Preken

van

Ebenezer Erskine

bedienaar van het Evangelie te Stirling - Schotland

over

Jes. 60:8 Gods duiven vliegende tot Zijn vensters

Ps. 2:6 De soevereiniteit van Sions Koning

Luk. 17:21 Het koninkrijk van God binnen de ziel van de mensen

Spr. 8:23 Christus van eeuwigheid gezalfd

 

Met een voorwoord over de beide Erskines en een beknopt overzicht van hun tijd en strijd

Deel 1

 

 

 

 

Inhoud

 

Voorwoord *

Ebenezer Erskine *

Ralph Erskine *

Gods duiven vliegende tot Zijn vensters *

De soevereiniteit van Sions Koning (1e preek) *

De soevereiniteit van Sions Koning (2e preek) *

De soevereiniteit van Sions Koning (3e preek) *

Het koninkrijk van God binnen de ziel van de mensen (1e preek) *

Het koninkrijk van God binnen de ziel van de mensen (2e preek) *

Het koninkrijk van God binnen de ziel van de mensen (3e preek) *

Christus van eeuwigheid gezalfd *

Voorwoord

Heeft Gods Geest getuigd: "Door het geloof heeft Abel een meerdere offerande Gode geofferd dan Kaïn, door hetwelk hij getuigenis bekomen heeft, dat hij rechtvaardig was, alzo God over zijn gaven getuigenis gaf, en door het geloof spreekt hij nog, nadat hij gestorven is"; ook van de gebroeders Ebenezer en Ralph Erskine kan, zij het dan onder andere omstandigheden, hetzelfde getuigenis worden gegeven. In het werk van hun bediening hebben zij getuigenis gegeven, dat zij het geloof, dat zij predikten, zelf deelachtig waren, en dat zij door dat geloof hun lichamen gesteld hebben tot een levende, heilige en Gode welbehaaglijke offerande, tot versiering van de godsdienst, die zij predikten en beoefenden. In hun zware strijd voor de verdediging van de waarheid, die zij predikten, hebben zij zich Gode als opgeofferd, en menige getuigenis van God ontvangen, dat zij en de zaak, die zij verdedigden, rechtvaardig waren. God gaf een getuigenis over hun gaven, die zij van Hem hadden ontvangen tot het werk van hun bediening, in het woord des geloofs, hetwelk zij predikten, vruchtbaar te maken voor velen, die het hoorden, doende hun woord gepaard gaan met de bediening en het getuigenis des Geestes tot uitbreiding van Zijn koninkrijk, en tot opbouwing van Zijn gemeente. En door datzelfde geloof, dat zij predikten en oefenden, en waarop zij in vrede zijn ontslapen, worden velen, tot wie zij nog spreken nadat zij gestorven zijn, tot op deze dag gesticht en vermaand, en gebouwd op hun allerheiligst geloof. Wat zijn er velen, ook in ons land, die in de donkere dagen en zware tijden, die wij beleven, niettegenstaande de rechtvaardige inhouding van die mate van de bediening des Geestes, waarin de Kerk van God zich in vorige tijden wel mocht verheugen, in hun afzondering, of in het gemeenschappelijk samenzijn bevoorrecht worden, het woord van de prediking door de Erskines gesproken en ons nagelaten, te mogen ontvangen en aannemen niet als der mensen woord, maar (gelijk het waarlijk is) als Gods woord, dat werkt in hen, die geloven.

Tot voor enkele jaren meende ik, en misschien, op een enkele uitzondering na, allen, die in de oude, beproefde waarheid belangstellen, dat de onder ons bekende 12 delen van de Erskines alle hun nagelaten preken bevatten. In Gods voorzienigheid kwamen mij al hun werken in het Engels in handen. waaruit mij bleek, dat nog veel van hen onvertaald was. Dit deed mij besluiten de vertaling daarvan op mij te nemen, als het de Heere beliefde mij daartoe lust en kracht te schenken, waaraan het mij door Gods, goedheid tot op dit ogenblik niet heeft ontbroken. Wat van Ralph Erskine nog onvertaald was heeft nu in 6 deeltjes de pers verlaten, en nog 6 van Ebenezer kunnen volgen. Wetende dat de werken van Erskine in ons land geen aanprijzing meer nodig hebben, nam ik mij voor zonder enig voorwoord, of iets van die aard, de vertaling en uitgave te beginnen, en achtereenvolgens die van Ralph en Ebenezer elk afzonderlijk af te werken. Vele van mijn vrienden drukten mij hierover hun leedwezen uit, menende dat er nog wel iets zou te melden zijn, dat tot hiertoe niet bekend gemaakt, of niet binnen het bereik was van hen, die deze uitgave lezen zullen, en toch van belang voor hen, die de Erskines om hun werken liefhebben, zowel wat hun leven, als wat de strijd voor de waarheid betreft, waarin zij met Thomas Boston en anderen zo lange tijd betrokken waren, en waarin zij zo’n voorname plaats vervulden.

Het geschil in de Schotse Kerk, waarover de strijd liep, ontstond in het begin van de 18e eeuw over enkele punten in de leer, voornamelijk zoals die werden vastgesteld in een verhandeling, getiteld: "The marrow of Modern Divinity": het Merg van de Nieuwe Godgeleerdheid, een werk van meer dan gewone voortreffelijkheid, dat veel licht geeft over vele van de gewichtigste bijzonderheden van het evangelisch systema, en voor het eerst in Londen was uitgegeven in 1646, en aanbevolen door drie uitnemende godgeleerden, leden van de kerkvergadering te Westminster.

Het is bekend, dat onmiddellijk na de Reformatie de Kerk van Schotland beroemd was wegens haar rechtzinnigheid in de leer. De geschriften van de eerste Hervormers Hamilton en Knox, spreidden een bijzondere helderheid en nauwkeurigheid ten toon. Deze zuiverheid van leer heeft een aanmerkelijke tijd voortgeduurd, zoals duidelijk blijkt uit de geschriften van Durham, Rutherford, Binning, Guthrie, en anderen.

De wettische leer, die de mens van nature zo eigen is, vertoonde zich spoedig. De prelaten, die door Jacobus VI en Karel I in de Kerk werden gebracht, waren hoofdzakelijk Arminianen, en hun gevoelens werden door velen van de onder hen staande geestelijken aangenomen. Tegen het einde van de 17e eeuw sloop een verfijnd Arminianisme in vele Schotse kansels binnen. Zelfs verscheidene ijverige en goede mensen werden met de gevoelens van Baxter besmet, die, door onderscheiden gevaarlijke begrippen omtrent de rechtvaardigmaking, de bron van de waarheid bedierf, en velen hun geloof in gevaar bracht. Verwarde begrippen van de twee verbonden waren een overvloedige bron van vele dwalingen, die de Kerk bedierven. In het begin van de 18e eeuw gaf Mr. Hamilton van Airth, later van Stirling, die met bezorgdheid de verspreiding van de Baxteriaanse leer zag, een Catechismus uit over de beide verbonden, het werkverbond en het genadeverbond, en Mr. Brisbane van Stirling een preek over Rom. 6:14: "De zonde zal over u niet heersen, want gij zijt niet onder de wet, maar onder de genade". Om de uitgave van dergelijke werken tot meerdere opheldering van het Evangelie tegen te gaan werd door de Synode van Fife een besluit aangenomen, dat geen predikant in handschrift of in druk enig boek of catechismus mocht uitgeven, zolang dit niet door een commissie uit de Synode was nagezien.

Omtrent die tijd werd Marshall’s "Verborgenheid der evangelische heiligmaking" in Schotland ingevoerd, alsmede de werken van Trail, waardoor vele leraars en gewone Christenen verlicht werden in de kennis van de leer van de genade. Onder de classes, die zich onderscheidden is de verdediging van het Evangelie, was die van Auchterarder in Perthshire. Deze stelde enkele voorstellen op ten gunste van de waarheid, die door velen verkeerd werden verstaan en door Prof. Simpson werden bestreden. Onder deze was ook de volgende: "Het is onrechtzinnig, te leren, dat de mensen de zonde moeten verlaten om tot Christus te komen". Een jong mens, die onderzocht werd voor de vergunning om te mogen prediken, en verdacht werd, dat hij het eens was met de Arminiaanse dwalingen van de Professor, weigerde dit te ondertekenen en beriep zich op de Algemene Synode. Dit hof, onder ongepaste invloed van sommige aanvoerders veroordeelde dit voornoemde voorstel, en trad zeer streng op tegen die classis. Hiermede stelde de Synode duidelijk, dat wij, voordat wij tot Christus komen als de enige Zaligmaker, of enig deel kunnen hebben aan de zegeningen van het Nieuwe Verbond, onze zonde behoren te verlaten, door onszelf van de liefde, kracht en praktijk van de zonde vrij te maken. Mr. Ralph Erskine verwijst daarnaar in de volgende woorden: Sommigen spreken over het verlaten van de zonde om tot Christus te komen, en voordat zij tot Hem komen; maar u zult de zonde nooit evangelisch verlaten, voordat Christus tot u en u tot hem komt. Wanneer Christus in de tempel komt drijft hij alle kopers en verkopers uit; laat hem daarom in, en Hij zal het huis reinigen. Zijn komst is als de komst van het licht: als het licht in het huis komt wijkt de duisternis, zo ook als de Zon der gerechtigheid in de ziel schijnt verdwijnen de schaduwen van zonde en duisternis". De beroemde Thomas Boston was op die Synode tegenwoordig en protesteerde tegen het voornoemde besluit. Om de leer van de genade tot meerdere helderheid te brengen, die deels door de Synode was veroordeeld, met betrekking tot het voorstel van Auchterarder, en op verlangen van verscheidene verstandige leraars en anderen, gaf hij het eerste deel van "Merg van Nieuwe Godgeleerdheid" opnieuw uit, en schreef daarin een voorrede tot aanbeveling.

Het boek was in Schotland weinig bekend, doch, om met de Representers, of de Marrow men, (Voorstellers, of Merg mensen, zoals de verdedigers van het boek geroemd werden) te spreken; omdat het een merkwaardig boek was, om verschil tussen Wet en Evangelie in een helder licht te stellen, en om de ware weg aan te wijzen om tot evangelische helderheid te geraken, had het zichzelf bij vele oordeelkundige leraars en Christenen in deze Kerk aangeprezen. Mr. Osburn, hoogleraar in de Godgeleerdheid prees het aan bij zijn studenten en Boston erkent ook, dat het hem in de eerste tijd van zijn bediening van veel nut is geweest.

Al spoedig kwam er in Fife een krachtig verzet tegen de "Marrow", onder enkele wettische predikanten, die het als Antinomiaans voorstelden, en de Synode verbood in de vijfde acte van die vergadering streng aan de predikanten dit boek op enigerlei wijze aan te bevelen. Hun werd integendeel bevolen het volk ernstig daartegen te waarschuwen, terwijl de classes werd bevolen daarop nauw acht te geven, Ditzelfde doel om het heerlijk Evangelie te verdonkeren zetten zij voort door de achtste acte van deze Synode, waarin zij het prediken van de catechetische leer, met besturing daaromtrent, geboden. Zij veroordeelden, dat Christus als een Zaligmaker aan alle mensen, of aan mensen, als zondaren, op grond van de gift van de Vader werd aangeboden; alsmede, de toeëigening en verzekering van het geloofs; en, te stellen, dat de gelovigen van de gebiedende en veroordelende kracht van de wet, als een verbond van de werken, volkomen zijn vrijgemaakt. Zij beweerden maar al te duidelijk, dat onze heiligheid een verbonds of voorwaardelijk middel is, waardoor wij het eeuwige leven verkrijgen, en dat slaafse vrees voor eeuwige ellende, en wettische hoop op toekomstige zaligheid, de heiligen behoren te beïnvloeden in hun benaarstigen naar evangelische heiligheid. De bijna geheel in de woorden van de Schrift gestelde uitdrukkingen: dat de gelovigen niet zondigen: dat de Heere geen zonde in hen ziet en niet op hen kan toornen, verklaarden zij Antinomiaanse paradoxen te zijn. Deze strenge maatregelen en uitspraken hadden een geheel tegenovergestelde uitwerking, dan daarmede bedoeld was, want velen gingen daardoor het boek lezen, en de meesten werden volkomen overtuigd, dat het veroordeelde boek oordeelkundig en evangelisch geschreven, en nuttig was. Een zeer godzalig en geleerd godgeleerde, Mr. Gabriël Wilson, die in het minst niets te maken had met de nieuwe uitgave van de "Marrow" noch met de Synode, die het boek veroordeelde, schreef: "Ik zou voor geen tienduizend werelden willen, dat ik mijn Ja had moeten geven voor het aannemen van dat besluit. Mr. Boston bracht het voor de Classis van Selkirk, anderen, voornamelijk enkele leraars uit Fife brachten het voor de hunne. Door de Classis van Selkirk werd het voor de Synode gebracht, doch in plaats, dat de Synode de zaak zocht te herstellen, werd met kracht op deze mensen losgestormd. Mr. R. Erskine zeide, ook in naam van die met hem waren: "Wij zijn er zover van af, dat wij ons schamen of bevreesd zijn die waarheden te prediken, hoe ze ook worden tegengestaan, dat wij ze als een heilige schat beschouwen, die waard is, dat wij er voor strijden, al zou het zijn tot den bloede toe". De strenge maatregelen van de vooraanstaande mannen in de Kerk dreven de Erskines en anderen, die geen behoefte hadden zich in het openbaar te vertonen, maar waarschijnlijk in stilte en onbekend buiten hun gemeente zouden geleefd hebben, de punten in kwestie nog ernstiger te onderzoeken, en in hun verdediging van de veroordeelde leer voor de dag te komen, tot grote zegen van vele kostelijke zielen, in een tijd, toen de ganse kerk in gevaar verkeerde, door de wettische leer overstroomd en meegevoerd te worden.

Ik zal hier een getuigenis tussen voegen van de noodlottige invloed van de wettische leer op een ontruste zondaar, die met de woorden van een van de Representers, of van hun vrienden, aldus wordt beschreven: "Helaas! ik meende, dat ik op weg naar de hemel was, want mijn predikant heeft mij altijd gepreekt, dat ik de geboden Gods moest gehoorzamen. Hij heeft mij verklaard, en dat met grote ernst aangedrongen, dat ik die moest gehoorzamen. Hij sprak mij van het kwaad van de zonde, en dat ik mijn zonden moest verlaten, om vergeving te verkrijgen; dat ik, arm zondaar, zelfs niet naar ontferming kon uitzien, zolang ik niet een zekere mate van verbetering had bereikt. Ik moest dat voor God kunnen getuigen, voordat ik ooit vergeving van hem kon verwachten. Helaas! ik dacht, doordat mij zo geleerd werd, dat ik, op het horen van de voorschriften van een heilig leven, anders niet had te doen dan mij aan het werk te begeven, om te doen. Nooit dacht ik er over, dat ik volkomen onmachtig was, maar ik deed mijn best zo goed ik kon, en ik maakte uit hetgeen hij leerde op, dat Christus mij datgene waarin ik te kort kwam niet zou ten laste leggen: en zo ging ik voort in de kring van plichten. Ik werd door mijn predikant en anderen voor een godvruchtig man gehouden, doch, helaas! ik werd ellendig misleid, want nu zie ik, dat mijn leraar de erfzonde niet inprentte, en de vreselijke verdorvenheid en vijandschap van de menselijke natuur niet aandrong. Als hij er iets van aanhaalde, dan deed hij het zo oppervlakkig, dat het weinig werd opgemerkt. Er werd maar voortdurend geroepen van plichten, en verbetering, om vergeving te verkrijgen: en wee mij, arm misleid schepsel, als ik was, ik dacht, wanneer ik zulke plichten had verricht en mijn leven zo en zo verbeterd had, zoals mijn leraar er bij mij op aandrong, dat ik moest doen: wat zou ik dan meer? Ik zou zeker vergeving van zonden krijgen Helaas! Hij vertelde mij niet, hij prentte niet in, als de voorname strekking van zijn leer, dat de ziel door een werk van vrije genade moet veranderd worden, voordat het leven verbeterd kon worden; dat de boom goed gemaakt moet worden, voordat hij goede vruchten kan voortbrengen: dat iemand door het geloof met Christus moet worden verenigd, voordat hij een plicht recht kan verrichten: dat de roeping van het Evangelie tot de slechtste van de zondaren is, om terstond tot Christus te komen, zonder enige voorafgaande bevoegdheid, en dat ik tot hem moest roepen om ontferming, vergeving en heiligmaking. Ik leerde maar zeer weinig van hem van de noodzakelijkheid van Christus om het geestelijk leven te geven en te onderhouden; weinig van de noodzakelijkheid van Zijn toegerekende gerechtigheid, en slechts zeer verwarde begrippen van de leer van het geloof in Christus en van het leven van het geloof. Mijn steunen op mijn verbetering en mijn goede daden was mijn verderf, want al gebood mijn leraar mij niet uitdrukkelijk, dat ik er op moest steunen, nochtans leidde de trant van zijn leer mij er toe, om het te denken. Helaas! ik heb ze in de plaats van Christus gesteld. Nu zie ik, dat er geen andere weg is om vergeving van zonde te krijgen, dan als een vrije genadegift; dat de gerechtigheid van Christus, waardoor zij verkregen is, de arme zondaar, wie uit genade geboden wordt in Hem te geloven, om niet wordt toegerekend: doch, helaas! ik dacht er nooit over, dat dit de weg was, en zo zou ik voor eeuwig in mijn ongerechtigheid zijn verloren gegaan."

In de eerste samenkomst welke zij hielden, om over deze dingen te spreken, en waarvan Mr. Boston zegt: "de Heere was bij ons", werd het besluit van de algemene Synode nauwkeurig onderzocht, en kwam men overeen, dat men hiervan een uiteenzetting aan de Synode zou geven, terwijl het opstellen daarvan aan Ebenezer Erskine werd opgedragen, die een ontwerp van Mr. Boston onder zijn berusting had. Men kwam daarna nog meermalen bijeen; het ontwerp van Mr. Boston werd door allen getekend, en de avond voordat de Synode zou vergaderen, zou men weer bijeenkomen, om die in gemeenschappelijk gebed door te brengen. Een kopie werd genomen van het stuk waarin de bezwaren waren uiteengezet, dat daarna door allen werd ondertekend, namelijk door de Eerw. Heren: James Hog, Thomas Boston, John Bonnar, James Kid, Gabriël Wilson, Ebenezer Erskine, Ralph Erskine, James Wardlaw, James Bathgate, Henry Davidson, William Hunter, en John Williamson: Nadat zij hun voorstel hadden ingeleverd werd dit door de Synode in handen van een commissie gegeven om de behandeling voor te bereiden, doch in geen geval tot een beslissing te komen. Enkele besprekingen werden gehouden, waarover een van de twaalf Representers aanmerkt: "Wij bemerkten, dat men vast besloten was het besluit van de Algemene Synode te ondersteunen en te verdedigen, al zou de waarheid struikelen op onze straten. En anderzijds waren wij vastbesloten, dat die niet zou struikelen, omdat wij geen getuigenis voor de waarheid gaven, al zouden wij er alles wat wij op de wereld hadden door in gevaar brengen." Na ongeveer acht maanden werd hun bericht, dat hun zekere vragen ter beantwoording zouden worden voorgelegd De antwoorden werden door hen ingeleverd, doch door de Commissie nietig verklaard zonder door de Synode te zijn ingezien. Later kwamen zij voor de Algemene Synode, waar de zaak tot een einde gebracht werd door een nieuwe acte, waarin de vorige nader werd verklaard en bevestigd, en geweigerd die te herroepen. In deze acte werd alle predikanten van deze kerk streng verboden de veroordeelde stellingen, of wat daarmede zou overeenstemmen, in het openbaar of in het verborgen, op enigerlei wijze te leren, op straffe naar verdienste gecensureerd te worden. Hierop werden de Voorstellers ernstig vermaand en bestraft, hetwelk, zoals Boston zegt, door hen met alle deftigheid als een sieraad voor de zaak van de waarheid werd ontvangen. Een door hen allen ondertekend protest werd daarna overhandigd, doch de Synode wilde het niet lezen, noch in de notulen opnemen, en sloot met spoed de zitting,

Zo ondervonden zij telkens weer een slechte behandeling, doch zij koesterden nooit enig beginsel van scheuring of afscheiding, hoewel zij tegelijkertijd gedurende verscheidene jaren bij hun avondmaaltijden met elkaar de dienst waarnamen. Die tijden waren tijden van verkwikking voor velen. Boston en Erskine maken er meermalen melding van hoevele avondmaalsgangers dan samenvergaderden, en hoe zij nu velen als een wonder waren. "God", zeiden zij, "zond van de hemel en gaf ons zoete degen van het Evangelie." Boston had de uitgave van zijn "Vierderlei staat", zonder enig doel verscheidene jaren uitgesteld. Door Gods voorzienigheid kwam de uitgave bij het begin van dit geschil, 1720, toen de waarheid van het Evangelie zeer verdonkerd was, en het had een gezegende uitwerking, daar de mensen er door werden opgewekt de waarheid te overwegen, en die er wijd en zijd door verspreid werd. In die dagen werd het schip van de Kerk vele malen in diepe wateren gebracht en rees het tij van tegenstand zeer hoog: doch de Heere in de hoogte is geweldiger dan het bruisen van grote wateren, dan de geweldige baren van de zee. Hij voert Zijn Kerk veilig door de grootste verdrukkingen, en onder hen, die Hij in die dagen verwaardigde te strijden voor de zuiverheid van de leer in de Kerk van Schotland, die dreigde ten onder te gaan door een wettische geest en daarmede gepaard gaande verwarde begrippen van de twee verbonden, namen de gebroeders Ebenezer en Ralph Erskine een voorname en eervolle plaats in.

 

Ebenezer Erskine

was de zoon van Henry Erskine te Cornhill-Northumberland. Deze voortreffelijke dienstknecht van Jezus Christus werd met andere getrouwe broeders in Engeland in 1662 uitgeworpen Hij predikte enkele jaren in een vergaderzaal in Whitsome, waar hij het middel was tot bekering van Thomas Boston, die toen een jongen van elf jaar was.

Ebenezer werd geboren de 22e juni 1680. In 1702 werd hij te Portmoak in het predikambt bevestigd, waar hij goede gelegenheid had zijn studie ijverig voort te zetten. Zijn inzichten in het Evangelie weren toen ver van zuiver, doch wettische en evangelische leringen waren daarin dooreengemengd. Zijn broeder Ralph en anderen waren in dat opricht nuttig voor hem, doch zijn beminnelijke echtgenote was voornamelijk het middel om een gelukkige verandering in zien inzicht in de goddelijke waarheid in hem te bewerken, hetgeen hij later graag aan zijn kinderen en vrienden vertelde. Het beslissend moment ten opzichte van zijn gevoelens aangaande de waarheid was het gevolg van een gesprek tussen zijn broeder Ralph en zijn vrouw, dat hij beluisterde. Die twee hadden in een prieel onder het venster van zijn studeervertrek een vertrouwelijk gesprek over hun christelijke bevinding. Hij bemerkte daaruit hoezeer hun inzichten en gevoelens van de zijn verschilden, en dat zij iets bezaten, dat hij miste. Deze indruk verliet hem niet, totdat hij niet alleen bijna, meer geheel werd, wat zij waren, een echt Bijbels evangelisch Christen.

Zijn bevinding, in betrekking tot de leer van de genade, drukt hij in de volgende woorden uit: "Ik wil gaarne bekennen, dat ik, sedert ik iets van de Christelijke leer wist, nooit iets moeilijker heb bevonden dan het van harte eens te worden met de orde van het genadeverbond: eerst het voorrecht en dan de plicht. Zelfs nadat de ziel er, wat de hoofdzaak betreft, toe gebracht is te berusten in de nieuwe wijze van zaligmaken, is er zoveel van de oude Adam, ik bedoel, van een wettische geest in ons, dat wij daardoor onbewust teruggeleid worden tot het verbond van Adam, om barmhartigheid, genade en heerlijkheid te verwachten krachtens iets, dat in ons gewerkt is, of door ons gedaan wordt. Wij, leraars, verraden dikwijls de wettischheid van ons hart, waaruit ik met leedwezen spreek uit mijn eigen droevige ervaring, en niet om daarmee op iemand anders te doelen." Wat de leer betreft, die ik gepredikt heb, als ik op die waarheid mijn zaligheid niet durfde wagen, had ik die nooit aan anderen durven prediken als goddelijke waarheden. Ik ben vast overtuigd, dat een voorname reden waarom het Evangelie in onze dagen zo weinig vrucht afwerpt deze is, dat onze preken er zo weinig op berekend zijn onze eigengerechtigheid neer te werpen, en de gerechtigheid van Christus als het enig fondament, dat God in Sion gelegd heeft, te verheffen."

Onder zijn papieren werd het volgend persoonlijk verbond gevonden, waaruit zijn ernstige godsvrucht zich openbaart, en dat naar een uitgebreider voorafgaand verbond schijnt te verwijzen: "O mijn God! omdat ik zo dikwijls mijn verbond van plicht met u heb verbroken, (hoewel, geloofd zij Uw Naam, het verbond van de genade met mijn Borg nooit kan verbroken worden) bekrachtig en vernieuw ik het heden en begeer ik ernstig genade van u, o Heere, het op een andere wijze te houden dan ik het gedaan heb. Omdat ik van mijzelf zwak en onbekwaam ben tot iets, begeer en smeek ik telkens weer, dat U met mij wilt handelen overeenkomstig Uw zoete belofte, waarop ik de zaligheid van mijn ziel leg, en dat Gij het woord mag gedenken, o getrouwe God, dat in Ezech. 36:26 staat geschreven: "En Ik zal u een nieuw hart geven, en zal een nieuwe geest geven in het binnenste van u: en Ik zal het stenen hart uit uw vlees wegnemen, en zal u een vlezen hart geven." Op welke woorden Gij Uw dienstknecht hebt doen hopen. In het geloof, dat Gij Uw woord zult vervullen, vernieuw en bekrachtig ik mijn vorig verbond, en zweer, dat ik voor eeuwig des Heeren zal zijn in een eeuwig verbond, hetwelk ik niet alleen met mijn hand, maar met mijn hart onderteken.

Ebenezer Erskine

"Uw bezworen dienstknecht."

Hij was zeer geregeld in het verborgen werkzaam. In zijn gezin gaf hij nauw acht op de zielen van zijn kinderen en dienstboden. Hij was toegeeflijk, doch bewaarde zijn gezag, en hij riep hen bij verscheidene gelegenheden tot vasten en bidden. Hij was vrolijk en opgewekt in de omgang, altijd deftig en stichtelijk. Hij was voorbeeldig in gelatenheid en onderwerping onder de zwaarste beproevingen. Hij studeerde veel en breidde zich met nauwgezetheid voor tot de openbare dienst. Hij besteedde bijzondere aandacht aan het jonge volkje; zelfs ‘s zaterdags wanneer de kinderen op school gecatechiseerd werden, wachtte hij hen op, om hen te ondervragen en met hen te bidden. Wanneer hij niet naar de school ging, waren de kinderen gewoon naar zijn huis te komen, waarop zij zeer gesteld waren, daar hij altijd veel aandacht aan hen schonk en zeer vriendelijk voor hen was. Hij catechiseerde zijn gemeenteleden in het openbaar en bezocht hen geregeld aan huis. Wanneer hij een familie bezocht placht hij, wanneer hij binnenkwam, te zeggen: "Vrede zij dezen huize." Dan deed hij elke volwassene een paar vragen, en daarop ondervroeg hij de kinderen, die hij zeer aanmoedigde. Na een woord van vermaning, waarbij hij gebruik maakte van de een of andere voorzienigheid waarbij het gezin betrokken was, sloot hij met gebed waarin hij zeer persoonlijk en hartelijk was. In het bezoeken van de zieken was hij ijverig en nauwgezet. De volgende anekdote van hem in de verrichting van dat werk is waardig bewaard te worden. Ann Meiglo, een arme, godvrezende vrouw bezoekende, zeide zij: "O dominee, ik lig hier zo maar neer, als een arm, nutteloos schepsel." "Dunkt u dat?" zei de goede man. "Mij dunkt", antwoordde zij, "als ik in de hemel was, dat ik dan ergens nuttig voor zou zijn, in God zonder zonde te verheerlijken". "Waarlijk Annie", zeide hij, "mij dunkt, dat u God verheerlijkt door uw overgave en onderwerping aan Zijn wil, en dat in weerwil van vele moeilijkheden en onder vele benauwdheden. In de hemel hebben de heiligen geen lasten waaronder zij zuchten; uw lof, belast als u bent, is mij wonderlijker en, naar ik vertrouw, Gode aangenamer."

Portmoak stond onder zijn bediening, wegens zijn verstandige en levendige Christenen bekend als een veld, dat de Heere gezegend had. In 1714, en vroeger, had de Neonomiaanse leer de gemoederen van verscheidene predikanten in de Synode van Fife, waarvan hij lid was, doorzuurd. Dit bleek in het bijzonder op de kansel in de prediking van de voorwaardelijkheid van het genadeverbond met betrekking tot zondaren. Hij begreep, dat dit een omkeren van het Evangelie was, zodat hij dit vrijmoedig tegenstond, en de tegenovergestelde leer handhaafde, dat het voor Christus strikt voorwaardelijk, doch voor zondaren als zodanig, in de gift van Christus en Zijn zegeningen, geheel vrij was. Hij beklaagt die wettische leer in de volgende woorden: "De leerwijze om de orde van de ambten van Christus om te keren en de eerste daad van het geloof tot Christus als Koning te beperken is een manier van handelen, die zeer overeenstemt met de natuur, en die naar het verbond van Adam afvoert. Ik oordeel dan ook, dat de natuur, door de zaligheid door Christus op die wijze te behandelen, zeer versterkt wordt door het krachtig streven van sommigen, die in onze dagen leren, dat het geloof en de bekering nieuwe geboden zijn, die door Christus in het Evangelie worden gegeven, en in de Wet van de tien geboden nooit werden voorgeschreven." Daarom zeide hij dan ook in een predikatie voor de Synode: "Laten wij ons hoeden, dat wij de verheven verborgenheden van onze heilige godsdienst niet walglijk maken door de voorkeur te geven aan een zedenleer; laten wij de eeuwige gerechtigheid van de Zoon van God hooghouden, als de enige grond van de rechtvaardigmaking van een zondaar, en ons wachten voor alles, wat de minste strekking heeft om een zondaar te bemoedigen in zijn hoop van uit de werken der wet gerechtvaardigd te worden. Laten wil ons daarvoor wachten, dat wij de deur van toegang tot Christus zouden versperren door wettische vereisten te stellen, die nergens zijn te bekomen dan in Christus Zelf.

De goede naam van Erskine als een bekwaam en getrouw leraar rees tot een grote hoogte, ook deels door zijn gedrag onder de zware beproeving, die hij doormaakte in betrekking tot zijn verdediging van de leer, uitgedrukt in de "Marrow". Wanneer het Avondmaal werd bediend kwamen zeer vele uitnemende Christenen tot op een afstand van 20 uren naar Portmoak om het bij te wonen. Zo groot was de toeloop van volk, dat er dikwijls buiten de kerk nog twee plaatsen in de open lucht nodig waren. Het was op die tijden een indrukwekkend schouwspel een vergadering van enige duizenden op de helling van de Lommond heuvels te zien zitten, met grote aandacht en ernst luisterende naar de blijde boodschap, die door deze heilige mannen met plechtige belangstelling en tere liefde werd gepredikt. De Heere gaf bij deze gelegenheden zo’n opmerkelijke getuigenis van het woord Zijner genade, dat niet weinigen van hen nog op hun doodsbedden van de heuvels van Portmoak spraken, als van Bethels, waar God hun verscheen en hen zegende.

Toen hij nog in Portmoak stond leed Erskine een groot verlies door de dood van zijn geliefde vrouw Alison Turpie, die in Jezus ontsliep na hem tien kinderen gebaard te hebben.

Nadat hij 28 jaren in Portmoak had gestaan werd hij met algemene stemmen in 1731, in Stirling beroepen, waar hij zijn bediening opende met een reeks preken over Jes. 27:16, welke ongemeen gezegend werden tot bekering en opbouwing van velen.

Ongeveer in het jaar 1742 werd in de Synode van Fife een besluit aangenomen, waartoe het volgende de aanleiding was. Erskine zegt daarvan: "Sommigen van de protesterende broeders binnen de ring van de Synode, waarvan ik er een was, namen in ons openbaar optreden de gelegenheid waar enkele van die punten in de Geloofsbelijdenis van Westminster te verklaren, welke naar onze mening door het Synodaal besluit van 1720, waarbij de "Marrow" veroordeeld werd, publiek weren losgelaten en te grabbel gegooid. Zoals bijv.: Dat de gelovigen van de wet als een verbond der werken zijn vrijgemaakt. Dat er onderscheid gemaakt moet worden tussen de wet der werken, als een verbond beschouwd, en de wet aangemerkt als de wet van Christus, of een regel van gehoorzaamheid in de hand van Christus. Dat wanneer de wet als een verbond op de gelovige aankomt met de eis van volmaakte gehoorzaamheid als een voorwaarde van het leven, zijn enige toevlucht in dat geval is, dat hij pleit op de volkomen gehoorzaamheid en de volmaakte gerechtigheid van de eeuwig gezegende Borg, en dat die pleitgrond er zo ver vanaf is hem in de plicht te verzwakken, dat het daarvan juist een van de voornaamste bronnen is. Dat er in de natuur van het geloof zelf een vertrouwende verzekering is, of een overreding van het getuigenis van God aangaande Christus met bijzondere toepassing van de ziel zelf; welk getuigenis is, dat ons God het eeuwige leven gegeven heeft, en dit leven is in zijn Zoon. Wij verstaan door deze verzekering juist hetzelfde wat de Westminster godgeleerden, hoewel daar andere woorden worden gebruikt, een aannemen, toepassen van, en een betrouwen op Christus noemen, zoals Hij ons in het Evangelie wordt aangeboden. Ofschoon het een dwaas en onkundig vitten van sommigen op de leraars is, als zij vragen: Waarom toch zo op het geloof aan gedrongen? Moeten niet andere dingen even noodzakelijk gepredikt worden? antwoord ik: "Andere dingen zijn in hun eigen plaats noodzakelijk, doch het geloof en het geloven in de eerste plaats. Zolang wij u niet tot geloven kunnen brengen, doen wij in het geheel niets; want dit is het fondament van alle godsdienst. U weet dat het dwaas is over het optrekken van de bovenbouw te denken of te spreken, zolang het fondament niet gelegd is." Over dit gewichtige punt zegt hij verder: "Er wordt in deze tijd over getwist, of de verzekering tot het wezen van het geloof behoort. Ik ben geneigd het niet met de naam van verzekering te noemen, aangezien sommigen daarvoor schrikken; daarom wil ik het liever de zekerheid van het geloof noemen. Ik zag er dan ook alleen dit van, dat een zekerheid van het geloof er niet gemist kan worden, omdat twijfelingen en vrezen er voor verdwijnen. "Wat zijt gij vreesachtig, gij kleingelovigen?" Hoe het geloof de ziel met blijdschap en vrede kan vervullen, als het geen zekerheid heeft van die dingen, waarin het zich verheugt, zal wel niemand kunnen verklaren. Hoe iemand op Christus kan betrouwen, en Hem en Zijn zaligheid zichzelf kan toepassen, en nochtans niet geloven, dat hij door de genade van Christus zal worden zalig gemaakt, komt mij als een paradox voor. Men moet echter bedenken, dat, hoewel er een zekerheid is in de natuur van het geloof, dat op de belofte Gods in Christus gegrond is, er een groot onderscheid is tussen deze en de zekerheid van weeromstuit, welke sommigen een logische verzekering noemen. Deze laatste is op de bevinding of de gewaarwordingen van de ziel gebouwd. De eerste soort is niet in de natuur van het geloof, zoals onze Belijdenis zegt, maar de laatste soort zekerheid is altijd erkend door alle gereformeerde godgeleerden, zowel binnen als buitenslands, sedert onze gelukkige Reformatie van het Pausdom. Dat er zo’n gift en gave van Christus is aan het verloren menselijk geslacht, welke hun een aanspraak op Hem geeft, die de gevallen engelen niet hebben; ja die iedereen, die het leest of hoort een grond en waarborg geeft om hem aan te nemen. Iemand die er bij tegenwoordig was verhaalt, dat toen op zekere keer het debat in de Synode van Fife hoog gestegen was, omdat enige leden de gift van de Vader van onze Heere Jezus aan zondaren van het menselijk geslacht ontkenden, Erskine opstond en zeide: "Mijnheer de Voorzitter! Onze Heere Jezus zegt Zelf: Mijn Vader geeft u dat ware Brood uit de hemel. Dit sprak Hij tot een gemengde schare, en wie durft zeggen dat Hij onwaarheid sprak." Deze woorden, en de wijze waarop Erskine die uitsprak, maakten een ongewone indruk op de Synode en op allen, die tegenwoordig waren. Voor zijn vasthouden aan deze leer werd hij ook voor de Algemene Synode gedagvaard.

In 1745, toen een krachtige opstand uitbrak tegen de Britse troon, bleef Erskine, evenals in een dergelijk geval in 1715, aan de zijde van de regering. Hij voerde de wapenen ter verdediging van de burgerlijke en godsdienstige vrijheid als Kapitein van een korps vrijwilligers uit Stirling, welke stad door de opstandelingen omsingeld en onophoudelijk verontrust werd.

Er zijn nog vele van zijn gezegden in gedachtenis, als: "Ik heb altijd bevonden, dat mijn tijden van zware verdrukkingen mijn beste tijden waren. Ik heb in mijn leven vele stormen doorstaan, maar ik mocht daaronder de vertroosting hebben van een goede God, een goed geweten en een goede zaak". Toen hij de tijding van de dood van zijn broeders Ralph ontving, zeide hij zeer ontroerd: "Is Ralph heengegaan? Hij is mij tweemaal voor geweest: hij was voor mij in Christus, en nu is hij mij voor in de heerlijkheid." In zijn laatste dagen had hij vele beproevingen in zijn familie. In een brief aan een vriend schreef hij: "Vele van Gods baren zijn over mij heen gegaan, doch ik hoop steeds, dat de Heere des daags Zijn goedertierenheid zal gebieden en des nachts Zijn lied bij mij zal zijn."

Op zijn oude dag, toen zijn gezondheid begon te verminderen, zorgde zijn gemeente, dat hij iemand kreeg om hem in de bediening bij te staan, waartoe zijn neef James Erskine regelmatig beroepen en als zijn collega en opvolger bevestigd werd. Gedurende zijn laatste ziekte, die vele maanden duurde, was hij rustig en opgeruimd, en sprak hij als een levendig Christen. Een van zijn ouderlingen hem bezoekende zeide: "Gij hebt ons vele goede raadgevingen gegeven, doch hoe handelt u nu met uw eigen ziel". Zijn antwoord was: "Ik handel daarmee juist zo als veertig jaren geleden; ik steun op dat woord, Ik teen de Heere uw God." Een ander persoon, die zich verwonderde over zijn opgewektheid in het gezicht van de dood, vroeg hem: "Jagen uw zonden u geen vrees aan?" "Och neen", zei hij, "zolang ik Christus heb gekend, heb ik nooit hoge gedachten gehad van mijn gestalten en plichten, en ben ik niet met slaafse vrees bezet wegens mijn zonden." Tot sommige vrienden, die hem op een namiddag bezochten. zeide hij: "O vrienden! mijn lichaam is nu een zeer onaangename woning voor mijn ziel geworden; doch wanneer mijn ziel mijn lichaam verlaat zal zij even natuurlijk in Jezus’ schoot vliegen, als een steen naar de aarde zal vallen." Tot een bloedverwant zeide hij: "Nu de ouderdom daar is en mijn zwakheden toenemen, zal ik al de dagen van mijn strijd hopen, tot dat mijn verandering komt: uitziende naar de eeuwige dag van de onmiddellijke genieting van de Heere, waar zuchten en zondigen voor eeuwig zullen ophouden." Een andere van zijn betrekkingen, die hem kwam bezoeken, zeide: "Ik hoop dat u nu en dan een lichtstraaltje ontvangt, om uw geest in uw verdrukking op te beuren;" waarop hij antwoordde: "Ik weet meer van woorden dan van lichtstraaltjes. Ziet, zo Hij mij doodde, zou ik niet hopen? Het verbond is mijn voorrecht, en als het niet wegens dat gezegend woord zou zijn, dan was mijn sterkte vergaan en mijn hoop van de Heere." Tot zijn kinderen, die hem oppasten zeide hij: "Al sterf ik, de Heere leeft. Sinds ik dit bed moest houden, heb ik meer van de Heere leren kennen, dan in mijn ganse overige leven." Hij deelde hun ook mee welke Schriftuurplaatsen de Heere in de loop van zijn leven liefelijk aan hem had toegepast. Zijn huisgenoten begeerden ernstig, dat hij nog eenmaal voor hen zou preken. Hij kwam van zijn bed af en preekte over Job. 19:25: "Want ik weet, mijn Verlosser leeft." Hij verlangde zeer zijn bediening te eindigen met deze woorden: (Ps. 48:15) "Want deze God is onze God eeuwiglijk en altoos; Hij zal ons geleiden tot de dood toe." Dit deed hij in zijn kamer van zijn bed af, waarbij hij ook nog een kind doopte.

Hij verdroeg veel pijn en ongesteldheid met christelijke lijdzaamheid en onderwerping. De nacht in welke hij stierf zat zijn oudste dochter, Mevr. Fisher, in de kamer waar hij lag, te lezen. Uit een sluimering ontwakende, vroeg hij: "Welk boek zit u te lezen, lieve?" Zij antwoordde: "Uw preek over de woorden: Ik ben de Heere, uw God." O vrouw! zeide hij, dat is de beste preek, die ik ooit gepreekt heb. Onder het prediken over die tekst werd zowel zijn eigen ziel, als die van zijn hoorders zeer verkwikt. Een weinigje daarna verlangde hij van zijn dochter, dat zij de tafel en de kaars bij zijn bed zou zetten, waarop hij zijn ogen sloot en, zijn hand onder zijn wang leggende rustig en kalm zijn ziel uitblies in de handen van zijn Verlosser, de 2e juni 1754, in het 74e jaar van zijn leven, en het 51e van zijn bediening, waarvan hij 28 jaren te Portmoak, en 23 jaren te Stirling heeft gestaan. Op zijn verlangen werd hij midden in zijn bedehuis tegenover de preekstoel begraven, waar een grote steen zijn graf dekt.

Zijn preken zijn in Schotland dikwijls herdrukt. De beroemde Mr. Henry zegt ergens: "Als ik zou lezen, alleen met het oog op mijn stichting, en opbouwing in het ware geloof, wezenlijke vertroosting en heiligheid, zou ik de toevlucht nemen tot Mr. Erskine, en zijn geschriften gebruiken als mijn onderwijzer, gids en huisvriend". Hij bekende ook aan een intieme vriend, dat hij veel aan Erskine te danken had wegens zijn evangelisch en helder inzicht in de goddelijke waarheid, in het bijzonder in zijn preken over de verzekering des geloofs.

Hij was een populair, bij het volk geliefd, prediker in de beste zin. Zijn stijl was bijzonder gepast naar de bekwaamheid van zijn hoorders. Met een mannelijke houding, een heldere stem, een aangename voordracht en een gebiedend oog, hield hij de aandacht van zijn gehoor aan zich gebonden, ook als hij lang preekte, terwijl velen wensten dat het nog langer had geduurd. Als een bewijs van de aandacht van zijn hoorders vertelt men het volgende: Twee mannen kwamen de gehele zomer van Glasgow om hem te horen. Hoewel zij meer dan 32 kilometer moesten reizen waren zij gewoonlijk geheel aandacht. Op zekere keer echter werd een van hen slaperig, waarom hij zijn makker een snuifje vroeg. Deze antwoordde daarop in het vuur van het gevoel waaronder hij zelf verkeerde: "Kerel! er komt een geur uit die preekstoel die, dunkt mij, iedereen wakker moet houden".

Om hiermede te besluiten volgt hier nog een brief van zijn dochter Mrs. Scot, toen te Gateshaw.

Geliefde Alice!

Mijn neef James las mij gisteren uw brief aan hem voor, bij gelegenheid van de dood van uw geliefde oom Ralph, en de wankele toestand van uw vader. Volgens de loop van de natuur was het mijn beurt geweest, om voor hem af te reizen, doch de wil van een goed en vrijmachtig God heeft het anders besloten, en dat ik nog een poosje na hem in deze woestijn zou vertoeven. Het schijnt, dat ik nog niet bekwaam ben om deel te hebben aan de erve der heiligen in het licht, maar dat ik nodig heb in deze woestijn nog wat meer geslagen te worden met de hamer van de verdrukking, voordat ik tot de boventempel en het opperste heiligdom kom; doch wat de Heere doet is goed. Wat de staat van mijn gezondheid betreft, waarover u zo bezorgd bent, ik heb, de Heere zij dank, geen bepaalde ziekte, alleen had ik en heb ik nog steeds zoveel pijn, dat ik niet in staat ben het werk van mijn bediening te verrichten. Ik ben meest aan mijn bed gebonden. Soms kom ik eens op, maar ik ben dan weer spoedig door de pijn gedwongen naar bed te gaan. De ergste pijn gaat dan weer over, zodat mijn bevende hand weer vast wordt, en beide mijn lichaam en mijn gemoed rustiger worden. Deze brief is een bewijs voor wat ik zeg, want ik zit deze in bed te schrijven, leunende op mijn elleboog. Als ik aan de tafel was gaan zitten had ik niet zoveel of zo goed kunnen schrijven. De Heere doet mij van goedertierenheid zingen, want mijn bedstede vertroost mij, en mijn leger neemt van mijn klacht wat weg. Ook word ik, als de arme Job, niet met dromen ontzet en door gezichten verschrikt. Menigmaal zijn mijn overdenkingen van Hem zoet in de stille nachtwaken. Vele, vele malen, zegt de Heere: "Ik ben de Heere, uw God", en dan volgt: "0 mijn ziel, gij hebt tot de Heere gezegd, Gij zijt mijn God. Ik ben Uwe, o David, en met u ben ik, gij zoon van Isaï". Mijn elleboog begint vermoeid te worden.

Uw liefhebbende vader,

Ebenezer Erskine

 

Ralph Erskine

Ralph Erskine was een volle broer van Ebenezer en geboren te Monilaws, Northumberland (in het noorden van Engeland), de 18e maart 1685. Hij gaf reeds vroeg blijken van een bedachtzame en godvruchtige gesteldheid. Zelf de genade Gods ondervonden hebbende achtte hij het zijn plicht, met toestemming van zijn ouders, zich aan het werk van de bediening te geven, opdat hij een middel mocht zijn, om anderen tot de gehoorzaamheid van het geloof te brengen. Hij studeerde daartoe aan de Universiteit van Edinburgh. In die tijd bewoonde hij een kamer in Parliament Square, dat toen bijna geheel afbrandde, waarbij hij door de goddelijke voorzienigheid wonderlijk bewaard werd, daar hij nauwelijks de dood ontkwam, als hij met enige boeken door de vlammen heen moest. Hij was een aanmerkelijke tijd onderwijzer en huisprediker in het gezin van Kolonel Erskine, dichtbij Culross, waar hij de evangelische bediening en de stichtelijken omgang genoot van de Eerw. heer Cuthbert, predikant van die plaats.

Terwijl hij hier was bezocht hij bij gelegenheid zijn broeder te Portmoak, en bleef dan enige tijd bij hem. Bij een van deze gelegenheden had hij de volgende liefelijke bevinding, die hij in een brief aan de Eerw. heer Shaw te Leith meedeelde. Het is nu, naar mijn schatting, meer dan vijf en twintig jaren geleden, dat ik, toen ik zo nu en dan in Portmoak vertoefde en diep bekommerd was over mijn eeuwige zaligheid, u bij een avondmaalsbediening te Ballingray hoorde prediken over Joh. 18:37: "Zijt Gij dan een Koning?" door welk middel enige stralen van Koning Jezus in mijn hart schenen, zodat alle wereldse heerlijkheid verdonkerde, en mijn ziel in onverzadelijke uitgangen naar Hem werd uitgehaald. En hoewel ik er niet van tussen kan te hopen, dat Hij sedert, van tijd van tijd, verdere en helderder gezichten heeft geschonken van Hemzelf, en van de heerlijke verborgenheid van zijn zaligmaken van zonde en toorn uit vrije genade, lopende door het kanaal van het bloed van de Middelaar, en van de genade heersende door Zijn rechtvaardigheid tot het eeuwige leven (Rom. 5:21): nochtans, omdat dit een van de allereerste gezichten was, die Hij opmerkelijk beliefde te schenken, kan ik dat nooit geheel vergeten. Ik denk, dat de bergen achter het huis van mijn broeder getuigen zullen van enkele van de zaligmakende vruchten en uitwerkingen van die preek, die u die maandag gedaan heb. Doch o! Vele heuvelen en bergen van een andere soort heb ik sedert in mijn weg gezien, en dat genade er nochtans overheen is komen springen. Onlangs heeft de Heere mij in diepe wateren van verdrukking gevoerd, en ik meen, dat Hij mij ook enige van Zijn wonderwerken in de diepte heeft doen zien." Omtrent die tijd zou hij een avondmaalsbediening te Libberton, bij Edinburgh, bijwonen. Haast hebbende om over de Firth te komen verzuimde hij zijn morgengodsdienst. Op zijn weg tussen Leith en Edinburgh ontmoette hij een arme man, wie hij, zonder daarom gevraagd te worden, een aalmoes gaf. De arme man scheen zeer aangedaan over Erskine’s milddadigheid, en bedankte hem hartelijk voor zijn vriendelijkheid, te kennen gevend, dat hij hem des te meer verplicht was, omdat hij er niet om gevraagd had. Onmiddellijk kwamen Erskine deze woorden voor (Jes. 56:1): "Ik ben gevonden van degenen, die mij niet zochten." Terwijl hij over die woorden liep te peinzen, dacht hij: "Wat een goedertierenheid zou dat zijn, als de Heere mij in Zijn instellingen te Libberton zou bezoeken, niettegenstaande mijn plichtverzuim van deze morgen. Deze overdenking wekte zijn ziel op, in de gebed om de tegenwoordigheid Gods te worstelen, welke hem bij die gelegenheid op een aanmerkelijke wijze te beurt viel. Hoe goed is God in de gebeurtenissen en voorvallen van het leven als instrumenten te gebruiken om zijn volk te bestraffen en te onderwijzen.

Binnen de Classis Dunfermline verblijf houdende werd hem door haar, de 8e Juni 1709, vergunning gegeven het Evangelie te prediken. Hij stond daar echter niet lang als proponent, want hij werd door de gemeente van Dunfermline spoedig met algemene stemmen beroepen als predikant naast Mr. Buchanan. Door zijn vriend Mr. Cuthbert werd hij daar in Augustus 1711 bevestigd.

Men verhaalt van hem het volgende waaruit zijn ernstige godsvrucht blijkt. Gedurende zijn bediening te Dumfermline werd daar iemand terechtgesteld wegens roverij. Erskine bezocht hem dikwijls in de gevangenis, waar hij ernstig met hem sprak en bad. Met de overheden vergezelde hij hem op het schavot, vanwaar hij de menigte en de misdadiger toesprak: "Had weerhoudende zaligmakende genade mij niet bewaard, dan zou dit verdorven hart mij in deze de staat hebben gebracht van deze ongelukkige man."

Hoewel hij grote natuurlijke gaven had, trachtte hij al zijn geleerdheid dienstbaar te maken aan zijn theologische studie. Hij was ervan doordrongen, dat zijn evangeliebediening een zweer werk was, en daarom oefende hij zich door onvermoeid studeren. Deze begeerte naar vermeerdering van kennis bleef hem tot het laatst toe bij, en hij was ogenschijnlijk nooit meer verblijd dan wanneer hij zonder onderbreking in zijn studeervertrek mocht doorbrengen. Hij was waarlijk evangelisch en verzette zich krachtig tegen de wettische leer, die in zijn dagen als een vloed trachtte in te komen. Mr. Brown van Haddington in zijn laatste dagen met een broeder sprekende kwam Dunfermline ter sprake. Hij zeide met hoeveel genoegen hij zich de tijd herinnerde, wanneer hij over de heuvels van Cleis ging om die grote man Gods, Ralph Erskine, te horen, wiens preken door de Geest Gods aan zijn hart werden toegepast. "Het was mij bij tijden", zeide hij, "of ik de God van Bethel daar ontmoette, en Hem zag van aangezicht tot aangezicht." Erskine zelf zegt: "Ik heb mijn bediening van de Heere gekregen, en hoe onwaardig ik die geweest ben, toch durf ik niet ontkennen, dat Hij mij daarin vele malen heeft erkend, en er van tijd tot tijd vele zegels aan gehecht heeft."

In het laatst van September 1752 werd hij door een zenuwkoorts aangegrepen, welke slechts kort duurde. Toen zijn einde naderde hief hij zijn handen op en riep uit: "Overwinning! Overwinning voor eeuwig!" En ook zeide hij: "Ik sterf als een grote schuldenaar aan vrije genade." Na een ziekte van acht dagen ontsliep hij in de Heere in het 68e jaar van zijn leven en 42e van zijn bediening.

Hij heeft een zeer gelukkig huwelijk gehad. In een brief aan een vriend schrijft hij: "Ik heb een goede vrouw, die van de Heere is. Één vrouw is in de hemel, en de tweede heb ik nu op aarde, en ik mag geloven, dat ik ze beiden van hem heb gekregen. Ik heb ze begeerd, en Hij heeft ze gegeven. Eer zij vrije genade door Jezus Christus, zonder welke ik niet kon vragen, noch verkrijgen." Uit zijn eerste huwelijk had hij tien kinderen, en zijn tweede vrouw, die hem enkele jaren overleefde baarde hem vier kinderen. Drie van zijn zonen zijn predikant geworden. Zij zijn echter allen in de bloei van hun leven gestorven, toen zij hoge verwachtingen hadden verwekt, dat zij nuttig zouden zijn in de kerk.

Heeft het de Heere behaagd de prediking van de Erskines bij hun leven te zegenen, en heeft Hij ook tot hiertoe door Zijn Geest getuigenis gegeven aan hun nagelaten geschriften; dat ook dit getuigenis van God nog verder het deel moge zijn van velen, die deze preken zullen lezen of horen, is de hartelijke wens en bede van de vertaler.

Uw dienstwillige dienaar,

C. B. Woerden

 

 

 

Gods duiven vliegende tot Zijn vensters

Jes. 60:8. Wie zijn deze, die daar komen gevlogen als een wolk, en als duiven tot haar vensters?

 

In het laatste vers van het voorgaande hoofdstuk, had God een belofte gedaan, dat de Kerk op aarde zou blijven bestaan tot aan het einde van de eeuwen. "Mij aangaande, dit is Mijn verbond met hem, zegt de HEERE, Mijn Geest, die op u is, en Mijn woorden, die Ik in uw mond gelegd heb, die zullen van uw mond niet wijken, noch van de mond uws zaads, noch van de mond des zaads uws zaads, zegt de Heere, van nu aan tot in eeuwigheid toe." Hier, in het begin van dit hoofdstuk, hebben wij een belofte van de uitbreiding van de Kerk onder het Nieuwe Testament tot aan de uiterste einden van de aarde: (vs. 3,4) "En de Heidenen zullen tot uw licht gaan, en koningen tot de glans, die u is opgegaan. Heft uw ogen rondom op, en ziet, alle die zijn vergaderd, zij komen tot u: uw zonen zullen van ver komen, en uw dochters zullen aan uw zijden gevoedsterd worden." Ons wordt ook medegedeeld hoe ingenomen de Kerk zal zijn met deze vermeerdering in aantal en de uitbreiding van haar landpalen (1.) Zij zal hierover in een verrukking van blijdschap komen: (vs 5.) "Dan zult u het zien en samenvloeien," enz. (2.) "En uw hart zal vervaard zijn": alsof het iets ongeoorloofde was zich met de Heidenen te verenigen. (3.) Zij zal met liefde worden verwijd, zodat zij plaats zal overlaten voor allen, die uit de Heidenen bekeerd worden. (4.) Zij zal met verbazing en verwondering worden bevangen, zeggende: "Wie zijn deze, die daar komen gevlogen als een wolk, en als duiven tot haar vensters?"

Hier zijn vier dingen opmerkelijk. 1. Wij hebben hier een liefelijk gezicht, dat de Oud Testamentische Kerk krijgt van de staat van zaken onder het Nieuwe Testament, op de openbaring van Christus in het Evangelie onder de Heidenen. Zij ziet arme zielen, die in grote menigten tot een Zaligmaker komen gevlogen, en een liefelijker gezicht is op aarde niet te zien. 2. Aanmerkt de wijze van hun vlucht; zij vliegen als een wolk, en als duiven. Hierover hierna meer in het bijzonder, wanneer wij de leer behandelen. 3. Let op het voorwerp van hun vlucht: zij vliegen tot de vensters, om daar toevlucht te vinden. Evenals de vensters van de ark van Noach, waardoor de duif inging, toen zij geen plaats voor het hol haars voets kon vinden, vanwege de watervloed. 4. Let op de aangename verwondering waarin dat gezicht de Profeet van de Kerk van het Oude Testament bracht. Dit wordt te kennen gegeven door de wijze van spreken: Wie zijn deze? Zij wordt met verbazing bevangen op het gezicht, dat de zondaren uit de Heidenen, vervreemd van het burgerschap Israëls, en vreemdelingen van de verbonden van de belofte, tot Christus toevloeien. Het was dan ook een deel van de grote verborgenheid van de godzaligheid, dat Christus de Heidenen gepredikt werd, en dat de Heidenen in Christus geloofden ( 1 Tim. 3:16).

Opmerking. Dat zondaren tot een Zaligmaker komen gevlogen is een liefelijk en verbazend gezicht. "Wie zijn deze, die daar komen gevlogen als een wolk. en als duiven tot haar vensters?"

Wij zullen deze leer met Gods hulp op de volgende wijze verhandelen.

I. Een weinig spreken over dit vliegen van de zondaar tot Christus, en aantonen wat dit te kennen geeft.

II. Verder zal ik iets spreken over de wijze van dit vliegen; "zij vliegen als een wolk, en als duiven." Wat in deze overdrachtelijke spreekwijze opgesloten kan liggen.

III. Dan zullen wij een weinig spreken over deze vensters tot welke zij vliegen.

IV. Aantonen, dat dit een aangenaam en verbazend gezicht is, en

V. Tenslotte het geheel toepassen.

I. Ons eerste punt is, dat wij een weinig zullen spreken over dit vliegen van een zondaar tot Christus, de Zaligmaker.

1e Dit vliegen veronderstelt, dat de zondaar enig geestelijk leven en gevoel gegeven is; want er kan geen vliegen zijn zonder leven. De zondaar is van nature dood in zonde, wettelijk dood, en geestelijk dood: (Ef. 2:1) "En u heeft Hij mede levendgemaakt, daar gij dood waart door de misdaden en de zonden." De Geest des levens, Die in Christus Jezus is, komt in de dode ziel, en maakt haar levend, en geeft ten minste een gevoel van haar toestand, anders kan er geen vluchten tot Christus zijn.

2e Dit vliegen veronderstelt of geeft te kennen een bevatting van, en vrees voor het gevaar van een achtervolgende vijand. De arme ziel is ertoe gebracht, dat zij het gevaar van de verbroken wet, het zwaard van de gerechtigheid, de bloedwreker, ziet, en dat doet haar, evenals de stokbewaarder, bevende uitroepen: "Lieve heren, wat moet ik doen, opdat ik zalig worde?"

3e Dit vliegen van de ziel tot Christus geeft een verzaking te kennen van het geloof van die toevluchten van de leugens, waarin zij tevoren vertrouwde. In het vliegen tot Christus verwerpt een mens zijn ledige belijdenis, zijn gewone gaven, zijn gewone genaden, zijn vorderingen in het Evangelie, zijn werken van de wet, zijn eigen heiligheid en gerechtigheid, zijn tranen en gebeden. Zijn gerechtigheid kan hem geen voordeel aanbrengen, daarom roept hij uit: (Hosea 14:4) Assur zal ons niet behouden, wij zullen niet rijden op paarden, en tot het werk van onze handen niet meer zeggen: Gij zijt onze God; immers zal een wees bij U ontfermd worden". Waarlijk tevergeefs verwacht men het van de heuvelen en de menigte der bergen; waarlijk in de Heere onze God is Israëls heil."

4e Het sluit een ontdekking en een begrip van Christus, en van Zijn zaligheid in, zoals Hij in het Evangelie wordt voorgesteld. Een straal van Goddelijk licht schijnt in het hart, namelijk, het licht van de kennis van de heerlijkheid Gods in het aangezicht (of de persoon) van Jezus Christus"; waarbij de mens ziet, dat Hij waarlijk is, zoals het Evangelie Hem voorstelt, een weergaloos en onvergelijkelijke Zaligmaker; "de man van Gods rechterhand" Ps. 80:18; "de Man, die Gods Metgezel is" (Zach. 13:7), en daarom machtig, volkomen zalig te maken degenen, die door hem tot God gaan.

5e Dit vliegen van de ziel tot Christus sluit in, dat zij Christus en de weg van de zaligheid door Christus hartelijk goedkeurt als een goddelijke ordening, die beraamd is, zowel tot Zijn eer als tot haar veiligheid en zaligheid. O, zegt die mens; "Dit is waarlijk een getrouw woord, en aller aanneming waardig, dat Christus Jezus in de wereld gekomen is, om de zondaren zalig te maken." Ik zie, dat deze wijze van zaligmaken door de verse en levende weg in elk opzicht van de wijsheid Gods waardig is, en beraamd tot de openbaring van de heerlijkheid van Zijn heiligheid, rechtvaardigheid, soevereiniteit, getrouwheid, en elke andere eigenschap van God, die door de zonde van de mens verkleind is geworden. Daarom keurt die mens deze weg met zijn ganse ziel goed, en hij zegent God, dat Hij zo’n plan heeft uitgedacht.

6e Dit vliegen geeft een sterk en vurig verlengen te kennen, om deze Zaligmaker tot zijn Deel te hebben, en in hem gevonden worden: "Och of ik wist, dat ik hem vinden zou!" O, dat ik met Zijn bloed gewassen, met Zijn gerechtigheid bekleed, en door Zijn Geest geheiligd mocht worden!" "Ja," zegt Paulus, "ik reken alle die dingen schade, en acht die drek te zijn, opdat ik Christus moge gewinnen."

7e Het geeft een hoop te kennen van Hem te gewinnen, en in Hem beschutting te vinden en gezaligd te worden. Indien er toch geen hoop van zaligheid is zal een mens nooit de toevlucht nemen, en deze hoop is gegrond op het ontwerp van de vleeswording en van de openbaring van Hem in het Woord; de genadige gift van Hem in het Woord gedaan; de vrije belofte van het leven en van vergeving van zonde door hem; de roeping, aanbieding en het gebod van God, om tot Hem te komen, en de verlossing, die anderen bij hem gevonden hebben.

8e Een berusten en betrouwen op Hem, en op Hem alleen, tot rechtvaardigheid, leven, vrede, vergeving en zaligheid voor zichzelf in het bijzonder. Die mens gelooft niet alleen, dat Christus een Zaligmaker is, en dat de zaligheid in hem te verkrijgen is voor de uitverkorenen, of voor de gelovigen, maar hij gelooft in Hem en vertrouwt op Hem tot zaligheid: "Maar wij geloven door de genade des Heeren Jezus Christus zalig te worden, op zulke wijze als ook zij." Geloof of vertrouwen wordt in de Schrift gewoonlijk uitgedrukt bij wijze van toeëigening of toepassing. De mens ziet op Christus als door God in het Evangelie gegeven en aangeboden, en hij zegt met Thomas: "Mijn Heere en mijn God;" of met Paulus: Die mij liefgehad heeft, en Zichzelf voor mij overgegeven heeft;" Hij is onze Heere Jezus Christus. Hij ziet op de God en de Vader van Christus, en zegt: "Hij is mijn God en Vader, en de Rotssteen mijns heils." Hij ziet op het verbond van de genade en van de belofte, dat verzegeld is met het bloed van de Verlosser, en zegt met David: "Voorzeker is hierin al mijn heil, dat Hij mij (in Christus) een eeuwig verbond heeft gesteld, dat in alles welgeordineerd en bewaard is." Ik erken echter, dat dit toepassend geloof in alle gelovigen niet even sterk is, en, dat het in dezelfde gelovige ten alle tijde niet even sterk is. De droevige ondervinding toch doet ons duidelijk zien, dat het geloofsvertrouwen zo treurig geschud en aan het wankelen gebracht kan worden door ongeloof, verzoeking en verlating, dat hij soms zal uitroepen: "Houdt Zijn goedertierenheid in eeuwigheid op? Heeft God vergeten genadig te zijn? Ik ben uitgestoten van voor Uw ogen." Men moet echter bedenken, dat hoewel deze flauwten, vrezen en twijfelingen in de gelovige zijn, die echter niet in het geloof zijn; ja, zijn geloof staat tegenover deze twijfelingen en vrezen, en bestrijdt die steeds: "Wat zijt gij vreesachtig, gij kleingelovige? Vrees niet, geloof alleenlijk." In zoverre het geloof de overhand krijgt over deze vrezen en twijfelingen, zover zal hij vertrouwen hebben tot zijn persoonlijke toeëigening. Laat het geloof het hoofd opheffen, en het zal zijn eigen taal spreken: "Gij zijt toch onze Vader; onze Verlosser van ouds af, is Uw Naam". Zo ziet u wat dit vliegen te kennen geeft.

II. Ons tweede punt is een weinig te spreken over de wijze van dit vliegen van de ziel tot Christus. Dit wordt ons hier in de tekst voorgesteld onder tweeërlei overdrachtelijke spreekwijze: 1e Zij vliegen als een wolk. 2e Zij vliegen als duiven tot haar vensters.

1e Hier word gezegd, dat zij komen gevlogen als een wolk. Dit geeft de volgende bijzonderheden te kennen.

1. Dit wijst op de menigten van hen, die onder de Nieuw Testamentische bedeling tot het geloof in Christus zouden bekeerd worden. Een wolk geeft dikwijls in de Schrift een menigte te kennen. (Hebr. 12:1). "Alzo wij zo groot een wolk van de getuigen rondom ons hebben liggende," dat is, zo’n grote menigte getuigen. Zo ook hier: "Wie zijn deze die daar komen gevlogen als een wolk?" Het wil zeggen, dat, gelijk er ontelbare druppels regen, of deeltjes mist en damp in een wolk zijn, er zo ook, onder het Nieuwe Testament, ontelbare menigten zouden zijn, die door het geloof tot Christus zouden vliegen. Volgens de berekening in Openb. 7 konden zij onder het Oude Testament geteld worden. Daar wordt gezegd (vs. 4) dat het getal van degenen, die verzegeld waren uit alle geslachten van de kinderen Israëls, honderd en vier en veertig duizend was: doch als hij spreekt (vs. 9) over de bekeerden uit anderen natiën en volken, dan worden zij een grote schare genoemd, die niemand tellen kon. Dit voorzag de Profeet Jesaja in het vers, dat onze tekst onmiddellijk voorafgaat, en eveneens in hfdst. 54:1 "Zing vrolijk, gij onvruchtbare, die niet gebaard heeft, maak geschal met vrolijk gezang, en juich, die geen barensnood gehad heeft, want de kinderen van de eenzame zijn meer, dan de kinderen der getrouwde, zegt de HEERE. O wat een wolk van heiligen zijn naar de hemel gegaan sedert het Evangelie onder de Heidenen is gepredikt geworden! En wat een wolk van hen zijn uit ons land naar de hemel gegaan, van de tijd af, dat het Evangelie onder ons gepredikt is! Het is droevig, dat er in onze tijd in dit geslacht zo weinigen zijn, in vergelijking van vorige dagen, toen de Geest uit de hoogte over ons werd uitgegoten; hoewel er God zij dank, al zijn er weinig, nog een tamelijk aantal zijn, doch weinig ten aanzien van hen die naar de hel snellen.

2. Zij vliegen als een wolk. Dit kan de eenstemmigheid van deze bekeerden betekenen. Zij volgen allen een weg, evenals een wolk, die langs de hemel vliegt, allen verbonden aan een Hoofd, Christus Jezus; allen samengevoegd in een band van Christelijke liefde. Zij worden allen bewerkt door dezelfde Geest Gods en der heerlijkheid, Die op hen rust: zij zijn allen gekleed met dezelfde klederen van toegerekende en inhangende gerechtigheid; zij hebben allen een merkteken, zij zijn allen erfgenamen van dezelfde erfenis, en zij reizen allen op dezelfde weg, "de nauwe en enge weg, die tot het eeuwige leven leidt."

3. De wolk vliegt op de vleugelen van de wind, en waarheen de wind haar voert, daarheen gaat zij. Zo ook worden al de gelovigen in hun loop bewerkt, bewogen en gedreven door de wind van de invloeden van de Geest. Wanneer de wind blaast dan versnellen de wolken hun beweging. Evenzo is het met de gelovigen. Indien de Geest wordt ingehouden, dan liggen zij als een schip, dat wegens windstilte niet vooruit kan, doch wanneer de bries van de hemelse wind waait, dan lopen zij de weg van Gods geboden. Vandaar dat gebed van de Bruid: (Hoogl. 4:16) "Ontwaak Noordenwind, en kom u Zuidenwind, doorwaai mijn hof, dat zijn specerijen uitvloeien." Het was een vlaag van die hemelse wind welke de Kerk deed uitroepen: (Eng. Overz. Hoogl. 6:12) "Eer ik het wist, werd mijn ziel als de wagens van Amminadib."

4. Zij vliegen als een wolk. Dit wil zeggen, dat er veel van de soevereiniteit van God en van de onweerstaanbaarheid van Zijn genade in de vlucht van een zondaar tot Christus openbaar wordt. De wolken worden Gods wagens genoemd, en de wagen Gods kan in zijn beweging niet tegengehouden of belemmerd worden. "Wie kan de beweging van de wolken des hemels tegenstaan?" Neen, al de machten van de hel en van de aarde kunnen die niet tegenhouden; zo ook kan het werk van de genade Gods in het overbrengen van een zondaar uit de staat van de natuur in die van de genade niet worden belemmerd. Het is de vrucht van aanbiddelijke vrijmacht, en Hij zal Zijn werk voortzetten, al is het, dat duivels en mensen woeden, en de inwendige verdorvenheid doet wat zij kan om Zijn werk te beletten en te verhinderen: "Ik zal het stenen hart uit uw vlees wegnemen, en zal u een vlezen hart geven. En wie heeft Zijn wil wederstaan?" Zijn arm, die Hem heil beschikt heeft in een weg van verwerving, totdat Hij kon zeggen: "Het is volbracht", zal dit werk ook voortzetten in een weg van krachtdadige toepassing: "Uw volk zal zeer gewillig zijn op de dag Uwer heirkracht. Al wat Mij de Vader geeft zal tot Mij komen." Het werk, dat Hij in handen neemt kan niet verhinderd worden, want de Heere is een Rotssteen Wiens werk volkomen is."

5. Wie zijn deze, die daar komen geologen als een wolk? Dit geeft te kennen, dat Gods genadewerk van een verborgen en geheimzinnige natuur is. De Schrift drukt veelal duistere en verborgen bedelingen door een wolk uit: "Rondom Hem zijn wolken en donkerheid", dat is, Zijn bedelingen zijn verborgen. Zo ook hier: "Wie zijn deze, die daar komen gevlogen als een wolk?" dat: is het wonderlijk en een verborgenheid, te zien, hoe de Heere een zondaar door het geloof de toevlucht tot Christus doet nemen. Gods weg hierin is een grote diepte, die niet te doorgronden is. Christus zegt daarvan tot Nicodemus: (Joh. 3:8) "De wind blaast waarheen hij wil, en gij hoort zijn geluid, maar gij weet niet vanwaar hij komt, en waar hij heengaat; alzo is een iegelijk, die uit de Geest geboren is",

6. De wolken zijn dampen, die door de hitte van de zon door de aarde worden uitgewasemd, en zich boven de aarde verheffen en naar de hemel opstijgen. Evenzo wordt de zondaar, die in een ruisende kuil en modderig slijk ligt, en het stof van de aarde lekt, door de verwarmende invloeden van de goddelijke genade, namelijk door de stralen van de Zon der gerechtigheid, opgehaald, en tot God en de hemel opgetrokken, zodat hij de dingen gaat zoeken, die boven zijn. "Zij varen op met vleugelen" (Jes. 40:31) "zij zoeken een beter vaderland, dat is, het hemelse" (Hebr. 11:14,16).

7. Wanneer de wolken door de almachtige kracht van God ophouden. Zo ook worden de gelovigen, wanneer zij in een staat van genade zijn gebracht, daarin "door de kracht Gods bewaard, door het geloof, tot de zaligheid". Gelijk de wolken in de hand des Heeren zijn, zo zijn dat ook al de heiligen: "Al Zijn heiligen zijn in uw hand.’ (Joh. 10:28) "Ik geef hun het eeuwige leven, en zij zullen niet verloren gaan in der eeuwigheid, en niemand zal dezelve uit Mijn hand rukken; (vs. 29). Mijn Vader, die ze Mij gegeven heeft, is meerder dan allen en niemand kan ze rukken uit de hand Mijns Vaders."

8. Hoewel de wolken er voor het oog donker uitzien, nochtans is er een zegen in; zij doen de regen op de aarde neerdalen, hetwelk bijdraagt tot haar vruchtbaarheid. Zo is het ook met het werk van de genade in de ziel, hoewel het er in het begin donker uitziet, nochtans is er in zijn voortgang een zegen in, een zegen voor de ziel, wanneer zij in Christus is aangeland. Al is de wereld de gelovigen kwalijk gezind, nochtans zijn zij een zegen voor de wereld en zij dragen bij tot hun bewaring en vruchtbaarheid. Gij weet, dat de wolken door de regen de aarde bevochtigen, en wat de gelovigen aangaat, waar zij ook komen, benaarstigen zij zich kennis van Christus mee te delen; want de lippen van de rechtvaardigen gieten vele van die druppelen uit. De Profeet spreekt hier van: (Micha 5:6) "Het overblijfsel Jacobs zal zijn in het midden van vele volken, als een dauw van de Heere, als droppelen op het kruid, dat naar geen man wacht, noch geen mensenkinderen verbeidt." En zo ziet u, waarom van hen gezegd wordt, dat zij vliegen als een wolk.

2e Hier staat van hen geschreven, dat zij vliegen als duiven tot haar vensters. Neemt de gelijkenis in de volgende bijzonderheden.

1. U weet, dat de duif een vreesachtig schepsel is, zij is spoedig verschrikt. Zo zijn de gelovigen bevreesd voor de zonde, bevreesd om de majesteit van God te beledigen; daarom worden zij gewoonlijk beschreven als dezulken, die de Naam des Heeren vrezen. Zij zijn bevreesd voor de satan, die brullende leeuw, evenals de duiven bevreesd zijn voor de roofvogels, die hen willen verscheuren en verslinden; zij zijn bang voor de strikken van de wereld en de gelegenheden om te zondigen, daarom haten zij de rok, die van het vlees bevlekt is.

2. De duif heeft geen andere wapenen dan haar vleugels; zij kan niet vechten, daarom vliegt zij van de vijand tot haar vensters. Zo ook is de enige veiligheid voor een gelovige, dat hij door het geloof tot Christus vliegt. Daarom wordt van hen gezegd, dat zij "de toevlucht genomen hebben om de voorgestelde hoop vast te houden." Wanneer de arme gelovige door de stormen van verdrukking, verzoeking, verlating, vervolging, en de werkingen van een lichaam de zonde en des doods geslingerd wordt, is hij geneigd met David te zeggen: "Och, dat mij iemand vleugelen als ener duive gave! Ik zou heen vliegen, waar ik blijven mocht’’ (Ps. 55:7).

3. De vleugels van een duif zijn zeer schoon. Daarvan staat geschreven, dat zij zijn "overdekt met zilver, en welker vederen zijn met uitgegraven geluwen goud." Zo is de vlucht van het geloof tot Christus hem liefelijk en vermakelijk. Hij verklaart zelf, dat die Hem bekoorlijk is: (Hoogl. 4:9) "Gij hebt Mij het hart genomen, mijn zuster, o Bruid; gij hebt Mij het hart genomen met een van uw ogen, met een keten van uw hals." Toen de discipelen wederkeerden van hun prediken van het Evangelie in de steden Israëls, en Christus meedeelden, dat er velen geloofden, verheugde Hij Zich in de geest. Christus verblijdt zich hartelijk als zondaren onder de schaduw van Zijn vleugelen toevlucht nemen, en er is blijdschap in de hemel over een zondaar, die door het geloof tot Hem vlucht.

4. De duif is een kirrend of kermend schepsel, en van het overblijfsel van Israël staat geschreven, dat zij allen zullen zijn gelijk duiven van de dalen kermende, een ieder om zijn ongerechtigheid. De vlucht van het geloof tot Christus is boetvaardig, en met geween over de belediging, die de ziel een God van liefde heeft aangedaan. Het oog van het geloof is een wenend oog: Zach. 12:10) "Zij zullen Mij aanschouwen, Die zij doorstoken hebben; en zij zullen over Hem rouwklagen als met de rouwklage over een enige zoon; en zij zullen over Hem bitterlijk kermen, gelijk men bitterlijk kermt over een eerstgeborenen."

5. De duif is een onnozel schepsel, zonder geslepenheid of listigheid. Wij lezen van oprechtheid van de duif en van de voorzichtigheid en listigheid van de slang; zo ook gaat het geloof met veel eenvoud gepaard, het is dat eenvoudig oog, dat het gehele lichaam verlicht. Wanneer de gelovigen zich tot Christus begeven, leggen zij de wijsheid en het beleid van het vlees af. Toen Paulus een gelovige werd ging hij niet meer met vlees en bloed re rade; de gelovigen benaarstigen zich, niet in vleselijk wijsheid, maar in eenvoudigheid en oprechtheid Gods, in de wereld te verkeren. Helaas! Hiervan is in onze tijd weinig onder leraars en belijders, weinig in de gerechtshoven, waar alle zaken met vleselijk wijsheid en omzichtigheid worden behandeld, om mensen, voornamelijk de groten, te behagen, wat ook van Christus kleinen wordt.

6. De duif is een rein schepsel en schept veel behagen in helder water en reine plaatsen. Zo geeft het te kennen, dat de vlucht van het geloof tot Christus van een reinigende en heiligende natuur is. Wanneer de ziel tot Christus de toevlucht neemt, wendt zij zich tot Hem om door Hem zowel van de schuld als van de onreinheid van de zonde gereinigd te worden. Wanneer het beginsel van het geloof in de ziel is ingeplant, is het altijd werkzaam en worstelende tegen de zonde, waar het die ook vindt, voornamelijk in het hart; en evenals de levende springader in de bron is het voortdurend in werking, totdat de modder en het vuil van de zonde is uitgeworpen, (Hand. 15:9) "gereinigd hebbende hun harten door het geloof."

7. De duif is een gezellig schepsel, zij heeft lust in gezelschap te zijn van anderen van haar soort; men ziet ze dan ook gewoonlijk in troepen vliegen. Zo zoeken ook de gelovigen elkaars gezelschap, zij houden er niet van met gieren, valken en raven mee te vliegen, doch zij zoeken hun broederschap. De heiligen willen graag in elkaars gezelschap zijn; zij die de Heere vrezen zijn aan elkaar verbonden, zij spreken dikwijls met elkaar: (Mal. 3:16) "Alsdan spreken, die de Heere vrezen, een ieder tot zijn naaste."

8. De vlucht van een duif is snel. En wat is sneller dan de vlucht van het geloof en van de liefde, waardoor de gelovige in een ogenblik van de aarde naar de hemel opstijgt, en ingaat in het binnenste des voorhangsels, waar de Voorloper voor ons is ingegaan?9. De duif is een zeer onschuldig en onschadelijk schepsel, zij doet geen andere vogels kwaad. Zo ook trachten de gelovigen onberispelijk en oprecht te zijn, kinderen Gods, zijnde onstraffelijk in het midden van een krom en verdraaid geslacht.

III. Ons derde punt was, dat wij een weinig zullen spreken over de vensters, tot welke de gelovige vliegt.

Ik zal in de behandeling van dit punt over de volgende dingen spreken:

1e Dat God voor een huis voor Zijn duiven heeft gezorgd: want vensters zijn een deel van een huis. Welk soort van huis het is, dat God in Zijn oneindige wijsheid en liefde heeft gebouwd, kunt u zien in Spr. 9:1,2: "De opperste Wijsheid heeft Haar huis gebouwd; Zij heeft haar zeven pilaren gehouwen. Zij heeft Haar slachtvee geslacht, Zij heeft Haar wijn gemengd; ook heeft Zij Haar tafel toegericht." God bouwde een huis waarin Hij, bij Zijn schepping, met de mens ging wonen, doch dat huis stortte ineen met de val van Adam en de verbreking van het eerste verbond; toen gingen God en de mens bij elkaar vandaan. Doch Gods hart vol van liefde zijnde tot de mens, die op de aarde was, kon Hij er niet over denken geheel van hem te scheiden en daarom, hoewel Hij voor een poosje de samenwoning met hem verbrak, zond Hij nochtans zijn Zoon om hem een nieuw huis te bouwen, waarin Hij weer bij de mens kon wonen, want (Eng. Overz. Spr. 8:31) "Hij verheugde Zich in de bewoonbare delen van de aarde, en Zijn vermakingen waren met der mensen kinderen". Dientengevolge komt Christus in de wereld, en legt het fondament van een nieuw huis, dat in Sion gegrond is, en Hijzelf is als het fondament van dat huis gelegd, een beproefde steen, een kostelijke hoeksteen, die wel vast gegrondvest is.’ En dit is een huis, niet krachtens verdienste van de werken, maar een huis van vrije goedertierenheid: (Ps. 89:3) "Want ik heb gezegd: Uw goedertierenheid zal eeuwiglijk gebouwd worden."

2e Ik merk op, dat in dit huis van de barmhartigheid, dat de wijsheid voor verloren zondaren van Adams geslacht heeft gebouwd een toevlucht is; daarom wordt hier van de duiven gezegd, dat zij tot hun vensters vliegen. Ziet welke toevlucht hier voor een zondaar is; die door de wet, de rechtvaardigheid en de duivel achtervolgd wordt: (Jes. 32:2) "En die Man (namelijk de Mens Christus Jezus, de Man van Gods rechterhand, de Heere des huizes) zal zijn, als een verberging tegen de wind, en een schuilplaats tegen de vloed, als waterbeken in een dorre plaats, als de schaduw van een zware rotssteen in een dorstig land". O vrienden, door de openbaring van Christus in de Kerk, heeft de zaligheid een plaats in Sion gekregen, en Hij nodigt alle verschrikte duiven: "Wendt u naar mij toe, wordt behouden; want ik ben God, en niemand meer".

3e Ik merk op, dat er licht is in het huis. dat God voor Zijn duiven gebouwd heeft. Vensters in een huis dienen om licht in te laten. De Kerk, het huis Gods, is een helder, licht huis, waarom het een dal des gezichts genoemd wordt. Overal waar God een kerk sticht, zal het volk, dat in duisternis wandelt een groot licht zien, en degenen, die wonen in het land van de schaduw des doods, over dezelven zal een licht schijnen". Het richt van de Zon der gerechtigheid schijnt in de Kerk; het schijnt in de bediening van het Woord, en het schijnt in de openbaring van de Heilige Geest in de harten van de bewoners. Daarom worden allen, die in het huis wonen, "kinderen des lichts en des daags" genoemd.

4e De vensters van dit huis zijn open; want de duiven vliegen niet in de vensters van een huis, die gesloten zijn. O vrienden! God houdt de deuren en vensters van Zijn huis open voor allen die komen. Of een zondaar bij dag of bij nacht tot Christus komt, hij is altijd welkom: "Die tot mij komt, zal ik geenszins uitwerpen"

5e Zondaren hebben recht en aanspraak, tot de Zaligmaker en tot Zijn zaligheid te komen, die in de instellingen van het Evangelie wordt uitgedeeld, want hier staat geschreven, dat zij komen gevlogen als duiven tot haar vensters. O vrienden, wij zeggen u dat Christus uw Christus is; evenals de engelen, toen zij Christus aan de herders predikten, tot hen zeiden: "U is een Zaligmaker geboren; Hij is niet ons, maar u geboren; Hij heeft niet onze, maar uw natuur aangenomen, daarom Hij komt u toe, opdat u in Hem geloven, Hem toepassen en Hem gebruiken zult. Daarom roept de kerk uit: (Jes. 4: 5) "Een kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven."

6e In Gods huis van barmhartigheid, of in de Kerk van Christus, is een verscheidenheid van inzettingen, waarin de gelovigen de toegang hebben tot de gemeenschap met hem. Hier wordt niet in het enkelvoud gezegd, dat zij als duiven tot haar venster zullen vliegen, maar dat zij komen gevlogen als duiven tot haar vensters.

Ik zal u hier enkele van die vensters opnoemen, waardoor de gelovigen, die Gods duiven zijn, op de vleugelen van het geloof ingaan in de gemeenschap met de Heere. Deze vensters zijn van tweeërlei soort; of meer in de afzondering en in het verborgen, of meer openlijk en in het openbaar.

1. Er zijn dan sommige vensters van het huis, die meer geheim en verborgen zijn, waardoor de duiven, zels in de slechtste tijden, ingaan in de gemeenschap met de Heere wanneer de openbare deuren van het heiligdom, hetzij, door bederf, of door vervolging, voor haar gesloten zijn, zodat zij daar geen toegang tot hem kunnen hebben.

(1). Daar is het verborgen venster van overdenking. Gods duiven zullen hierdoor in Zijn huis van barmhartigheid ingaan, en liefelijke gemeenschap met hem hebben, wanneer niemand ter wereld er iets van weet. Wanneer David in de woestijn van Juda was gedreven, in een land, dor en mat, zonder water, ver van het heiligdom of de openbare instellingen, vliegt hij nochtans in dit afgezonderd venster en vindt daar een liefelijk onthaal voor zijn ziel: (Ps. 63:6-8) "Mijn ziel zou als met smeer en vettigheid verzadigd worden, en mijn mond zou roemen met vrolijk zingende lippen. Als ik Uwer gedenk op mijn legerstede, zo peins ik aan U in de nachtwaken. Want Gij zijt mij een Hulp geweest, en in de schaduw van uw vleugelen zal ik vrolijk zingen."

(2). Er is het geheime venster van het verborgen gebed, hetzij dit een gelegenheids-, of een uitschietend, of een vastgesteld gebed is. De gelovige gaat menigmaal door dit venster in de gemeenschap met God in, zodat hij daar liefelijk mag weiden. De heiligen verlustigen zich zeer in dit venster. Niet zodra is Paulus bekeerd, of het wordt terstond van hem opgemerkt: Ziet, hij bidt. Wanneer David over Gods duiven spreekt, noemt hij ze "het geslacht van degenen, die het aangezicht van de God Jacobs zoeken" (Ps. 24:6). David zelf bezocht dikwijls dit venster van het verborgen gebed; zevenmaal ‘s daags zwierf hij daarheen, God heeft lust de stem van Zijn duive, in het gebed te horen: (Hoogl. 2: 14) "Mijn duive, zijnde in de klove der steenrotsen, in het verborgen ener steile plaats, toon mij uw gedaante, doe mij uw stem horen; want uw stem is zoet en uw gedaante is liefelijk," Hij nodigt zijn duiven hem dikwijls aan dit venster te komen bezoeken, en Hij belooft haar daar te zullen onthalen: (Matth. 7:7) "Bidt en u zal gegeven worden; zoekt en gij zult vinden; klopt en u zal opengedaan worden."

(3). Er is het venster van lof, en dank, en psalmzingen, niet alleen in het openbaar en in samenstemming met anderen, maar ook in de eenzaamheid en in het verborgen: Ef. 5:19-20) "Sprekende onder elkaar met psalmen, en lofzangen, en geestelijke liedekens, zingende en psalmende de Heere in uw hart; dankende allen tijd over alle dingen, God en de Vader, in de naam onze Heeren Jezus Christus." O dit venster van lof is een liefelijk venster voor de gelovige, voornamelijk wanneer hij de Heere ontmoet, en Hij daar mild met hem gehandeld heeft, in de verborgen of in de openbare instellingen. Dan zal hij met David zeggen: (Ps. 103:1-4) "Loof de Heere, mijn ziel, en al wat binnen in mij is Zijn heiligen Naam. Loof de Heere, mijn ziel, en vergeet geen van Zijn weldaden. Die alle uw ongerechtigheid vergeeft, die alle uw krankheden geneest. Die uw leven verlost van het verderf; Die u kroont met goedertierenheid en barmhartigheden."

(4). Dan is er het afgezonderd venster van het lezen van de Schrift. Dit heeft Christus Zijn duiven en alle mensen aanbevolen: (Joh. 5:39) "Onderzoekt de Schriften, want gij meent in dezelve het eeuwige leven te hebben, en die zijn het, die van Mij getuigen." De gelovige krijgt menige zoete maaltijd onder het lezen van Gods woord, hetzij hij alleen is, of in de huiselijke godsdienst. In deze instelling Gods ontving de Moorman, de kamerling, de Messias. Wanneer de Geest Gods het hart van de gelovige verlicht, door de een of andere waarheid, of lering, of geschiedenis uit het Woord, dan kan hij, in dat geval, zeggen, dat het Woord van God hem "begeerlijker is dan goud, ja dan veel fijn goud, en zoeter dan honig en honigzeem;" gelijk David (Ps. 19) uit zijn bevinding verklaart. Ook Jeremia getuigt (Hoofdst. 15:16): "Als Uw woorden gevonden zijn, zo heb ik ze opgegeten, en Uw woord is mij geweest tot vreugde en tot blijdschap mijns harten."

(5). Ook is er het afgezonderd venster van persoonlijke en huiselijke vast- en bededagen, waarover de Heere ook veel Zijn goedkeuring heeft betoond. Dit wordt door Christus Zijn vrienden en volgelingen aanbevolen: (Matth. 5:17,18) "Maar gij, als gij vast, zalft uw hoofd en wast uw aangezicht. Opdat het van de mensen niet gezien worde als gij vast, maar van uw Vader, Die in het verborgen is; en uw Vader, Die in het verborgen ziet, zal het u in het openbaar vergelden."

(6). Dan is er nog het verborgen venster van christelijke gemeenschap ter beraadslaging, en voor gebed en onderlinge stichting. Daarover heeft de Heere dikwijls zijn goedkeuring gegeven, en de Schrift leert ons, dat Gods duiven dikwijls in donkere, bewolkte en boze dagen van algemene afwijking, op deze wijze samenkomen. (Mal. 3: 16) Wanneer de hoogmoedigen gelukzalig worden genoemd, en God beroven, en Zijn huis plunderen: "Alsdan spreken, die de Heere vrezen, een ieder tot zijn naaste: De Heere merkt er toch op, en hoort, en daar is een gedenkboek voor Zijn aangezicht geschreven, voor degenen, die de Heere vrezen en voor degenen die aan Zijn Naam gedenken." Zo hebben wij enige verborgen vensters gezien.

2. Sommige vensters van Gods huis zijn meer openlijk en in het openbaar, tot welke Gods duiven in grote troepen en gezelschappen plegen heen te vliegen, die soms de poorten van Sion, of de voorhoven van de grote Koning worden genoemd, waar Zijn onderdanen hem voor het oog van de wereld een openbare schatting van aanbidding betalen.

(l). Daar is het brede en open venster van de prediking van het eeuwig Evangelie, dat berekend is op het samenvergaderen van de duiven tot Gods huis van barmhartigheid: "Gaat heen in de gehele wereld," zegt Christus, "predikt het Evangelie allen creaturen." apostelen, profeten, evangelisten, herders en leraars, zij worden allen aan het werk gezet om dit venster te openen, en zondaren te roepen en te nodigen daardoor tot Christus in te komen. Door deze instelling van de prediking van het Evangelie is het geluid van de stem van Christus tot het uiterste einde van de aarde doorgegaan. Wat zijn alle leraars anders dan de stem (van Christus) roepende in de woestijn van deze wereld, dat men de toekomende toorn zal ontvlieden door tot Hem de toevlucht te nemen: (Spr. 9:3-5) "De opperste Wijsheid heeft Haar dienstmaagden uitgezonden; zij nodigt op de tinnen, van de hoogten van de stad: Wie is slecht? Hij kere zich herwaarts; tot de verstandelozen zegt Hij: Komt, eet van Mijn brood, en drinkt van de wijn, die Ik gemengd heb." Vrienden, er is nu een aanmerkelijk gezelschap van zielen aan dit venster van de prediking van het Evangelie vergaderd. O, dat deze ganse menigte opsteeg als een wolk, en door het venster van een gepredikt Evangelie in Christus vloog. Wij lezen van drieduizend zielen, die door één preek aan de gemeente werden toegevoegd. Christus heeft des Geestes overig, en als onder dit gezelschap het geluid van de Geest, als van een geweldige gedreven wind mocht worden gehoord, zou er een liefelijke vlucht van een wolk van zielen tot de gezegenden Middelaar zijn.

(2). Dan is er het openbare venster van de doop, die inleidende instelling, die onze inenting in Christus, en ons deelhebben aan de weldaden van het nieuwe verbond, en onze verbintenis om van de Heere te zijn, betekent en verzegelt. Vrienden, u bent allen door dit venster in Gods buitenhuis ingegaan. O blijft daar niet staan, maar vliegt een weinig verder, namelijk in de audiëntiezaal. Het uitwendig zegel van Gods verbond geeft u recht, om het verbond, en Christus het Verbondshoofd, aan te grijpen. Tot u, die door dit venster in de zichtbare kerk bent gekomen, mag ik zeggen, wat Paulus van de Joden zeide: (Rom. 9:4) "Welker is de aanneming tot kinderen, en de heerlijkheid, en de verbonden, en de wetgeving, en de dienst Gods, en de beloftenissen." Draagt daarom zorg, dat u uw weldadigheid niet verlaat; rust niet voordat u de doop des Geestes ontvangt, zowel als de doop met water, door welke "u zult verzegeld zijn tot de dag der verlossing."

(3). Ook is er het openbare venster van het sacrament van het Avondmaal des Heeren, waar een maaltijd bereid is voor de vrienden, de duiven van Christus. Dit is het venster waartoe wij hier zijn samengekomen, om dat te openen voor allen, die door het geloof tot Christus de toevlucht hebben genomen, die hum of in het gelezen, of in het gepredikte woord, wordt voorgesteld en aangeboden. Daarom roepen wij al de duiven des Heeren toe: "Eet, vrienden, drinkt en wordt dronken, o liefste!" Hier, in deze instelling van het Avondmaal is waarlijk spijs, en waarlijk drank, namelijk het vlees en bloed van Immanuël, God met ons, al de zegeningen van het eeuwig verbond. De instelling van deze ordonnantie hebben wij in 1 Kor. 11:23 enz.

(4). Ik zou u kunnen spreken over het venster van het openbaar gebed, waarin de leraars de gezamenlijke gebeden van de gemeente, of van Gods volk, de Heere offeren, als zijnde Gods mond tot hen in het prediken, en hun mond tot God in het gebed.

Alsmede over het venster van openbare lof en dank, wanneer al Gods duiven samenvergaderen in met één mond, en met één stem, en met overeenstemming Hem de schatting van dankzegging te offeren, dat een zinnebeeld is van het werk van het triumferend gezelschap in de heerlijkheid, dat voortdurend de lof van de Verlosser uitgalmt in verheven halleluja’s, zeggende met een grote stem: "Het Lam, dat geslacht is, is waardig te ontvangen de kracht, en rijkdom, en wijsheid, en sterkte, en eer, en heerlijkheid, en dankzegging."

(6.) En dan is er het venster van openbaar vasten en verootmoediging voor de Heere, wegens openbare zonden en persoonlijke gebreken en afwijkingen. Zo vinden wij Gods duiven gedurig bezig, in het bijzonder wanneer er zware tergingen in een gemeente zijn geweest, en tekenen van de toorn en het ongenoegen des Heeren zijn uitgegaan: (Joël 2:15-17) "Blaast de bazuin te Sion; heiligt een vasten, roept een verbodsdag uit. Verzamelt het volk, heiligt de gemeente, vergadert de oudsten, verzamelt de kinderkens, en die de borsten zuigen; de bruidegom ga uit zijn binnenkamer, en de bruid uit haar slaapkamer. Laat de priesters, des Heeren dienaars, wenen tussen het voorhuis en het altaar, en laat hen zeggen: Spaar uw volk, o Heere, en geef Uw erfenis niet over tot een smaadheid."

Zo heb ik u zes verborgen en zes openbare vensters van het huis Gods aangewezen, waarheen Gods duiven gedurig op de vleugelen van het geloof moesten vliegen, om met Christus samen te komen.

IV. Ons vierde punt is, dat wij zullen aantonen, dat het een aangenaam en verbazend gezicht is, zondaren tot Christus te zien vliegen als een wolk, en als duiven tot haar vensters.

Ik zal u aantonen, 1e Dat het een aangenaam, en 2e dat het een verbazend gezicht is.

1e Het is een aangenaam gezicht; het is aangenaam voor God de Vader, de Zoon en de Heilige Geest; voor al de engelen en de verheerlijkte heiligen; want er is blijdschap in de hemel, wanneer een zondaar op aarde, door het geloof, tot Christus de toevlucht neemt. Het is aangenaam voor alle oprechte leraars, die in barensnood zijn totdat Christus een gestalte in zondaren krijgt; en het is aangenaam voor Gods ganse geslacht, Zijn ganse huis verblijdt zich, wanneer de verloren zoon thuis komt.

Ik zal u enkele dingen opnoemen, die maken, dat het een aangenaam gezicht is zondaren tot Christus te zien vliegen, als duiven tot hun vensters. 1. Het kan niet anders dan aangenaam zijn, omdat het een vervulling is van Gods eeuwig voornemen van de genade en liefde; Hij heeft de Zijnen liefgehad met een eeuwige liefde; Hij had hen lief, toen Hij hen zag, vertreden zijnde in hun bloed. Moet dat niet een aangenaam gezicht zijn, te zien, dat de verkiezing Gods wordt uitgewerkt en plaatsgrijpt: te zien, dat Zijn eeuwige liefde zich openbaart in de Zijnen te trekken met goedertierenheid? 2. Het moet aangenaam zijn, omdat juist daarom de ziel van Christus in arbeid was, dat zondaren tot Christus de toevlucht zouden nemen: (Jes. 53:11) "Om de arbeid van Zijn ziel zal Hij het zien, en verzadigd worden." Het is een verzadiging voor Christus de vrucht van zijn smartelijke arbeid te zien, welke hem deed zeggen: "Mijne ziel is geheel bedroefd tot van de dood toe." En wat Christus Zelf zo aangenaam is kan niet anders dan aangenaam zijn voor allen, die Hem liefhebben. 3. Het is de dag van Zijn bruiloft; de dag van Zijn huwelijk en van Zijn kroning, en daarom moet het zeer aangenaam zijn voor de Bruid. en voor de vrienden van de Bruidegom: (Hoogl. 3: 11) "Gaat uit, en aanschouwt, gij dochteren Sions, de Koning Salomo, met de kroon daarmede hem zijn moeder kroonde op de dag van zijn bruiloft, en op de dag van de vreugde zijns harten. 4. Omdat dan de gevangenen worden vrijgelaten: "De gevangenen des machtigen zullen hem ontnomen worden, en de vang des tirans zal ontkomen". 5. Het is aangenaam, omdat de kop van de oude slang dan opnieuw vermorzeld wordt, en zijn werken meer en meer verbroken worden. "De sterke wordt dan gebonden, en zijn huis beroofd."

2e Ik zal u doen zien, dat de vlucht van de zondaar tot Christus niet alleen aangenaam, maar ook verrassend en verbazend is. Dit zal blijken, indien wij overwegen:

1. De staat en toestand, waarin de zondaar is, voordat hij tot Christus de toevlucht neemt. Hij is dood in zonde, geheel verstoken van enigerlei beginsel van geestelijk leven. Nu, is het niet verrassend, te zien, dat God wonderen doet aan de doden? Te zien dat een dode zondaar opstaat, en naar Christus binnen het voorhangsel de toevlucht neemt? De zondaar is veraf: en is dat niet verbazend, te zien, dat die mens, "die ver was, nabij geworden is door het bloed van Christus?" De zondaar is van nature vol van vijandschap tegen God en Christus, ja, hij is vijandschap zelf; en is het de niet verbazend, te zien, dat de vijandschap van het hart verbroken en de mens tot een staat van vrede en verzoening met God gebracht is?

2. De vlucht van de zondaar tot Christus is verbazend als men de krachtige tegenstand beschouwt, die daartegen van binnen oprijst. De onwetendheid van het verstand staat in de weg, want wij zijn "vervreemd van het leven Gods door de onwetendheid, die in ons is". Het is dan ook onmogelijk, dat de zondaar, zolang hij onder haar macht en heerschappij is, ooit de toevlucht tot Christus kan nemen omdat het geloof gegrond is op kennis namelijk, "de verlichting der kennis der heerlijkheid Gods in het aangezicht van Jezus Christus." De hardnekkigheid en verharding van het hart staan in de weg. De wil is onbuigzaam en zal voor niets buigen dan voor de almachtige kracht Gods. Is het dan niet verbazend, te zien, dat deze ijzeren zenuw gebogen en buigzaam gemaakt is door de roede van de sterkte van de Middelaar? De wettische neiging van het hart wederstaat de vlucht van de zondaar tot Christus. De mens is aan de wet als een verbond getrouwd, en de natuur kan er nooit over denken, dat er een andere weg van aanneming bij God is dan door doen of werken. Is het dan niet verbazend, de mens, die aan de wet en aan zijn eigen gerechtigheid getrouwd is, te horen uitroepen: "Ik ben door de wet der wet gestorven, opdat ik Gode leven zou", door de gerechtigheid van Christus; en dat hij met Paulus uitroept: "Maar hetgeen mij gewin was, dat heb ik om Christus wil schade geacht. Ja gewisselijk, ik acht ook alle dingen schade te zijn, om de uitnemendheid van de kennis van Christus Jezus, mijn Heere, om Wiens wil ik alle dingen schade gerekend heb, en acht die drek te zijn, opdat ik Christus moge gewinnen, en in Hem gevonden worde, niet hebbende mijn rechtvaardigheid. die uit de wet is, maar die door het geloof van Christus is, namelijk de rechtvaardigheid, die uit God is, door het geloof." Nog eens, de schuld, die op het geweten van de zondaar ligt staat zijn vlucht tot Christus in de weg. Wij zien, dat een schuldige Adam van de tegenwoordigheid Gods wegvlucht: en het is de natuurlijke taal van een schuldige geweten, wanneer die ontwaakt is: "O, er is voor mij geen genade, geen hoop van aanneming." Nu is het niet verbazend, te zien, dat een zondaar, die onder een gevoel van schuld van God wegvluchtte, door Christus tot Hem de toevlucht neemt, uitroepende: "Vergeef mijn ongerechtigheid, want die is groot?" Ook de vleselijkheid van de genegenheden staat de vlucht van de zondaar in de weg. Hij liep de ijdelheid na, en riep uit: "Wie zal mij het goede doen zien:" wie zal mij rijkdommen en eer, in één woord, wie zal mij genoegens geven? Dit is de natuurlijke gang van de genegenheden, zij matten zich af in dingen, die geen nut kunnen doen; is het dan niet verbazend, te zien, dat een mens al die dingen de rug toekeert? en met Salomo zegt: "Alles is ijdelheid," en dat hij zoekt en zijn genegenheden zet op de dingen, die boven zijn, waar Christus is, zittende ter rechterhand Gods."

3. De vlucht van de zondaar tot Christus is verbazend, als wij overwegen hoe de satan zijn best doet, om de zondaar onder zijn macht te houden. Hij wordt de sterk gewapende geroemd, die zijn hof bewaart, hij heerst in de harten van de kinderen der ongehoorzaamheid, en leidt hen rond in de ketenen van hun begeerlijkheden. Is het dan niet verbazend, te zien, dat Christus in een dag van zijn heirkracht komt, en de roof van de sterk gewapende uitdeelt? En dat niet alleen, maar Hij wapent de arme gevangene van de duivel als een krijgsknecht onder Zijn Eigen banier, om die vijand te weerstaan en hem op de vlucht te drijven, en door het schild des geloofs de vurige pijlen van de vijand uit te blussen.

4. Het is verbazend, als wij de strikken beschouwen van een verstrikkende wereld. De duivel wordt de god van deze wereld genoemd, omdat de satan, sedert de zonde in de wereld gekomen is, zoveel macht heeft gekregen over de goede en kwade dingen van de wereld, dat die alle zijn werktuigen zijn, om de zielen van de mensen te verwoesten en hen in zijn dienst gevangen te houden. Vandaar dan ook, dat wij het merendeel van de wereld naar de duivel zijn pijpen zien dansen, en dat zij hun zielen verkopen voor een weinig voordeel, genot, rijkdom, eer, en dergelijke dingen. Die dingen zijn de duivel zijn lokaas, waarmee hij mannen en vrouwen verlokt, totdat hij ze in de hel gevoerd heeft, waar hij zeker is. dat hij ze tot in alle eeuwigheid vastheeft. Is het dan niet verbazend, te zien, dat een zondaar, die zijn gehele leven verlokt en verleid is door de dingen van de wereld, die allen achter zijn rug werpt en vertreedt, evenals die vrouw (Openb. 12:1) die de maan onder haar voeten had?

In één woord: Is het niet verbazend, te zien, dat de dorre beenderen levend worden, en met vlees en sterkte bekleed worden? Te zien, dat de Moorman gewassen en witter dan sneeuw wordt? Dat het zaad van de slang, dat het stof lekte, van de aarde naar de hemel vliegt?

V. Ons vijfde en laatste punt was de TOEPASSING.

Ons eerste gebruik zal zijn van gevolgtrekking, in de volgende bijzonderheden.

1e Uit hetgeen gezegd is kunnen wij de nuttigheid zien van de instellingen van het Evangelie, wanneer die in haar zuiverheid en kracht worden uitgedeeld. Die toch zijn juist de vensters van het huis van de wijsheid, waardoor de ziel in de tegenwoordigheid van God ingaat en gemeenschap met Hem geniet. Hierom achtte David de instellingen van het Evangelie hoog, en verlangde hij er naar: (Ps. 84:1) "Hoe liefelijk zijn Uw woningen, o Heere van heirscharen!" (vs. 10) "Één dag in Uw voorhoven is beter dan duizend elders."

2e Ziet hieruit hoe het komt, dat de heiligen, die gesmaakt hebben, dat de Heere genadig is, gedurig de instellingen van God waarnemen. Zij toch zijn Gods duiven, zoals zij dikwijls in het Hooglied worden genoemd; en is dat vreemd, dat de duiven tot hun vensters vergaderen en daarheen vliegen? Wel acht de wereld het vreemd, als zij ziet, dan sommigen een verre reis maken voor een sacrament, zodat zij hen dan ook troont omdat zij er zoveel moeite voor doen; maar laat een blinde wereld haar uiterste best doen, Gods duiven zullen niet zo bang gemaakt worden, dat zij van de vensters van Zijn huis wegblijven.

3e Ziet hieruit wat een aantrekkingskracht er in Christus is. Wanneer Hij Zijn genade, en liefde, en eer uitlaat, maakt Hij, dat de zondaars naar Hem toe komen gevlogen als een wolk, en als duiven tot de vensters van Zijn huis. "Wanneer ik van de aarde zal verhoogd zijn," zegt Christus, zal ik ze allen tot mij trekken." O hoe liefelijk en overwinnend is Hij in Zijn trekken? Hij trekt met mensenzelen en met touwen van liefde. Wanneer men alles goed overweegt is het geen wonder, dat de volkeren samenvergaderen tot de Silo, en Hem gehoorzaam zijn.

4e Ziet hieruit wat het voornaamste werk van getrouwe evangeliedienaars is. Het is dit, dat zij de vensters van de instellingen van het Evangelie open zetten, en dat zij de eenvoudige duiven nodigen, die aan de vogelen van de lucht en aan de roofvogels zijn blootgesteld, herwaarts tot Christus in te komen, die een veilige schuilplaats is.

5e Ziet de dwaasheid van de zondaren, ja van de grote hoop van hen, die het Evangelie horen, die om de vensters van de instellingen van het Evangelie heen vliegen, doch niet in de vensters tot Christus zelf vliegen, om zich door een levendig geloof met Hem te verenigen. O hoe velen komen het Evangelie van Christus horen, die Hem niet aannemen! Hoe velen komen tot een avondmaalstafel zonder Christus Zelf te eten! O hoe groot is hun dwaasheid, die, wanneer de zaligheid hun zo nabij is, en zij zo dichtbij de zaligheid zijn, die nochtans door ongeloof missen.

6e Ziet de krankzinnigheid en goddeloosheid van sommigen in onze dagen, die Gods duiven van hun vensters verjagen, en die maken, dat de goddelijke instellingen verfoeid worden. Sommigen doen dit door de duiven ongezond voedsel van dwaling en heidense zedeleer toe te dienen of door de waarheid onbedreven toe te bereiden. Anderen verschrikken de duiven door hun onzedelijke en ontedere wandel, evenals de zonen van Eli. De gerechtshoven verjagen en verstrooien de duiven van hun vensters door hun haar rechtmatig bezit met geweld te ontnemen, waardoor zij zowel de deuren als de vensters van het heiligdom sluiten, en dan varen zij uit tegen de arme duiven, dat zij hun gewone vensters niet bezoeken. God ziet wel hoe Zijn duiven, Zijn kleinen, in deze tijd geleid worden, en Hij weet hoe Hij voor Zijn duiven zal zorgen, en met hen zal afrekenen, die ze verschrikken en verstrooien. Hij zal te Zijner tijd en in Zijn weg deze vossen en gieren grijpen, die de mensen en de gerechtshoven laten ontglippen. De dag van de wrake is in zijn hart en het jaar van zijn verlosten zal komen (Jes. 63:4).

7e Ziet het nut beide van de wet en het Evangelie, en hoe zij op een liefelijke wijze bevorderlijk zijn voor de zaligheid van de ziel. Door het geraas, en de donder, en de verschrikkingen van de wet worden Gods duiven wakker gemaakt en vliegen zij van de toekomende toorn; en als dit geschied is, opent het Evangelie de vensters, en ontsluit de deur van toegang tot Christus, roepende: "Keert gijlieden weder tot de sterkte, gij gebondenen, die daar hoopt" (Zach. 9:12). Wanneer Christus in het Evangelie ontdekt is, wordt de wet een tuchtmeester om zondaars tot Christus te brengen, opdat "zij uit het geloof zouden gerechtvaardigd worden" (Gal. 3:24) "en dat van alle dingen, waarvan zij niet konden gerechtvaardigd worden door de wet van Mozes" (Hand. 13:39).

Een tweede gebruik zal zijn tot beproeving.

Bent u tot Christus gevloden als duiven tot hun vensters? Velen vliegen tot Christus in een weg van belijdenis, doch indien uw ziel ooit waarlijk tot Hem gevloden is op de vleugelen van het geloof en van de liefde, dan kunt u dat aan deze en dergelijke dingen weten.

1e Heeft ooit de donder van de berg Sinaï u doen ontstellen, en u uit uw natuurlijke zekerheid opgeschrikt, en u in ontsteltenis gebracht evenals een troep duiven op het gezicht van een geweer? Zodat u verslagen werd, en niet wist wat te doen, of waarheen te vlieden om hulp, evenals zij van wie wij lezen in Hand. 2: 37, die uitriepen, "Wat zullen wij doen, mannen broeders?" en de stokbewaarder (Hand. 16:27), en Paulus bij zijn bekering.

2e Hebt u, wanneer u in uw gedachten heen en weer zwierf om een plaats van rust, een ontdekking gekregen van de Ark Christus, en bent u toen naar de Ark toe gevlogen? Heeft onze grote Noach de vensters van de Ark geopend en u bij Zich in genomen, zodat Hij u een verberging werd?

3e Indien dit het geval is, dan hebt u bij uw ingang in de Ark mogen zingen: (Ps. 116:7) "Mijn ziel, keer weder tot uw rust, want de Heere heeft aan u wel gedaan", of, (Ps. 103:4) "Die uw leven verlost van het verderf; die u kroont met goedertierenheid en barmhartigheden. Loof de Heere, mijn ziel, en al wat binnen in mij is Zijn heiligen Naam".

4e Indien dit zo is, dan hebt u, toen u tot Christus de toevlucht hebt genomen, alle uw afgoden achtergelaten, en met Efraïm uitgeroepen: "Wat heb ik meer met de afgoden te doen?" Die dingen, die u gewin achtte zullen in uw ogen verlies zijn. Wat de zonden betreft, u zult er op bedacht zijn, zelfs uw liefste zonden, uw rechterogen en rechterhanden af te houwen en uit te trekken. Wat de wereld betreft, waarmee u zo ingenomen was, zult u uitroepen: Weg met haar! Zij is niets dan een hoop "ijdelheid, al ijdelheid en kwelling des geestes". Wat de wet aangaat, u zult aan haar als een man gestorven zijn: "Ik ben door de wet der wet gestorven". Wat uw werken van de rechtvaardigheid aangaat, waarin u roemde", u zult die schade en drek, vuile vodden, rekenen. Wat de wijsheid van het vlees betreft, u zult die enkel dwaasheid en krankzinnigheid achten te zijn. Wat uw sterkte betreft, u zult zien, dat die zwakheid is: "Ik ben van mijzelf niet bekwaam, als uit mijzelf, maar mijn bekwaamheid is uit God". En wat uw volheid aangaat, u hebt bevonden, dat die niets is dan ledigheid, en u hebt gezien, dat u, in plaats van rijk en verrijkt te zijn, ellendig, en jammerlijk, en arm, en blind, en naakt bent.

5e Als u waarlijk tot Christus bent gevloden als duiven tot hun vensters, dan hebt u enige dingen in hem gevonden, die u nergens elders kon vinden. 1. Gij hebt dan het leven van uw ziel in hem gevonden: "Ons leven is met Christus verborgen in God. Die de Zoon heeft die heeft het leven." 2. Gij hebt dan in Hem rust gevonden voor uw ziel. Gij trachtte deze, en het voorgaande, in toevluchten der leugens te vinden, maar u werd in uw verwachting voorgoed teleurgesteld; doch nu, nu hebt u die gevonden naar zijn belofte: "Komt herwaarts tot mij, allen, die vermoeid en belast bent, en ik zal u rust geven." O heerlijke rust! 3. Gij hebt dan gezondheid van de ziel in hem gevonden; evenals die vrouw, die twaalf jaren de vloed des broeds gehad had, die al haar leeftocht aan medicijnmeesters te koste gelegd had, en van niemand had kunnen genezen worden, tot hem komende en de zoom van Zijn kleed aanrakende, terstond genezen werd van haar kwaal. Kunt u ook niet eveneens zeggen, dat u, op uw komen tot Christus, ervaren hebt, dat Zijn aangezicht uw gezondheid was; dat er onder Zijn vleugelen genezing is (Mal. 4:2), Die alle uw krankheden geneest (Ps. 103:3). 4. U hebt in Hem voedsel voor uw ziel gevonden: Zijn vlees is waarlijk spijs, en zijn bloed is waarlijk drank. "Smaakt en ziet, dat de Heere goed is." 5. U hebt dan in Hem een kleed gevonden om uw naakte ziel te dekken. Evenals onze eerste ouders hebt u beproefd uw naaktheid met vijgebladeren te dekken, doch die hebt u nu weggeworpen en u hebt het vel van het woord genomen, dat God verschaft heeft om u daarmede te dekken, en dus bekleed zijnde met de gerechtigheid van Christus. kon u dat lied zingen: (Jes. 61:10) "Hij heeft mij bekleed met de klederen des heils, de mantel der gerechtigheid heeft Hij mij omgedaan." Gij hebt dan in Hem rijkdommen, onnaspeurlijke rijkdommen, gevonden, die in het graf niet verrotten; goud, beter dan het goud van Ofir, om u tot in alle eeuwigheid te versieren. 7. In één woord, dan hebt u in Hem uw God gevonden, Die u in de eerste Adam verloren hebt; want God is in Christus en u hebt Hem als uw God gevonden. Nu mag u zeggen: "Deze is mijn God, daarom zal ik Hem een liefelijke woning maken, namelijk de God en Vader van onze Heere Jezus Christus, dies zal ik Hem verheffen. Die God is ons een God van volkomen zaligheid."

Het derde gebruik zal zijn tot vertroosting van Gods duiven in deze donkere en boze dag, waarin hun gewone vensters, waarin zij plachten samen te stromen, naar het schijnt gesloten zullen worden door een stel mensen en gerechtshoven, die hen moesten opendoen, en die Gods duiven moesten vergaderen, in plaats van ze te verstrooien.

Ik zal u de volgende dingen voorstellen tot vertroosting in een boze tijd, zoals wij nu beleven.

1e Weet tot uw bemoediging, dat, wanneer de vensters van de openbare instellingen, door vervolging, geweld, of verval, gesloten zijn, of wanneer u daarvan weggeschrikt bent door gieren en roofvogels, die in het huis zijn binnengedrongen, God u nochtans in gemeenschap met Hem kan toelaten door de afzonderlijke en verborgen vensters, die ik in het leerstellig gedeelte vermeld heb. Al worden Gods duiven buiten de kerken gesloten, zij zullen toch niet worden buitengesloten van op de een of andere wijze gemeenschap met Hem te hebben, neen, Hij zal de bedroefden om der bijeenkomsten wil verzamelen.

2e God hoort het kirren van Zijn duiven, ook wanneer zij "in de kloven der steenrotsen, in het verborgen ener steile plaats" gedreven zijn (Hoogl. 2:14).

3e Gods oog is op Zijn duiven, en Hij telt hun omzwerven. "De ogen des Heeren zijn op de rechtvaardigen, en zij trekken het ganse land door."

4e Zijn hart en Zijn genegenheid is op Zijn duiven gevestigd, tot verrukking toe: (Hoogl. 4:9) "Gij hebt Mij het hart genomen, mijn zuster, o Bruid; gij hebt Mij het hart genomen, met een van uw ogen, met een keten van uw hals." Deze genegenheid is onveranderlijk, want hij rust in Zijn liefde.

5e De armen van Zijn macht en voorzienigheid zijn rondom Zijn duiven. "Hij zal u dekken met Zijn vlerken, en onder Zijn vleugelen zult gij betrouwen. Hij zal u verbergen in het verborgene van Zijn tent, wanneer er aan uw zijde duizend vallen, en tien duizend aan uw rechterhand. "Gaat heen, mijn volk, gaat in uw binnenste kamers, en sluit uw deuren naar u toe; verbergt u als een klein ogenblik, totdat de gramschap overga."

6e Het zal niet lang meer duren en uw ziel zal uit deze wereld wegvliegen naar het land van de rust, het huis daar vele woningen zijn waar u eeuwig zult rusten.

Het vierde gebruik zal zijn tot verschrikking van allen, die in deze tijd Gods duiven kwaad doen.

Sommigen verschrikken hen en maken hen bevreesd, sommigen verstrooien hen, sommigen beroven hen van hun evangelierechten en voorrechten, sommigen belasteren hun goede naam, sommigen drijven hen uit hun woningen, omdat zij zich niet aan de roofvogels kunnen toevertrouwen. Indien er zodanigen onder mijn gehoor zijn, om bij deze gelegenheid onze vrijheid te verspieden, dan zal ik alleen dit zeggen: (1) "De Heere ijvert over Zijn duiven met een grote ijver’ (Zach. 1:14). (2). Hij is met een zeer grote toorn vertoornd tegen u wegens het onrecht hun aangedaan in hun verdrukking te verzwaren (Zach. 1:15). (3). God is bezig een drinkbeker voor u te bereiden, om u die te drinken te geven, en het zal een bittere zijn (Ps. 75:9) "Want in de hand des Heeren is een beker, en de wijn is beroerd, vol van mengeling, en Hij schenkt daaruit. Hij zal verdrukking vergelden degenen, die Zijn duiven verdrukken." Gods duiven. die nu kirren en treuren, zullen zingen wanneer u zult treuren; zij zullen in de hemel zingen, wanneer u onder de duivels zult weeklagen en huilen.

Het vijfde gebruik zal zijn tot vermaning. 1e Tot allen in het algemeen. 2e Tot Gods duiven in het bijzonder.

1e Een woord van vermaning om zondaren te overreden uit de aarde op te rijzen als een wolk, en als duiven tot Christus te vliegen. O, dat u allen, die hier voor mij zit, uw vleugelen wilde uitslaan en opvliegen, om niet te rusten, voordat u de toevlucht hebt genomen tot deze hoop, die u in dit Evangelie wordt voorgesteld! Laat mij, om u allen, zo mogelijk, aan het vliegen te krijgen, in een redelijke weg met u handelen.

1. God gebiedt u tot Christus de toevlucht te nemen: "Dit is zijn gebod, dat wij geloven in de naam Zijns Zoons Jezus Christus."

2. Hij nodigt u tot Zijn Christus de toevlucht te nemen; "Ziet Mijn Knecht, Die ik ondersteun, Mijn Uitverkorene in Dewelke Mijn ziel een welbehagen heeft. Ik heb Mijn Geest op Hem gegeven, Hij zal het recht den heidenen voortbrengen."

3. Hij bidt en smeekt u tot hem te vluchten: "Wij bidden u van Christus wege, alsof God door ons bade, laat u met God verzoenen."

4. Hij vermaant u vriendelijk, vanwege uw afkeringen, tot Hem de toevlucht te nemen: "O Mijn volk, wat heb Ik u gedaan! En waarmee heb Ik u vermoeid? Betuigt tegen Mij."

5. Hij verzekert u door Zijn belofte, dat u welkom zult zijn: "Die tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen."

Door Zijn eed: "Zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heere HEERE! Zo ik lust heb in de dood des goddelozen! Maar daarin heb Ik lust, dat de goddeloze zich bekere van zijn weg, en leeft."

6. Alle dingen in Zijn huis zijn gereed om u te ontvangen: "Alle dingen zijn gereed; komt tot de bruiloft."

7. Vliegt, de vensters zijn open, het hart van Christus staat open. Zijn armen zijn geopend en uitgestrekt. Zijn verbond is voor u geopend om het aan te grijpen.

8. Overweegt wat achter u is: (1). De duivel, als een briesende leeuw, zoekende u te verslinden. (2). De vloek van de verbroken wet achtervolgt u. (3). De toorn Gods is achter u. O! Wie kent de sterkte Zijns toorns?

9 Als u niet van de zonde weg vliegt bent u nergens veilig, noch in de hemel, noch op de aarde. "Want er is ook onder de hemel geen andere naam, die onder de mensen gegeven is, door welke wij moeten zalig worden. Hoe zullen wij ontvlieden, indien wij op zo grote zaligheid geen acht nemen? Als iemand de wet van Mozes heeft te niet gedaan, die sterft zonder barmhartigheid onder twee of drie getuigen. Hoeveel zwaarder straf meent u zal hij waardig geacht worden, die de Zoon van God vertreden heeft, en het bloed des Testaments onrein geacht heeft. daardoor hij geheiligd was, en de Geest der genade smaadheid heeft aangedaan."

10. De tijd van vliegen zal binnen een weinig tijd voorbij zijn. Er is geen ontvluchten uit de hel; daar zal niemand tot u komen, om u toe roepen: "Keert gijlieden weder tot de sterkte, gij gebondenen. Hij Die leeft in alle eeuwigheid, heeft Zijn hand opgeheven naar de hemel, en gezworen, dat daar geen tijd meer zal zijn. Daarom, heden indien gij Zijn stem hoort, verhard uw harten niet."

11. Vliegt, of anders zult u uw ziel voor eeuwig verliezen: "Die gelooft zal niet verdoemd worden. Want wat baat het een mens, zo hij de gehele wereld gewint, en lijdt schade van zijn ziel? Of wat zal een mens geven tot lossing van zijn ziel?"

Tegenwerping. 1. U beveelt ons te vliegen, doch waartoe dient dat, want u zegt ons, dat wij dood zijn in zonden? Antwoord. Het is de eer van de soevereine genade, dat zij wonderen doet aan de doden. Ziet, wat Hij aan de dorre beenderen deed: (Ezech. 37:3, enz.) "Zullen deze beenderen levend worden?" Ja, als de Geest des Heeren daarin blaast. God heeft geboden. Profeteer over de dorre beenderen, en roep tot de doden, dat zij opstaan en vliegen; en daarom moeten wij dat doen. Indien God mij wilde gebieden, dat ik tot de bergen zou zeggen: Wordt opgeheven; en tot de rotsen, en bomen, en grashopen: Verhef u en leef; ik zou het doen, en ik zou geloven, dat God het zou doen geschieden.

Tegenwerping 2. Gij gebiedt mij te vliegen, doch helaas! Ik heb geen vleugels om te vliegen. "Och! Dat mij iemand vleugelen als ener duive gave, ik zou heen vliegen."

Antwoord. Als er een wil is om te vliegen, en een hartelijke begeerte daartoe, dan hebt u vleugelen gekregen; en als u ook dat mist, bid dan om vleugelen van Hem, Die u gebiedt te vliegen, want Hij geeft de moeden kracht, en die de Heere verwachten zullen opvaren met vleugelen, gelijk de arenden.

Tegenwerping. 3. Ik heb een last van zonden op mijn rug, ik kan niet opstijgen.

Antwoord. "Werp uw zorg op de Heere," en als u niet kunt vliegen, rust dan met uw last op Hem; want het geloof is zowel een rusten, als een vliegen.

Tegenwerping. 4. Christus is zo ver weg, dat ik Hem niet kan bereiken.

Antwoord. Zeg dat niet, want Hij is nabij u. (Rom. 10:8) "Nabij u is het woord in uw mond en in uw hart. Dit is het woord des geloofs, hetwelk wij prediken."

Tegenwerping. 5. Wanneer ik tracht te vliegen, trekken de duivel, en de wereld, en mijn hart mij weer terug in het slijk, en ik ben nog even ver als te voren.

Antwoord. Van dat ogenblik af, dat u tot Christus tracht te vliegen, zullen de duivel, de wereld en de verdorvenheid op u aanvallen, om u te verontrusten. Doch hoewel zij u menige slechte dienst mogen bewijzen, nochtans zullen zij u nooit uit Christus trekken, als u eens de toevlucht tot Hem hebt genomen. Christus zegt: "Niemand zal dezelven uit Mijn hand rukken; Mijn Vader, Die ze Mij gegeven heeft, is meerder dan allen, en niemand kan ze rukken uit de hand Mijns Vaders." De vijand heeft al menige ruk aan Christus’ duiven gedaan, doch zij zullen ze Hem nooit ontrukken.

Vraag. U zegt mij, dat ik als een duif in Christus en tot Zijn vensters moet vliegen. doch wilt u mij daaromtrent ook enige raad geven?

Antwoord. (1.) Beschouw veel de heiligheid van de wet en van de Wetgever, want de wet is een tuchtmeester om ons tot Christus te brengen. (2.) Ga veel het gevaar na waarin u verkeert, zolang u buiten Christus bent, want u bent reeds veroordeeld. (3.) Bestudeer naarstig het Evangelie, Christus in Zijn Persoon, natuur en ambten; de vrijheid van het verbond, en de volheid en de gepastheid van het middel, dat het Evangelie bekend maakt. (4.) Weest overreed van de gewilligheid van de Heere om u tot Zich in te nemen, aan Zijn vensters; Zijn ingewanden rommelen van barmhartigheid over zondaren. (5.) Roep om het blazen van de wind van de Geest, opdat u daardoor aan het vliegen mag geraken, want Hij getuigt van Christus, en verenigt de zondaar met hem. Doe wat u kunt om tot Christus te komen door het venster van het gebed en van het geloof in het bidden; worstel, roep, zoek en klop, want dezulken zal opengedaan worden.

2e De tweede soort tot wie ik iets zal zeggen zijn de gelovigen, die als een wolk en als duiven tot Christus’ vensters gevlogen zijn.

1. Dankt de Heere, Die u raad gegeven heeft, en Die verhoed heeft, dat u in uw natuurstaat stil bent blijven zitten, binnen het baken van Zijn toorn, maar u door de verschrikkingen van Zijn wet heeft opgejaagd en u zelf aan Zijn vensters tot Zich heeft genomen. Zingt Zijn lof, zeggende: "Loof de Heere, mijn ziel, Hij heeft mij uit een ruisende kuil, uit modderig slijk opgehaald.’

2. Bent u tot Christus gevloden? Blijft in Hem als in een herberg en woning; evenals de doodslager in de vrijstad moest blijven, nadat hij daarheen gevloden was, en er niet mocht uitgaan zolang de Hogepriester leefde. Uw Hogepriester sterft nooit, en daarom moet u nooit, buiten uw evangelie-toevlucht gevonden worden.

3. Bezoekt gedurig de vensters van Zijn instellingen, zowel de meer verborgen en afgezonderde vensters van gebed en overpeinzing; lezen; vasten; christelijke bijeenkomst; als die welke meer statig en openbaar zijn, zoals Woord en sacrament, wanneer u die kunt bijwonen. Daar voedert Christus Zijn duiven en onderhoudt Hij Zich met hen, en wanneer de openbare vensters gesloten of besmet zijn, of door vossen en roofvogels bezocht worden die de duiven verschrikken, verstrooien of verscheuren, begeeft u dan des te geduriger naar de meer afgezonderde of verborgen vensters.

4. Bent u naar Christus gevlogen als duiven tot hun vensters, en hebt u in Hem rust gevonden, ziet dan nooit om naar uw oude huizen en verblijven, uw toevluchten der leugens, noch ziet naar de algemene genade. Ziet nooit op een ledige belijdenis; hebt nooit weer te doen met de werken van de wet; zegt die allen voorgoed vaarwel.

5. Wanneer u, evenals de duif, iets komt oppikken, dat voor u op aarde nodig is, zit dan niet stil op de aarde, maar spoedt u weer tot uw vensters, en verheft u omhoog naar Christus. "Zoekt de dingen, die boven zijn, daar Christus is zittende aan de rechterhand Gods. Bedenkt de dingen, die boven zijn, niet die op de aarde zijn".

6. Nodigt anderen tot uw vensters waar u onthaald bent, en doet wat u kunt, om Christus en Zijn weg, en Woord en instellingen bij hen aan te bevelen. David zegt: "Smaakt en ziet, dat de Heere goed is."

Wanneer de Heere u van tussen de stenen en potten heeft weggenomen, en u gemaakt heeft als vleugelen ener duif, overdekt met zilver en geluwen goud van Zijn Geest en gerechtigheid; O bevlekt dan uw vederen, niet, bezoedelt en bevuilt uw belijdenis niet met het vuil van de zonde. Gaat niet met de lieden van de wereld in de modder liggen: "Wordt deze wereld niet gelijkvormig, maar wordt veranderd door de vernieuwing uws gemoeds. Laat uw licht alzo schijnen voor de mensen, dat zij uw goede werken mogen zien, en uw Vader, Die in de hemelen is, verheerlijken".

8. Laten Gods duiven het zuivere en stromende water van het heiligdom drinken; ik bedoel, houdt u bij het zuivere Woord, de dienst en de ingestelde ordonnantiën, de rivier van de goddelijke waarheid, de evangelieleer en dienst, die in de instellingen van het Evangelie worden uitgedeeld. Helaas! Er zijn vele hoeken van het land, waar de beekskens van deze rivier de stad Gods, in deze tijd, niet verblijden. De wateren zijn vuil gemaakt door de voeten van een stel huurlingen, indringers, bedorven en slappe leraars, die zich bij hen hebben ingedrongen; mensen, die onbedreven zijn in de wet, mensen, die de oprechte Geest van Christus missen, en daarom onbekwaam zijn Gods duiven te voederen. Laten Gods duiven zich hoeden voor hen, die de wateren van het heiligdom bemodderen, die de leer, tucht, dienst en regering van de Kerk bederven, welke wij in deze landen gezworen hebben in hun zuiverheid te zullen handhaven en bewaren. Ik eindig met de woorden van de apostel: (Filip. 3:1-3) "Voorts, mijn broeders, verblijdt u in de Heere. Wacht u (Eng. Overz.) voor de honden, wacht u voor de kwade arbeiders, wacht u voor de versnijding. Want wij zijn de besnijding, wij, die God in de Geest dienen, en in Christus Jezus roemen, en niet in het vlees betrouwen." Amen.

 

De soevereiniteit van Sions Koning (1e preek)

Ps. 2:6 "Ik toch heb Mijn Koning gezalfd over Sion, de berg Mijner heiligheid."

In de drie eerste verzen van deze Psalm, hebben wij een verslag van de krachtige tegenstand tegen het koninkrijk en de regering van de Messias. Men zou menen, dat, wanneer Hij in de wereld kwam, alle knie zich voor Hem zou buigen, uitroepende: "Hosanna de Zone Davids;" en dat alle scepters van de aarde aan Zijn voeten zouden worden neergelegd; doch nooit was er een regering, die zoveel tegenstand ondervond. Hier toch staat geschreven, (1.) dat hel en aarde alarm maken, wanneer Hij op het toneel verschijnt: "De Heidenen woeden en de volken bedenken ijdelheid. De koningen der aarde stellen zich op, en de vorsten beraadslagen samen, tegen de Heere, en tegen Zijn Gezalfde." (2.) De tegenstand wordt hier beschreven; die is wrevelig en boosaardig: want met verontwaardiging tegen Hem vervuld zijnde woeden zij, en knersen zij de tanden tegen Hem. Hij is wel overwogen: zij beraadslagen. Hij is vast besloten: "zij stellen zich op tegen de Heere;" zij stellen hun aangezichten als een keisteen, en hun voorhoofd is koper. Het is een gezamenlijke tegenstand: zij beraadslagen tezamen. (3.) Wat zij ten doel hebben met deze tegenstand tegen Christus: zij zijn zonen Belials, die het juk niet kunnen verdragen, zij "verscheuren Zijn banden en werpen Zijn touwen van zich," zij werpen Zijn geboden, Zijn wetten, weg; zij zijn vast besloten door te breken. Ziet, hoe al die plannen met het grootste gemak verijdeld worden: "Die in de hemel woont, zal lachen; de Heere zal ze bespotten. Dan zal Hij tot hen spreken in Zijn toorn, en in Zijn grimmigheid zal Hij ze verschrikken." (5.) Let op de vastheid van het koninkrijk van Christus, niettegenstaande al deze pogingen van de hel, in de woorden van onze tekst: "Ik toch heb mijn Koning gezalfd over Sion, de berg Mijner heiligheid."

Wij zullen hier letten op:

1. Het koninklijk ambt en het kenmerk van onze heerlijke Verlosser: Hij is een Koning; deze Naam heeft Hij "op Zijn kleed en op Zijn dij geschreven: Koning der koningen, en Heere der heren" (Openb. 19:16).

2. Het gezag waarbij Hij regeert: Hij is Mijn Koning zegt God de Vader, Ik heb hem van eeuwigheid gezalfd. "Want ook de Vader oordeelt niemand, maar heeft al het oordeel de Zoon gegeven." De wereld erkent Zijn gezag niet, maar Ik erken het; Ik heb Hem gezalfd, Ik heb Hem de gemeente gegeven tot een Hoofd boven alle dingen."

3. Zijn bijzonder koninkrijk waarover Hij regeert: het is over de berg Mijner heiligheid, een verheven type van de Evangeliekerk. De tempel was op de berg Sion gebouwd, en daarom wordt die een heilige berg genoemd. Christus heeft Zijn troon in Zijn gemeente; het is Zijn hoofdkwartier, de plaats van Zijn bijzondere residentie; "want de Heere heeft Sion verkoren, Hij heeft het begeerd tot Zijn woonplaats, zeggende: Dit is mijn rust tot in eeuwigheid, want ik heb ze begeerd." "Want uit Sion zal de wet uitgaan, en des Heeren woord uit Jeruzalem. Daar zijn de tronen des gerichts gezet, de stoelen des huizes Davids."

4. Merkt op de vastheid van het voornemen van God ten opzichte van deze zaak: "Ik toch heb Mijn Koning gezalfd"; dat is: Welke samenzweringen ook de hel en de aarde tegen Hem maken, Hij regeert krachtens het raadsbesluit van Zijn Vader.

MERKT OP, dat Christus Koning over Sion is, de enige Heerser over Zijn gemeente, door Zijns Vaders aanstelling en raadsbesluit. "Ik toch heb Mijn Koning gezalfd over Sion, de berg Mijner heiligheid."

In het verhandelen van deze leer zal ik met Gods bijstand een weinig trachten te spreken over:

I. Deze soevereine Vorst.

II. Het koninkrijk, dat Hij regeert.

III. Waarom God de Vader hem als Koning over Sion heeft gezalfd en verordineerd.

IV. En tenslotte een toepassing maken.

I. Wat het eerste punt betreft, zal ik trachten: 1. Te bewijzen, dat Christus een Vorst is met koninklijk gezag. 2. Enige van Zijn voortreffelijke hoedanigheden en eigenschappen aanwijzen, om hem bij allen aan te prijzen

Zijne soevereiniteit en Zijn koninklijk gezag blijkt:

1. Uit de profetieën van de Schrift: (Gen. 49:10) "De scepter zal van Juda niet wijken, noch de wetgever van tussen Zijn voeten; totdat Silo komt, en Dezelve zullen de volkeren gehoorzaam zijn." (Luk. 1:32,33) "God de Heere zal Hem de troon Zijns vaders Davids geven. En Hij zal over het huis Jacobs Koning zijn in der eeuwigheid, en Zijns koninkrijks zal geen einde zijn." (Micha 5:2) "Hij zal een Heerser zijn in Israël Wiens uitgangen zijn van ouds, van de dagen der eeuwigheid."

2. Uit de typen of voorbeelden van Hem in de Schrift. David, Salomo, en anderen van de koningen van Juda, die werkzaam waren in het bouwen en herstellen van de tempel en zijn dienst, beeldden hem allen af in Zijn koninklijk ambt; en hoewel het koninklijk geslacht van David op aarde niet meer bestaat, nochtans duurt het in Hem in de hemel eeuwig voort.

3. Uit de titels welke Hem in de Schrift worden gegeven: (Dan. 9:25) "Messias, de Vorst": (Jes. 9:5) "Vredevorst;" "De Overste der koningen der aarde;" "Koning der koningen, en Heere der heren."

4. Uit het overstemmend getuigenis van vijanden en vreemdelingen. Wanneer de Wijzen uit het oosten naar Hem onderzoeken, vragen zij: "Waar is de geboren Koning der Joden?" Het ging niet buiten de hand en de voorzienigheid Gods om, dat Pilatus, tot ergernis van de Joden, voor wie hij, tegen zijn licht en geweten in, aangenaam geweest was met het bloed van Christus, bestuurd werd, dat opschrift, in het Hebreeuws, Grieks en Latijns op het kruis te zetten: "JEZUS DE NAZARENER, DE KONING DER JODEN." Bileam sprak van hem: (Num. 24:17) "Daar zal een scepter uit Israël opkomen, Die zal de palen van de Moabieten verslaan en zal al de kinderen Seths verstoren."

5. Uit de kentekenen van soevereiniteit welke Hem overal worden toegeschreven. Wij lezen in de Schrift,

1e Van Zijn plechtige bekleding met de regering, en van Zijn troonsbestijging toen Hij opvoer in de hoogte. Ziet de plechtigheid van Zijn bevestiging, waarvan geschreven staat: (Ps. 47:6) "God vaart op met gejuich: de Heere met geklank der bazuin."

2e Wij lezen van Zijn troon: (Ps. 45:7) "Uw troon, o God, is eeuwiglijk en altoos;" en Zijn troon (Jes. 6:1) is "een hoge en verheven troon;" dezelfde troon waarop Zijn Vader zit: (Openb. 3:21)L Die overwint, Ik zal hem geven te zitten in Mijn troon, gelijk als Ik overwonnen heb, en ben gezeten met Mijn Vader in Zijn troon."

3e Wij lezen van Zijn kroning, en dat beide door Zijn Vader en door de Kerk. die Zijn moeder wordt genoemd. Wij lezen, dat Zijn Vader Hem met heerlijkheid gekroond heeft: (Hebr. 2:7) "Gij hebt Hem een weinig minder gemaakt dan de engelen; met heerlijkheid en eer hebt Gij Hem gekroond, en Gij hebt Hem gesteld over de werken Uwer handen." Wij lezen van Zijn kroning door de Kerk, Zijn moeder: (Hoogl. 3:11) "Gaat uit, en aanschouwt, gij dochteren Sions, de Koning Salomo, met de kroon, waarmee Hem Zijn moeder kroonde op de dag Zijner bruiloft, en op de dag van de vreugde Zijns harten."

4e Wij lezen van Zijn koninklijke scepter, de roede van Zijn sterkte, die ook een ijzeren roede is, om Zijn onderdanen te regeren en Zijn vijanden in stukken te slaan.

5e Wij lezen van de wetten, die op Zijn gezag uit Sion, en voor Sion, zijn uitgegaan voor de regering van Zijn onderdanen. Hij was het, Die de wet van de geboden van de berg Sinaï deed uitgaan, en Hij is het, Die de wet van het geloof van de berg Sion doet uitgaan: (Jes. 2:3) "Want uit Sion zal de wet uitgaan, en des Heeren woord uit Jeruzalem."

6e Wij lezen van horen, zowel voor de dienst van God als voor de tucht, die in Zijn Naam worden gehouden. Sprekende van Sion of de gemeente, staat er geschreven: "Daar zijn de stoelen des gezichts gezet, de stoelen des huizes Davids". In de Kerk zijn hoven voor de dienst, waar Zijn onderdanen hun opwachting bij Hem maken. zowel om naar Zijn stem in Zijn Woord te horen als om hem de verschuldigde schatting van eredienst en aanbidding te betalen. Wij zien ook (Hand. 15) dat er, als hof van recht of regering. een synode in Zijn Naam vergaderde; en overal weer twee of drie van Zijn ambtsdragers in Zijn Naam samenkomen, om de sleutelen van leer of tucht te gebruiken, belooft Hij in het midden te zullen zijn.

7e Wij lezen van de opzieners van Zijn koninkrijk, zoals apostelen, profeten, evangelisten, herders en leraars ouderlingen en diakenen. De apostel noemt hen, (2 Kor. 5:20) sprekende over de evangeliedienaars: "Gezanten van Christus wege." Elk getrouw leraar heeft een lastbrief van Christus als Koning over Sion; hoewel er, helaas! in onze dagen velen zijn, die er aanspraak op maken dat zij een lastbrief van hem hebben, en Hem niet getrouw zijn.

8e Wij lezen van de sleutelen van het koninkrijk. Christus zegt tot Zijn apostelen en dienaars: "Ik zal u de sleutelen van het koninkrijk der hemelen geven: en zo wat gij zult binden op de aarde, zal in de hemelen gebonden zijn", Door deze sleutelen hebben wij de door Hem vastgestelde leer en tucht te verstaan.

9e De macht over vrede en oorlog, over leven en dood, is in Zijn hand. Hij steekt in het Evangelie de witte vlag van de vrede voor Zijn vijanden op. Wij prediken het Evangelie des vredes, wij verkondigen het woord van de verzoening: "Dat God in Christus de wereld met Hemzelf verzoenende was". Indien de vrede niet wordt aangenomen, dan verklaren wij in Zijn Naam de oorlog aan zondaren, die niet in Hem geloven. Voorzeker zal God de kop van Zijn vijanden verslaan, de harige schedel van degene, die in zijn schulden wandelt. "Die niet gelooft is reeds veroordeeld, en de toorn Gods blijft op hem".

10e Hij is aangesteld tot soeverein Rechter van hemel en aarde, van engelen en mensen. De wetgevende en uitvoerende macht is in Zijn handen, de sleutelen der hel en des doods", en die is alleen in Zijn handen overgegeven, want de Vader oordeelt niemand, maar heeft al het oordeel de Zoon gegeven". Uit al deze dingen blijkt dat Christus een soeverein Koning, een Vorst van koninklijk gezag is.

Ten tweede. Ik zal u verder de voortreffelijke hoedanigheden van Sions Koning voorstellen, en die als zoveel beweegredenen doen dienen voor vreemdelingen om zich aan Zijn gezag te onderwerpen, en als zoveel hartsterkingen voor Zijn vrienden en trouwe onderdanen in de donkere en bewolkte dag.

1. Hij is een zeer oud Koning. Hij is waarlijk "de Oude van dagen." Hij is niet iemand, die plotseling tot grote macht is gekomen; Zijn troon is van eeuwigheid gevestigd, niemand kan met Hem wegens oudheid wedijveren; Hij is de Vader der eeuwigheid, de Heerser in Israël, "Wiens uitgangen zijn van ouds, van de dagen der eeuwigheid".

2. Hij is een Koning van onvergelijkelijke wijsheid: "Een wijzere dan Salomo is hier." Salomo’s wijsheid was bij de Zijne vergeleken slechts dwaasheid, want in Hem zijn al de schatten der wijsheid en der kennis verborgen".

3. Hij is een Koning van onweerstaanbare macht en volstrekt gezag. Hem is gegeven alle macht in hemel en op aarde. Hij is "de Man van Gods rechterhand:" de arm des Heeren is in Hem; Hij heeft een Naam, die boven allen naam is, en "in Zijn Naam zal alle knie zich buigen".

4. Hij is een Koning van vlekkeloze heiligheid en reinheid. "Onze Koning is van de heilige Israëls, Hij is te rein van ogen dan dat Hij het kwade zou zien." Zijn Naam is een heilige Naam. Zijn troon is een heilige troon: "Hij zit op de troon van Zijn heiligheid." Zijne wetten zijn heilige wetten: "De wet is heilig, en het gebod is heilig en rechtvaardig, en goed". Zijn verbond met Zijn onderdanen is een heilig verbond: "Hij heeft zijn heilig verbond in eeuwigheid geboden." De dienaren, die de vaten van Zijn huis dragen, zijn heilig, en behoren dat te zijn.

5. Hij is een rechtvaardige Koning: "Gerechtigheid en gericht zijn de vastigheid Zijns troons." (Jes. 32:1) "Ziet een Koning zal heersen in gerechtigheid." (Jes. 40:3,4.) "Zijn rieken zal zijn in de vreze des Heeren; en Hij zal naar het gezicht van Zijn ogen niet richten; Hij zal ook naar het gehoor van Zijn oren niet bestraffen. Maar Hij zal de armen met gerechtigheid richten, en de zachtmoedigen des lands met rechtmatigheid bestraffen." (Ps. 40:8) "Gij hebt gerechtigheid lief, en haat goddeloosheid; daarom heeft U, o God, Uw God gezalfd met vreugdeolie boven Uw medegenoten."

6. Hij is een genadig Koning. Zijn naam is "de Heere, genadig." Hij is vol van genade. Genade komt door hem, en rivieren van genade komen voort uit zijn troon. Daar is een rivier welker beekjes de stad Gods verblijden (Ps. 46:5). De troon, daar Hij op zit, is een troon van genade, en wetten van genade gaan van Zijn troon uit, namelijk de grote en dierbare beloften, welke de verordeningen van de Konings of de heilzame wetten zijn, die uitgegaan zijn tot het welzijn van zijn onderdanen.

7. Hij is een goedertieren en ontfermend Koning. Hij heeft een hart vol ontferming over Zijn vijanden; Hij wilde Zijn vijanden te Jeruzalem bijeen vergaderen, "gelijkerwijs een hen haar kiekens bijeenvergadert onder de vleugelen", en Hij weent over hen, wanneer Zijn vijanden hun nek verharden. Zijn ganse hart is afkerig om een volk los te laten, dat Hem loslaat: (Hos. 40:8) "Hoe zou Ik u overgeven, o Efraïm? U overleveren, o Israël? Hoe zou Ik u stellen als Adama? U stellen als Zeboïm? Mijn hart is in Mij omgekeerd, al Mijn berouw is samen ontstoken."

8. Hij is een Koning, Die wonderlijk medegevoel heeft met zijn onderdanen: "Hij heeft medelijden met onze zwakheden." De minste gunst of belediging hun bewezen of aangedaan, rekent Hij als aan Hem gedaan (Matth. 25:40,45).

9. Hij is een Koning van onmetelijke rijkdom, en onbegrensde mildheid en weldadigheid. Zijn rijkdom is onnaspeurlijk: "Rijkdom en eer zijn bij Hem." En wat Zijn weldadigheid betreft, Hij deelt Zijn genade even vrij, om niet, uit, als de zon haar stralen over de aarde uitstrooit. Hij nodigt de ganse wereld, om in Zijn volheid te komen delen: (Jes. 55:1) "O alle gij dorstigen, komt tot de wateren, en gij, die geen geld hebt, komt, koopt en eet, ja komt, koopt zonder geld en zonder prijs wijn en melk." (Spr. 9:1-5) "De opperste Wijsheid nodigt: Wie is slecht, hij kere zich herwaarts: tot de verstandeloze zegt Zij: Kom, eet van Mijn brood, en drink van de wijn, die Ik gemengd heb."

10. Hij is een Koning van onbesmette waarheidsliefde en waarheid. Men kan op Zijn koninklijk woord rekenen: Hij is geen man dat Hij liegen zou, noch eens mensen kind, dat het Hem berouwen zou. Zijn Naam is waarheid, het Woord Gods. Men kan veilig zijn zaligheid op Zijn Woord wagen, want Hij is nooit in gebreke gebleven: "Al de beloften Gods zijn in Hem Ja, en zijn in Hem Amen." Hij heeft ze met Zijn bloed verzegeld, en als "de getrouwe en waarachtige Getuige," bekrachtigt Hij ze alle met Zijn koninklijk Amen.

11. Hij is een onsterfelijke Koning. Andere koningen sterven als een mens, en als een van de vorsten zullen zij vallen; de dood voert hen uit hun hoge plaatsen en geeft hun eenzelfde plaats met de bedelaars; maar Sions Koning "leeft tot in eeuwigheid." Het is waar, eens was Hij dood; doch omdat Hij de Vorst des levens was, was het niet mogelijk, dat de dood, de koning van de verschrikking, hem binnen zijn gebied kon vasthouden: (Openb. 1:18) "Ik ben dood geweest, en ziet, Ik ben levend in alle eeuwigheid." Het leven van al Zijn onderdanen is in Zijn leven verborgen.

12. Hij is nu een onzichtbare Koning, bulten het gezicht van onze lichamelijke ogen. Hij is binnen het voorhangsel ingegaan, "om nu te verschijnen voor het aangezicht Gods voor ons;" Hij bepleit de zaak van al zijn onderdanen in de hoogste hemelen. Doch Hij is steeds zichtbaar voor het oog van het geloof: "Dewelke u niet gezien hebt, en nochtans liefhebt." Nog een weinig tijd, en Hij zal voor ieders oog zichtbaar zijn: (Openb. 1:7) "Ziet hij komt met de wolken, en alle oog zal Hem zien."

13. Hij is een eeuwige Koning. "De Koning nu der eeuwen, de onverderfelijke, de alleen wijze God, zij eer en heerlijkheid in alle eeuwigheid. Amen." Gelijk Zijn koninkrijk van eeuwigheid is, zo is het ook tot eeuwigheid; "en der grootheid van deze heerschappij en des vredes zal geen einde zijn."

14. Hij is een onafhankelijk Koning. al de machten van de aarde zijn van Hem afhankelijk: "Door Mij regeren de koningen, en de vorsten stellen gerechtigheid," maar Hij hangt van niemand af. Weliswaar is Zijn middelaars koninkrijk hem door Zijn Vader gegeven, doch Zijn wezenlijk koninkrijk is even onafhankelijk als dat van God de Vader: "die in de gestaltenis Gods zijnde, geen roof geacht heeft Gode evengelijk te zijn."

15. Hij is een machtige en strijdbare Koning. Hij is de Heere der heirscharen; "de Heere is een krijgsman, HEERE is Zijn Naam," Hij ontmoette de satan, en verwondde, en vermorzelde hem op de berg Calvarië, en Hij zal eeuwig strijdvoeren tegen allen, die zich tegen Zijn regering verzetten, en zeggen: "Wij willen niet, dat deze Koning over ons zij." Hij zal Zijn legermachten uitzenden en hen verslaan; en niet alleen Zijn wraak, maar ook de wrake van Zijn Vaders zal op hen vallen.

16. Hij is de Koning van eer: (Ps. 24). Wanneer zondaren worden opgeroepen, "de eeuwige deuren" van hun harten voor hem "te verheffen." wordt hun gezegd, dat niemand minder dan "de Koning der ere" daartoe roept. Salomo, in alle zijn heerlijkheid was niet te vergelijken bij een lelie, veel minder Hem, Die het "afschijnsel der heerlijkheid Zijns Vaders is," en aan Wie "alle heerlijkheid des huizes Zijns Vaders hangt’ (Jes. 22:24).

Ik zou nu voortgaan om de andere punten te behandelen, doch ik zal die nu voorbij gaan, en, in enkele gevolgtrekkingen, een woord van toepassing spreken op hetgeen gesproken is.

1. Ziet, welke gelukzalige personen de ware en trouwe onderdanen van Christus, de gelovigen, zijn. Wat de koningin van Scheba zeide van de knechten van Salomo, mogen wij van Hem zeggen; dat zij welgelukzalig zijn, die in het huis des Konings wonen (Ps. 84:5). Al Zijn onderdanen zijn kinderen en erfgenamen, "koningen en priesters Gode"; "hun Koning verhoort hen ten dag huns roepens" (Ps. 20:10). Zij genieten vrede onder Zijn bestuur. Zij hebben verdrukking in de wereld, maar "in Hem hebben zij vrede"; zij wonen in de hoogte, ze wonen zeker. Er wordt voor hen allen goed gezorgd op de dag van de honger en van de verdrukking.

2. Ziet aan welk gevaar zij zich blootstellen, die inbreuk maken op Zijn regering en Zijn gezag verachten.

Vraagt u wie dat zijn?

Dan antwoord ik: 1. Zij, die het gezag, dat zij aan Hem te danken hebben, aanwenden tot nadeel en afbreuk van Zijn koninkrijk en zaak. Alle macht en gezag, hetzij burgerlijk of kerkelijk, is aan Hem te danken. Alle burgerlijke macht is van Hem: "Door Mij regeren de koningen." Hij stelt koningen aan, en Hij zet ze af, naar Zijn welgevallen. Daarom moet het een gevaarlijk misbruik van het burgerlijk gezag zijn, wetten te bekrachtigen, die inbreuk maken op de koninklijke rechten van Zijn kroon, en de vrijheden van zijn onderdanen; wetten, die toverij begunstigen; wetten, die toelaten, dat Zijn dag en dienst ontheiligd wordt, en dat de hoven van Zijn huis en de opzieners van Zijn koninkrijk naar hun eigen goeddunken worden ingericht; wetten, die de gezanten van Sions Koning verplichten van standplaats te veranderen, en herauten en dienaren te worden van de koning en het Parlement. Nog eens: gelijk alle burgerlijk, zo is ook alle kerkelijk gezag te danken aan Hem, als de Bron daarvan, die "alle macht heeft in hemel en op aarde." En als dit zo is, wat moet het dan een afschuwelijke samenzwering zijn tegen de Koning van Sion, dat men die macht gebruikt, om de verkeerden te beschermen en hen die voor Hem getuigen te censureren; dat men de rechten en voorrechten van Zijn onderdanen schendt en met geweld opzieners aan Zijn huis opdringt, tot verdeling, verwoesting en verstrooiing van Zijn onderdanen? Men kan licht denken, wat de Koning met zulke hoven en opziener zal doen, wanneer Hij met hen zal afrekenen.

2. Zij doen een inval in Zijn koninkrijk en maken inbreuk op Zijn gezag, die het wagen Zijn zichtbaar koninkrijk in de wereld in te richten naar hun eigen smaak, en niet naar het voorbeeld, dat op de heilige berg van de goddelijke openbaring is gegeven. De grenspalen van het koninkrijk van Christus zijn door onze grote en waardige voorvaderen volgens Gods woord gezet en onder ede aanvaard, en zij die deze palen verzetten en de regering van de kerk van Christus een andere vorm geven, zoals de Episcopalen en de Sektarissen doen, moeten met grond verdacht worden, dat zij vijanden zijn van de Koning van Sion. Wat mij, onder andere dingen, overtuigt van de dwaling zowel van de Episcopalen als van de Independenten, in hun ontwerpen van kerkregering, is dit er één, dat ik nooit heb gehoord, dat een van hun de marteldood is gestorven voor Christus, als de Koning van Sion, in het bijzonder daarvoor, dat Hij alleen Hoofd en Soeverein in zijn Kerk is. De wrok en de geest van kwaadwilligheid en vervolging ging ten minste in dit land, nooit over een van deze dingen; want de wereld heeft het hare lief. Het is echter overbekend, dat al de macht van de hel en van kerkelijke en burgerlijke tirannie is aangewend om die vorm van kerkregering te onderdrukken, die in ons land zo plechtig, volgens het woord van God, is aangenomen. Dit is, naast andere dingen, voor mij een overtuigend bewijs, dat die van goddelijke oorsprong is. Toen koning Karel II op de troon hersteld was, tegen wie of wat wendde hij toen zijn macht aan? Tegen de bisschoppelijke regering? Neen; hij herstelde die vorm van kerkregering beide in Engeland en in Schotland. Ging het tegen de Independenten en de Sektarissen, die zijn vader onthoofd hadden? Men zou zo menen, dat de storm in toorn over hen zou zijn losgebroken: doch ik kan mij niet herinneren ooit gehoord te hebben. dat het hun gedurende de tijd van die vervolging een druppel bloed gekost heeft; de storm barstte los over de Presbyterianen beide in Engeland en Schotland. Was dit omdat zij zich bij de overweldiger gevoegd hadden, of getracht hadden het geslacht van de Stuarts af te zetten? Het tegengestelde hiervan weten allen, die de geschiedenis van die tijden kennen. Er is geen goede reden voor te bedenken, waarom de vloed van de vervolging zo hevig tegen hen, boven anderen, aanliep, dan deze: (12: 17) "Omdat zij de geboden Gods bewaarden," met betrekking tot het koninkrijk van Zijn Zoon, en dat zij het getuigenis van Jezus Christus en het Woord van Zijn lijdzaamheid bewaard hadden."

3. Zij verachten het gezag van de Koning van Sion, die gewillig naar de geboden van mensen wandelen, in strijd met de geboden van Christus. Wanneer de geboden van de mensen tegen het gezag van Christus aanlopen, is het uit de praktijk van de apostelen en van de drie jongelingen duidelijk wat wij te doen hebben. De apostelen zeiden voor de Joodse Raad: "Oordeelt gij, of het recht is voor God, ulieden meer te horen dan God." En wanneer van de drie jongelingen, in het gezicht van een brandende oven, door een toornigen koning geëist werd, zich voor zijn afgod neer te buigen, zeiden zij: "Wij hebben niet nodig u op deze zaak te antwoorden." Hoe schuldig maken zich dan die mensen, die zich dienaars, opzieners en gezanten van Christus noemen, die, in strijd met de wetten van Zijn huis, op bevel van mensen, die maar wormen zijn, Zijn Sabbatten ontheiligen, Zijn dienst bezoedelen, hun ambt door zondige toegevendheid onteren, en de oppermacht en soevereiniteit van Christus, onze enige Koning, Rechter en Wetgever omverwerpen, en de juwelen van Zijn kroon vertrappen?

Zij zullen even schuldig bevonden worden, die aanzien, dat deze beledigingen door anderen de Koning van Sion worden aangedaan: die hoewel zij er zelf niet met meedoen, nochtans als toeschouwers er getuige van zijn, of stilzwijgen zonder tegen die dingen te getuigen, ja met verraders van de kroon van de Verlosser omgaan, alsof die Zijn trouwe onderdanen en opzieners waren. Wat moet men denken van iemand, die in handen van de koning de eed van trouw en afwering heeft gedaan. Voornamelijk zo iemand, aan wie voordelige ereposten zijn toevertrouwd, die dagelijks het brood van de konings eet, en van hem zijn loon ontvangt. Wanneer zo iemand getuige was van openbaar verraad tegen de koning en zich nochtans stil hield; en dat niet alleen, maar dat hij de zodanigen een plaats liet innemen in het hof van de koning, en bij hen ging zitten, alsof zij niets kwaads gedaan hadden? Zou men zo iemand voor een trouw onderdaan van de koning mogen houden? Wanneer openbaar verraad tegen de Koning van Sion is begaan, en bederf, hetzij in beginsel of in praktijk, wordt toegelaten, en niet door de tucht wordt uitgezuiverd; wanneer de meerderheid van een Kerk en haar gerechtshoven in samenzwering zijn; dan is in dat geval het duidelijk bevel: (2 Kor. 6:7) "Daarom gaat uit het midden van hen, en scheidt u af, zegt de Heere, en raakt niet aan hetgeen onrein is" en de Heere zal ulieden aannemen. Wanneer de verdorven partij maar klein is, zegt Hooker, dan moet zij worden uitgeworpen; doch wanneer de grote hoop, of de meerderheid ener Kerk goddeloos wordt, dan, zegt hij, moet het gezonde deel zich van haar onttrekken, waartoe hij de voormelde Schriftuurplaats, 2 Kor. 6:7, aanhaalt. Wanneer Paulus beveelt, dat die persoon, die bloedschande had bedreven, uit het midden van de gemeente zou worden weggedaan, heeft hij er deze reden voor; "omdat een weinig zuurdesem het gehele deeg zuur maakt"; waarmee hij duidelijk te kennen geeft, dat wanneer een kerk geheel doorzuurd is met niet gezuiverde ergernis en dwaling, zij als het huis onder de wet is, waarin de melaatsheid geheel uitgespreid is, dat niet alleen door de bewoners verlaten, maar geheel afgebroken moest worden. De zonde wordt in de Schrift bij rook vergeleken. Gij weet, wanneer een huis zo rokerig is, dat men er in zou stikken, en het niet verholpen kan worden, dan moeten de bewoners dat huis verlaten en een andere woning zoeken.

Laatste gevolgtrekking. Ziet welk een uitnemende regel deze leer oplevert voor al de onderdanen van de Koning van Sion, die in een donkere en bewolkte dag verlangen aan Hem getrouw te worden bevonden, hoe zij hun gang hebben te richten. U weet, dat, in een tijd van oproer en opstand tegen een regering, wanneer alle dingen in de war lopen, de trouwe onderdanen, die de zaak van hun koning aanhangen, naar de banier van hun koning vragen. Zij vragen niet: "Wie heeft het grootste aantal volgelingen?" of; "Waarheen hellen de mensen over?" Maar als de banier van de koning wordt geplant, al zijn er nog zo weinig, die haar erkennen, dan vragen zij: "Waar staat zij?" of: "Welke partij volgt haar?" Dit nu is het geval in deze verdeelde en verwarde tijd, die wij beleven. Er is een opstand tegen de Koning van Sion, namelijk in het huis van hen, die belijden Zijn vrienden te zijn, en onder de schuilplaats van Zijn Naam en Zijn gezag. Kerkelijke gerechtshoven behandelen de zaken geheel in strijd met de wetten van Zijn koninkrijk en de rechten van Zijn onderdanen, en nochtans beweren zij, dat zij op Zijn gezag zo handelen. Een oordeelkundig getuigenis wordt opgeheven tegen hun verdorven gedragingen, zowel inzake de leer als de tucht en de regering, en nochtans zijn er velen in dit land, die belijden, dat zij vrienden van Sions Koning zijn, die besluiteloos zijn welke zijde zij zullen kiezen; wel, de weg om tot een besluit te komen is, te onderzoeken: Waar staat de banier van het met verbond bekrachtigde getuigenis van Christus in dit land? Binnen of buiten de legerplaats? Indien zij getrouw binnen de legerplaats wordt gehouden, dan is het plicht zich er daar bij aan te sluiten; doch indien zij buiten de legerplaats staat dan moeten wij daar de banier volgen, ook al zouden wij verplicht zijn het kruis op te nemen in die te volgen.

 

De soevereiniteit van Sions Koning (2e preek)

Ps. 2:6 "Ik toch heb Mijn Koning gezalfd over Sion, de berg Mijner heiligheid."

De leer was: "Dat Christus Koning over Sion is, het enig Hoofd, en de enige Heerser over Zijn gemeente, door Zijns Vaders aanstelling en raadsbesluit." Ik toch heb Mijn Koning gezalfd over Sion, de berg mijner heiligheid.

De volgorde waarin ik deze leer zou verhandelen was;

I. Iets te spreken over deze Vorst, van Wie hier gesproken wordt.

II. Iets te spreken over Zijn koninkrijk en het beheer daarvan.

III. Waarom God de Vader de regering daarvan aan hem heeft opgedragen.

IV. Alles toepassen.

Ik heb alleen over het eerste gesproken en enig verslag gegeven van deze Koninklijke Vorst, Die door God bekleed is met de heerschappij, en enige toepassing gemaakt.

II. Ik zal nu een weinig spreken over het koninkrijk van Christus en het beheer daarvan. Ik zal (1) enige onderscheidingen aanwijzen van het koninkrijk van Christus. (2) Aantonen waarom de Kerk, Sion, de berg van Gods heiligheid, genoemd wordt. (3) Enige van de eigenschappen of hoedanigheden van het koninkrijk van Christus voorstellen. (4) Een weinig spreken over de werkelijke uitvoering en het beheer van het koninkrijk van Christus, als Middelaar.

Ons eerste punt is, dat wij enige onderscheidingen zullen aanwijzen van het koninkrijk van Christus. Weet dan, dat het koninkrijk van Christus tweeërlei is, of wezenlijk, of persoonlijk. Zijn wezenlijk koninkrijk is Zijn recht, krachtens Zijn goddelijke natuur, of zoals Hij de Zoon van God, de tweede Persoon van de heerlijke en eeuwig gezegende Drie-eenheid is, Dezelfde in wezen, van gelijke macht en heerlijkheid, met de Vader en de Heilige Geest. Christus is, zo aangemerkt, de grote Heere, de Schepper van hemel en aarde, en van alle dingen, die daarin zijn, en het bestuur en de beschikking daarover komt Hem toe krachtens het recht van schepping. Ik spreek nu echter niet over dit volstrekt of wezenlijk koninkrijk van Christus, maar over Zijn persoonlijk of middelaars koninkrijk, zoals Hij Immanuël, Godmens, is. Als zodanig handelt Hij krachtens een gevolmachtigd gezag, of een Hem toevertrouwde macht, die Hem van de Vader gegeven is tot het zaligmaken van de uitverkorenen, die Hem gegeven zijn. De mens, uit de staat waarin hij geschapen is uitgevallen zijnde, moet, om hersteld te worden, onder een andere vorm van regering worden gebracht dan die waaronder hij bij zijn schepping geplaatst is, toen hij God alleen onderworpen was als zijn Schepper en Weldoener, die Hem het leven beloofde op de voorwaarden van het verbond der werken. Ik zeg: zou de mens hersteld worden, dan moest een nieuwe vorm van regering worden daargesteld; waarvan het ontwerp in de Raad des vredes van eeuwigheid was vastgesteld. Krachtens dit ontwerp van regering neemt de eerste Persoon van de heerlijke Drie-eenheid de plaats in van de Opperste Rechter, Die een vonnis van verdoemenis uitspreekt over het ganse menselijk geslacht wegens de overtreding van Zijn heilige wet, doch in zoverre vrijstelling van de strengheid van de wet toelaat, dat Hij een rantsoen en voldoening toestaat. God, in de Persoon van de Zoon, neemt op Zich de plaats te vervullen van een Middelaar, Borg en Verlosser, belovende de eer van de heilige wet te bevredigen in deze plechtige verklaring, dat Hij de Zoon, tot vervulling van hetgeen Hij op Zich genomen heeft, "alle macht geeft in de hemel en op aarde." Alle regering wordt de Zoon toebetrouwd: engelen, mensen en duivels, en alle schepselen worden in Zijn hand gegeven, opdat Hij die dienstbaar mag maken tot de herstelling van dat arme, verachtelijke schepsel, de mens. Het is op deze grondslag, dat de grote HEERE in de tekst en het verband zegt: "Ik toch heb mijn Koning gezalfd over Sion, de berg Mijner heiligheid." Ik zal van het besluit verhalen: de HEERE heeft tot mij gezegd, Gij zijt mijn Zoon, heden heb ik U gegenereerd, eis van Mij, en Ik zal de heidenen geven tot Uw erfdeel, en de einden van de aarde tot Uw bezitting."

Nu, het middelaarskoninkrijk van Christus is, of meer algemeen, of bijzonder.

1. Zijn algemeen middelaarskoninkrijk strekt zich uit over de hemel, de aarde en de hel. (Ef. 1:22,23) "En heeft alle dingen Zijn voeten onderworpen, en heeft Hem de gemeente gegeven tot een Hoofd boven alle dingen; welke Zijn lichaam is, en de vervulling Desgenen, Die alles in allen vervult." (Phil. 2:9-11.) "Daarom heeft hem ook God uitermate verhoogd, en heeft Hem een Naam gegeven, welke boven allen naam is; opdat in de naam van Jezus zich zou buigen alle knie van degenen, die in de hemel, en die op de aarde, en die onder de aarde zijn; en alle tong zou belijden, dat Jezus Christus de Heere zij, tot heerlijkheid Gods, des Vaders." Alle personen, koninkrijken en omwentelingen van zaken worden door onze Middelaar en Verlosser Jezus Christus geschikt en bestuurd. Hij stelt koningen aan en zet hen af, naar het dienstig is tot Zijn heerlijkheid en ten goede van Zijn gemeente. Daarom wordt het aan de Kerk in haar verdrukking als een stof van overwinning voorgesteld: (Ps. 146:10) "De Heere zal in eeuwigheid regeren: uw God o Sion, is van geslacht tot geslacht. Halleluja."

2. Men kan het koninkrijk van Christus ook aanmerken als meer bijzonder, en zo is Zijn gemeente Zijn koninkrijk, waarin en waarover Hij regeert. Dit koninkrijk, of de Kerk van Christus wordt soms in de Schrift Zijn lichaam genoemd, wegens de onderlinge vereniging tussen Hem en haar: soms Zijn kudde, omdat Hij als een Herder, over haar de wacht houdt en voor haar weide zorgt.

Dit bijzonder koninkrijk van Christus, de gemeente of Kerk, moet worden aangemerkt, of als strijdende op aarde, of als triumferend in de hemel. De triumferende Kerk is dat deel van de heiligen van God, dat, door de dood, tot Hem vergaderd is in de heerlijkheid, waar Christus is; en zij zullen met elkaar in de hemel zijn tot aan de voleinding van alle dingen, aan het einde van de tijd, wanneer Hij zal neerkomen voor het laatste oordeel, en al Zijn heiligen en engelen Hem als Zijn hofstoet zullen omringen. Doch ik spreek nu over de strijdende Kerk op aarde. Zij wordt strijdende genoemd, omdat de onderdanen nog in een staat van oorlog op het slagveld zijn, strijdende met de zonde, de satan, en de wereld.

De strijdende Kerk is of zichtbaar, of onzichtbaar. De onzichtbare algemene Kerk bestaat uit alle gelovigen, die zaligmakend met Christus als hun Hoofd verenigd zijn, uit Wie zij leven en door Wie zij geregeerd worden, door Zijn wederbarende en heiligende Geest. Die worden Zijn onzichtbare Kerk genoemd, omdat zij niet zichtbaar zijn voor het oog van de wereld, zij zijn niet waarneembaar voor zintuig en rede; hun leven en alles wat daarmee in betrekking staat is "met Christus verborgen in God" en daarom worden zij soms "zijn verborgenen" genoemd. De zichtbare algemene Kerk van Christus bestaat uit die allen over de gehele wereld, die een zichtbare en geloofwaardige belijdenis doen van hun geloof in Christus en van afhankelijkheid van Hem als hun Profeet, Priester en Koning en die de leer, de dienst, de tucht en de regering erkennen, welke Hij heeft ingesteld, en dat hun door gezanten, die Hij zendt, het Evangelie gepredikt en Zijn inzettingen bediend worden. Deze algemene zichtbare Kerk, bestaande uit allen, die de Naam van Christus belijden, doch in het bijzonder uit hen, die waarlijk in Hem geloven, is wat in mijn tekst "Sion de berg Mijner heiligheid" genoemd wordt, waarover Christus regeert.

Ik zal aan hetgeen ik over dit punt gezegd heb alleen dit toevoegen, dat het onmogelijk is, dat de leden van de algemene Kerk, aangezien zij over de ganse aarde, overal waar het Evangelie gepredikt wordt, verspreid zijn in deze wereld plaatselijke vereniging met elkaar kunnen hebben in de aanbidding van hun heerlijk Hoofd Jezus Christus, hoewel het een begeerlijke zaak zou zijn, als dat kon worden bereikt. Doch omdat dit niet te bereiken is, daarom is de algemene Kerk verdeeld in nationale kerken, provinciale kerken, plaatselijke kerken en huiskerken (want wij lezen van de gemeente van Christus in een huis, of een bijzonder huisgezin); doch deze al zijn maar zoveel kleinere of grotere delen van de algemene Kerk van Christus over de gehele wereld, die "één Heere, één geloof, één doop hebben". Doch ik blijf hier niet langer bij stilstaan. Dit is genoeg om u een algemeen overzicht te geven van de Kerk, of het koninkrijk van Christus in de wereld.

Ons tweede punt is, dat ik u zal aantonen, waarom de Kerk Sion, de berg van Gods heiligheid, genoemd wordt. Om u dit op te helderen, moet u weten, dat de berg Sion, letterlijk, een berg was, in het beste deel van de wereld namelijk, in Kanaän, gelegen; en in het beste deel van Kanaän, dat was de stam van Juda; en in het beste deel van die stam, namelijk, in de stad Jeruzalem. Deze berg had twee toppen, de ene werd Moria genoemd; daar was de tempel op gebouwd, waardoor hij de zetel werd van alle plechtige eredienst onder de oude bedeling; de andere top werd de stad Davids genoemd, omdat daar het paleis van David, de koninklijke residentie van de koningen van Juda en Israël was. In de Schriften, beide van het Oude en Nieuwe Testament, wordt dikwijls over de gemeente van Christus gesproken onder het begrip van deze berg Sion, in het bijzonder in Ps. 132:13: "Want de Heere heeft Sion verkoren, Hij heeft het begeerd tot Zijn woonplaats"; en in Hebr. 12:22, daar zegt de apostel, sprekende over de Kerk van het Nieuwe Testament: "Maar gij zijt gekomen tot de berg Sion". De berg Sion nu, beeldde om deze en dergelijke redenen de Evangeliekerk af.

1. De berg Sion en Jeruzalem was de woonplaats van de Jebusieten, een gezelschap van vervloekte en afgodische Kanaänieten. Zo is ook de Kerk; van nature vijanden van God, "vervreemd van het burgerschap Israëls".

2. De berg Sion was door David uit de handen van de Jebusieten genomen, Zo heeft ook Christus, onze gezegende David, Zijn gemeente veroverd. Hij heeft haar niet alleen met Zijn bloed uit de hand van de rechtvaardigheid gekocht, maar door de scherpte des zwaards, dat aan Zijn heup gegord is, neemt Hij haar met kracht en geweld uit de handen van de satan. De wapenen, die Hij daartoe gebruikt, zijn niet "vleselijk, maar krachtig door God, tot nederwerping van de sterkten".

3. David versterkte Sion voor zichzelf tot de enige plaats van zijn woning. Zo ook vestigt Christus Zijn geestelijke woonplaats in Sion: "In Salem is Zijn hut, en Zijn woning in Sion". Zijne tegenwoordigheid in haar maakt haar onneembaar: "God is in het midden van haar, zij zal niet wankelen." Daarom "zal op die dag dit lied gezongen worden in het land Juda: Wij hebben een sterke stad, God stelt heil tot muren en voorschansen". (Jes 26:1).

4. De berg Sion en Jeruzalem was vermaard boven alle steden in de wereld. Zo is ook de Kerk van Christus de meest vermaarde maatschappij op aarde, beroemd wegens haar waardigheid, haar bedrijf, haar privilegiën, haar vrijheden en haar toekomstige vooruitzichten.

5. Sion was de plaats van openbare aanbidding: daar was de ark des verbonds, en daar was de plaats van plechtige eredienst. Zo zijn in de Nieuwtestamentische Kerk al de instellingen voor de eredienst, het woord, het gebed, de dankzegging, de sacramenten en dergelijke; de galerijen van Sions Koning, waar Hij gemeenschap houdt met Zijn onderdanen, en waar Hij toegang tot Hem en gemeenschap met Hem verleent.

6. Al de geheiligde dingen van God werden in Sion bewaard. Daar waren de wet, de woorden Gods, de Schechina, de kruik met manna, het verzoendeksel en de tabernakel. Zo is ook de Kerk van Christus de bewaarplaats van al de geheiligde dingen van de hemel. Van haar is de aanneming tot kinderen, de beloften, het verbond; de instellingen, de leer, de eredienst, de tucht, de regering: en de waarheden van Christus zijn aan haar hoede opgedragen. O hoe ijverig moest de Nieuwtestamentische Kerk, ieder leraar en lid daarvan, zijn om die in haar zuiverheid en kracht te bewaren!

7. Wij vinden in de Schrift, in Gal. 4, een tegenstelling tussen de berg Sion en de berg Sina. God kwam voor een tijd neer op de berg Sinaï; maar op de berg Sion komt Hij wonen. Hij verscheen in vreselijkheid op Sinaï; doch, op Sion, of te Jeruzalem, in een gezicht van vrede. Hij begaf Sina en liet die in dienstbaarheid achter; doch Sion is voor altoos vrij: op de berg Sinaï gaf Hij de wet, maar op de berg Sion gaf Hij het Evangelie.

Ons derde punt is, dat ik enige van de eigenschappen of hoedanigheden van het koninkrijk van Christus zal voorstellen.

1. Het is een geestelijk koninkrijk. Het is niet van deze wereld, zoals de Joden zich inbeelden, die wilden, dat het een vorm en gedaante zou hebben als de koninkrijken van deze wereld. De wetten, de instellingen, de tucht, het geheel van dit koninkrijk is geestelijk, en het staat voornamelijk in betrekking tot de zielen van de mensen en een toekomende eeuwige staat. En aangezien dit zo is, wat een vreemd begrip moeten dan die mensen en gerechtshoven onder ons wel hebben, die in de zaken van Christus’ koninkrijk onderscheid maken van een gouden ring, sierlijke kleding, en werelds erfgoed. Helaas! Rechte begrippen van het koninkrijk van Christus zijn over het algemeen in dit geslacht onder ons verloren. Sommigen hebben geen ander begrip van de Kerk van Christus dan, dat zij een maatschappij van mensen, is, die met elkaar vergaderen, onder de naam van gerechtshoven, onder de bescherming van de burgerlijke overheid, hetzij zij handelen overeenkomstig de wetten van Christus, of in strijd daarmede; in het belang van het lichaam van Christus, of tot afbreuk daarvan; hetzij zij Christus als Hoofd erkennen, of in de praktijk Zijn oppergezag loochenen, al is het dat zij het tegengestelde met de mond belijden. Ik heb geen bezwaar vast te stellen, dat een kerk, die het Hoofd, Christus, niet behoudt in al Zijn ambten, maar een afgod is van menselijk maaksel, en dat ijver voor zo’n kerk maar als de ijver is van hen, die riepen: "Des Heeren tempel, des Heeren tempel, des Heeren tempel zijn deze", en die toch wezenlijke vijanden van de God van de tempel waren; of als Efraïm, van wie gezegd wordt: "Want Israël heeft zijn Maker vergeten, en tempelen gebouwd". Ik zeg dan, dat het koninkrijk van Christus van een geestelijke natuur is, en dat het voornamelijk betrekking heeft op de ziel, of de inwendige mens. Daarom verklaart Christus van Zijn discipelen en volgelingen: Het koninkrijk Gods is binnen ulieden, en zonder dit doet het er weinig toe tot welke kerk of gemeenschap de mensen behoren.

2. Het algemene koninkrijk van Christus is zeer uitgestrekt. Het is waar, onder de Oudtestamentische bedeling was het koninkrijk van Christus besloten binnen de grenzen van Judea: "Welke Israëlieten zijn, welker is de aanneming tot kinderen, en de heerlijkheid, en de verbonden, en de dienst Gods, en de beloftenissen," terwijl de grote hoop van de Heidense volkeren als honden werden aangemerkt, vervreemd van het burgerschap Israëls. Doch, geloofd zij God, nu zijn de wateren van het heiligdom afgevloeid tot het dal van Sittim, zodat zij dat bewateren en het Evangelie wordt gepredikt onder al de Heidenen, tot gehoorzaamheid des geloofs" (Ps. 2: 8) "Eis van Mij, en Ik zal de Heidenen geven tot Uw erfdeel, en de einden van de aarde tot Uw bezitting." (Ps. 72:8) "En Hij zal heersen van de zee tot aan de zee; en van de rivier tot aan de einden der aarde."

3. Hoewel het koninkrijk van Christus, ik bedoel Zijn ware Kerk, zeer uitgestrekt is, nochtans is het maar een klein koninkrijk; ik bedoel het is niet dicht bevolkt, vergeleken bij het koninkrijk van deze eeuw. De kudde van Christus is maar een klein kuddeke, vergelijkenderwijs aangemerkt; zij zijn maar weinigen ten opzichte van de menigten van de wereld. Wel zullen zij in het afgetrokkene beschouwd, aan het einde der dagen een ontelbare schare zijn, die niemand tellen kan; doch in vergelijking van de goddelozen zijn zij maar weinigen: "Want de poort is eng, en de weg is nauw, die tot het leven leidt, en weinigen zijn er, die dezelve vinden". Als wanneer de nalezingen in de wijnoogst geschied zijn. "Ik zal u aannemen, één uit een stad, en twee uit een geslacht, en zal u brengen te Sion". Zij zijn maar klein ten opzichte van stand. De onderdanen van Christus behoren over het algemeen tot de armen: "God heeft de armen van deze wereld uitverkoren, om rijk te zijn in het geloof, en erfgenamen des koninkrijks." (1 Kor. 1:26) "Want gij ziet uw roeping, broeders, dat gij niet vele wijzen zijt naar het vlees, niet vele machtigen, niet vele edelen". Zij zijn gering ten aanzien van achting, de wereld acht hen maar weinig; zij worden over het algemeen gerekend "het uitvaagsel en afschrapsel" van de aarde te zijn (1 Kor. 4:13). Doch hoe weinig de wereld om hen geeft, nochtans, wanneer Christus aan het einde der dagen hen Zijn Vader zal voorstellen, zullen zij blinken als de sterren, ja, als de zon, in het koninkrijk van hun Vaders.

4. Het koninkrijk van Christus in deze wereld is een koninkrijk des lichts. De Kerk wordt het dal des gezichts genoemd, wegens het licht van de openbaring, dat in haar schijnt. Overal waar Christus in een land Zijn koninkrijk sticht, al "zat het in de duisternis," het volk, dat daarin woont "zal een groot licht zien; dengenen, die zaten in het land van de schaduw des doods, dezelve is een licht opgegaan". Allen, die ware onderdanen van Christus koninkrijk zijn, zijn overgezet uit de duisternis in zijn wonderbaar licht; het licht van de heerlijkheid Gods in het aangezicht van Christus schijnt in hun harten.

5. Het is een hemels koninkrijk. Toen Christus was gekomen om Zijn banier op te richten en Zijn scepter te zwaaien onder de Joden, zeide Johannes de Doper: (Matth. 3: 2) "Bekeert u, want het koninkrijk der hemelen is nabij gekomen". In Hebr. 12:22 staat geschreven: "Gij zijt gekomen tot de berg Sion, en de stad des levenden Gods, tot het hemelse Jeruzalem." al de trouwe onderdanen van het koninkrijk zijn van hemelse geboorte; hun aller weg, en wandel, en reis, is naar de hemel gericht; hun wandel is in de hemelen, en zij zijn begerig naar een beter vaderland, dat is, naar het hemelse (Hebr. 11:16).

6. Het is een regelmatig en goed bestuurd koninkrijk: "Jeruzalem is een stad, die wel samengevoegd is". In Openb. 21 hebben wij een beschrijving van de regelmatigheid en goede orde van het koninkrijk van Christus, onder het begrip van een stad, die vierkant gebouwd is. Er zijn vele onregelmatigheden en verwarringen in de Kerk van Christus zoals zij door de handen van mensen bestuurd wordt, gelijk op deze dag de droevige ervaring onder ons getuigt; doch zoals zij onder het beheer van de grote Koning is, die God over haar gezalfd heeft, is er niets dan schoonheid en orde in. Indien de Kerk van Christus, namelijk Zijn zichtbare strijdende Kerk, door hen, die zich aanmatigen, dat zij haar ambtsdragers zijn, stipt volgens de wetten van Sion geregeerd werd, zou er in het ganse koninkrijk niets dan orde en schoonheid zijn. Doch wanneer de mensen andere wetten gaan maken dan de wetten van Christus, en in plaats van de wil van de grote Koning hun wil tot het richtsnoer van regering stellen, dan brengt dit alles in verwarring. Nochtans worden ook deze verwarringen door de Koning tot voordeel van Zijn koninkrijk en Zijn ware onderdanen bestuurd, en op de rechte tijd zal Hij het licht uit de duisternis, en orde uit de verwarring, doen voortkomen.

7. Het ware koninkrijk van Christus is een koninkrijk dat door de duivel en de wereld zeer gehaat wordt. Het is een doorn in het oog van de hel en alle haar bondgenoten. Daarom staat in het begin van deze Psalm, dat, wanneer Christus komt, om Zijn koninkrijk op te richten, "de Heidenen woeden en de volken ijdelheid bedenken. De koningen van de aarde stellen zich op, en de vorsten beraadslagen samen," hoe zij dit koninkrijk van Christus zullen onderdrukken. De poorten van de hel strijden tegen het koninkrijk van Christus. De wereld heeft de haren lief, die onder de regering van "de God van deze wereld" zijn, en die "naar de eeuw van deze wereld wandelen;" meer zij haten de wetten, de instellingen, de tucht, en de onderdanen van het koninkrijk van Christus; zij zijn hun onverdraaglijk en daarom trachten zij altijd van hen af te komen. Vandaar al de smaad, de verdrukkingen, vervolgingen en marteldoden van de volgelingen van Christus, waarvan wij beide in de gewijde en ongewijde geschiedenis lezen.

8. Niettegenstaande dit is het koninkrijk van Christus een vast, duurzaam en eeuwig koninkrijk. Het is als "die steen, die uit de berg afgehouwen is", die alle koninkrijken van de aarde vermaalt, en toch zelf niet vermorzeld of verbroken wordt, gelijk de Koning van Sion "Zelf de eeuwige God" is, zo is ook Zijn koninkrijk "een eeuwig koninkrijk, en aan Zijn heerschappij zal geen einde zijn". "Hij zal over het huis Jacobs Koning zijn in der eeuwigheid, en Zijns koninkrijks zal geen einde zijn."

9. Het koninkrijk waarover Christus regeert is een heilig koninkrijk, de gemeente van Christus, namelijk Zijn zichtbare Kerk, is een geheiligd gezelschap, heilig krachtens verbond; zij wordt in de tekst de berg van Gods heiligheid genoemd. Al de leden van de zichtbare Kerk zijn in de doop aan God opgedragen, in welke instelling wij alle besmetting, beide van het vlees en van de geest, verwerpen, en ons plechtig verbinden strijd te voeren tegen de zonde, "die ten bloede toe tegen te staan." Het doel van alle kerkelijke tucht en van alle instellingen, leraars, opzieners, en gerechtshoven is, de Kerk of het Koninkrijk van Christus te behoeden voor alle bederf in beginsel of praktijk, opdat zij voor Hem een heilig deeg is. Wanneer enigerlei aanstoot in een Kerk uitbreekt moet die door de tucht van Christus’ instelling worden uitgezuiverd, opdat niet die zuurdesem het gehele deeg doorzuurt, en de Heere, de Heilige Israëls, getergd wordt van haar te wijken. De Kerk wordt de tempel Gods genaamd: (1 Kor. 3: 17) "Zo iemand de tempel Gods schendt, die zal God schenden: want de tempel Gods is heilig, welke gij zijt." Indien dit woord van God waar is, gelijk het zeker is, dan staat het er maar treurig voor met hen, die op deze dag de Kerk van Christus besmetten door ingewikkelde en vermenigvuldigde aanstoten, welke ik in het voorafgaande deel van deze rede vermeld heb.

Ons vierde punt was, dat wij een weinig zullen spreken over de werkelijke uitvoering en het beheer van het koninkrijk van Christus, als Middelaar. Wij zullen dit op tweeërlei wijze beschouwen. 1e Wij kunnen het beschouwen zoals het betrekking heeft op Zijn algemene middelaars regering over alle dingen ten goede van Zijn Kerk. 2e Met betrekking tot Zijn bijzondere middelaars regering, of het beheer in en over Zijn Kerk.

1e Wij kunnen de regering van Christus beschouwen zoals zij betrekking heeft op Zijn algemeen middelaars koninkrijk. Zo omvat die alle dingen in de hemel, op de aarde, en in de hel, want "in de naam van Jezus zal zich buigen alle knie van degenen, die in de hemel, en die op de aarde, en die onder de aarde zijn, en alle tong zal belijden, dat Jezus Christus de Heere is, en dat alle macht in de hemel en op aarde Hem is gegeven". Het koninkrijk van Christus in dit uitgebreid opzicht beschouwende, omvat Zijn regering en Zijn beheer de volgende dingen:

1. Dat Hij, zoals de apostel spreekt, (Hebr. 1:3) "alle dingen onderhoudt, en draagt door het woord Zijner kracht". Onze Verlosser, onze almachtige Koning van Sion, is niemand anders dan de grote God, Die de hemelen en de aarde gemaakt heeft, en (Joh. 1:3) "zonder Hem is geen ding gemaakt, dat gemaakt is." "Door het Woord des Heeren zijn de hemelen gemaakt en door de Geest Zijns mond al hun heir". Gelijk Hij alle dingen door een woord gemaakt heeft, zo houdt Hij ook alles in wezen door het woord van Zijn kracht; (Kol. 1:17) "alle dingen bestaan samen door Hem". Deze wereld is als een groot toneel, waarop een heerlijk tafereel wordt opgevoerd, tot eer en verheerlijking van de vrije genade van God in het zaligmaken van een zeker aantal van het verloren geslacht van Adam; en wanneer het stuk zal geëindigd zijn in de zaligheid van de laatste uitverkoren ziel, zal het toneel worden weggenomen, en dan zullen de hemelen met een gedruis voorbijgaan. Doch zolang het tafereel niet geëindigd is, wordt het toneel en alle dingen daarin gedragen door de koninklijke kracht en het gezag van de Koning van Sion.

2. Christus, de Koning van Sion, vergunt, krachtens Zijn algemene middelaarskracht en gezag, duivelen en goddeloze mensen te bestaan en te handelen, zoals zij zijn en doen, want "Zijne is de dwalende, en die doet dwalen" (Job. 12:16). Zo staat geschreven, dat Hij al de Heidenen heeft laten wandelen in hun wegen; Hij laat soms toe, tot heilige en wijze einden, dat de duivelen en vervolgers de rechtvaardigen wreed kwellen en vervolgen. Met het oog hierop zegt Hij tot de gemeente van Smyrna: "Vreest geen der dingen, die gij lijden zult. Ziet, de duivel zal enigen van ulieden in de gevangenis werpen, opdat u verzocht wordt; en gij zult een verdrukking hebben van tien dagen. Zijt getrouw tot de dood, en Ik zal u geven de kroon des levens" Zo laat Hij de draak toe (Openb. 12) krijg te voeren tegen de "vrouw en de overigen van haar zaad, die de geboden Gods bewaren en het getuigenis van Jezus Christus hebben." Deze toelatende macht en voorzienigheid, die Christus als Sions Koning uitoefent, met betrekking tot de vijanden van Zijn gemeente, is een heerlijke grond van bemoediging voor Zijn volk in alle hun beproevingen en verdrukkingen, dat Hij de Heere is, Die de vijand toelaat dit of dat te doen; voornamelijk indien men overweegt,

3. Dat Hij, door de volstrekte macht van de Koning van Sion, duivels en mensen in bedwang houdt en tot hen zegt, evenals Hij tot de trotse golven van de zee spreekt: "Tot hiertoe zult gij komen en niet verder." (Ps. 76:10) "Want de grimmigheid van de mens zal U loffelijk maken; het overblijfsel der grimmigheden zult Gij opbinden." Zo beteugelde hij beide Labans en Ezau’s verbolgenheid tegen Jacob, en Sanherib in zijn voornemens om het ganse koninkrijk van Juda en Jeruzalem te verwoesten. Christus heeft, als Koning van Sion, Zijn keten om de nek van de duivel, en de halzen van al zijn goddeloze werktuigen in de wereld, en wanneer zij zover zijn gegaan als de schalm, die Hij geordineerd heeft, dan rukt Hij aan de ketting, en zij zijn verplicht op te houden; Hij bindt het overblijfsel van hun grimmigheid op. Wij zien dit bij Job. Toen de duivel was losgelaten om hem te kwellen, ging hij zover als zijn keten hem maar enigszins toeliet, doch toen kon hij niet verder, totdat zijn ketting weer iets verlengd werd. Dit is ook het geval ten opzichte van zijn Kerk en zijn volk: (Openb. 20:13) "Hij grijpt de Draak, de oude slang, de duivel, en bindt hem met een grote keten, duizend jaren." De duivel en zijn instrumenten lopen in deze tijd onder de last van het woord van Christus’ lijdzaamheid en getuigenis, en zij zouden graag de getuigen en allen die deze getuigenis aankleven vernielen; doch zij zijn als zoveel honden of leeuwen, die door de Koning van Sion aan de ketting gelegd zijn, zij kunnen niet verder gaan dan Hij hun toestaat, en Hij zal niet toelaten, dat zij verder gaan dan Hij goed oordeelt voor Zijn eer en het welzijn van Zijn volk.

4. Een andere daad van Christus’ koninklijke en onbeperkte macht, als Koning over Sion, is het beschermen en verdedigen van Zijn Kerk temidden van de meest dreigende gevaren, die hen boven het hoofd hangen. Daarom noemt de apostel Judas hen: "die door Jezus Christus bewaard zijn." U weet, dat Mozes, toen Christus hem verscheen in het braambos, zag, dat het braambos brandde en nochtans niet verteerd werd. Daardoor werd Mozes de toestand voorgesteld waarin het volk Israël toen in Egypte verkeerde. Zij leden toen hevig en verschrikkelijk onder hun wrede aandrijvers, en de veiligheid van het braambos temidden van de vlammen stelde de veiligheid van Israël voor, temidden van al die verdrukkingen, onder de zorg en het opzicht van Christus, dat Hij niet zou dulden, dat zij door hun wrede vijanden zouden worden verslonden; neen, Hij zou hen veilig bewaren: "in een overloop van grote wateren zouden zij hen niet aanraken," en de heetste vlammen zouden hen niet verteren,

5. Door Zijn koninklijk gezag overheerst en regeert Sions Koning alle schepselen en al hun handelingen, ja, de duisterste en donkerste bedelingen, tot Zijn en Zijns Vaders eer, en ten goede en tot voordeel van Zijn Kerk, volgens die belofte: (Rom. 8:28) "Alle dingen zullen medewerken ten goede, dengenen, die God liefhebben."

Wij zien in deze tijd zeer wonderlijke dingen zich voordoen in het rad van de voorzienigheid: wij horen van oorlogen en geruchten van oorlogen; wij zien hoe machtigen van hun tronen gestoten worden; wij zien tekenen in de hemel boven, die veel gelijken op die, welke voor de verwoesting van Jeruzalem werden gezien; wij zien hoe de winden waaien in de korenschuur van de Kerk, en veel kaf opjagen en verstrooien, velen worden uit hun voorgaande belijdenis uitgedreven; wij zien hoe God een scheiding maakt tussen diegenen, die Hem vrezen; en anderen, die van Zijn vrees verstoken zijn; wij zien de vijand woeden in Gods heiligdom; zij slaan de graveerselen van de tempel met houwelen en beukhamers in stukken, en ontheiligen de kroon van Christus, door die op het hoofd van een sterveling te zetten. Wel, wanneer begrip en rede over deze en dergelijke bedelingen een oordeel zullen vellen, dan staan zij verlegen; doch als het oog van het geloof geopend is, zal het zien, dat de Koning van Sion al die wederwaardigheden door Zijn kracht bestuurt en overheerst tot voordeel van Zijn koninkrijk en tot bevordering van Zijn eer in het zaligmaken van Zijn verborgen lichaam.

6. Als de Koning van Sion, voert Hij Zich Zijn wraak en die van Zijn Kerk uit over al Zijn en haar vijanden, zoals wij in vs. 9 van deze Psalm zien: "Gij zult hen verpletteren met een ijzeren scepter, Gij zult hen in stukken slaan als een pottebakkersvat." Het beest en de valse profeet, en de grote hoer, de Gog en de Magog, de dood en de hel, "zullen geworpen worden in de poel des vuurs en sulfers" (Openb. 20). "Hij zal zijn vijanden zetten tot een voetbank Zijner voeten; Hij zal Koningen verslaan ten dage Zijns toorn; Hij zal het vol dode lichamen maken; Hij zal verslaan degene, die het hoofd is over een groot land."

7. Hij zal ten laatste Zijn Kerk, Zijn volk, bevrijden van al die kwaden, smarten en verdrukkingen, onder welke zij zuchten: (Openb. 21:4) "God zal alle tranen van hun ogen afwissen, en de dood zal niet meer zijn; noch rouw, noch gekrijt, noch moeite zal meer zijn; want de eerste dingen zijn weggegaan," Dit zijn sommige van de daden van de regering van Christus, in Zijn algemeen middelaarskoninkrijk, over alle dingen.

2e Ik zal nu meer bijzonder de regering van de Koning van Sion beschouwen, in Zijn gemeente en onder Zijn volk, dat Zijn bijzonder koninkrijk is. In betrekking tot Zijn onzichtbaar koninkrijk van gelovigen werkt Hij de volgende daden van Zijn koninklijke macht:

1. Hij onderwerpt hen aan Zich. Van nature zijn zij slaven van de hel, "wandelende naar de eeuw dezer wereld, naar de overste van de macht des geestes die nu werkt in de kinderen der ongehoorzaamheid." Doch in de dag van Zijn heirkracht zendt Hij de scepter van Zijn sterkte, en Hij maakt opstandelingen tot een gewillig volk. Hij overtuigt hen van zonde en ellende, Zijn scherpe pijlen treffen het hart van Zijn vijanden; Hij verlicht hun verstand in de kennis van Hem; Hij ontdekt Zijn persoonlijke en Zijn middelaars heerlijkheid, de weg en wijze van zaligheid door hem; Hij buigt de ijzeren zenuw van hun weerspannige wil, en doet hen het eens worden met de weg van de zaligheid, die in het Woord geopenbaard is. Hij overreedt hen en maakt hen door Zijn genade bekwaam in hem te geloven, en Hem te omhelzen, zoals Hij hun in de belofte en het aanbod van de genade wordt voorgesteld en geopenbaard. Zo roept en overwint de Koning van Sion de slaven van de duivel, en maakt hen Zijn trouwe onderdanen. Dit werk van de Koning van Sion openbaart zich in elk van Zijn onderdanen niet op dezelfde wijze, zij ondervinden niet allen in dezelfde mate een werk van de wet; sommigen worden op een meer zachte wijze behandeld, zoals Lydia, wier hart geopend werd onder het gehoor van Paulus; anderen moeten met de hamer van de wet worden neergeveld en gebeukt, voordat zij willen zwichten; doch ieder onderdaan van Christus heeft in Zijn krachtdadige roeping zoveel van het werk van de wet als voldoende is, om hem van de eerste Adam los te maken, en de ijdelheid te ontdekken van alle pogingen om gerechtigheid en het leven door het verbond van Adam te zoeken: hij heeft er zoveel van als nodig is om hem de volstrekte noodzakelijkheid van Christus te ontdekken tot "wijsheid, gerechtigheid, heiligmaking en verlossing", en zo wordt Christus "het einde der wet tot rechtvaardigheid een ieder, die gelooft."

2. Christus schrijft, als Koning van Sion, Zijn wet in de harten van al Zijn onderdanen: (Jer. 31:33) "Ik zal Mijn wet in hun binnenste geven, en zal die in hun hart schrijven, en Ik zal hun tot een God zijn, en zij zullen Mij tot een volk zijn." Op hetzelfde ogenblik, dat een zondaar wordt overgebracht uit de duisternis tot het koninkrijk van de Zoon van God, legt Hij een beginsel van heiligheid, een gelijkvormigheid aan Zijn wetten, in de ziel, zodat die mens "lust heeft in des Heeren wet, naar de inwendige mens." Vandaar die uitgangen en hijgingen van de ziel naar heiligheid van hart en leven: "Och, dat mijn wegen gericht werden om Uw inzettingen te bewaren! Houdt mijn gangen in Uw sporen, opdat mijn voetstappen niet wankelen. Laat mijn hart oprecht zijn tot Uw inzettingen, opdat ik niet beschaamd worde." Vandaar al dat kermen bij de onderdanen van Christus onder de overblijfselen van een lichaam der zonde en des doods: evenals Paulus: "Ik ellendig mens! Wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods?" "Ongerechtige dingen hadden de overhand over mij? Maar onze overtredingen die verzoent Gij."

3. Christus, als Sions Koning, scherpt gehoorzaamheid aan Zijn wetten in, en dat beide door beloften en straffen, die gepast zijn voor de natuur van Zijn regering en de toediening van genade. Hij verklaart, dat, "indien Zijn kinderen Zijn wet verlaten en in Zijn rechten niet wandelen, Hij hun overtredingen met de roede zal bezoeken, en hun ongerechtigheid met plagen." En anderzijds zegt Hij hun, dat Hij hen in de weg van gehoorzaamheid en heiligheid zal ontmoeten, en gemeenschap met hen zal hebben: en zo is er in het houden van Zijn geboden groot loon. Hij ontmoet de vrolijke, en die gerechtigheid doet, die Hem gedenken op Zijn wegen."

Christus heeft, als Sions Koning aan al Zijn onderdanen een voorbeeld van gehoorzaamheid gegeven, en vermaant hen Hem na te volgen, want "hoewel Hij de Zoon was, heeft Hij nochtans gehoorzaamheid geleerd uit hetgeen Hij heeft geleden." Hij zegt tot hen allen: "Leert van Mij, dat Ik zachtmoedig ben, en nederig van hart. Neemt Mijn juk op u, want Mijn juk is zacht en mijn last is licht." Hij heeft ons een voorbeeld nagelaten, opdat wij Zijn voetstappen zouden navolgen, en dientengevolge beijvert zich elke ware onderdaan van Christus zijn Koning na te volgen, Zijn loopbaan te lopen, ziende op Jezus."

5. Christus, in Zijn onzichtbaar koninkrijk bewerkt al Zijn onderdanen, hen opwekkende tot gehoorzaamheid aan Hem, door Zijn Geest, Die Hij in hen geeft, volgens die belofte: (Ezech 36:27) "En ik zal Mijn Geest geven in het binnenste van u, en ik zal maken, dat gij in Mijn inzettingen zult wandelen, en Mijn rechten zult bewaren en doen." Door deze Zijn Geest geeft Hij, dat zij zich benaarstigen heilig te zijn in al hun wandel, en dat zij hun licht alzo laten schijnen voor de mensen, dat zij hun goede werken mogen zien, en hun Vader, die in de hemelen is, verheerlijken.

6. Christus, als de Koning van Sion, vertedert de harten van Zijn onderdanen om recht acht te geven op al de wenken van Zijn hart en wil, zodat een ieder van hen geneigd is te zeggen: "Spreek Heere, want Uw knecht hoort. Heere, wat wilt Gij, dat ik doen zal?" Zij wachten met onderwerping, evenals een dienstknechtonechtonechtonechtonechtonechtonechtonechtonechtonechtonechtonechtonechtonechtonechtonechtonechtonechtonechtonechtonechtonechtonechtonechtonechtonechtonechtonechto