levens door het Evangelie ontdekt is aan de arme heidenen, die "vervreemd waren van het burgerschap Israëls, en vreemdelingen van de verbonden der belofte."

6. Ziet uit hetgeen gezegd is de noodzakelijkheid en voortreffelijkheid van de genade van het geloof. De Boom des levens toch kan, hoewel zij in het midden van onze straten groeit, niet onderscheiden worden zonder geloof. Het geloof is het oog van de ziel, dat op Hem ziet en Hem onderscheidt; het geloof is de mond van de ziel, die Zijn vrucht eet; het is de hand van de ziel, die zijn genezende bladeren neemt en Hem toepast tot genezing van de krankheden van de ziel. In één woord, zonder geloof kan Christus ons niet nut zijn. O vrienden, bidt om het geloof van de werking Gods, om dat geloof, dat door het Woord en de Geest Gods gewerkt wordt.

7. Ziet hieruit de noodzakelijkheid van de Geest, tot toepassing van Christus; want de rivier bevloeit de ganse stad en brengt de vruchten van de Boom des levens tot ons over: "Die zal van Mij getuigen, want Hij zal het uit het Mijne nemen, en zal het u verkondigen." O bidt veel om de Geest, pleit op de belofte: "Want ik zal water gieten op de dorstigen en stromen op het droge; ik zal Mijn Geest op uw zaad gieten, en Mijn zegen op uw nakomelingen."

8. Ziet hieruit hoe het ongeloof niet te verontschuldigen is, en hoe rechtvaardig zij verloren gaan, die binnen de zichtbare kerk, waar Christus wordt gepredikt, in het ongeloof blijven volharden. Zij hebben toch geen middel bij de hand, dat voor de nood van hun ziel gepast is, en toch verachten zij, dat de weg tot de Boom des levens is opengezet. Ja, de Boom des levens is "op de ene en de andere zijde van de rivier, en in het midden van haar straat"; Zijn vruchten en genezende bladeren als het ware aan hen toereikende; hen achtervolgende met de aanbiedingen van Zijn genade en liefde; en toch "willen zij niet komen opdat zij het leven mogen hebben." O vrienden! overweegt dit om ‘s Heeren wil: "Hoe zullen wij ontvlieden, indien wij op zo grote zaligheid geen acht nemen?"

Het tweede gebruik van deze leer zal zijn tot beproeving en onderzoek.

Vrienden, bent u in de straten en wijken van de stad Gods, van de Nieuw Testamentische Kerk, geweest, waar de Boom des levens groeit en bloeit? Ik bedoel, hebt u de ordinantiën van goddelijke instelling bijgewoond, waar Christus ontmoet kan worden? Ik vraag dan: Wat weet of kent u van de Boom des levens? Meer in het bijzonder:

1. Vergunt mij u te vragen: is de Boom des levens ooit in uw ziel ingekomen? Het leven van Jezus is het leven van de gelovige: "Ik leef, doch niet ik, maar Christus leeft in mij." Als u iets van de Boom des levens in u hebt, dan zult u zichzelf nooit tevredenstellen met een ledige belijdenis, doch u zult wensen vruchtbaar te zijn als de Boom des levens. Aan deze Boom des levens groeien geen onvruchtbare takken; neen, neen, uw vrucht zal zijn tot heiligmaking, u zult hijgen naar de heiligheid van het Hoofd, naar Hem gelijk te zijn in zijn navolgbare volmaaktheden. Het weinigje heiligheid, dat tegenwoordig onder de belijders wordt gevonden, is een droevig bewijs, dat er maar weinigen onder ons zijn, die in deze gezegende Boom des levens geënt zijn. Als u leven uit de Boom des levens hebt, dan zult u zorgvuldig zijn in dat leven, dat u in en uit Hem hebt gekregen, te bewaren. De natuur heeft een neiging tot alles wat strekt om het leven te bewaren, zo zal het ook met u zijn, u zult lust hebben in het levende Woord en de inzettingen Gods; "één dag in Zijn voorhoven zal u beter zijn dan duizend elders." De zonde, die uw leven schadelijk is, zal u een zware last zijn, u zult haar als nadelig voor uw leven vermijden.

2. Ik vraag u ter beproeving: bent u door de zich uitspreidende takken van deze Boom des levens overschaduwd geworden? Want deze Boom des levens strekt, naar u gehoord hebt, Zijn takken uit tot elke hoek van de stad. Kunt u ook met de bruid zeggen: (Hoogl. 3:3) "Ik heb grote lust in Zijn schaduw, en zit er onder?" Wanneer uw ziel gezengd dreigde te worden door het vuur van Gods toorn, door het vuur van de verdrukking, of door de vorige pijlen van de satan, of door het vuur van een ontwaakt geweten, wat heeft u toen gemak en verlichting verschaft? Werden uw ogen geopend om de Boom des levens te aanschouwen, en was u vast besloten, door het geloof, voor uw verloren gaande ziel schuiling te zoeken onder de schaduw van Zijn gehoorzaamheid tot de dood toe; onder de schaduw van Zijn voorbidding; onder de schaduw van Zijn getrouwheid, waartoe Hij Zich in het woord van de belofte heeft verbonden? Hebt u zich tot Christus, de Boom des levens, gewend, als een verberging tegen de wind, en een schuilplaats tegen de vloed? Heeft uw ziel de toevlucht genomen tot Hem, met verwerping van alle andere toevluchten als toevluchten van leugens, zeggende: "Dit is mijn rust, hier zal ik wonen; in de Heere zijn gerechtigheden en sterkte", en daar zal ik schuilen?

3. Ik vraag u: zijn er enige van de beekjes van de rivier, die onder en tussen de takken van de Boom des levens doorvloeien, in uw ziel gestroomd? Ik bedoel dit: is de Geest van Christus in uw ziel gekomen? "Ik zal mijn Geest geven in het binnenste van u". zegt de Heere. Indien ja, dan zal de Geest in u zijn "als een Fontein opspringende tot in het eeuwige leven." De Geest van Jezus in de ziel is als een levende bron, die uit de grond opwelt, waardoor zij van water wordt voorzien, en deze levende fontein binnen in u zal het een of ander opwellen, dat goed is; want "de goede mens brengt goede dingen voort uit de goede schat van het hart." Zo zegt David: (Ps. 45:2) "Mijn hart geeft", of welt, "een goede rede op", en dan volgt daarop: "mijn tong is een pen eens vaardigen schrijvers." De Geest des Heeren binnen in u zal goede dingen van Christus opgeven, hetwelk u zal doen zeggen: "Mijne overdenking van Hem zal zoet zijn." Sommige geloofsdaden, liefde, bekering, hoop, en dergelijke, zullen in goede woorden en werken opwellen, zodat uw tong Zijn zaak bepleiten en goed van Hem zal spreken; uw handen zullen voor Hem willen werken, en uw voeten zullen Zijn boodschappen doen: (Ps. 119:32) "Ik zal de weg Uwer geboden lopen, als Gij mijn hart verwijd zult hebben."

4. Wat dunkt u van de vruchten van de Boom des levens? Want, zoals u gehoord hebt, "Hij brengt twaalf vruchten voort, van maand tot maand gevend Zijn vrucht." Kunt u met de bruid zeggen, dat u niet alleen "grote lust hebt in Zijn schaduw, en er onder zit, maar dat Zijn vrucht uw gehemelte zoet is?" Ja zo zoet, dat u het niet kunt laten uw medechristenen toe te roepen: "Smaakt en ziet, dat de Heere goed is. Komt, hoort toe, o allen gij, die God vreest, en ik zal vertellen wat Hij aan mijn ziel gedaan heeft?" Er is zo’n zoetheid in de vruchten van Zijn vleeswording, gehoorzaamheid, dood, opstanding en hemelvaart, dat het, wanneer die met de mond van het geloof worden beproefd, lieflijk door alle vermogens van de ziel heengaat, "als goede wijn, doende de lippen van de slapenden spreken." U, die naar een avondmaalstafel, onder het Woord, tot de sacramenten en het gebed gaat, en nochtans nooit van de vrucht van de Boom des levens hebt geproefd, u bent de Egyptische mummies gelijk, die maar de lichamen zijn van gebalsemde doden, die zij vier of vijf honderd jaren willen bewaren: zij brachten die gebalsemde lichamen van hun voorvaderen aan tafel en zetten ze, onder het eten, op hun stoelen. Dat is een levendig zinnebeeld van sommige belijders van de godsdienst, zij zitten evenals anderen aan tafel, zij zitten daar, maar zij eten nooit door het geloof van de vrucht van de Boom des levens; en "tenzij bij het vlees des Zoons des mensen eet, en Zijn bloed drinkt, zo hebt gij geen leven in uzelven." O vrienden! zegt mij: Is Christus uw dagelijks voedsel? Is Zijn vlees u smakelijk? Is zijn bloed u verkwikkelijk als koud water? Plukt u dagelijks de vruchten van Zijn dood, opstanding en voorbidding?

5. Welke genezende kracht, of welk geneeskrachtig vermogen hebt u ervaren van de bladeren van de boom, die "tot genezing der heidenen zijn?" Ik zei u, dat ik door de bladeren van de Boom des levens Zijn genezend of helend woord versta: "Hij zond Zijn woord uit en heelde ze"; omdat, gelijk de vruchten tussen de bladeren van een boom hangen. zo ook Christus en al de vruchten van Zijn gehoorzaamheid tot de dood, en van Zijn opstanding en hemelvaart, in het Woord van Zijn genade en waarheid in dit Evangelie zijn ingewikkeld. Daarom vraag ik: Welke vruchten hebt u nu of bij andere gelegenheden vergaderd en toegepast? Kunt u zeggen, "Hij zond Zijn Woord uit en heelde mij?" Zulk een woord kwam met kracht tot mijn ziel, en het was mij heilzaam en als merg voor mijn beenderen. Ik was dood en stomp en levenloos, doch Hij zond dat woord uit en maakte mij levend. Ik was met duisternis omwonden, doch Hij zond Zijn woord uit, en "de opening Zijner woorden gaf mij licht." Ik was verward in de plicht, doch zijn woord kwam en bestuurde mij, zodat het als een wolk- en vuurkolom was, die mij de weg aanwees; Hij deed "een stem achter mij horen, zeggende: Dit is de weg, wandel in dezelve." Ik was besloten, zodat ik niet kon horen, lezen, bidden, overpeinzen, of ten Avondmaal gaan, doch Hij zond zo’n blad, zo’n woord, zodat "mijn hart verwijd werd, om de weg van Zijn geboden te lopen." Het was alsof mijn hart mij zou ontzinken door droefheid en treurigheid, doch Hij zond Zijn Woord uit en beurde mij weer op: "God heeft gesproken in Zijn heiligdom, dies zal ik van vreugde opspringen." Ziet daarom welke genezende kracht door de bladeren van de Boom des levens aan uw ziel is medegedeeld.

6. Wanneer u door het geloof van Zijn vrucht mag eten en Zijn bladeren aanwenden, zal het u zijn alsof u in het paradijs bent, ja, in een beter paradijs dan dat waarin Adam was in de hof van Eden. O dat zal de lust van uw leven en de blijdschap uws harten zijn, de vermakelijke Boom des levens te aanschouwen, en nu en dan Zijn vrucht in de straten of de goddelijke instellingen te plukken en te genieten: "vervuld met alle blijdschap en vrede in het geloven." "Dewelke gij niet gezien hebt, en nochtans liefhebt; in Dewelke gij nu, hoewel Hem niet ziende, maar gelovende, u verheugt met een onuitsprekelijke en heerlijke vreugde." David verlustigde zich zo in deze Boom des levens door het geloof te beschouwen, dat het dat "één ding" was, dat hij begeerde en zocht: "de lieflijkheid des Heeren te aanschouwen en te onderzoeken in Zijn tempel." Ja, één dag in Zijn voorhoven was hem beter dan duizend elders; hij koos liever aan de dorpel in het huis zijns Gods te wezen, dan lang te wonen in de tenten der goddelozen."

Het derde gebruik van deze leer zal zijn tot vermaning.

Ten eerste. Van allen in het algemeen. O vrienden, wilt tot de Boom des levens komen, want de poorten van het paradijs zijn weer geopend. "O alle gij dorstigen, komt tot de wateren, en gij, die geen geld hebt, komt. Die wil, die kome en neme van de Boom des levens om niet." O dode zondaren, wilt tot Christus komen, want Hij is "de Boom des levens," en dit is Gods getuigenis aan u, "dat Hij ons het eeuwige leven gegeven heeft; en ditzelve leven is in Zijn Zoon." O van honger omkomende zondaren, komt en eet vrijmoedig en overvloedig van de vrucht van de Boom des levens, want "hij draagt twaalfderlei vrucht, en geeft Zijn vrucht van maand tot maand;" Hij heeft vrucht genoeg en over. O kranke zondaren, die wegkwijnt in uw ongerechtigheden, komt tot de Boom des levens en wordt genezen, want "zijn bladeren zijn tot genezing van de volkeren." O zondaren, die verzengd en verbrand bent door de hitte van de toorn Gods, of door het vuur van een ontwaakt geweten, komt en schuilt onder de zich uitspreidende takken van de Boom des levens; gaat onder Zijn schaduw zitten, want "Hij is een schaduw voor de hitte en een verberging tegen de wind."

Om u hiertoe te bewegen. overweegt

1. Welk leven te verkrijgen is door tot deze Boom des levens te komen: een leven van rechtvaardigmaking, heiligmaking, vertroosting en eeuwige heerlijkheid; een goddelijk leven, een koninklijk leven, een hemels leven, een aanwassend leven, een onsterfelijk leven, over alle welke ik u in het leerstellig gedeelte heb gesproken.

2. Overweegt welk een uitstekende bescherming u zult vinden onder de schaduw van deze boom. Hier zult u een bescherming vinden: (1.) tegen de toorn van een toornig God, Die een verterend vuur is. Onze Jezus verlost van de toekomende toorn. God verklaart, dat geen grimmigheid bij Hem is tegen iemand, die onder de schaduw van Zijn gerechtigheid wil komen. (2). Hier zult u schuiling vinden tegen de woede van de satan. De duivel moet het leven van de Boom des levens wegnemen, hij moet hem weer afhouwen en Zijn bladeren afplukken, voordat hij de ziel kan machtig worden, die zich onder Zijn schaduw bevindt. (3). Hij bewaart tegen de grimmigheid van de mensen, Hij zegt: "In Mij zult gij vrede hebben. In de wereld zult gij verdrukking hebben, maar hebt goede moed, ik heb de wereld overwonnen."

3. Overweegt de voortreffelijke eigenschappen van de vrucht van de Boom des levens. (1). Het is ene aangename vrucht; zij is het gehemelte zoet (Hoogl. 2:3). Geen van de bomen van het paradijs bracht vrucht voort gelijk die welke in het midden van het Nieuw Testamentische paradijs groeit. (2). Het is een heilzame vrucht, "die God en mensen vrolijk maakt." God rook een lieflijke reuk in Zijn dood, en de Heere had lust aan Hem om van Zijn gerechtigheidswil." Zij vervrolijkt het hart van de gelovige, die haar eet, en geeft meer vreugde in het hart, dan de goddelozen kunnen hebben, wanneer hun koren en hun most vermenigvuldigd zijn. 3. Het is een overvloedige vrucht. Komt en eet zoveel u lust, tot verzadiging toe; er zal niets gemist worden, de boom is volgeladen. (4). Er is verscheidenheid van vruchten aan deze boom. Sommige vruchtbomen dragen overvloedig één soort van vrucht, doch de uitnemendheid van deze boom ligt hierin, dat hij "twaalfderlei vruchten geeft," allerlei vruchten, passend voor de behoeften van de ziel. (5.) De vruchten van de Boom des levens zijn duurzaam en voor altijd, want Hij brengt Zijn vrucht voort "van maand tot maand," in elk jaargetijde. (6). Het is een voedzame vrucht. De vrucht van deze boom doet de ziel groeien, en "van kracht tot kracht gaan, totdat zij voor God zal verschijnen in Sion."

4. Beziet de bladeren van de boom, en laat dit u begerig maken door het geloof tot Hem te komen. Zij zijn tot genezing van de heidenen. Wat is uw krankheid. O zondaar? Wat het ook zij, u zult aan deze boom een blad vinden, dat u kan genezen. (1.) Bent u een blind zondaar? Hier is een blad van de boom, dat voor uw kwaal gepast is: (Ps. 146:8) "De Heere opent de ogen van de blinden." (Openb. 3:18) "Ik raad u, dat, gij van Mij koopt ogenzalf, opdat u zien mag." (2.) Bent u doof, zodat u de stem van God in Zijn Woord of in zijn roede niet kunt horen? Wel, hier is een blad van de Boom des levens tot genezing van uw kwaal: (Jes. 35:5) "Der doven oren zullen geopend worden." (Joh. 5:25) "De ure komt, en is nu, wanneer de doden zullen horen de stem des Zoons Gods, en die ze gehoord hebben zullen leven." (3.) Bent u een kreupele zondaar, die niet in de weg des Heeren kunt wandelen? Hier is een blad voor u; (Jes. 35:6) "Alsdan zal de kreupele springen als een hert"; dan namelijk, wanneer het Evangelie onder de heidenen gepredikt zal worden tot hun genezing. (4.) Bent u een stomme zondaar. zodat u geen woord kunt spreken in de dingen Gods, niet kunt bidden, noch danken? Wel, hier is een blad voor uw kwaal: (Jes. 35:6) "De tong des stommen zal juichen." Bent u een zondaar met een hard hart? Is dit uw kwaal, dat u uw hart harder bevindt te zijn dan een diamant? Hier is een blad voor u: (Ezech. 36:26) "En Ik zal u een nieuw hart geven, en zal een nieuwe geest geven in het binnenste van u; en Ik zal het stenen hart uit uw vlees wegnemen, en zal u een vlezen hart geven." Hebt u een vuil, besmet geweten in u, die besmet is met de schuld van de zonde? Wel, hier is een blad voor u: (Ezech. 36:25) "Dan zal Ik rein water op u sprengen, en gij zult rein worden; van al uw onreinheden en van al uw drekgoden zal Ik reinigen." (Zach. 13:1) "Te dien dage zal er een Fontein geopend zijn voor het huis Davids, en voor de inwoners van Jeruzalem, tegen de zonde, en tegen de onreinheid." (1 Joh. 1:7) "Het bloed van Jezus Christus zijn Zoon reinigt ons van alle zonde." Is uw kwaal, dat verdorvenheid, godloochening. ongeloof, vijandschap, de overhand over u hebben? Dan is hier een blad voor u: (Mich. 7:19) "Hij zal Zich onzer weer ontfermen; Hij zal onze ongerechtigheden dempen; ja, Gij zult al hun ongerechtigheden in de diepten van de zee werpen. (Rom. 6:14) "De zonde zal over u niet heersen; want gij zijt niet onder de wet, maar onder de genade." Is uw ziel als de bergen van Gilboa, dor, verzengd, als de grond, die gebrek aan regen heeft? Hier is een blad voor u: "Want Ik zal water gieten op de dorstigen en stromen op het droge; ik zal Mijn Geest op uw zaad gieten, en Mijn zegen op uw nakomelingen" (Jes. 44:3). Bent u onrustig door rusteloosheid van geest, zodat u in niets kunt rusten? Dan is hier een blad voor u: (Jes. 11:10) "Want het zal geschieden tenzelfden dage, dat de heidenen naar de wortel van Isaï, Die staan zal tot een banier der volkeren, zullen vragen en Zijn rust zal heerlijk zijn." (Matth. 11:28) "Komt herwaarts tot Mij, allen, die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven." Hebt u last van het bezwijken van uw geest in de weg des Heeren? Wel, hier is een blad voor u: Jes. 40:29) "Hij geeft de moeden kracht, en Hij vermenigvuldigt de sterkte dien, die geen krachten heeft." Zo ziet u, dat er geen kwaal is, voor welke niet de Boom des levens een blad ter genezing heeft.

5. Overweegt, dat gelijk de Boom des levens voor uw nooddruft berekend is, Hij zo ook voor uw gebruik, en tot nut van iedere zondaar, die door het geloof gebruik van Hem zal maken, bestemd is: (Joh. 3:14-16) "En gelijk Mozes de slang in de woestijn verhoogd heeft, alzo moet de Zoon des mensen verhoogd worden. Opdat een ieder, die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe. Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk, die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe." (Jes. 9:5) "Een Zoon is ons gegeven." Al wat Hij als Middelaar is, dat is Hij voor ons. Is Hij een Zaligmaker? Hij is dat voor hen, die verloren zijn. Is Hij een Profeet? Hij is dat om de onwetenden te leren. Is Hij een Priester? Hij is voor de mensen gesteld in de zaken, die bij God te doen zijn. Is Hij een Koning? Het is om ons te overwinnen en gevangen te nemen, te regeren en te heersen. Is Hij een Heelmeester? Het is, opdat Hij de kranken zou genezen. Is Hij een Herder? Hij is dat, om ons in Zijn weide te weiden. Is Hij een Deur? Het is opdat wij door Hem tot God zouden gaan. Is Hij een Fondament? Het is opdat wij op Hem zullen bouwen. Is Hij Spijze? Het is opdat wij Hem zullen eten. Is Hij Drank? Hij is dat voor de arme ziel, die behoefte heeft aan de zaligheid, gelijk een dorstige behoefte heeft aan water. Dus, al wat Hij als Middelaar is, dat is Hij voor ons: "Hij is ons geworden wijsheid van God, en rechtvaardigheid, en heiligmaking, en verlossing."

6. Overweegt, dat deze boom toegankelijk is; want hij is "in het midden van haar straat." Hoewel hij uitermate verhoogd en boven de hemelen verheven is, toch buigen Zijn takken zich neer tot laag bij de grond, opdat de hand van het geloof Zijn vruchten en bladeren kan plukken. (Rom. 10:6—8). "Maar de rechtvaardigheid, die uit het geloof is, spreekt aldus: zeg niet in uw hart: wie zal in de hemel opklimmen? Het is Christus van boven afbrengen. Of: wie zal in de afgrond neerdalen? Het is Christus uit de doden opbrengen. Maar wat zegt zij? Nabij u is het woord, in uw mond en in uw hart. Dit is het woord des geloofs, hetwelk wij prediken." Ja, hij buigt niet alleen Zijn takken neer, om Zijn vruchten en bladeren bereikbaar te maken; doch Hij schudt Zijn vruchten af en laat ze in het dal des gezichts vallen, en strooit ze rondom de deuren van onze tenten, evenals het manna om de tenten van de Israëlieten regende. O strek dan de hand van uw geloof uit en raapt.

7. U wordt niet alleen genodigd, maar u wordt geboden de vrucht te eten en de bladeren van de boom aan te wenden. Dit is het werk van God, dat Hij van u vereist: "Dit is Zijn gebod, dat wij geloven in de Naam Zijns Zoons Jezus Christus." Er is een roeping, waarvan een ieder, die van Christus hoort, gebruik moest maken; als u daaraan geen gehoor geeft, bent u aan de grote God ongehoorzaam in het voornaamste gebod, dat Hij ooit tot mensen deed uitgaan. Het wordt niet aan uw keuze gelaten; neen, u bent onder een wet besloten, die van u eist, dat u de vruchten van deze boom zult nemen.

8. U zult sterven, wanneer u niet van de vrucht van de Boom des levens eet: (Joh. 8:24) "Want indien gij niet gelooft, dat Ik Die ben, gij zult in uw zonden sterven," en dus voor eeuwig verloren gaan. "Die niet gelooft is reeds veroordeeld." Let dan op het gevaar, dat u loopt; doch indien u gelooft zult gij zalig worden. "Die in hem gelooft zal niet verderven, maar het eeuwige leven hebben." De vruchten en bladeren van deze Boom des levens zijn een tegengif tegen het kwaad, dat over ons gekomen is, doordat onze eerste ouders van de verboden vrucht hebben gegeten, waardoor zij en hun ganse nakomelingschap in het verderf zijn gestort.

Dus heb ik getracht u de weg tot de Boom des levens te openen. Wat zal ik meer zeggen? Ik heb in de beweegredenen getracht de tegenwerpingen van het ongeloof te beantwoorden. Ik zal deze vermaning sluiten met een woord van raadgeving.

Als u het zaligmakend voordeel van deze Boom des levens wilt inoogsten:

1. Wees dan overtuigd van de volstrekte noodzakelijkheid, van deel te hebben aan Christus en Zijn zaligmakende vruchten. Overdenkt daartoe ernstig, dat u, doordat u in uw eerste ouders van de verboden vrucht hebt gegeten, gestorven, gedood, en vermoord bent; en dat u, wegens de verbreking van het eerste verbond, uit de tegenwoordigheid Gods bent uitgesloten. Hoe bezwaard was Adam, toen hij uit het aardse paradijs verdreven werd, en het vlammig zwaard zich voor hem omkeerde! O wat had hij wel willen geven, om tot de Boom des levens te mogen toegaan! Nu, dit is uw toestand, o zondaar, u bent een verbannene, het zwaard van de gerechtigheid flikkert boven uw hoofd.

2. Wees overtuigd, dat het leven te verkrijgen is door gebruikmaking van Christus, de Boom des levens, door het eten van Zijn vrucht, en door het aanwenden van Zijn bladeren. Om u hiervan te overtuigen hebt u de getuigenis van de Drie-eenheid, dat dit leven is in zijn Zoon. "Die de Zoon heeft, die heeft het leven."

3. Wees goed overtuigd van uw recht om van Hem gebruik te maken. Denkt daartoe aan het gebod om te geloven, en de aanbiedingen, roepingen en nodigingen van het woord, en de beloften, dat u welkom zult zijn.

4. Slaat de armen van uw zielen om de Boom des levens met een vast besluit Hem niet los te laten, zeggende: "Kom ik om, dan kom ik om." Doch zegt u misschien: ik ben zo ver van de Boom des levens, ik kan Hem niet omarmen, of Zijn vruchten plukken. Dan geef ik andere raad:

5. Ziet op de Boom des levens, en in het zien op hem zal zaligheid in uw ziel afdalen: (Jes. 45:22) "Wendt u naar mij toe, of (Engelse overzetting) zie op Mij, en wordt behouden" (Ps. 34:6) "Zij hebben op Hem gezien, en (Engelse overzetting) zijn verlicht." Doch u zegt misschien: ik kan niet zien.

6. Als u de Boom des levens niet kunt zien, roept dan tot Hem en zoekt hem, want "gij, die God zoekt, ulieder hart zal leven". "Deze ellendige riep, en de Heere hoorde hem." Bartimeüs riep, en Hij hoorde hem. Die arme vrouw riep: "Heere, help mij," en Hij hoorde haar.

7. Als u niet kunt roepen, laat dan uw begeerten uitgaan naar een proeven van Zijn vrucht, naar een genezend blad, naar enige mededelingen van Christus aan uw ziel; omdat "Hij de dorstige" of begerige "ziel verzadigd, en de hongerige ziel met goed vervuld heeft."

8. Zegt u: ik begeer en word niet verzadigd. Dan antwoord ik: u hebt lijdzaamheid nodig; wacht en verlang, en verlang en wacht op de Heere; "want de Heere is een God des gerichts; welgelukzalig zijn die allen, die Hem verwachten. De Heere is goed dengenen, die Hem verwachten, der ziel die Hem zoekt." Wacht gedurig op Hem, en u zult niet beschaamd worden.

Een tweede woord van vermaning is tot u, die gelovigen bent, die zich door het geloof wezenlijk tot de Boom des levens gewend en van Hem gebruik gemaakt hebt.

1. O verheugt u, en verblijdt u in de Heere, dat het paradijs weer voor u veroverd is, en dat u niet gedood bent door de Cherubim met het vlammig zwaard; ja, dat u, van de Boom des levens geproefd hebbende, en onder Zijn schaduw zittende, buiten het bereik van de dood, de rechtvaardigheid, en de vloek bent. U ziet, dat op mijn tekst volgt; daar zal geen vervloeking meer zijn; geen vervloekende straf van de wet meer voor hen, die tot Christus, de Boom des levens, zijn gekomen. Er is geen verdoemenis voor degenen, die in Christus Jezus zijn; neen, neen, Christus heeft ons verlost van de vloek van de wet, een vloek geworden zijnde voor ons. En daarom, "Verblijdt u in de Heere allen tijd: wederom zeg ik u, verblijdt u."

2. Blijft onder de schaduw, maakt uw nest in de takken van deze gezegende Boom. Volgt de bruid na, zij "zat onder Zijn schaduw." U weet, dat de vogels hun nesten in de takken bouwen, en daarom vliegen zij om veilig te zijn. (Ps. 104:16,17) "De cederbomen van Libanon, die Hij geplant heeft. Alwaar de vogelkens nestelen; des ooievaars huis zijn de dennebomen." Laten zo ook alle paradijsvogels komen om hun nest, hun huis, hun woning, in de Boom des levens te maken. "Tot Hem zullen de heidenen komen, en Zijn rust zal heerlijk zijn." David zeide: (Ps. 116:7) "Mijn ziel, keer weder tot uw rust, want de Heere heeft aan u welgedaan."

3. Leeft van de vrucht van de Boom; leeft van de vrucht van Zijn gehoorzaamheid, dood, opstanding, hemelvaart en voorbidding; plukt telkens weer van de appelen van deze Boom des levens. Paulus zegt: "Het leven, dat ik in het vlees leef, leef ik door het geloof des Zoons Gods." Door het geloof "eten wij het vlees, en drinken wij het bloed van de Zoon des mensen." Maakt voortdurend gebruik van Christus, want u zult Hem altijd nodig hebben; "bouwt uzelf op uw allerheiligst geloof; schept altijd water met vreugde uit de fonteinen des heils."

4. Wanneer u zichzelf gekwetst, of uw gezondheid benadeeld hebt door de verdorvenheid, of door verzoeking, gebruikt dan terstond de bladeren van de Boom des levens tot genezing – het genezend Woord en Christus in het Woord – voor uw ziel; doet het zonder uitstel, want uitstel is gevaarlijk. Het is het beste, dat men middelen gebruikt bij het begin van de ziekte: Als de vijand zal komen gelijk een stroom, zal de Geest des Heeren de banier tegen hem oprichten.

5. Maakt dikwijls gebruik van de rivier van het water des levens, die onder de takken van deze boom stroomt; roept veel om de werkingen van de Heilige Geest: legt uw zielen open voor het blazen van deze wind, voor het vloeien van deze zuivere rivier van het water des levens, opdat u zo onder de schaduw van deze boom mag zijn als bomen geplant aan waterbeken, die hun vrucht geven op de rechte tijd: want "die onder Zijn schaduw zitten, zullen ten leven voortbrengen als koren, en bloeien als de wijnstok, zijn gedachtenis [of, zijn reuk] zal zijn als te wijn van Libanon."

6. Nodigt ook anderen tot de boom te komen, en zegt: Komt, proeft en ziet, dat Zijn vrucht goed, aangenaam, heilzaam en overvloedig is. Maakt er met de bruid uw werk van Christus aan te prijzen: "Mijn Liefste is blank en rood, Hij draagt de banier boven tien duizend." Vertelt de hongerigen wat een uitstekende vrucht hier is: zegt de vermoeiden wat een heerlijke rust hier is; zegt de kranke zielen welke genezende bladeren hier zijn; doet de schuldigen horen welke een uitnemende gerechtigheid hier is.

7. Verzet u tegen hen, die de Boom des levens willen omhouwen. Twist Zijn twist. Door sommigen in ons land worden in deze tijd pogingen aangewend om Hem van zijn hoogheid te verstoten; doch ik ben er zeker van, als u ooit van Zijn vrucht geproefd hebt, of door Zijn bladeren genezen bent, dat u zult doen wat u kunt om Zijn twist te twisten, en Zijn heerlijkheid en hoogheid te handhaven, en Zijn eer te verdedigen tegen al de aanvallen, die daarop worden gedaan.

8. Eindelijk. laten alle paradijsvogels de lof des Heeren zingen, die deze Boom des levens voor ons geplant en een verse en levende weg naar het hemels paradijs geopend heeft, waar wij voor eeuwig onder de takken van deze boom zullen zingen. En lispelt ondertussen dat lied: Gezegend zij de God en Vader onze Heere Jezus Christus, Die ons gezegend heeft met alle geestelijke zegeningen in de hemel in Christus." O zingt de lof van Hem Die op de troon zit, en van het Lam. Zingt dat lied van de verlosten: (Openb. 5:12,13) "Het Lam, Dat geslacht is, is waardig te ontvangen de kracht. en rijkdom, en wijsheid, en sterkte, en eer, en heerlijkheid, en dankzegging. En alle schepsel, dat in de hemel is, en op de aarde, en onder de aarde, en die in de zee zijn, en alles wat in dezelve is, hoorde ik zeggen: Hem, die op de troon zit, en het Lam zij de dankzegging, en de eer, en de heerlijkheid en de kracht in alle eeuwigheid." En elke ziel zegge op dit gezegend lied: Amen, ja Amen.

 

De wind van de Heilige Geest blazende op de dorre beenderen in het dal des gezichts

Ezech. 37:9 Gij Geest! Kom aan van de vier winden, en blaas in deze gedoden, opdat zij levend worden.

In het begin van dit hoofdstuk brengt de Heere de Profeet Ezechiël in een vallei vol beenderen van dode mensen, die zeer dor waren, en Hij vraagt hem of het naar zijn gedachte mogelijk is, dat die dorre beenderen weer levend zullen worden. Hij gaf daarmede te kennen dat hoewel het bij de mensen onmogelijk was, het nochtans door de almachtige kracht Gods gemakkelijk kon geschieden. Om hem daarvan te overtuigen gebiedt Hij de profeet tot deze dorre beenderen te spreken en hun in Zijn Naam te zeggen, dat Hij de Geest des levens in hen zal doen komen, hetwelk dienovereenkomstig geschiedt. Toen de profeet in de Naam des Heeren riep, dat de Geest van de vier winden zou aankomen en in de dorre beenderen blazen, kwam er terstond leven in, en de beenderen naderden, elk been tot zijn been, en zij werden levend en stonden op hun voelen; een gans zeer groot heir.

Dit gezicht geeft ons een levendige voorstelling, gelijk Henry in zijn uitlegging zeer wel opmerkt, van een drievoudige opstanding. 1. Van de opstanding van het lichaam op de laatste dag, in de algemene opstanding, wanneer God zal bevelen, dat de aarde haar doden zal geven, en de zee haar doden zal geven; wanneer door de dienst van de engelen het stof en de beenderen van de heiligen, van de vier winden van de hemel, waarheen zij verstrooid waren, zullen vergaderd worden. 2. Dit gezicht geeft ons een levendige voorstelling van de opstanding van de ziel uit het graf van de zonde, welke geschiedt door het prediken of profeteren als de middellijke, en door de krachtige werking van de Geest des Heeren als de voornaamste werkende oorzaak. Het wordt in vs. 14 duidelijk gezegd, dat men door de wind, waarvan hier wordt gesproken, de Geest moet verstaan: "en Ik zal Mijn Geest in u geven, en gij zult leven." 3. Dit gezicht geeft ons een voorstelling van de opstanding van de gemeente Gods uit het graf van haar dienstbaarheid en gevangenschap in Babel, waar zij op die tijd werden gevangen gehouden. Dit is inderdaad het eerste en onmiddellijke doel van het gezicht, zoals duidelijk blijkt uit de verklaring in vs. 11—14. Aangezien de verlossing van de kinderen Israëls uit hun Babylonische ballingschap een type was van onze geestelijke verlossing, die door de Heere Jezus Christus op het kruis verworven is, en door de krachtige werking van de Heilige Geest wordt toegepast, en het deze verlossing is waarbij wij, die onder het Evangelie leven, voornamelijk belang hebben; daarom zal ik de woorden, die ik heb voorgelezen, in deze Schriftuurlijke zin en mening verhandelen.

Wij hebben daarin kortweg:

1. Een treurig geval verondersteld, dat is, geestelijke doodheid. Het volk van God was niet alleen in dienstbaarheid onder hun vijanden, maar hun zielen waren op die tijd eveneens in een kwijnende toestand. Doch hierover hierna meer.

2. Hier wordt een gezegend middel aangewezen, namelijk het blazen van de Geest des Heeren, de invloeden van de Heilige Geest: "Gij Geest, kom aan van de vier winden, en blaas in deze gedoden. Deze invloeden van de Heilige Geest nu, worden hier beschreven:

1e In hun natuur, voorgesteld onder het begrip of de verbloemde spreekwijze van wind: "Gij Geest, kom aan van de vier winden, en blaas." De invloeden of werkingen van de Geest worden door drie elementen voorgesteld. Soms worden zij vergeleken bij vuur: (Matth. 3:11) "Die zal u met de Heilige Geest en met vuur dopen," Soms worden zij vergelijken bij water: Jes. 44:3) "Ik zal water gieten op de dorstige en stromen op het droge: ik zal Mijn Geest op uw zaad gieten, en Mijn zegen op uw nakomelingen." En soms worden de invloeden van de Geest voorgesteld onder het begrip van wind: (Hoogl. 4:16) "Ontwaak, noordenwind, en kom, gij zuidenwind, doorwaai mijn hof." Zo ook moeten wij hier door de wind of het blazen waarvan hier gesproken wordt voornamelijk de Geest verstaan; dit wordt in het 14e vers van dit hoofdstuk duidelijk verklaard. Ik kan mij niet lang ophouden om de gronden van deze verbloemde spreekwijze aan te tonen. Gij weet, dat de wind van een zuiverende, verkoelenden en vruchtbaarmakende aard en natuur is; hij werkt vrij en onweerstaanbaar. Het is boven het vermogen van de mens het blazen van de wind tegen te staan of te verhinderen. Zo ook reinigen en zuiveren de invloeden van de Geest het hart: zij stillen de stormen van het geweten en maken, dat de beenderen zich verheugen, die verbrijzeld waren: zij veroorzaakt, dat de ziel bloeit als de lelie, en haar wortelen uitslaat als de Libanon; zij maakt de ziel vruchtbaar als de hof Gods. De Geest werkt, zoals wij hierna zullen horen, met soevereine vrijheid en onweerstaanbare kracht.

2e Deze werkingen van de Heilige Geest worden hier beschreven naar haar verscheidenheid, vier winden: "Kom aan van de vier winden;" waardoor wordt te kennen gegeven de menigerlei invloeden en werkingen van deze ene en eeuwige Geest. Wij lezen daarom van "de noorden- en zuidenwind", en van "de zeven geesten Gods, die voor de troon zijn" (Openb. 4:5).

3e Deze invloeden worden beschreven naar hun werking of uitwerking, hetwelk hier een blazen wordt genoemd: "Blaas in deze gedoden." Door de werking; van deze almachtige wind werd ons natuurlijk leven voortgebracht of geformeerd. In Gen. 2:7 staat geschreven, dat God, nadat Hij "de mens geformeerd had uit het stof der aarde, de adem des levens in zijn neusgaten blies; alzo werd de mens tot een levende ziel." Daarvan zegt Elihu (Job 33:4) "De Geest Gods heeft mij gemaakt, en de adem des Almachtigen heeft mij levendgemaakt." En door de invloeden van deze zelfde almachtige adem worden onze zielen levendgemaakt, en wordt ons geestelijk leven in ons binnenste geformeerd, wanneer wij dood zijn door de misdaden en de zonden.

4e Verder worden deze invloeden beschreven naar het eind en het gevolg van hun werkingen: Blaas in deze gedoden, opdat zij levend worden;" dat is, opdat te dorre beenderen levende zielen worden: dat uit deze stenen Abraham kinderen worden verwekt.

Uit deze woorden, die wij dus kort verklaard hebben zal ik u slechts deze ene opmerking maken, namelijk:

Leer. Dat, evenals de grote hoop van een Kerk en een volk, met God in een verbond zijnde, wat hun zielen betreft, in een zeer dode en kwijnende staat en toestand kan zijn; zo ook de inblazing en de werking van de Heilige Geest Gods volstrekt noodzakelijk zijn, om hen weer levend te maken. Dit is de inhoud van hetgeen ik op het oog heb uit deze woorden, "gij Geest, kom aan van de vier winden, en blaas in deze gedoden, opdat zij levend worden."

In het verhandelen van deze leer, zal ik

I. Een weinig spreken over deze doodheid, die voorkomt bij een volk, dat uitwendig met God in verbond is.

II. Over de werkingen of het blazen van de wind van de Heilige Geest, die zo volstrekt noodzakelijk zijn, zullen zij weer leven.

III. Zal ik iets spreken over dat leven, dat door deze inblazingen of dit blazen gewerkt wordt.

IV. Zal ik een toepassing maken.

I. Ik zal een weinig spreken over deze doodheid, die zich voordoet bij een volk, dat uitwendig met God in verbond is. Ik zal u eerst bij enige soorten van doodheid bepalen. 2. Enige van haar oorzaken noemen. 3. Enige van haar kentekenen voorstellen.

1. Ik zal u dan eerst bij enige soorten van doodheid bepalen. U moet in het algemeen weten, dat er tweeërlei dood is; de ene is eigenlijk en natuurlijk, de andere is oneigenlijk en overdrachtelijk.

(1.) De dood, eigenlijk zo genoemd, is iets, dat zo bekend is, dat het voor mij onnodig is het u te vertellen. Er is niemand onder ons allen, die het niet binnen een weinig tijd bij eigen ondervinding zal weten; want "het is de mens gezet eenmaal te sterven." Het graf is een huis, dat voor al wat leeft bestemd is, en daarom mogen wij met Job (Hoofdst. 17:14) "tot de groeve roepen: gij zijt mijn vader; tot het gewormte, mijn moeder en mijn zuster." Doch dit is niet de dood waarover ik nu spreek.

(2). Er is ook een dood, die oneigenlijk of overdrachtelijk is; die niets anders is dan een krankheid of ongesteldheid van de ziel, waardoor zij ongeschikt of onbekwaam wordt gemaakt voor heilige en geestelijke oefeningen. Deze is weer tweevoudig, of geheel of gedeeltelijk.

1e Er is een gehele dood, die aan de bozen en goddelozen eigen is, die totaal dood zijn, en in het minst geen geestelijk leven in zich hebben. Hierom wordt in Ef. 2:I gezegd, dat de mensen in de natuurstaat "dood zijn in de misdaden en de zonden;" dat is, onder de volkomen heerschappij van de zonde, "in een geheel bittere gal en samenknoping der ongerechtigheid; zonder God, zonder Christus, en daarom zonder hoop.

2e Er is een gedeeltelijke dood, die bij de gelovigen voorkomt, die God uit het graf van een onvernieuwde staat heeft opgewekt, en in welke hun zielen Hij een beginsel van geestelijk leven heeft ingeplant. Deze gedeeltelijke dood, die aan de gelovigen eigen is, bestaat in openbaar verval van de geestelijke beginselen en hebbelijkheden, in het afnemen van hun gewone leven en levendigheid, en werkzaamheid in de weg en het werk des Heeren. Hun geloof, hun liefde, hun hoop, en andere geraden zijn alle in een verzwakkende en kwijnende staat; zij liggen als dood in de ziel, evenals het leven van de boom, dat in de wintertijd in zijn wortels verborgen is, zonder dat hij bloesem of vrucht draagt. Over zodanige doodheid of dodigheid horen wij Gods volk in de Schrift dikwijls klagen. Zo horen wij de vreemde, die zich tot de Heere gevoegd heeft (Jes. 56:3) en vasthoudt aan Zijn verbond, spreken, zeggende: "De Heere heeft mij geheel en al van Zijn volk gescheiden; en de gesnedene zegt: Ik ben een dorre boom," waarin sap noch leven is. Het is deze soort van geestelijke doodheid of dodigheid, waaraan de gelovigen onderhevig zijn, waarover ik nu voornamelijk zal spreken. De bladeren van zijn belijdenis kunnen in hoge mate verdord zijn; de kaars van zijn wandel kan duister branden, of slechts een zwak licht geven; de vlam van zijn genegenheden, zijn ijver, liefde en verlangen kunnen, gelijk een groot vuur, dat uitgebrand is, tot een paar kooltjes en sintels vergaan zijn. Er kan een grote onderbreking of vormelijkheid in de verrichting van de plichten zijn. Het gemoed, dat eens met verlustiging en bewondering over God en Christus, het verbond en de dingen die boven zijn, kon peinzen, kan zijn smaak in die dingen verliezen en ingenomen zijn met de voorbijgaande verdwijnende ijdelheden van een tegenwoordige wereld. De gewone gaven van de Geest kunnen door vleselijke gemakzucht en door ze niet te gebruiken, in hoge mate verwelken; en, wat het ergst van alles is, de zaligmakende genaden en vruchten van de Geest kunnen jammerlijk verzwakken in betrekking tot hun voorgaande maten en werkingen. Doch deze gedeeltelijke dood van de gelovigen is weer tweevoudig. Er is een dodigheid, die Gods volk gevoelt, en een dodigheid, die niet gevoeld wordt; "de grauwheid is op hem verspreid, en hij merkt het niet." De Heere was van Simson geweken, en hij wist het niet. Doch er is ook een dodigheid, die gevoeld wordt, wanneer Gods kinderen hun dodigheid bewust zijn en daarover klagen. Het is een blijk van geestelijk leven, of van enige verlevendiging wanneer Gods volk met de Kerk begint te roepen: (Ps. 85:7) "Zult Gij ons niet weer levend maken, opdat Uw volk zich in U verblijde? Heere, waarom verstokt Gij ons hart, dat wij U niet vrezen?" (Jes. 63:17).

Wij zullen in de tweede plaats acht geven op de oorzaken van deze geestelijke dodigheid. Ik zal ze slechts noemen, omdat uw tijd mij niet zou toelaten er over uit te wijden.

(1.) U weet, dat onthouding of verwaarlozing van voedsel het lichaam spoedig zal doen wegkwijnen en vervallen; zo ook zal het geestelijk leven van de ziel spoedig achteruitgaan en verkwijnen, indien de genademiddelen niet naarstig gebruikt worden, indien wij verzuimen door het geloof Christus aan te grijpen en gebruik van Hem te maken, en Hem te eten en te drinken, "Wiens vlees waarlijk spijze, en Wiens bloed waarlijk drank is." Daarom zei Christus: (Joh. 6:53) "Tenzij dat gij het vlees des Zoons des mensen eet, zo hebt gij geen leven in uzelf."

(2.) Dat men de ziel overlaadt met vleselijk genot is een andere voorname oorzaak van geestelijke doodheid: (Hos. 4:11) "Hoererij, en wijn, en most, nemen het hart weg"; die zuigen het leven uit de ziel. Wat is de reden, dat vele belijders van de godsdienst hun levendigheid, die zij plachten te hebben, zijn kwijtgeraakt, en wat de dingen betreft, die hun zielen aangaan, in zulk een kwijnende staat zijn? Het is duidelijk, dat hier de oorzaak ligt, dat zij zich overladen met de zinnelijke vermaken. Als Simson maar in de schoot van Delila gaat slapen, zal zij hem aan de Filistijnen verraden, en de haarlokken afsnijden, daar zijn sterkte in gelegen is; en wanneer hij uitgaat om zich uit te schudden als op andere malen, zal hij ervaren, dat zijn krachs vergaan is.

(3.) Vadsigheid en luiheid in de dingen, die de zaligheid betreffen is een andere oorzaak van dodigheid. De dokters merken op, dat zowel te veel bezigheid, als te veel rust of een zittend leven, schadelijk is voor de gezondheid van het lichaam. Dit is ook zo in geestelijke zaken. Als wij onszelf niet oefenen in de godzaligheid, en trachten overvloedig te zijn in het werk des Heeren, zal het geestelijk leven spoedig verzwakken en achteruitgaan. Daarom: "Zijt niet traag in het benaarstigen. Zijt vurig van geest. Dient de Heere. Alles wat uw hand vindt om te doen, doet dat met uw macht." Wacht u, dat u niet rust op ijdele verlangens en wensen in geestelijke zaken; want "de begeerte des luiaards zal hem doden, want zijn handen weigeren te werken."

(4.) De besmetting door een slecht voorbeeld, of door een vleselijke wereld, en ongodsdienstige betrekkingen heeft hierop een noodlottige invloed. U weet, dat het hoogst gevaarlijk is voor hen, die de kiem van alle ziekten in zich omdragen, in aanraking te komen met hen, die met de pest besmet zijn. Toen Jozef lang aan het Egyptische hof verkeerd had, leerde hij zweren bij het leven van Farao. Wel is waar, dat gelijk het vuur soms te heviger brandt en meer hitte geeft naarmate de lucht kouder is, zo ook de ijver en het leven van Gods volk soms worden aangewakkerd en verlevendigd door het aanschouwen van de goddeloosheid van hen met wie zij moeten omgaan, evenals Paulus met die van Athene. Doch als wij het wagen ons in het gezelschap van de goddelozen te begeven, zonder een bijzondere roeping en volmacht van de Voorzienigheid, zal het zo goed als onmogelijk zijn onszelf vrij te houden van besmetting; want. "zal iemand vuur in zijn boezem nemen, dat zijn klederen niet verbrand worden? Zal iemand op kolen gaan, dat zijn voeten niet bernen? Kwade samensprekingen bederven goede zeden."

(5.) Enige dodelijke wonden in de ziel, waarop niet nauwkeurig wordt gelet, kunnen de oorzaak van geestelijke dodigheid zijn. U weet, dat iemand kan sterven, niet alleen door vergif in te nemen, maar ook door de houw van een zwaard. Zolang wij in deze woestijn zijn, leven wij temidden van onze geestelijke vijanden. De vurige pijlen van de satan vliegen in een groot getal om ons heen, hij tracht altijd de gelovige de verzenen te vermorzelen, zoekende wie hij zal kunnen verslinden. En dat niet alleen, maar onze begeerlijkheden voeren ook krijg tegen de ziel, zodat het niet anders kan of zij zullen daardoor gewond worden. Als het vuil en de schuld van die wonden niet zorgvuldig worden gewassen met het bloed en door de Geest van de Heere Jezus Christus, moeten zij noodzakelijk het geestelijk leven en de gezondheid benadelen. Daarom was David, nadat hij door doodslag en overspel verwond was, zo ernstig smekende of God zijn wonden wilde wassen en reinigen, en hem met hysop ontzondigen, opdat hem de vreugde zijns heils weer mocht worden geschonken.

(6.) Een heilig God heeft soms een rechtvaardige en heilige hand in deze geestelijke dodigheid, waaraan Gods volk onderhevig is, door de invloeden van Zijn Geest van hen te onttrekken en die te doen ophouden. Evenals toch de plant en het graan van het veld verwelkt en verdort wanneer daarover de regen van de hemel wordt ingehouden, zo gaat ook het sap en het geestelijk leven van de ziel weg, wanneer de invloeden van de Heilige Geest worden opgehouden. Er zijn vele redenen waarom de Heere de invloeden van Zijn Geest onttrekt.

1e Hij doet dat soms in zijn ontzaglijke en aanbiddelijke vrijmacht, om te tonen, dat Hij niet één van Zijn schepselen iets schuldig is. Omdat de invloeden van de Geest echter slechts zelden worden onttrokken in een weg van soevereiniteit, is het onze plicht te onderzoeken en na te speuren of onze geweten ons niet veroordeelt, dat wij er zelf een zondige en schuldige hand in hebben.

2e Soms doet Hij het om Zijn volk te verootmoedigen en hun hoogmoed tegen te gaan, die Hem Zich ver van hen doet houden. Als wij altijd onder de levendige werkingen en invloeden van de Geest waren, zouden wij geneigd zijn onszelf verkeerd te beschouwen, en gevaar lopen onszelf, evenals Paulus toen hij tot in de derde hemel was opgetrokken geweest, te verheffen. Uit dien hoofde hebben sommige heiligen gezegd, dat zij soms meer goed ontvangen hebben uit hun verlating, dan uit hun verruimingen.

3e Het maakt, dat zij Christus meer waarderen, en hun behoefte leren kennen, om telkens weer uit Zijn volheid te ontvangen wat zij nodig hebben. Hij last onze bakken droog lopen, opdat wij gedurig weer met onze ledige vaten tot de overvloed van de gezegende fontein des levens zullen komen, om "uit Zijn volheid te ontvangen, ook genade voor genade."

4e Hij doet het soms om Zijn volk te beproeven, om te zien of zij Hem zowel in een woestijn, in een onbezaaid land, zullen volgen, als wanneer Hij hen voedt met gevoelige mededelingen van Zijn genade en van Zijn Geest; om te zien of zij door het geloof in hem zullen leven, wanneer zij niet kunnen leven door gezicht of gevoel.

5e Soms doet Hij het tot hun kastijding, om hen te tuchtigen wegens hun ongerechtigheden. En dit is wel de meest gewone oorzaak, waarom de Geest des Heeren ingehouden en onttrokken wordt.

Ik heb geen tijd om vele van die zonden op te noemen, die de Heere tergen om Zijn Geest te onttrekken. Ik zal er slechts twee of drie melden.

(1.) Niet te luisteren naar de roeringen van Zijn Geest is een voorname reden waarom de Heere Zijn Geest inhoudt. Wij zien dat bij de bruid in Hoogl. 5: Christus komt daar, en wekt haar op, en roept om binnengelaten te worden; doch de bruid luistert niet naar die roering: ik heb mijn rok uitgetogen. Hoe zal ik hem weer aantrekken? Ik heb mijn voeten gewassen, hoe zal ik ze weer bezoedelen? Waarop Hij terstond weggaat en haar verlaat; zoals u daar op uw gemak kunt nalezen.

(2.) Lauwheid en vormelijkheid in het verrichten van de plicht is een andere oorzaak, zoals wij zien in de gemeente van Laodicea: het veroorzaakte, dat Hij haar uit Zijn mond spuwde.

(3.) De giften en genade van de Geest te misbruiken tot vleselijke, zelfzuchtige en lage doeleinden, om een naam te maken, of vertoon te maken in de wereld, is ook een reden waarom de Heere wijkt.

(4.) Een andere oorzaak is, dat men tegen licht zondigt, dat men het geweten een trap geeft, zoals David ongetwijfeld deed in de zaak van Uria en Bathseba. Daarmede tergde hij de Heere hem zover te verlaten, dat hij uitriep: (Ps. 51:13) "Verwerp mij niet van Uw aangezicht, en neem Uw Heilige Geest niet van mij".

(5.) Onvruchtbaarheid onder de genademiddelen is ook een oorzaak. De Heere gebiedt de wolken, dat zij geen regen zullen regenen op de onvruchtbaren wijngaard (Jes. 5).

(6). Tenslotte is er ook dit een oorzaak van, dat zij niet aandachtig luisteren naar de stem van God in de ordinanties en voorzienigheden: (Ps. 81:12) "Maar Mijn volk heeft Mijn stem niet gehoord: dies heb Ik het overgegeven in het goeddunken huns harten, dat zij wandelen in hun raadslagen." Zo heb ik u enkele van de oorzaken genoemd van deze geestelijke dodigheid.

Ik zal u in de derde plaats enige kentekenen van deze dodigheid voorstellen, en ik wenste wel, dat zij niet al te zichtbaar en zo algemeen heersend waren in onze tijd en onder het tegenwoordig geslacht.

Ik zal er u enkele van opnoemen.

(1). Geen trek naar het brood en het water des levens is een teken van geestelijke dodigheid. U weet, dat iemand, die van zijn eten walgt, of zijn trek naar voedsel verloren heeft, niet gezond kan zijn. Helaas! Walgt men niet over het algemeen van het hemels manna, dat dagelijks rondom de deuren van onze tenten regent? De voornaamste goddelijke waarheden, die sommige heiligen zoeter hebben bevonden te zijn dan honing en honingzeem, hebben niet die smaak voor ons, die zij behoorden te hebben. Zijn niet de Sabbatten, sacramenten, preken, vastendagen, en feestdagen velen van onze tot een last, zodat zij, als zij hun hart recht uitspraken, zich zouden verenigen met hen, die daar uitroepen: (Mal. 1:13) "Ziet, wat een vermoeidheid!" Terwijl de ziel, die in een levendige toestand is, van het Woord Gods zal zeggen: "Het is mij beter dan duizenden van goud of zilver; ik heb het meer dan mijn bescheiden deel weggelegd;" en van de ordinanties: "Heere, ik heb lief de woning Uws huizes, en de plaats des tabernakels Uwer eer. Één dag in Uw voorhoven is beter dan duizend elders."

(2). Al heeft iemand enige eetlust, als hij echter niet groeit, of er uitziet overeenkomstig hetgeen hij gebruikt, dan heeft het alle schijn, dat zijn toestand gevaarlijk en dodelijk is. Een bloeiende Christen is een groeiende Christen: "Die in het huis des Heeren geplant zijn, die zal gegeven worden te groeien in de voorhoven onzes Gods. De rechtvaardige zal zijn weg vasthouden, en die rein van handen is zal in sterkte toenemen." Doch, helaas! Is het met het merendeel niet geheel anders gesteld? Velen gaan achteruit in plaats van vooruit, zoals van Jeruzalem gezegd wordt (Klaagl. 1:8) "Zij zucht, en zij is achterwaarts gekeerd." Moesten wij niet uitschreeuwen vanwege onze magerheid, onze magerheid, niettegenstaande al de vetmakende middelen en ordinanties, die mij genieten.

(3). U weet, dat de schoonheid van een mens vergaat, wanneer de dood hem aangrijpt: "Kastijdt Gij iemand met straffingen om de ongerechtigheid, zo doet Gij zijn bevalligheid smelten als een mot." De bleke dood verandert spoedig de kleur van zijn gelaat. Misschien hebt u een tijd gehad, gelovige, waarin de schoonheid van de heiligheid iedere voetstap van uw wandel versierde; uw licht scheen zodanig voor de mensen dat zij uw goede werken ziende, uw Vader, Die in de hemelen is, verheerlijkten. En nu, helaas! De schoonheid van uw wandel is besmet en bezoedeld, door uw neerliggen tussen de potten van de zonde. Dit getuigt, dat de geestelijke dood uw ziel heeft aangegrepen.

(4). De dood neemt niet alleen de schoonheid maar ook de kracht weg: (Pred. 12:3) "De wachters des huizes zullen beven en de sterke mannen zullen zichzelf krommen," op de nadering van de Koning der verschrikkingen. Ziet dan, of de sterkte en bekwaamheid om de plicht te verrichten, of de verzoekingen te weerstaan, niet is afgenomen. Misschien is er een tijd geweest dat u met Paulus kon zeggen: Heere, wat wilt Gij dat ik doen zal? Want ik vermag alle dingen door Christus, die mij kracht geeft: terwijl u nu bijna bezwijkt en bezwijmt bij de gedachte aan de plicht. Misschien hebt u een tijd gekend waarin, hoewel de duivel, die ervaren schutter, u zeer hard beschoot, nochtans "uw boog in stijvigheid bleef, en de armen van uw handen gesterkt werden door de handen des Machtigen Jacobs." U kon de vurige pillen van de satan terugslaan, en standhouden tegen de verdorvenheden en het verval van de tijd en het geslacht; doch nu wordt u als een dode vis door de stroom meegevoerd. Roept dit niet luide, dat uw ziel in een droevig verval is?

(5). De dood neemt de natuurlijke hitte en warmte van het lichaam weg. Er is een soort van kilheid en koude, die een mens overvalt wanneer de dood hem aangrijpt. Zo is het een teken van geestelijk verval en dodigheid, wanneer de ijver voor God en Zijn eer, en de belangen van Zijn koninkrijk en gemeente, die men placht te hebben, zijn afgenomen. U hebt misschien een tijd gekend, waarin de ijver van Gods huis u verslond, en u Jeruzalem verhief boven het hoogste van uw blijdschap; doch nu is het bijna zover met u gekomen, dat u een Gallio’s gesteldheid hebt, en "zich geen van deze dingen aantrekt;" onverschillig of het werk van God in het land zinkt of drijft. De ongesteldheid van Laodicea is in deze tijd maar al te overheersend onder ons, wij zijn in de dingen Gods noch koud, noch heet, en daarom hebben wij reden te vrezen, dat God ons uit Zijn mond zal spuwen. Er was een tijd, dat uw geest werd opgeheven in het bidden, in het horen, in het avondmaal houden; u was vurig van geest, en diende de Heere; u kon zich verheugen in gerechtigheid te werken, en enigermate met David zeggen: "ik zal ingaan tot Gods altaar, tot de God des blijdschaps mijner verheuging;" doch nu is al dat heilig vuur in een grote mate van u gegaan; u bent vormelijk en zorgeloos geworden in de dingen, die Gods eer betreffen.

(6). U weet, dat een dode zich niet kan bewegen. omdat hij geen inwendig beginsel van beweging heeft, hij kan alleen van buiten af in beweging gebracht worden. Zo is het ook een teken van geestelijke dodigheid in de gelovigen, wanneer uitwendige beweegredenen en beschouwingen in de plichten van de godsdienst groter invloed op hem hebben, dan een inwendig beginsel van geloof en liefde. Wanneer de gelovige zichzelf is, dringt de liefde van Christus hem in elke plicht; dit is dat ene ding, dat hij begeert, "dat hij de lieflijkheid des Heeren mag aanschouwen, en onderzoeken in Zijn tempel." Doch het is een teken van geestelijke dodigheid wanneer iemand uit zelfzuchtige of uitwendige beweegredenen werkt. Ik zou hier nog andere dingen aan kunnen toevoegen, doch ik zal nu overgaan tot

II. Het tweede punt in de verdeling, en een weinig spreken over die beademingen en invloeden van de Geest Gods, die volstrekt noodzakelijk zijn tot de herleving van Gods volk onder dodigheid: "Gij Geest, kom aan van de vier winden en blaas in deze gedoden, opdat zij levend worden."

Ik zal hier, 1. met een paar woorden de natuur van deze invloeden of werkingen ophelderen. 2. Iets zeggen over de verscheidenheid van deze invloeden: "vier winden." 3. Over de wijze van hun inwerking op de uitverkorenen: zij "blazen in de gedoden." 4. Een weinig spreken over de noodzakelijkheid van deze inblazingen of dit blazen. 5. Over de onderscheiden tijden van de verlevendigende invloeden van de Geest.

Ik vrees, dat de tijd mij zal ontbreken om dit af te handelen; doch ik zal deze bijzonderheden zo vlug mogelijk doorlopen.

1. Ik zal dan eerst de natuur van deze invloeden of dit blazen ophelderen. Wat ik over dit punt zal zeggen kan in deze paar voorstellingen worden samengevat.

(1.) U moet weten, dat de werkingen en gaven van de Geest Gods tweeërlei zijn, of algemeen, of zaligmakend. Wat de gewone werkingen van de Geest betreft, die soms aan de boze en verworpen wereld worden geschonken, daarover zal ik nu niet spreken. Alles wat ik daarover zal zeggen is, dat zij gewoonlijk de mensenkinderen worden gegeven, "tot opbouwing van het verborgen lichaam van Christus", totdat het komt "tot de mate van de grootte van de volheid van Christus" (Ef. 4); daarom worden zij gewoonlijk door de godgeleerden dienende gaven genoemd. Hoewel zij geen zaligmakende invloed hebben op de persoon in wie zij zijn, nochtans gebruikt God ze in Zijn heilige wijsheid ten goede van Zijn Kerk in het algemeen, zoals wij daar kunnen lezen. Nog iets anders, dat ik u van deze gewone werkingen van de Geest wil zeggen is, dat zij, wanneer zij niet met genade gepaard gaan, van hoogst gevaarlijke aard zijn. De mens, die ze heeft, is als een schip, dat midden in de oceaan vaart met grote hoge zeilen en weinig of geen lading, en daarom gevaar loopt op de rotsen verpletterd te worden. Wij lezen in Matth. 7 van sommigen, die buitengewone, grote gewone gaven hadden, zij profeteerden in de Naam van Christus, zij wierpen in Zijn Naam duivelen uit, deden in Zijn Naam wonderen en vele krachten, en toch erkent Christus hen niet voor de Zijnen. Ik spreek nu echter niet over die gewone werkingen maar van zulke, die zaligmakend zijn.

(2.) Daarom is een tweede voorstel, dat de Heilige Geest Gods, in Zijn bijzonder huishoudelijk werk in het werk van de verlossing aangemerkt, als de Toepasser van hetgeen de Verlosser heeft verworven, de Werker en uitwerkende Oorzaak is van alle zaligmakende invloeden of werkingen. Hij is het, Die de ziel van de mens toebereidt en neigt om de dingen Gods, die het natuurlijk verstand niet aanneemt noch onderscheidt, een gunstig onthaal te geven. Hij is het, Die het braakland van het hart omploegt en woest maakt, en het in een vruchtbaar veld verandert. Hij is het, Die het gelaat van de ziel met de zaligmakende geraden des Geestes versiert; dat zijn de bloemen van het paradijs, dat boven is, waarom zij "de vruchten des Geestes" worden genoemd. Hij is het, Die hen bewaart, koestert, en door vernieuwde invloeden onderhoudt. Hij voedt het rokende vlaswiekje en verandert het tenslotte in een lamp van heerlijkheid in de hemel; want "Hij zal het oordeel uitbrengen tot overwinning. "

(3.) U moet ook weten, dat het de uitverkorenen zijn, die alle zaligmakende werkingen van de Geest Gods ontvangen. Het is hun, en hun alleen bijzonder eigen, op hun bekering, wanneer zij met Christus, als leden van Zijn verborgen lichaam, verenigd worden. Wij moeten in deze ware Olijfboom ingeënt zijn, anders kunnen wij Zijn vettigheid, Zijn sappen, niet deelachtig worden, en uit Zijn volheid genade voor genade ontvangen. Dat deze invloeden alleen de uitverkorenen Gods eigen zijn blijkt duidelijk uit Titus 1:1, waar wij lezen van "het geloof der uitverkorenen Gods."

(4.) Deze invloeden van de Geest worden de uitverkorenen Gods tot onderscheiden doeleinden gegeven. De oordeelkundige Dr. Owen, in zijn Verhandelingen over de Geest, merkt op, dat deze zaligmakende invloeden de uitverkorenen van God worden geschonken tot wedergeboorte; de wedergeborenen tot heiligmaking; de geheiligden tot vertroosting; en de getroosten tot verdere opbouwing en bevestiging, totdat zij tot volmaking komen in de heerlijkheid. De natuur van deze invloeden zal verder blijken uit

2. De tweede zaak, die wij hebben voorgesteld, welke was, dat wij iets zouden zeggen over de verscheidenheid van deze werkingen van de Geest. U ziet, dat zij hier afwisselen, want zij worden hier winden genoemd: "Gij Geest, kom aan van de vier winden." De apostel zegt ons (1 Kor. 12:4), dat er "verscheidenheid van de gaven en werkingen is, doch het is dezelfde Geest." Ook lezen wij (Openb. 1:4) van "de zeven Geesten, die voor de troon zijn." Als de tijd mij toeliet hierover uit te weiden, zou ik u hier kunnen aantonen, dat de zaligmakende invloeden en het blazen van de Geest zijn, of, beginnend, fundamenteel en volstrekt noodzakelijk tot zaligheid, of, verzamelend, aanvullend en alleen nodig tot de vertroosting en het welzijn van de gelovigen. Sommige van deze werkingen zijn voorafgaand, of voorbereidend tot bekering; sommige zijn wederbarend, en andere komen na en volgen op de wedergeboorte. Doch ik zal mij nu met zulke scherpe onderscheidingen niet ophouden. U zult er misschien in hetgeen volgt enkele waarnemen.

(1.) Er zijn overtuigende werkingen van de Geest: "En Die gekomen zijnde, zal de wereld overtuigen van zonde." Dit is het, wat naar mijn mening verstaan moet worden door de noordenwind, (Hoogl. 4:16) die gewoonlijk onstuimig, kond, kil en scherp is. De uitverkorenen van God liggen van nature vast te slapen binnen het baken van Gods toorn, op de rand van het eeuwig verderf, zichzelf vrede, vrede, toeroepende. De Geest des Heeren komt als een stormachtige noordenwind, blaast de zondaar hevig in het aangezicht en doet hem wakker worden, verbreekt zijn valse vrede en rust, doet hem tot zichzelf komen, laat hem zijn gevaar zien, en vervult hem met wroeging en verschrikking. Daarvan staat geschreven: (Jes. 28:17) "De hagel zal de toevlucht des leugens wegvagen," voordat de zondaar zich gaat neerzetten op "de grondsteen, die God in Sion gelegd heeft." In Hand. 2:37 wordt gezegd, dat "zij verslagen werden in het hart," en dat zij toen uitriepen, "wat zullen wij doen, mannen broeders?"

(2). Er zijn verlichtende invloeden en werkingen van de Geest. Daarom worden die bij ogenzalf vergeleken: (Openb. 3:18) "En zalft uw ogen met ogenzalf, opdat gij zien moogt." (I Joh. 2:20) "Doch gij hebt de zalving van de Heilige, en gij weet alle dingen." Wij lezen, in Jes. 25:7, van het bewindsel des aangezichts waarmee alle volkeren bewonden zijn, en het deksel waarmee alle natiën bedekt zijn. De wind van de Heilige Geest moet dit bewindsel van onwetendheid en ongeloof wegblazen, en dan komt de zondaar een nieuwe wereld te zien van wonderen, die hij nooit tevoren heeft gezien: een wonderlijk grote God, een wonderlijke Verlosser, een wonderlijk verbond, en een wonderlijke heilige wet. Daarom staat er geschreven, dat wij worden "overgezet uit de duisternis in Zijn wonderbaar licht," "Want de Geest onderzoekt alle dingen, ook de diepten Gods. Door de Geest weten wij de dingen, die ons van God geschonken zijn" (1 Kor. 2:10,12).

(3.) Er zijn vernieuwende werkingen van de Geest. Wij worden "zalig gemaakt naar Zijn barmhartigheid, door het bad der wedergeboorte, en vernieuwing des Heiligen Geestes". (Tit. 3:5). Daarom wordt Hij "een nieuwe Geest" genaamd. Hij vernieuwt de wil, en doet het oude voorbijgaan; "het wordt alles nieuw."

(4). Er zijn vertroostende invloeden van de Geest. Dit is de zuidenwind, als het ware, zacht en aangenaam en verkwikkelijk: daarom wordt Hij de Trooster genaamd. Zijn vertroostingen zijn waarlijk sterke vertroostingen; zij geven meer vreugde in het hart dan ter tijd, dat koren, most en olie vermenigvuldigd worden; zij vervullen de ziel met een onuitsprekelijke en heerlijke vreugde.

(5). Dan zijn er de bevestigende en versterkende invloeden van de Geest. Door het blazen van de Geest worden de zwakken, "die onder hen struikelen, als David, en als de Engel des Heeren voor hun aangezicht." Hij is het, Die "de moeden kracht geeft en de sterkte vermenigvuldigt dien, die geen krachten heeft." Het is door Hem, dat het "wormken Jacobs bergen zal dorsen en vermalen, en heuvelen zal stellen gelijk kaf."

(6.) Zo zijn er ook de trekkende en verwijdende werkingen van de Geest: "Trek mij," zegt de bruid, "wij zullen u nalopen." De arme gelovige ligt menigmaal, als het ware, door tegenwind opgehouden, zodat hij niet in staat is in de weg des Heeren een voet te verzetten; doch, O! wanneer de Geest des Heeren komt, dan komt er vrijheid en verruiming: "Ik zal de weg, Uwer geboden lopen," zegt David, "als Gij mijn hart verwijd zult hebben," namelijk. door de invloeden van Uw Geest. Hij is als olie voor hun wagenraderen, en wanneer Hij komt, zijn zij als de wagens van Amminadib, of een vrijwillig volk.

(7.) Dan zijn er de zonde dodende werkingen van de Geest: "Indien gij door de Geest de werkingen des lichaams doodt, zo zult gij leven." Wanneer deze wind van de Heilige Geest op de ziel blaast, doet Hij niet alleen de specerijen uitvloeien, maar Hij doodt ook het onkruid van zonde en verdorvenheid, en doet die verwelken en vergaan; zodat de arme gelovige, die uitriep: "Ik ellendig mens! Wie zal mij verlossen, uit het lichaam dezes doods?" soms op de nek van zijn vijanden mag treden, als een onderpand, dat hij ze tenslotte volkomen zal overwinnen.

(8.) Er zijn ook voorbiddende invloeden van de Geest: (Rom. 8:26) "De Geest Zelf bidt voor ons met onuitsprekelijke zuchtingen." Hij bidt voor op een natuurlijke en krachtdadige wijze. Hij maakt, dat wij kunnen worstelen en bidden, waarom Hij "de Geest der genade en der gebeden wordt genaamd" (Zach. 12:10). Hij vervult het hart en de mond van de gelovige met zo’n hemelse welsprekendheid, dat God hem niet kan afwijzen. Daarom "gedroeg Jacob zich vorstelijk tegen de Engel, en overmocht Hem; hij weende en smeekte Hem."

(9.) Ook zijn er de verzegelende en getuigende invloeden van de Geest: "Hij getuigt met onze geest, dat wij kinderen Gods zijn." Hij getuigt van de heerlijke volheid en gepastheid van Christus voor de ziel: (Joh. 15:26) "De Geest zal van mij getuigen." Hij verzegelt de gelovigen tot de dag van de verlossing, en Zijn verzegeling is het onderpand van de heerlijkheid. (Ef. 1:13,14) "Gij zijt verzegeld geworden met de Heilige Geest der belofte, Die het onderpand is van onze erfenis." Doch ik zal bij deze dingen niet langer stilstaan en van dit onderdeel van het tweede punt afstappen.

Ik zal in de derde plaats iets zeggen over de wijze van werking van deze invloeden, of hoe deze wind op de ziel blaast.

(1). De wind van de Heilige Geest blaast zeer vrij. De Geest werkt als een onafhankelijke Soeverein. Hij staat niet stil op het bevel, noch gaat Hij liggen op het gebod van enig schepsel: (Joh. 3:6) "De wind blaast waarheen Hij wil." Zo ook is het blazen van de Geest soeverein vrij, wat de tijd betreft waarop Hij gegeven wordt, vrij, wat de duur en voortgang betreft, vrij, wat de mate, en vrij, wat de wijze van werking aangaat.

(2.) Hij blaast soms zeer verrassend op de ziel: "eer ik het wist," zegt de bruid, (volgens de Engelse overzetting van Hoogl. 6:12) "maakte mijn ziel mij als de wegens van Amminadib." Kunt u, gelovige, dat niet in uw bevinding verzegelen, dat u soms, wanneer u zich in een zeer harteloze en levenloze gestalte tot de plicht begaf, ja, misschien reeds begonnen was het fondament op te graven, met Sion zeggende: "De Heere heeft mij verlaten, en de Heere heeft mijner vergeten," zodanig door een bries van de hemel werd verrast, die u op de hoogten van Jacob zette, dat u met de bruid moest uitroepen: "Dat is de stem mijns Liefsten! Ziet Hem, Hij komt, springende op de bergen, huppelende op de heuvelen"? "Want een ogenblik is er in Zijn toorn, maar een leven is er in Zijn goedgunstigheid; des avonds vernacht het geween, maar des morgens is er gejuich"?

(3.) Dit blazen, deze werkingen van de Geest, zijn soms zeer krachtig en doordringend. U weet, dat de koude scherpe noordenwind door alles heen dringt. "Het zwaard des Geestes gaat door tot de verdeling der ziel en des geestes, en der samenvoegselen, en des mergs, en is een oordeler de gedachten en der overleggingen des harten." U weet, dat de wind van een zeer nauw zoekende en doordringende aard is; hij komt tot in de best gesloten kamer. Zo ook de Geest, die de lamp des Heeren is, "doorzoekt al de binnenkameren des buiks": Hij ontdekt die begeerlijkheden en afgoden, die verscholen liggen in de binnenkameren van het hart.

(4.) Het blazen van de wind is zeer krachtig, sterk en krachtdadig. Wie kan het blazen van de wind tegenhouden? Sommige winden hebben zo’n geweldige kracht, dat zij alles losrukken, omkeren en omverwerpen, wat in hun weg staat. Zo ook breekt soms de Geest des Heeren los op de ziel, voornamelijk bij de eerste bekering, als een geweldig gedreven wind, zoals op de apostelen, afbrekende de sterkten van de ongerechtigheid, neerwerpende alle hoogte, die zich verheft tegen de kennis Gods, en van Christus, met een geweldige en alles overwinnende kracht. Hij overmeestert de verduisterdheid van het verstand, de weerspannigheid en de tegenstand van de wil, en de vleselijkheid van de genegenheden; de vijandschap van het hart tegen God, en alle geestelijke boosheden, die in de ziel een hoge plaats innemen, vallen voor Zijn voeten neer, evenals Dagon voor de ark des Heeren.

(5.) Hoewel Hij dus krachtig en onweerstaanbaar werkt, nochtans werkt Hij met een overwinnende lieflijkheid, zodat niet één van de natuurlijke vermogens van de ziel het minste geweld wordt aangedaan. Wanneer de Geest komt met Zijn zaligmakende invloeden overwint Hij lieflijk de duisterheid van het verstand; de zondaar wordt een vrijwilliger en heeft lust zich als soldaat onder de banier van Christus te laten inschrijven: (Ps. 110:3) "Uw volk zal zeer gewillig zijn op de dag Uwer heirkracht." Niet zodra zegt Christus door Zijn Geest tot de ziel: "volg Mij", of de ziel staat terstond op en volgt hem. "Ziet, wij komen tot U, want Gij zijt de Heere onze God."

(6.) Er is iets in het blazen van deze wind, dat voor de rede onbegrijpelijk is: (Joh. 3:8) "Gij hoort zijn geluid, maar gij weet niet van waar hij komt, en weer hij heen gaat: alzo, zegt Christus, is een iegelijk, die uit de Geest geboren is." Er is iets in de werking van de eeuwige Geest en Zijn invloeden, dat boven het bereik niet alleen van de natuurlijke maar ook van de geheiligde rede gaat. "Wie kan zeggen hoedanig de beenderen zijn in de buik van een zwangere vrouw?" veel minder kunnen wij zeggen, hoe de Geest het kind van de genade in het hart formeert; hoe Hij het rokende vlaswiekje dat niet geheel is uitgedoofd, bewaart, onderhoudt en voedt. Wij mogen in dit geval de woorden van de Psalmist in een ander geval toepassen en zeggen: "Uw weg is in de zee, en uw pad in grote wateren, en Uw voetstappen worden niet bekend"; alsmede wat de apostel zegt: "Hoe ondoorzoekelijk zijn Zijn oordelen, en onnaspeurlijk Zijn wegen!"

(7.) Deze invloeden van de Geest worden soms gevoeld, voordat zij gezien worden; evenals een mens de wind kan gevoelen en horen, zonder hem te zien. Zo gaat het menigmaal het volk Gods, op wie de Geest blaast; zij gevoelen Zijn werking. zij zijn bewust, dat Hij in hen werkt; en alles wat zij ervan kunnen zeggen is, evenals die blindgeborene: "Één ding weet ik, dat ik blind was, en nu zie." Het koninkrijk der hemelen komt niet met uiterlijk gelaat.

4. Wij zouden in de vierde plaat, iets zeggen over de noodzakelijkheid van deze inblazingen of dit blazen. Ik zal hier aantonen: 1. Dat zij noodzakelijk zijn. 2. Waartoe zij noodzakelijk zijn.

(1) Dat zij noodzakelijk zijn zal blijken,

1e Uit de uitdrukkelijke verklaring van Christus: (Joh. 15:5) "Zonder Mij kunt gij niets doen"; dat is, zonder de hulp en de invloeden van Mijn Geest. Hij zegt niet: Zonder Mij kunt u niet vele, of geen grote dingen doen; maar, Zonder Mij kunt gij niets doen."

2e Het blijkt duidelijk uit de uitdrukkelijke erkenning van de heiligen Gods aangaande dit punt. De apostel zegt: (2 Kor. 3:5) "Niet dat wij van onszelf bekwaam zijn iets te denken, als uit onszelf; maar onze bekwaamheid is uit God." Hij is het, Die al onze werken in ons en voor ons moet werken.

3e Het is duidelijk uit de ernstige gebeden van de heiligen om het blazen van deze wind: (Hoogl. 4:16) "Ontwaak Noordenwind, en kom gij Zuidenwind, doorwaai mijn hof": (Ps. 85:7) "Zult Gij ons niet weer levendig maken? Opdat uw volk zich in U verblijde?" Zij zijn in het verbond beloofd en daarom zijn zij noodzakelijk: (Jes. 44:3) "Want Ik zal water gieten op de dorstigen, en stromen op het droge; Ik zal Mijn Geest op uw zaad gieten, en Mijn zegen op uw nakomelingen"; (Ezech. 36:27) "Ik zal Mijn Geest geven in het binnenste van u, en Ik zal maken, dat gij in Mijn inzettingen zult wandelen, en Mijn rechten zult bewaren en doen." Nu, niet één goedertierenheid, die in het verbond beloofd is, kan gemist worden.

(2.) Waartoe zijn deze inblazingen noodzakelijk? Ik antwoord: Zij zijn noodzakelijk,

1e Tot levendmaking van de uitverkorenen van God, wanneer zij totaal dood zijn door de misdaden en de zonden. Kunnen de dorre beenderen ooit levend worden, wanneer niet deze almachtige Wind op hen blaast? Het is wonderlijk, te horen hoe sommige mensen, die de christelijke godsdienst belijden, over de kracht van hun wil spreken, om zichzelf levend te maken en te bekeren. Zij kunnen evengoed zeggen, dat een dode zijn graf in zijn armen kan nemen, en de dood naast zich neerleggen, en gaan wandelen. "Niemand, zegt Christus, kan tot Mij komen, tenzij de Vader, Die Mij gezonden heeft, hem trekke." O! Wat een zwaar gewicht is de zondaar, dat een Drieënig God moet trekken! Want beiden de Vader en de Zoon trekken de zondaar door het blazen van de Heilige Geest.

2e Deze invloeden zijn noodzakelijk voor de gepaste verrichting van iedere godsdienstplicht. U kunt niet lezen, u kunt niet horen, u kunt niet bidden of danken, u kunt niet avondmaal houden, en er enig voordeel van hebben, indien niet de wind van de Heilige Geest op u blaast. Het is de Heere, Die onze voetstappen ruim moet maken onder ons, en onze voeten als der hinden in de wegen des Heeren.

3e Zij zijn noodzakelijk om ons uit te rusten voor onze geestelijke strijd tegen zonde, Satan, en wereld. Wij zullen nooit in staat zijn onze geestelijke vijanden te bevechten, als Hij ons niet helpt. Hij alleen "onderwijst onze handen ten strijde, en onze vingeren ten oorlog, zodat stalen bogen door ons verbroken worden." Zonder de Geest zullen wij voor elke verzoeking vallen; wij zullen als Petrus onszelf vervloeken en zweren, dat wij Hem niet kennen.

4e Zij zijn noodzakelijk tot oefening van de genade, die reeds in de ziel geplant is. Gelijk wij geen genade in ons hart kunnen werken, zo kunnen wij haar ook niet oefenen zonder de vernieuwde invloeden van de Heilige Geest. Wanneer deze wind blaast, dan, en dan alleen, zullen de specerijen uitvloeien. Doch ik zal hier niet bij stilstaan. De invloeden van de Geest zijn noodzakelijk tot al de behoeften, die ik reeds gemeld heb: tot overtuiging, verlichting, vernieuwing, vertroosting, verwijding, doding van de zonde, en tot verzekering van ons kindschap.

5. Ik zal in de vijfde plaats uw aandacht bepalen bij enige van de tijden van deze invloeden van de Geest; want, zoals u weet, de wind heeft zijn tijden waarop hij waait en blaast. Ik zal er u slechts een paar van noemen.

(1) De verlevendigende invloeden van de Geest blazen gewoonlijk in een dag van bekering. Zoals u gehoord hebt, is dit een tijd waarin deze wind op de ziel blaast, wanneer God het stenen hart wegneemt, en een vlezen hart geeft (Ezech. 36:26). Hij geeft Zijn Geest binnen in hen, wanneer de ziel in het eerst met Christus ondertrouwd is: (Jer. 11:2) "Ik gedenk der weldadigheid uwer jeugd, de liefde uwer ondertrouw, toen gij Mij nawandelde in de woestijn, in onbezaaid land."

(2.) Wanneer de ziel diep vernederd is geweest onder een besef van zonde en onwaardigheid. Toen Efraïm vernederd was en op de heup klopte, erkennende zijn zonde en dwaasheid, toen kwam een verlevendigende bries van de Geest des Heeren in hem blazen: "Is niet Efraïm Mij een dierbare zoon? Is hij Mij niet een troetelkind? Want sinds dat Ik tegen hem gesproken heb, denk Ik nog ernstig aan hem; daarom rommelt Mijn ingewand over hem; Ik zal Mij zijner zeker ontfermen, zegt de Heere."

(3.) Wanneer de Heere na een donkere nacht van verlating wederkeert is het een tijd voor zoete invloeden. Nadat Sion sprak: "De Heere heeft mij verlaten, en de Heere heeft mij vergeten," kwam er een aangename bries des Geestes: "Kan ook een vrouw haar zuigeling vergeten, dat zij haar niet ontferme over de zoon haars buiks? Ofschoon deze vergate, zo zal Ik toch u niet vergeten."

(4). Tijden van ernstig bidden en worstelen: want Hij geeft Zijn Geest aan degenen, die Hem bidden. Dit komt overeen met de belofte: (Ezech. 36:37) "Daarenboven zal ik hierom van het huis Israëls verzocht worden, dat Ik het hun doe."

(5.) Tijden van ernstige overpeinzing zijn tijden van lieflijke invloeden van de Geest: (Ps. 63:6,7,9) "Als ik Uwer gedenk op mijn legerstede, en aan U peins in de nachtwaken, wordt mijn ziel als met smeer en vettigheid verzadigd, en mijn ziel kleeft U achteraan."

(6.) Avondmaalsdagen zijn soms dagen van zoete invloeden. Sommigen van Gods volk kunnen bij bevinding met de bruid betuigen, dat, "terwijl de Koning aan Zijn ronde tafel was, hun nardus haar reuk gaf;" en dat, "wanneer zij onder Zijn schaduw nederzaten, Zijn vrucht hun gehemelte zoet was. Hij voerde mij in het wijnhuis, en de liefde was zijn banier over mij."

(7). Soms is de dag van de dood een dag van lieflijke winden des Geestes gebleken te zijn, zodat zij bij het binnengaan van de haven der heerlijkheid een nieuw lied van overwinning in de mond gaven, zeggende: "Gode zij dank, Die ons de overwinning geeft door onze Heere Jezus Christus." Zo sprak David: "Hoewel mijn huis alzo niet is bij God, nochtans heeft Hij mij een eeuwig verbond gesteld, dat in alles welgeordineerd en bewaard is. Voorzeker is hierin al mijn heil, en alle lust." Zo ook Simeon, en Paulus, en anderen.

III. Het derde punt in de verdeling van de tekst en de leer is, dat ik iets zal spreken over het leven, dat in de zielen van Gods uitverkorenen wordt gewerkt door deze invloeden en inblazingen van de Heilige Geest. Uw tijd zal mij niet toelaten hierover uit te weiden. Ik zal u alleen in een paar bijzonderheden zeggen, wat voor soort van leven het is.

(1). Het is een leven van het geloof. De apostel noemt het zo: (Gal. 2:20) "Het leven, dat ik nu in het vlees leef, dat leef ik door het geloof des Zoons Gods, Die mij liefgehad heeft, en Zichzelf voor mij overgegeven heeft." Van de rechtvaardige staat geschreven, dat hij uit het geloof zal leven. Hij omhelst altijd een Verlosser, en de volheid van de Godheid in Hem; hij krijgt altijd nieuwe toevoer uit die volle schatkamer.

(2.) Het is een leven van rechtvaardigmaking. De wet spreekt een vervloeking uit over "een iegelijk, die niet blijft niet in al hetgeen geschreven is in het boek der wet, om dat te doen." Voor de gelovige is dit vonnis des doods vernietigd. (Rom. 8:1) "Er is geen verdoemenis voor degenen, die in Christus Jezus zijn." En dat niet alleen, maar de eeuwige gerechtigheid van Immanuël, God met ons, is hem toegerekend, zodat hij met een heilige vrijmoedigheid de rechtvaardigheid kan uitdagen, en de wet kan uitdagen, wat zij tegen hem hebben in te brengen, zoals de apostel dat doet in Rom. 8:33: "Wie zal beschuldiging inbrengen tegen de uitverkorenen Gods?"

(3). Het is een leven van verzoening met God; God en zij zijn met elkaar bevriend. Dit is een natuurlijk gevolg van hun rechtvaardigmaking: (Rom. 5:1) "Wij dan gerechtvaardigd zijnde uit het geloof hebben vrede met God". God behoudt niet de minste wrok tegen hen in Zijn hart, Hij en zij wandelen samen, omdat zij overeengekomen zijn; zij hebben gemeenschap met elkaar: (Joh. 1:3) "en deze onze gemeenschap is met de Vader en met Zijn Zoon Jezus Christus".

(4.) Het is een leven van heiligheid en heiligmaking; want de Geest des Heeren is een reinigende, uitzuiverende en vernieuwende Geest. Hij vernieuwt de ziel naar het beeld Gods, maakt het hart, dat een kooi van onrein gevogelte was, een geschikte tempel voor de Heilige Geest om in te wonen. Hij versiert de ziel en maakt haar als de dochter van de Koning "geheel verheerlijkt inwendig". Zij, die onder de potten, of tussen twee rijen van stenen hadden gelegen, worden "als vleugelen ener duif, overdekt met zilver, en welker vederen zijn met uitgegraven geluwen goud".

(5.) Het is een zeer vrolijk en troostelijk leven; en geen wonder, want Zijn Naam is de Trooster. Zijne vertroostingen zijn zo krachtig, dat zij de ziel een grond van verheuging verschaffen in de zwartste en meest bewolkte dag: (Hab. 3:17,18) "Alhoewel de vijgeboom niet bloeien zal, en geen vrucht aan de wijnstok zijn zal, dat het werk des olijfbooms liegen zal, en de velden geen spijze voortbrengen; dat men de kudde uit de kooi afscheuren zal, en dat er geen rund in de stalling wezen zal; zo zal ik nochtans in de Heere van vreugde opspringen; ik zal mij verheugen in de God mijns heils". De vreugde die Hij geeft, is zeer doordringend, zij gaat diep: "uw hart zal zich verblijden". Zij is blijvend: "niemand zal uw blijdschap van u wegnemen". Zij kan niet in woorden worden uitgedrukt: "In dewelke gij nu, hoewel Hem niet ziende, maar gelovende, u verheugt met een onuitsprekelijke en heerlijke vreugde".

(6.) Het is een leven van vrijheid; want "waar de Geest des Heeren is, daar is vrijheid". Hij brengt ons tot de vrijheid van de heerlijkheid van de kinderen Gods". Voordat de Geest komt met Zijn zaligmakende werkingen is de mens in dienstbaarheid; dienstbaar aan de zonde, aan de satan, aan de wet, en aan de vloek en de veroordeling Gods; doch de Geest des Heeren maakt van al deze vrij. Christus ontneemt door Zijn Geest de gevangenen des machtigen, en doet de vang des tirans ontkomen.

(7.) Het is een verborgen leven: (Kol. 3:3) "Uw leven is met Christus verborgen in God". De gelovigen worden "Gods verborgenen" genoemd (Ps. 83:4). De bron en fontein van dit leven is verborgen, namelijk, een ongeziene Christus; want "bij Hem is de fontein des levens." Het onderwerp van dit leven is verborgen, namelijk de verborgen mens des harten. De werkingen van dit leven zijn verborgen, als ook de middelen waardoor het onderhouden wordt. De gelovige wordt gevoed met "het manna, dat verborgen is, en hij eet van de Boom des levens, die in het midden van het paradijs Gods is". Ook zijn de schoonheid en heerlijkheid van dit leven verborgen; want "des Konings dochter is geheel verheerlijkt inwendig". De schoonheid van het leven van de geveinsden ligt geheel in het uitwendige, zij zijn gepleisterde, beschilderde graven.

(8.) Het is een hemels leven; het is hun gegeven boven de wereld te leven. De apostel zegt: "Onze wandel is in de hemelen". Zij beschouwen zich als pelgrims en daarom merken zij niet zozeer de dingen aan, die men ziet, maar de dingen, die men niet ziet. Zij "zien met Mozes op de vergelding des loons." Hun ogen zijn gericht op het vergelegen land, en op de Koning in Zijn schoonheid.

(9.) Het is een koninklijk leven, want zij zijn "gemaakt tot koningen en priesters Gode en Zijn Vader" (Openb. 1:6). Zij hebben een koninklijk koninkrijk: "Ik verordineer u het koninkrijk," zegt Christus; een koninklijke kroon, "een onverwelkelijke kroon der heerlijkheid." Zij zullen tenslotte een koninklijke troon hebben (Openb. 3:21): koninklijke kleding, een vorstelijk gewaad, de klederen des heils; een koninklijke tafel wordt hun toegericht, Jes. 25:6) "een vette maaltijd van reinen wijn, van vet vol mergs, van reine wijnen, die gezuiverd zijn:" een koninklijke wacht omringt hen voortdurend, de engelen Gods, en de eigenschappen van de goddelijke natuur.

(10.) Het is een eeuwig leven: (Joh. 17:3) "Dit is eeuwige leven, dat zij U kennen, de enige en waarachtige God, en Jezus Christus, Die Gij gezonden hebt". De zaligmakende kennis van God in Christus, wat is die anders dan het aanbreken van de dageraad van de eeuwige heerlijkheid in de ziel? En waar die eens aanbreekt, daar zal Hij blijven opgaan, totdat de middag der eeuwige heerlijkheid komt; want "zijn uitgang is bereid als de dageraad".

IV. Ons vierde punt is de toepassing.

Andere gebruiken, die van deze leer kunnen gemaakt worden, voorbijgaande, zal ik er alleen gebruik van maken bij wijze van Onderzoek en van Vermaning.

Het eerste gebruik zal zijn tot beproeving en onderzoeking.

O vrienden, beproeft uzelf of deze zaligmakende invloeden van de Geest ooit op uw ziel hebben geblazen, ja of nee. Tot uw beproeving zal ik alleen de volgende dingen aan de hand doen.

1. Indien deze inblazingen in uw ziel geblazen hebben, dan heeft Hij het deksel van het aangezicht, dat van nature op uw hart en op uw verstand ligt, weggeblazen. Hij heeft u een ander gezicht op geestelijke en goddelijke dingen gegeven, dan u van nature of door enige aangeleerde kennis ooit kon hebben. De Geest des Heeren wordt "de Geest der wijsheid en der openbaring" genaamd (Ef. 1:17), omdat Hij die dingen aan de ziel openbaart, die vlees en bloed niet kunnen aannemen of verstaan. Daarom, heeft de Geest aan u getuigd van Christus? heeft Hij, "Die gezegd heeft, dat het licht uit de duisternis zou schijnen," in uw hart geschenen, om te geven verlichting der kennis der heerlijkheid Gods in het aangezicht van Jezus Christus? En, wat een vrucht en gevolg hiervan is.

2. Als de wind van de Heilige Geest op uw ziel heeft geblazen, dan heeft Hij iets van de vuiligheid van de hel, die aan uw ziel kleefde, weggeblazen, en u naar Zijn beeld veranderd; dan bent u (2 Kor. 3:18) "de heerlijkheid des Heeren als in een spiegel aanschouwende, naar hetzelfde beeld in gedaante veranderd, van heerlijkheid tot heerlijkheid, als van des Heeren Geest." Indien u de Geest hebt, dan zal "dat gevoelen in u zijn, hetwelk ook in Christus Jezus was; want die de Heere aanhangt is één geest met Hem." U zult Hem navolgen en op Hem gelijken in Zijn navolgbare volmaaktheden, in Zijn heiligheid, zachtmoedigheid, zelfverloochening, lijdzaamheid. Hij is een heilig God, en overal waar Hij komt, werkt Hij heiligheid en maakt Hij de ziel heilig.

3. Indien deze Wind in uw zielen heeft geblazen, dan heeft Die u uit uw toevluchten van de leugens uitgedreven, en u de toevlucht in Christus doen nemen. Dan heeft Hij u van de wet afgedreven en u hartelijk verenigd met de wijze van zaligmaken door de gerechtigheid van de Zoon van God; de apostel zegt: "Ik ben door de wet der wet gestorven, opdat ik Gode leven zou." Dit is het doel van al de werkingen van de Geest, zondaren van de zonde, van het eigen, van de wet, af te drijven, opdat zij alleen in Christus rust mogen vinden.

4. Indien u ooit iets van de verlevendigende werkingen van deze wind des Geestes hebt ondervonden zult u verlangen, dat er wederom zo’n bries, zulk blazen op u mag komen. Wanneer deze werkingen worden opgeschort en ingehouden zullen uw zielen als het ware bezwijken, evenals een mens, die niet op adem kan komen. U zult, evenals David, naar een windje van de invloeden van de Geest hijgen: (Ps. 63:2) "Mijn ziel dorst naar U, mijn vlees verlangt naar U, in een land dor en mat zonder water;" (Ps. 84:3) "Mijn ziel is begerig, en bezwijkt ook van verlangen naar de voorhoven des Heeren; mijn hart en mijn vlees roepen uit tot de levende God". O, dat er nog eens een wind des Geestes komt in de openbare ordinanties!

5. Indien u het blazen van deze wind hebt gevoerd, zult u de oostenwind van zonde en ijdelheid niet scheppen: (Joh. 4:14) "Zo wie gedronken zal hebben van het water, dat Ik hem geven zal, die zal in eeuwigheid niet dorsten." U zult dan niet onmatig naar de dingen van de tijd dorsten; neen, die zult u maar als afval en ijdelheid aanmerken. U zult "dat goede deel verkiezen, dat niet van u zal weggenomen worden". U zult dan "zoeken de dingen, die boven zijn, waar Christus zit aan de rechterhand Gods".

6. Indien deze wind op uw ziel heeft geblazen, zult u de richting van deze wind volgen; u zult dan niet recht tegen deze wind in lopen, maar u zult dezelfde koers houden. Ik meen, u zult u overgeven aan de leiding van de Geest, die in Zijn Woord spreekt: want "zovelen als er door de Geest Gods geleid worden, die zijn kinderen Gods".

Doch zegt u: Hoe zal ik weten of ik door de Geest Gods geleid wordt? Dan antwoord ik:

1e Indien u de Geest volgt, dan zult u de begeerlijkheden van het vlees niet volbrengen; maar dan zult u zich integendeel benaarstigen "het vlees met de bewegingen en begeerlijkheden te kruisigen". Dan zult u gereed zijn op Gods bevel uw rechterhand af te houwen, en uw rechteroog-zonden uit te rukken.

2e Dan zal de weg die u bewandelt, een weg van heiligheid zijn, want Hij is een Geest der heiligmaking; en een weg van waarheid, want de Geest des Heeren is een Geest der waarheid, Die in alle waarheid leidt; een weg van oprechtheid: (Ps. 143:10) "Uw goede Geest, geleide mij in een effen land; (of volgens de Engelse overzetting) Uw Geest is goed, geleid mij in het land van de oprechtheid."

3e U weet, dat geleiden vrijwilligheid of gewilligheid te kennen geeft. Er is een groot onderscheid tussen geleiden en trekken; tussen door de wind gedreven te worden, en de richting van de wind te volgen. De goddeloze, een huichelaar, een natuurlijk mens, kan soms door een sterke wind van overtuiging met kracht van geweld tot de plicht gedreven worden. Doch de gelovige is een vrijwilliger, hij geeft zich gewillig aan de leiding van de Geest over, hij verheugt zich in gerechtigheid te werken en God in zijn wegen te gedenken. Wanneer hij de Geest maar in zijn oren hoort fluisteren: "Dit is de weg, wandelt in dezelve"; dan voldoet hij daar terstond aan. Wanneer de Geest des Heeren zegt: "Kom," dan laat hij onmiddellijk als een echo horen: "Ziet, ik kom tot u, want Gij zijt de Heere, mijn God." Beproeft u bij deze dingen.

Het tweede gebruik zal zijn van vermaning.

Is het zo, dat de invloeden van de Geest zo noodzakelijk zijn tot onze verlevendiging? Laat u dan vermanen naar de hemel op te zien en om de inblazingen van de Geest te roepen. O vrienden! zet de woorden van onze tekst in een gebed om, en zegt: "Gij Geest, kom aan van de vier winden, en blaas in deze gedoden, opdat zij levend worden." Ik zou deze vermaning door vele beweegredenen kunnen aandringen; ik zal ze slechts noemen.

1. Overweegt, vrienden, dat geestelijke dodigheid in de tijd waarin wij leven, zeer veel voorkomt. Er is een grote menigte dorre beenderen over ons dal des `gezichts verspreid. Velen zijn er, die de kentekenen van een dodelijke melaatsheid op hun voorhoofden dragen; hun godloochening, hun onheiligheid, ongodsdienstigheid en andere grove gruwelen, verklaren duidelijk aan de wereld, dat zij geheel dood zijn door de misdaden en de zonden. Helaas! Geeft het geen stof tot klagen, dat zelfs velen van diegenen, in wie, naar het oordeel van de liefde, de wortel van de zaak, de beginselen van het geestelijk leven, gevonden worden, nog onder droevig verval van het leven van de genade verkeren? Helaas! Het is met onze leraars en belijders niet, wat het in vroegere dagen is geweest. Ik zou vele droevige blijken daarvan kunnen bijbrengen, als de tijd het mij toeliet. Denkt slechts aan die ik reeds gemeld heb; de algemene afkeer van het Woord, enz.

2. Overweegt het kwaad en het gevaar van geestelijke dodigheid. Het kwaad daarvan zal blijken, 1e. Als u overweegt, dat het een gesteldheid van geest is, die rechtstreeks tegen het Woord van God in gaat. God gebiedt ons, onze lichamen te stellen tot "een levende, heilige en Gode welbehaaglijke offerande", hetwelk waarlijk onze redelijke godsdienst is" (Rom. 12:1). Ja, het is in strijd met de natuur van God; want "God is een Geest, en die Hem aanbidden moeten Hem aanbidden in Geest en waarheid" (Joh. 4:24).

2e Het kwaad en het gevaar blijkt verder hieruit, dat het de ziel voor elke plicht ongeschikt maakt, en onze gemeenschap en ons verkeer met God verijdelt. God ontmoet de levendige Christen in de weg van de plicht: "Gij ontmoet de vrolijke, en die gerechtigheid doet, degenen, die Uwer gedenken op Uw wegen.’ Doch wat hem aangaat, die met een Laodiceese, dode, levenloze, lauwe zielsgestalte tot Hem komt, met die zal Hij geen gemeenschap houden; neen, Hij zal die mens uit Zijn mond spuwen.

3e De dodigheid opent een deur voor alle andere zonden, en geeft een mens ten prooi over aan iedere verzoeking. Een dode kan op generlei wijze tegenstand bieden, hij wordt zonder tegenstand met de stroom meegevoerd.

4e Het legt een fondament voor droevige en verschrikkelijke beschuldigingen van het geweten. Davids geestelijke dodigheid bracht hem op de lange duur in die verlegenheid, dat hij moest uitroepen vanwege zijn verbrijzelde beenderen.

3. Overweegt, dat gelijk de inblazingen van de Geest noodzakelijk zijn tot elke plicht, zo ook in het bijzonder tot dat plechtig werk, om de dood van de verhoogde Verlosser te gedenken. Ik zou u hier, als de tijd het toeliet, kunnen aantonen, hoe de invloeden van de Geest tot ieder deel van het werk noodzakelijk zijn. Zonder de invloeden van het licht des Geestes kunt u zichzelf nooit naar behoren onderzoeken. "De inblazing des Almachtigen maakt verstandig", hoe de "verborgenheid der ongerechtigheid van het hart na te speuren, dat arglistig is meer dan enig ding, ja dodelijk." Zonder Geest kunt u uw zonden niet bewenen, want het zijn de vertederende invloeden van de Geest, die het hart doen wegsmelten in evangelische tranen (Zach. 12:10). Zonder de Geest kunt u het verbroken lichaam van een Verlosser niet onderscheiden, want het is de Geest, die van Christus getuigt. "Doch over het huis Davids, en over de inwoners van Jeruzalem, zal ik uitstorten de Geest der genade en van de gebeden;" en dan volgt: "en zij zullen zij Mij aanschouwen, Die zij doorstoken hebben, en zij zullen over Hem rouwklagen". In één woord, u kunt worstelen in de gebed, u kunt geen recht gezicht hebben van het plan van de verlossing, u kunt Gods verbond niet aangrijpen, noch van enige belofte van het verbond gebruikmaken, zonder de Geest.

4. Overweegt de uitnemendheid van deze werkingen van de Geest.

1e Zij blazen vanuit een uitnemende streek en zijn van een voortreffelijke oorsprong; de Heilige Geest is er de Werker van, en u weet, dat Hij van de Vader en de Zoon uitgaat. Zodat een Drieënig God, als het ware met deze inblazingen meekomt.

2e Zij zijn gekocht met het bloed van de Verlosser en daarom uitnemend. Niet de minste genade, niet het minste briesje van de Geest, wordt de gelovigen geschonken, of het heeft het hartebloed van Christus gekost. Hij heeft genade zowel gekocht als de heerlijkheid.

3e Deze invloeden van de Geest vervullen, als het ware, de plaats van Christus, nu Hij in de heerlijkheid is. Waarlijk, vrienden, ik kan veilig op grond van de Schrift zeggen, dat de tegenwoordigheid van de Geest bij de gelovigen op aarde groter zegen is, dan de blote lichamelijke tegenwoordigheid van Christus. Daarom zegt Christus Zijn discipelen bij wijze van vertroosting: (Joh. 16:7) "Indien Ik niet wegga, zo zal de Trooster tot u niet komen; maar indien ik heenga, zo zal Ik Hem tot u zenden". Alsof Hij zeide: "Wanneer Ik zal zijn heengegaan, zal de Geest uit de hoogte worden uitgestort, hetgeen voor u veel beter is dan Mijn lichamelijke tegenwoordigheid.

4e Deze inblazingen van de Geest zijn onderpanden van de heerlijkheid, het onderpand van de erfenis: (Ef. 1:13, 14) "Nadat gij geloofd hebt zijt gij verzegeld geworden met de Heilige Geest der belofte, Die het Onderpand is van onze erfenis".

5e Haar voortreffelijkheid blijkt uit de uitnemende uitwerking, die zij op de ziel hebben. Zij versieren de ziel waarop zij vallen, en maken haar als "een veld, dat de Heere gezegend heeft". Zij maken de ziel "in alle goede werken vrucht dragende": (Hos. 14:6) "Ik zal Israël zijn als de dauw," en wat volgt dan? "Hij zal bloeien als de lelie, en hij zal zijn wortelen uitslaan als de Libanon". (Jes. 44:3) "Ik zal water gieten op de dorstige, en stromen op het droge; Ik zal Mijn Geest op uw zaad gieten, en Mijn zegen op uw nakomelingen:" en dan volgt: "En zij zullen uitspruiten tussen in het gras, als de wilgen aan de waterbeken".

Vraagt u: Welke raad geeft u ons, opdat wij de verlichtende en verlevendigende wind des Geestes wederom mogen verkrijgen?

Dan is mijn antwoord: 1. Weest gevoelig over uw dodigheid en betreurt die; want "de Heere vertroost de treurigen Sions". Hij zal hun "geven sieraad voor as, vreugdeolie voor treurigheid, het gewaad des lofs voor een benauwde geest". En dan volgt daarop: "opdat zij genaamd worden eikebomen der gerechtigheid, een planting des Heeren, opdat Hij verheerlijkt worde" (Jes. 61:3).

2. Weest veel op de berg van hemelse overpeinzing; want hier blaast de Geest des Heeren. David zegt: (Ps. 39:4) Een vuur ontbrandde in mijn overdenking"; (Ps. 63:6, 7) "Wanneer ik Uwer gedenk op mijn legerstede, en aan U peins in de nachtwaken. wordt mijn ziel als met smeer en vettigheid verzadigd".

3. Roept krachtig tot God om deze invloeden, of Hij Zijn Geest uit de hoogte over u uitstort; want, zo zegt Christus: "Indien gij, die boos zijt, weet uw kinderen goede gaven te geven, hoeveel temeer zal de hemelse Vader de Heilige Geest geven dengenen, die Hem bidden?" Pleit op de beloften van het nieuwe verbond en pleit in het bijzonder op die volstrekte belofte van de Geest: (Jes. 44:3) "Want ik zal water gieten op de dorstige, en stromen op het droge; Ik zal Mijn en Geest op u zaad gieten, en Mijn zegen op uw nakomelingen": en (Ezech. 36:27) "Ik zal Mijn Geest geven in het binnenste van u; en Ik zal maken, dat gij in Mijn inzettingen zult wandelen, en Mijn rechten zult bewaren en doen." Doch, vrienden, gedenkt steeds, dat deze beloften door het gebed van het geloof moeten worden opgezonden. Wij moeten de beloften Gods in gebeden omzetten; want zo wordt er aan toegevoegd: (vs. 37) "Daarenboven zal Ik hierom van de huize Israëls verzocht worden, dat Ik het hun doe.

4. Maakt er geweten van, op Hem te wachten in al de plichten en ordinanties, die Hij heeft ingesteld. Voornamelijk de prediking van het Woord. Wacht u voor een wettische gestalte in uw bijwonen van die instellingen, alsof u daardoor iets bij God zoudt kunnen verdienen, of, dat God u iets verschuldigd zou zijn voor wat u in die weg doet. De apostel zegt, dat wij de Geest ontvangen, niet uit de werken der wet, maar uit de prediking van het geloof: "Die u dan de Geest verleent, en krachten onder u werkt, doet Hij dat uit de werken der wet, of uit de predikatie des geloofs?" (Gal. 3:2 en 5). De instellingen van het Evangelie zijn de koetsen waarin de Geest pleegt te rijden, wanneer Hij voor het eerst in de ziel komt, of wanneer Hij na afwezigheid wederkeert.

Ten laatste. Staat naar vereniging met Christus, want de geest der heerlijkheid, en de Geest Gods rust op hen. die in Christus zijn. De kostelijke olie, die op het hoofd van onze verhoogde Aäron werd uitgegoten. daalt neer tot op de zoom van zijn klederen, op ieder lid van Zijn verborgen lichaam.

 

Roverij gepleegd, en teruggave gedaan, beide aan God en de mens

Ps. 69:5. Wat ik niet geroofd heb, moet ik alsdan wedergeven.

Het is meer dan duidelijk, dat vele gedeelten uit deze Psalm in de Schriften van het Nieuwe Testament op Christus worden toegepast; voornamelijk vs. 10: "De ijver van Uw huis heeft mij verteerd", wordt in Joh. 2:17 op Christus toegepast; alsmede wat onmiddellijk daarop volgt: (Rom. 15:3) "De smaadheden van degenen, die U smaden, zijn op Mij gevallen". Zo ook wordt het 22e vers: "Ja, zij hebben mij gal tot Mijn spijze gegeven, en in Mijn dorst hebben zij mij edik te drinken gegeven", in Matth. 27:48, en Mark. 15:23, op Christus toegepast. Doch ik behoef niet verder te gaan om dit te bewijzen, dan de eerste woorden van het vers, waaruit ik mijn tekst heb genomen: "Zij hebben mij zonder oorzaak gehaat". In dit ons tekstvers horen wij de Heere over Zijn vijanden klagen. Hij klaagt in het eerste lid van het vers over hun haten zonder oorzaak, en over de menigte van hen: "Die Mij zonder oorzaak haten, zijn meer dan de haren Mijns hoofds". Hij klaagt over hun onverzoenlijker haat: "Die Mij zoeken te vernielen, die Mij om valse oorzaken vijand zijn, zijn machtig geworden". Zo is onze gezegende Heere behandeld door hen, die Hij zalig kwam maken. Men zou zo denken, dat Hij, wanneer er zo’n machtig komplot van de hel en de aarde tegen Hem was, zou hebben opgehouden en niet verder gegaan; doch Hij bezweek niet, noch werd Hij ontmoedigd, welke tegenstand Hij ook ondervond. U ziet toch in de woorden, die ik heb voorgelezen, wat Hij voor verloren zondaren deed, toen Hij zo’n ruwe behandeling van hen ondervond. Toen, ja toen zeide Hij: "Wat ik niet geroofd heb, moet ik alsdan wedergeven; of, volgens de Engelse overzetting: Toen heb Ik weergegeven wat ik niet geroofd had".

In deze woorden kunt u de volgende bijzonderheden opmerken: (1.) Roverij wordt hier ontkend: er was roverij gepleegd, maar die wordt door de Zoon van God ontkend: "Ik heb niet geroofd". Er was iets van God en de mens geroofd; er wordt niet gezegd door wie, doch het is gemakkelijk te begrijpen, dat een vijand het gedaan had. (2.) Die roverij, die gepleegd was wordt vergoed: "Ik heb wedergegeven", zegt Christus, "Ik heb wedergegeven wat ik niet geroofd had". Het werk van de mens zijn verlossing is een teruggave, beide aan God en de mens, van hetgeen door de zonde en de satan geroofd was. Wanneer het werk van de verlossing eenmaal zal voltooid zijn, zal er een teruggave van alle dingen zijn; wij lezen dan ook in Hand. 3:21 van de wederoprichting van alle dingen. (3). Hier wordt de persoon vermeld, die teruggaf. Wie heeft de teruggave gedaan? Dat was Ik, zegt de Heere; Ik heb wedergegeven wat Ik niet geroofd had. Ik, Die in gerechtigheid spreek, Die machtig ben te verlossen; Ik, het Kind, Dat ons geboren, de Zoon, Die ons gegeven is, Wiens naam is Wonderlijk, Raad, Sterke God, Vader der eeuwigheid, Vredevorst; Ik, ja Ik heb wedergegeven wat Ik niet geroofd had. (4.) Hier zien wij vrijwilligheid en de vrijheid van de daad. Niemand is verplicht te vergoeden wat door een ander geroofd is, tenzij hij het uit eigen beweging doet. Wel, zegt Christus, hoewel Ik niet geroofd heb, nochtans zal Ik de roverij en de diefstal, die gepleegd is, vergoeden. Ik heb in de Raad des vredes op Mij genomen dit te doen: "Ziet Ik kom, Ik heb lust, o Mijn God, om Uw welbehagen te doen". (5.) Hier hebben wij de tijd wanneer onze heerlijke Immanuël deze vergoeding van hetgeen Hij niet geroofd had, deed. Het was, toen Ik heb wedergegeven wat Ik niet geroofd had: toen Zijn vijanden Hem zochten te vernielen, toen zij Hem van Zijn Naam, ja van Zijn leven beroofden, toen gaf Hij weer wat de mensen door roverij ontnomen was. U zult zien hoe laag onze gezegende Heere afdaalde om deze vergoeding te doen, en wanneer het geschiedde. Hij deed het, (vs. 1.) toen de wateren van de toorn Gods tot aan zijn ziel waren gekomen, ja toen, zegt Hij, heb Ik wedergegeven wat Ik niet geroofd had Uit de woorden die ik dus kort heb geopend, trek ik de volgende lering.

Leer. Dat ‘t het grote voornemen van de Zoon van God was, toen Hij hier in deze benedenwereld in een staat van vernedering neergedaald is, beide Gode en de mens "weder te geven wat Hij niet geroofd had". Want gelijk door de zonde en de satan God en de mens beroofd waren, zo ook vergoedt onze heerlijke Verlosser de gestolen goederen. Hij geeft aan God weder wat Hem verschuldigd was, en de mens wat hij verloren had.

Ik zal deze leer, indien tijd en kracht het mij veroorloven, in de volgende orde verhandelen.

I. Zal ik twee of drie dingen vooropstellen om de weg te effenen.

II. Onderzoek doen naar de gestolen goederen; wat het was, dat van God en de mens geroofd was.

III. Zal ik duidelijk maken, dat onze heerlijke Immanuël vergoedt, wat zowel van God als van de mens geroofd was. Hij geeft God terug wat Hem verschuldigd is, en de mens wat hij verloren heeft.

IV. Zal ik aantonen wanneer onze Heere dit heeft gedaan, want er wordt gezegd: Toen gaf Ik weder.

V. Zal ik de redenen geven waarom Christus dit teruggaf, toen Hij daartoe onder generlei verplichting was; het was alleen Zijn Eigen vrije wil.

VI. Zal ik van het geheel enige toepassing maken.

I. De eerste zaak, die ik heb voorgesteld, is, dat ik twee of drie dingen zal vooropstellen om ten weg te effenen. Tot opheldering moet u overwegen.

1. Dat God de mens, toen Hij hem schiep, rijk maakte; Hij schonk hem allerlei goederen, die noodzakelijk waren om hem hier genoeglijk te doen leven, en hiernamaals eeuwig gelukzalig te maken.

2. U moet overwegen, dat de satan, op deze tijd als een ster uit de hemel op de aarde gevallen zijnde, toen hij op deze wereld, op deze aarde viel, terstond zag, dat de mens als Gods onderkoning stond en handelde, Zijn beeld droeg, en dat de ganse schepping hem onderworpen was. Dit vervulde deze vijand met nijdigheid, en daarom vat hij het besluit op, dat het mogelijk is, de mens te beroven en door de zijde van de mens heen een slag te richten op Gods soevereiniteit.

3. Dienovereenkomstig kreeg de satan de overhand over onze eerste ouders en verlokte hen van de boom van de kennis des goeds en des kwaads te eten, waarvan God hun op straf des doods verboden had te eten.

4. Het werkverbond verbroken, en de mens met de duivel tegen God in opstand gekomen zijnde, verbeurde hij rechtvaardig alle geestelijke en tijdelijke goederen, waarmee God hem begiftigd had, en hij verloor eveneens zijn recht op een gelukzalige eeuwigheid, en werd een slaaf van de vijand. Zo beroofde de vijand hem van al het goed, dat God hem geschonken had.

5. De eeuwige Zoon van God, Wiens vermaak was in de kinderen der mensen, hen in deze ellendige toestand ziende, besluit de menselijke natuur als een maliënkolder aan te doen, om in die natuur wraak te oefenen over die slang, die onze eerste ouders bedrogen en hen van hun vaderlijk erfdeel beroofd had. Dienovereenkomstig is Hij in de volheid des tijd gekomen, en geopenbaard, opdat Hij de werken van de duivel verbreken, en al de geroofde goederen wedergeven zou, Hij heeft de overheden en machten uitgetogen, en door Zijn kruis over hen getriumfeerd, en daarop werd Hem een deel gegeven onder de groten, en deelde Hij de machtigen als een roof. Met het oog hierop zegt de tekst: "Toen heb Ik wedergegeven wat Ik niet geroofd had". Zo kom ik tot

II. Het tweede punt, dat ik de roverij een weinig zal onderzoeken. die door de zonde en de duivel, beide op God en de mens gepleegd was.

Ten eerste. Ik zal beginnen met hetgeen van God geroofd was. Het grote doel van de duivel, in de mens te verzoeken tegen God te zondigen, was God van Zijn eer en heerlijkheid te beroven. God maakte alle dingen tot Zijn eer, en door Zijn wil zijn ze geschapen. De ganse aarde was, voordat de zonde inkwam, vol van Zijn heerlijkheid. Wanneer Adam zijn ogen opsloeg en door de schepping rondkeek, zag hij overal, als het ware, in ieder schepsel waarop hij zijn ogen vestigde, de heerlijkheid Gods schitteren. Nu was het doel van de vijand, God van Zijn heerlijkheid te beroven. In Mal. 3:8 wordt de vraag gesteld: "Zal een mens God beroven?" Zal een schepsel het wagen zijn Schepper te beroven? En toch is dit boze stuk bedreven. Er is een inval op God gedaan, en Zijn heerlijkheid is Hem in een grote mate ontnomen; ik bedoel Zijn geopenbaarde heerlijkheid, want op Zijn wezenlijke heerlijkheid kan onmogelijk inbreuk gemaakt worden.

Ik zal u verscheidene dingen opnoemen, die betrekking hebben op de heerlijkheid Gods, waarop een aanslag gedaan werd, om die door de zonde van de mens weg te nemen, geheel te verdonkeren en te besmetten.

1. Er werd een aanslag gedaan, om God, als de grote Heere en Wetgever van hemel en aarde, van de heerlijkheid van Zijn soevereiniteit te beroven. Wat was, toen de mens tegen God zondigde, en de wet verbrak overeenkomstig de ingeving van de vijand, de taal van die daad? Het was deze: "Wij zijn heren, wij zullen niet meer tot U komen": wij zullen onze wil tot wet maken: "Laat de Almachtige van ons wijken, want aan de kennis van Zijn wegen hebben wij geen lust."

2. Er werd een aanslag gedaan om Hem van de heerlijkheid van Zijn wijsheid te beroven. De wijsheid van God werd door de zonde van de mens van dwaasheid beschuldigd, namelijk, dat Hij de mens een wet had gegeven, die niet waardig was gehouden te worden. Vrienden, rekent er op, elke zonde waaraan u schuldig bent, beschuldigt God van dwaasheid, en verheft de wil en de wijsheid van het schepsel boven de wil en de wijsheid van God, die in deze heilige wet zijn uitgedrukt. Wat een vreselijke, de dood verdienende misdaad is het, dat de arme mens God van dwaasheid beschuldigt!

3. Door de zonde werd een aanslag gedaan om Hem van de heerlijkheid van Zijn macht te beroven, aangezien de zondaar de Almachtige daarin uitdaagt en zegt, dat Hij niet machtig is Zijn twist aan ons te wreken, dat de arm van Zijn macht verdord is. Dat is de taal van de zonde.

4. Gods heiligheid, die een van de helderste en schitterendste paarlen van Zijn kroon is, wordt daardoor beroofd. Wanneer de heilige wet geschonden en overtreden wordt, dan spreekt die daad, dat God is gelijk wij, dat Hij ons doen goedkeurt.

5. Er werd een aanval gedaan op Zijn rechtvaardigheid, er lag een loochening in van Zijn rectorale of besturende macht en billijkheid. God zegt, dat "de ziel, die zondigt, zal sterven, dat Hij de schuldige geenszins onschuldig zal houden." Doch de taal van de zonde is: "God zal het niet zoeken", of Hij zal met deze of die kleine verzoening genoegen nemen en daardoor bevredigd worden.

Om hierover niet verder uit te weiden: er was een verachting van de goedheid Gods. God gaf de mens een groot bezit: Hij gaf hem de ganse aarde, en zou hem ook de hemel hebben gegeven, als hij in zijn oprechtheid was blijven staan; doch al die goedheid Gods werd door de zonde van de mens met voeten getreden.

Er was ook een loochening van de waarheid Gods in de bedreiging, die tegen de zonde van de mens was gedreigd: "Ten dage, als gij daarvan eet, zult gij de dood sterven." Maar de taal van de zonde is: God is niet getrouw aan Zijn woord, Hij zal het niet doen. Zo sprak de satan: "Gijlieden zult de dood niet sterven." Zo ziet u, dat er een aanslag gedaan werd, om God op eenmaal van de heerlijkheid van al Zijn volmaaktheden te beroven.

Ten tweede. Laat ons verder onderzoeken naar de goederen, die door de zonde en de duivel van de mens werden geroofd. Hier vertoont zich een droevig schouwspel. De heerlijkheid van de menselijke natuur werd door de zonde geheel bedorven. De mens was het hoogtepunt van de schepping gemaakt, doch door de zonde kwam hij beneden de beesten te staan, die vergaan. De Heere toch zegt: "Een os kent zijn bezitter, en een ezel de kribbe zijns heren, maar mijn volk verstaat niet"; zij bedenken niet, welke verplichting zij aan Mij hebben.

De zonde heeft de mens van zijn licht en gezicht beroofd. U weet wat Simson overkwam, toen hij door zijn vijanden werd gevangen genomen; zij staken hem zijn ogen uit. Zo ook zijn onze ogen uitgestoken toen wij in de handen van de vijand zijn gevallen, en van die tijd af werden alle mensen blind geboren. De zonde heeft ons van het leven beroofd en ons in de gemeente van de doden gelegd. Alle mensen zijn in een staat des doods en van de verrotting; "dood door de misdaden en de zonden" (Ef. 2:1). De zonde heeft de mens beroofd van alles, dat geestelijk goed is, en van die tijd af zijn wij gevangenen van de duivel, de wereld en onze begeerlijkheden. De zonde heeft ons van onze wijsheid beroofd, en ons daar gebracht, dat wij de dwaasheid verkiezen boven de wijsheid Gods. Ieder mens speelt van nature voor dwaas. Wie anders dan een dwaas zal zijn geld uitwegen voor hetgeen geen brood is, en zijn arbeid voor hetgeen niet verzadigen kan? De zonde heeft ons van onze rechtvaardigheid beroofd, en ons een gezelschap van schuldige misdadigers voor God gemaakt; zij heeft ons onder het vonnis van de verbroken wet gebracht: reeds veroordeeld (Joh. 3:8). De zonde heeft ons van onze schoonheid beroofd, van het schone beeld Gods, bestaande in heiligheid en gelijkvormigheid aan de grote Schepper, en zij heeft alle mensen, als liggende tussen de potten, de kleur van de hel gegeven. De zonde heeft ons van onze gezondheid beroofd. De mens was voor de inkomst van de zonde een gezond schepsel, beide naar lichaam en ziel; doch de zonde heeft ons daarvan beroofd, zodat er, "van de voetzool af tot het hoofd toe, niets geheels aan ons is." De zonde heeft ons van onze vrede beroofd en in oorlog gebracht met God, met onszelf, en met de ganse schepping. De zonde heeft ons van de schone versierselen beroofd, die God ons bij onze schepping gegeven en op ons gelegd heeft, en ons naakt uitgestroopt. De zonde heeft ons van onze schat beroofd, zodat wij bedelaars, arm en naakt, zijn geworden. Kortom, de zonde heeft ons van onze God beroofd, zodat wij "zonder God in de wereld" zijn geworden. Er is een roverij aan u gepleegd, die bij niets kan vergeleken worden! Zo ziet u, wat door de zonde van de mens aan God en de mens ontnomen is. Ik zou u ook kunnen vertellen, dat de zonde de mens heeft beroofd van dat paradijs van verlustiging, waarin God hem bij zijn schepping stelde. Niet zodra had de mens, door de ingeving van de duivel, die oude slang, gezondigd, of hij werd uit de hof van Eden gedreven, en een vlammig lemmer eens zwaards werd daar gesteld, dat zich omkeerde, om hem de toegang af te snijden tot de boom des levens, die in het midden van de hof was. De zonde heeft ons van de hemel beroofd en erfgenamen van de hel en van toorns gemaakt. Kortom, de zonde heeft de ganse schepping in wanorde gebracht en uit haar verband gerukt. Zodra de mens zondigde kwam er zo’n last op de aarde, door de vloek van God, dat van toen af de ganse schepping daaronder gezucht heeft als in barensnood zijnde, zoekende van die dode last, die op haar ligt, verlost te worden. Zodat door de zonde van de mens roverij gepleegd is, er zijn goederen gestolen van God en de mens, en de goede schepselen Gods.

III. Ons derde punt was, "duidelijk te maken, dat onze heerlijke Immanuël vergoedt, wat zowel van God als van de mens geroofd is." Hij geeft God terug wat Hem verschuldigd is, en de mens wat hij verloren heeft.

1. Hij geeft God eer en heerlijkheid terug, en dat in de hoogste trap en mate, zoals de engelen bij de geboorte van onze Heere te kennen gaven (Luk. 2:14). De eerste mededeling van het lied van de engelen is: "Ere zij God in de hoogste hemelen." Het is alsof zij zeiden: God is door de zonde van de eerste Adam en zijn nakomelingen van zijn eer beroofd; doch nu zal de kroon van de hemel een hoger inkomen van heerlijkheid worden toegebracht, dan de ganse schepping in de staat van de rechtheid kon opbrengen. Dienovereenkomstig verklaart onze gezegende Heere, toen Zijn werk volbracht was, nadat Hij de loop van zijn vernedering had voleindigd, Zijn Vader: (Joh. 17:4) En nu Vader, "Ik heb U verheerlijkt op de aarde." Let op de wijze van uitdrukking, want daarin is iets opmerkelijks: "Ik heb U verheerlijkt op de aarde." De aarde was het schouwtoneel van rebellie, weer God openlijk beledigd, Zijn wet geschonden, en Zijn soevereiniteit veracht was; doch, zegt Hij: "Ik heb U verheerlijkt op de aarde," waar U onteerd werd. Ik behoor hier al de volmaaktheden Gods na te gaan, die door de zonde van de mens werden onteerd, en zeggen hoe Christus die alle in eer herstelt.

Hij herstelt de eer van de goddelijke soevereiniteit, als Hij Zijn koninklijke nek buigt onder het juk van de wet, die wij verbroken hadden. Hij is geworden uit een vrouw, en geworden onder de wet, opdat Hij haar zou verheerlijken, en zo de eer van de grote Wetgever handhaven.

Hij herstelt ook de goddelijke wijsheid in haar eer. Christus Zelf toch in Zijn Persoon en middelaarschap is "de wijsheid Gods in een verborgenheid," namelijk "Zijn verborgen wijsheid, de menigvuldige wijsheid Gods." O vrienden! Nooit werden de schatten van de goddelijke wijsheid en kennis besteed als in de Persoon en het middelaarschap van onze Heere Jezus Christus.

Hij herstelt ook de goddelijke macht in haar eer; want Christus is "de kracht Gods." Toen Hij uitging tot het grote werk van de verlossing van de mens, ging Hij uit gewapend met oneindige macht om het uit te voeren. Daarom wordt Hij genaamd: "Gods arm, en de Man van Gods rechterhand, Die Hij Zich gesterkt had," om Zijn eer te bevorderen. Hoe heerlijk werd de kracht Gods tentoongespreid. toen Hij van Edom kwam, met besprenkelde klederen van Bozra, versierd in Zijn gewaad, voorttrekkende in Zijn grote kracht; de overheden en machten uitgetogen hebbende, die God van zijn eer hadden beroofd, en de mens van alles wat waarde voor hem had!

Hij herstelt de heiligheid Gods in haar eer. Deze eigenschap was door de zonde van de mens beledigd, doch door Christus wordt haar eer hersteld. Er blinkt zo’n glans van goddelijke heiligheid uit in de Persoon en het middelaarschap van Christus, dat het de engelen, (Jes. 6) wanneer zij Hem aanschouwen, verblindt; zij worden overstelpt, niet in staat zijnde die te aanschouwen, zij bedekken zich en roepen uit; "Heilig, heilig, heilig is de Heere der heirscharen: de ganse aarde is van Zijn heerlijkheid vol."

Hij geeft weer heerlijkheid aan de goddelijke rechtvaardigheid; want in het werk van de mens zijn verlossing, ontvangt de rechtvaardigheid een volmaakte en volkomen voldoening, totdat zij uitroept: Het is genoeg. De rechtvaardigheid Gods geopenbaard in de uitvoering van de straf van de wet aan de Borg, is als het fondement gelegd van de troon der genade, tot welke wij genodigd worden met vrijmoedigheid toe te gaan, opdat wij barmhartigheid mogen verkrijgen, en genade vinden om geholpen te worden ter bekwamer tijd (Ps. 89:15) "Gerechtigheid en gericht zijn de vastigheid Zijns troons," namelijk, de gerechtigheid voldaan en het gericht of oordeel uitgevoerd aan de heerlijke Borg.

Hij herstelt de eer van de goddelijke goedheid, God was goed voor de mens, maar de mens trad die onder de voet. Doch Christus geeft een veel hogere tentoonspreiding van de goddelijke goedheid dan ooit door mensen of engelen gezien werd, want in Zijn Persoon of middelaarschap en lijden breekt de goedheid Gods als een oceaan uit, in verbazende stromen van liefde, genade en goedertierenheid. O hoe blinkt daarin de liefde Gods uit, dat Hij Zijn eniggeborenen Zoon in de wereld gegeven heeft! "Hierin is de liefde, niet dat wij God liefgehad hebben, maar dat Hij ons lief heeft gehad, en Zijn Zoon gezonden heeft tot een verzoening voor onze zonden." En wat genade betreft: "Genade heerst door rechtvaardigheid tot het eeuwige leven, door Jezus Christus onze Heere". En wat goedertierenheid aangaat: "Goedertierenheid wordt eeuwiglijk gebouwd." Zo is de goddelijke goedheid weer in haar eer hersteld.

Er is eveneens een herstelling van de eer van de goddelijke getrouwheid of waarheid. De waarheid Gods, die zich tot de wettige straf verbonden had, werd door de mens en de duivel vertreden; doch zij wordt gehandhaafd in de uitvoering van die straf, die de mens gedreigd was, in de persoon van onze heerlijke Immanuël. En dat niet alleen, maar de waarheid Gods wordt in het nieuwe verbond "in de hemelen bevestigd:" want alle beloften "zijn in Christus Ja, en zijn in Hem Amen, Gode tot heerlijkheid". Zo ziet u dat Christus Zijn Vader heeft wedergegeven, wat Hij niet geroofd had; Hij geeft "eer aan God in de hoogste hemelen, die Hij nooit had geroofd."

2. Laat ons verder zien wat Hij de mens wedergaf; want de mens was alles ontroofd, wat waarde voor hem had, hetzij voor de tijd, of voor de eeuwigheid.

De menselijke natuur was door de zonde verlaagd en beneden de beesten gezonken, die vergaan. Doch de Zoon van God komt en neemt de menselijke natuur aan in een persoonlijke vereniging met Zichzelf, waardoor de menselijke natuur boven de natuur van de engelen verhoogd wordt: (Hebr. 2:16) "Want waarlijk, Hij neemt de engelen niet aan, maar Hij neemt het zaad Abrahams aan." (Hebr. 1:5) "Want tot wie van de engelen heeft Hij ooit gezegd: Gij zijt Mijn Zoon, heden heb Ik U gegenereerd?" En ziet wat hierop volgt: "En als Hij wederom de Eerstgeborene inbrengt in de wereld, zegt Hij: en dat alle engelen Gods Hem aanbidden." Zo is de heerlijkheid van de menselijke natuur tot veel hoger toppunt van heerlijkheid en eer hersteld en verheven, dan waarop zij in de eerste Adam voor de val stond, toen zij in de staat van de rechtheid versierd was met al haar borduursel. O vrienden! aanschouwt en ziet hoe uw natuur verhoogd, uit de drek opgehaald en op Gods troon gezet is. De troon van God wordt "de troon des Lams" genaamd, omdat onze natuur daar in een persoonlijke vereniging met de grote God is.

Doch dit is niet alles; Hij geeft niet alleen de menselijke natuur haar heerlijkheid terug, maar Hij geeft allen, die geloven, alles weer wat van hen geroofd is, hetzij door de zonde van de eerste Adam, of door hun persoonlijke overtreding, zoals nader zal blijken als wij de bijzondere verliezen nagaan, die in het vorige punt vermeld zijn.

Heeft de zonde ons van ons gezicht en licht beroofd, en in duisternis laten liggen? Christus geeft die weer terug, want Hij gaat op als de blinkende Morgenster, om de duistere wereld te verlichten, wat ons allen met Zacharias mag doen zingen en zeggen: (Luk. 1:78) "Door de innerlijke bewegingen der barmhartigheid onzes Gods, met welke ons bezocht heeft de Opgang uit de hoogte." (Ps. 118:27—29) "De Heere is God, Die ons licht gegeven heeft; bindt het feestoffer met touwen tot aan de hoornen des altaars. Gij zijt mijn God, daarom zal ik U loven; o mijn God, ik zal U verhogen. Looft de Heere, want Hij is goed, want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid."

Heeft de zonde ons van het leven beroofd, en ons in de gemeente der doden laten liggen? Christus geeft het weer terug; want Hij is de "opstanding en het leven," en het leven door Zijn dood wedergegeven hebbende, (Joh. 14:19) bewaart Hij het in Zijn handen en in Zijn hart, en verbindt ons leven aan het Zijne. Want Ik leef, en gij zult leven. Ons leven is met Christus verborgen in God.

Heeft de zonde ons van onze vrijheid beroofd? Christus geeft die terug. Hij kocht onze vrijheid uit de hand van de rechtvaardigheid; toen nam Hij de beul en bond hem, en ontnam hem zijn macht over de arme gevangene. De vrijheid verworven hebbende, gaat Hij verder en, Hij "roept de gevangenen vrijheid uit, en de gebondenen opening der gevangenis".

Heeft de satan ons van onze wijsheid beroofd, zodat wij sindsdien verdwaasd zijn, en als dwazen ons geld uitgeven voor hetgeen geen brood is, en onze arbeid voor hetgeen niet verzadigen kan? Wel Christus geeft dwazen en zuigelingen wijsheid terug; Hij is "ons geworden wijsheid van God", en wanneer wij besloten zijn tot Hem te komen, maakt Hij ons wijzer dan onze leraars; wijs om de verborgenheden van het koninkrijk te weten, die voor de wijzen en verstandigen verborgen, en de kinderkens geopenbaard zijn: "U is het gegeven de verborgenheden van het koninkrijk der hemelen te weten, maar die is het niet gegeven".

Heeft de zonde ons van onze oorspronkelijke rechtvaardigheid beroofd? Christus vergoedt dit; want Hijzelf is "de Heere onze gerechtigheid, en Hij, Die geen zonde gekend heeft, is zonde voor ons gemaakt, opdat wij zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hem".

Heeft de zonde ons van het schone beeld Gods beroofd? Christus geeft dat terug; want op hetzelfde ogenblik, dat een arme zondaar met het oog van het geloof op Hem ziet, wordt het beeld van de tweede Adam weer in zijn ziel gedrukt en door het aanschouwen van Zijn heerlijkheid worden wij naar hetzelfde beeld veranderd.

Hebben de satan en de zonde ons van onze gezondheid beroofd en ons die ontnomen? Christus is gekomen om die terug te geven, want Hij is de onschatbare Heelmeester, en er is geen kwaal zo hardnekkig, dat zij de kracht en het genezend vermogen van deze Heelmeester kan weerstaan; zodat als wij in onze krankheden omkomen, wij dat niet behoeven te doen met dat woord in onze mond: "Er is geen balsem in Gilead! Is er geen heelmeester daar?"

Heeft de satan ons van onze vrede beroofd? Wel. Christus geeft die terug, want "Hij is onze vrede". Vrede op aarde was een van de artikelen van de lofzang van de engelen: "Vrede op aarde, in de mensen een welbehagen". De zonde heeft ons van onze vrede met God beroofd. Christus geeft die terug; want "God was in Christus de wereld met Zichzelf verzoenende". Heeft de zonde ons van de vrede van ons geweten beroofd? Christus geeft die terug: "Vrede laat Ik u, Mijn vrede geef Ik u; niet gelijkerwijs de wereld hem geeft, geef Ik hem u."

Heeft de zonde een vuur van strijd en twist tussen de mensen onderling doen ontbranden? Wanneer Christus met de scepter van Zijn macht komt, zullen zij hun zwaarden slaan tot spaden, en hun spiesen tot sikkelen; dan zal de wolf met het lam verkeren, en de luipaard bij de geitebok neerliggen.

Heeft de zonde ons van onze versierselen beroofd? Christus geeft die terug. Hij maakt des Konings dochter geheel verheerlijkt inwendig; Hij brengt ons veel betere klederen, namelijk, de klederen des heils en de mantel der gerechtigheid, om ons daarmede te versieren.

Heeft de zonde ons onze rijkdommen en schatten ontnomen? Christus ontsluit veel betere schatten, namelijk, "onnaspeurlijke rijkdommen"; en Hij zegt ons, dat "rijkdom en eer bij Hem is, duurachtig goed en gerechtigheid".

Heeft de zonde ons van onze God beroofd, en ons zonder God in de wereld achtergelaten? Christus vergoedt dat verlies; want wat is Christus? Hij is Immanuël. En wat is dat? Hij is God met ons. Dat mag met recht onze harten van vreugde doen opspringen; onze God is tot ons teruggekomen, en Hij zegt: "Ik ben de Heere uw God; ik zal hun God zijn, en zij zullen mijn volk zijn". Het is een God in Christus, die zo tot arme zondaren spreekt. Zo ziet u, dat Christus de mens teruggeeft wat Hij niet van hem geroofd heeft. Ik zou over dit onderwerp veel verder kunnen uitweiden.

De zonde heeft ons van ons recht op het eeuwige leven beroofd; zodra het verbond der werken verbroken was, was ons recht weg. Doch Christus geeft een beter recht terug, namelijk het verbond der genade. Hijzelf is "gegeven tot een Verbond des volks", Hij is de Alpha en de Omega van het verbond; alle beloften en zegeningen daarvan "zijn in hem Ja en Amen". Het verbond der werken was een broos verbond, een onvaste zekerheid, doch het verbond der genade en het recht ons in Christus geschonken is een blijvend recht: (Jes. 54:10) "Want bergen zullen wijken, en heuvelen wankelen, maar Mijn goedertierenheid zal van u niet wijken, en het verbond Mijns vredes zal niet wankelen, zegt de Heere, uw Ontfermer".

Kortom, Christus geeft weer schoonheid en orde aan de ganse schepping terug. Zodra de mens gezondigd had viel er zo’n dode last op de schepping, dat de ganse schepping tot haar oorspronkelijke chaos scheen te zullen worden ineengedrukt; doch wat dit verhinderde was, dat de Zoon van God deze aarde kocht, om daarop Zijn liefde tot zondaren ten toon te spreiden. Daarom zal Hij haar in stand houden en dragen, totdat alles voleindigd is, en dan zal Hij haar aan de vlammen prijsgeven. Er is een woord dienaangaande: (Jes. 49:8) "Ik zal U bewaren, en ik zal u geven tot een Verbond des volks, om het aardrijk op te richten, om de verwoeste erfenissen te doen beërven". Het schouwtoneel van deze aarde zonk weg onder het gewicht van de toorn Gods, doch Christus tot een Verbond des volks gegeven zijnde, draagt Hij de aarde en alle dingen door het woord van Zijn kracht. Ik ga nu over tot

IV. Het vierde punt, hetwelk was, "dat ik zal onderzoeken wanneer Christus dit alles deed." Wanneer heeft Hij wedergegeven, wat Hij niet geroofd had?

Ik zal hierbij niet lang stilstaan; ik heb er bij de verklaring reeds op gewezen. Ik heb u gezegd, dat Hij alles in de staat van de vernedering heeft teruggegeven. Ik kan mij niet ophouden om u de verscheidene trappen van Zijn vernedering op te noemen, waardoor Hij heeft wedergegeven wat Hij niet geroofd had. Wij hebben daarvan een beknopte beschrijving in het antwoord op die vraag van de Catechismus: "Waarin bestond de vernedering van Christus?" Het antwoord luidt: "Daarin, dat Hij in een lage staat geboren is; geworden is onder de wet; dat Hij de ellenden van dit leven, de toorn Gods en de vervloekte dood des kruises ondergaan heeft; dat Hij begraven is, en gedurende enige tijd onder de macht des doods is gebleven." Langs deze trappen van Zijn vernedering, heeft Hij het gezegend ontwerp van de verlossing uitgewerkt. Toen heeft Hij wedergegeven wat Hij niet geroofd had: (Gal. 4:4,5) "Maar wanneer de volheid des tijds gekomen is, heeft God Zijn Zoon uitgezonden, geworden uit een vrouw, geworden onder de wet; opdat Hij degenen, die onder de wet waren, verlossen zou, en opdat wij de aanneming tot kinderen verkrijgen zouden". Doch ik blijf hierbij niet langer stilstaan, en haast mij over te gaan tot

V. Het vijfde punt, namelijk: de redenen na te gaan, waarom onze Heere heeft wedergegeven wat Hij niet geroofd had. Waarom heeft Hij die goederen wedergegeven, die de zonde en de satan beiden van God en de mens geroofd hadden? In antwoord hierop zal ik alleen de volgende bijzonderheden aanvoeren.

1 Christus deed deze teruggave, omdat het Zijns Vaders welbehagen was, dat Hij het zou doen. Hij deed altijd die dingen, die Zijn Vader welbehaaglijk waren: "Niemand neemt Mijn leven van mij, maar ik leg het van Mijzelf af. Ik heb macht het af te leggen, en heb macht het wederom te nemen. Dit gebod heb ik van Mijn Vader ontvangen".

2. Hij gaf weder wat Hij niet geroofd had, omdat het zeer veel bijdroeg tot verhoging van Zijn middelaarsheerlijkheid. Wij lezen in Gen. 14, wat Abraham deed: hij wapende zijn mannen, en ging de vijf koningen zoeken, die Sodom geplunderd hadden: hij jaagde hen na, nam hun de buit af en gaf alles weder, wat niet hij, maar de vijand geroofd had; en dit verhoogde Abrahams eer ten zeerste. Zo is het de onsterfelijke eer van onze heerlijke Immanuël, dat Hij de overheden en machten, die God en de mens hadden beroofd, heeft nagejaagd en uitgetogen: en toen beiden wedergaf, wat zij, en niet Hij, geroofd hadden. "Daarom heeft hem ook God uitermate verhoogd, en heeft Hem een Naam gegeven, welke boven allen naam is, opdat in de Naam van Jezus zich zou buigen alle knie dergenen, die in de hemel, en die op de aarde, en die onder de aarde zijn; en alle tong zou belijden, dat Jezus Christus de Heere zij, tot heerlijkheid Gods des Vaders".

3. Christus heeft wedergegeven wat Hij niet geroofd had, uit de achting, die Hij had voor de heilige wet God. De heilige wet was geschonden en de soevereiniteit van God daarin was vertreden: doch Christus had lust de waardigheid van de wet te handhaven, omdat zij van God is uitgegaan. Daarom wil Hij een volmaakte gehoorzaamheid aan de wet wedergeven, en een eeuwige gerechtigheid aanbrengen, die volkomen aan haar beantwoordt, opdat daardoor een fondament gelegd zou worden voor onze wettige inbezitstelling van de rechten van de kinderen, die wij door de zonde hadden verloren.

4. Omdat Zijn vermakingen waren met der mensen kinderen. Vrienden! Christus had een bruid in het geslacht van Adam, om Zich die voor eeuwig te trouwen. God de Vader had Hem een bruid gegeven. Toen Hij zag, dat zij in de klauwen van de duivel was gevallen, wapende Hij Zich met goddelijke macht en verloste de bruid: "Die mij liefgehad heeft, en Zichzelf voor mij overgegeven heeft’. Toen gaf Christus weder wat Hij niet geroofd had, opdat zo de eer van de genade mocht verhoogd worden in de zaligheid van verloren zondaren, en niemand in zichzelf zou roemen, maar zij, die roemen, zouden roemen in de Heere. Niet wij, maar Hij alleen zorgt voor de teruggave, en genade heerst over ons door dat wedergeven van Hem.

5. Christus gaf weder wat Hij niet geroofd had, opdat Hij "de vijand en wraakgierige, dat is, de duivel zou doen ophouden." (Ps. 8:3). Toen de duivel de mens beroofd had dacht hij, dat hij het gewonnen had, en hij juichte alsof de wereld en haar heerlijkheid nu van hem waren, en de mensen nu gevankelijk werden weggevoerd. Doch Christus stilt de vijand, Hij doet hem ophouden; Hij stilt zijn roemen, Hij berooft de berovers, Hij ontneemt de machtige zijn vang, en verlost de gevangenen van de tiran.

VI. Het zesde punt is de toepassing.

1. Is het zo, zoals u gehoord hebt, dat Christus teruggeeft wat Hij niet geroofd heeft? Ziet dan hieruit, wat een edelmoedige Losser Hij voor ons is. Hij heeft ons nooit iets ontnomen, nochtans geeft Hij alles weder ten koste van de beroving van zijn ziel, door die uit te storten in de dood. O! Hoe is de goedertierenheid Gods aan de mensen verschenen! Wat is er grote reden om de wapenfeiten van onze vermaarde Verlosser te aanbidden, die uitging overwinnende, en opdat Hij overwon!

2. Deze leer dient, om ons te doen zien wat dat woord betekent: (Rom. 7:3) "Hij heeft de zonde veroordeeld". Waartoe of hoe deed Hij dat? Wel! De zonde is een rover, zij heeft God en de mens beroofd; is het dan niet rechtvaardig, dat een rover veroordeeld wordt om te sterven? Nu, Christus veroordeelt de zonde, en Hij redt de zondaar. De zondaar verdiende veroordeeld te worden, maar Hij behandelt de zaak zo vaardig, dat Hij de zonde doodt, en de zondaar behoudt.

3. Ziet hieruit welk een misdadige omgang de grote hoop van de kinderen der mensen met de zonde hebben. Het is gevaarlijk met rovers om te gaan en die te herbergen; en toch onderhoudt u een rover in uw boezem. De zonde is een rover, en telkens wanneer u zondigt, pleegt u roverij aan God en uw zielen. Herbergt haar daarom niet; "Zijt beroerd en zondigt niet."

4. Indien de zonde zo’n rover van God en de mens is, ziet dan hoe redelijk het gebod is, de zonde te kruisigen en de werkingen des lichaams te doden. "Doodt de werkingen des lichaams; kruisigt het vlees met zijn bewegingen en begeerlijkheden". Waartoe die kruisigen? Waarom ze doden en vernietigen? Zij zijn rovers. Laat ons daarom krijgvoeren tegen alle zonde, zowel binnen als buiten ons; "laat ons tot den bloede toe tegenstaan, strijdende tegen de zonde", omdat de zonde een rover is, en ons van al het goede, waarvan u hoort, berooft.

5. Uit deze leer ziet u welke weg Christus inslaat in de uitvoering van Zijn middelaarswerk om vrede te maken tussen God en de mens. God en de mens waren beiden beroofd, en er kon geen vrede tussen hen zijn zolang niet beide partijen vergoeding hadden ontvangen. Nu, Christus geeft weer, wat Hij niet geroofd had; Hij geeft Gode de eer en de mens de zaligheid terug, en zo volvoert Hij Zijn middelaarswerk; want wanneer beide partijen vergoeding hebben ontvangen, dan is er vrede. Christus verzegelt de zonde, want Hij is "het Lam Gods, dat de zonde der wereld wegneemt". En waarom neemt Hij die weg? Opdat aldus, beide partijen vergoeding ontvangen hebbende, de vrede tussen God en de mens zou hersteld worden.

6. Ook kunnen wij uit deze leer zien, dat de gelovige in Christus de wijste mens ter wereld is, hoewel de wereld hem als een dwaas beschouwt. Waarom? Omdat hij tot Christus komt en teruggave ontvangt van alle verliezen, die hij door de zonde van de eerste Adam, of door zijn eigen zonden, geleden heeft. Geen wonder dan, dat hij een voorspoedig mens is, omdat zijn verliezen in Christus vergoed worden; want hij komt, en uit Zijn volheid ontvangt hij genade voor genade, hij krijgt wijsheid, rechtvaardigheid, heiligmaking, en verlossing uit de Heere Jezus.

7. Ziet de dwaasheid en onzinnigheid van de zonde van ongeloof. De meeste hoorders van het Evangelie willen niet tot Christus komen om alles, wat zij door Adam en door hun eigen zonden hebben verloren, van Hem terug te ontvangen: (Joh. 5:40) "Gij wilt tot Mij niet komen, opdat gij het leven moogt hebben." En wat een dwaasheid is dit! Indien u in een oproer enige van uw goederen was kwijtgeraakt, hoe zoudt u uw best doen daarvan teruggave te verkrijgen, indien die te krijgen was. Toch zijn het merendeel van de zondaren onder het Evangelie zulke dwazen, dat, hoewel Christus hen raadt, nodigt en smeekt te komen, om hun God, hun leven en al alles wat zij verloren hebben, weer terug te krijgen, zij nochtans niet willen horen: (Ps. 81:12) "Maar Mijn volk heeft Mijn stem niet gehoord, en Israël heeft Mijner niet gewild."

8. Ziet de dwaasheid van de wettische, die zelf doende is beide God en zichzelf terug te geven, wat hem door de zonde is ontnomen. De wettische komt, evenals de trotse Farizeeër tot God met zijn vuile vodden, menende God met deze en die gehoorzaamheid te behagen. Doch, o vrienden! Bedenkt, dat "uit de werken der wet geen vlees zal gerechtvaardigd worden." U zult uw verliezen, en de oneer, die u God hebt aangedaan, niet kunnen herstellen, dan alleen door tot Christus te komen, die "het einde der wet is tot rechtvaardigheid een ieder, die gelooft."

Ik zal verder van deze leer gebruikmaken tot beproeving.

Beproeft uzelf of u ooit door het geloof tot de tweede Adam bent gekomen, en in Hem alles hebt teruggekregen wat u door de zonde en de afval van de eerste Adam hebt verloren. Zij, die Christus Zelf vinden, hebben alles gevonden, want "Christus is Alles, en in allen. Alles in uwe; hetzij Paulus, hetzij Apollos, hetzij Cephas, hetzij de wereld, hetzij leven, hetzij dood, hetzij tegenwoordige, hetzij toekomende dingen; zij zijn al uwe; doch gij zijt van Christus, en Christus is Gods." Zij, die Hem vinden, vinden de parel van grote waarde, een schat van onnaspeurlijke rijkdommen, en daarom kan het niet anders of zij achten al hun verliezen op een wonderlijke wijze in hun voordeel vergoed te zijn. Indien dit zo is, dan zult u alles, wat u tevoren gewin toescheen, om Christus wil schade geacht hebben. Ja gewisselijk, u zult ook alle dingen achten schade te zijn om de uitnemendheid van de kennis van Christus, opdat u Hem mag gewinnen en in Hem gevonden worden. Dan zult u, een betere Man getrouwd hebbende, Wiens Naam is "de Heere onze gerechtigheid", aan de wet en haar werken gestorven zijn, want "in de Heere zullen gerechtvaardigd worden en zich beroemen, het ganse zaad Israëls." Nog eens, indien u in Christus alles hebt teruggevonden, zult u voortdurend krijgvoeren tegen de zonde en de duivel; dan zult u de duivel weerstaan, ja tot den bloede toe tegenstaan, strijdende tegen de zonde. Die rovers komen nooit met een ander doel dan om u te beroven, onder welke vermomming zij zich ook mogen vertonen. En als u bij deze gelegenheid enige liefdetekens van de Heere mocht hebben ontvangen, rekent dan op een aanval; de zeerovers vervolgen dat schip en vallen het aan, dat de rijkste lading heeft. En tenslotte; wanneer de duivel uw vertroostingen heeft verhinderd, of u daarvan door zijn omhelzingen heeft beroofd, zult u tot Christus vlieden om ze terug te krijgen, met David zeggende: "Geef mij weder de vreugde Uws heils;" want Hij geeft weder wat Hij niet geroofd heeft.

Ik zal sluiten met een woord van vermaning.

Vrienden! Ik zal een proclamatie afkondigen in de naam van de Heere Immanuël. Ik maak u bij deze bekend en doe u, mensen, weten, dat, aangezien twee grote rovers, namelijk de zonde en de duivel, in de wereld zijn gekomen, en alles hebben gestolen wat Adam en zijn nakomelingen ooit aan waarde hebben bezeten, waardoor zij allen tot de uiterste armoede en ellende zijn vervallen; het God de Vader heeft behaagd, uit de liefde, die Hij zondige mensenkinderen toedraagt, Zijn eniggeborenen Zoon in de wereld te zenden, om al hun verliezen te herstellen, en weder te geven wat Hij niet geroofd heeft. Dientengevolge is de eeuwige Zoon van God in de wereld gekomen, en, Zich gewapend hebbende met de menselijke natuur en de kracht Gods, is Hij uitgegaan, heeft de rovers nagejaagd, en de duivel gevangen genomen en zijn kop vermorzeld, en die verderver van het menselijk geslacht vernield. Hij heeft de overtreding gesloten, en de zonde verzegeld, en de ongerechtigheid verzoend, en een mantel der gerechtigheid aangebracht, en alles herwonnen wat de rovers hadden geroofd, alle goederen en bezittingen, die de mensen verloren hebben. Hij heeft die op een wonderlijke wijze u ten goede herwonnen; de goederen zijn alle in Zijn handen, en Hij heeft ons, die Zijn gezanten zijn, uitgezonden om alle mensen bekend te maken welke verliezen zij geleden hebben. Hij is gewillig aan alle mensen, die alles verloren hebben, hun God, hun zielen, de hemel en de gelukzaligheid, geheel om niet terug te geven; want Hij wil dat doen zonder geld en zonder prijs. Komt, en haalt weer terug wat voor u is; want Christus heeft gaven genomen, om uit te delen onder de mensen. O komt, komt, komt vrienden! En haalt bij deze heerlijke Wederbrenger wat u verloren hebt, wat u nodig hebt voor tijd en eeuwigheid! O komt, en u kunt uw leven, uw God, en uw zielen weer tot een buit hebben!

Sedert het begin van de laatste opstand, hebben velen zeer veel verloren: sommigen hebben hun land verloren, sommigen hun huizen, sommige hun benen, en velen hun leven. Als nu de zoon van de koning, in zijns vaders naam, een proclamatie afkondigde, en iedereen mocht komen, en weer terug zou krijgen wat hij verloren had; ik geloof, dat u niet zoudt dralen, uzelf aan te melden en mee te delen, dat u dit en dat was kwijtgeraakt. Wel, de Zoon van de Koning des hemels, de grote HEERE, heeft al de schatten van Zijn Vader in Zijn handen, en Hij heeft ons gezonden om u te zeggen, dat u mag komen, en dat Hij u alles wat u ontroofd is zal wedergeven. O vrienden, wat zijn alle tijdelijke verliezen vergeleken bij het verlies van uw zielen! "Wat baat het een mens, zo hij de gehele wereld gewint, en lijdt schade van zijn ziel?" Wel komt dan. en krijgt uw zielen tot een buit van de Zoon van God

Ik zou hier van vele beweegredenen kunnen gebruikmaken om u te overreden. Ik bid u, overweegt slechts, dat het goede, dat u verloren hebt, in de handen van Christus is, en dat het in Zijn handen is, opdat het u kan worden wedergegeven. Hij nodigt u te komen: "Neig uw oor, en kom tot Mij, hoor en uw ziel zal leven." Hij nodigt u niet alleen, maar raadt u: "Ik raad u, dat gij van Mij koopt goud beproefd komende uit het vuur, opdat gij rijk moogt worden", dat is, Ik raad u, dat u tot Mij komt, om alles wat u verloren hebt van Mij terug te krijgen. Hij raadt u niet alleen, maar Hij gebiedt u: "Dit is Zijn gebod, dat gij gelooft in de Naam Zijns Zoons Jezus Christus." Hij gebiedt niet alleen, maar Hij belooft; Hij geeft alle zekerheid, dat uw verliezen vergoed zullen worden, als u tot Hem komt om ze hersteld te krijgen. (Ps. 72:4) "Hij zal de ellendigen van het volk richten, Hij zal de kinderen des nooddruftigen verschonen." Kom dan, ellendig en nooddruftig zondaar. Het smart Hem aan Zijn hart wanneer zondaren niet willen komen, om van Hem alles terug te ontvangen wat zij verloren hebben. Hij was bedroefd, dat Jeruzalem niet vergaderd wilde worden, gelijk een hen haar kiekens onder de vleugelen vergadert. Laat mij u zeggen, dat menigeen, wat hij verloren had, van Hem heeft vergoed gekregen: en dat een ontelbare menigte van Hem alles hebben terugontvangen: (Openb. 7:9) "Na deze zag ik, en ziet, een grote schare, die niemand tellen kon, uit alle natiën, en geslachten, en volken, en talen, staande voor de troon, en voor het Lam, bekleed zijnde met lange witte klederen; en palmtakken waren in hun handen." Nu, wanneer anderen alles hebben teruggekregen, wilt u dan niet komen, opdat Hij u teruggeeft wat u bent kwijtgeraakt.

O vrienden! Overweegt wat u doet. Bedenkt, dat er na de dood geen hoop of herstelling meer is. Wanneer u herstelling wilt hebben, moet u nu tot de Zoon van de Koning komen; daarom: "Heden indien gij Zijn stem hoort, zo verhardt uw harten niet, gelijk het geschied is in de verbittering."

Op deze laatste dag van het feest, roep ik alle mensenkinderen toe, indien mijn stem hen kon bereiken, dat zij komen, om terug te ontvangen hetgeen zij verloren hebben, van de Zoon van God, Die teruggeeft wat Hij niet geroofd heeft. Zegt niet, "ik ben rijk, en verrijkt, en heb geens dings gebrek"; want ik kan u verzekeren, dat Hij, Die oneindig wijs is en u beter kent dan u zichzelf, verklaart, dat u, door de roverij, die de zonde gepleegd heeft, zijt "arm, ellendig, jammerlijk, naakt en blind". Zegt u: ik heb het zo druk met mijn tijdelijke zaken, dat ik geen tijd heb te komen? Laat mij u dan zeggen, dat uw tijdelijke zaken in vergelijking hiermede maar beuzelingen zijn; beschouwt daarom alle tijdelijke zaken als bijzaak, vergeleken bij dit ene nodige. Zegt u: ik zal later nog tijd genoeg krijgen? Dan moet ik u zeggen, dat uitstel hoogst gevaarlijk is; want u weet niet wat de dag zal baren. De dood zou kunnen komen, en dan is het voor eeuwig te laat. Of zegt u misschien: Ik vrees, dat mijn tijd voorbij is, en dat Hij mij niet meer zal wedergeven wat ik kwijt ben? Och vrienden, laat mij u zeggen, dat zolang er leven is er hoop is, en dat de Zoon van God u nog toeroept: "Zie, Ik sta aan de deur en Ik klop; indien iemand (buiten de hel) Mijn stem zal horen, en de deur opendoen, Ik zal tot hem inkomen, en Ik zal met hem avondmaal houden, en hij met Mij." Een ander zegt misschien: ik vrees, dat mijn verlies onherstelbaar is. Doch ik zeg u, arme zondaar, dat gelijk een gebroken schip wel aan land gekomen is, zo ook even grote zondaars als u bent, alles wat zij verloren hadden hebben terug gekregen, en vergeving van zonde bovendien. Wat dunkt u van Manasse, Maria Magdalena, en Paulus? Hij, Die hun heeft wedergegeven wat zij verloren hadden, is machtig ook u alles weder te geven: "Zijn hand is niet verkort, dat zij niet zou kunnen verlossen, en Zijn oor is niet zwaar geworden, dat het niet zou kunnen horen." Of zegt u: Wat, als ik niet tot het getal van de uitverkorenen behoor? Dan antwoord ik: U hebt niets met de verkiezing te maken; want "de verborgen dingen zijn voor de Heere onze God, maar de geopenbaarde zijn voor ons en onze kinderen." De verkiezing is niet rechtstreeks en onmiddellijk een geloofszaak, maar alleen de dingen, die geopenbaard zijn. Als de geopenbaarde dingen voor ons zijn, legt dan uw zaak voor; want "u komt de belofte toe en uw kinderen." Zegt u: ik ben onmachtig, ik kan niet komen? Dan is mijn antwoord: Dit is een van die dingen, die van u geroofd zijn, en waartoe Christus gekomen is, om die terug te geven: "Hij geeft de moede kracht, en Hij vermenigvuldigt de sterkte dien, die geen krachten heeft." Zegt u: mijn wil is een ijzeren zenuw, die wil er niet naar luisteren? Mijn antwoord is: Hij, Die wedergeeft wat Hij niet geroofd heeft, biedt aan uw hart en uw wil te veranderen: "Uw volk zal zeer gewillig zijn op de dag Uwer heirkracht." (Ezech. 36:26) "En Ik zal u een nieuw hart geven, en zal een nieuwe geest geven in het binnenste van u; en Ik zal het stenen hart uit uw vlees wegnemen, en zal u een vlezen hart geven." Misschien zegt een ander: ik zou gaarne komen om terug te krijgen wat ik verloren heb, maar ik denk. dat Hij mij zal wegdrijven wanneer ik kom. Denkt dat niet, want Hij zegt: "Die tot Mij komt zal Ik geenszins uitwerpen." Wanneer Hij fronst en u een hond noemt, doe als die vrouw uit Syro-Fenicië. Laat niet los en u zult overmogen: "Ja Heere, doch de hondekens eten ook van de brokskens, die daar vallen van de tafel hunner heren." En de Heere gaf haar terug wat zij verloren had, Hij gaf haar alles wat haar hart begeerde.

Ik zal sluiten met een woord aan de gelovigen aan wie de heerlijke Immanuël heeft wedergegeven wat zij verloren hadden. Ik zal u maar twee of drie dingen zeggen bij wijze van raadgeving. (1.) O lofzingt die gezegende Wedergever: "Loof de Heere, mijn ziel; en al wat binnen in mij is Zijn heilige Naam. Loof de Heere, mijn ziel, en vergeet geen van Zijn weldaden. Die al uw ongerechtigheid vergeeft, Die al uw krankheden geneest. Die uw leven verlost van het verderf; Die u kroont met goedertierenheid en barmhartigheden" (Ps. 103:1-4). (2.) Wanneer u weer nieuwe verliezen lijdt, ga dan weer tot de gezegende Wedergever. De duivel zal u niet loslaten; hij gaat rond als een briesende leeuw, zoekende wie hij zou mogen verslinden, en u te beroven van hetgeen u bij deze plechtige gelegenheid mag hebben gekregen; doch wanneer die vijand u beroofd heeft, ga dan weer in het geloof tot Christus, en Hij zal het wedergeven. En dan raad ik u: O hebt de Heere lief, uit geheel uw hart, en uit geheel uw kracht, en uit geheel uw verstand; laat Hem de kracht en de bloem van uw genegenheden hebben, legt niets met Hem in de weegschaal. En als een blijk van Zijn liefde, bewaart Zijn geboden, wandelt waardig de Heere tot alle behaaglijkheid; strijdt voor het geloof dat eenmaal de heiligen overgeleverd is. Doet, met de Kerk, Zijns Naams gedenken van elk geslacht tot geslacht, opdat de volken eeuwiglijk en altoos Hem loven, Die wedergegeven heeft wat Hij niet geroofd had. Amen!

 

De Opgang uit de hoogte, of de Dageraad van omhoog

 

Predikatie

Luk. 1:78. Door de innerlijke bewegingen der barmhartigheid onzes Gods, met welke ons bezocht heeft de Opgang uit de hoogte;

Deze woorden zijn een gedeelte uit het profetisch lied van Zacharias over de Persoon, het koninkrijk, en de heerlijkheid van Christus. De man werd vervuld met de Heilige Geest, en dit maakte zijn tong als de pen eens vaardigen schrijvers, om de lof te verkondigen van onze heerlijke Immanuël. Wanneer de Geest der heerlijkheid en de Geest Gods op een ziel rust, is haar voorname werk God te verheerlijken. De tijd zal ons niet veroorloven, lang stil te staan bij de ontsluiting van het verband, waarin de woorden voorkomen. Daarover slechts een enkel woord. Zacharias, over Johannes de Doper gesproken hebbende als de voorloper van de heerlijke Messias, zegt verder wat zijn ambt en eigenlijk werk zou zijn; (vs. 77) "Om Zijn volk kennis van de zaligheid te geven, in vergeving van hun zonden"; dat is, om de weg te openen hoe schuldige zondaren door de gerechtigheid van Christus kunnen gerechtvaardigd worden, als de enige weg van verlossing van de toorn Gods en de vloek van de verbroken wet. Vraagt iemand: Hoe geschiedt dit, dat zaligheid en vergeving van zonden aan een schuldige, verloren wereld wordt bekend gemaakt? Dan wordt op die vraag in de woorden van onze tekst een zeer gepast antwoord gegeven: "Door de innerlijke bewegingen van de barmhartigheid onzes Gods, met Welke ons bezocht heeft de Opgang uit de hoogte".

Merkt hier op: (1.) Hoe de openbaring van Christus, als de Zaligmaker, wordt uitgedrukt; zij wordt genoemd: "de Opgang uit de hoogte", (2.) "De bewegingen van de barmhartigheid van onze Gods," of, zoals de kanttekening zegt: "de ingewanden van de barmhartigheid". O vrienden! Het waren niet de werken van de rechtvaardigheid, die wij gedaan hebben, of doen zouden, welke God verplichtten Zijn Zoon in de wereld te zenden; neen, neen, het was de beweging van Zijn hart, het gerommel van Zijn ingewanden van liefde en ontferming over verloren gaande zondaren: (Joh. 3:16) "Alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeborenen Zoon gegeven heeft, opdat een ieder, die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe". Het is opmerkelijk, dat Zacharias hier niet slechts zegt: de innerlijke bewegingen van de barmhartigheid Gods; maar, door de innerlijke bewegingen, of de ingewanden van de barmhartigheid onzes Gods. Dit is de gewone wijze, waarop het geloof werkzaam is. Wanneer het God als een barmhartig God in Christus aanschouwt, maakt het aanspraak op Hem, past het Hem toe en eigent Hem: dat is de weerklank van het geloof aan de verbondsgift; "Ik zal zeggen: Het is Mijn volk; en het zal zeggen: De Heere is mijn God." Doch indien men nu vraagt, op welke wijze hebben innerlijke bewegingen van de barmhartigheid zich aan ons uitgelaten? Hoe hebben de ingewanden van de barmhartigheid lucht gekregen? Wel, zegt hij, "door de innerlijke bewegingen van de barmhartigheid onzes Gods, met welke de Opgang uit de hoogte ons bezocht heeft." Alsof hij zeide: door de openbaring van zijn eeuwige Zoon in onze natuur en de genadige toenadering waarmee Hij in Hem tot ons is gekomen, heeft Hij die donkere en zwarte wolken van toorn, die boven onze hoofden hingen, verdreven: "Wij, die in duisternis zaten, hebben een groot licht gezien; en over ons, die in het land van de schaduw des doods woonden, heeft een licht geschenen." Sommigen zetten de woorden van des tekst over, "de zonsopgang uit de hoogte;" anderen, "de opgaande scheut uit de hoogte heeft ons bezocht". Ik zal hoofdzakelijk onze eigen overzetting volgen: "de dageraad van omhoog heeft ons bezocht". De woorden zullen verder worden opgehelderd in het spreken over de volgende opmerking:

Opmerking. Dat de genadige toenaderingen van Christus een blijde dag der zaligheid uit de hoogte doen aanbreken over een ellendige wereld; "de Opgang uit de hoogte, of de Dageraad van omhoog, heeft ons bezocht." Hierom wordt Christus soms genaamd het Licht der wereld; soms de "Zon der gerechtigheid:" soms de blinkende Morgenster; en Zijn uitgang is bereid als de dageraad.

Ik zal in de verhandeling van deze leer de volgende orde volgen.

1. Onderzoeken wat deze tekst en leer veronderstelt.

II. Over enkele van de bezoeken van deze Dageraad spreken.

III. Waarom Zijn bezoeken bij het aanbreken van de dag worden vergeleken.

IV. Wat soort van dag aanbreekt wanneer Christus de ziel bezoekt.

V. Waarom van deze dag gezegd wordt, dat hij van omhoog aanbreekt.

Vl. Het geheel toepassen.

1. Ons eerste punt is, te onderzoeken wat begrepen is in de uitdrukking: "De Opgang uit de hoogte, of de Dageraad van omhoog, heeft ons bezocht."

1. Het veronderstelt, dat de nakomelingschap van Adam in een donkere, eenzame en ellendige toestand is voordat Christus hen van omhoog bezoekt. Wat de toestand van de oude schepping was voordat het licht geschapen werd, dat is de toestand van de mens voordat Christus hem bezoekt. De oude schepping "was woest en ledig, en duisternis was op de afgrond." Zo is ook de mens; hij is zonder gedaante of heerlijkheid, een massa duisternis, wanorde en ellende. Gelijk de duisternis van de nacht het gelaat des aardrijks bedekt voor het aanbreken van de dag, zo bedekt een sombere nacht van donkerheid alle kinderen der mensen. Terstond op de inkomst van de zonde werd, door de rechtvaardigheid en heiligheid Gods, een gordijn, een voorhangsel tussen God en de mens getrokken, totdat het weer scheurde door de dood en het bloed van de Verlosser. O wat een duisternis bedekte onze eerste ouders, voordat Christus in de eerste belofte geopenbaard werd! Zo’n duisternis, dat zij hen met schrik en beven vervulde, en in het midden van het geboomte des hofs deed wegvluchten. Er is menigerlei duisternis, die de zonde over de mens heeft gebracht: een duisternis van onwetendheid; de ogen van het verstand zijn door de val uitgeslagen, zodat wij de dingen Gods niet kunnen weten, noch ontvangen; een duisternis van dwaling, vol van verkeerde begrippen van God en de dingen Gods; wij veranderen van nature de waarheid Gods in een leugen, stellen duisternis tot licht, en licht tot duisternis; een duisternis van vijandschap en vooroordeel tegen God; wij zijn "vijandschap tegen God, vervreemd van het leven Gods, door de onwetendheid, die in ons is." Ja, de duisternis van de dood heerst over ons; wij "zitten in het land en in de schaduwen des doods"; de duisternis van een wettelijke dood, wij zijn "alrede veroordeeld en de toorn Gods blijft op ons": de duisternis van de geestelijke dood, zijnde "zonder God", en bijgevolg zonder leven, "in de wereld, dood door de misdaden en de zonden, afgezonderd onder de doden, gelijk de verslagenen, die in het graf liggen." Dit, vrienden, is uw en mijn staat van nature, voordat Christus in genade tot ons komt, en maakt, dat de dageraad van omhoog ons bezoekt.

2. De "Opgang uit de hoogte heeft ons bezocht". Dit veronderstelt, dat Christus de heerlijke Zon is, Welker komst licht met Zich brengt: (Mal. 4:2) "Ulieden, die Mijn Naam vreest, zal de Zon der gerechtigheid opgaan, en daar zal genezing zijn onder Zijn vleugelen." al de sterren in het uitspansel, en alle schittering van de vaste sterren kunnen de dag niet doen aanbreken, zolang niet de zon opgaat; zo konden ook alle engelen van de hemel niet de minste glimp van hoop of hulp verschaffen aan een verloren wereld, zolang niet de Zoon van God kwamen ons bezocht; Hij alleen is "de God van volkomen zaligheid, bij Wie uitkomsten zijn tegen de dood."

3. De tekst geeft te kennen, dat de komst van Christus, met deze boodschap tot onze zaligheid, zonder dwang en vrijwillig was; een bezoek is geheel vrij en vrijwillig zonder enigerlei dwang. Wat van de natuurlijke zon geschreven staat (Ps. 19:), dat zij "vrolijk is als een held, om het pad te lopen", is veel meer waar van Christus, de Zon der gerechtigheid: "Hij was spelende in de wereld Zijns aardrijks. en Zijn vermakingen waren met der mensen kinderen". Gelijk de zon in het uitspansel haar stralen door de wereld uitzendt, zo zendt Christus de stralen van Zijn genade en liefde, in de bedeling van het eeuwig Evangelie, onder zondaren uit. Wanneer Hij door Zijn Geest komt, hetzij in een dag van bekering, of van een hernieuwde openbaring van Zichzelf aan een gelovige, daar doet Hij dat met lust en vermaak. "Ziet Hem, Hij komt", zegt de bruid, "springende op de bergen, huppelende op de heuvelen."

4. De tekst geeft te kennen, dat de bezoeken van Christus wonderlijk, lieflijk en aangenaam zijn. Wat kan begeerlijker zijn dan het aanbreken van de dag, na een donkere, lange en sombere nacht? "Zeker, het licht is zoet, en het is de ogen goed de zon te aanschouwen". O, zal de ziel zeggen, wanneer Christus komt: Welkom, welkom, welkom, tienduizend maal welkom: "Gezegend is Hij, Die komt in de Naam des Heeren, om ons zalig te maken". O vrienden, Christus heeft u nog nooit bezocht, of Hij bracht altijd een welkom met Zich: "Ziet, Deze is onze God, wij hebben Hem verwacht, en Hij zal ons zaligmaken; Deze is de Heere, wij hebben Hem verwacht, wij zullen ons verheugen, en verblijden in Zijn zaligheid".

5. De tekst geeft te kennen, dat er een oneindige ongelijkheid is tussen Hem, Die bezoekt, en zij, die bezocht worden; de Opgang of de Dageraad is uit de hoogte. O vrienden! Wij werden door onze ongerechtigheid in de laagte gebracht, zodat wij op de rand van de hel kwamen te liggen. Daarom, wanneer Christus, die van eeuwigheid in de schoot des Vaders was; wanneer Hij, Die de eeuwigheid bewoont, die in de hoogte en in het heilige woont, ons komt bezoeken moet Hij Zichzelf vernederen en verlagen om ons te ontmoeten; Hij verlaat de hoge plaatsen van de heerlijkheid, om met ons op de aarde te wonen of te tabernakelen. Daarom wordt ons gezegd, dat Hij, "die in de gestaltenis Gods zijnde, geen roof geacht heeft Gode evengelijk te zijn, Zichzelf vernederd heeft, gehoorzaam geworden zijnde tot de dood, ja de dood des kruises". Zo ziet u wat deze tekst en leer veronderstelt,

II. Ons tweede punt is, dat wij over enkele van die genadige bezoeken van Christus, of trapsgewijze voortgangen van deze Opgang uit de hoogte, zullen spreken.

1. Zo was er het vroegtijdig bezoek, toen Hij ons in Zijn eeuwig voornemen van de oude jaren der eeuwigheid, eer de wereld was, bezocht: (Micha 5:1) "En gij, Bethlehem Efrata, zijt gij klein om te wezen onder de duizenden van Juda? Uit u zal Mij voortkomen, Die een Heerser zal zijn in Israël; en Wiens uitgangen zijn van ouds, van de dagen der eeuwigheid." Deze laatste woorden kunnen, òf de eeuwige generatie des Zoons aanduiden, dat Hij van eeuwigheid van Zijn Vader gegenereerd is, zijnde Dezelfde eeuwige, onafhankelijke, zelfbestaande God met Hem, òf het kan aanwijzen, dat Hij door de Vader van eeuwigheid bestemd was, om de Verlosser en Zaligmaker van verloren zondaren te zijn; waarvan dienovereenkomstig van Christus geschreven staat: (Spr. 8) "Ik ben van eeuwigheid af gezalfd geweest, van de aanvang, van de oudheden der aarde aan." Dit was, als het ware, Zijn eerste beweging naar ons toe, hoewel nog op een grote en onbegrijpelijke afstand. O vrienden! Verwondert u over deze wonderlijke genade en liefde Gods, die ons bezocht, toen Hij ons in ons bloed zag liggen, en voordat wij enig ander bestaan hadden, dan alleen in Zijn besluit! "Als Ik bij u voorbijging, zo zag Ik u vertreden zijnde in uw bloed, en Ik zeide tot u in uw bloed: Leef; ja Ik zeide tot u in uw bloed: Leef."

2. Dan heeft Hij ons bezocht in onze eerste ouders na de val, toen Hij hun zeide, dat "het zaad van de vrouw de slang de kop zou vermorzelen." Dit was, als het ware, het eerste gloren van het daglicht op een verloren wereld van het menselijk geslacht. Zoals ik zoëven zeide, niet zodra had de mens gezondigd, of de donkere en sombere nacht van toorn van de Heere der heirscharen spreidde zich uit over onze horizon, waardoor onze eerste ouders met zulk een schrik werden bevangen, dat zij trachtten zich in het geboomte van het paradijs te verbergen. Toen zij ieder ogenbik verwachtten met de getande pijlen van goddelijke wraak en toorn doorschoten te worden, werd de Messias hun geopenbaard en beloofd, en licht en verlossing kwamen met Hem te voorschijn. Al de profetieën, afschaduwingen, beloften en ceremoniën, van de Oud Testamentische bedeling, weren niet anders dan de trapsgewijze voortgangen van de Zon der gerechtigheid naar onze horizon. Nochtans is al die tijd de zon niet werkelijk voor ons oog opgegaan, hoewel na de dageraad in de eerste belofte, het licht hoe langer hoe helderder werd, totdat de zon werkelijk opging.

3. Daarop bezocht ons de Opgang uit de hoogte, in Zijn dadelijke vleeswording of openbaring in onze natuur. Toen ging de Zon op voor het oog van de wereld, waarvan zij, die het gezien hebben, ons gezegd hebben hoe heerlijk het was: (Joh. 1:14) "Het Woord is vlees geworden, en heeft onder ons gewoond, (en wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als des eniggeborenen van de Vader) vol van genade en waarheid." De engelen, die morgensterren, zingen verenigd, en verkondigen de blijde tijding van Zijn aankomst, als een stof van blijdschap en zegepraal: (Luk. 2:10) "Wij verkondigen u grote blijdschap, die al den volke wezen zal. Namelijk, dat u heden geboren is de Zaligmaker, welke is Christus de Heere, in de stad Davids." Daarom barsten zij los in een loflied; zeggende: "Ere zij God in de hoogste hemelen, en vrede op aarde, in de mensen een welbehagen." O hoe verblijdde zich deze Zon der gerechtigheid om Zijn pad van vernedering in deze benedenwereld te lopen, Zijn goddelijke heerlijkheid verduisterd door een voorhangsel van vlees, opdat Zijn verblindende heerlijkheid ons niet zou overstelpen! De stralen van de goddelijke heerlijkheid breken nu en dan door het voorhangsel van vlees heen, in Zijn leer, in Zijn mirakelen, in Zijn geboorte, in Zijn leven, in Zijn dood, in Zijn opstanding en hemelvaart, over welke alle ik nu wegens de tijd niet kan uitweiden. Alleen wil ik dat u gedenkt, dat Hij door dit een bezoek dat Hij in onze natuur bracht, en ongeveer drie en dertig jaren duurde, de wet vervuld, de rechtvaardigheid bevredigd, de overtreding gesloten, de zonde verzegeld, een eeuwige gerechtigheid aangebracht, het verbond bevestigd, overheden en machten neergeworpen, de dood te niet gedaan, de weg tot het Heilige der heiligen ontsloten en een brug van gemeenschap tussen de hemel en de aarde gelegd heeft, waarover God weer tot de mens kon komen zonder benadeling van Zijn rechtvaardigheid, en waarover de mens weer tot God kan gaan, zonder verteerd of verpletterd te worden.

Nog een ander bezoek is de dageraad van een openbaring van het Evangelie, wanneer de blijde boodschap van de zaligheid voor het eerst aan een volk of natie wordt verkondigd, en "het leven en de onverderfelijkheid worden aan het licht gebracht." O wat was het een lieflijk aanbreken van de dag, toen, na de opstanding van Christus, de apostelen en andere dienaren, als de herauten van de grote Messias, vergeving van zonde, vrede en zaligheid, door Zijn bloed, begonnen te verkondigen, eerst aan de Joden, en daarna aan de heidenen! Hoe verdwenen de donkere mist van Joodse ritus, afschaduwingen en ceremoniën, en van Heidense afgoderij en gruwelen, voor de schitterende stralen van de Zon der gerechtigheid, die doorbraken in de uitdeling van het Evangelie! Wat een menigte bekeerden werden aan de gemeente toegevoegd, wegens hun ontelbaar aantal vergeleken bij de dauwdroppels uit de baarmoeder des dageraads! Wet een lieflijk aanbreken van de dag was er ook in ons land, toen het Evangelie voor het eerst gepredikt werd aan onze voorvaderen, die onder een donkere nacht van Heidense afgoderij lagen! En toen daarna een donkere nacht van Paapse verblinding en afgoderij zich weer over ons had uitgespreid, wat werden wij weer in onze reformatie door een lieflijke dageraad van omhoog bezocht! Wat werd er toen een schone nauwgezetheid van leven, en ijver voor God en Zijn eer gevonden bij onze adel, bij aanzienlijken en geringen, die zich ontdekten in het gedurig vernieuwen van hun plechtige verbonden, om een werk van reformatie, tegen de gezanten van de hel en van Rome, te ondersteunen en te handhaven! En hoe kennelijk gaf de Heere Zijn goedkeuring over dat werk door het uitstorten van Zijn Geest, en de aanmerkelijker voorspoed van het Evangelie in de bekering van vele zielen! Daarom zeg ik, dat de prediking van het Evangelie in een land, of onder een volk een lieflijk bezoek is van de Opgang uit de hoogte.

5. De dag van de bekering is een ander bezoek van de Opgang uit de hoogte: wanneer "God, Die gezegd heeft, dat het licht uit de duisternis zou schijnen, in het hart schijnt, om te geven verlichting van de kennis van de heerlijkheid Gods in het aangezicht van Jezus Christus." O wat is dat een aangenaam en verrassend bezoek! Wat een lieflijke dag breekt dan aan in de ziel! Zulk een bezoek brengt licht, en wel zo’n licht, dat het de schaduw des doods in een heldere morgen verandert. Het is een licht, dat niet alleen op de mens schijnt, maar het schijnt in zijn hart; het verlicht al de vermogens van zijn ziel, en het zet hem over uit de duisternis in een wonderbaar licht; het is "het licht van de kennis der heerlijkheid Gods". Nu begint de Geest het deksel van het aangezicht, dat op de ziel ligt, te schuren, zodat de stralen van goddelijke heerlijkheid, die uitwendig schenen in een uitdeling van het Evangelie, nu in de ziel indringen, en haar veranderen van heerlijkheid tot heerlijkheid; nu verheerlijkt de Geest Christus, door de dingen van Christus te nemen, en die aan de ziel te verkondigen. En dit alles in het aangezicht of de persoon van Christus. Die mens, die tevoren geen gedaante of heerlijkheid in Hem kon zien, waarom hij Hem zou begeren, ziet nu, dat Hij, veel schoner is dan de mensenkinderen, "het afschijnsel van Zijns Vaders heerlijkheid en het uitgedrukte beeld van Zijn zelfstandigheid", en zijn hart rijst op bij ieder woord of elke leer, die maar de minste strekking heeft om Zijn Goddelijke heerlijkheid te verkleinen. O vrienden, heeft de Opgang uit de hoogte u aldus bezocht? Indien ja, dan mag ik veilig zeggen, wat Christus tot Zacheüs zeide:" Heden is zaligheid geschied aan uw huis", aan uw hart, aan uw ziel.

6. Dan is er de dageraad van een hernieuwde openbaring van Christus, na een donkere nacht van verlating. Misschien heeft de arme gelovige in de duisternis gewandeld, zodat hij geen licht kon zien; wolken en donkerheid omringden hem, de satan verontrustte hem met zijn vurige pijlen, ongerechtige dingen hadden de overhand over hem, moeite en ellende omringden hem aan alle zijden, zodat de arme ziel in verlegenheid moest uitroepen: "Och of ik ware gelijk in de vorige maanden, gelijk in de dagen, toen God mij bewaarde! Ik ben uitgestoten van voor Uw ogen; Zijn goedertierenheid houdt in eeuwigheid op. Hij heeft vergeten genadig te zijn. De Heere heeft mij verlaten, en de Heere heeft mijner vergeten!" Doch eindelijk breekt de dag aan, de Zon der gerechtigheid gaat op en breekt door alle tussenstaande wolken, en geeft een dergelijke ontdekking van genade, als in Jes. 40:27: "Waarom zegt gij dan, o Jacob, en spreekt, o Israël, Mijn weg is voor de Heere verborgen, en mijn recht gaat van mijn God voorbij?" En Hij neemt de arme ziel in Zijn armen, en drukt haar aan Zijn hart, haar toesprekende, zoals Hij het Efraïm deed: "Zijt gij Mij niet een dierbare zoon? Zijt gij Mij niet een troetelkind; want sinds dat Ik tegen u gesproken heb, denk Ik nog ernstig aan u; daarom rommelt Mijn ingewand over u, ik zal Mij uwer zeker ontfermen. Ik heb u wel voor een klein ogenblik verlaten, maar met eeuwige goedertierenheid zal Ik Mij uwer ontfermen." O wat een aangenaam bezoek is dit, en wat een schone dag breekt er dan voor de ziel aan! Dan worden ongeloof, jaloersheid, moedeloosheid en verdenkingen van God verdreven! Hoe hartelijk verfoeit de ziel zichzelf wegens haar schielijke en haastige gevolgtrekkingen aangaande de liefde en getrouwheid Gods, zeggende: "Toen was ik onvernuftig, en wist niets; ik was een groot beest bij U." O nu, nu, is de dag weer aangebroken, en ik zie, dat "er maar een ogenblik is in Zijn toorn, en een leven in Zijn goedgunstigheid; des avonds vernacht het geween, maar des morgens is er gejuich." Zulk een bezoek van de Opgang uit de hoogte had de bruid, als zij (Hoogl. 2:8) uitriep: "Dat is de stem Mijns Liefsten, ziet Hem, Hij komt, springende op de bergen, en huppelende op de heuvelen;" en (Hoogl. 3:4) "Toen vond ik Hem, Die mijn ziel liefheeft; ik hield Hem vast en liet hem niet gaan, totdat ik Hem in mijns moeders huis gebracht had, en in de binnenste kamer van degene, die mij gebaard heeft."

7. Nog brengt Christus Zijn volk een lieflijk dageraadsbezoek bij de dood en het laatste oordeel: (Joh. 14:3) "En zo wanneer Ik heen zal gegaan zijn, en u plaats zal bereid hebben, zo kom Ik weder en zal u tot Mij nemen, opdat gij ook zijn moogt daar Ik ben." Dit is de dageraad van de eeuwige heerlijkheid, waar nooit een verduistering zal zijn, en die nooit zal eindigen in een nacht van verlating, of droefenis, of dood. Heft uw hoofden op, gelovigen, want deze dag van volkomen verlossing nadert snel; de dag van algehele verlossing voor uw ziel komt bij de dood, en volkomen verlossing voor ziel en lichaam beide is niet ver; want "wanneer Christus zal geopenbaard zijn, Die ons leven is, dan zult gij ook met Hem geopenbaard worden in heerlijkheid"; dan zult gij zingen en zeggen: "Ziet, deze is onze God, wij hebben Hem verwacht, en Hij zal ons zalig maken; deze is de Heere, wij hebben Hem verwacht, wij zullen ons verheugen, en verblijden in Zijn zaligheid." Zo heb ik u over enkele van Christus’ bezoeken gesproken, waardoor de dageraad van omhoog aanbreekt.

III. Ons derde punt was, dat ik zal onderzoeken waarom de bezoeken van Christus bij het aanbreken van de dag worden vergeleken. Ik zal dit in de volgende bijzonderheden behandelen.

1. Het aanbreken van de dag brengt licht met zich; het verdrijft de wolken, de mist, en de duisternis van de nacht. Zo ook brengen de bezoeken van Christus licht mee voor de arme ziel, die in duisternis zat; het licht van de kennis, het licht van vertroosting en blijdschap. De Zon der gerechtigheid verspreidt lichtstralen rondom Hem, overal waar Hij komt. Dit licht is niets anders dan het begin van de heerlijkheid in de ziel, want er is slechts een verschil in trap tussen het licht van de genade hier en het licht van de heerlijkheid hiernamaals; het eerste is een onfeilbaar onderpand van het laatste.

2. Het aanbreken van de dag gaat langzamerhand en toenemend; het begin daarvan is klein, maar in zijn laatste neemt het zeer toe. De dag breekt niet plotseling geheel aan, maar hij neemt langzamerhand toe tot op de middag. Zo gaat het ook met de bezoeken, die Christus een land, of een mens alleen, brengt; zijn licht neemt trapsgewijze toe. Wanneer Hij eenmaal begint te schijnen, dan is Hij "voortgaande, en lichtende tot de volle dag toe." Wanneer de Zon der gerechtigheid eenmaal over een ziel is opgegaan met genezing onder Zijn vleugelen, klimt Hij altijd hoger, totdat Hij de middaghoogte van de heerlijkheid bereikt. Ja, het is voor mij een uitgemaakte zaak, dat er, een eindeloze eeuwigheid door, altijd nieuwe tonelen van heerlijkheid voor de heiligen in de hemel zullen worden ontsloten; want het is onmogelijk, dat een eindig verstand op eenmaal de volmaaktheden van een oneindig God zou kunnen opnemen.

3. De dageraad brengt leven en blijdschap met zich. De vogels beginnen te sjilpen en te zingen, en vervullen de lucht met hun welluidende tonen, alles krijgt een ander aanzien bij het opgaan van de zon. Zo ook vervullen de liefde en genadebezoeken van Christus de ziel van de gelovige met een geestelijke melodie; de zangtijd genaakt, wanneer de Zon der gerechtigheid opgaat. Wanneer Hij opgaat in de uitdeling van het Evangelie, waarin Zijn heil verkondigd wordt tot aan de einden van de aarde, dan wordt dat woord vervuld: (Jes. 14:16) "Van het uiterste einde der aarde horen wij psalmen tot verheerlijking des Rechtvaardigen." Wanneer Hij in de bekering of in een hernieuwde openbaring over de ziel opgaat, legt de arme ziel haar zak af; de wordt "haar gegeven sieraad voor as, vreugdeolie voor treurigheid, het gewaad des lofs voor een benauwde geest."

4. Het aanbreken van de dag is onweerstaanbaar; alle kracht van mensen en duivelen, met al hun verenigd geweld, de dikste duisternis, de zwaarste mist, kunnen het dagen van de morgen niet tegenhouden. Zo ook kunnen de genadebezoeken van Christus, hetzij in de uitdeling van het Evangelie, of in hernieuwde mededelingen, niet verhinderd worden. Wanneer Zijn bestemde tijd is gekomen, om Sion genadig te zijn, laat Hij Zich niet verhinderen of tegenhouden. De bergen van afstand, onkunde, vijandschap, ongeloof, smelten voor Hem weg; zij vervlieten "van het aangezicht des Heeren, van het aangezicht des Gods Jacobs." Alles wat in Zijn weg staat verdwijnt, gelijk de duisternis van de nacht wijkt bij de opgang van de zon. IJzeren deuren en koperen grendelen worden verbroken; sterkten worden verwoest; hoge en zich verheffende bedenkingen, die zich tegen Hem verhieven, worden alle vlak gemaakt en neergeworpen, wanneer het Hem lust te komen.

5. Het aanbreken van de dag is openbaar makend. Het ontdekt de dingen, die in de duisternis van de nacht verborgen liggen. Bomen, bloemen, gras, en andere dingen, waarmee het gelaat des aardrijks bezaaid en versierd is, liggen in de duisternis van de nacht verborgen; doch wanneer de dag aanbreekt, komen zij in hun schoonheid te voorschijn. Zo ook hier, voordat Christus de ziel bezoekt is de heerlijkheid van de bedeling van het Evangelie verborgen; doch zodra Christus, de Zon der gerechtigheid, opgaat, ziet zij "de heerlijkheid des Heeren, het sieraad onzes Gods": zij komt, als het ware, in een nieuwe wereld van wonderen. De verborgenheden van het koninkrijk. de verborgenheid van de Drie-eenheid, de verborgenheid van de vleeswording, de verborgenheid van de vereniging met Christus; de verborgenheid van de rechtvaardigmaking door zijn gerechtigheid en van de heiligmaking door Zijn Geest, de verborgenheden van het verbond, en van iedere waarheid van de godsdienst, vertonen zich in nieuwe schoonheid en luister. Dan wordt de zonde gezien in haar buitengewone zondigheid, de wet in haar uitgebreidheid en geestelijkheid, het verbond in zijn vrijheid, Christus in Zijn volheid, God in Zijn grootheid en voortreffelijkheid. Daarom wordt de dag van de bekering "het openen van de ogen van de blinden" genoemd, en de Geest van Christus een "Geest der wijsheid en der openbaring."

6. Het aanbreken van de dag is zeker voor hen, die het daglicht gezien hebben. Wie twijfelt eraan, dat het weer morgen zal worden, wanneer de zon ondergegaan en aan de andere zijde van de aardbol is? Zo ook zijn de bezoeken van Christus, in de hernieuwde openbaringen van Zijn liefde, zeker voor de ziel, die eenmaal in de bekering door de Opgang uit de hoogte bezocht is. Gods genadeverbond, waarin Hij Zijn getrouwheid verbonden heeft met eeuwige goedertierenheid te zullen terugkeren, is zo vast als Zijn verbond van de dag en de nacht. Dit kan, in ‘t voorbijgaan gezegd, dienen om het ongeloof de mond te stoppen, wanneer het onder duisternis en verberging zo licht zegt: "Zijn goedertierenheid houdt in eeuwigheid op, en, Hij heeft Zijn barmhartigheden door toorn toegesloten;" want zo zeker als de natuurlijke dag zal aanbreken, even zeker zal "de Zon der gerechtigheid weer over uw ziel opgaan, en daar zal genezing zijn onder Zijn vleugelen."

7. Het aanbreken van de dag kan helder zijn, en toch kunnen er wolken opkomen nadat de dag is aangebroken. Het kan in de morgen helder weer zijn, en dat nochtans de lucht de ganse dag met wolken overdekt is; ja het kan zijn, dat zij achter een wolk ondergaat. Zo ook kan er in de dag van bekerende liefde een heldere glans zijn, en dat toch binnen weinig tijd de zon verduisterd wordt, en de arme ziel, door al haar leven, door verlating, verzoeking en verdrukking, met vrees des doods aan de dienstbaarheid onderworpen is: ja, het kan zijn, dat de zon achter een wolk ondergaat, ik meen, dat de ziel onder een wolk sterft. Doch al zou dit zo zijn, toch kan en zal de ziel, evenals de zon veilig ondergaat, al gaat zij achter een wolk onder, in veiligheid sterven, al sterft zij in donkerheid.

8. Het licht van de dageraad is voor iedereen, de bedelaar mag er evengoed gebruik van maken als de koning. Zo ook is het licht en de genade van God in de uitdeling van het Evangelie algemeen en vrij voor rijk en arm. Zo ziet u in welke opzichten de bezoeken van Christus als de dageraad zijn.

IV. Ons vierde punt was, dat ik zal onderzoeken, welk soort van dag het is, die met de bezoeken van Christus meekomt.

1. Het is een dag van kracht: (Ps. 110) "Uw volk zal zeer gewillig zijn op de dag Uwer heirkracht." Wanneer Hij de ziel komt bezoeken met krachtdadige genade, worden de grendelen van de dood verbroken, de koperen deuren geopend, de eeuwige deuren worden verheven de fondamenten van het door de duivel overweldigd koninkrijk worden geschud, en de ziel wordt overgezet uit de duisternis in het koninkrijk van de Zoon van Zijn liefde; dit wordt (Jes. 53:1) genoemd, "de openbaring van de arm des Heeren." Het is een dag waarin "Christus voorttrekt in Zijn grote kracht, tonende, dat Hij machtig is te verlossen."

2. De bezoeken van Christus maken, dat een dag van zaligheid van omhoog over de ziel aanbreekt. Wanneer Christus Zacheüs bezoekt, zegt Hij: "Heden is dezen huize zaligheid geschied." Bij de bezoeken van Christus volgt de zaligheid de Zaligmaker in Zijn gevolg; zaligheid van de vloek van de wet, de slag van de rechtvaardigheid; zaligheid of verlossing van de macht van de zonde, de schuld van de zonde, de drek van de zonde; verlossing van de toekomende toorn. Wanneer deze dag van omhoog over de ziel aanbreekt, kan het arme schepsel niet nalaten te zeggen en te zingen: "Die God is ons een God van volkomen zaligheid; en bij de Heere, de Heere, zijn uitkomsten tegen de dood. De zaligheid zij onze God, Die op de troon zit, en het Lam."

3. Christus’ bezoek brengt een dag van ondertrouw met zich: (Jer. 2:2) "Zo zegt de Heere: Ik gedenk de weldadigheid uwer jeugd, de liefde uwer ondertrouw"; (Hoogl. 3:11) "Gaat uit, en aanschouwt, gij dochteren Sions, de Koning Salomo, met de kroon waarmee hem zijn moeder kroonde op de dag zijner bruiloft, en op de dag van de vreugde zijns harten." Wanneer Christus overkomt, en Zijn heerlijkheid aan de ziel openbaart, verschijnt Hij als een bruidegom met de huwelijksakte van het verbond in Zijn hand, zeggende. evenals de knecht van Abraham tot Rebekka: "Zult gij met deze man trekken?" Waarop de ziel zichzelf terstond met hart en hand overgeeft zeggende: "Ik ben des Heeren; waar gij zult heengaan, zal ik ook heengaan, en waar gij zult vernachten, zal ik vernachten. Noch dood, noch leven, noch tegenwoordige, noch toekomende dingen, zullen mij scheiden van deze betere Man, die uit de doden is opgewekt."

4. Het bezoek van Christus doet een dag van vrijheid aanbreken. Het arme schepsel was onder de zwaarste dienstbaarheid en in gevangenschap opgesloten in de gevangenis van de zonde, liggende onder de vloek van de wet, zijnde in een gans bittere gal; doch, wanneer Christus komt. zegt Hij "tot de gebondenen: Gaat uit; tot die, die in duisternis zijn: Komt te voorschijn." Hij roept de gevangenen vrijheid uit, en de gebondenen opening van de gevangenis. O vrienden! Geen vrijheid is deze gelijk, die het bezoek van Christus meebrengt; "die de Zoon vrijmaakt, die zal waarlijk vrij zijn"; waarom het "de vrijheid van de heerlijkheid van de kinderen Gods" wordt genoemd: vrijheid van de zonde, de duivel, de wereld, het ongeloof, de heerschappij van de natuurlijke vijandschap. Christus’ bezoek brengt een jaar van vrijlating, een jubeljaar, met zich: "het jaar van het welbehagen des Heeren, de dag van de verlosten des Heeren."

5. Het bezoek van Christus doet een dag van rust voor de ziel aanbreken. Het is een Sabbat, en rustdag; want dan gaat de ziel door het geloof in de rust. Het arme schepsel vermoeide zich in zijn grote reis, hard werkende en zich inspannende aan de riemen van de plichten van de wet, om leven en gerechtigheid te verkrijgen: zij ging gebukt onder het gewicht van de zonde, als een last, die haar te zwaar was om te dragen, terwijl de pijlen des Almachtigen in haar waren, welker vurig venijn haar geest uitdronken; doch o! Wanneer de Opgang uit de hoogte komt, roept zij met David uit: "Mijne ziel, keer weder tot uw rust, want de Heere heeft aan u wel gedaan." Op het eerste gezicht van Christus roept de ziel uit, wat de Heere van Sion zeide: "Dit is Mijn rust tot in eeuwigheid, hier zal Ik wonen, want Ik heb ze begeerd en Ik heb er lust in."

6. Een bezoek van Christus van omhoog brengt een dag van liefde mee: (Ezech. 16:8) "Uw tijd," namelijk toen Ik u bezocht, "was de tijd der minne". Het is een tijd der minne aan de zijde van Christus, want dan laat Hij Zijn verkiezende en verlossende liefde uit, en Hij spreekt tot de ziel: "Ik heb u liefgehad met een eeuwige liefde, daarom heb Ik u getrokken met goedertierenheid." Zijn liefde was als een vuur in haar binnenste besloten zoekende en verlangende zich uit te laten. Doch, o! Wanneer de Opgang uit de hoogte komt, gaat de liefde Gods uit als een rivier, "voortkomende uit de troon Gods en des Lams." Dan is het ook een dag der minne aan de zijde van de gelovige; de liefde Gods wordt in zijn hart uitgestort door de Heilige Geest, en dat doet zijn hart brandende zijn in hem, zodat Hij de Heere liefheeft uit geheel zijn hart, en uit geheel zijn verstand, en uit geheel zijn ziel, en uit geheel zijn kracht. "Vele wateren zouden deze liefde niet kunnen uitblussen; ja de rivieren zouden ze niet verdrinken: al gaf iemand al het goed van zijn huis voor deze liefde, om de ziel van Christus af te trekken, men zou hem ten enenmale verachten." "Wie zal ons scheiden van de liefde van Christus? Verdrukking, of benauwdheid, of vervolging, of honger, of naaktheid, of gevaar, of zwaard? Noch hoogte, noch diepte, noch enig ander schepsel zal ons kunnen scheiden van de liefde Gods, welke is in Christus Jezus onze Heere."

7. Het is een dag van genade; want dan "heerst de genade door rechtvaardigheid", op een zegepralende wijze. Het wezen van de genade ligt in de vrijheid en mildheid van de liefde, zonder opzicht op verdienste, of zonder enigerlei dwang. O hoe blinkt de vrijheid van de genade, in de dag waarin Christus de ziel bezoekt, met een bijzondere luister en majesteit! De ziel, die tevoren God zag zitten op een troon van rechtvaardigheid, elk ogenblik een vonnis van veroordeling van zich verwachtende, ziet Hem nu in Christus op een troon der genade zitten, hem een genadescepter toereikende, en de zondaar nodigende te komen, om genade en barmhartigheid te ontvangen, en geholpen te worden ter bekwamer tijd. O hoe mild is een God van genade in Christus, wanneer de dageraad van omhoog aanbreekt! Hij geeft Zichzelf, Hij geeft Zijn Zoon, Hij geeft Zijn Geest. Hij geeft genade en eer, Hij geeft al de gewisse weldadigheden Davids, en dat alles zonder geld en zonder prijs.

8. De dag waarop Christus een mens bezoekt is een dag van bewondering, want dan ziet hij Hem, Wiens Naam is "Wonderlijk, Raad, sterke God, Vader der eeuwigheid, Vredevorst." Zo iemand komt in een nieuwe wereld, "een nieuwe hemel en een nieuwe aarde in dewelke gerechtigheid woont." Wanneer hij terugziet op zijn vroegere staat van duisternis, dood, verafheid, kan hij niet anders dan zich verwonderen over de wonderlijke verandering van zaken; daarom wordt van die mens, die Christus in de morgen van de bekering bezoekt, gezegd, dat hij wordt overgezet in een wonderbaar licht. Hij bewondert Christus, alsof hij nooit tevoren van Hem gehoord had; hij bewondert de grote verborgenheid der godzaligheid, God geopenbaard in het vlees. Hij bewondert de liefde Gods in Christus: O, "die breedte, die lengte, die diepte, die hoogte van de liefde Gods, die de kennis te boven gaat!" Hij bewondert de vrijheid, volheid en vastheid van een nieuw verbond. Hij is enkel verwondering als hij Christus ziet, het Hoofd van het nieuwe verbond, en dat al de beloften van het verbond in hem Ja en Amen zijn. In één woord, het is hem alles een wonder, en hij vraagt zich met verwondering af waar toch zijn ogen waren, dat hij die dingen nooit tevoren heeft gezien.

9. Het is een eeuwige dag, die van omhoog aanbreekt, wanneer Christus voor het eerst de ziel bezoekt, een dag, die nooit zal eindigen. Wel is waar, dat het licht van de dag soms droevig verduisterd kan worden, zodat de gelovige naar zijn gewaarwording in een donkere nacht kan verkeren en geen licht zien; doch, wanneer de zon maar eens is opgegaan, zal zij nooit weer ondergaan; neen, neen, "de Heere zal u wezen tot een eeuwig licht, en uw God tot uw sierlijkheid."

V. Ons vijfde punt was, te onderzoeken waarom van deze Dag gezegd wordt, dat Hij van omhoog aanbreekt. Hierop antwoord ik in de twee of drie volgende dingen:

1. Omdat Christus zelf de allerhoogste God is, "de Hoge en Verhevene, Die in de eeuwigheid woont." De Arianen willen van Hem een minder soort godheid maken, alsof Hij niet dezelfde onafhankelijke, zelfstandig bestaande God met de Vader is. Doch wat ook anderen denken of zeggen om Zijn heerlijkheid te verkleinen, laat ons Hem eren gelijk wij de Vader eren; want Hij is "de sterke God, de Vader der eeuwigheid, God boven allen te prijzen in eeuwigheid, de eeuwige God, de Heere, de Schepper van de einden der aarde."

2. Van deze Dag wordt gezegd, dat hij van omhoog aanbreekt, wegens Zijn koninklijke afkomst en geboorte, door de eeuwige geboorte uit zijn Vader; Hij is "de Eniggeborene van de Vader", dezelfde in zelfstandigheid, gelijk met Hem in macht en heerlijkheid. O verwondert u, vrienden. dat een Persoon van Zijn waardigheid Zich zo laag heeft willen neerbuigen, om de mens op de aarde te bezoeken! En toch is het zo: "Het Woord is vlees geworden, en heeft onder ons gewoond."

3. Er wordt gezegd, dat Hij van omhoog aanbreekt, omdat Hij de voornaamste zegen is, die van boven komt, van de Vader der lichten. Hij is de onuitsprekelijke Gave Gods, de Gift, Die alle gaven en genaden in Zijn stoet en gevolg meebrengt: "Die ook Zijn Eigen Zoon niet gespaard heeft, maar heeft Hem voor ons allen overgegeven, hoe zal Hij ons ook met Hem niet alle dingen schenken? Hij is het, Die het nieuwe Jeruzalem met Hem op de aarde doet neerdalen; de grootste heerlijkheid van de hemel is gekomen, en toen Hij kwam heeft Hij deze benedenwereld bezocht.

VI. Ons zesde punt is de toepassing.

Het eerste gebruik zal zijn tot onderrichting, in de volgende bijzonderheden. Is het zo, dat de Opgang uit de hoogte ons bezocht heeft?

1. Ziet dan hieruit de verbazende liefde Gods tot het verloren geslacht van Adam. Toen de engelen zondigden. werden zij "met eeuwige banden onder de duisternis bewaard’, en een nacht van eeuwige duisternis blijft op hen; doch toen Hij hen voorbijging, deed Hij de Opgang uit de hoogte ons bezoeken, waarom wij dit lied wel mogen aanheffen: "De Heere is God, Die ons licht gegeven heeft." O vrienden, verwondert u, en bewondert deze liefde, die alle kennis te boven gaat! "Alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij zijn eniggeborenen Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk, die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe." (1 Joh. 4:10) "Hierin is de liefde, niet dat wij God liefgehad hebben, maar dat Hij ons lief heeft gehad, en Zijn Zoon gezonden heeft tot een verzoening voor onze zonden..

2. Ziet hieruit wat een grote goedertierenheid en liefde voor verloren zondaars in het hart van onze Immanuël huisvest. Een bezoek wordt aangemerkt als een teken van liefde en vriendelijkheid, voornamelijk het bezoek van iemand, die ver boven ons staat. Als een edelman, een koning, een vorst, een bedelaar in zijn hut zou komen bezoeken, zou iedereen daaruit onmiddellijk het besluit opmaken, dat hij die bedelaar zeer goedgunstig was. Wel, vrienden, dit is hier het geval; de eeuwige Zoon van God is het geslacht van Adam zo goedgunstig, dat Hij ons beslist wilde bezoeken. En, o, wat een vriendelijk bezoek was dat! Het was hem niet genoeg, maar eens te komen om te zien hoe wij het maakten, en ons dan te verlaten zoals Hij ons had gevonden, gelijk dat onder ons de gewoonte is, wanneer wij elkaar bezoeken: neen, Hij wilde beslist aan ons verwant zijn, been van ons been, en vlees van ons vlees. Omdat wij onder de schuld zaten, wilde Hij voor ons Borg worden, en omdat onze schuld met niets minder dan met bloed kon worden betaald, daarom heeft Hij voor ons Zijn ziel uitgestort in de dood, totdat de Rechtvaardigheid zeide, dat het genoeg was, en Hem een vrij ontslag gaf van onze schuld, in Zijn opstanding uit de doden, waardoor wij wedergeboren zijn tot een levendige hoop op een eeuwige erfenis, die onverderfelijk onbevlekkelijk, en onverwelkelijk is. En niet alleen heeft Hij dit alles gedaan, maar Hij komt weer en bezoekt verloren zondaren in de uitdeling van het Evangelie, begerende, dat zij Hem goedgezind zullen zijn, hen smekende zich door Hem met God te laten verzoenen, hun aanbiedende zich met Hem te ondertrouwen in eeuwigheid. O! Is dit niet "een welbehagen in mensen," dat een ieder van ons wel mocht doen uitroepen: "Ere zij God in de hoogste hemelen, dat de Opgang uit de hoogte ons bezocht heeft?"

3. Ziet hieruit wat een gelukkige mensen de gelovigen zijn: zij toch zijn "kinderen des lichts en des daags," want de dageraad van omhoog, de Opgang uit de hoogte, heeft hen bezocht, Gelijk het licht was in Gosen, terwijl het ganse overige land van Egypte in duisternis gehuld was, zo ook is er licht in de woningen van de rechtvaardigen, terwijl buiten hen de ganse wereld overdekt is met ene duisternis, veel erger dan die welke in Egypteland heerste. Daarom, wat Bileam van Israël zeide, wanneer hij hen bij de andere volkeren vergeleek, dat mogen wij van de gelovigen, het ware Israël Gods zeggen: "Dat volk zal alleen wonen, en het zal onder de heidenen niet gerekend worden;" alsmede wat Mozes zeide: Welgelukzalig zijt gij, o Israël! Wie is u gelijk? Gij zijt een volk verlost door de Heere, het Schild van uw hulp, en Die een zwaard is van uw hoogheid."

4. Ziet hieruit de ellende van alle ongelovige zondaren, als die zonder Christus zijn. Zij zijn nog steeds in duisternis, de Opgang uit de hoogte heeft hen nooit bezocht. De woorden van de apostel zijn opmerkelijk, als hij, over zondaren die vreemdelingen van Christus zijn sprekende, zegt dat zij duisternis zijn: (Ef. 5:8) "Want gij waart eertijds duisternis." zij zijn niet alleen duister, maar zij zijn de duisternis zelf. O, om ‘s Heeren wille, komt "tot het waarachtige licht, hetwelk verlicht een iegelijk mens komende in de wereld." Komt en ziet het licht van de Zon der gerechtigheid, komt, ziet en leeft. Doch hierover later meer.

5. Ziet hieruit waarom Christus zo dierbaar is, en Zijn bezoeken zo kostelijk zijn voor de gelovige. Hijzelf is hun zo dierbaar, dat zij alle dingen schade en drek achten in vergelijking met Hem. Hij is doorluchtiger en heerlijker dan de roofbergen, en Zijn bezoeken zijn zo dierbaar in hun ogen, dat zij, wanneer Hij afwezig is, in het zwart daarheen gaan, niet van de zon; de hele wereld kan hen niet troosten, zolang zij Hem niet zien en vinden. O ledige dienaars, ledige instellingen, leeg Woord en ledige sacramenten, leeg bidden en danken, zolang Christus Zelf niet komt. En de reden hiervan is deze, dat de dag nooit aanbreekt voordat Hij komt. Wanneer Hij komt, verandert Hij de schaduw des doods in de morgenstond, en wanneer de Opgang uit de hoogte haar bezoekt, ziet de arme ziel er uit "als de dageraad, schoon gelijk de maan, zuiver als de zon."

6. Ziet hieruit hoe het komt, dat de heiligen verlicht worden door op Jezus te zien: Ps. 34:6) "Zij hebben op Hem gezien, ja Hem als een waterstroom aangelopen, en zijn (volgens de Engelse overzetting) verlicht geworden." Het kan niet anders of zij moeten verlicht worden, wanneer zij zien, dat de Opgang uit de hoogte hen bezoekt; dan wordt dat woord vervuld: (Ps. 30:6) "des avonds vernacht het geween, maar des morgens is er gejuich."

7. Ziet hieruit hoe het komt, dat het Evangelie zo heerlijk is; het is een bedeling van heerlijkheid, en het wordt "het Evangelie der heerlijkheid des zaligen Gods" genaamd. Wat maakt, dat het zo vol heerlijkheid is? De reden is, dat het Evangelie het voertuig van deze Dageraad van omhoog is, waarmede "het licht van de kennis van de heerlijkheid Gods in het aangezicht van Jezus Christus" tot ons wordt overgebracht. "Het leven en de onsterfelijkheid worden door het Evangelie aan het licht gebracht." O waardeert het dan en stelt het op prijs en maakt er gebruik van.

Het tweede gebruik zal nu een woord van vermaning zijn, in drie afdelingen.

Het eerste deel van de vermaning: Is het zo, dat de Opgang uit de hoogte ons bezocht heeft? O vrienden! Laat u dan vermanen naar de stralen van de dageraad te komen zien, en de heerlijke dingen te aanschouwen, die Hij bij Zijn licht ontdekt. O komt en ziet de dageraad van omhoog, en de stralen van goddelijke heerlijkheid, die in de openbaring van de Zoon van God in onze natuur, en in het bezoek, dat Hij ons in de bedeling van het Evangelie brengt, zijn doorgebroken. O vrienden! God de Vader bezoekt u, en roept u toe: "Ziet Mijn Knecht, Die Ik ondersteun, Mijn Uitverkorene in Dewelke Mijn ziel een welbehagen heeft." Hijzelf nodigt u, zich naar Hem toe te wenden en hem te aanschouwen: "Wendt u naar Mij toe, wordt behouden, alle gij einden der aarde.’ Komt, en ziet de heerlijkheid van Zijn Vader in Hem, want Hij is "het Afschijnsel van des Vaders heerlijkheid en het uitgedrukte Beeld van Zijn zelfstandigheid." Die Hem gezien heeft, heeft de Vader gezien," want Hij is dezelfde allerhoogste God, hetzelfde onafhankelijke, zelfstandige, noodzakelijke Wezen, met de Vader. O! Wee ons, dat zulke afschuwelijke godslastering tegen de Zoon van God in de Kerk van ons land wordt uitgesproken, alsof Hij een minder soort godheid zou zijn, waardoor wij meer dan één God zouden hebben. En wee mij, dat godslastering tegen de Zoon van God in deze kerk geen diepere verontwaardiging verwekt, dan een blote schorsing van de godslasteraar, en dat er zovelen zijn. die hem als vriend behandelen. Doch wat anderen ook van Christus mogen denken, laat ons met eer van Hem spreken, en erkennen. dat Hij Dezelfde in zelfstandigheid, gelijk in macht en heerlijkheid, met Zijn eeuwige Vader is. Wij zullen geen tijd hebben op dit onderwerp in te gaan, om u te laten zien hoe de Naam van God, de volmaaktheden Gods, de werken Gods, en aanbidding als God, Hem in de Schrift, worden toegeschreven. Alles wat ik ditmaal zal doen is, dat ik uw aandacht zal vestigen op enkele stralen van goddelijke heerlijkheid, die klaarblijkelijk van deze Opgang uit de hoogte afstralen.

1. Komt en ziet in Hem een straal van aanbiddelijke soevereiniteit; want Hij is de allerhoogste God, er is geen God, die groter is dan Hij, er is geen God boven Hem. In Gen. 22:16,17 spreekt de Engel tot Abraham uit de hemel, en die Engel was Christus, gelijk de apostel ons in Hebr. 6 schrijft. Hij zweert Abraham, zeggende: "Waarlijk zegenende zal Ik u zegenen." Hij zwoer bij Zichzelf; en als u de apostel vraagt, waarom Hij bij Zichzelf zwoer, dan zal hij u antwoorden: (vs. 13) "Want als God Abraham de belofte deed, omdat Hij bij niemand die meerder was had te zweren, zo zwoer Hij bij Zichzelf."

2. Komt en ziet een straal der eeuwigheid in deze Opgang uit de hoogte; want Hij is de Vader der eeuwigheid. Hij zegt: "Ik ben de Alpha en de Omega, het Begin en het Einde, de Eerste en de Laatste. Eer Abraham was ben Ik. Hij was in het begin: (Joh. 1:1) "In den beginne was het Woord, en het Woord was bij God, en het Woord was God.

3. Komt en ziet een straal van onveranderlijkheid in deze Morgenster. Wie dit (Ps. 102:26) leest: "Gij hebt voormaals de aarde gegrond, en de hemelen zijn het werk Uwer handen," verstaat niet terstond, dat dit van de ene eniglevende, waarachtige en onveranderlijke God wordt gezegd? Het is onmogelijk dit van iemand anders te verstaan dan van God. En in Hebr. 1:10-12 wordt het uitdrukkelijk op Christus toegepast.

4. Komt en ziet een straal van aanbiddelijke wijsheid in deze Opgang uit de hoogte, namelijk in een vlees geworden God. Christus wordt "de wijsheid Gods genoemd; ja, de wijsheid Gods bestaande in verborgenheid, die bedekt was; in Dewelke al de schatten der wijsheid en der kennis verborgen zijn. Nooit heeft de wijsheid Gods zich op zo’n wijze geopenbaard, als zij in Christus heeft gedaan, in die twee naturen van God en de mens, die oneindig ver van elkaar af stonden, in een persoonlijke vereniging met elkaar te brengen. O vrienden, een gezicht van dit grote wonder zou u en mij met de apostel doen uitroepen: "O diepte des rijkdoms, beide der wijsheid en der kennis Gods! Hoe ondoorzoekelijk zijn Zijn oordelen, en onnaspeurlijk Zijn wegen.

5. Komt en ziet hoe een straal van heerlijke en verbazende macht aanbreekt in de dageraad van Zijn vleeswording. Christus wordt dan ook niet alleen de wijsheid Gods, maar ook de kracht Gods genaamd. De macht van God is geopenbaard in de schepping van de wereld, door een woord te spreken; zij wordt geopenbaard in de regering van de wereld, en in de raderen van de voorzienigheid met onfeilbare bestendigheid te doen lopen: doch nooit gaf God zo’n openbaring van Zijn macht, als in Christus, toen Hij het oneindige en het eindige, God en de mens, verenigde in de persoon van onze Immanuël. O vrienden! Heft het oog van het geloof op, en ziet hoe de almacht zich vertoont in de man van Gods rechterhand, Die Hij Zich gesterkt heeft. Ziet hoe Hij de sterkte van de hel vertreedt, de strijd op de poorten richt, de overheden en machten uittrekt, de dood door de dood vernietigt, en het fondament van een gelukzalige eeuwigheid legt in de dood en het bloed van zijn eeuwige Zoon.

6. Komt en ziet een straal van goddelijke heiligheid uitschieten uit een vlees geworden Godheid. Toen Jesaja Zijn heerlijkheid aanschouwde, zag hij, dat de engelen hun aangezichten met hun vleugelen bedekten, opdat zij niet verblind zouden worden door de schoonheid van de goddelijke heiligheid, de een tot de andere roepende: "Heilig, heilig, heilig is de Heere der heirscharen: de ganse aarde is van Zijn heerlijkheid vol." Heiligheid blonk uit in Zijn volmaakte gehoorzaamheid aan de heilige wet, waardoor Hij haar niet alleen vervulde, maar haar ook verhoogde en heerlijk maakte. Heiligheid blonk uit in Zijn dood, waarin Hij zo’n ontdekking gaf van Zijn haat tegen de zonde, dat Hij die wilde sluiten en verzegelen, ten koste van Zijn bloed.

7. Komt en ziet een straal van ontzaglijke en geduchte rechtvaardigheid uitblinkende in de dageraad van Zijn vleeswording. Was er ooit zo’n daad van rechtvaardigheid vertoond, als die van het verbrijzelen van Zijn Zoon? De zonde werd door toerekening op hem gelegd: Het behaagde de Heere Hem te verbrijzelen; Hij sprak: Zwaard, ontwaak tegen Mijn Herder, en tegen de Man, Die Mijn Metgezel is; sla die Herder." O vrienden, komt en ziet de rechtvaardigheid bevredigd, en het oordeel uitgevoerd aan de Zoon van God, als onze Borg, en hoe dit als een fondament gelegd is voor de troon der genade, opdat Hij zou zijn "rechtvaardig, en rechtvaardigende degene, die uit het geloof in Jezus is."

8. Komt en ziet een schitterende straal van goddelijke barmhartigheid en liefde te voorschijn komen in de dageraad van Zijn vleeswording; het gerommel van Zijn ingewanden, het slaan van Zijn gezegend hart. O vrienden, wat is Christus anders dan de liefde Gods gewikkeld in vlees en bloed? Hier is de hoogste vlucht, die de liefde Gods ooit nam; hoger kan zij niet stijgen. Sommige godgeleerden hebben de opmerking gemaakt, dat de andere eigenschappen Gods in staat zijn meer te doen, dan zij gedaan hebben: oneindige macht kan meer werelden maken; oneindige wijsheid kan grotere dingen uitdenken dan nog ooit aan de mensen zijn bekend gemaakt; doch wat de liefde Gods betreft, die heeft zich uitgestrekt zover als zij kon, zij kan niet verder gaan. Wat kon Hij meer voor ons doen dan Zijn Zoon, de Zoon van Zijn liefde geven, Hem te geven tot in de dood? En zal Hij ons ook met hem niet alle dingen schenken? O hoe gaat de breedte, en lengte, en diepte, en hoogte van de liefde Gods de kennis te boven!

9. Komt en ziet een heerlijke straal van goddelijke getrouwheid in deze dageraad van "God geopenbaard in het vlees." God beloofde onze eerste ouders in het paradijs, dat "het zaad van de vrouw de slang de kop zou vermorzelen"; dat is, dat God vlees zou worden, en in onze natuur het koninkrijk en de regering van de duivel zou omverwerpen. Dit was de zwaarste belofte, die God ooit deed, en de moeilijkste om te vervullen. Doch Hij heeft het gedaan; wat Hij door het Woord van de profetie onder het Oude Testament heeft gesproken is nu een stuk heerlijke geschiedenis geworden, als een zaak, die reeds geschied is. O het is geschied, het is geschied: "God is geopenbaard in het vlees", en zo is de eerste belofte vervuld; en het is "een getrouw woord en aller aanneming waardig." Aangezien nu deze belofte vervuld is, zijn alle andere gemakkelijk, en wij behoeven daaraan in het minst niet te twijfelen, voornamelijk wanneer wij overwegen, dat zij alle "in Hem Ja en Amen zijn". Zij zijn alle bezworen aan Hem als het grote Verbondshoofd: "Ik heb eens gezworen bij mijn heiligheid, Zo Ik aan David liege!"

Zo heb ik u over enkele stralen van goddelijke genade gesproken, die in deze dageraad van omhoog te zien zijn.

Ik zal u nu verder spreken over enige lieflijke gezichten, die te zien zijn in het licht, dat deze Dageraad van omhoog met Zich meebrengt. U weet, dat het aanbreken van de natuurlijke dag dingen ontdekt, die in de duisternis van de nacht verborgen zijn; zo ook heeft deze dageraad van omhoog heerlijke dingen aan het licht gebracht, en ik nodig u uit die te komen zien. Ik zal er maar een paar noemen.

1. Komt en ziet de Raad des vredes, en wat onder de Personen van de heerlijke Drieëenheid werd overeengekomen, ontsloten. Wij willen van nature graag weten hetgeen verborgen is: wat in een ander zijn hart is; wat God deed, en wat Zijn gedachten waren voordat de wereld gemaakt werd. Wel vrienden: de Dageraad van omhoog brengt dit aan het licht. Christus heeft het boek geopend, en zijn zeven zegelen opengebroken, dat niemand anders in de hemel of op aarde kon doen. Vader, Zoon en Heilige Geest hebben van eeuwigheid een weg beraamd, hoe zondaren kunnen worden zalig gemaakt in overeenstemming met de rechtvaardigheid en de wet. Komt en ziet hoe de Vader op Zich neemt Zijn Zoon te zenden, en te ondersteunen in het grote werk van de verlossing; de Zoon op Zich neemt de wil van Zijn Vaders te doen, door de wet te vervullen en de rechtvaardigheid te bevredigen door Zijn dood, en de Heilige Geest op Zich neemt alles, in de volheid des tijds, aan een uitverkoren wereld toe te passen.

2. Komt en ziet de tempel Gods geopend, want de Dageraad van omhoog ontdekt dit ook. De tempel Gods is nu onder het Nieuwe Testament opengezet, een veel schonere tempel dan die van Salomo was, hoewel die het wonder van deze benedenwereld was. Hier is een Tempel, die het wonder van de hemel en van de aarde is, Hij trekt alle toeschouwers in het hoger en in het lagerhuis, om Hem te aanschouwen. Vrienden, wat zal ik u zeggen? "God is in Zijn heilige tempel; majesteit en heerlijkheid zijn voor Zijn aangezicht; sterkte en sieraad in Zijn heiligdom", God woonde afschaduwend in de tempel van Salomo; doch hier in de tempel van de menselijke natuur woont Hij wezenlijk, ja, de volheid van de Godheid woont hier lichamelijk, en een ieder, die Hem in deze tempel ziet, aanschouwt het afschijnsel van des Vaders heerlijkheid en het uitgedrukte beeld van Zijn Persoon.

3. De dageraad van omhoog is aangebroken; daarom, komt en ziet de weg tot het heiligdom geopend door het bloed van Jezus, namelijk een verschenen levende weg, die voor ons is ingewijd. O vrienden, dadelijk bij de inkomst van de zonde werd de deur van toegang tot God veroordeeld en gesloten, maar door de dageraad van omhoog kunnen wij zien; dat zij weer geopend is, en dat onze weg tot de Vader openbaar, en iedere voetstap van de weg met het bloed des Lams besprengd is, en dat God u nodigt "met vrijmoedigheid" tot Hem te komen, ja, toe te gaan met een waarachtig hart, in volle verzekerdheid des geloofs.

4. Komt en ziet de Rode Zee gekliefd en de Jordaan opgedroogd, opdat het Israël Gods een veilige en gemakkelijke doortocht heeft naar het beloofde land van de heerlijkheid. O vrienden, er was een Rode zee van toorn, een diepe Jordaan des doods en van de vloek van de wet, tussen ons en de heerlijkheid, maar Christus heeft op de weg uit de beek gedronken door Zijn gehoorzaamheid tot de dood.

5. Komt en ziet de zuivere rivier van het water des levens, voortkomende uit de troon Gods en des Lams. Het aanbreken van de dag heeft dit ook ontdekt, een rivier van vergevende, rechtvaardigende, heiligende, vertroostende, bevestigende, versterkende en zonde dodende genade, voortkomende uit de troon der genade, en een stem uitgaande van de troon: "Die wil, die kome, en drinke van het water des levens om niet. O alle gij dorstigen, komt tot de wateren, en gij, die geen geld hebt, komt, koopt en eet, ja komt, koopt zonder geld en zonder prijs wijn en melk."

6. Komt en ziet de Boom des levens, die in het hogere paradijs is, voortbrengende twaalf vruchten, en welks bladeren zijn tot genezing van de heidenen. O vrienden, hier is wat te zien, dat waard is gezien te worden! Hier is Christus Zelf te zien, Die gezegende Spruit uit de hoogte, zoals het grondwoord ook kan worden overgezet; de takken van de boom zijn zo met vruchten beladen dat zij zich van de hemel tot de aarde neerbuigen zodat wij onder Zijn schaduw zitten, en de zoetheid van Zijn vruchten kunnen proeven.

7. Komt en ziet de koninklijke wet Gods, die in de eerste Adam geschonden en verbroken was, weer verhoogd en heerlijk gemaakt door Christus, de tweede Adam, en Zijn Heere lust aan hem hebbende omwille van Zijn gerechtigheid. Komt en ziet het recht van de wet vervuld in ons, die geloven, want Christus is "het einde der wet tot rechtvaardigheid, een ieder, die gelooft." O vrienden, is dit niet een wonder, te zien, dat God Zijn Eigen wet vervult, als Borg voor de geruïneerde zondaar, en dat Hij ons Zijn gerechtigheid toerekent tot rechtvaardigmaking? En dit brengt de dageraad van omhoog aan het licht.

8. Komt en ziet het volle bedrag, dat onze Borg aan de rechtvaardigheid heeft betaald; geen som van zilver of goud, maar het dierbaar bloed van onze Heere Jezus Christus, als van een onbevlekt Lam. Bloed, dat het bloed Gods is; bloed, dat meer waard is dan de hemel en de aarde; bloed, genoegzaam om tienduizend werelden vrij te kopen, wegens zijn innerlijke waarde; bloed, dat van betere dingen spreekt dan het bloed van Abel.

9. Komt en ziet het nieuwe verbond vast gemaakt en bevestigd; de dageraad ontdekt dit ook. Het verbond van Adam was verbroken, en wij allen liggen daarom van nature onder de vloek. Doch ziet hier een zoveel beter verbond, namelijk een verbond der genade, waarvan Christus de Borg is, dat Hij met Zijn bloed heeft verzegeld, en waaraan Hij onder het Nieuwe Testament nieuwe zichtbare zegels heeft gehecht, de Doop en het avondmaal des Heeren, welk laatste wij heden hopen te vieren. Komt en ziet de volheid, vrijheid, lieflijke orde, vastheid en eeuwige duur van dit verbond, en hoe het vaststaat in Christus.

10. Komt en ziet hoe de kop van de oude slang vermorzeld is, terwijl hij het zaad van de vrouw de verzenen vermorzelde: "Hiertoe is de Zoon van God geopenbaard, opdat Hij de werken van de duivel verbreken zou." Hij heeft de overheden en machten uitgetogen, en aan het kruis over hen getriumfeerd. Zodat u, gelovige, moed mag vatten, want u hebt maar met een op de vlucht gedreven, verbroken, en verpletterde vijand te doen.

11. Komt en ziet de dood, die laatste vijand, te niet gedaan door de dood van de Verlosser, want Hij heeft zowel de dood te niet gedaan als hem, die het geweld des doods had. De dageraad van omhoog doet ons zelfs in het dal van de schaduw des doods licht zien, zodat wij geen kwaad behoeven te vrezen, maar ons daarover mogen verheugen als over een ontwapende en verslagen vijand, zeggende: "Dood, waar is uw prikkel? Hel, waar is uw overwinning?" Ja, de Dageraad van omhoog doet ons over het graf heen zien, en ontdekt ons de lieflijke morgen van de opstanding aan de andere zijde van de dood, zodat wij met Job mogen zingen en zeggen: "Onze Verlosser leeft, en daarom zullen wij, hoewel de wormen onze lichamen zullen doorknagen, nochtans in ons vlees God aanschouwen."

12. Komt en ziet in de opstanding van onze heerlijke Borg, een volkomen kwijtschelding van alles wat wij aan de rechtvaardigheid schuldig zijn. Dit kunnen wij ook lezen bij het licht van de dageraad van omhoog. Gelijk Christus gestorven is om onze zonden, of om de straf van onze schuld, zo is Hij ook opgewekt om onze rechtvaardigmaking, of om te verklaren, dat Hij een eeuwige gerechtigheid heeft aangebracht, krachtens welke wij van de schuld ontslagen en als rechtvaardig voor God worden aangemerkt. O vrienden, Christus is uit de doden opgestaan in de hoedanigheid van een Borg en Plaatsbekleder, en daarom wordt van ons gezegd, dat wij in Hem, en met Hem, opstaan. Onze Borg is niet stilletjes uitgebroken, maar "Hij is uit de angst, of (Engelse overzetting) uit de gevangenis, en uit het gericht weggenomen." De deur van de gevangenis werd op uitdrukkelijk bevel van het hof van de hemel geopend, en daarom werd op de derde dag, vroeg in de morgen, een bode van de troon van rechtvaardigheid gezonden om de steen van de deur van het graf af te wentelen. O vrienden, het levendig gezicht van deze verborgenheid van de liefde en genade, in de opstanding van Christus, zou ons allen die lieflijke lofzang doen aanheffen: (1 Petr. 1:3) "Geloofd zij de God en Vader van onze Heeren Jezus Christus, Die naar Zijn grote barmhartigheden ons heeft wedergeboren tot een levendige hoop, door de opstanding van Jezus Christus uit de doden."

13. Komt en ziet, hoe een toornig en onverbiddelijk God, in het licht van deze dageraad van omhoog, er voor ons uitziet als een God des vredes. En hoe zou Hij anders kunnen zijn dan een God des Vredes, aangezien Hij onze Heere Jezus Christus uit de doden heeft teruggebracht? Als Hij geen God des vredes was, zou Hij dan ooit op deze wijze getuigenis hebben gegeven, dat Hij de voldoening uit de handen van onze Borg heeft aangenomen? Gewis niet. Daarom, wanneer wij opzien tot een opgestane Christus, Die in onze natuur aan de rechterhand Gods zit, mogen wij met het volste recht besluiten, dat, "hoewel Hij toornig geweest is, Zijn toorn is afgekeerd. Ziet God is ons heil, wij zullen vertrouwen en niet vrezen; want de Heere Heere is onze sterkte, en psalm, en Hij is ons tot heil geworden."

14. Komt en ziet hoe Hij tot een bewijs, dat Hij een God des vredes, een verzoend God in Christus is, voor al Zijn volk, op de berg van het Evangelie een vette maaltijd bereidt, een maaltijd van reine wijn, van vet vol mergs, van reine wijnen, die gezuiverd zijn. O vrienden! De Dageraad van omhoog ontdekt een welvoorziene tafel van de zegeningen van de hemel, van al de gewisse weldadigheden Davids, tot ons onderhoud aangeboden en gereed, met een hartelijke nodiging aan iedereen, om te komen en van dit brood te eten, en van de wijn te drinken, die Hij gemengd heeft. Wij zeggen u in de Naam Gods, dat u evenveel recht hebt om te eten en te drinken, Christus aan te nemen en toe te passen, in al Zijn volheid zoals Hij ons in de bedeling van het Evangelie wordt voorgesteld, als u ooit had tot een maaltijd, die u werd voorgezet. Daarom: "Eet vrienden, drinkt en wordt dronken, o liefste."

15. Komt en ziet dat leven, dat verloren en door de val van de eerste Adam verbeurd was, hersteld en voor ons gereed liggende in de hand van de tweede Adam. Christus, de tweede Adam, heeft de plaats van de eerste Adam ingenomen, en ieder punt en artikel vervuld van het verbond der werken, dat volmaakte gehoorzaamheid eiste als de voorwaarde van het leven. Daarom komt het leven Hem nu toe; en dienovereenkomstig heeft God Hem het eeuwige leven gegeven, en is dit leven in de Zoon. Hij is de nieuwe Erfgenaam van het eeuwige leven, en van alle beloften, die daarbij behoren. O vrienden, is dit niet een goede tijding, dat onze God, onze weldadige Losser, onze verpande en verbeurde erfenis heeft teruggekocht?

16. Komt en ziet, hoe onze Losser en oudste Broeder Zichzelf en Zijn recht op het eeuwige leven, in een nieuw testament of een nieuw en beter verbond, aan ons toewijst en overdraagt. "God heeft ons het eeuwige leven gegeven" in het woord van Zijn genade en belofte (1 Joh. 5:11). Dit testament, deze belofte, deze schenking, deze aanbieding van het leven, worden een ieder gedaan, hetzij man of vrouw, die het Evangelie hoort, of de Bijbel leest, met een uitdrukkelijk gebod het testament te onderzoeken, om daarin het eeuwige leven te vinden. "Laat ons dan vrezen, dat niet te eniger tijd, de belofte van in Zijn rust in te gaan nagelaten zijnde, iemand van u schijnt achtergebleven te zijn." O vrienden, stelt u toch niet zo dwaas aan. dat u een prijs ter hand gesteld zijnde, u nochtans niet zo wijs zoudt zijn daarvan een goed gebruik te maken.

17. Komt en ziet, om deze alle als de getuigenis van een heerlijke Drie-eenheid te onderschrijven, want de Dageraad van omhoog ontdekt dit ook: "Drie zijn er, Die getuigen in de hemel, de Vader, het Woord, en de Geest": Zij getuigen dit alles in de hoedanigheid van bekwame Getuigen; Zij hebben de waarheid van alles wat ik heb gezegd onder ede bevestigd, in het bijzonder deze waarheid, dat "God ons het eeuwige leven gegeven heeft: en ditzelve leven is in Zijn Zoon." Daarom komt en ziet, om te verzegelen, dat God waarachtig is, want indien u het niet doet, maakt u God tot een leugenaar door uw ongeloof, om welke misdaad u reeds veroordeeld bent.

Ik zal een paar tegenwerpingen beantwoorden.

1. U zult zeggen: Dit zijn inderdaad lieflijke ontdekkingen, die de Dageraad van omhoog ontdekt; doch zeg mij, hoe zullen wij, door die te zien, komen?

Ik antwoord: Gij moet uw ogen openen, opdat het daglicht in u schijnt. Al schijnt het daglicht nog zo helder, al zijn er nog zulke schone begeerlijke voorwerpen rondom een mens, hij kan ze onmogelijk zien zolang zijn ogen gesloten zijn. Daarom moet u noodzakelijk uw ogen open doen, als u de Dageraad van omhoog, en wat die ontdekt, wilt zien.

2. U gebiedt mij, dat ik mijn ogen moet open doen, doch, helaas! Ik mis het gezichtsvermogen, en kunt u evengoed iemand, die stekeblind is, gebieden zijn ogen te openen, als tot mij op die wijze te spreken.

Mijn antwoord is: (1.) Ik houd het er voor, dat u al ver gevorderd zoudt zijn, als u maar wezenlijk gevoelig was over uw geestelijke of ziele blindheid; want de grote hoop van hen met wie wij handelen, is evenals de Farizeeën, die tot Christus zeiden: Zijn wij dan ook blind? Zij menen, dat zij goed genoeg zien, terwijl zij in werkelijkheid, in de dingen Gods, zo stekeblind zijn als mollen. (2.) Gedenkt, dat niet ik, maar God Zelf, u, die blind bent, gebiedt op te zien en deze Dageraad van omhoog te aanschouwen: (Jes. 42:1) "Ziet Mijn Knecht, Die Ik ondersteun." "Wendt u naar Mij toe en wordt behouden". Daarom, tracht en beproeft, in gehoorzaamheid van Hem, Die het gebiedt, uw ogen open te doen, en die heerlijke dingen te zien, die de Dageraad van omhoog ontdekt, want op die wijze geeft Hij de blinden het gezicht terug. Hij, Die u gebiedt te zien, en te aanschouwen, Hij raadt u ook, dat gij van Hem koopt ogenzalf opdat u zien mag. (3.) Volgt het voorbeeld van de blinde Bartimeüs. Christus komt heden bij u langs, want Zijn weg is in het heiligdom: terwijl u het geluid van Zijn gevolg of Zijn dienaars bij deze gelegenheid hoort, verheft uw stem, en zegt: Jezus, Gij Zone Davids, ontferm U mijner, en laat mij weer ziende worden." Vraagt slechts in het geloof, niet twijfelende aan Zijn bekwaamheid en gewilligheid: want het is Zijn belofte, dat Hij de ogen van de blinden zal openen, de kreupelen zal doen springen als een hert, en dat de tong des stommen zal juichen. Tot dusverre mijn eerste vermaning, om te komen en de Dageraad van omhoog te zien, Zijn heerlijke stralen te zien, en de wonderlijke ontdekkingen, die Hij gedaan heeft aan een verloren wereld. Ik ga nu over tot een

Tweede vermaning. Is het zo, dat de Opgang uit de hoogte ons bezocht heeft? Heeft Hij ons bezocht door een dadelijk aannemen van onze menselijke natuur, die Hij nu in de hemel draagt? En bezoekt Hij ons met de aanbiedingen van Zijn genade en liefde in de uitdeling van het Evangelie? O laat u dan vermanen en smeken Zijn bezoek te ontvangen en Hem gastvrijheid te verlenen. O verwelkomt Hem, en zegt: "Gezegend is Hij, Die daar komt in de Naam des Heeren, om ons zalig te maken." Wat is geloof? Wij vermanen u altijd te geloven, en vraagt u wat dat is, dan zal ik u een duidelijk en eenvoudig antwoord geven: Het is, dat u de Zoon van God, de Zaligmaker van zondaren, die u in de roeping en aanbieding van het Evangelie komt bezoeken, ontvangt en verwelkomt. U weet allen wat het is, een bezoek van een vriend te ontvangen. Wanneer u hem ontvangt verwelkomt u hem, u doet de deur voor hem open, laat hem binnen, en vraagt hem bij u te blijven. Zo ook is geloven, dat u het bezoek van Hem, Die de Dageraad van omhoog met zich meebrengt, een gunstig onthaal geeft; het is de deur voor Hem open te zetten, de eeuwige deuren van uw zielen te verheffen, Hem hartelijk te verwelkomen, en Hem binnen te laten, door u aan Hem toe te vertrouwen in Zijn zaligmakend, rechtvaardigend, heiligend en verzoenend werk.

O vrienden, behoef ik nog beweegredenen te gebruiken, om u te overreden het bezoek van de Opgang uit de hoogte gulhartig te ontvangen? U verwelkomt het dagelijks bezoek van de natuurlijke zon in het uitspansel, en zult u de bezoeken van de Zon der gerechtigheid niet met blijdschap begroeten en ontvangen, Die tot u komt met genezing onder Zijn vleugelen? Omdat echter de droevige ervaring ons leert, dat er maar weinigen zijn, die het bezoek, dat Hij brengt in de uitdeling van het Evangelie, een gunstig onthaal geven, – ja het is de moeilijkste zaak ter wereld zondaren over te halen Hem hartelijk te verwelkomen – zal ik, tot uw overreding, uw redelijke vermogens enige evangelische overwegingen voorstellen. En wanneer wij spreken, roept dan tot de hemel, dat God Zelf, door een lieflijke en onweerstaanbare kracht, u mag overreden en bekwaam maken Zijn bezoeken te verwelkomen.

1. Overweegt dan, Wie Hij is, en vanwaar Hij komt. O! Wel mogen wij uitroepen: "Wie is Deze, Die van Edom komt met besprenkelde klederen van Bozra? Mensen en engelen kunnen Zijn leeftijd niet uitspreken. Hij is zo voortreffelijk, dat wij geen woorden kunnen vinden om Zijn Naam uit te spreken, of Hem "Heere noemen, dan door de Heilige Geest." Zijn Naam is "Koning der koningen, en Heere der heren, de Overste van de koningen der aarde". Wie zou weigeren de bezoeker te verwelkomen van Hem, Die Zich vernedert wanneer Hij de dingen aanschouwt, die in de hemel zijn! En overweegt verder vanwaar Hij komt. Hij komt van een verre landstreek, een vergelegen land; Hij heeft Zijn koninklijk paleis, en al de vermaken, die Hij bij de Vader had eer de wereld was, verlaten om u te bezoeken; en zult u Hem niet verwelkomen? Als een groot koning een reis zou ondernemen van de einden van de aarde, om iemand van u te bezoeken, zoudt u hem dan verzoeken van u te vertrekken? Zoudt u uw deur voor zijn neus dichtgooien, wanneer hij bij u kwam? Wel, vrienden, dit is het geval, en daarom, ontvangt Hem gastvrij, nu Hij u bezoekt in de uitdeling van het heerlijk Evangelie.

2. Overweegt wat Zijn boodschap is, wanneer Hij u uit de hoogte komt bezoeken. Gij en ik konden met reden een bezoek van toorn en wraak hebben verwacht, dat Hij kwam om Zijn Eigen en Zijns Vaders twistzaak te twisten, wegens de verachting van Zijn gezag en de schending van Zijn heilige wet. Doch, o vrienden, wat zal ik u zeggen: "Christus is niet gekomen opdat Hij de wereld veroordelen zou, maar opdat de wereld door Hem zou behouden worden; de Zoon des mensen is gekomen om te zoeken en zalig te maken wat verloren was"; Hij is gekomen om ons te verlossen uit de hand van onze vijanden, opdat wij "Hem dienen zouden zonder vrees, in heiligheid en gerechtigheid voor Hem, al de dagen van onze leven". In Zijn bezoek, dat Hij u heden brengt, is Zijn boodschap, dat Hij u wil verbergen tegen de wind en de storm van de toorn Gods, die op het punt staat over u los te breken en u voor eeuwig te verpletteren. Hij komt om u te wassen, omdat u bevuild bent, in een gracht ingedompeld, zodat uw klederen van u gruwen. Hij zegt tot de vuile zondaar: "Dan zal Ik rein water op u sprengen, en gij zult rein worden; van al uw onreinheden, en van al uw drekgoden zal Ik u reinigen". Hij komt om te genezen, omdat u geheel overdekt bent met wonden, striemen en etterbuilen; u bent als die arme man, die op de weg tussen Jeruzalem en Jericho, met wonden overdekt, half dood was blijven liggen, en Hij is de barmhartige Samaritaan, Die komt om u te verbinden en uw wonden te helen. Hij ziet u spiernaakt, zonder een vod om u te dekken; en daarom is Zijn boodschap, dat Hij u wil bekleden met de klederen des heils, en u de mantel van de gerechtigheid wil aandoen. Hij komt om de deuren van de gevangenis te openen, uw boeien los maken, en u een heerlijke vrijheid te verlenen. O, vrienden, wie, die goed bij zijn verstand is, zou weigeren bezocht te worden door iemand, die met zo’n boodschap komt?

Overweegt welke ruwe wegen en doornige paden, welke ontberingen en moeilijkheden Hij heeft doorgestaan, in u in de bedeling van het Evangelie een bezoek te brengen. Hij had op Zijn weg de toorn van Zijn Vader en de grimmigheid van mensen en duivelen het hoofd te bieden. Hij werd in stukken gescheurd; op Zijn weg naar u toe werden Zijn ziel en Zijn lichaam vaneen gescheurd. Hij werd gejaagd gelijk de hinde van de morgen, en door de helhonden overal nagejaagd, totdat zij Hem op de heuvel Golgotha doodden, en dat alles om uwentwil, om u wel te doen. In één woord, bergen stonden in Zijn weg, maar Hij kwam "springende op de bergen, en huppelende op de heuvelen". Zeeën van bloed en toorn waren in Zijn weg; doch Hij doorwaadde die alle, om u te bezoeken. En zult u, nu Hij al deze en ontelbaar veel meer ontberingen heeft willen doormaken, om u weldadigheid te bewijzen, Hem toch niet verwelkomen, nu Hij gekomen is?

4. Wilt eens overwegen hoe nabij Hij u is gekomen in deze dageraad van het licht van het Evangelie. Hij is in Zijn bezoek zo nabij gekomen, dat Hij aan uw deur staat: "Ziet, Ik sta aan de deur en Ik klop". Zijn bezoek is zo dichtbij, dat u, als u naar Hem toe gaat, niet in uw hart behoeft te zeggen: Wie zal in de hemel opklimmen? of, Wie zal in de afgrond nederdalen? Want "nabij u is het woord, in uw mond en in uw hart. Dit is het woord des geloofs, hetwelk wij prediken", En wanneer Hij nabij u komt, brengt Hij Zijn gerechtigheid en Zijn heil met Zich mee: (Jes. 46:13) "Ik breng Mijn gerechtigheid nabij, zij zal niet ver wezen, en Mijn heil zal niet vertoeven". En waarom anders is Hij zo nabij gekomen met Zijn gerechtigheid en Zijn heil, dan opdat u Hem vriendelijk zoudt verwelkomen? O zegt: "Dit is een getrouw woord en aller aanneming waardig, dat Christus Jezus in de wereld gekomen is, om de zondaren zalig te maken".

5. U bent besloten door een koninklijke wet, die op gezag van de hemel is afgekondigd, dat u het bezoek van deze Opgang uit de hoogte een gunstig onthaal zult geven, een wet, waarin de strengste straf wordt gedreigd, wanneer hieraan niet wordt gehoorzaamd. Die wet is opgetekend in I Joh. 3:23: "Dit is Zijn gebod, dat wij geloven in de Naam Zijns Zoons Jezus Christus." Ziet op tot deze God als de Alpha en Omega, van ons werk, en van hetgeen onze plicht is in de wereld: (Joh. 6:29) "Dit is het werk Gods, dat u gelooft in Hem, Die Hij gezonden heeft." Tenzij u het bezoek, dat Zijn Zoon brengt, verwelkomt, kan geen ander werk, noch enige dienst Hem aangenaam zijn: want "zonder geloof is het onmogelijk Gode te behagen." Overweegt daarom, vrienden, dat het in het minst niet aan uw keuze is gelaten, of u Hem wilt ontvangen of niet; neen, als u het niet doet, dan maakt u zich schuldig aan opstand tegen God, en aan ongehoorzaamheid aan het grote gebod, dat van de troon van de heerlijkheid hierboven is uitgevaardigd; en "ongehoorzaamheid of weerspannigheid is een zonde van toverij," die met verbranden moet gestraft worden.

6. Overweegt hoe goed Hij het opneemt, wanneer Zijn bezoek welkom is; wanneer Hij door het geloof goed ontvangen wordt. O het is "de dag der blijdschap Zijns harten;" dan komt Hij tot ons in, en Hij houdt avondmaal met ons, en wij met Hem. Christus verheugde Zich in de geest, toen men Hem berichtte, dat Zijn Evangelie in de steden van Israël werd aangenomen. Hij is daarover zo verblijd, wanneer Zijn bezoeken een goed onthaal vinden, dat Hij inkomt, dat Hij Zijn ruste in de ziel neemt en Zijn woning bij haar maakt, om nooit weer te vertrekken; Hij zegt: "Dit is Mijn rust tot in eeuwigheid, hier zal Ik wonen, want Ik heb ze begeerd."

7. Overweegt, dat dit bezoeken van de Opgang uit de hoogte niet altijd zal duren; ik meen, dat er een einde zal komen aan Zijn bezoeken in de bedeling van het Evangelie. Wij lezen soms in de Schrift van een dag der genade, van een dag der zaligheid, een dag, die des zondaars dag is: "Och, of gij ook bekendet, ook nog in deze uw dag, hetgeen tot uw vrede dient!" zeide de Heere tot Jeruzalem. De dag van Jeruzalem was de dag waarin Christus hen persoonlijk en door de dienst van Zijn apostelen bezocht, in de ontsluiting van de grote verborgenheid van de zaligheid; deze hun dag is nu ondergegaan, en een lang donkere nacht is over hen gekomen; "hetgeen tot hun vrede dient, is nu verborgen voor hun ogen." Vrienden, dit is de dag waarin Christus, de Zon der gerechtigheid u bezoekt; doch u weet niet hoe spoedig Hij kan vertrekken, en uw huis woest laten; Hij kan Zijn tent opdoeken en Zich naar een andere plaats van de wereld begeven. Doch, al zou de dag van het licht van het Evangelie in dit land voortduren, dan zal er nochtans binnenkort, voor een ieder persoonlijk, door de dood een einde aan gemaakt worden. Daarom, om ‘s Heeren wil, laat Hem in, nu de dag waarin Hij bezoekt nog voortduurt. "Ziet nu is het de welaangename tijd, ziet nu is het de dag der zaligheid. Heden indien gij Zijn stem hoort, zo verhardt uw harten niet", opdat Hij niet zwere in Zijn toorn, dat "gij nooit in Zijn rust zult ingaan."

8. Om u te bewegen het bezoek van de Opgang uit de hoogte een gunstig onthaal te geven en te verwelkomen, overweegt, dat het Hem smart aan Zijn hart, al Hij door uw afwijzing en het verachten van Hem moet weggaan; Hij haat het scheiden en het verlaten, Hij heeft geen lust te vertrekken zonder verwelkomd te worden: (Hos. 11:8) "Hoe zou Ik u overgeven, o Efraïm? U overleveren, o Israël? Hoe zou Ik u maken als Adama? U steller als Zeboïm? Mijn hart is in Mij omgekeerd, al Mijn berouw is tezamen ontstoken".

9. Zijn hart is in de hoogste mate bedroefd, wanneer Zijn bezoeken geen goed onthaal vinden; Hij weende over Jeruzalem, zeggende: "Och of u bekende, ook nog in deze uw dag, hetgeen tot uw vrede dient! Maar nu is het verborgen voor uw ogen". O vrienden, hoe kan het in uw hart opkomen, het hart te bedroeven van Hem, Die de dageraad van omhoog meebrengt? Christus had menigmaal een bedroefd hart, toen Hij was "een Man van smart en verzocht in krankheid"; doch zult u ook Zijn hart bedroeven nu Hij in de hemel is? Niets heeft zo’n strekking om Zijn hart in de hemel te bedroeven, als te zien, dat zondaren Zijn bezoeken en de aanbiedingen van Zijn genade en liefde, die Hij hun doet door het Evangelie, afwijzen en verwerpen.

10. Indien u de bezoeken van Zijn genade nu niet een gunstig onthaal geeft, zal Hij u op een andere wijze bezoeken, Hij zal u dan een treurig bezoek brengen. Misschien zal Hij u, nog aan deze zijde van de eeuwigheid, in ontzaglijke toorn en in oordeel bezoeken: "Zou ik over die dingen geen bezoeking doen? spreekt de Heere, of zou Mijn ziel haar niet wreken aan zo’n volk als dit is?" Soms volgen droevige tijdelijke oordelen op de verwerping van Christus, namelijk in dit leven. Doch al zult u misschien aan tijdelijke slagen ontkomen, toch staat u bij uw dood en in het laatste oordeel een droevig bezoek te wachten. Wanneer Christus in Zijn heerlijkheid verschijnen zal, en Zijn rechterstoel in de wolken zal oprichten, dan zult u, die Zijn genadebezoeken niet wilde ontvangen, beginnen te wenen en rouw te bedrijven. (Openb. 1:7) "Ziet, Hij komt met de wolken, en alle oog zal Hem zien, ook degenen, die hem doorstoken hebben; en alle geslachten van de aarde zullen over Hem rouw bedrijven. Ja, Amen". O vrienden, laten deze dingen op u vermogen, dat het bezoek, dat de Opgang uit de hoogte u brengt in de uitdeling van het Evangelie, bij u een goed onthaal vindt.

U zult misschien tegenwerpen:

1. U gebiedt mij, dat ik zijn bezoek door het Evangelie een gunstig onthaal geef; doch helaas, ik ben altijd van gedachte, dat zijn bezoek anderen, en niet mij geldt.

Ik antwoord: Dat is juist de list en uitvlucht van het ongeloof; onder voorwendsel van bescheidenheid wil de ziel geen bezoek van Christus ontvangen, alsof Zijn bezoeken voor anderen en niet voor haar in het bijzonder waren. Doch vrienden, laat mij u zeggen, dat, hoewel het ongeloof zich met een blos van voorgewende nederigheid vertoont, het nochtans in de grond niets anders is dan duivelse hoogmoed. Doch welk vermoeden het ongeloof ook mag wekken, ik kan u in de Naam van God verzekeren, dat Zijn bezoek in de uitdeling van het Evangelie u geldt, u man, u vrouw, even persoonlijk alsof u bij naam en toenaam genoemd werd. Hij staat aan eens ieders deur, en klopt, zeggende: "Doe Mij open, en Ik zal tot u inkomen;" tot u roept de Wijsheid; haar stem is tot der mensen kinderen. Daarom, past het op uzelven in het bijzonder toe, met evenveel verzekerdheid, alsof u een stem uit de hemel hoorde, die u bij uw naam en toenaam riep.

2. Zegt u: ik zou graag Zijn bezoek ontvangen, maar mij dunkt ik zie grote bergen tussen Hem en mij; Hij is achter de bergen, en ik ben ver van Hem, en Hij, is ver van mij af.

Ik antwoord: Jezus Christus is niet zo veraf, als uw ongelovig hart u ingeeft, want "ziet, Hij staat achter onze muur," wachtende, om te zien of wij om Hem treuren, en Zijn bezoek willen ontvangen. U zegt, dat u veraf bent; maar Zijn stem is juist tot dezulken: (Jes. 57:19) "Ik schep de vrucht der lippen, vrede, vrede, dengenen die ver zijn, en dengenen, die nabij zijn, zegt de Heere, en Ik zal ze genezen". (Hand. 2:39) Petrus sprak tot zijn toehoorders, en ik zeg hetzelfde tot u: "Want u komt de belofte toe, en uw kinderen, en allen, die daar verre zijn". Gij zegt, dat er bergen zijn tussen hem en u; doch "ziet Hem, Hij komt, springende op de bergen, huppelende op de heuvelen". Als u Hem maar wilt ontvangen, zal Hij alle bergen vlak maken voor Zijn aangezicht: "de Jordaan keert achterwaarts, de bergen springen op als rammen, de heuvelen als lammeren."

3. Werpt u tegen: Mijn zonden zijn zo groot, dat Hij mij nooit zal willen bezoeken?

Mijn antwoord is: Ziet, hoe Hij de grootste zondaren bezoekt met de aanbiedingen van Zijn liefde en genade: (Jes. 1:18) "Komt dan, en laat ons samen rechten, zegt de Heere: al waren uw zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw, al waren zij rood als karmozijn, zij zullen worden als witte wol."

4. Misschien zegt u: Ik ben een veroordeeld zondaar, ik lig onder het vonnis des doods van de heilige wet, daarom kunnen Zijn bezoeken mij niet gelden.

Ik antwoord: Hij komt u en mij bezoeken, omdat wij ter dood veroordeeld zijn. Hij is in Zijn vleeswording hen komen bezoeken, die onder de wet zijn, "opdat Hij degenen die onder de wet waren verlossen zou, opdat wij de aanneming tot kinderen verkrijgen zouden." Als u Zijn bezoek in het Evangelie wilt ontvangen, zal het vonnis van de veroordeling op dat zelfde ogenblik van u worden weggenomen: want "die in de Zoon van God gelooft wordt niet veroordeeld"; ja, "Er is geen verdoemenis voor degenen, die in Christus Jezus zijn".

5. Zegt u: Ik ben snood, vuil en besmet, daarom is Zijn bezoek niet voor mij?

Dan is mijn antwoord: "Al laagt gij tussen de potten of tussen twee reien van stenen, zo zal Hij u maken als vleugelen ener duif, overdekt met zilver, en welker vederen zijn met uitgegraven geluwen goud". Hij spreekt het tot u: "Zult gij niet rein worden?" "Ik zal rein water op u sprengen, en gij zult rein worden: van al uw onreinheden en van al uw drekgoden zal ik u reinigen".

6. Of zegt u misschien: Ik heb zijn bezoeken in het Evangelie zo dikwijls afgewezen, dat ik bevreesd ben, dat Hij is weggegaan, en nooit zal terugkomen?

Mijn antwoord is: (Jer. 3:I) "Al hebt gij met vele boeleerders gehoereerd; keert nochtans weder tot Mij, spreekt de Heere". Hij roept afkerigen toe, dat zij zullen terugkeren, en dat Hij hun afkeringen zal genezen.

7. Indien u tegenwerpt, dat u niet weet of u tot de uitverkorenen behoort, die aan Christus werden gegeven, en dat, als dit zo is, zijn bezoek u niet geldt:

Dan is mijn antwoord: Zijne genadebezoeken en de aanbiedingen van zijn genade in het Evangelie zijn tot zondaren: Hij roept mensen, en "de kinderen der mensen ," en als u daar uw naam kunt vinden, hebt u geen reden uzelf uit te sluiten. U begint aan het verkeerde einde, wanneer u zich met de besluiten Gods inlaat: dat zijn verborgen dingen, die voor de Heere zijn. Ziet eerst op de dingen die in het Woord zijn geopenbaard; dat is de weg om tot de kennis te geraken van de verborgen voornemens van Zijn hart; en laat ik dit tot uw bemoediging zeggen, dat ik er nooit van gehoord heb, dat het verkeerd is uitgekomen met hen, die die weg volgde. Zij, die God op Zijn Woord vatten, en Hem aan Zijn Woord houden, zullen bevinden, dat zij onder het getal van Zijn uitverkorenen behoren, terwijl zij, die beslist eerst willen beginnen, Gods verborgen besluit na te speuren, en zo doende sterven, tenslotte zullen ervaren, dat zij onder het getal van de verworpenen behoren. Daarom, bemoeit u eerst met de dingen, die geopenbaard zijn, onderzoekt de Schriften, raadpleegt de woorden Gods, leest daar uw naam, en ziet of Christus daar tot u spreekt en u daar bezoekt of niet; en zo zult u te weten komen, dat er liefde tot u in Zijn hart is.

8. U zegt misschien: U gebiedt mij de bezoeken van Christus te ontvangen, doch helaas! Hoe kan ik dat doen? Ik heb niets om hem te geven.

Ik antwoord: Hij brengt zelf alles mee. Wanneer Zijn bezoek wordt aangenomen, komt Hij in, en Hij houdt avondmaal met ons, en geeft, dat wij met hem avondmaal houden. Als u meent, dat u Hem iets kunt aanbieden buiten hetgeen Hij zelf meebrengt, dan heb ik waarlijk weinig hoop voor u.

9. Of zegt u: Ik ben maar een ellendig verhard zondaar, mijn hart is als een stuk van de onderste molensteen.

Mijn antwoord is: Laat Hem binnen, want Hij "zal het stenen hart wegnemen, en u een vlezen hart geven".

10. En werpt u nog tegen: Ik ben zo onmachtig, dat ik Hem niet kan opendoen, wanneer Hij komt; hoe kan ik Hem binnenlaten, wanneer de sleutel van mijn hart aan Zijn gordel hangt?

Dan is mijn antwoord: Hij komt u juist bezoeken, omdat u onmachtig bent, om u sterkte te geven. Hij heeft gezegd, dat Hij "de moeden kracht geeft, en de sterkte vermenigvuldigt dien, die geen krachten heeft". Geeft Hem het werk maar in handen, Die al uw werken in u en voor u zal werken.

Een derde vermaning uit deze leer is deze: Ik vermaan u niet alleen Zijn bezoek aan te nemen, waarmee Hij u in de uitdeling van het Evangelie bezoekt, maar tot Hem op te zien om bij deze gelegenheid een bezoek aan uw zielen te mogen ontvangen van Zijn bijzondere genade en liefde. O bidt, dat de dageraad onder ons mag aanbreken. Gelooft, verwacht en hoopt op een bezoek van de heerlijk Zon der gerechtigheid, de blinkende Morgenster, opdat "in Zijn tempel een iegelijk Hem eer geve". Ik zeg nog eens, dat ik zou willen, dat u bij deze gelegenheid hoopt, gelooft, wacht, en uitziet naar de werkingen van Zijn Geest, van de ontdekkingen van Zijn heerlijkheid, en van het licht van Zijn aanschijn. Ik ben er zeker van, dat het beter met ons gesteld zou wezen, als wij meer bezig waren met op het goede van de hand des Heeren te vertrouwen, en te hopen, en te verwachten. Velen gaan bidden, het woord horen, avondmaal houden; maar zij doen het alsof er niets goeds van de Heere te krijgen was, alsof de Heere des huizes er maar een schraal huis op nahield, alsof Hij een tegenzin had om van Zijn goedheid aan Zijn gasten mee te delen. Zij menen, dat Zijn milde aanbiedingen, en roepingen, en nodigingen niet welmenend zijn. Doch, o vrienden! Dit is een verwijt aan onze heerlijke Heere en Meester; u behoorde betere gedachten van Hem te koesteren, en met verwachting en hoop op een bezoek van de Opgang uit de hoogte te komen.

Ik zal hier aantonen: 1. Welke voordelen een bezoek van de Opgang uit de hoogte met zich meebrengt. 2. Welke gronden uw geloof en uw hoop hebben, om er op te bouwen in het verwachten en uitzien.

Ik zal u dus eerst enige voordelen opnoemen, welke een bezoek van de Opgang uit de hoogte vergezellen.

1. Zijn bezoeken door de invloeden van Zijn Geest, en de mededelingen van Zijn genade en liefde, hetzij in de bekering, of in hernieuwde openbaringen, brengen leven met zich voor de dode zondaar, of de kwijnende heilige en gelovige. En hoe zou het andere kunnen zijn? "Want Hij is de Heere en Vorst des levens, Hij is de opstanding en het leven; de weg, de waarheid en het leven." Wanneer Hij nabij de dode zondaar komt, komt de Geest des levens in Hem, al was hij zo dood als de beenderen, die aan de mond des grafs verstrooid waren. En wanneer Hij nabij de kwijnende gelovige komt, zal hij ten leven voortbrengen als het koren, wanneer er een warme regenbui van de hemel op valt. Een flinke regenbui en een warme zonnestraal doen de velden lachen, en het broodkoren, dat verwelkt was, steekt zijn hoofd op en ziet er weer vrolijk uit. Juist dezelfde uitwerking heeft een bezoek van de Opgang uit de hoogte op de ziel: "Ik zal Israël zijn als de dauw;" en wat dan? "Hij zal bloeien als de lelie, en hij zal zijn wortelen uitslaan als de Libanon. Zij zullen terugkeren, zittende onder Zijn schaduw; zij zullen ten leven voortbrengen als koren, en bloeien als de wijnstok, zijn gedachtenis (of welriekendheid) zal zijn als de wijn van Libanon" (Hos. 14:6,8).

Een bezoek van de Opgang uit de hoogte brengt schatten en rijkdommen met zich; en geen wonder, want Hij is de "Erfgenaam van alles. In Hem zijn al de schatten der wijsheid en der kennis verborgen," onnaspeurlijke rijkdommen zijn bij Hem. Wanneer Hij de ziel bezoekt met Zijn zaligheid, doet Hij wat de wijzen van het Oosten Hem deden, toen zij kwamen en Hem in doeken gewonden zagen liggen, zij gaven Hem goud tot een geschenk; en Hij geeft ook een geschenk van goud, wanneer Hij de ziel bezoekt, veel beter dan het goud van Ofir. Ja, Hij zegt tot de ziel, gelijk Hij in Zijn gebed tot Zijn Vader zeide: "Al het Mijne is Uwe;" alles wat Ik heb is Uwe; Ik ben van U, en van allen, die Mij volgen; al de schatten van Mijn genade en heerlijkheid draag ik hun over, en vermaak die aan u. O! Is dat niet een kostelijk bezoek?

3. Christus’ bezoeken brengen eer met zich. "Rijkdom en eer zijn bij Mij. Van toen af dat gij kostelijk zijt geweest in Mijn ogen, zijt gij verheerlijkt geweest". Wanneer de Opgang uit de hoogte de ziel bezoekt richt Hij haar op: (Ps. 113:7, 8) "Die de geringe uit het stof opricht, en de nooddruftige uit de drek verhoogt, om te doen zitten bij de prinsen, bij de prinsen van Zijn volk". Het is niets anders dan een bezoek van deze Opgang uit de hoogte, dat de gelovige "voortreffelijker maakt dan zijn naaste".

4. Zijn bezoeken brengen opgewektheid, blijdschap en vrolijkheid mee. Wanneer deze Morgenster opgaat in het hart van een zondaar, die de duisternis en donkerheid van een storm van de wet heeft doorgemaakt, o wat een wonderlijke verandering brengt Hij dan in de ziel te weeg! Het arme schepsel, dat elk ogenblik verwachtte in de hel te vallen, begint zich te verheugen in de hoop van de heerlijkheid Gods. De verschrikkingen van de wet en van het geweten, en de zwaarmoedige bevattingen van wrekende toorn, doen David uitroepen: (Ps. 117:3) "De banden des doods hadden mij omvangen, en de angsten der hel hadden mij getroffen; ik vond benauwdheid en droefenis". Doch de Opgang uit de hoogte bezocht zijn ziel, en dit doet hem in het verdere van de Psalm een andere toon aanslaan; hij zingt en looft de Heere, zeggende: "Ik was uitgeteerd, doch Hij heeft mij verlost. Wat zal ik de Heere vergelden voor al Zijn weldaden aan mij bewezen? Ik zal de beker der verlossingen opnemen, en de Naam des Heeren aanroepen".

5. Een bezoek van de Opgang uit de hoogte brengt sterkte toe aan de zwakke en vermoeide ziel. "Hij geeft de moeden kracht, en Hij vermenigvuldigt de sterkte dien, die geen krachten heeft". O wanneer Hij komt, maakt Hij de struikelende als David en als de Engel des Heeren voor hem. Hij, Die krachteloos was, wordt sterk voor Zijn werk, zeggende: "Heere, wat wilt Gij, dat ik doen zal?" Sterk tot de strijd, "de armen van zijn handen worden gesterkt door de handen des Machtigen Jacobs;" sterk om beproevingen en verdrukkingen te verdragen, zeggende: "Ziet, zo Hij mij doodde, zou ik niet hopen?" "Wie zal mij scheiden van de liefde van Christus?" In één woord, hij die ten onder ging door vertwijfeling, door de overmacht van het ongeloof, wordt "sterk in het geloof, gevende God de eer".

6. Een bezoek van de Opgang uit de hoogte maakt de beschroomde en moedeloze ziel vrijmoedig en moedig als een leeuw. Het arme schepsel, dat niet tot God durfde opzien, uit een besef van schuld, doch als een angstvallige duif was, die zich verbergt in de kloven van de steenrots, heft zijn aangezicht met een heilige en nederige vrijmoedigheid op, wanneer de Opgang uit de hoogte hem bezoekt: "Dewijl wij dan, broeders, vrijmoedigheid hebben, om in te gaan in het heiligdom door het bloed van Jezus". Hij gaat met vrijmoedigheid toe tot de troon der genade, opdat hij "barmhartigheid moge verkrijgen, en genade vinden om geholpen te worden ter bekwamer tijd". Dan krijgt die mens vrijmoedigheid tegenover al zijn beschuldigers, zodat hij de wet en het geweten, de duivel en de wereld, in het aangezicht durft zien, zeggende: "Wie zal beschuldiging tegen mij inbrengen? God is het, Die rechtvaardig maakt. Wie is het, die verdoemt? Christus is het, Die gestorven is, ja, dat meer is, Die ook opgewekt is, Die ook ter rechterhand Gods is; Die ook voor mij bidt". Hij krijgt door het bezoek van de Opgang uit de hoogte zoveel vrijmoedigheid, dat hij nu kan "ingaan tot Gods altaar, tot de God des blijdschaps zijner verheuging". Hij is niet bevreesd, dat hij door aan een avondmaalstafel aan te gaan zichzelf een oordeel zal eten en drinken; neen, hij ziet, dat het een beker der verlossing is; daarom eet en drinkt hij met goeder harte, wetende, dat hij recht heeft op het brood van de kinderen. Hij krijgt zoveel vrijmoedigheid en moed, wanneer de Opgang uit de hoogte hem bezoekt, dat Hij de dood, de koning der verschrikkingen, met heilige moed en dapperheid in het aangezicht durft zien, met David zeggende: (Ps. 23:4.) "AI ging ik ook in een dal der schaduw des doods, ik zou geen kwaad vrezen; want Gij zijt met mij, Uw stok en uw staf, die vertroosten mij". Zo ziet u welke grote voordelen een bezoek van de Opgang uit de hoogte vergezellen.

Ik zal u verder enige raad geven, om een bezoek van deze Opgang uit de hoogte te verkrijgen.

1. Gelooft het: "Heb ik u niet gezegd, dat, zo gij gelooft, gij de heerlijkheid Gods zien zult?" (Joh, 11:40) "Nadat gij geloofd hebt, zijt gij verzegeld geworden met de Heilige Geest der belofte, die het onderpand is van onze erfenis" (Ef. 1:13).

2. Hoopt er op; want "de Heere heeft een welgevallen aan hen, die Hem vrezen; die op Zijn goedertierenheid hopen. De verwachting der ellendigen zal niet in eeuwigheid verloren zijn."

3. Verlangt er naar; omdat "Hij de dorstige ziel verzadigt, en de hongerige ziel met goed vervuld heeft".

4. Bidt er om; want "Hij hoort de wens van de zachtmoedigen; Hij zal hun hart sterken, Zijn oor zal opmerken". Hanna bad er om, en zij kreeg het. David bad er om, en hij ontving het.

5. Verwacht Hem; want "de Heere is een God des gerichts; welgelukzalig zijn allen die Hem verwachten".

6. Staat naar reinheid in hart en leven: "Zalig zijn de reinen van hart, want zij zullen God zien".

Doch u zult misschien zeggen: u gebiedt ons op zo’n bezoek van de Opgang uit de hoogte te hopen, en dat te verwachten; doch o zeg mij waarop ik in deze zaak mijn geloof en mijn hoop zal bouwen.

In het algemeen moet u gedenken, dat het geloof, of geloven, of op de Heere vertrouwen, de vastgestelde weg is, die ons in het Woord van God wordt aangewezen: het is de manier van handelen, die God ons heeft voorgeschreven, zullen wij enig goed van Hem ontvangen, hetzij voor de tijd, of voor de eeuwigheid. Er staat geschreven, dat "het zonder geloof onmogelijk is Gode te behagen"; doch anderzijds is alles wat wij doen, al was het de zwakste poging tot gehoorzaamheid, Hem welbehaaglijk, wanneer het in het geloof gedaan wordt. Hij heeft een onafscheidelijk verband gelegd tussen het geloof en elke goedertierenheid of zegening van Zijn verbond; het verbond is, als het ware, de bron waaruit het water van de genade en van de volheid van de Verlosser ons wordt toegediend; doch het geloof is de emmer, die het ophaalt en de mond, die het drinkt. Wilt u Gods heil zien? Wel, geloven is de weg daartoe: "Heb ik u niet gezegd, dat, zo gij gelooft, gij de heerlijkheid Gods zien zult?" Wilt u in de zegeningen van Gods goedertierenheid en de genade delen? Het geloof of geloven is de weg om die deelachtig te worden; want "die op de Heere vertrouwt, die zal de goedertierenheid omringen". Zoudt u willen, dat de Geest van Christus en Zijn zaligmakende werkingen op u rustten? Wel, dit is door het geloof te verkrijgen: "Nadat gij geloofd hebt, zijt gij verzegeld geworden met de Heilige Geest der belofte, Die het Onderpand is van onze erfenis". Wilt u een bezoek hebben van de Opgang uit de hoogte? Dan moet u door het geloof acht geven op het woord van de profetie, of van de belofte, dat zeer vast is, "totdat de dag aanlicht, en de Morgenster opga in uw harten".

Doch zegt u: u gebiedt ons altijd te geloven en op een bezoek van de Opgang uit de hoogte te hopen; maar waarop zullen wij in deze zaak ons geloof en onze hoop bouwen? Wat mij betreft, zal de arme ziel misschien zeggen, ik heb mijzelf bij deze gelegenheid geprobeerd te onderzoeken en doorzoeken, en bij slot van rekening kan ik in mijzelf geen grond vinden om te verwachten, dat de Opgang uit de hoogte mij zal bezoeken, doch veeleer het tegendeel. Ik vind, bij ernstig onderzoek, zoveel zonde, zoveel onkunde, zoveel ongeloof, zo weinig teerheid in mijn leven en wandel, dat ik vrees en onder de indruk verkeer, dat Hij mij, als Hij mij zal bezoeken, in toorn en niet in goedertierenheid zal bezoeken; en daarom is het tevergeefs, dat u mij beveelt te geloven of te hopen op een bezoek van de Opgang uit de hoogte.

Ik zal u antwoorden. U moet hier nauwkeurig acht geven en letten op een list van de satan, en van een dodelijk arglistig hart, om uw ziel af te leiden van het fondament van het geloof en van de hoop, dat God in Sion gelegd heeft. De duivel in vereniging met een bedrieglijk hart maken ons altijd wijs, dat wij het fondament van het geloof en van de hoop in onszelf moeten zoeken, en als wij het daar niet kunnen vinden, dan zeggen zij, dat wij moeten zeggen, dat er geen hoop, geen verwachting is, dat wij enig goed van God zullen ontvangen, en zo worden de handen van hem, die, in gehoorzaamheid aan Gods gebod, bij zelfbeproeving een massa ongerechtigheid, duisternis en ongeloof heeft gevonden, door dit werk eer verslapt, en wordt hij meer ontmoedigd. Doch vrienden, wilt u weten wat het grote doel van zelfonderzoek en beproeving is; het is niet om een grond van het geloof en van de hoop in uzelf te vinden, maar dat u, door de kwaden van uw harten te zien, door uw dodigheid, uw duisternis, uw vijandschap, uw ongeloof, uw gemis, en de zwakheden van elke in u gewrochte genade te zien, geheel uit uzelf mag gebracht worden, om een grond van geloof, hoop en vertrouwen buiten uzelf te zoeken in de Heere en in Zijn Woord. Laat mij u dit zeggen, als u ooit door de Opgang uit de hoogte zult worden bezocht. dan moet u het op een andere grond verwachten, dan op enig goed, dat ooit door u gedaan, of in u gewerkt werd. O vrienden, ik zou zo graag zien, dat u tot een zuivere geloofsoefening werd gebracht, om, zoals onze Catechismus het zo goed uitdrukt, op Christus alleen te vertrouwen. Wacht u, dat u zoudt rusten op uw gebeden, uw goede voorbereiding, uw zelfonderzoek, uw tranen, uw bekering; of ook, dat u enige van die dingen met Christus en Zijn gerechtigheid vermengt, als de grond waarop u een bezoek van de Opgang uit de hoogte verwacht. Neen, die oude vodden zullen niet aan het witte kleed van de gerechtigheid van Christus gelapt worden, zij zullen niet houden op het fondament, dat God in Sion gelegd heeft; en daarom vertrouwt en hoopt alleen op de Heere.

Indien u mij vraagt: och zeg ons wat het is in of aan de Heere, waarop ons geloof en onze hoop gegrond mag wezen, dat Hij ons wil bezoeken? Dan is mijn antwoord, dat er niets in of aan Hem is, dat geen grond van vertrouwen en hoop geeft. Meer in het bijzonder:

1. Beschouwt Zijn Naam, en laat het geloof en de hoop zich daarop vestigen: (Jes. 50:10). "Die in de duisternissen wandelt, en geen licht heeft, dat hij betrouwe op de Naam des Heeren. en steune op zijn God". O vrienden, elk van Zijn Namen is een olie, die uitgestort wordt. Denkt slechts een weinig over die Naam Immanuël, God met ons, en ziet of uw geloof en uw hoop zich daarop kunnen vestigen, om een bezoek aan uw zielen van de Opgang uit de hoogte. Hij is niet alleen Godmens in onze natuur. maar Hij is God met ons; dat is, Hij is in Christus niet een God, Die tegen ons is, maar een God, Die voor ons is, een God met ons, een God, die aan onze zijde is; Hij staat aan onze zijde, om met ons partij te kiezen tegen alles wat dodelijk is: (Ps. 109:31) "Want Hij zal de nooddruftige ter rechterhand staan, om hem te verlossen van degenen, die zijn ziel veroordelen". Hij kiest de partij van de zondaar, om hem van Zijn toorn, van de vloek en de veroordeling van Zijn wet te bevrijden, om hem van de Satan en de wereld, van de dood en de hel te verlossen; Hij is altijd een met ons verzoend God, een ontfermend, vergevend, zaligmakend God in Christus. Zeg daarom, ik vertrouw dat Hij, die Immanuël, God met ons is, ook aan mij een bezoek van omhoog wil brengen.

2. Laat het geloof en de hoop zich om een bezoek vastklemmen aan het woord van Zijn genade en belofte. O, mag de ziel zeggen, heeft Hij niet gezegd: "Overal waar Mijn Naam gedacht zal worden, zal Ik tot u komen en u zegenen". "Ziet Ik ben met ulieden al de dagen tot de voleinding der wereld?" Heeft Hij niet beloofd, dat Hij tegenwoordig zal zijn onder Zijn instellingen? Heeft Hij niet beloofd, dat Hij "water zal gieten op de dorstigen, en stromen op het droge". Heeft Hij niet gezegd: "Dat Hij Israël zal zijn als de dauw; dat Zijn uitgang is bereid als de dageraad, en dat Hij tot ons zal komen als een regen; als de spade regen en vroege regen des lands; dat Hij ons na twee dagen zal levendmaken, en ons op de derde dag zal doen verrijzen, en wij voor zijn aangezicht zullen leven? O, heeft Hij het gezegd, en zal Hij het niet doen? Heeft Hij het gesproken en zal Hij het niet bestendig maken? Ja, Hij zal het doen, want "Die het beloofd heeft is getrouw".

Werpt u tegen: maar de beloften is niet voor mij, ik heb er geen recht op? Dan is mijn antwoord: De belofte is voor een ieder, die haar hoort, en als u maar door het geloof wilt verzegelen, dat God waarachtig is, dan is zij de uwe in het bezit; indien u de belofte gelooft, hebt u hetgeen beloofd is.

3. Grondt uw geloof in een bezoek van de Opgang uit de hoogte, op de bezoeken, die Hij u reeds gebracht heeft. O, mag het geloof zeggen, was de Opgang uit de hoogte van eeuwigheid "spelende in de wereld Zijns aardrijks, en waren Zijn vermakingen met der mensen kinderen, van voor de grondlegging van de wereld?" Heeft Hij zich zo verbazend laag nedergebogen, dat Hij in het vlees geopenbaard is? Is Hij mijn Broeder, been van mijn been, en vlees van mijn vlees geworden? Heeft Hij zo’n welbehagen in de mensen getoond, dat Hij gekomen is in gelijkheid des zondigen vleses? Bezoekt Hij mij in de uitdeling van het Evangelie en het Woord der genade, met aanbiedingen van Zijn genade en liefde, en het eeuwige leven door Hem? Staat Hij aan mijn deur te kloppen, zeggende: "Doe Mij open, en ik zal tot u komen?" En zal ik toch aan Zijn liefde tot mij twijfelen? Zal ik twijfelen, of Hij tot mij zal inkomen en avondmaal met mij houden, en ik met Hem? Ja gewis, Hij zal het doen, want Hij, Die het meerdere heeft gedaan, zal het ook mindere doen.

4. Laat het geloof het Borg-zijn van Christus, of Zijn treding in onze plaats aangrijpen. Het geloof mag zeggen: Hij heeft op Zich genomen onze schuld te betalen, en dienovereenkomstig heeft Hij die tot de laatste penning toe betaald; Hij heeft door zijn gehoorzaamheid mijn schuld aan het gebod van de wet betaald: Hij heeft door Zijn kruisdood betaald, wat ik als strafschuld aan de wet en de rechtvaardigheid schuldig was; en zo heeft Hij het handschrift, dat tegen mij was, uitgewist. Hij werd "zonde voor mij gemaakt, opdat ik zou worden rechtvaardigheid Gods in Hem"; Hij werd een vloek, opdat ik zegening zou beërven; Hij heeft, om mijn ziel in liefde te bezoeken, de weg daartoe gebaand door Zijn volkomen bevrediging van de rechtvaardigheid, en nu is Zijn Naam de Heere onze gerechtigheid. Waarom zou ik de twijfelen of de Opgang uit de hoogte ook mij een liefdebezoek zal brengen?

5. Laat het geloof zich vestigen op de betrekking waarin Hij tot ons staat in al Zijn zaligmakende ambten. Hij is "onze Heere Jezus Christus; deze Zoon is ons gegeven, dit Kind is ons geboren;" Hij is niet voor Hemzelf, maar voor ons geboren, en al wat Hij als Middelaar is, dat is Hij voor ons. O, Hij is de Zaligmaker van zondaren. En zal niet de Zaligmaker van de zondaar de zondaar bezoeken, die naar een bezoek van Hem uitziet en verlangt? Hij is een Profeet, een Onderwijzer van de wil van God; en zal niet de meester de leerlingen een bezoek brengen? Hij is een Priester, Die voor de mensen gesteld is, een barmhartig en getrouw Hogepriester, een Hogepriester, Die medelijden heeft met onze zwakheden, en zou ik Hem dan niet mogen vragen mij te bezoeken? Hij is een Voorspraak voor de overtreder, en zal de advocaat zijn cliënt niet bezoeken? Hij is onze Koning, en zal niet de koning zijn onderdaan bezoeken? Zal Hij over Zijn vijanden in mijn hart niet regeren en die onderwerpen? Hij is onze Herder; en zal de Herder Israëls Zijn kudde niet weiden? Ja. "Hij zal de lammeren in Zijn armen vergaderen, en de zogenden (Engelse overzetting de drachtigen) zal Hij zachtkens leiden". Hij is onze Heelmeester, die gekomen is om de kranken te genezen; Zijn Naam is Jehovah Rofè (Heelmeester), en zal niet de dokter zijn patiënt bezoeken? Daarom zeg ik, laat het geloof zich vestigen op zijn betrekking tot ons in Zijn Persoon en in Zijn ambten.

6. Laat het geloof en de hoop zich om een liefdebezoek vastzetten op de uitnemendheid van zijn goedertierenheid, zoals die in Christus geopenbaard en in het woord van de genade ontvouwd is. O vrienden, God is liefde; liefde is de regerende eigenschap van Zijn natuur, en Zijn ganse doel in het zenden van Zijn Zoon, en in de uitdeling van het Evangelie, is, ons van Zijn liefde te overreden. Nu laat het geloof zich hierop vestigen en overreed zijn, dat Hij zal komen en niet vertoeven. Ziet dit als een grond van geloof en hoop gelegd in Ps. 36:8: "Hoe dierbaar is Uw goedertierenheid, o God! Dies de mensenkinderen onder de schaduw van uw vleugelen toevlucht nemen".

7. Laten geloof en hoop zich om een bezoek van de Opgang in de hoogte vestigen op het doel van deze ordinantie en instelling van het Evangelie, voornamelijk van een avondmaalstafel. Doch hierop kom ik later terug.

 

Toespraak na het avondmaal

Nu, mijn vrienden, de Opgang uit de hoogte heeft ons allen bezocht in een uitdeling van het Evangelie, ik bedoel in het Woord en het sacrament. Zijn licht heeft ons beschenen. Doch laat mij u ter beproeving vragen: of de morgen gedaagd en de Morgenster in uw harten opgegaan is? Heeft het licht van de heerlijkheid Gods, in het aangezicht van Jezus Christus, in uw harten geschenen? O, zegt u, hoe zal ik weten, dat de Opgang uit de hoogte mij bezocht heeft door een inwendige openbaring van Zichzelf aan mijn ziel?

Ik antwoord: 1. U kunt het weten uit het bewijs van dat licht zelf. Het daglicht brengt zijn eigen bewijs mee; zo ook brengen de bezoeken van Christus aan de zielen van zijn volk een klaarblijkelijk licht mee, waardoor de ziel weet, dat Hij het is en niet een ander. Zijn stem heeft iets eigenaardigs, waaraan zij gekend wordt: (Hoogl. 2:8) "Dat is de stem Mijns Liefsten!" "Mijn schapen horen Mijn stem". Zijn voetstappen hebben een eigenaardige bevalligheid, zij zijn met majesteit, er is iets goddelijks in Zijn gang en handelwijze met Zijn volk. Zijne gestalte vertoont een bijzondere majesteit, die de ziel kent en nochtans niet kan uitdrukken. O, zegt de ziel, wanneer zij een bezoek krijgt: ik kan Hem niet beschrijven, doch dit kan ik tot mijn zielsvoldoening zeggen, dat "Zijn gestalte is als de Libanon," en dat niemand Hem gelijk is; Hij heeft in de hemel of op de aarde Zijn gelijke niet, want "Hij is veel schoner dan de mensenkinderen".

2. U kunt het hieraan weten, dat het bezoek van deze Opgang uit de hoogte zeer voldoenend en zoet is: "Waarlijk het licht is zoet, en het is de ogen goed de zon te aanschouwen". Wat is voor hen, die op de morgen wachten, aangenamer en verkwikkelijker dan de dageraad? Zo is het ook hier: Wanneer Christus komt, brengt Hij een zielsvergenoeging met Zich mee. Er was niets dan ledigheid in de vertroostingen, in dienaars, in de ordinanties, in het Woord en de sacramenten te vinder, doch wanneer de Opgang uit de hoogte de ziel bezoekt, dan zegt zij: Dit is het wat ik nodig heb, dit miste ik; "mijn ziel, keer weder tot uw rust, want de Heere heeft aan u welgedaan". O, zegt Petrus, op de berg Thabor, op de top van een kale berg, waar hij geen spijze noch drank, vrouw noch kinderen had: "Het is goed, dat ik hier ben". "Ik zal verzadigd worden met Uw beeld, als ik zal opwaken". De ziel vindt zo’n voldoening in de bezoeken van Christus, dat alle sterren daardoor verdwijnen: "Ik acht alle dingen schade te zijn, om de uitnemendheid van de kennis van Christus Jezus mijn Heere."

3. Als de Opgang uit de hoogte uw ziel bezocht heeft, zulk u begeren, dat deze dageraad meer en meer van omhoog over u mag aanbreken. O, dat ik hoe langer hoe meer van de Heere had! Evenals de mensen, wanneer de dag begint aan te breken, naar meer licht uitzien. Zo ook Paulus hier, hij kende de uitnemendheid van de kennis van Christus; doch was hij daarmede verzadigd? Neen, hoewel hij zag, dat alle dingen maar schade en drek waren ten opzichte van de kennis, die hij van Christus had, toch begeert hij meer te kennen van Hem en van de kracht van Zijn opstanding; hij vergat hetgeen achter was. Niet dat ik reeds al de kennis van Christus verkregen heb, die ik begeer; neen, neen, "ik vergeet alles, dat achter is, en strek mij tot hetgeen, dat voor is, ik jaag naar het wit tot de prijs van de roeping Gods, die van boven is in Christus Jezus". Dit is een van de voornaamste dingen, die een gelovige zo gewillig maken om te sterven, dat Hij de Heere heeft gezien en hem, wanneer hij gestorven is, hoopt te zien gelijk Hij is, van aangezicht tot aangezicht, hetgeen hier niet mogelijk is. Daarom is het een teken, dat de Opgang uit de hoogte u nog niet bezocht heeft, indien u met dit avondmaal zo oververzadigd bent, dat u meent, dat u nu alles van Christus hebt, wat u begeert.

4. Indien de Opgang uit de hoogte u bezocht heeft, ben ik er zeker van, dat dit uw hart verblijd heeft. Christus zegt: "Abraham heeft Mijn dag gezien, en is verblijd geweest". Hij zag van ver Zijn dag, de dag van Zijn komst in het vlees, en dat de dag van de zaligheid door Hem zou verwezenlijkt worden, en hij was blij. Zo ook heeft het u verblijd, indien Hij in uw ziel is opgegaan. Dit wordt ons zo schoon voorgesteld in deze betekenisvolle waarheid: (Jes. 35:1,2) "De woestijn en de dorre plaatsen zullen hierover vrolijk zijn; en de wildernis zal zich verheugen, en zal bloeien als een roos. Zij zal lustig bloeien en zich verheugen, ja met verheuging; de heerlijkheid van Libanon is haar gegeven, het sieraad van Carmel en Saron; zij zullen zien de heerlijkheid des Heeren, het sieraad onzes Gods". En in de daarop volgende verzen zult u zien, dat het zo’n blijdschap is, die de slappe handen versterkt: de onbedachtzame van hart moed en krachten geeft; de kreupele doet springen als een hert, en de tong des stommen doet juichen. Het is een blijdschap, die alle wereldse blijdschap te boven gaat: (Ps. 4:8) "Gij hebt vreugde in mijn hart gegeven, meer dan ter tijd, als hun koren en hun most vermenigvuldigd zijn".

5. Als de dageraad van omhoog uw ziel bezocht heeft, heeft dit een indruk op uw ziel achtergelaten. Ik heb u gesproken over sommige van de stralen van deze dageraad: er is een straal van wijsheid, een straal van goddelijke kracht, van heiligheid, rechtvaardigheid, goedheid en getrouwheid. Nu, deze stralen hebben, als de dageraad over u is opgegaan, en de Opgang uit de hoogte u heeft bezocht, een evenredige indruk op uw ziel achtergelaten; want u bent dan de goddelijke natuur deelachtig geworden, en door het aanschouwen van Zijn heerlijkheid naar hetzelfde beeld veranderd. Een gezicht van de heerlijke stralen van deze dageraad zinkt diep in het hart, en laat een overeenkomstige indruk van de mededeelbare eigenschappen Gods op de ziel achter.

6. Indien de Opgang uit de hoogte u bezocht heeft, zal dat blijken uit de uitwerking daarvan op uw hart en leven. Ik zal er u twee noemen: (1.) Een bezoek van deze dageraad zal veel ledigheid in uzelf ontdekken, en u in uw eigen ogen in het niet doen wegzinken: (Job. 42:5,6) "Met het gehoor des oors heb ik U gehoord, maar nu ziet U mijn oog. Daarom verfoei ik mij, en ik heb berouw in stof en as. (Jes. 6:5) "Wee mij, want ik verga; want mijn ogen hebben de Koning, de Heere der heirscharen, gezien." (2.) Het licht van deze dageraad zal u heilig maken: "Die zegt, dat hij het licht heeft gezien, en in de duisternis wandelt, die is een leugenaar, en in die is de waarheid niet;" al zijn godsdienst is maar inbeelding. In plaats van de dageraad te zien, hebt u slechts bedriegerij van uw hersenen gezien. Een gezicht van de Opgang uit de hoogte zal u doen zuchten onder de overblijvende duisternis, vijandschap en ongeloof. Beproeft u bij deze dingen of u de Opgang uit de hoogte gezien hebt.

Ik zal sluiten met een enkel woord tot twee soorten van mensen. 1. Tot u, bij wie het nog middernacht is. 2. Tot u, die door de Dageraad van omhoog bezocht zijn.

Van de eerste soort zijn zij, bij wie het nog middernacht is, die nooit een bezoek van de dageraad van omhoog hebben gehad.

1. Uw toestand is droevig. Hoe droevig was het in Egypte gesteld toen het met een tastbare duisternis geplaagd werd! Doch de uwe is erger in haar natuur en in haar duur; hun duisternis duurde maar drie dagen, doch de uw zal, als oneindige barmhartigheid het niet verhoedt, eeuwig duren.

2. Uw toestand is gevaarlijk: (Spr. 4:19) "De weg der goddelozen is als donkerheid." U kent uw weg niet; u wandelt aan de rand van het eeuwig verderf.

3. Uw toestand is vol verschrikking. Wij lezen in Gen. 15:12 van een schrik en grote duisternis. U bent aan alle zijden van verschrikkingen omringd: de verschrikkingen van de wet; de verschrikkingen van de consciëntie; de verschrikkingen van de Almachtige: de verschrikkingen van eeuwige ellenden; deze allen omringen u, hoewel u misschien vast slaapt, en ze niet bemerkt. Ik wil u echter niet in deze hopeloze staat laten, maar u met een woord van raad dienen.

(1.) Weest wezenlijk overtuigd van uw ellendige toestand, en van uw uiterste onbekwaamheid om uzelf te helpen. U kunt evenmin dit goddelijk licht scheppen, als dat u de zon te middernacht aan het uitspansel kunt doen opgaan. Misschien zult u zeggen: Waarom spreekt u ons dan over onze onmacht, want dat maakt ons geheel moedeloos om de middelen te gebruiken? Ik spreek u niet over uw onmacht om u de moed te benemen de middelen te gebruiken, maar opdat u in het gebruik van de middelen uit uzelf gedreven mag worden tot de Heere des lichts, des levens en van de sterkte.

(2.) Mijn raad is, dat u tot het licht komt van de dageraad, die u in de bedeling van het Evangelie bezocht heeft, en dat u daarnaar opziet, totdat het licht in uw ziel opga. Dit raadt God Zelf u: (2 Petr. 1:19) "Wij hebben het profetische woord, dat zeer vast is; en gij doet wel, dat gij daarop acht hebt, als op een licht schijnende in een duistere plaats, totdat de dag aanlichte, en de morgenster opga in uw harten". Geeft er acht op, laten al uw gedachten en bevattingen van God overeenkomstig die openbaring gevormd worden, ziet altijd naar de Zon, die door de spiegel van het Woord schijnt, want door deze spiegel schieten de stralen van de heerlijkheid Gods in de geest van de mens en worden daarin overgebracht. Wij ontvangen de Geest der wijsheid en der openbaring door het gehoor van het geloof.

Ziet op Christus, en u zult verlicht en zalig gemaakt worden. Werpt u tegen: Maar ik ben blind? Dan antwoord ik: Hij Die de ogen van de blinden opent, gebiedt u te zien, en het licht en het gezicht komt in de ziel onder het pogen om Zijn gebod te gehoorzamen.

De tweede soort mensen zijn zij over wie de Dageraad van omhoog is aangebroken. Deze zijn ook weer onderscheiden in twee soorten. Sommigen, die op zekere tijd door de Dageraad zijn bezocht, wandelen nu in de duisternis. 2. Sommigen genieten nu de bezoeken van de Dageraad.

Wat de eerste betreft. Sommigen zullen misschien zeggen: Ik meende eens, dat de dag in mijn ziel was aangebroken, en dat ik het licht des Heeren zag, doch helaas! Nu wandel ik in de duisternis en kan geen licht zien. Och of ik ware gelijk in de vorige maanden! Ik meende, dat ik bij deze gelegenheid een bezoek van de Dageraad zou krijgen; doch, helaas! ik moet weder heengaan, zoals ik gekomen ben; de duisternis van verzoeking, verdrukking, verlating, en twijfelmoedigheid is over mijn ziel uitgespreid en, mij dunkt, ik ben uitgestoten van voor Zijn ogen. Ik zal hierop slechts twee of drie dingen antwoorden.

1. Dank God, dat de Dageraad u ooit bezocht heeft. U weet het onderscheid tussen licht en duisternis tussen afwezigheid en tegenwoordigheid. Een bezoek van de Opgang uit de hoogte stelt uw staat voor eeuwig vast.

2. Wanneer de Zon der gerechtigheid eens in de ziel is opgegaan, al verduistert Hij nog zo dikwijls, Hij zal nooit weer ondergaan. Daarom, de zon staat aan de hemel, en het is dag bij u, al ziet u haar niet wegens tussenkomende wolken: "Gij zijt niet des nachts maar des daags".

3. Mijn raad aan u is: Hoopt op God; want u zult Hem nog loven voor de verlossingen Zijns aangezichts. Zijn bevel is: "Israël hope op de Heere". God gebiedt u: "Wie is er onder ulieden, die naar de stem Zijns Knechts hoort? Als hij in de duisternissen wandelt en geen licht heeft; dat hij betrouwe op de Naam des Heeren en steune op zijn God. Om u aan te moedigen, te hopen en te vertrouwen, hoort wat de Heere zegt: (Jes. 54:7,8) "Voor een klein ogenblik heb Ik u verlaten; maar met grote ontfermingen zal Ik u vergaderen. In een kleinen toorn heb Ik Mijn aangezicht van u een ogenblik verborgen; maar met eeuwige goedertierenheid zal Ik Mij uwer ontfermen, zegt de Heere, uw Verlosser".

Wat de tweede soort gelovigen betreft, voor wie de dageraad is aangebroken, die door de Opgang uit de hoogte bezocht zijn; uw staat, gelovigen, is veilig, want "de Heere zal u wezen tot een eeuwig licht". Het is heerlijk en troostelijk: "Het licht is voor de rechtvaardige gezaaid, en vrolijkheid voor de oprechte van hart". Mijn raad aan u is:

1. Looft God, die u heeft gegeven, dat de Opgang uit de hoogte u bezocht heeft, terwijl anderen in duisternis zijn gelaten. Gedenkt uw vorige duisternis en looft de Heere, Die u daarvan verlost heeft, "Die u uit de duisternis geroepen heeft tot Zijn wonderbaar licht".

2. Wandelt in het licht van de dag, die over uw ziel is aangebroken: (Jes. 2:5) "Komt gij huis Jacobs, en laat ons wandelen in het licht des Heeren". Dit is de raad van Christus, wandelt in het licht van Christus’ voorbeeld, en in het licht van Zijn gebod; laat die een lamp voor uw voet, en een licht voor uw pad zijn. En "laat uw licht alzo schijnen voor de mensen, dat zij uw goede werken mogen zien, en uw Vader Die in de hemelen is, verheerlijken".

3. Wacht u voor alles wat het licht van de Zon der gerechtigheid voor uw ziel kan verduisteren: hoedt u voor hoogmoed, vleselijkheid, wereldsgezindheid, ongeloof, en alle slordigheid in uw wandel; u mocht uzelf anders onder zo’n grote duisternis brengen, dat het u was, alsof de Zon nooit over u was opgegaan.

4 Ziet uit naar het aanbreken van de eeuwige dag der heerlijkheid, wanneer de Zon nooit weer zal kunnen verduisterd worden. De Oud Testamentische Kerk verlangde naar het aanbreken van de Nieuw Testamentische dag en wij, die onder het Nieuwe Testament leven, moesten uitzien naar het aanbreken van de dag van de heerlijkheid: "Kom haastelijk, mijn Liefste, en wees Gij gelijk een ree, of gelijk een welp der herten op de bergen der specerijen."

Nu omdat er enkele jonge mensen aan de tafel des Heeren waren, die daar nooit eerder zijn geweest, zal ik met een paar woorden tot hen sluiten.

1. "Kinderkens, bewaart uzelf van de afgoden". Laat niets Gods plaats in uw hart overweldigen.

2. Bewaart uzelf en "wordt behouden van deze tegenwoordige boze wereld," opdat u niet verleid en met haar strikken verstrikt wordt.

3. Weest op uw hoede; want de duivel loert op u, en zoekt u te ziften en te wannen, en u weer tot zijn dienst terug te voeren.

4. "Doet aan de gehele wapenrusting Gods," en beproeft die dikwijls; het schild des geloofs, de helm der zaligheid, en het zwaard des Geestes zijn beproefde wapenen; laat ze niet ongebruikt liggen.

5. Houdt Christus, de Overste leidsman van de zaligheid altijd in het oog, opdat uw nooddruft uit Hem vervuld, en u versterkt en verlicht mag worden.

6. Weest veel op uw knieën aan de troon der genade, "opdat u barmhartigheid mag verkrijgen en genade vinden om geholpen te worden ter bekwamer tijd."

7. Eindelijk, tracht diep inzicht te krijgen in uw eigen ledigheid en in de volheid van Christus, en laat het ene u gedurig tot het andere uitdrijven.

 

De nederige ziel de bijzondere gunsteling van de hemel

Ps. 138:6 Want de HEERE is hoog, nochtans ziet Hij den nederige aan, en den verhevene kent Hij van verre.

Het is van geen belang, te onderzoeken wanneer, of bij welke gelegenheid, deze psalm geschreven is. In het begin van de psalm spreekt de Psalmist een vast besluit uit de Heere te loven, en de gehele psalm door voert hij verscheidene uitnemende gronden van lof en denk aan.

1. Hij besluit de Heere te loven voor de ervaring, die hij had van Zijn liefde en trouw, in Zijn genadig woord de belofte aan hem te vervullen: (vs. 2) "Ik zal Uw Naam loven, om Uw goedertierenheid, en om Uw waarheid; want Gij hebt vanwege Uw ganse Naam Uw woord groot gemaakt". God acht de woorden van Zijn mond hoger dan de werken van Zijn handen: De hemel en de aarde zullen voorbijgaan, doch geen tittel noch jota van hetgeen Hij gesproken heeft zal ooit op de aarde vallen. Sommigen verstaan dit van Christus, het wezenlijke Woord, in Wie Hij Zijn Naam gesteld heeft, en die Hij zo hoog verheven heeft, dat Hij Hem een Naam gegeven heeft welke boven allen naam is.

2. David besluit God te loven voor de bevinding, die hij had van de goedheid Gods, in naar Zijn gebeden te horen: (vs. 3) "Ten dage als ik riep, zo hebt Gij mij verhoord: Gij hebt mij versterkt met kracht in mijn ziel". God gaf hem spoedig antwoord; want hij werd verhoord op dezelfde dag, dat hij riep; en het was een geestelijk antwoord, want hij werd gesterkt met kracht in zijn ziel. Wilt u zielesterkte hebben voor het werk, dat u te doen staat? Roept de tot Hem, Die daartoe Israëls sterkte is: want Hij geeft de moede kracht, en Hij vermenigvuldigt de sterkte degene, die geen krachten heeft.

3. Hij besluit God te loven voor de roeping van de heidenen, die hij door de Geest van de profetie voorzag: (vs. 4,5) "Alle koningen van de aarde zullen u, o Heere, loven, wanneer zij gehoord zullen hebben de redenen Uws monds. En zij zullen zingen van de wegen des Heeren, want de heerlijkheid des Heeren is groot." De voorspoed en de uitbreiding van het koninkrijk van Christus vervullen de mond van de gelovigen met Halleluja’s van lof.

4. Hij besluit God te loven voor de onderscheiden wijzen waarop Hij met nederigen en trotsen handelt, dat Hij de ene genade bewijst, en de andere veracht en verwerpt: Want de Heere is hoog, nochtans ziet Hij de nederige aan, en de verhevene kent Hij van verre".

Bij het eerste deel van dit vers wens ik met u stil te staan. Wij zien daar:

1. Het merkteken van een begenadigd mens; hij is nederig, iemand die in zijn eigen ogen uitgeledigd en gering is. Hij ziet niets in zichzelf, om zich bij God of de mensen aan te bevelen; uit hoofde waarvan hij soms "arm van geest" wordt genoemd. Hij heeft iets in zich gekregen van de zin en de Geest van Christus, en is van Hem geleerd, Die zachtmoedig is en nederig van hart (Matth. 11:29).

2. Wij hebben hier de zeer voortreffelijke grootheid van God; Hij is de hoge God, de HEERE. Hij is "de Hoge en Verhevene, Die in de eeuwigheid woont; Die in de hoogte en in het heilige woont: Die een ontoegankelijk licht bewoont". Wie kan op een gepaste wijze Zijn hoogheid uitspreken? Het verblindt de ogen van zondige sterfelijke wormen, "de plaats des tabernakels Zijner eer te zien", of, "de plaats te aanschouwen waar Zijn eer woont". O hoe oneindig is de afstand tussen hem en ons! "Wie is de Heere gelijk onder de kinderen der sterken? Ziet de volkeren zijn geacht als een druppel van een emmer, en als een stofken van de weegschaal." Hij is niet alleen hoog boven de mensen, maar ook boven de engelen: Cherubs en Serafs zijn Zijn gedienstige geesten. Hij is hoog boven de hemelen; want "de hemelen, ja de hemel der hemelen kunnen Hem niet begrijpen." Hij vernedert Zich, om te zien de dingen, die in de hemel zijn (Eng. Overz. Ps. 113:6.) O vrienden, tracht hoge en bewonderende gedachten en bevattingen van de heerlijke majesteit van God te koesteren: want "majesteit en heerlijkheid zijn voor Zijn aangezicht; sterkte en sieraad in zijn heiligdom".

3. Hier is de wonderlijke genade van deze hoge God: hoewel de afstand tussen Hem en ons oneindig is, nochtans ziet Hij de nederige aan. De apostel Petrus drukt dit uit door: de nederige geeft Hij genade (I Petr. 5:5) De Heere is aan allen goed. Hij deelt de vruchten van Zijn algemene milddadigheid uit aan boze en goeden, aan rechtvaardigen en onrechtvaardigen; doch zijn bijzondere genade en goedgunstigheid bewaart Hij voor de zachtmoedige en nederige ziel. Wat verder tot verklaring moet worden gezegd, zal in het vervolg van de verhandeling voorkomen.

Merkt op: Dat de nederige en ootmoedige ziel de bijzondere gunsteling van de hoge God is. De Heere is hoog, nochtans ziet Hij de nederige aan.

Deze waarheid is zo klaarblijkelijk op de tekst gegrond, dat ik geen tijd zal verspillen met andere teksten uit de Schrift aan te halen om haar te bevestigen. Vele, die ik zou kunnen opnoemen, zullen in de verhandeling van de leer voorkomen; dat ik, door genade, in de volgende wijze van behandeling zal trachten te doen.

I. Ik zal eerst een weinig spreken over deze nederigheid of ootmoedigheid, en aantonen waarin die bestaat.

II. Bewijzen, dat de ootmoedige en nederige ziel de bijzondere gunstelinge van de hemel is.

III. Waarom de Heere de nederige aanziet.

IV. U enige kenmerken of merktekenen voorstellen van de nederige en ootmoedige ziel.

V Enige beweegredenen gebruiken om er bij u op aan te dringen, dat u er naar streeft.

VI. Enige besturingen en raadgevingen aan de hand doen, hoe het te bereiken is.

I. Ons eerste punt is, een weinig te spreken over deze nederigheid of ootmoedigheid, opdat u mag weten waarin die bestaat. Nederigheid een betrekkelijke genade zijnde, moeten wij die in drieërlei opzicht beschouwen. 1. Of, zoals zij betrekking heeft op onszelf. 2. Of, zoals zij betrekking heeft op anderen. 3. Of, zoals zij betrekking heeft op God.

Ten eerste. Men kan haar beschouwen met betrekking op onszelf. En dan sluit het in:

1. Dat men geringe en lage gedachten van zichzelf heeft. De nederige heeft lage gedachten van zichzelf, evenals David: "Ik ben een worm en geen man". Jacob zegt: "Ik ben geringer dan al deze weldadigheden, die Gij aan uw knecht gedaan hebt". Hij heeft geringe gedachten van Zijn afkomst; hij is niet gelijk de vorsten van Zoan, die hoog bij zichzelf opzagen, omdat zij zonen van de oude koningen waren. Sommige lieden menen, dat niemand hun gelijk is, omdat zij uit zo’n geslacht en zo’n familie zijn: zij zijn aan zulke edellieden en zulke grondbezitters verwant. Doch de nederige geeft niet veel om die dingen: "Wie ben ik," zeg: David, "en wat is mijn huis, dat Gij mij tot hiertoe gebracht hebt?" Hij beschouwde zichzelf als de verbasterde rank van een vreemde wijnstok; als een verrotte tak van het verdorven en gevallen geslacht van Adam; hij aanschouwt de rolsteen daar hij uit gehouwen, en de holligheid des bornputs daar hij uitgegraven is zeggende, als in Ps. 51: "Ziet, ik ben in ongerechtigheid geboren, en in zonde heeft mij mijn moeder ontvangen". Die mens heeft lage gedachten van zijn bekwaamheden tot enig werk of enige dienst waartoe hij in zijn geslacht geroepen wordt. O, zegt de nederige ziel; ik zie, dat ik niets kan, ik kan niets doen; ik kan uit mijzelf geen goede gedachte denken, Paulus zegt: "Niet dat wij van onszelf bekwaam zijn iets te denken, als uit onszelven". Ik kan niet lezen, horen, bidden, avondmaal houden, mediteren, of mijzelf onderzoeken: ik zie in elke plicht, die ik doe, zoveel zonde en onvolmaaktheid, dat een heilige God daardoor met recht getergd kan worden, die als drek in mijn aangezicht terug te werpen. Ik ben verzekerd, dat mijn goedheid niet tot Hem raakt. Ik zie, dat ik, wanneer ik aan mijzelf word overgelaten, niet een verdorvenheid kan ten onderbrengen, of de geringste verzoeking weerstaan: ik val er voor, en moet noodzakelijk als een dode vis door de stroom worden meegevoerd, tenzij de genade des Heeren mij genoeg is. Nog eens: die mens heeft lage gedachten over hetgeen hij bereikt heeft, hetzij zedelijk, of evangelisch. "Voorwaar". zegt Agur, ik ben onvernuftiger dan iemand: en ik heb geen mensenverstand. En ik heb geen wijsheid geleerd, noch de wetenschap van de heiligen gekend". En Paulus, de grote apostel, van de heidenen, achtte niet, dat hij het reeds verkregen had, of reeds volmaakt was; maar vergetende hetgeen, dat achter was, strekte hij zich tot hetgeen, dat voor was (Filip. 3:12,14).

2. Deze nederigheid of ootmoedigheid met betrekking tot onszelf gaat gepaard met een zelfverfoeiing, die nog een graad verder gaat dan het vorige. Die mens ziet zoveel zonde en schuld, zoveel ledigheid, armoede en snoodheid in zich, dat hij met de heilige Job uitroept: "Ziet, ik ben te gering, wat zou ik U antwoorden? Ik leg mijn hand op mijn mond. Ik verfoei mijzelf en heb berouw in stof en as." Daarmede stemt overeen: (Ezech. 36:31) "Dan zult gij gedenken aan uw boze wegen, en uw handelingen, die niet goed waren: en gij zult een walging van uzelf hebben over uw ongerechtigheden, en over uw gruwelen."

3. Zij gaat gepaard met eenvoudigheid van het hart in het doen van de plicht, zonder ijdele eer of Farizees vertoon. Het is een bewijs van een huichelachtige geest, als men bidt, of aalmoezen geeft, of enigerlei plicht doet, om van de mensen gezien te worden, om daardoor naam te maken of de goedkeuring van anderen te verwerven. Ik vrees, dat er velen zijn, die de prediking bijwonen en bij de sacramenten tegenwoordig zijn, met het doel daardoor hun goede naam onder de mensen op te houden. Waarlijk, dezulken hebben hun loon weg; doch het is een armzalig loon, wanneer zij dat verkregen hebben, want de dag nadert, dat dit vijgeblad waarmee zij zich dekken zal worden afgerukt, en dan zal uw naaktheid, ledigheid en geveinsdheid voor mensen en engelen openbaar worden. De nederige Christen zal geweten van de plicht maken, al is er niemand ter wereld, die hem ziet; ja, hoe meer hij in afzondering is, hoe liever het hem is; in dingen van deze aard geeft hij er niet om, dat zijn linkerhand niet weet wat zijn rechter doet.

Ten tweede. Deze nederigheid en ootmoedigheid, met betrekking tot anderen beschouwd, gaat met de volgende dingen gepaard.

1. Anderen hoger te achten dan zichzelf. Hiermee stemt het apostolisch bevel overeen: (Filip. 2:3) "Doet geen ding door twisting of ijdele eer, maar door ootmoedigheid achte de één den ander uitnemender dan zichzelf." Niet dat een kind van God moet denken, dat een onheilige verworpeling in een betere staat is dan hij; doch ieder waar kind van God zal zoveel in zichzelf zien, dat hij geneigd zal zijn te denken, dat de slechtste verworpeling even goed, of eerder beter is, dan hij van nature is. En hij zal zien, dat de minste heiligen iets hebben waarin zij hem overtreffen. Dit was de gesteldheid van de grote apostel, hij beschouwde zichzelf als de minste van de heiligen en de voornaamste van de zondaren.

2. De gaven en genaden van anderen te zien, zonder afgunstig te zijn. Hij zal niet zeggen: Deze of die man zet mij in de donker; neen, hij verheugt zich als hij ziet, dat de gaven en genaden van Gods Geest in anderen overvloedig zijn: "Och," zegt Mozes, "of al het volk des Heeren profeten waren." Hij zal dan ook van alle ijdele vergelijking van zichzelf bij anderen een afkeer hebben, hij zal niet zeggen: "Houd u tot uzelven, want ik ben heiliger dan gij;" of, met de trotse Farizeeër, "O God, ik dank u dat ik niet ben gelijk de andere mensen, of ook gelijk deze tollenaar." Neen, wanneer hij op andere mensen ziet, zinkt hij eerder in zijn schatting in het niet weg, evenals Agur, zeggende: (Spr. 30:2) "Voorwaar ik ben onvernuftiger dan iemand, en ik heb geen mensenverstand."

3. Zij gedraagt zich minzaam en vriendelijk jegens allen: (1 Petr. 3:8) "Zijt allen eensgezind, medelijdend, de broeders liefhebbende, met innerlijke barmhartigheid bewogen, vriendelijk." De godsdienst maakt een mens niet gemelijk en nors; integendeel, ons wordt uitdrukkelijk bevolen "bescheiden te zijn, en alle zachtmoedigheid te bewijzen jegens alle mensen."

Ten derde. Deze nederigheid of ootmoedigheid kan beschouwd worden met betrekking tot God. En als zodanig sluit het de volgende dingen in.

1. Hoge en bewonderende gedachten van de Majesteit Gods. Wanneer God zich ontdekt, zinkt de mens in zijn eigen schatting in het niet weg. O, zal de nederige ziel met Mozes zeggen: (Exod. 15:11) "O Heere, wie is U gelijk onder de goden? Wie is als Gij, verheerlijkt in heiligheid, vreselijk in lofzangen, doende wonder?"

2. Dat men altijd met een heilige vrees en verschrikking voor God bezet is, voornamelijk wanneer men onmiddellijk voor het aangezicht van God nadert in de plichten van de godsdienst. Hij zegt: De engelen bedekken met hun vleugelen hun aangezichten voor hem, roepende: "Heilig, heilig, heilig is de Heere der heirscharen;" hoe zal dan ik, die een man van onreine lippen ben, Zijn heiligen Naam in mijn mond nemen? Dit doet hem, evenals de tollenaar, op zijn borst slaan, en van verre staande zeggen; "O God, wees mij zondaar genadig." Dat is de taal van de nederige: (Ps. 15:1) "Heere, wie zal verkeren in Uw tent? Wie zal wonen op de berg Uwer heiligheid?" (Ps. 24:3) "Wie zal klimmen op de berg des Heeren? En wie zal staan in de plaats Zijner heiligheid?

3. Het sluit in, dat men elke uitdrukking van de goddelijke milddadigheid en goedheid aan de mensen in het algemeen, en aan zichzelf in het bijzonder, bewondert. O zegt de nederige ziel: "Wat is de mens, dat Gij zijner gedenkt? En de Zoon des mensen, dat Gij hem bezoekt? Wie ben ik, Heere Heere, dat Gij mij tot hiertoe gebracht hebt? Is dit naar de wet der mensen, Heere, Heere? (Engelse overzetting) En wat zal David nog meer tot u spreken?" En wat kan er meer worden gezegd! "Want, de lofzang is in stilheid tot u, o God, in Sion." Een stil bewonderen van de genade en de neerbuiging van de grote Heere, is de hoogste trap van lof, waartoe wij in dit leven kunnen geraken, zolang onze harpen door de zonde zo ontstemd zijn.

4. Het sluit in, dat God de eer wordt gegeven van alles wat wij in Zijn dienst mogen doen. Wanneer die mens zijn plicht enigermate met aangenaamheid mag volbrengen, zal hij niet aan zijn garen offeren, noch aan zijn net roken; hij zal niet, evenals de trotse Jehu, zeggen: "Gaat met mij en ziet mijn ijver aan voor de Heere." Neen, zo handelt de nederige niet; hij weet, dat hij alles van de Heere heeft, en daarom zal hij Hem alle eer geven, zeggende: "Niet ons, o Heere, niet ons, maar Uw Naam geef eer." Paulus zegt: "Ik heb overvloediger gearbeid dan al de andere apostelen; doch niet ik, maar de genade van God, die met mij is. Door de genade van God ben ik, dat ik ben."

5. Het sluit in, dat er een stille onderwerping aan de wil van God en een berusting in de beschikkingen van Zijn voorzienigheid is, al zijn Zijn bedelingen nog zo in strijd met de neigingen van vlees en bloed. "Ziet hier ben ik," zal de arme ziel met David zeggen, "Hij doe mij, zoals het in Zijn ogen goed is." Die mens ziet ontzaglijke soevereiniteit in de bedeling, en dat doet hem zeggen: "Zal ook het maaksel tot Degene, Die het gemaakt heeft, zeggen: Waarom hebt Gij mij alzo gemaakt?" Hij ziet, dat zijn oven geen tienduizendste deel van de hitte heeft, die zijn zonden verdienen. en daarom zwijgt zijn ziel stil, zeggende met de Kerk: "Wat klaagt dan een levend mens? Een ieder klage vanwege zijn zonden. Gij hebt ons minder gestraft dan onze zonden verdienen." Hij ziet, dat de beker, die hem in zijn hand is gegeven, lang niet zo bitter is als die beker, die Christus moest drinken; en dit doet hem zeggen: Indien zij dit doen aan het groene hout, wat zal dan aan zo’n dor hout als ik ben geschieden? Daarom zal ik verstomd zijn door stilzwijgen, ik zal mijnen mond niet opendoen, omdat de Heere het doet.

6. Hoewel al deze dingen, die ik genoemd heb, bestanddelen van de ware nederigheid zijn, en daarmee gepaard gaan; toch geloof ik, dat de ziel en het wezen van evangelische nederigheid daarin ligt, dat de ziel van zichzelf afziet, uit zichzelf gaat, en tot de Heere Jezus Christus, als haar eeuwig Al, als het Al van haar licht, leven, sterkte, gerechtigheid en zaligheid, ingaat en Hem aanneemt. Naar mijn gedachte zal niemand de grens van zedelijke nederigheid overschrijden, zolang niet de eigengerechtigheid onttroond is; zolang niet de hoogten en de overleggingen van de mens zijn eigen gerechtigheid door de wet, terneer geworpen zijn door de krachtige wapenen van het Evangelie, en hij onderworpen is geworden aan de rechtvaardigheid Gods tot rechtvaardigmaking, die in het Evangelie geopenbaard is, uit geloof tot geloof.

In één woord, de nederige en ootmoedige gelovige is daarmede tevreden, dat hij niets is, opdat Christus hem alles in alle mag zijn; hij is tevreden een dwaas te zijn, opdat Christus zijn enige wijsheid mag zijn; tevreden, dat hij is wat hij wezenlijk in zichzelf is, een schuldig veroordeeld misdadiger, opdat Christus zijn enige gerechtigheid mag zijn; tevreden van zijn vuile vodden ontdaan te worden, opdat hij met een geleend kleed gekleed mag worden. O, zegt de nederige ziel (Jes. 45:24, 25) "Gewis in de Heere alleen heb ik gerechtigheid en sterkte; in Hem zal ik gerechtvaardigd worden, en in Hem alleen zal ik mij beroemen." Ja gewis," zegt Panlus, "ik acht alle dingen schade te zijn, om de uitnemendheid van de kennis van Christus Jezus mijn Heere; om Wiens wil ik al die dingen schade gerekend heb, en acht die drek te zijn, opdat ik Christus moge gewinnen, en in Hem gevonden worde, niet hebbende mijn rechtvaardigheid, die uit de wet is, maar die door het geloof van Christus is, namelijk de rechtvaardigheid, die uit God is, door het geloof" (Filip. 3:8,9). Tot dusverre over het eerste punt, namelijk, de natuur van deze nederigheid.

II. Het tweede punt was, te bewijzen, dat de nederige en ootmoedige ziel de bijzondere gunsteling van de hemel is. Dit zal overvloedig blijken als wij overwegen.

1. Dat de Zoon van God, toen Hij hier in onze natuur was, bijzonder acht op zulken sloeg. Een duidelijk voorbeeld hiervan hebt u in de hoofdman over honderd (Matth. 8). De hoofdman over honderd wendde zich tot Christus in het belang van zijn knecht, die thuis geraakt lag en zware pijnen leed. Christus belooft in het 7e vers, dat Hij zal komen, en hem genezen. Ziet nu de nederigheid van geest van deze man; hij zegt: (vs. 8) "Heere ik ben niet waardig, dat Gij onder mijn dak zoudt inkomen" Verder ziet u welke grote lof Christus deze man geeft: (vr. 10) "Ik heb zelfs in Israël zo groot geloof niet gevonden". Hij geeft hem alles, wat door hem gevraagd is: (vs. 13) "Ga heen, en u geschiede gelijk gij geloofd hebt". Wij zien hetzelfde bij de Kananese vrouw (Matth. 15). Haar ootmoedigheid en nederigheid van geest deed haar alle afwijzingen doorstaan. Wanneer Christus haar een hond noemt, stemt zij dat toe, zeggende:(vs. 27) "Ja Heere," dat is waar, ik ben een hond: "doch de hondekens eten ook van de brokskens, die daar vallen van de tafel hunner heren;" ik zal tevreden zijn, als ik maar een kruimeltje, een hondenportie krijg. En wat volgt daarop? "O vrouw, groot is uw geloof". Daarom zeg ik, dat Christus in de dagen Zijns vleses het nauwste acht sloeg op de nederigen, en Hij is nu in de staat van verhoging Dezelfde, Die Hij was in de staat van Zijn vernedering.

2. Wanneer God de genade van nederigheid schenkt, is het een teken, dat Hij voornemens is die ziel meer genade te geven: (1 Petr. 5:5) "Maar de nederige geeft Hij genade’. U weet dat de mensen gewoon zijn hun beste wijnen in hun diepste kelders te leggen. Evenzo legt God de beste schatten van Zijn genade in het hart van de nederige en ootmoedige. Zo komt het, dat de nederige Christen gewoonlijk de meest bloeiende en groeiende Christen is. De diepe dalen bloeien van vettigheid, wanneer de hoge bergen kaal zijn: zo ook wordt de nederige Christen vet gemaakt door de invloeden van de hemel, wanneer hoge verheven belijders als de bergen van Gilboa zijn, verwelkt en dor, omdat de dauw en regen van de genaden en invloeden van de Geest hun worden onthouden.

3. Eer, verhoging en bevordering zijn voor de nederige weggelegd: "De nederigheid gaat voor de eer". (Ps. 113:7,8) "Die de geringe uit het stof opricht, en de nooddruftige uit de drek verhoogt; om te doen zitten bij de prinsen, bij de prinsen van Zijn volk." Zij zullen als het ware Zijn staatsdienaars zijn, zij zullen rondom Zijn troon zijn, en een plaats hebben onder degenen, die daar staan.

4. Gods ogen zijn open over de nederige. Wel ziet het oog van Zijn alwetendheid al de kinderen der mensen , maar Zijn aangezicht aanschouwt de nederige en oprechte: (Jes. 66:1,2) "Alzo zegt de Heere: de hemel is Mijn troon, en de aarde is de voetbank Mijner voeten; waar zou dat huis zijn, dat gijlieden Mij zoudt bouwen? En waar is de plaats Mijner rust? Want Mijn hand heeft al deze dingen gemaakt, en al deze dingen zijn geweest, zegt de Heere: maar op deze zal Ik zien, op de arme en verslagene van geest, en die voor Mijn Woord beeft". De nederige ziel is het voorwerp van Zijn bijzondere liefde en zorg: "Want de Heere aangaande, Zijn ogen doorlopen de ganse aarde, om Zich sterk te bewijzen aan degenen welker hart volkomen is tot Hem".

5. God wendt niet alleen Zijn oor, maar ook Zijn oog, tot de nederige: (Ps. 10:17) "Heere, gij hebt de wens van de zachtmoedigen, of van de nederigen gehoord. Gij zult hun hart sterken, Uw oor zal opmerken". Wilt u voorbereiding hebben voor een avondmaalstafel? Wilt u aan Gods voeten gebracht worden, en daar gehoor vinden? Komt dan met ootmoedigheid en nederigheid van ziel.

6. De grote Heere, de oneindige God woont in en bij de nederige: (Jes. 57:15) "Want alzo zegt de Hoge en Verhevene, Die in de eeuwigheid woont, en Wiens Naam Heilig is; Ik woon in de hoogte, en in het heilige; en bij die, die van een verbrijzelde en nederige geestes is, opdat Ik levend make de geest der nederigen, en opdat ik levend make het hart der verbrijzelden". God heeft tweeërlei plaats daar Hij woont; de ene is in de hemel, en de andere is in het hart van de nederige Christen. Hij zegt van de nederige Christen wat Hij van Sion zegt: "Dit is Mijn rust tot in eeuwigheid, hier zal Ik wonen, want Ik heb ze begeerd". En waartoe wil Hij in het hart van de nederige wonen? Om die te verlevendigen en te vertroosten. De nieuwe wijn van de vertroostingen Gods, die niet klein zijn, zal worden uitgestort in het hart van de nederige. "Hij zal de treurigen Sions beschikken, dat hun gegeven worde sieraad voor as, vreugdeolie voor treurigheid, en het gewaad des lofs voor een benauwde geest".

7. Gelijk God bij de nederige woont, zo zal ook de nederige eeuwig in de heerlijkheid bij God wonen: (Matth. 5:3) "Zalig zijn de armen van geest," of de nederigen van geest, "want hunner is het koninkrijk der hemelen." Zij zullen niet alleen hier aan Zijn bijtafel zitten, maar hun zal gegeven worden aan te zitten aan de tafel van de heerlijkheid, en zij zullen met Abraham, Izak, en Jacob, ja met de Koning Zelf eten en drinken. Het zijn de nederige die daarboven rondom de troon staan, zoals u in Openb. 4 kunt zien; "zij hebben gouden kronen op hun hoofden, en werpen hun kronen voor de troon, zeggende: Gij Heere zijt waardig te ontvangen de heerlijkheid, en de eer, en de kracht". Zo ziet u, dat de nederige ziel de bijzondere gunsteling van de hoge God is.

III. Ons derde punt was te onderzoeken waarom God de nederige aanziet.

1. God ziet de nederige aan, niet zodanig alsof deze gestalte enigerlei goeds zou verdienen, maar omdat dit een gesteldheid is, die het meest dienstig is tot Gods grote doel, Zijn vrije genade te verheffen en te verheerlijken. Wat dunkt u, vrienden, was het grote oogmerk Gods in de verkiezing, in de verlossing, in de ganse bedeling van het Evangelie en in al de ordinanties ervan? Zijn voornaamste doel in die alle was een heerlijke hoge troon op te richten, van welke Hij de rijkdommen van Zijn vrije en soevereine genade kon tentoon spreiden; deze toch wil Hij, dat boven al zijn andere Namen verhoogd zal worden. Nu, deze nederigheid van geest is het meest geschikt voor Gods voornemen om de vrijheid van Zijn genade te verhogen. Niet de wettische, of de trotse Farizeeër, maar de arme nederige tollenaar, die op zijn borst slaat, en uitroept: "o God wees mij zondaar genadig", onderwerpt zich aan de openbaring van de genade. Ik geloof niet, dat iemand ooit waarlijk vernederd is, zolang hij niet is afgebracht van zijn wettische grond, waarop hij van nature staat, zodat hij als een worm aan de voeten van vrije genade komt te liggen, hartelijk ingewonnen zijnde, om het leven, gerechtigheid, vergeving en zaligheid alleen aan vrije genade verschuldigd te zijn.

2. God ziet de nederige aan, omdat het een vrucht is van Zijn Geest, Die in de ziel woont, en een blijk van de vereniging van de ziel met de Heere Jezus, in Wie wij alleen begenadigd zijn.

3. Dit is een gesteldheid, die de ziel Christus gelijk maakt, en hoe meer iemand Christus gelijk is, hoe meer God hem liefheeft. Van Christus staat geschreven, dat Hij zachtmoedig en nederig was, dat Hij niet schreeuwde, noch Zijn stem verhief, noch Zijn stem op de straten deed horen. Hoewel Hij het afschijnsel van Zijns Vaders heerlijkheid was, was Hij tevreden in de gestalte van een dienstknecht te verschijnen; hoewel Hij rijk was, toch wilde Hij arm worden, opdat Hij ons door Zijn armoede rijk zou maken. Aangezien nu de nederige het beeld van Christus vertoont, die het uitgedrukte beeld Zijns Vaders vertoont, kan het niet anders of God moet hem aanzien.

IV. Ons vierde punt was, dat ik u enkele kenmerken zal voorstellen, waaraan u kunt beproeven, of u tot de nederigen behoort, die door God worden aangezien. U hebt bijzonder nodig dit te onderzoeken, wanneer u plechtig tot God zult naderen aan zijn tafel. "De mens beproeve zichzelf, en ete alzo van het brood, en drinke van de drinkbeker". Als u deze nederige gesteldheid mist, kunt u geen welkome gasten zijn aan het avondmaal van de grote Koning.

Tot uw beproeving zal ik de volgende dingen aan de hand doen:

1. Een nederig mens is iemand, die dikwijls, onder een gevoel van zijn snoodheid en onwaardigheid, beschaamd is naar de hemel op te zien, zoals wij in de arme tollenaar zien, en in David; (Ps. 40:13) "Want kwaden, tot zonder getal toe, hebben mij omgeven, mijn ongerechtigheden hebben mij aangegrepen, dat ik niet heb kunnen zien; zij zijn menigvuldiger dan de haren mijns hoofds, en mijn hart heeft mij verlaten". Wel heeft hij, wanneer hij door het geloof op zijn Borg, Zijn bemiddeling en voorbidding ziet, vrijmoedigheid om in te gaan in het heiligdom, en kan hij met vrijmoedigheid toegaan tot de troon der genade; ik zeg, als hij tot Christus opziet, is hij niet beschaamd. Doch wanneer hij op zichzelf ziet, zoals hij in zichzelf is, dan is hij beschaamd en schaamrood voor de Heere, en zal hij met de Profeet uitroepen: (Jes 6:5) "Wee mij, want ik verga, omdat ik een man van onreine lippen ben"; hoe zal ik tot de Koning, de Heere der heirscharen, spreken? Of hoe zal ik voor Zijn aangezicht verschijnen?

2. Hij is iemand, die zich menigmaal verwondert, dat God hem niet vernield heeft. Hij verwondert er zich over, dat God hem nog niet in de hel heeft geworpen, of, dat Hij zijn hand niet losgelaten en een einde met hem gemaakt heeft. Daarom erkent hij dikwijls met aanbidding de goedertierenheid en verdraagzaamheid Gods, met de Kerk zeggende: (Klaagl. 3:22) "Het zijn de goedertierenheden des Heeren, dat wij niet vernield zijn, dat Zijn barmhartigheden geen einde hebben".

3. Hij is iemand, die zeer vernederd is over het ontvangen van de grootste goedertierenheden en de lieflijkste openbaringen. Wij zien dat in het voorbeeld van David, toen God beloofde hem een huis te zullen maken, en dat de Messias uit zijn lendenen zou voortkomen, werd hij niet opgeblazen, maar integendeel, met verwondering vervuld, dat God Zich zo laag tot zo iemand als hij was wilde neerbuigen; hij zeide: "Wie ben ik, Heere, Heere, en wat is mijn huis, dat Gij mij tot hiertoe gebracht hebt?" Hoe nader de nederige bij God wordt toegelaten; hoe hoger hij opgevoerd wordt op de berg van genietingen, hoe lager hij wegzinkt in zijn eigen schatting. Toen Abraham vergund werd met God te pleiten in het belang van Sodom, wat zonk hij toen in zijn eigen ogen tot niets weg: (Gen. 18:27) "Ziet nu, ik heb mij onderwonden te spreken tot de Heere, hoewel ik stof en as ben".

4. Hij, die nederig is, ziet af van de wet als een verbond, en laat alle aanspraken op gerechtigheid van die zijde varen: "Ik ben door de wet der wet gestorven, opdat ik Gode leven zou." O zegt die mens, wanneer hij de wet Gods in haar geestelijkheid en uitgebreidheid beschouwt: wat kan ik van die kant anders verwachten dan toorn en verwoesting? Ja, ik ben reeds door de wet veroordeeld, en als God de ongerechtigheid volgens de inhoud van de wet gadeslaat, ben ik eeuwig verloren: (Ps. 130:3) "Zo Gij, Heere, de ongerechtigheden gadeslaat; Heere, wie zal bestaan?" Daarom, beproeft uzelf hierbij: Heeft een ontdekking van de wet Gods, in haar geestelijkheid, u doen kennen en erkennen, dat al uw gerechtigheid maar als een wegwerpelijk kleed, als schade en drek is?

5. Hij is iemand, die hoge, verheven en bewonderende gedachten heeft van Christus, en van Zijn voor de wet bestaanbare gerechtigheid. Wat de persoon van Christus aangaat, o de nederige ziel bewondert die: hoe lager hij in zijn eigen schatting wegzinkt, hoe hoger Christus in zijn schatting rijst. In Ps. 72 was David zo gering in zijn ogen, dat hij uitriep: "Ik ben onvernuftig en weet niets, ik ben een groot beest bij U." En wat waren nu zijn gedachten van Christus, terwijl hij zichzelf zo beschouwde? Ziet dit in vs. 25 en 26: "Wien heb ik nevens U in de hemel? Nevens U lust mij ook niets op de aarde. Bezwijkt mijn vlees en mijn hart, zo is God de Rotssteen mijns harten, en mijn Deel in eeuwigheid." En wat de gerechtigheid van Christus betreft, o hoe bewondert en omkleedt hij die! O, zegt hij, ik heb geen werken, geen gerechtigheid van mijzelf, om mij bij God aan te bevelen, of waarmee ik voor Hem kan bestaan; maar Hij is "de Heere mijn Gerechtigheid; ik zal heengaan in de mogendheden des Heeren; ik zal Uw gerechtigheid vermelden, de Uwe alleen."

Ik zou u nog vele andere kenmerken van deze nederigheid kunnen geven. Ik zal er nog slechts twee of drie noemen.

1. Een nederig mens beschouwt de zonde als zijn grootste last, hij zegt met David: "Mijn ongerechtigheden gaan over mijn hoofd, als een zware last zijn zij mij te zwaar geworden." En voornamelijk de inwendige verdorvenheid; o hoe klaagt en zucht hij daaronder, met Paulus zeggende: "Ik ellendig mens! Wie zal mij verlossen van het lichaam dezes doods?"

2. Hij is iemand, die zichzelf het laagst schat, als anderen hem het hoogst schatten. O zegt hij, anderen zien mij maar van buiten; doch als zij die zwermen gruwelen eens zagen, die ik in mijn hart zie en gewaar wordt, zou ik hun tot een schrik zijn. Wanneer de grote menigte "Hosanna de Zone Davids" roept, rijdt Hij zachtmoedig en nederig op een ezel, en op een veulen, een jong der ezelinnen."

3. Hij is iemand, die niet gelijk sommigen opgeblazen is, wanneer anderen gevallen zijn, maar de val van anderen werkt eerder mee, hem meer te vernederen en van zichzelf uit te ledigen. Hij ziet uit de uitbrekingen van anderen, wat in zijn hart is, en hoezeer hij God verschuldigd is voor weerhoudende genade; want, zo zal de nederige ziel zeggen, als mij de vrije teugel gelaten was, zou ik spoedig met hen tot dezelfde uitgieting van overdadigheid gekomen zijn.

4. De nederige is dankbaar voor een weinigje; hij wil de dag van de kleine dingen niet verachten, hij is, evenals de Kananese vrouw tevreden met de kruimeltjes, die van de tafel van de kinderen vallen. De nederige ziel is blij, als zij maar een woordje van de Heere krijgt. O, zegt David: "God heeft gesproken in zijn heiligdom, dies zal ik van vreugde opspringen," Een enkel woord uit de mond des Heeren acht hij hoog, hij wacht daarop, evenals de knechten van Benhadad, die ieder woord opvingen, dat uit de mond van de koning Israëls kwam.

5. Hij, die nederig is, is begerig de wil van God te kennen, om die te doen. Niet zodra is Paulus vernederd, of hij roept uit: "Heere, wat wilt Gij dat ik doen zal?" Geef genade om te gehoorzamen en gebied dan wat U wilt.

V. Ons vijfde punt was, dat ik enige beweegredenen zal gebruiken, om deze ootmoedigheid en nederigheid van geest aan te dringen en aan te bevelen.

Mijn eerste beweegreden zal ik ontlenen aan de uitnemendheid van de genade van de nederigheid. Haar voortreffelijkheid blijkt voornamelijk uit twee dingen.

1. Zij maakt de ziel aan Christus gelijkvormig. De mensen zijn geneigd het voorbeeld van de groten van de aarde na te volgen; doch hier is het doorluchtigste Patroon, dat er ooit was, namelijk, de vleesgeworden Godheid, Die zegt: "Leert van mij, dat Ik zachtmoedig ben en nederig van hart."

2. Het is het onderscheidend merkteken van een Christen. Gods kinderen worden gewoonlijk de nederigen en zachtmoedigen van de aarde genaamd. Een trots Christen is een tegenstrijdigheid, want hoogmoed staat recht tegenover ware godsdienst. O wat een onderscheid stelde zij tussen de Farizeeër en de tollenaar! De trotse Farizeeër beroemt zich als het ware bij God op zijn goede werken: "O God, ik dank u, dat ik niet ben gelijk de andere mensen, of ook gelijk deze tollenaar. Ik vast tweemaal per week, ik geef tienden van alles wat ik bezit." Doch de arme tollenaar stond van ver, alsof de Majesteit van de hemel gereed stond hem dood te slaan; en toch ging de tollenaar af gerechtvaardigd naar zijn huis, terwijl de andere verworpen werd.

Tweede beweegreden. Overweegt hoe redelijk deze ootmoedigheid en nederigheid is. Aan welke kant wij onszelf beschouwen, wij zullen bevinden, dat zij ten hoogste redelijk is. Zij is ten hoogste redelijk, hetzij wij op onszelf in het bijzonder zien, of op de boosheden van het land op deze dag.

1. Ik zeg, beziet uzelf, en u zult grond tot vernedering vinden.

1e U bent toch een schepsel, dat uit de aarde is voortgekomen, welks grondslag in het stof is, en u kunt op geen hogere afkomst aanspraak maken, dan de grond waarop u staat. Vandaar de vermaning van de profeet Jeremia: (Eng. Overz. Jer. 22:29) "O aarde, aarde, aarde! Hoor des Heeren Woord." Aarde in uw oorsprong, aarde ten opzichte van het natuurlijk onderhoud, en tot aarde zult u tenslotte terugkeren.

2e U bent niet alleen een schepsel, maar een broos schepsel, welks adem in uw neusgaten is. U staat voortdurend op de rand van een eindeloze eeuwigheid. En gelijk er maar een paar jaren over ons hoofd zijn gegaan sedert wij uit het stof zijn voortgekomen, zo zal de dood ons eerlang van het toneel afvoeren, en dan zal al onze schoonheid en kracht, onze gestalte en andere lichamelijke voortreffelijkheid met verrotting overdekt worden. Zowel de hemel als de aarde roepen, dat alle vlees gras is (Jes. 40:6,7,8). Als Salomo het leven van de mens beschrijft, somt hij alles op in twee korte woorden: "Daar is een tijd om geboren te worden, en een tijd om te sterven." Hij springt over de afstand heen, die tussen iemands geboorte en zijn begrafenis ligt, als over iets, dat niet waardig is er acht op te slaan: Hij wordt geboren en dan sterft hij. Het ogenblik tijd tussen de baarmoeder en het graf is zo kort, wil hij zeggen, dat het niet noemenswaard is.

3e Gij bent niet alleen een broos, maar een zondig schepsel, geheel, van de voetzool af tot het hoofd toe, overdekt met die walgelijke melaatsheid. O vrienden, wat hebben wij reden nederig te zijn, die het beeld Gods hebben geschonden, die al de goddelijke eigenschappen bezoedeld, Zijn wet en gezag onder onze voeten vertreden hebben. De zondaar heeft een beker dodelijk vergif gedronken, welke hem onfeilbaar zal verdelgen, als oneindige ontferming en vrije genade het niet verhoedt. Welke grond heeft hij dan om trots te zijn? O zegt de verloren zoon: "ik heb gezondigd tegen de hemel, en ben daarom niet meer waardig uw zoon genaamd te worden", of de plaats van een huurling in het huisgezin in te nemen.

4e U bent niet alleen een zondig schepsel, maar een onmachtig schepsel, dat niets kan doen tot uw hulp en bijstand. Als God geen hulp besteld had bij een Held, zouden wij allen verpletterd zijn onder de vurige bergen van eeuwige toorn en wraak. Zulk een machteloos schepsel is de zondige mens, dat hij geen haar van zijn hoofd wit of zwart maken, of een el tot zijn lengte kan toedoen. Hij is zo hulpeloos, wat zijn geestelijke en eeuwige belangen aangaat, dat hij de boze hebbelijkheden zijns harten, of de goddeloze wegen van zijn leven, evenmin kan veranderen als de Moorman zijn huid, of de luipaard zijn vlekken.

5e U bent een ongedurig, veranderlijk en onbestendig schepsel, aan veel verandering onderhevig, zowel wat uw uitwendig lot als uw inwendige gestalte betreft. Hij, die heden hoog geacht wordt, kan morgen door de venijnige lastertong zijn goede naam kwijt zijn. In één woord, uw gezondheid kan spoedig in ziekte, uw rijkdom in armoede, uw sterkte in zwakheid, uw schoonheid in lelijke misvormdheid veranderen. En wat u aangaat, gelovige, al is uw staat vast als de bergen, toch is uw stand zeer veranderlijk. Misschien zult u de ene dag met David kunnen zeggen: "Gij hebt door Uw goedgunstigheid mijn berg vastgezet," en de volgenden dag uitroepen: "Ik ben verschrikt door de verberging van uw aangezicht." Hoewel de Heere misschien heden Zijn lamp over uw tent doet schijnen, nochtans kun u binnenkort zwart daarheen gaan, niet van de zon.

2. Deze nederige gestalte is ten hoogste redelijk, als wij de wereld rondzien, en voornamelijk in ons land. O, wat hebben wij heden grote reden ons diep voor de Heere te vernederen, wanneer wij de overvloeiende goddeloosheid van onze tijd beschouwen. Alle standen hebben hun wegen bedorven; een vloed van godloochening en goddeloosheid, als de Jordaan, heeft al zijn oevers overstroomd. Hebben wij geen reden ons te vernederen wegens de algemene onvruchtbaarheid, die onder ons wordt gevonden, onder de drup van het heerlijk Evangelie? Mag niet de Heere tot ons zeggen, wat Hij van Zijn wijngaard zeide: (Jes. 5) "Ik heb u in een vruchtbaren grond geplant; Ik heb alle denkbare moeite aan u besteed door ordinanties, door de roede, door goedertierenheden en kruisen; wanneer Ik nochtans, na dat alles, verwachtte, dat hij goede druiven zou voortbrengen, heeft hij slechts stinkende druiven voortgebracht." Nog eens: Hebben wij geen reden vernederd te zijn wegens de beklagenswaardige verdeeldheden, die onder ons gevonden worden? "Efraïm tegen Manasse, Manasse tegen Efraïm, en die beiden tegen Israël." Wegens de verdeeldheden van Ruben zijn er grote gedachten van het hart (Engelse overzetting Richt. 5:15). Kerk en Staat zijn verdeeld. En onder andere verdeeldheden, die er onlangs geweest zijn, schijnen ons nieuwe verdeeldheden te wachten te zijn over de leer.

Een handvol leraars hebben onlangs een verzoekschrift bij onze Nationale Synode ingediend, ten gunste van enkele zuivere en dierbare waarheden van het Evangelie, die naar hun mening door een Synodale acte geschonden zijn. Dit heeft een machtig geroep tegen hen verwekt, zowel op de kansels als onder het publiek, alsof zij de beroerders Israëls, Nieuwlichters, Antinomianen en wat niet al, waren. Hun worden vele wonderlijke dwalingen toegedicht, die nooit in hun gedachten zijn opgekomen. Het zij verre van mij, dat ik hen, die hun best doen om hun goede naam te kwetsen wil beschuldigen, om daardoor de voorspoed van hun bediening te verijdelen, want ik beschouw velen van hun als voorname en goede mensen. Doch als zij verwaardigd worden met nederigheid en ootmoedigheid smaadheid te lijden voor de Naam van Christus, en voor Zijn waarheid, zal de Heere op Zijn Eigen tijd een weg beramen, om hen uit te brengen aan het licht, zodat zij Zijn gerechtigheid zullen aanschouwen. En al moesten zij, onder de last van de laster die op hen geworpen wordt, hun goede naam in de wereld voor altijd verliezen, dan hoop ik, dat zij het maar als een gering offer voor de minste waarheid Gods zullen beschouwen, die van meer waarde is dan de hemel en de aarde. Niettemin is dit onder andere in onze tijd een grond en reden om ons te vernederen, dat enkele van de dierbare waarheden Gods onder een wolk zijn, en dat wij in onze gevoelens daaromtrent verdeeld zijn. Hebben wij geen reden diep vernederd te zijn wegens ons jammerlijk verval en onze afwijkingen, die de grond van onze verdeeldheden zijn? Wij zijn van de Heere geweken, en de Heere is grotelijks van ons geweken. Wat een jammerlijke verzengende wind heeft op Gods wijngaard in dit land geblazen! Wij hebben onze eerste liefde, onze vorige ijver voor God en Zijn dierbare waarheden verlaten, en de koninklijke rechten van de Kroon van onze Verlosser prijsgegeven. En is er niet een beklagenswaardig verval in het leven en de kracht van de godzaligheid, die bij het merendeel een ledige vorm is geworden. Om het hierbij te laten. het is bij de adel, bij de geleerden, de leraars, en het volk, niet meer wat het in vorige dagen was; en wat nog het ergste is, hoewel het zo is, hoewel de grauwheid op ons verspreid is, wij merken het niet; wij maken onze aangezichten harder dan een rots, en weigeren tot de Heere weder te keren. Doch ik moet voortmaken.

Derde beweegreden. Beschouwt de edele voorbeelden van nederigheid, die ons ter navolging zijn voorgesteld. De strijdende heiligen zijn er voorbeelden van. Abraham, de vader van de gelovigen, spreekt God met zoveel nederigheid aan: (Gen. 18:27) "Ziet toch, ik heb mij onderwonden te spreken tot de Heere, hoewel ik stof en as ben." Zijn kleinzoon Jacob volgt hierin zijn voetstappen; hij zegt: "Ik ben geringer dan al deze weldadigheden." In één woord, Job, David, Jesaja, Paulus, en de ganse wolk van getuigen hebben ons een voorbeeld van nederigheid nagelaten. Ook de triumferende heiligen doen ons deze genade zien: zij werpen hun kronen voor de voeten des Middelaars, en schrijven Hem al de eer van alles toe, zeggende: "Hem, Die ons heeft liefgehad, en ons van onze zonden gewassen heeft in Zijn bloed, en Die ons gemaakt heeft tot koningen en priesters Gode en Zijn Vader; Hem zij de heerlijkheid en de kracht in alle eeuwigheid. Amen." Ook de engelen zijn daarvan voorbeelden; zij achten het niet te gering voor hen, tot dienst uitgezonden te worden omwille van degenen, die de zaligheid beërven zullen. Met wat een nederigheid bedekken zij hun aangezichten met hun vleugelen voor het aangezicht van God. Christus Zelf is een gezegend voorbeeld van deze genade: "Leert van Mij, dat Ik zachtmoedig ben en nederig van hart; Hij heeft ons een exempel nagelaten, opdat wij Zijn voetstappen zouden navolgen. Hij heeft Zichzelf vernederd, gehoorzaam geworden zijnde tot de dood, ja de dood des kruises." Hoewel Hij de hoge God was, heeft Hij "de gestaltenis eens dienstknechts aangenomen." "Laat daarom dat gevoelen in u zijn, hetwelk ook in Christus Jezus was" (Filip. 2:5). In één woord, de oneindige Heere, de eeuwige God, geeft ons een voorbeeld van nederigheid; want "Hij vernedert Zichzelf om de dingen te aanschouwen, die in de hemel en op de aarde zijn;" en zoals u in mijn tekst ziet: Hoewel Hij hoog is, nochtans ziet Hij de nederige aan. En zijn niet al deze voorbeelden onze hoogste navolging waardig? Doch laat ik overgaan tot een

Vierde beweegreden. Overweegt het kwaad en het gevaar van de zonde van hoogmoed, die er recht tegenover staat.

1. Zij is walglijk in de ogen Gods; Hij kan niet verdragen daarop te zien; Hij aanschouwt haar van ver. Zij wordt vooraan geplaatst bij die dingen die de Heere haat (Ps. 6:16) "Deze zes haat de Heere; ja zeven zijn Zijn ziel een gruwel." En het eerste is: "Hoge ogen." God haat elke zonde, doch de trotsen verklaart Hij openlijk de oorlog.

3. Het kwaad daarvan blijkt hieruit, dat het een teken is van een inwendig verrot hart: (Hab. 2:4) "Ziet, zijn ziel verheft zich, zij is niet recht in hem". Evenals nederigheid en oprechtheid, zo ook gaan hoogmoed en geveinsdheid hand aan hand.

3. Zij is de vruchtbare baarmoeder van vele andere kwaden. Zij is de bron van verdeeldheid: (Spr. 13:10) "Door hovaardigheid maakt men niet dan gekijf." Er zijn, zoals ik zo even zeide, tegenwoordig zeer vele verdeeldheden onder ons. Kerk en Staat zijn verdeeld, kerkelijke gemeenten en families zijn verdeeld, leraars en volk zijn verdeeld. Hoe komt dat? In de grond is het hoogmoed. Indien onze trotse harten maar zover vernederd waren, dat wij elkaar onze misslagen wilden belijden, zouden onze verdeeldheden spoedig geëindigd zijn. Hoogmoed is de moeder van dwaling en ketterij; een wortel van bitterheid beroert tegenwoordig ons Israël. Wanneer mensen, voornamelijk geestelijken, die allen een bijsmaakje van onfeilbaarheid hebben, iets in zake de leer voor verkeerd hebben verklaard, zal hun hoogmoed niet toelaten het te herroepen. Zij zullen liever de waarheid opofferen, dan dat hun goede naam ten onder gaat. Hoogmoed van de rede is de ziel van de Sociniaansche, en hoogmoed van de wil is de ziel van de Arminiaanse dwalingen, en hoogmoed van eigengerechtigheid is de bron van die wettische geest, die in onze dagen zozeer de overhand heeft. Hoogmoed is de oorsprong en wortel van afvalligheid; want, zegt Salomo: "Hovaardigheid is voor de verbreking, en hoogheid des geestes voor de val". De hoogmoed van Petrus ging onmiddellijk vooraf aan het verloochenen van zijn Heere en Meester. Overweegt ook, dat God een bijzondere twist heeft met de zonde van hoogmoed. Hij heeft gedreigd "de hoogmoedigen te verstrooien in de gedachten van hun harten". Gij kunt over Gods twist met de hoogmoedigen lezen in Jes. 2: 11,12,13 enz.: "De hoge ogen der mensen zullen vernederd worden, en de hoogheid van de mannen zal nedergebogen worden, en de Heere alleen zal in die dag verheven zijn. Want de dag des Heeren der heirscharen zal zijn tegen alle hovaardigen, en hoge, en tegen alle verhevene, opdat hij vernederd worde". En in vs. 17: "En de hoogheid van de mens zal gebogen, en de hoogheid van de mannen zal vernederd worden; en de Heere alleen zal in die dag verheven zijn". O wat een verwoesting heeft de zonde van hoogmoed al teweeggebracht!

1e Zij heeft engelen in duivels veranderd en hen uit de hemel in de hel geworpen: "opgeblazen geworden zijnde, zijn zij in het oordeel gevallen," gelijk de apostel niet onduidelijk te kennen geeft (I Tim. 3:6). God kon niet verdragen, dat de hoogmoed zo dicht bij Hem woonde; daarom wierp Hij hen uit de hemel, en bond hen met ketenen van eeuwige duisternis.

2e Toen de hoogmoed uit het hoger in het lager Paradijs insloop werd het ganse menselijk geslacht daardoor te gronde gericht. "Gij zult als God zijn," zeide de slang; en terstond werd in dat aas gebeten; doch het bleek in de afloop, dat het hen meer de duivel gelijk maakte dan God.

3e Wij zouden de geschiedenis kunnen doorlopen, en zien welke verwoestingen de hoogmoed in de goddeloze wereld heeft teweeggebracht. Farao weigert voor Gods bevel te buigen en Israël te laten trekken; hij zegt: "Wie is de Heere Wiens stem ik gehoorzamen zou?" waardoor hij en zijn leger "als lood in geweldige wateren zonken". De hoogmoed van Haman bracht hem schandelijk aan zijn einde: hoewel hij de ene dag de grootste gunsteling van zijn vorst was, werd hij de volgende dag aan de galg gehangen, die hij voor Mordechai had opgericht. Nebucadnezar snoeft trots op zijn koninklijk paleis: "Is dit niet het grote Babel, dat ik gebouwd heb tot een huis des koninkrijks, door de sterkte mijner macht, en ter eer mijner heerlijkheid? En onmiddellijk werd hij "uit de gemeenschap van de mensen verstoten, om bij de beesten des velds te zijn en gras te eten als de ossen". Herodus laat zich, na het uitspreken van zijn schone rede, die toejuiching van het volk welgevallen: "Een stem Gods en niet eens mensen, en van stonde aan sloeg hem een Engel des Heeren, en hij werd van de wormen gegeten".

4e Gelijk God de hoogmoed in al de goddelozen heeft gestraft, zo heeft Hij Zijn afkeer daarvan in Zijn kinderen doen blijken. Wie ook voorbijgegaan wordt, zij zullen de slag niet mislopen, indien hun hart in hen verheven wordt: "Uit alle geslachten des aardbodems heb Ik ulieden alleen gekend; daarom zal Ik al uw ongerechtigheden over ulieden bezoeken". Davids hoogmoed porde hem aan om Israël te tellen, opdat hij zou kunnen pochen, dat hij koning was over zoveel duizenden; en daarop werden door een woedende pestilentie, in drie dagen tijde, zeventig duizend mannen van Israël weggevaagd. Hiskia’s hoogmoed bracht hem er toe, de gezanten van de koning van Babel zijn ganse schathuis, alles wat in zijn schatten gevonden werd, te tonen; en daarom moesten zijn nakomelingen met zijn schatten uit hun geboorteland naar Babel worden gevoerd. In één woord, al was u als de zegelring aan Gods rechterhand, u zult een slag van vaderlijke toorn en grimmigheid niet ontkomen, als u de hoogmoed een plaats in uw harten blijft gunnen. Die bedreiging zal zeker zowel over vrienden als vijanden worden uitgevoerd. (Spr. 29:25) "Het huis der hovaardigen zal de Heere afrukken".

VI. Ons zesde en laatste punt was, u enige besturingen en raadgevingen aan de hand te doen, hoe u tot die lage en nederige gestalte zult komen, welke de hoge God aanziet.

1. Gaat tot de wet als een tuchtmeester, of schoolmeester; leest de tien geboden, en de geestelijke verklaring, die Christus ervan geeft in Matth. 5. Beschouwt de wet Gods in haar uitgebreidheid en geestelijkheid, want zij is zeer wijd. Dit zal het meest trotse hart in het stof doen neerliggen: (Rom. 7:9) "Zonder de wet, zo leefde ik eertijds; maar als het gebod gekomen is, zo is de zonde weer levendig geworden, doch ik ben gestorven." De vederen van zijn hoogmoed en wettische gerechtigheid vielen spoedig uit, toen de wet hem in haar geestelijkheid voor ogen gesteld werd.

2. Laat Christus door het geloof in uw hart wonen; want de heersende macht van dit kwaad wordt nooit verbroken, zolang niet Christus door de kracht Zijns Geestes die hoge overleggingen van het hart ternederwerpt, en Zijn troon daar vestigt. Hoe meer van Christus hoe meer nederigheid; hoe minder van Christus, hoe meer hoogmoed. Wanneer de Geest van Christus in het hart komt, stempelt Hij daar de gelijkenis en het beeld van Christus. O, als u deze ootmoedigheid en nederigheid van geest zoudt willen hebben, heft dan de eeuwige deuren uws harten op, opdat de Koning der ere inga; Hij brengt een heerlijk gevolg van genaden met Zich, waarvan deze één van de eerste is.

3. Houdt u veel bezig met de heerlijke volmaaktheden van de Majesteit van de hemel te beschouwen, zoals die in de werken van de schepping en van de voorzienigheid worden tentoongespreid; doch voornamelijk zoals die uitblinken in het aangezicht van Jezus Christus en het heerlijk werk van de verlossing door Hem. Toen de Profeet Jesaja de Heere zag op Zijn hoge en verheven troon, en Zijn zomen vervullende de tempel, riep hij uit: "Wee mij. want ik verga, dewijl ik een man van onreine lippen ben." Job zeide: (Hoofdst. 42:5,6) "Met het gehoor des oors heb ik U gehoord; maar nu ziet U mijn oog. Daarom verfoei ik mij, en ik heb berouw in stof en as."

4. Aanschouwt gedurig de rotssteen daar gijlieden uit gehouwen bent, en de holligheid des bornputs daar u uit gegraven bent; ik meen, uw oorspronkelijk bederf en uw verdorvenheid; hoe u in zonde ontvangen, en in ongerechtigheid geboren bent.

O hoeveel daarvan kleeft zelfs de gelovigen nog aan zolang zij aan deze zijde der eeuwigheid zijn! Er is een wet in hun leden, die strijdt tegen de wet huns gemoeds. Dit deed de apostel in het stof liggen, niettegenstaande hij zoveel verkregen had.

5. Beschouwt veel de ijdelheid van het schepsel, en van alles wat hier beneden is. "IJdelheid en kwelling des geestes," is met leesbare letters geschreven op alles wat onder de zon is. "De gedaante dezer wereld gaat voorbij."

Denkt veel aan de slaapstede van het graf, waar u eerlang moet neerliggen, en waar verrotting en bederf u zullen overdekken. Laat u dit met Job "doen roepen tot de groeve: Gij zijt mijn vader; tot het gewormte, mijn moeder, en mijn zuster." Beschouwt een ontzaglijk gericht, en een eindeloze eeuwigheid, die achter de dood volgt, waar u en ik binnenkort op de rol zullen staan, en gevonnist zullen worden door de rechtvaardige Rechter, waardoor onze staat voor eeuwig zal worden beslist.

6. Ten laatste. Vestigt veel uw oog op die voorbeelden van nederigheid en ootmoedigheid, die ik reeds vermeld heb. God, engelen en heiligen hebben u daarvan een voorbeeld nagelaten. Doch houdt u vooral veel bezig met de nederigheid en de vernedering van de Zoon van God te beschouwen, Die als het grote Voorbeeld wordt voorgesteld: (Filip. 2:5—8) "Want dat gevoelen zij in u, hetwelk ook in Christus Jezus was; die in de gestaltenis Gods zijnde, geen roof geacht heeft Gode evengelijk te zijn; maar heeft zichzelf vernietigd, de gesteltenis eens dienstknechts aangenomen hebbende, en is de mensen gelijk geworden: en in gedaante gevonden als een mens, heeft Hij Zichzelf vernederd, gehoorzaam geworden zijnde tot de dood, ja de dood des kruises."