Thomas Boston

Haast u om uws levens wil

Zeven predikaties. Uit het Engels vertaald door C. B. van Woerden jr. te Akkrum

 

Ter inleiding

Eerste Preek

Tweede Preek

Derde Preek

Vierde Preek

Vijfde Preek

Zesde Preek

Zevende Preek

 

TER INLEIDING

Het is een genadige zorg der Voorzienigheid geweest dat in vorige eeuwen spijze is opgelegd voor Gods huis, welke nog heden ten dage mag dienen tot voedsel voor hongerige zielen. Thomas Boston neemt een voorname plaats in onder vroegere leraars die geschreven hebben tot vermaning en vertroosting van navolgende geslachten.

Bijzondere omstandigheden vestigen de aandacht op bijzondere waarheden. We zijn er in de afgelopen dagen weer aan herinnerd dat de wereldvrede voortdurend in gevaar is. Het grootste gedeelte van het mensdom heeft gedurende enkele dagen geleefd in de toestand die wij beschreven vinden in Lukas 21 : 26, dat "den mensen het hart zal bezwijken van vreze en verwachting der dingen die het aardrijk zullen overkomen".

Doch het heeft God in Zijn grote lankmoedigheid behaagd het oordeel voor een tijd uit te stellen. De Heere heeft Zijn goedertierenheden doen roemen tegen het welverdiende oordeel nu Hij machten die de ganse wereld door bloed en vuur aan zich willen onderwerpen bedwongen heeft voor zo lang als Hij ze in toom houdt.

Nu de dreigende oordelen voorlopig zijn afgewend is het te vrezen dat de mensen in het algemeen weer teruggezonken zijn in zorgeloosheid. Wij lezen in Markus 4 dat Jezus sliep in het achterschip en dat de discipelen Hem lieten slapen tot er een grote storm opstak. Toen wekten zij Hem op en riepen: Meester, wij vergaan! Wie kan onder de tegenwoordige omstandigheden de vraag weerhouden: Heere, moet eerst de storm opsteken vóór wij aan het roepen raken?

Wij menen dat in de predikaties van Boston over het uitgestelde oordeel dezelfde vraag gedaan wordt. Boston schrijft dat wie zich op het verleende uitstel niet bekeert, met te meer gretigheid zijn afgoden zal blijven nalopen. Om de afgoden van deze tijd te noemen behoeven wij niet meer woorden te gebruiken dan God in Zijn woord doet. Zij worden genoemd in 1 Joh. 2 : 16, "Want al wat in de wereld is namelijk de begeerlijkheid des vleses en de begeerlijkheid der ogen en de grootsheid des levens is niet uit de Vader maar is uit de wereld".

De predikaties over de woorden: "Raap mijn ziel niet weg met de zondaren", welke ook in dit boek voorkomen, zijn zeer gepast om ons aan te sporen onze behoudenis te zoeken in de gerechtigheid van Christus en te wandelen met eerbied en godvruchtigheid.

Zo past het ons bijzonder in deze tijd, nu God ons uitstel heeft toegestaan, te letten op de verdraagzaamheid des Heeren en te gedenken aan de woorden: "Wat eist de Heere van u dan ootmoediglijk te wandelen met uwen God?"

C. B. van Woerden Jr.

Akkrum, 1964.

 

EERSTE PREEK

Omdat niet haastelijk het oordeel over de boze daad geschiedt, daarom is het hart van de kinderen der mensen in hen vol om kwaad te doen. Pred. 8: 11.

Dit boek van Prediker is op een bijzondere wijze een boek over de Voorzienigheid, waarin Salomo zijn opmerkingen maakt over verscheidene gevallen. Het zijn onderwerpen waarbij geleerde en godvrezende mensen gezeten hebben met de vraag, hoe verschillende gevallen zijn overeen te brengen met het wezen en de eigenschappen van God. Doch er zijn geen tegenstrijdigheden. Alle raadsels zullen ten laatste opgelost worden.

Salomo had gezien dat sommigen op hoge plaatsen gezet waren tot hun verderf; dat zij tot heersers gesteld waren over anderen tot hun eigen verwoesting, door hun eigen begeerlijkheden te voeden en zo hun eigen oordeel verzwaarden. Hij had waargenomen dat velen voorspoedig leefden in hun goddeloosheid, met ere stierven en prachtig begraven werden. Al deze verborgenheden worden in onze tekst verklaard, waarin de Prediker zegt, dat uitstel geen pardon is. In onze tekstwoorden vinden wij:

1. Gods geduld en verdraagzaamheid jegens goddeloze zondaren, want hij zegt: Dat het oordeel niet haastelijk over de boze daad geschiedt.

(1.) Het schijnt dat het vonnis over de goddelozen niet wordt uitgevoerd. Doch er staat een rechtvaardig vonnis open over alle boze werken en over alle werkers van ongerechtigheid, vanwege hun zonden. De uitvoering van het oordeel wordt uitgesteld, maar het is niet ingetrokken. Het vonnis staat in Gods woord beschreven: "Verdrukking en benauwdheid over alle ziel des mensen, die het kwade werkt", Rom. 2 : 9.

(2.) De uitvoering van het vonnis wordt dikwijls uitgesteld, het oordeel komt niet haastelijk. Hoewel het woord uit de mond van de Rechter uitgegaan is, wordt de slag niet dadelijk toegebracht. God spaart de zondaar een tijd met een heilig doel.

(3.) In de tekst wordt gezegd dat, ofschoon de uitvoering van het oordeel niet haastig plaats heeft, het toch zeker is, althans zo het vonnis niet herzien wordt of zo geen genade wordt verkregen.

2. De zondaren maken misbruik van het geduld hetwelk God met hen oefent. "Daarom is het hart van de kinderen der mensen in hen vol om kwaad te doen." Omdat het vonnis niet haastig wordt uitgevoerd, menen zij dat het nooit zal uitgevoerd worden, en daarom geven zij zich de losse toom. "Hun hart is in hen vol om kwaad te doen." Zij menen dat de Voorzienigheid hun vrijheid geeft, en hen in hun loop niet tegenhoudt en zij bevinden dat de Voorzienigheid hen niet neerslaat. Daarom gaan ze voort in hun zondige weg. Omdat zij niet gestraft worden houden zij aan in hun zondige loop, zodat zij voortdrijven als een schip met volle zeilen voor een stevige bries. .

Er kunnen uit onze tekstwoorden drie leerstellingen getrokken worden.

I. In het hof des hemels is een vonnis geveld en het staat vast tegen goddeloze mensen en kwaaddoeners, hoe rustig zij daaronder ook voor een tijd mogen leven.

II. De Heere komt dikwijls niet haastig tot de uitvoering van het vonnis tegen goddeloze mensen, maar Hij stelt het voor een tijd uit.

III. Gods uitstel van de uitvoering wordt dikwijls jammerlijk misbruikt door zondaren, zodat hun harten vol zijn om kwaad te doen en zij hoe langer hoe meer schuld maken.

Ik zal deze drie leerstellingen in volgorde verhandelen.

Leerstelling I. In het hof des hemels is een vonnis geveld en het staat vast tegen goddeloze mensen en kwaaddoeners, hoe rustig zij daaronder ook voor een tijd mogen leven.

In het verhandelen van deze leerstelling zal ik:

Ten eerste aantonen dat in het hof des hemels een vonnis is uitgesproken over de werkers van het kwaad.

Ten tweede, de aard van dit vonnis verklaren.

Ten derde, een praktikaal gebruik maken van het onderwerp.

Ten eerste. Er is in de hemel een vonnis uitgesproken over de goddelozen.

1. Zij zijn reeds geoordeeld en veroordeeld door God. "Die niet gelooft is reeds veroordeeld, dewijl hij niet heeft geloofd in de naam van de eniggeboren Zoon van God," Joh. 3 : 18. Goddeloze mensen, kwaaddoeners, zijn ongelovigen. En daar zij ongelovigen zijn missen zij de weldaad van vergiffenis door Christus. Zo zijn zij onder de veroordeling van de wet wegens hun boze werken. Want wie door het evangelie niet wordt vrijgesproken, wordt door de wet veroordeeld.

2. Alleen zij die in Christus zijn worden niet veroordeeld. En hun vrijspraak van het oordeel wordt gelijk geschonken met hun geloof. "Zo is er dan nu geen verdoemenis voor degenen die in Christus Jezus zijn," Rom. 8 : 1. Maar kwaaddoeners zijn niet in Christus. Indien zij in Christus waren zo zouden zij nieuwe schepselen zijn. "Zo dan, indien iemand in Christus is, die is een nieuw schepsel",2 Cor. 5 : 17. Doch zo zij niet in Hem zijn liggen zij nog onder het oordeel.

3. Zij zijn in een staat des doods, dood in zonden. Zij die zedelijk dood zijn in zonden, zijnde zonder een beginsel van geestelijk leven zijn ook wettelijk dood. Zij zijn onder de wet daar die het vonnis des doods over hen uitspreekt. Daarom worden zij kinderen des toorns genoemd.

4. De macht die satan over hen heeft, bewijst dat. Zij zijn ingesloten gevangenen, gebonden aan handen en voeten. Satan is de cipier van de gevangenis en zij zijn onder zijn macht. Wat geeft hem de macht over hen, anders dan dat zij volgens de wet veroordeeld zijn? Laat het vonnis herzien worden, zo zullen zij niet langer onder zijn macht zijn. "De prikkel des doods is de zonde en de kracht der zonde is de wet," 1 Cor. 15 : 56.

5. De geest der dienstbaarheid getuigt van het oordeel dat over de goddelozen is uitgesproken, zodat de zondaar overtuigd wordt dat hij onder het vonnis des doods ligt en dat hij om gered te worden vergiffenis nodig heeft. Dit getuigenis is waar, want het is het getuigenis van de Geest van God, waardoor Hij zondaars brengt tot een gezicht van de noodzakelijkheid van Christus.

Ten tweede. Om de natuur van dat vonnis te verklaren, maken wij enkele opmerkingen.

1. Elk kwaad werk is een verbreking van Gods wet, en elke zondige gedachte, woord of daad is een kwaad werk. "Een iegelijk die de zonde doet, die doet ook de ongerechtigheid; want de zonde is de ongerechtigheid," 1 Joh. 3 : 4. Niemand is heer over zichzelf maar hij is verantwoordelijk voor God over iedere daad van zijn leven. En schuldig zijnde is hij onderhevig aan wraak en onder de vloek, indien hij geen deel heeft aan Christus. Doch indien hij in Christus is, zo is hij onderhevig aan tijdelijke kastijdingen. Zo zijn alle goddelozen, allen die kwaad doen, onderhevig aan de vloek vanwege hun zonden.

2. De wet is de beschuldiger, die de zondaar aanklaagt wegens opstand tegen God en die daarvoor wraak eist. Elk gebod dat door de zondaar verbroken wordt beschuldigt hem voor God. Zo menigmaal als hij de wet verbreekt, zo menigmaal wordt er een aanklacht tegen hem ingebracht. En hoewel de overtredingen meerder zijn dan dat men ze tellen kan en hoewel vele zonden niet bij de mensen bekend zijn, zo zijn ze toch alle bekend bij een alwetend God.

3. God is de Rechter Die oordeelt en het vonnis tegen de schuldige velt. Hij is een Rechter Die niet door listen kan bedrogen worden. Niemand kan Hem verblinden of omkopen. Zijn vonnis, hoewel het gestreng is, is altijd rechtvaardig. Van Zijn vonnis kan geen hoger beroep aangetekend worden, want er is niemand boven de allerhoogste God. Alleen dit, zolang de zondaar in deze wereld is, kan hij toegang tot Christus verkrijgen tot vergeving zijner zonden.

4. Het vonnis is een vonnis des doods. Dood in al zijn omvang, in zich begrijpende alle ellenden van ziel en lichaam. De eeuwige dood, waarin de worm niet sterft en het vuur niet uitgeblust wordt. De vonnissen door mensen uitgesproken betekenen in het ergste geval de lichamelijke dood, Doch het vonnis dat door God geveld wordt veroordeelt de ziel om eeuwig te sterven. De reden is, de oneindige waardigheid van de goddelijke Majesteit die door de zonde beledigd is.

5. De gronden waarop dit strenge vonnis wordt uitgesproken, zijn de overtredingen van Gods heilige wet. "Vervloekt is een iegelijk die niet blijft in al hetgeen geschreven is in het boek der wet om dat te doen," Gal. 3 : 10. De heilige wet is een afschrift van de zuiverheid der goddelijke natuur; God heeft daarin Zijn eigen beeld geschreven. De zondaar doet wat hij kan om dat beeld te schenden door de wet te vertreden. Doch God wil de wet heerlijk maken en wil haar eer handhaven, zij het in de verdelging van de overtreder.

Wij zullen verschillende zonden noemen als oorzaken van het strenge doch rechtvaardige vonnis.

(1.) De zonde van onze natuur, de toegerekende zonde en de inwonende zonde, die verdorven gesteldheid van de ziel die den gevallen mens eigen is, waardoor wij geneigd zijn tot alle kwaad en afkerig van alle goed. Om die reden komen wij in de wereld onder het vonnis des doods. Gelijk slangen en adders welker verdelging mensen zoeken zodra zij ze zien, vanwege hun vergiftige natuur, zo zijn ook de mensen voor het oog van God, walgelijk vanwege hun oorspronkelijke zonde, en daardoor zijn zij voorwerpen alleen geschikt om verdelgd te worden.

(2.) De hartszonden zijn ook oorzaak van het rechtvaardige vonnis. De hartszonden liggen niet open voor het menselijk oordeel. Maar hoe kunnen zij het oordeel van God ontlopen voor Wiens alziend oog ons hart even goed open ligt als ons leven? Hij ziet de verdorvenheid die in de witgepleisterde graven is en Hij spreekt Zijn vonnis uit over de begeerlijkheden van hebzucht, onreinheid, nijd, wraak en dergelijke, welke in het hart branden zowel als dat zij de wandel besmetten.

(3.) Wij hebben ook de zonden van de tong te noemen. De tong is een kanaal waardoor het hart veel van zijn aangeboren verdorvenheid uitlaat, waardoor God beledigd wordt. De tong spot, spreekt kwaad en verhindert een geestelijk gesprek en staat de godsdienst tegen. Zij smaadt onze nabuur door schimpen, verwijten en liegen. Al deze zonden zijn oorzaak waarom de rijke man ons wordt voorgesteld als zoekende water om zijn tong te verkoelen.

(4.) Dan noemen wij de zonden van ons leven, boze daden, hetzij van strijd tegen God, hetzij van onrecht jegens onze naasten, hetzij van toegeven aan onszelf. Niets daarvan zal ontkomen aan het oordeel van God, hoe sluw die daden ook worden gepleegd of met welke mooie kleuren zij ook beschilderd zijn. "Want God zal ieder werk in het gericht brengen met al wat verborgen is hetzij goed of hetzij kwaad," Pred. 12 : 14. Zondaren mogen ze vergeten en ze mogen uit hun geheugen raken, maar "De Heere heeft gezworen bij Jacobs heerlijkheid, zo Ik al hun werken in eeuwigheid zal vergeten" Amos 8 :7.

(5.) Er zal een oordeel gaan over het nalaten van de plichten. De mensen zullen een vonnis tegen zich horen, uitgesproken door een rechtvaardig God, niet alleen vanwege het kwaad dat zij gedaan hebben, maar ook vanwege het goede hetwelk zij hadden moeten doen, maar niet gedaan hebben. De mens die zijn talent verborgen had en er geen gebruik van maakte voor God, werd uitgeworpen in de buitenste duisternis. Matth. 25.

(6.) Dit vonnis tegen de goddelozen wordt openlijk in het Woord afgekondigd: "Maar dengenen die twistgierig zijn en die der waarheid ongehoorzaam doch der ongerechtigheid gehoorzaam zijn, zal verbolgenheid en toorn vergolden worden; verdrukking en benauwdheid over alle ziel des mensen die het kwade werkt," Rom. 2 : 8, 9.

(7.) Dat vonnis is ook in Gods woord beschreven: "Ten dage als gij daarvan eet zult gij de dood sterven," Gen. 2 :17. "De ziel die zondigt, die zal sterven," Ez. 18:4. De Schrift is het verslag van het hof des hemels, waarin de goddelozen hun oordeel kunnen lezen en het vonnis dat over hen uitgesproken is kunnen vernemen. En dat is zekerlijk een van de redenen waarom in onze dagen geen acht geslagen wordt op Gods woord, want daarin lezen wij dat "de toorn Gods wordt geopenbaard van de hemel over alle goddeloosheid en ongerechtigheid

der mensen, als die de waarheid in ongerechtigheid ten onder houden," Rom. 1 : 18. Achab haatte Micha, omdat hij nooit iets goeds over hem sprak. De Schrift spreekt nooit iets goeds over een mens die vast houdt aan zijn begeerlijkheden en die van zijn beminde vrijheid in het zondigen geen afscheid wil nemen. En daarom haat of versmaadt hij het Woord.

(8.) Soms wordt de mens heimelijk in zijn consciëntie gewaarschuwd. Het geweten is een afgevaardigde van God in de mens en wanneer zijn verdorvenheid hem drijft tot het doen van een kwaad werk en hij het goed wil praten nadat hij het gedaan heeft zodat hij zijn zonde verdedigt, dan zal zijn geweten vanuit de heilige wet hem en zijn zonde veroordelen. En wanneer het geweten ontwaakt dan zal in het binnenste van de mens het vonnis worden uitgeroepen zodat het hem met de grootste schrik zal vervullen.

(9.) In de laatste dag zal het vonnis openlijk worden uitgesproken in tegenwoordigheid van de hele wereld. "Dan zal Hij zeggen ook tot degenen die ter linkerhand zijn: Gaat weg van Mij gij vervloekten, in het eeuwige vuur dat den duivel en zijn engelen bereid is," Matth. 25 : 41. Daaruit is te besluiten dat zij reeds vervloekt en veroordeeld waren vóór de plechtige openbaarmaking van het vonnis tegen hen. Want niemand zal daar veroordeeld worden, dan alleen zij die in dit leven reeds veroordeeld waren.

(10.) Evenwel is de tijd van de uitvoering van het vonnis nog niet aan de zondaar bekend gemaakt. De Heere houdt de tijd geheim, opdat zondaren niet zullen durven wagen nog één ogenblik in een veroordeelde staat voort te leven. Doch daar zij niet weten of het een volgend ogenblik zal worden uitgevoerd, mogen zij het zoeken om verzoening niet één ogenblik uitstellen.

Wij zullen van deze leer gebruik maken tot onderwijzing.

1. Leer hier dan uit, dat de staat van ieder goddeloos mens, van iedere werker van ongerechtigheid en van alle ongelovigen, een ellendige staat is, daar zij onder het oordeel liggen. Zij zijn even zeker onder een vonnis des doods als ooit enige overtreder van Gods wet was. "Die niet gelooft is alreeds veroordeeld, dewijl hij niet heeft geloofd in de naam van de eniggeboren Zoon van God," Joh. 3 : 18. Denkt hierom, gij jonge en oude goddelozen, hoewel het vonnis tegen u nog niet is uitgevoerd, het toch is uitgesproken. Ziet in uw Bijbel en leest het.

2. Hoewel God in de hemel zwijgt, hoewel zondaars op aarde Hem vergeten en beledigen, zo is Hij toch geen ledig aanschouwer van hun weg en van hun wandel. "Deze dingen doet gij en Ik zwijg; gij meent dat Ik ten enenmale ben gelijk gij; Ik zal u straffen en zal het ordelijk voor uw ogen stellen," Ps. 50 : 21. Hij heeft hen gevonnist en "ziet dat hun dag komt," Ps. 37 : 13. Zij hebben hun zondedag en God ziet de rekendag of de dag van afrekening over hen komen, wanneer zij belast zullen worden met elke zonde die zij gedaan hebben. "Weet dat God om al deze dingen u zal doen komen voor het gericht," Pred. 11 : 9. Zij lachen om de kwade dag omdat zij hem niet zien komen. Doch, "Die in de hemel woont zal lachen, de Heere zal ze bespotten" want Hij ziet dat die dag komt. Zijn dag zal komen wanneer de hunne voorbij is. "Dan zal Hij tot hen spreken in Zijn toorn en in Zijn grimmigheid zal Hij hen verschrikken," Ps. 2.

3. Is het niet vreemd dat de wereld vervuld is, met het gedruis van der mensen begeerlijkheden en van hun goddeloze wandel? Zo gij een gevangenis bezocht die vol is van veroordeelde mensen, zo zoudt gij het droevig maar niet vreemd vinden de ijzeren ketenen aan alle zijden te horen rammelen.

Deze wereld is zulk een plaats, bevolkt door veroordeelde mensen. Ongedode lusten zijn hun ketenen en dat is de oorzaak waarom de oprecht gelovigen uit elke hoek de ketenen horen rammelen. En de cipier, de duivel, is in hun midden.

4. Geen wonder dat de meeste mensen hun leven liefhebben omdat zij niet genegen zijn het voor een ander te verruilen. "Maar Gij o God! zult die doen nederdalen in de put des verderfs," Ps. 55 : 24. De gevangenis is een afschrikwekkende plaats voor veroordeelde mensen, maar zij is dat nog veel meer voor mensen die er uit komen om naar de plaats van executie gebracht te worden. De dood brengt de uitvoering van het vonnis.

Wij zullen van deze leer ook gebruik maken tot zelfonderzoek.

Onderzoek of het vonnis tegen u nog openstaat, of dat het herzien is en gij gerechtvaardigd zijt.

Overweeg dan de volgende zaken.

1. Eén ding is zeker en wel dit, dat eens het vonnis over u werd uitgesproken, want "wij waren van nature kinderen des toorns gelijk ook de anderen",Efeze 2 : 3. "Vervloekt is een iegelijk die niet blijft in al hetgeen geschreven is in het boek der wet om dat te doen," Gal. 3 : 10. Zo lezen wij in Rom. 3 : 19 "Wij weten dat al wat de wet zegt, zij dat spreekt tot degenen die onder de wet zijn, opdat alle mond gestopt worde en de gehele wereld voor God verdoemelijk zij." Nu, welke weg hebt gij ingeslagen om van dit vonnis ontheven te worden en indien dat uw begeerte was, hebt gij ze ook verkregen?

2. Gelijk uw staat in dit leven is, veroordeeld of gerechtvaardigd, zo zal er ook over u geoordeeld worden in de dood en het oordeel. "Alles wat uw hand vindt om te doen, doe dat met uw macht; want daar is geen werk, noch verzinning, noch wijsheid in het graf waar gij heengaat," Pred. 9 : 10. Nu is er nog mogelijkheid van verzoening maar wanneer de dood komt zal er in eeuwigheid geen toegang meer zijn.

3. Mensen zijn geneigd zich in dit opzicht te vergissen. Velen spreken een vrijspraak uit over zichzelf, waaraan God nooit Zijn zegel zal hechten. Christus zei tot hen: "Gij zijt het die uzelf rechtvaardigt voor de mensen, maar God kent uw harten; want wat hoog is onder de mensen is een gruwel voor God," Lukas 16 : 15. "Hij voedt zich met as, het bedrogen hart heeft hem terzijde afgeleid, zodat hij zijn ziel niet redden kan," Jes. 44 : 20. De dwaze maagden meenden dat zij met de Bruidegom bevriend waren, maar Hij sloot de deur voor haar als voor Zijn vijanden.

4. Een vergissing hierin is zeer noodlottig. Daardoor laat de mens de tijd om vergiffenis te verkrijgen ongebruikt voorbijgaan. De olie voor de lamp mocht nog verkregen zijn zo de dwaze maagden tijdig hadden bemerkt dat zij ze misten. Het zal een verwoestende ontsteltenis over hen brengen. Dromende van vrede zullen zij ontwaken door het gedruis van een eeuwige oorlog.

Om uzelf te onderzoeken en te beproeven zullen wij u enkele kenmerken geven.

1. Zij die zichzelf nooit in een veroordeelde staat zagen zijn tot op heden onder het oordeel. Want zij zijn vreemdelingen van het eerste werk des Heiligen Geestes, de overtuiging van zonden. "Zo dan, de wet is onze tuchtmeester geweest tot Christus, opdat wij uit het geloof zouden gerechtvaardigd werden," Gal. 3 : 24. Zij die nooit op de school der wet geweest zijn om te leren dat zij vervloekte en veroordeelde zondaars van nature zijn, die Zijn geen discipelen van Christus.

2. Alleen zij zijn vrijgesproken, die tot Christus toevlucht genomen hebben in het verbond der genade, nadat zij hebben ingestemd met het veroordelend vonnis der wet over hen en als veroordeelden zijn gekomen tot de gerechtigheid die door Hem is verworven, die hun werd aangeboden en door hen werd aanvaard. Daarom zegt de apostel: "Maar hetgeen mij gewin was, dat heb ik om Christus wil schade geacht. Ja gewis, ik acht ook alle dingen schade te zijn om de uitnemendheid der kennis van Christus Jezus mijn Heere, om Wiens wille ik al die dingen schade gerekend heb en acht die drek te zijn, opdat ik Christus moge gewinnen," Filipp. 3 : 7, 8. Zij gaan niet voort in besluiteloosheid en uitstel, maar zij laten het vertrouwen op zichzelf, het vertrouwen op de wet en het vertrouwen op het schepsel varen en nemen de toevlucht tot Christus als hun enige schuilplaats terwijl zij het anker op de belofte van het evangelie werpen.

3. Indien de veroordelende kracht van de zonde is weggenomen, dan is ook de heersende macht van de zonde gebroken. "Want de zonde zal over u niet heersen; want gij zijt niet onder de wet maar onder de genade," Rom. 6 : 14. Wanneer de veroordeelde mens vergiffenis krijgt wordt hij ontslagen uit de ketenen en uit de gevangenis en van de macht van de gevangenbewaarder. De ketenen van heersende lusten die gij in u kunt horen rammelen zijn bewijzen dat gij nog een veroordeeld mens zijt. Maar het is anders met begenadigde mensen. "Zo is er dan nu geen verdoemenis voor degenen die in Christus Jezus zijn, die niet naar het vlees wandelen maar naar de Geest. Want de wet des Geestes des levens in Christus heeft mij vrijgemaakt van de wet der zonde en des doods," Rom. 8 : 1, 2. Gij zijt gerechtvaardigd indien gij zijt afgewassen. "Dit waart gij sommigen; maar gij zijt afgewassen, maar gij zijt geheiligd, maar gij zijt gerechtvaardigd, in de naam van de Heere Jezus en door de Geest onzes Gods," 1 Cor. 6 : 11.

4. Indien het vonnis is opgeheven zult gij gewoonlijk een tere consciëntie hebben ten opzichte van plicht, verzoekingen, zonde en van alle ongerechtigheid. Daarom kon Paulus zeggen: "Hierin oefen ik mijzelf, om altijd een onergerlijk geweten te hebben bij God en de mensen," Hand. 24 : 16. De mens die onder het vonnis des doods, vergiffenis heeft gekregen, zal vrezen weer in dezelfde strik te vallen. Dit was de praktijk van Hiskia: "Zie, in vrede is mij de bitterheid bitter geweest; maar Gij hebt mijn ziel liefelijk omhelsd, dat zij in de groeve der vertering niet kwame; want Gij hebt al mijn zonden achter Uw rug geworpen," Jes. 38 : 17. Gepardonneerde personen kunnen in daden van ontederheid vallen, maar onteder te leven is een zwart merk van onwedergeborenen.

5. De vruchten des geloofs in een heilig leven volgen op het intrekken van het vonnis. Wij worden gerechtvaardigd door het geloof zonder de werken. Maar het geloof hetwelk rechtvaardigt brengt goede werken voort. Daarom lezen wij in Hand. 15 : 9 "Hebbende hun harten gereinigd door het geloof.Wanneer de vloek is ingetrokken zullen de vruchten des Geestes in de ziel opspringen, welke zijn: "Liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, goedertierenheid, goedheid, geloof, zachtmoedigheid, matigheid. "Tegen de zodanigen is de wet niet,Gal. 5 : 22, 23. De apostel Jacobus toont aan dat geloof hetwelk niet gepaard gaat met de vruchten van heiligheid, niet het ware geloof is.

Nu, indien het vonnis dat over u was uitgesproken, ingetrokken is:

1. Heb dan de Heere lief, Die uit vrije gunst vergiffenis aan u schonk, in plaats van u te verderven. Zo deed de vrouw van wie de Heere zegt dat zij veel heeft liefgehad omdat haar veel vergeven was. Herinner u de dag waarop gij uzelf veroordeelde en de wet u voor de Heere veroordeelde en Hij zei: "Verlos hem, dat hij in het verderf niet neerdale. Ik heb verzoening gevonden," Job. 33 : 24.

2. Heb medelijden en zijt bezorgd over hen die nog onder de vloek zijn, waarvan gij verlost zijt. Het is een slecht teken wanneer gij geen medelijden hebt of niet bezorgd zijt over zondaren om tot hun heil werkzaam te zijn. Het is meer een bewijs van hoogmoed dan van een staat der genade.

3. Laat uw wandel nederig en teer zijn. Het gedenken aan het vonnis des doods hetwelk soms bij u is, moet u vernederen zolang gij leeft. Gij die uw leven verschuldigd zijt aan een vergevend God, zult er kwalijk bij varen zo gij hoogmoedig en hooggevoelend zijt. Houd u verre van die dodelijke strik. Een vergevend God heeft gezegd: "Ga heen en zondig niet meer," Joh. 8 : 11.

4. Draag uw moeiten en beproevingen geduldig in de wereld. Uw leven was verbeurd en dat is nu veilig door genade. "Wat klaagt dan een levendig mens? Wij beleven de dagen waarin de Heere schijnt op te staan om tegen dit geslacht te getuigen door algemene rampen over ons land te brengen. Doch aanvaard gij dankbaar wat u daarvan ten deel valt, overwegende dat het vonnis tegen uw ziel is ingetrokken. Indien het zaad onder de aardkluit verrot en de beesten des velds sterven onder de slagen, kus gij dan de roede en wees dankbaar dat de uitvoering van het vonnis u niet overvallen heeft.

5. Zijt steeds bereid om te vergeven. "Maar zijt jegens elkander goedertieren, barmhartig, vergevende elkander, gelijkerwijs ook God in Christus ulieden vergeven heeft," Ef. 4 : 32. De Zaligmaker die vergiffenis van zonden heeft aangebracht, heeft ons onder de verplichting gebracht onze vijanden lief te hebben. De bittere, wraakgierige geest getuigt tegen ons dat onze zonden niet vergeven zijn. "Maar indien gij den mensen hun misdaden niet vergeeft, zo zal ook Uw Vader uw misdaden niet vergeven," Matth. 6 : 15.

TOEPASSING

Indien gij behoort bij dezulken tegen wie het vonnis in het hof des hemels nog openstaat, neem dan de zaak ter harte en beschouw het als een meest ernstig geval, zoals het waarlijk is, ernstig genoeg om er tranen van bloed over te schreien. Gij hebt redenen om te weeklagen.

Wij moeten hier weeklagen over het geval van iedere vreemdeling van God, over ieder natuurlijk mens. De staat van iemand die verkeert onder het vonnis des doods is diep te betreuren. O onheilig zondaar, hoe gerust gij ook zijt, Gods wet heeft u veroordeeld en gij ligt onder het vonnis van de eeuwige dood. "Die den Zoon ongehoorzaam is, die zal het leven niet zien, maar de toorn Gods blijft op Hem," Joh. 3 : 36. Zie uw ernstig geval in deze spiegel.

1. Gij hebt, als een veroordeeld persoon, uw verbondsrecht op al het geschapene verloren. Of gij veel of weinig in de wereld bezit, het is een droevig recht dat gij er op hebt. Het is niet meer dan een recht in de voorzienigheid, zoals een veroordeeld mens heeft op zijn voedsel totdat de dag van het vonnis komt. Daarom: "Het weinige dat de rechtvaardige heeft is beter dan de overvloed veler goddelozen." Dat is alle voldoening die gij er in kunt vinden.

2. God is uw vijand, hoewel gij aardse vrienden moogt hebben. God heeft een wettige vijandschap tegen u gelijk een rechtvaardige rechter tegen een veroordeeld mens. Gij kunt geen gemeenschap met God hebben. "Zullen twee tezamen wandelen, tenzij zij bijeengekomen zijn?" Amos 3 : 3. Alle troostelijke omgang tussen God en uw ziel wordt verzwolgen door de golfstroom van uw veroordeelde staat. Er kan geen vrede tussen God en u zijn. Om te zinspelen op het gesprek tussen Joram en Jehu "Het geschiedde nu als Joram Jehu zag, dat hij zei: Is het ook vrede Jehu? Maar hij zei: Wat vrede, zolang als de hoererijen uwer moeder Izebel en haar toverijen zo vele zijn?" 2 Kon. 9 : 22. Hoe kunnen zij vrede met God hebben terwijl zij door Zijn wet veroordeeld worden? Welke vrede gij ook in uw consciëntie moogt hebben, zij is niet uit God.

3. Niets van alles wat gij doet kan Gode aangenaam zijn. Er hangt voortdurend een wolk over uw hoofd, die nooit wegtrekt. "God is een rechtvaardig Rechter en een God die te allen dage toornt. Indien hij zich niet bekeert, zo zal Hij Zijn zwaard wetten," Ps. 7 : 12, 13. Zolang het veroordelend vonnis van de wet op iemand ligt zal het al het goed hetwelk hij doet, wegblazen. "Alle dingen zijn wel rein den reinen, maar den bevlekten en ongelovigen is geen ding rein, maar beide hun verstand en geweten zijn bevlekt," Titus 1 : 15. "En Haggai zei: Indien iemand die onrein is van een dood lichaam, iets van die dingen aanroert, zal het onrein worden? En de priesters antwoordden en zeiden: Het zal onrein worden. Toen antwoordde Haggai en zei: Alzo is dit volk en alzo is deze natie voor mijn aangezicht, spreekt de Heere, en alzo is al het werk hunner handen en wat zij daar offeren, dat is onrein," Haggai 2 : 14, 15. De onreinheid van de mens bederft heiligende invloeden, zonder welke er geen vrucht kan zijn. "Want zonder Mij kunt gij niets doen."

4. Het vonnis tegen u wordt dagelijks bevestigd. De waarheid Gods bevestigt het. "God is geen man dat Hij liegen zou, noch eens mensen kind dat het Hem berouwen zou; zou Hij het zeggen en niet doen of spreken en niet bestendig maken?" Num. 23 : 19. De koorden van uw schuld worden hoe langer hoe sterker. Want de gronden van veroordeling tegen u vermenigvuldigen dagelijks, daar niets van de oude schuld wordt vereffend en er voortdurend nieuwe schuld bijkomt. Hoewel iemand mag denken, ik sterf slechts eenmaal voor al mijn zonden, zo zeg ik u dat de straf zal verzwaard worden naarmate de zonden meerder worden. Want den mens zal vergolden worden naar zijn werk.

5. Rechtvaardigheid eist uitvoering van het vonnis tegen u. Er was een stem die tegen Kaïn en tegen Sodom tot de hemel riep, en zo roept er een stem tegen iedere onheilige zondaar. "Zou Ik ze om deze dingen niet bezoeken? spreekt de Heere; zou Mijn ziel zich niet wreken aan zulk een volk als dit is?" Jer. 9 : 9. Goedertierenheid mag de terechtstelling van de goddelozen voor een tijd uitstellen. Maar indien zij in die staat voortgaan kan het vonnis niet ingetrokken worden, daar God niet kan ophouden rechtvaardig te zijn.

6. Alles is gereed voor de uitvoering van het vonnis. De boog is gespannen om de pijlen van toorn, de pijlen des doods, u te laten treffen. God "heeft Zijn boog gespannen en die bereid, Hij zal Zijn pijlen tegen de hittige vervolgers te werk stellen," Ps. 7 : 13, 14. "Want Tofeth is van gisteren bereid, ja hij is ook voor de koning bereid; Hij heeft hem diep en wijd gemaakt; Zijn pijlen (Eng.) vuur en hout zijn vele; de adem des Heeren zal hem aansteken als een zwavelstroom," Jes. 30 : 33. Wanneer gij neerligt hebt gij geen zekerheid dat vóór gij kunt opstaan gij niet door het oordeel weggenomen zult zijn.

7. Uw leven hangt af van Gods langgetergd geduld en van Zijn lankmoedigheid. Zo wordt u dag aan dag uitstel verleend en zo gij wilt kunt gij vergiffenis bekomen. Maar indien gij niet wilt en er niet ernstig en oprecht om zoekt weet dan dat het zwaard van rechtvaardigheid boven uw hoofd hangt aan de zijden draad van langgetergd geduld. Wanneer die draad eenmaal gebroken is dan zal het voor u afgelopen zijn. Amen.

 

 

TWEEDE PREEK

Omdat niet haastelijk het oordeel over de boze daad geschiedt, daarom is het hart van de kinderen der mensen in hen vol om kwaad te doen. Pred. 8 : 11.

In de eerste preek over onze tekstwoorden hebben wij aangetoond dat in het hof des hemels een vonnis is uitgesproken over de werkers van het kwaad. Wij hebben die leerstelling verklaard en daaraan toegevoegd verschillende redenen tot onderwijzing en tot zelfonderzoek. Daarop hebben wij verschillende kenmerken genoemd welke mogen dienen om uzelf nauw te onderzoeken.

Wij zullen onze verhandeling voortzetten met u aan te sporen om u te haasten om uit uw verloren staat verlost te worden en intrekking te verkrijgen van het vonnis hetwelk in het hof des hemels over u is uitgesproken.

Wij zullen u daartoe verschillende dringende redenen noemen.

1. Het is een droevig en ellendig leven te liggen onder een vonnis dat over u is uitgesproken. Want zulk een leven is inderdaad een gestadige dood.

(1.) Het is een eerloos leven. Een veroordeling legt een vlek en smet op een mens, daar hij schuldig verklaard is aan misdaden om welke hij niet waard is te leven. Want het oordeel van God is overeenkomstig het heilig recht.

(2.) Het is een ongetroost leven. "De goddelozen, zegt mijn God, hebben geen vrede," Jes. 57 : 21. Gemis van vrede is genoeg om alle genoegen uit aardse weldaden weg te nemen. En wat de vertroostingen Gods betreft, die ontbreken hen geheel. "Zullen twee tezamen wandelen, tenzij dat zij bijeengekomen zijn?" Amos 3 : 3. De vreugde en de genoegens van een natuurlijk mens zijn als van een dwaas. En wanneer hij tot zichzelf komt ziet hij dat hij geen enkel recht heeft omdat hij een veroordeeld mens is. De verloren zoon bevond het zo te zijn: "En tot zichzelf gekomen zijnde zei hij: Hoe vele huurlingen mijns vaders hebben overvloed van brood en ik verga van honger," Lukas 15 : 17.

(3.) Het is een onveilig leven. "Maar die den Zoon ongehoorzaam is die zal het leven niet zien maar de toorn Gods blijft op hem," Joh. 3 : 36. Temidden van al uw opgewektheid en vrolijkheid hangt het zwaard der rechtvaardigheid aan een haar boven uw hoofd en elk ogenblik zonder dat gij het verwacht kan het zwaard vallen en u vaneen splijten. Hiermee dreigt de Heere in de gelijkenis van de kwade dienstknecht: "Zo zal de Heere van deze dienstknecht komen ten dage op welke hij Hem niet verwacht en ter ure die hij niet weet en zal hem afscheiden en zijn deel zetten met de geveinsden; daar zal wening zijn en knersing der tanden," Matth. 24 : 50, 51.

2. De intrekking van het vonnis door vergiffenis der zonden wordt niet zo gemakkelijk verkregen als mensen geneigd zijn zich in te beelden. Velen denken dat er niet meer te doen is dan na een zorgeloos genadeloos leven wanneer zij gaan sterven, hun ziel aan God op te dragen met een: Heere, zijt mij genadig, en dat ze daarmee gered zullen zijn. Doch ik moet u zeggen, dat zij die vergiffenis ontvingen daarover andere gedachten hebben. Zij hebben in de tijd kennis gemaakt met het ongenoegen Gods over hun zonden en daarom zullen zij God verheerlijken wanneer zij vrijgesproken worden. Vandaar de uitroep van de kerk: "Wie is een God gelijk Gij, Die de ongerechtigheid vergeeft en de overtreding van het overblijfsel Zijner erfenis voorbijgaat? Hij houdt Zijn toorn niet in eeuwigheid, want Hij heeft lust aan goedertierenheid," Micha 7 : 18. Overweeg daarom:

(1.) Zonde is de ergste van alle kwaden, de diepste van alle vlekken die afgewassen moeten worden. Mooie woorden, neen tranen, neen het bloed van stieren en bokken, zelfs het bloed van iemands eigen lichaam kunnen geen zonden wegwassen. Doch alleen het bloed van Gods Zoon. Want zonder bloedstorting geschiedt geen vergeving," Hebr. 9 : 22. Vergelijk deze woorden met 1 Joh. 1 : 7 "Het bloed van Jezus Christus Zijn Zoon reinigt ons van alle zonde." Zonde is het meest strijdig met de goddelijke natuur. "Gij zijt te rein van ogen dan dat Gij het kwade zoudt zien en de kwelling kunt gij niet aanschouwen," Hab. 1 : 13. En daarom is zij het voorwerp van Zijn grootste afkeer. Zo gij voortgaat in de zonde, zo strijdt gij tegen alle eigenschappen Gods. De zonde heeft het gehele gebouw van Gods werk bedorven en dat zet Hem aan om het in stukken te breken. Meent gij dan dat het gemakkelijk zal zijn dat alles te begraven door het te vergeten en dat tegenover die God Die voor Zijn eer opkomt?

(2.) Gods schenken van vergiffenis is een van Zijn grootste werken. Vandaar het gebed van Mozes:' "Nu dan, laat toch de kracht des Heeren groot worden, gelijk als Gij gesproken hebt. Vergeef toch de ongerechtigheid dezes volk naar de grootheid Uwer goedertierenheid en gelijk Gij ze dit volk, van Egypte af tot hiertoe vergeven hebt," Num. 14 : 17 en.19. Dit is een werk groter dan het scheppen van een wereld. De schepping had plaats door het spreken van één woord. Maar bij de vergiffenis der zonden, staat de rechtvaardigheid op om voldoening, en de waarheid komt op voor de eer van een verbroken wet, doch de wijsheid vindt een weg tot ontferming, alleen door het bloed van Christus. "Want alzo lief heeft God de wereld gehad dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk die in Hem gelooft niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe," Joh. 3 : 16.

(3.) Zondaren moeten gewoonlijk droevige verbrekingen des harten verduren vóór dat zij geraakt worden door het gevoel van hun zonden en er vergiffenis voor krijgen. Dit was het geval met de hoorders van Petrus: "En als zij dit hoorden, werden zij verslagen in het hart en zeiden tot Petrus en de andere apostelen: Wat zullen wij doen, mannen broeders?" Hand. 2 : 37. Paulus kan vertellen van zijn ervaring onder de schrik des Heeren. David spreekt over gebroken beenderen. Hoe kunt gij dan zo gemakkelijk denken over de weg waarin gij verzoening kunt vinden? Een medicijn dat u gegeven wordt om het vergif der zonde uit te zweten, zal uw hart ziek maken en u misschien tot de laatste snik brengen.

3. Doch God zit nu op een genadetroon om vergiffenis te schenken. "Want God was in Christus de wereld met Zichzelf verzoenende, hun zonde hun niet toerekenende," 2 Cor. 5 : 19. Gij kunt nu pardon verkrijgen in des Heeren eigen weg. "De goddeloze verlate zijn weg en de ongerechtige man zijn gedachten en hij bekere zich tot de Heere, zo zal Hij Zich zijner ontfermen en tot onze God want Hij vergeeft menigvuldiglijk," Jes. 55 : 7. Des hemels witte vlag van vrede hangt nog uit, de markt van vrije genade is nog open en vergiffenis wordt nog aangeboden in het evangelie. "Zo zij u dan bekend, mannen broeders, dat door Dezen u vergeving der zonden verkondigd wordt," Hand. 13 : 38.

4. Het aanbod van vergiffenis van zonden zal niet altijd duren. "Zoekt de Heere terwijl Hij te vinden is, roept Hem aan terwijl Hij nabij is," Jes. 55 : 6. Geduld dat misbruikt wordt zal uitbreken in wraak. "Strijdt om in te gaan door de enge poort; want velen, zeg Ik u, zullen zoeken in te gaan en zullen niet kunnen; namelijk nadat de Heere des huizes zal opgestaan zijn en de deur zal gesloten hebben en gij zult beginnen buiten te staan en aan de deur te kloppen zeggende: Heere, Heere doe ons open! en Hij zal antwoorden en tot u zeggen: Ik ken u niet vanwaar gij zijt," Lukas 13 : 24, 25. Laat uw dag van genade niet voorbij gaan en stel niet uit tot dat gij geen plaats des berouws zult vinden, "Want Ik zeg ulieden dat niemand van die mannen die genood waren, Mijn avondmaal smaken zal," Lukas 14 : 24.

Sommigen zullen tegenwerpen: Mijn zonden zijn zo groot! Aan dezulken antwoord ik, dat grote zonden en het terugvallen in zonde geen verhindering voor genade zullen zijn. Dat lezen wij duidelijk en op onderscheidene plaatsen in Gods woord. "Komt dan en laat ons tezamen richten, zegt de Heere: al waren uw zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw; al waren zij rood als karmozijn zij zullen worden als witte wol," Jes. 1 : 18. "Keer weder gij afkerige kinderen, Ik zal uw afkeringen genezen," Jer. 3 : 22. De Heere stelt ons voorbeelden van genadige ontferming voor, opdat niemand zal wanhopen; zie als toonbeelden van ontferming Adam, Manasse, Saulus en de joden die Christus gekruist hebben.

Laat mij u enkele besturingen geven.

1. Heb diep besef van uw zonden, en van het kwaad dat er in gelegen is en ook van de schade die gij uzelf aandoet en van het onrecht dat gij tegen God bedrijft. Overdenk de wet en de rechtvaardigheid van God.

2. Ga tot God en belijdt uw zonden volledig en openhartig. Veroordeel uzelf en erken dat gij rechtvaardig door de wet veroordeeld zijt en dat de Heere rechtvaardig zou zijn indien Hij het vonnis uitvoerde.

3. Zie op Jezus Christus en de verzoening door Hem, die u in het evangelie wordt voorgehouden. Zie op de schuilplaats van Zijn bloed, waar schuldige schepselen verberging mogen zoeken en zaligheid vinden. Geloof het evangelie en zie op de beloften die daarin vervat zijn en neem ze aan met een oprecht geloof tot vergeving van uw zonden en tot heiliging van uw wandel. "Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe," Joh. 3 : 16. Zo moogt gij door geloof met Christus verenigd worden.

Neem de raad aan welke de knechten van Benhadad aan hun meester gaven. Leg zakken van diepe ootmoed om uw lendenen en koorden om uw hals en erken zo dat gij des doods waardig zijt en kom zo tot Christus door geloof. Want de Koning van Sion is een goedertieren koning en Hij zal uw leven redden.

Wij zijn nu gekomen tot de verklaring van onze tweede leerstelling, dat de Heere dikwijls niet dadelijk het vonnis dat uitgesproken is tegen werkers van het kwaad uitvoert, maar het voor een tijd uitstelt."

In de verklaring van die leerstelling zullen wij de volgende orde houden:

Ten eerste zullen wij spreken over het beleid van de Voorzienigheid in deze zaak.

Ten tweede zullen wij aantonen welke de redenen zijn waarom de uitvoering van het vonnis voor een tijd wordt uitgesteld.

Ten derde zullen wij op het onderwerp een toepassing maken.

Ten eerste. Wij zullen het beleid van de Voorzienigheid in deze zaak beschouwen. Er is ten opzichte van de uitvoering van het vonnis tegen de goddelozen een tweevoudig beleid der Voorzienigheid, soms wordt snel recht geoefend, soms wordt voor een tijd uitstel verleend.

1. Soms voert de Heere het recht tegen zondaars snel uit. "Ik zal tot ulieden ten oordeel naderen en Ik zal een snel getuige zijn," tegen overtreders, Mal. 3 : 5. Zondaren durven kwaad te doen en God voert soms dadelijk een streng vonnis over hen uit, zonder enig uitstel.

(1.) Soms heeft de zondaar een voornemen een kwaad werk te doen en de Heere die de wil voor de daad rekent, voorkomt het kwaad door een haastig oordeel, zoals bij Haman, die een boos werk voornam doch verhinderd werd het uit te voeren.

(2.) Soms is een zondaar reeds op weg tot een boze daad, doch het oordeel overvalt hem vóór hij zijn voornemen ten volle uitgevoerd heeft. Zo verging het de opstandige Israëlieten in hun poging het beloofde land binnen te gaan, Num. 14 : 44,45. Zo overkwam Jerobeam die zijn hand uitstrekte tegen de profeet, 1 Kon. 13 : 4 en Uzzia die het reukwerk in zijn hand had, 2 Kron. 26 : 19.

(1) Soms komt het oordeel tegelijk met de uitvoering van de misdaad zodat de zondaar door één slag in zijn zonde wordt weggenomen. Dat ervoeren Nadab en Abihu toen zij vreemd vuur voor het aangezicht des Heeren brachten, en Zimri en Cosbi die gedood werden in de daad van onreinheid, en Herodes die wegens zijn Godloochening en Godslastering van de wormen gegeten werd.

(4.) Soms begint het oordeel wanneer het kwade werk uitgevoerd is, gelijk Sanherib overkwam wegens zijn godslasterlijke brief. Hij had de brief geschreven en hij was gelezen zodat zijn zonde volledig was uitgevoerd. En in diezelfde nacht sloeg de Heere zijn leger en kort daarop hemzelf.

(5.) Soms houdt het oordeel gelijke tred met het boze werk zodat de misdaad een oordeel is voor de zondaar zelf. Dan volgt het oordeel de zondaar op de hielen. Zo ging het met Hiël in zijn bouwen van Jericho, 1 Kon. 16 : 34.

(6.) Soms begint de uitvoering van het vonnis wanneer de zondaar de vruchten van zijn zonde begint te plukken. "Wie een muur doorbreekt, een slang zal hem bijten." Dat overkwam Achab toen hij bezit nam van Naboths wijngaard en hen die belust waren in de woestijn, Ps. 78 : 30, 31.

(7.) Soms, wanneer iemands zonde in haar bittere vruchten en gevolgen begint te werken, valt ze terug op de zondaar zelf. Zo verging het Judas de verrader. Het is voor sommigen een spel geworden anderen kwaad te doen. Maar vóór hun spel geëindigd is komt dikwijls hun werk door een rechtvaardig oordeel Gods even zwaar neer op henzelf als op hun naasten.

Ten tweede. Het komt veel voor dat de Heere in Zijn lankmoedigheid zondaren lange tijd verdraagt eer Hij met hen afrekent. Zij voeren hun kwade werken uit, het vonnis is reeds over hen uitgesproken, maar de straf wordt uitgesteld. Nu, dat is het geval hetwelk bijzonder in onze tekst wordt genoemd: "Omdat het oordeel niet haastelijk over de boze daad geschiedt."

Ten opzichte van dit beleid des Heeren zal ik enkele opmerkingen maken.

1. De zondaar mag zijn boze werk voornemen en uitvoeren zonder dat de Hemel hem stuit door enige straf of oordeel. Er is een God in de hemel Wiens oog alle mensenkinderen ziet, doch God zwijgt en laat de zondaar zijn gang gaan. De Heere kon zijn armen breken en hem verhinderen de voornemens van zijn boze hart uit te voeren, zodat hij zijn boze plannen niet kon volbrengen, maar Hij doet het niet.

2. Wanneer de zonde niet verhinderd wordt, mag de zondaar voor een tijd ongestraft voortgaan, zodat het schijnt dat er geen aandacht geschonken wordt aan zijn ongerechtigheid en dat er geen God is om recht te doen op de aarde. Er zijn tijden waarin de heilige Voorzienigheid als het ware vrijheid geeft aan goddeloze zondaren. Doch wanneer die tijd voorbij is wordt God gezegd te ontwaken tot het oordeel.

3. Ja, misdaden mogen niet alleen voor een tijd ongestraft maar ook verborgen blijven. Er zijn vele gruwelen welke met open vizier in de wereld verschijnen, maar waarschijnlijk zijn er méér die niet ontdekt worden maar openbaar zullen worden in het oordeel van de grote dag. Een alwetend God zou hen het masker af kunnen rukken, maar wanneer de heilige Voorzienigheid een langzaam beleid voert kan er veel kwaad gedurende lange tijd verborgen blijven.

4. Wanneer zondaren bevinden dat het zó gaat dan spreken zij zichzelf moed in, herhalen hun snode werken, stapelen zonde op zonde en geven zichzelf de losse toom in hun zondige loop. Dit wordt in onze tekst bevestigd. Niemand komt plotseling tot de hoogste top van goddeloosheid, maar trapsgewijze. Slechte daden brengen in het eerst een vrees en schrik mee en de zondaar beeft in het begin onder een vreeslijke verwachting van straf. Maar een lankmoedig God slaat niet, wat een oorzaak voor de zondaar is om moed te vatten. Hij waagt het nogmaals en de vrees neemt bij trappen af.

5. Nee, zondaren mogen voorspoed hebben in een zondige loop. Zij kunnen gedachten aan een oordeel over hun goddeloos leven zó van zich afschuiven, dat zij zich gelukkig voelen in de wereld. "Ik heb gezien een gewelddrijvende goddeloze die zich uitbreidde als een groene inlandse boom,Ps. 37 : 35. De zon van tijdelijke welvaart mag licht en warm schijnen op mensen die in zonden leven, die God verlaten hebben en die van God verlaten zijn. Ja, voorwerpen van Gods toorn worden dikwijls behandeld alsof zij lievelingen des hemels zijn en de voorwerpen van Gods bijzondere liefde schijnen het doelwit van Zijn toorn en wraak te zijn. "Daar is nog een ijdelheid die op aarde geschiedt, dat er zijn rechtvaardigen wien het wedervaart naar het werk der goddelozen èn daar zijn goddelozen wien het wedervaart naar het werk der rechtvaardigen," Pred. 8 : 14. Dat is dikwijls een raadsel geweest voor de heiligen, zoals voor Jeremia, Hoofdstuk 12 : 1, 2. "Waarom is der goddelozen weg voorspoedig, waarom hebben zij rust, allen die trouwelooslijk trouweloosheid bedrijven?"

6. Velen hebben voorspoed niet alleen in, maar door hun boze werken, zodat zij de vruchten van hun zonden genieten en welvaart hebben door hun ongerechtigheid. Rijkdommen kunnen soms de mammon van ongerechtigheid genoemd worden omdat zij dikwijls verkregen worden door kwade praktijken. Menige verheven staat en grote wereldse bezittingen zijn bijeengeraapt door middel van onderdrukking; ja de grondslag van veler vermogen is op bloed gevestigd. Dit zijn duidelijke bewijzen dat mensen voorspoedig kunnen zijn niet alleen in, maar door een goddeloos leven.

7. Zondaren kunnen een lang leven hebben waarin zij zondigen, terwijl God ze nog spaart. De oude wereld verkreeg een lange dag van honderd en twintig jaren. Job merkt op dat de goddelozen oud kunnen worden en voorspoedig blijven. "Waarom leven de goddelozen, worden oud, ja worden geweldig in vermogen?" Hoofdstuk. 21 : 7. God snijdt ze soms onverwacht af midden in hun zondenloop. Doch dat geschiedt niet altijd, doch mensen kunnen grijze haren krijgen in de weg van goddeloosheid.

8. De Heere voert soms snel het vonnis uit en Hij geeft aan anderen opnieuw uitstel. Zijn hand mag uitgestrekt zijn en toch trekt Hij ze weer in.

"Hij verdierf ze niet, maar wendde dikwijls Zijn toorn af," Ps. 78 : 38. Misdadigers kunnen op de rand van de afgrond staan en toch veilig terugkeren en een slecht gebruik maken van hun bewaring door daarna erger te worden. Toen de honderd en twintig jaren geëindigd waren, kreeg de oude wereld nog zeven dagen uitstel, waarin zij zich opnieuw de losse teugel gaven.

9. Wanneer het oordeel ten laatste een aanvang neemt wordt het soms voor een tijd langzaam uitgevoerd. De druppels die aan een regenbui vooraf gaan kunnen weinig en zacht zijn. God handelt dikwijls lankmoedig met onboetvaardige zondaars, zelfs wanneer Hij ten oordeel tegen hen is opgestaan, vóór Hij tot de volledige uitvoering overgaat. Gods oordelen welke met ijzeren handen komen kunnen evenwel met loden schoenen en langzame passen voortschrijden.

10. Maar niettegenstaande al deze gevallen wordt dikwijls het uitgesproken vonnis niet in dit leven uitgevoerd. Mensen mogen goddeloos en tegelijk voorspoedig leven, rustig sterven en met eerbewijzen begraven worden. Zo zouden zij met hun ongerechtige werken het oordeel ontgaan, ware het niet dat er een toekomende wereld en een afrekening is, waar geen uitstel van de uitvoering van het vonnis zal zijn. "En daar was een zeker rijk mens en hij was gekleed met purper en zeer fijn lijnwaad, levende alle dagen vrolijk en prachtig. En hij stierf en werd begraven. En als hij in de hel zijn ogen ophief was hij in de pijn. Lukas 16 : 19, 23. Soms laat God de wereld getuige zijn van de uitvoering van het vonnis tegen een boos werk. Maar in het lankmoedig beleid van de Voorzienigheid raken zondaren dikwijls uit de wereld zonder dat het oordeel zichtbaar uitgevoerd is.

Wij zullen nu de redenen noemen waarom de uitvoering van het vonnis dikwijls voor een tijd wordt uitgesteld. Doch eerst zullen wij de verkeerde besluiten beschouwen, welke door velen gemaakt worden wanneer zij bemerken dat God dikwijls een langdurig uitstel verleent. Het is nodig daarvan een verklaring te geven, omdat er een verborgenheid van de Voorzienigheid in is die niet gemakkelijk ontraadseld wordt en die door onkunde onder de mensen tot grove misvattingen leidt.

1. Het geduld hetwelk God betoont is reeds door menig zondaar verkeerd uitgelegd tot zijn eigen verderf. "De voorspoed der zotten zal hen verderven", Spr. 1 : 32. Wij hebben van nature zulk een hoge gedachte van de glimlachen van de wereld, dat wij geneigd zijn te menen dat God er Zijn gunst aan verbindt, en dat Hij er Zijn bijzondere liefde tot ons in uitspreekt. Maar juist het tegendeel is waar. "Zo wie Ik liefheb die bestraf en kastijd Ik," Openb. 3 : 19. Een zondaar die het in de wereld goed heeft kan zich moeilijk indenken dat hij geen gunsteling des Hemels is en hij kan niet aannemen dat God zo gestreng is als sommigen beweren. Daarom gaat hij rustig voort in zijn loop.

2. Een verkeerde uitleg van de lankmoedigheid Gods is oorzaak dat vele toeschouwers godloochenaars en verachters van de godsdienst worden. Zij worden in Mal. 3 : 14, 15 aangesproken: "Gij zegt: Het is tevergeefs God te dienen, want wat nuttigheid is het dat wij Zijn wacht waarnemen en dat wij in het zwart gaan voor het aangezicht des Heeren der heerscharen? En nu, wij achten de hoogmoedigen gelukzalig; ook die goddeloosheid doen worden gebouwd; ook verzoeken zij God en ontkomen." Er zijn velen die geen inwendig beginsel van godsdienst hebben. Nu, wanneer zij zien dat door de godsdienst werelds voordeel te verkrijgen is willen ook zij godsdienstig zijn evenals de gemengde menigte die uit Egypte uittrok. Maar wanneer zij zien dat de weg van goddeloosheid voorspoed oplevert en dat zondaren hun weg vervolgen niettegenstaande alle dreigementen die tegen hen uitgesproken zijn en zij zien de godvrezenden verdrukt en neergebogen niettegenstaande alle beloften die aan hen gedaan zijn, dan zijn zij geneigd om te menen dat zowel bedreigingen als beloften in het Woord, ledige klanken zijn. Dat is het gevolg van hun grove misvatting omtrent het geduld Gods.

3. Het is zó moeilijk de langzame uitvoering van het vonnis te verstaan, dat vele heiligen voor raadselen gestaan hebben en tot wankeling gebracht zijn. Zo geneigd zijn wij om te wandelen door aanschouwen en niet door geloof. Dit stuk in het boek der Voorzienigheid kon door Jeremia niet ontward worden zolang hij niet kon besluiten om te geloven en niet te leven door aanschouwen. Maar hij kwam tot geloof en zei: "Maar Gij o Heere kent mij, Gij ziet mij en proeft mijn hart dat het met U is, Hoofdstuk. 12 : 1-3. En van de goddelozen zegt hij: "Ruk ze uit als schapen ter slachting en heilig ze tot de dag der doding." In Psalm 73 kunnen wij lezen dat het onnaspeurlijke in het boek der Voorzienigheid Asaf bijna van de been had geworpen.

4. Daar er duisternis in het verstand van alle mensen is ten opzichte van het beleid in de goddelijke rechtspleging, zijn zij geneigd zich in te beelden dat het beleid der Voorzienigheid in tegenspraak is met de volmaaktheden welke aan God worden toegeschreven.

Er zijn vier goddelijke volmaaktheden waarbij arme zondaren die blind en onbezonnen oordelen, gevaar lopen zich te bedriegen.

Ten eerste. Gods alwetendheid, waardoor hij alle dingen die op aarde gedaan worden ziet en weet. "De ogen des Heeren zijn aan alle plaatsen, beschouwende de kwaden en de goeden," Spr. 15 : 1 Maar wanneer mensen zich bewust,zijn van hun eigen goddeloosheid en toch zien dat God hen daarom niet straft, zijn zij geneigd te zeggen als die in Ez. 9 : 9, "De Heere heeft het land verlaten en de Heere ziet niet." Zo stelt de psalmist mensen aan ons voor die volharden in hun goddeloosheid en rustig zijn alsof de hemel hen niet ziet. "O Heere, zij verbrijzelen Uw volk en zij verdrukken Uw erfdeel. De weduwe en de vreemdeling doden zij en zij vermoorden de wezen en zeggen: De Heere ziet het niet en de God Jacobs merkt het niet,Ps. 94 : 5-7.

Ten tweede, Gods heiligheid, waardoor Hij rein is in Zichzelf, zodat Hij niet anders kan dan alle onreinheid en zonde in Zijn schepselen haten. Dat is een vaststaande waarheid. De engelen roepen het uit: "Heilig, heilig, heilig is de Heere der heerscharen," Jes. 6 : 3. De psalmist verklaart het nadrukkelijk: "Want Gij zijt geen God Die lust heeft aan goddeloosheid; de boze zal bij U niet verkeren; de onzinnigen zullen voor Uw ogen niet bestaan; Gij haat alle werkers der ongerechtigheid," Ps. 5 : 5, 6. Doch wanneer de mensen zien op het beleid der Voorzienigheid met goddeloze zondaren, dan kunnen zij het nauwelijks geloven. Doch God zegt: "Deze dingen doet gij en Ik zwijg; gij meent dat Ik ten enenmale ben gelijk gij: Ik zal u straffen en zal het ordelijk voor uw ogen stellen," Ps. 50 ; 21. Maar mensen denken, indien dat waar is, hoe kan Hij dan zulk een onheiligheid verdragen in zondaars die Hem beledigen en Zijn wetten vertreden? Evenwel de profeet Habakuk bevestigt het in Hoofdstuk 1 : 13 doch hij noemt daarbij de mogelijkheid om de verdraagzaamheid Gods te verenigen met Zijn heiligheid. "Gij zijt te rein van ogen dan dat Gij het kwade zoudt zien en de kwelling kunt Gij niet aanschouwen. Waarom zoudt Gij aanschouwen die trouweloos handelen? Waarom zoudt Gij zwijgen, wanneer de goddeloze die verslindt die rechtvaardiger is dan hij?"

Ten derde, Gods rechtvaardigheid, waardoor Hij de zonde zó haat dat Hij niet anders kan dan ze straffen. "Zou de Rechter der ganse aarde geen recht doen?" Gen. 18 : 25. Hij heeft Zijn rechtvaardigheid in het openbaar getoond in de dood van Zijn eigen Zoon. Doch wanneer mensen goddeloze zondaars ongestraft in de zonde zien voortgaan, dan zijn zij geneigd te denken, dat God niet zo strikt rechtvaardig is als sommigen beweren. Want zij kunnen niet zien dat de zonde rechtvaardige vergelding ontvangt.

Ten vierde, Gods goedheid jegens Zijn eigen volk, waardoor Hij goed zijnde, goed doet aan hen die Hem vrezen. "Smaakt en ziet dat de Heere goed is; welgelukzalig is de man die op Hem vertrouwt. Vreest de Heere gij Zijn heiligen, want die Hem vrezen hebben geen gebrek," Ps. 34 : 9, 10. De profeet moest hetzelfde getuigenis aan Gods volk geven: "Zeg den rechtvaardigen dat het hen wèl gaan zal, dat zij de vrucht van hun werken zullen eten," Jes. 3 : 10. Doch wanneer mensen zien dat goddeloze zondaren het goed hebben en de godzaligen geslagen worden, dan zijn zij geneigd te menen dat God niet zó goed is als zij gedacht hadden. Doch die gedachte vloeit voort uit onkunde en blindheid. Asaf bevestigt en roept uit dat God goed is: Immers is God Israël goed dengenen die rein van hart zijn," Ps. 73 : 1.

TOEPASSING

Het zal ons nuttig zijn dikwijls in het gebed te vragen om verlichte ogen des verstands, opdat de nevelen die rondom het aanbiddelijk beleid van de Voorzienigheid hangen voor ons mogen opgeklaard worden.

Ten opzichte van het uitstel dat God aan zondaren verleent in het uitvoeren van het vonnis wil ik u enkele besturingen geven die u ook in het gebed mogen leiden tot bewondering van Gods goedheid.

1. Een uitstel van de uitvoering van het vonnis is een beleid Gods dat zondaren tot berouw mag brengen en tot bekering om hun verderf te voorkomen. De volmaaktheden van een genadig God worden daardoor ten zeerste verhoogd. Zondaren behoren opmerkzaam te zijn bij het uitstel dat hun verleend wordt.

(1.) Zij behoren op te merken dat hun tijd en gelegenheid gegeven wordt om tot berouw te komen. Indien zij altijd onder een rechtvaardig oordeel Gods werden gevangen gehouden in de hitte van hun ongedode lusten, zo zouden wij geneigd zijn daarin de gestrengheid Gods te zien. Doch God geeft hun gewoonlijk tijden van bezinning en zo zij daarvan een recht gebruik maken zullen zij tot inkeer komen, zich tot God wenden en hun eigen ondergang afwenden.

(2.) Zij worden door uitstel genodigd zich te bekeren. De Heere gebruikt zachte middelen en zegt: Weet gij niet dat de goedertierenheid Gods u tot bekering moet leiden? Elke bewarende en sparende daad van Gods lankmoedigheid, die aan een verstokte zondaar bewezen wordt, roept hem luide tot bekering. Daarin wordt hem toegeroepen: Doe uzelf geen kwaad. Hem wordt daardoor toegeroepen dat hij gewillig zijn eigen verderf zoekt en er wordt aan toegevoegd: Bekeer u, want waarom zoudt gij sterven?

God zoekt de verheerlijking van sommige van Zijn volmaaktheden, welke anders niet zo heerlijk aan de dag zouden komen.

Hij zoekt de verheerlijking van Zijn lankmoedigheid en geduld. "De Heere is lankmoedig over ons, niet willende dat enigen verloren gaan maar dat zij allen tot bekering komen," 2 Petr. 3 : 9. Ernstige beschouwers van dit beleid in de goddelijke Voorzienigheid moeten uitroepen: Hoe groot en wonderlijk is Uw lankmoedigheid, o Heere! Het geduld van de zachtmoedigste mens op aarde zou geheel uitgeput zijn door minder dan de helft van hetgeen God verdraagt.

God wil Zijn algemene goedwilligheid aan arme, zondige mensenkinderen verheerlijken. "Hij wil dat alle mensen zalig worden en tot kennis der waarheid komen," 1 Tim. 2 : 4. Hij is rechtvaardig, doch Hij heeft een bijzonder vermaak in het bewijzen van genade. Hij is traag tot toorn, maar gereed om te vergeven. Dat is in leesbaar schrift geschreven op het uitstel dat Hij aan zondaren verleent.

Hij wil Zijn overwinnende goedheid verheerlijken. Kwaad te vergelden voor goed is duivels; goed met goed te vergelden is menselijk; maar goed te vergelden voor kwaad is goddelijk. Hier blinkt de heerlijkheid van de goddelijke goedheid uit, in het overwinnen van het kwade door het goede. "Want Hij is goedertieren over de ondankbaren en bozen,Lukas 6 :35. Zulk een volmaakte goedheid is alleen aan God eigen.

Voor zondaren is er tweeërlei gevolg aan het uitstel verbonden.

1. Voor sommigen is het een oorzaak van bekering, tot behoud van de ziel en tot verlossing van het eeuwig verderf. God Die de waarde van onsterfelijke zielen kent, stelt er zulk een waarde op dat Hij op hun bekering wil wachten. "Ik zeg ulieden dat er alzo blijdschap zal zijn in de hemel over één zondaar die zich bekeert," Lukas 15 : 7. De Schrift noemt de bekering van een ziel, een heerlijke overwinning. "Weet, dat degene die een zondaar van de dwaling zijns wegs bekeert een ziel van de dood zal behouden en menigte der zonden zal bedekken," Jac. 5 : 20. Hoe velen zingen op deze dag het Halleluja in de hemel, door middel van het uitstel dat zij op aarde verkregen, die door een snelle uitvoering van het vonnis in het verderf zouden geweest zijn. In een Turkse geschiedenis lezen wij van iemand die gezegd heeft: Was ik enkele jaren geleden gestorven dan was ik verloren geweest, want ik kende Christus niet.

2, Voor anderen is het uitstel oorzaak dat zij niet te verontschuldigen zullen zijn. Hoe langer God hen verdragen heeft en hoe meer vriendelijk Hij is geweest jegens onboetvaardige zondaren, te minder zij te verontschuldigen zullen zijn en te meer zal Gods gestrengheid over hen gerechtvaardigd zijn. Gods rechtvaardigheid zal heerlijk in het licht gesteld worden jegens hen die uitstel verkregen en zich niet bekeerden van hun boze werken.

Bij het verlenen van uitstel aan zondaren heeft God dikwijls de komende geslachten op het oog.

1. Het is nuttig voor het nageslacht in het algemeen, zowel in geval de zondaar die gespaard wordt tot berouw komt als in geval hij zich niet bekeert. Indien hij tot berouw komt, dan mag dat tot nut zijn voor hen die na hem komen, daar het hen kan aansporen en bemoedigen om zich ook tot God te wenden. Het uitstel dat God verleende aan Manasse en Paulus is voor velen in latere tijd tot zegen geweest.

Doch indien de zondaar zich niet bekeert en hij wordt voor het oog van de wereld door het oordeel Gods gegrepen, dan wordt hij een waarschuwend teken voor anderen die na hem komen. En indien anderen daardoor niet tot inkeer komen, zo heeft God hun toch een teken gesteld dat de overtreders worden verdelgd. Hun consciëntie spreekt hen aan en zegt tot hen dat de goddeloosheid moet zwijgen in het graf en dat hun leven dwaasheid is geweest. Zo zijn er velen in de wereld die voor niemand tot nut zijn, maar God weet hun nagedachtenis te gebruiken tot waarschuwing voor anderen.

2. Het uitstel is ook dikwijls nuttig voor des zondaars eigen nakomelingen.Ten eerste voor hun kinderen die nog niet geboren zijn. Er mogen vaten der barmhartigheid voortkomen uit vaten des toorns. Vele genadeloze ouders hebben kinderen voortgebracht die begenadigd werden. De wereld blijft staan terwille van de uitverkorenen. Wanneer de laatste uitverkorene geboren en toegebracht zal zijn zal de laatste dag aanbreken. Wanneer een veroordeelde vrouw een kind verwacht spaart de wet haar totdat zij het heeft voortgebracht. Zo spaart God lange tijd veroordeelde zondaars om de uitverkorenen die in hun lendenen zijn. Er was een vonnis uitgesproken over hen die Egypte uittrokken en om bovengenoemde reden werd aan sommigen ongeveer veertig jaren uitstel verleend.

Ten tweede, het uitstel van het oordeel mag nuttig zijn voor het nageslacht dat reeds geboren is.

Mensen worden soms gestraft in hun nageslacht. Menig arm kind heeft veel smart moeten lijden om de zonden van zijn ouders. Een heilig, rechtvaardig God twist soms met opvolgende geslachten om de zonden van de voorouders zoals in het tweede gebod wordt gedreigd. Het derde en vierde geslacht worden daar genoemd en zo zien wij dikwijls dat mensen gestraft worden in oordelen over hun kinderen, kleinkinderen en achterkleinkinderen. God spaart sommige zondaren opdat zij de straf op hun zonden in hun eigen geslacht zullen zien en ondervinden.

In het uitstellen van de straf op de zonden der goddelozen heeft de Heere het goede voor Zijn eigen volk op het oog. De wereld wordt in stand gehouden ter wille van Gods volk en zo wordt de wereld ook door de Voorzienigheid bestuurd ten hunnen nutte. De Heere bedoelt daarin het goede voor hen, zoals wij lezen: "En wij weten dat dengenen die God liefhebben, alle dingen medewerken ten goede," Rom. 8 : 28. Het goede dat aan Gods kinderen wordt toegevoegd is meestal een gevolg van het kwade dat de wereld hen aandoet. Aldus geeft de Heere uitstel aan goddeloze zondaars om daardoor Zijn eigen kinderen te beproeven. Die scherpe beproevingen hebben twee oorzaken.

1. Gods volk heeft smart van de goddeloze wereld. Onheilige mensen zijn een roede in de hand Gods om Zijn kinderen vaderlijk te kastijden. "Waarom laat Gij mij ongerechtigheid zien en aanschouwt de kwelling? Want verwoesting en geweld is tegenover mij en daar is twist en men neemt gekijf op," Hab. 1 : 3. Gods volk heeft de roede nodig. Doch zij worden daaronder bewaard en niet in het vuur geworpen.

Maar God kastijdt Zijn kinderen ten hunnen nutte, opdat zij "Zijn heiligheid zouden deelachtig worden." De goddelozen verplichten hen om te bidden, te waken, te leven in oefening des geloofs, méér dan zij anders zouden doen. Vandaar dat dikwijls de teerste christenen wonen temidden van de meest beruchte goddeloze naburen, zoals Lot in Sodom. Want gelijk de godzaligen een ergernis zijn voor de goddelozen, zo zijn dikwijls de goddelozen als slijpstenen voor de godzaligen.

2. De rechtvaardigen gevoelen meer smart van hun eigen ellende, wanneer zij de dwaasheid van de wereld aanzien. Zij worden dikwijls tot wankelen gebracht, zodat in hun hart soms opkomt wat Asaf zei: "Zie dezen zijn goddeloos, nochtans hebben zij rust in de wereld," en dat gedachten in hen opkomen als deze: "Hoe zou het God weten en zou er wetenschap zijn bij de Allerhoogste", Ps. 73 : 11. De voorspoed van de goddelozen brengt de verdrukkingen van de godzaligen tot een hoge trap en soms tot een gevaarlijke hoogte, door de listen van de satan die hen door het zien van de voorspoed van de goddelozen soms tot twijfel brengt zodat zij zeggen: "Immers heb ik tevergeefs mijn hart gezuiverd en mijn handen in onschuld gewassen, dewijl ik de ganse dag geplaagd ben en mijn bestraffing is er alle morgens." Jobs vrienden spraken op die grond in de geest van satan, toen zij trachtten aan te tonen dat Job niet zuiver was toen zij zijn grote verdrukking aanzagen.

Doch dit alles moet hun ten goede medewerken. Het is oorzaak dat zij meer aandachtig in hun bijbel kijken en zij vinden daarin troost en verkwikking, terwijl zij anders er niet méér in zouden vinden dan oppervlakkige lezers er in vinden. Toen Asaf een dieper inzicht kreeg, sprak hij: "Nochtans heb ik gedacht om dit te mogen verstaan, maar het was moeite in mijn ogen; tot dat ik in Gods heiligdommen inging en op hun einde merkte. Immers zet Gij ze op gladde plaatsen, Gij doet ze vallen in verwoestingen," Ps. 73 : 16-18. Het doet hen meer nauwkeurig in hun eigen hart zien en dan brengt het hen meestal tot het vertrouwen dat zij oprecht voor God zijn. Het leert hen méér te leven door geloof dan door aanschouwen en het brengt hen tot oefeningen van hoop en geduld. Amen.

DERDE PREEK

Omdat niet haastelijk het oordeel over de boze daad geschiedt, daarom is het hart van de kinderen der mensen in hen vol om kwaad te doen. Pred. 8 :11

Het is een droevig oordeel over zondaren dat zij, hoewel God de uitvoering van het vonnis uitstelt, hoe langer hoe meer verharden. Dit geschiedt wanneer zondaren, niettegenstaande God hen toeroept zich te bekeren, evenwel hun hart verstokken om kwaad te doen. Dit is een vreselijk doch heilig werk Gods, doch de Schrift leert ons dat er zulk een werk plaats heeft onder mensenkinderen. "Zo ontfermt Hij Zich dan diens Hij wil en verhardt die Hij wil,", Rom. 9 : 18. Het is een vreselijke straf en oordeel, wanneer God de mens niet meer in de gewone weg straft wegens zijn zonden, maar hem overgeeft tot verharding.

Wij zullen u aantonen waarin het oordeel der verharding openbaar komt.

1. Het is een geestelijke slag die neerkomt op de ziel en daarom erger dan uitwendige slagen in het lichaam. Daardoor wordt het verstand verduisterd, de wil dubbel verslaafd aan de begeerlijkheden en de consciëntie toegeschroeid. Dit oordeel komt tegenwoordig veel voor.

2. Het is een slag waardoor de kwaal der zonde verergert en het evangelie als middel tot genezing krachteloos wordt gemaakt. Onder verharding van het hart wordt de losse teugel aan begeerlijkheden gegeven die eerst bedwongen werden. De middelen der genade worden nutteloos indien ze niet schadelijk worden, want het verharde hart doet het voedsel der ziel in vergif ontaarden.

3. Het is een vreeslijk voorteken van uiterste verwoesting. Een aarden vat dat niet op tijd gereinigd en schoongemaakt wordt vervuilt ten laatste en wordt tenslotte in stukken gebroken en weggeworpen. "In uw onreinheid is schandelijkheid; omdat Ik u gereinigd heb en gij niet gereinigd zijt, zo zult gij van uw onreinheid niet meer gereinigd worden, totdat Ik Mijn grimmigheid op u zal hebben doen rusten," Ez. 24 : 13.

Dit is een vreeslijk en toch een heilig werk in de hand van God. God is heilig in het verharden van de zondaar, zowel als in Zijn ontferming. Want

(1.) God verhardt geen weke harten, maar alleen zulke die eerst zichzelf verhard hebben. De mens sluit eerst zijn eigen ogen voor het licht en daarop verblindt een rechtvaardig God hun ogen. Zij zijn gewillig in het zondigen en God geeft hun hun wil. Want wie kan zeggen dat God verplicht is nog langer met hen te twisten?

(2.) Wie kwaad doet, kwaad ontmoet. Het is rechtvaardig bij God zonde met zonde te straffen. Wederhoudende genade wordt ingetrokken van hen die geen bestraffing willen ondergaan. Zij vallen in het slijk en zij die daarin willen liggen, blijven er in.

Nu, in gevallen waarin het oordeel niet haastig komt over de boze daad, laat God onder een richterlijk oordeel dikwijls verharding over de zondaar komen, en dat zowel over de zondaar zelf als over anderen.

1. In dit beleid der Voorzienigheid treedt een heilig en rechtvaardig God richterlijk op. God maakt veel werk van zondaars om ze terug te brengen van hun zondige wegen. Hij waarschuwt hen door Zijn Woord, door overtuigingen, verschrikkingen en angsten en voegt er scherpe kruizen en ellenden aan toe. Maar zij worstelen tegen alle deze in en niettegenstaande alle waarschuwingen gaan ze door in hun zonden. Daarom verhardt God hen op een richterlijke wijze en laat ze los, na veel geduld met hen geoefend te hebben.

(1.) Eerst door Zijn wederhoudende genade in te trekken en hen over te geven aan hun eigen begeerlijkheden. Aan velen wordt wederhoudende genade gegeven die nooit heiligende genade ontvangen. Zij worden eerst bedwongen door goede bewegingen, goede gedachten en overtuigingen, maar de Heere trekt die in en geeft de zondaren over aan de vrije loop van hun verdorvenheden, zoals Hij met Efraïm deed: "Efraïm is vergezeld met de afgoden, laat hem varen." Hosea 4 : 17. Zij zijn opstandig tegen het licht en daarom dooft God het uit. Zij zijn vermoeid van bedwang en daarom bedwingt God ze niet langer. Zij hebben de heerschappij van hun begeerlijkheden lief en daarom geeft God hen er aan over.

(2.) De richterlijke verharding heeft plaats wanneer God zondaren aan satan overgeeft als aan een uitvoerder van de goddelijke rechtvaardige wraak. Mensen die de Heilige Geest weerstaan, ergeren en bedroeven, zetten Hem aan om te vertrekken en hen te laten in de handen van de boze geest die dan een gemakkelijke prooi aan hen heeft zoals te zien is in het geval van Saul. Daardoor wordt satans macht over hen bevestigd, daar de strijd tegen hem is verzwakt en zijn invloed over hen is versterkt.

Nadat God groot geduld met een zondaar heeft geoefend en hij zich niet bekeert wordt gewoonlijk een werk van verharding in hem uitgevoerd. Daarin kunnen wij beschouwen dat

1. Zij verharden daar het oordeel niet haastig geschiedt over de boze daad. Zij wagen het méér te zondigen en God laat ze in Zijn toorn ongehinderd voortgaan. Satan en hun eigen verdorven harten maken daarvan gebruik om ze moed en kracht te geven tot zonde. Vandaar verrijst er een wind uit de hel die hun zeilen vult. Zo lezen wij in onze tekst: "Omdat niet haastelijk het oordeel over de boze daad geschiedt daarom is het hart van de kinderen der mensen in hen vol om kwaad te doen."

2. Zij worden verhard door hun voorspoed in de wereld. "Zij zijn niet in de moeite als andere mensen en worden met andere mensen niet geplaagd. Daarom omringt ze de hovaardij als een keten, het geweld bedekt ze als een gewaad," Ps. 73 : 5, 6. Hoe heter de zon schijnt, hoe harder de klei wordt. En hoe warmer de zon van aardse voorspoed schijnt op de zondaar die aan zijn eigen lusten en aan de macht des satans overgegeven is, hoe meer hij aangevuurd wordt tot zonde.

3. Zolang de Voorzienigheid uitstel aan zondaren verleent worden ze door anderen verzocht, gevleid en aangespoord tot zondigen. Begeerlijke voorwerpen en middelen die hen tot kwade werken vervoeren worden door een rechtvaardige God in hun weg gebracht. Zo wordt de vertederende invloed der Voorzienigheid In uitwendige dingen, welke hen tot bekering behoorde te leiden, voor hen een middel om nog meer verhard te worden tot hun verderf en wel als gevolg van hun eigen begeerlijkheden onder welker macht zij blijven. "Want de afkering der onverstandigen zal ze doden en de voorspoed der zotten zal ze verderven, Spr. 1:32. De voorspoed is voor hen als een sterke wind op een schip zonder ballast in een storm.

4. Gepaste middelen om hen te beteugelen worden in het rechtvaardig oordeel Gods krachteloos en dat verhardt hen. Zo ging het met Farao. 't Wonder van

de staf die in een slang veranderde, en van het water in bloed en van de vorsen opkomende uit de rivieren scheen in Farao's ogen een werk van tovenaars te zijn, en daarom werden die waarschuwingen krachteloos voor hem.

5. Zij verharden door de tegenspoed en het kruis die door de Voorzienigheid gezonden worden op ernstige vromen. Door de listen van satan vermeerderen hun ellenden zodat zij zowel de godsdienst als de godsdienstigen verachten.

In dit beleid van God heeft er een verhardend werk plaats in onheilige aanschouwers van de verdrukking van Gods volk. Daarom wordt vanwege de ergernissen een wee over de wereld uitgeroepen. De grote massa der mensen heeft zo weinig begrip van de godsdienst en zo weinig inzicht in de verborgenheden der Voorzienigheid dat zij geneigd zijn te denken dat de meest voorspoedige weg de beste weg is. Er is een geslacht dat de godsdienst beoordeelt naar de voorspoed. Dat geslacht was er ook in Jeremia's dagen. Zij zeiden: "Maar wij zullen ganselijk doen al hetgeen dat uit onze mond is uitgegaan rokende aan Melecheth des hemels en haar drankofferen offerende, gelijk als wij gedaan hebben wij en onze vaders, onze koningen en vorsten, in de steden van Juda en in de straten van Jeruzalem; toen werden wij met brood verzadigd en waren vrolijk en zagen geen kwaad. Maar van toen af dat wij opgehouden hebben aan Melecheth des hemels te roken en haar drankofferen te offeren, hebben wij aan alles gebrek gehad en zijn door het zwaard en door de honger verteerd," Jer. 44 : 17, 18. Zo laat de Heere in Zijn heilige Voorzienigheid die weg open voor wereldse en vleselijke mensen. En daarin struikelen zij door hun eigen vrijwillige blindheid en zo brengen zij zichzelf ten verderve.

Het algemene beleid der Voorzienigheid in het besturen van de wereld is zacht voor Zijn vijanden en scherp voor Zijn eigen kinderen, in dit leven. "Indien wij alleen in dit leven op Christus zijn hopende zo zijn wij de ellendigste van alle mensen",1 Cor. 15 : 19. "Zo wie Ik liefheb die bestraf en kastijd Ik; wees dan ijverig en bekeert u," Openb. 3 :19. Dit is de algemene regel hoewel er uitzonderingen op zijn. Gods vijanden hebben soms pijnlijke ervaringen en Gods kinderen troostelijke. Doch de algemene en gewone handelingen der Voorzienigheid betekenen voorspoed voor de goddelozen en tegenspoed voor de godzaligen.

Dit blijkt bijzonder in twee dingen.

1. Gods kinderen worden in bijzondere slagen van de Voorzienigheid dichter naar de troon gedreven en de vijanden er verder van af.

(1.) God let scherp op vele dingen in Zijn eigen volk, die Hij in anderen voorbijgaat. Daarom zei Job: "Indien ik zondig zo zult Gij mij waarnemen en van mijn misdaad zult Gij mij niet onschuldig houden,Hoofdstuk 10 : 14. Een bekend spreekwoord zegt: De een mag wel een paard stelen en een ander mag niet over het hek kijken. Een kind van God moet dikwijls méér boeten voor een ijdele gedachte dan een ander voor een snode daad. Een kind Gods moet méér betalen voor een ondoordacht woord dan anderen voor godslastering en voor opzettelijke goddeloosheid..

Hoe moest Mozes lijden om een haastig woord: "Zij maakten Hem ook zeer toornig aan het twistwater en het ging Mozes kwalijk om hunnentwil; want zij verbitterden zijn geest zodat hij wat onbedachtelijk voortbracht met zijn lippen," Ps. 106 : 32, 33.

(2.) Wanneer beiden slagen krijgen om een kwade zaak krijgt Zijn eigen volk dikwijls de hardste slagen. Daarom zegt de weeklagende Kerk: "Gaat het ulieden niet aan, gij allen die over weg gaat? Schouwt het aan en ziet of er een smart is gelijk mijn smart die mij aangedaan is waarmede de Heere mij bedroefd heeft ten dage der hittigheid Zijns toorns, Klaagl. 1 : 12. De twist die God had met sommige godzalige Corinthiers wegens hun onwaardig avondmaal houden, was tot ongesteldheid van hun lichaam ja zelfs tot de dood," 1 Cor. 11 : 30. Om die oorzaak zijn onder u vele zwakken en kranken en velen slapen.

Veel tegenspoed is op een bijzondere wijze het lot van Gods volk in dit leven en de wereld lacht meest haar eigen vrienden toe. "Deze dingen heb Ik tot u gesproken opdat gij in Mij vrede hebt. In de wereld zult gij verdrukking hebben, maar hebt goede moed, ik heb de wereld overwonnen," Joh. 16 : 33. "Daarom keert Zijn volk hiertoe als hun wateren eens volle bekers worden uitgedrukt," Ps. 73 : 10. Voor de Kerk en het volk van God schijnt in dit leven tegenspoed de regel en gewone weg te zijn en voorspoed schijnt een uitzondering te wezen. Doch voor de lieden van de wereld schijnt voorspoed regel en tegenspoed uitzondering te zijn. Dit blijkt uit verschillende dingen.

1. Uit de Schrift waarin wij vinden dat de weg van tegenspoed het pad is dat is aangelegd voor de kinderen des Heeren en dat de heiligen onder het Oude en Nieuwe Testament die weg moesten volgen. De godzaligen kreunen dikwijls onder het gewicht van hun eigen verdrukking en onder het gewicht van de voorspoed die zij zien in de goddeloosheid van hun vijanden. De Kanaänieten bouwden steden terwijl de harp en het orgel in hun midden was, terwijl de Kerk nog in tenten woonde. Abraham was een vreemdeling in het land der belofte terwijl de gevloekte Kanaänieten het land in bezit hadden. Jacobs nageslacht was in slavernij in Egypte terwijl de Edomieten zich in hun eigen land gevestigd hadden en hun eigen koning hadden.

Beschouw Israël in vergelijking met andere volken en gij zult hun voorspoed van korte duur bevinden in vergelijking met hun naburen, en hun verdrukking duurde lang. "Toen antwoordde de Engel des Heeren en zei: Heere der heerscharen hoe lang zult Gij U niet ontfermen over Jeruzalem en over de steden van Juda op welke Gij gram geweest zijt deze zeventig jaren?"

Doch onze Zaligmaker verklaart onder het Nieuwe Testament dat Gods volk zijn deel niet in dit leven heeft: "En Hij Zijn ogen opslaande over Zijn discipelen zei: Zalig zijt gij armen! want uwer is het koninkrijk Gods. Zalig zijt gij die nu hongert want gij zult verzadigd worden. Zalig zijt gij die nu weent want gij zult lachen. Zalig zijt gij wanneer u de mensen haten en wanneer zij u afscheiden en smaden en uw naam als kwaad verwerpen om des Zoons des mensen wil. Verblijdt u te dien dage en zijt vrolijk; want zie, uw loon is groot in de hemel; want hun vaderen deden desgelijks den profeten. Maar wee u gij rijken! want gij hebt uw troost weg. Wee u die verzadigd zijt! want gij zult hongeren. Wee u die nu lacht! want gij zult treuren en wenen, Lukas 6 :20-25. "Maar Abraham zei: Kind, gedenk dat gij uw goed ontvangen hebt in uw leven en Lazarus desgelijks het kwade; en nu wordt hij getroost en gij lijdt smarten," Lukas 16 : 25.

2. Ook uit ervaring en uit hetgeen onze ogen zien blijkt dat het onheil voor Gods volk en voorspoed voor de lieden van de wereld schijnt geschapen te zijn. Men behoeft slechts zijn ogen open te doen en rondom zich in de wereld te zien en het kan niet missen dat men de grootste gunsten van de wereld uitgestort ziet op hen die het minste begrip van God en godsdienst hebben. Goddeloosheid zit op de troon terwijl oprechte godzaligheid neergedrukt wordt. Men ziet dikwijls zondaars lachen terwijl heiligen wenen.

Nu, dit beleid van de Voorzienigheid vloeit voort uit de Goddelijke wijsheid. Want:

1. Door die beschikking heeft het kwade een goede naam en het goede een kwade naam. Zondaren die ten laatste diep zullen drinken uit de beker van eindeloze smart worden in de tijd geduldig verdragen om ze tot bekering te roepen. Godvrezenden die zullen ingaan in de eeuwige vreugde, hebben op aarde de beproeving van een tijd van wenen.

2. Gelijk een vader meer zorg heeft en meer nauwkeurig is in het bestraffen van de fouten van zijn eigen kinderen, méér dan in die van zijn dienstknechten, zo handelt ook onze Vader in de hemel met Zijn gezin. Hoe meer Hij Zijn kinderen bemint hoe meer hij ze met Zijn roede straft. "Uit alle geslachten des aardbodems heb Ik ulieden alleen gekend; daarom zal Ik al uw ongerechtigheden over ulieden bezoeken," Amos 3 :2. Er zijn sommigen die eeuwig bij Hem zullen wonen en er zijn anderen die voor eeuwig van Hem gescheiden zullen zijn. Het is geen wonder dat Hij meer zorg heeft de eersten te reinigen dan de laatsten!

3. Dit beleid Gods is meest overeenkomstig met de weg welke Hij hield met Zijn eigen Zoon en Zijn vijanden. Toen Christus in de wereld was, was hij een Man van smarten en van droefheid. De wind blies aanhoudend in Zijn aangezicht totdat Hij aan het kruis wreed ter dood gebracht werd. De bijl lag in die dagen aan de wortel van de joodse kerk en staat, die Zijn vijanden waren. Toch werd de bijl niet tegen hen gehanteerd al de tijd toen Hij in hun midden was doch niet eerder dan ongeveer veertig jaren later. Nu, Gods kinderen moeten aan Christus gelijkvormig zijn. "Want die Hij tevoren gekend heeft, die heeft Hij ook tevoren verordineerd den beelde Zijns Zoons gelijkvormig te zijn, opdat Hij de eerstgeborene zij onder vele broederen," Rom. 8 : 29.

Hoewel de verdraagzaamheid Gods met zondaren aan ons kortzichtige zondaren vreemd voorkomt, zo zal ze toch niet vreemd zijn wanneer wij Zijn geduld zien in de spiegel van de oneindige volmaaktheden van de goddelijke natuur. Een voorwerp dat in een ondiepe rivier wordt geworpen zal zichtbaar blijven, doch werpt men het in de zee dan zal het niet meer gezien worden. Wij staan verwonderd bij het lankmoedig beleid der Voorzienigheid, Wanneer wij op mensen zien, doch wij zullen ons niet langer verwonderen wanneer wij op de hoge en verhevene God zien en wij bemerken, dat:

1. God eeuwig is, van eeuwigheid tot eeuwigheid. Indien mensen zich niet haasten hun twisten te beëindigen, dan kunnen zij door de dood overvallen worden en dan zullen zij geen gelegenheid meer hebben. Maar hoe lang de Heere ook wacht om 'n einde te maken aan Zijn twist met zondaren, Hij zal Zijn tijd niet verliezen want Hij is eeuwig.

2. In het eeuwig bestaan van God zijn geen verwisselingen van tijd. Voor Hem is het niets anders dan een eeuwig heden. De tijd is aan geschapen wezens toegemeten maar niet aan het eeuwige Wezen. Duizend jaren en één dag zijn voor Hem gelijk. "Want duizend jaren zijn in Uw ogen als de dag van gisteren, als hij voorbij gegaan is en als een nachtwake," Ps. 90 : 4. Deze beschouwing wordt door de apostel bevestigd: "Doch deze éne zaak zij u niet onbekend, geliefden, dat één dag bij de Heere is als duizend jaren en duizend jaren als één dag," 2 Petr. 3 : 8. Om ons een inzicht te geven in de redenen waarom God de uitvoering van het vonnis uitstelt, voegt bij er aan toe: "De Heere vertraagt de belofte niet gelijk enigen dat traagheid achten, maar is lankmoedig over ons, niet willende dat enigen verloren gaan, maar dat zij allen tot bekering komen."

3. De tijd welke vastgesteld is om het vonnis tegen iedere onboetvaardige zondaar uit te voeren is precies bij God bekend en de bestemde tijd zal geen ogenblik verlengd worden. "Want het gezicht zal nog tot een bestemde tijd zijn, dan zal Hij het op het einde voortbrengen en niet liegen," Hab. 2 : 3. Wij zien het begin en het midden der dingen maar wij kunnen het einde niet voorzien. God ziet alles van het begin tot het einde op één ogenblik. Daarom kan Hij onheilige zondaars sparen want Hij ziet dat hun dag komt. Wat haast is er voor God nodig? want Hij ziet de zondaar verdwijnen en in het graf storten.

4. God weet wat Zijn eigen voornemen is en niemand kan het verhinderen. "Nu prijs ik, Nebukadnezar, en verhoog en verheerlijk de Koning des hemels, omdat al Zijn werken waarheid en Zijn paden gerichten zijn en Hij is machtig te vernederen degenen die in hoogmoed wandelen," Dan. 4 : 37. Een vorst die bevreesd is voor een opstand zal trachten de opstandelingen te verstrooien eer zij zich onder een aanvoerder verzameld hebben. Doch Hij die weet dat Hij ze verpletteren kan wanneer Hij wil, mag hun toelaten al hun krachten te verzamelen. God kan de voornemens tot Zijn heerlijkheid bereiken door onboetvaardige zondaren lange tijd te sparen, "Want de Schrift zegt tot Farao: Hiertoe heb Ik u verwekt opdat Ik in u Mijn kracht bewijzen zou en opdat Mijn naam verkondigd worde op de ganse aarde," Rom. 9 : 17.

5. God is oneindig zalig in Zichzelf en geen schepsel kan iets doen waardoor Zijn rust verstoord wordt. "Indien gij zondigt wat bedrijft gij tegen Hem? Indien uw overtredingen menigvuldig zijn, wat doet gij Hem? Uw goddeloosheid zou zijn tegen een man gelijk gij zijt en uw gerechtigheid voor eens mensenkind," Job. 35 : 6 en 8. Indien de hele schepping tegen Hem zou samenzweren en hun mond tegen de hemelen zouden openen en het uiterste van hun macht tegen Hem zouden te werk stellen, dan zal Hij hun onmachtige misdadigheid verachten omdat zij slechts mensen zijn die met hun hoofd tegen een rots lopen. De grootste ruimte van tijd kan Hem niet vermoeien. "Weet gij het niet? hebt gij niet gehoord dat de eeuwige God, de Heere, de Schepper van de einden der aarde noch moede noch mat wordt?" Jes. 40 : 28.

Er is noodzaak zowel voor een snel als een langzaam beleid in het werk der Voorzienigheid waardoor de wereld geregeerd wordt.

1. God toont Zich soms een snel getuige te zijn tegen zondaren opdat zij zullen weten dat er een God is Die op aarde richt. "De rechtvaardige zal zich verblijden als hij de wraak aanschouwt; hij zal zijn voeten wassen in het bloed des goddelozen. En de mens zal zeggen: Immers is er vrucht voor de rechtvaardige, immers is er een God Die op aarde richt," Ps. 58 : 11, 12.

Hoe lankmoedig God gewoonlijk ook is, toch ontbreken er nu en dan nooit voorbeelden van een snel proces tegen onheilige zondaren. Dit is noodzakelijk tot een getuigenis dat er een God is en dat er een Voorzienigheid is die toeziet op, de dingen die onder mensen plaats hebben. En er worden zoveel voorbeelden gesteld als nodig is om allen te waarschuwen.

2. Er is een uitgestelde afrekening nodig, opdat de mensen bedenken zullen dat er een dag van afrekening aanstaande is. "Alzo dat wijzelf van u roemen in de gemeenten Gods over uw lijdzaamheid en geloof in al uw vervolgingen en verdrukkingen die gij verdraagt; een bewijs van Gods rechtvaardig oordeel, opdat gij waardig geacht wordt het koninkrijk Gods voor hetwelk gij ook lijdt; alzo het recht is bij God verdrukking te vergelden dengenen die u verdrukken en u die verdrukt wordt verkwikking met ons in de openbaring des Heeren Jezus van de hemel met de engelen Zijner kracht," 2 Thess. 1 : 4-7. Indien aller mensen goddeloosheid in dit leven gestraft werd, zou men tot het besluit komen dat er geen dag van afrekening is te verwachten. Er is nooit een vonnis tegen enig kwaad werk gepasseerd, welks uitvoering niet op aarde plaats heeft of het is een bewijs van het toekomende oordeel.

De uitgestelde wraak tegen onboetvaardige zondaren zal een zekere wraak zijn. Hoe langer het oordeel uitgesteld wordt hoe pijnlijker het zal zijn wanneer het komt. "Mijne is de wraak en de vergelding ten tijde als hun voet zal wankelen; want de dag huns ondergangs is nabij en de dingen die hun zullen gebeuren, haasten," Deut. 32 : 35. De oude wereld werd honderd en twintig jaren gespaard doch werd ten laatste weggevaagd.

1. Laten zondaren ook nog zo lang gespaard worden, niet één van al hun kwade werken kan of zal vergeten worden. Zijzelf mogen ze vergeten, maar God zal ze niet vergeten. Er is een gedenkboek van hun zondig leven zowel als van de goede woorden en werken der heiligen. "De Heere heeft gezworen bij Jacobs heerlijkheid: Zo Ik al hun werken in eeuwigheid zal vergeten," Amos 8 : 7. "Deze dingen doet gij en Ik zwijg; gij meent dat Ik ten enenmale ben, gelijk gij; Ik zal u straffen en zal het ordelijk voor uw ogen stellen," Ps. 50 :21.

2. Hoe langer zondaars gespaard worden hoe groter hun rekening zal worden en dan zal alles op één ogenblik komen. Het is de ontferming over Gods volk dat Hij niet ophoudt hen te bestraffen. Onder mensen is het een teken van zwakheid dat zij hun schuld bij beetjes willen betalen, doch indien zij oprecht zijn verliezen zij de moed wanneer zij bemerken dat de rekening toch oploopt. Daarom zoeken zij naar een weg tot vereffening van de schuld.

3. Wanneer de dag van afrekening voor de onboetvaardige zondaar aanbreekt zal zowel de hoofdsom als de intrest in rekening gebracht worden. Zij zullen niet alleen te betalen hebben voor hun ongerechtige werken, maar ook voor de weldaden die zij in dit leven genoten hebben en voor de tijd waarin zij gespaard zijn, "Of veracht gij de rijkdom Zijner goedertierenheid en verdraagzaamheid en lankmoedigheid, niet wetende dat de goedertierenheid Gods u tot bekering leidt? Maar naar uw hardheid en onbekeerlijk hart vergadert gij uzelf toorn als een schat in de dag des toorns en der openbaring van het rechtvaardig oordeel Gods, Welke een iegelijk vergelden zal naar zijn werken," Rom. 2 : 4, 5. Wat hun zonde verzwaard heeft zal hun oordeel en straf verzwaren.

Hoe langer de uitvoering van het vonnis tegen zondaren, tegen werkers van het kwaad, uitgesteld wordt en met hoeveel uitwendige gunsten van de Voorzienigheid zij ook mogen overladen worden, toch zal het alles blijken te smal en te kort te zijn. Dat kan niet ontkend worden wanneer wij beschouwen:

1. De strengheid van het oordeel wanneer het komt. De Heere des huizes zal hen afscheiden en hun deel zetten met de geveinsden. Zij zullen vallen in de handen des levenden Gods.

2. De eeuwigheid van het oordeel. Dat is een goddelijke verzwaring in het oordeel. Ga weg van Mij in het eeuwige vuur. De worm die eens zal ontwaken zal niet sterven; de vlam die eens zal oprijzen zal niet uitgeblust worden.

 

TOEPASSING.

Wij zullen van de voorgestelde leer gebruik maken tot onderwijzing. Wat gezegd is kan u leren:

1. Dat tegenwoordige rust en voorspoed in de wereld niet een bewijs is van Gods bijzondere gunst. De mensen zijn inderdaad geneigd het zo te verklaren en satan en het bedrieglijke hart helpen hen om zulk een gevolgtrekking te maken. Voorspoed is zover af van een bewijs van Gods gunst te zijn dat zelfs zij die onder de toorn Gods verkeren vele weldaden voor dit leven ontvangen. En zo is het met velen.

2. Tegenwoordige rust, straffeloosheid en welvaart geven geen enkele zekerheid voor de toekomst. Mensen zijn geneigd er rustig bij te leven en te dromen dat de dag van morgen zal zijn als de dag van heden. "Hij zegt in zijn hart: Ik zal niet wankelen; want ik zal van geslacht tot geslacht in geen kwaad zijn," Ps. 10 : 6. Maar de berg die nu vaststaat kan binnenkort instorten. De zon scheen schoon over Sodom in de morgen van die dag in welke God vuur en zwavel over haar regende. De rijke man zei: "Ziel, gij hebt vele goederen die opgelegd zijn voor vele jaren en in de nacht die daarop volgde werd zijn ziel van hem afgeëist," Lukas 12 : 18-20.

3. Er kan niet zulk een waarde zitten in uitwendige voorspoed en niet zulk een kwaad in verdrukking als wij gewoonlijk menen. Want een heilig, wijs God zal nooit wat wezenlijk best is aan voorwerpen van Zijn toorn geven en wat wezenlijk slecht is aan voorwerpen van Zijn liefde. Indien er veel werkelijke waarde zat in de weelde, eer, gezondheid, goud en zilver, zoals wij menen en indien er zoveel kwaad was in verdrukking en tegenspoed als wij denken, zouden zij dan zo verdeeld worden dat het grootste deel van de voorspoed aan de zondaren gegeven wordt en de tegenspoed aan de rechtvaardigen? Het is een gevolg van de zwakheid van ons gezicht dat wij zoveel moois en begeerlijks zien in aardse dingen. Zo wij ze door een microscoop bezagen zou de schoonheid verdwijnen en dat vergrootglas is in dit geval het geloof.

4. God is geduldig en lankmoedig en niet onderhevig aan driften zoals wij zijn. Indien God zoals wij, kon komen in vervoering van drift dan zou de aarde reeds vele malen tot as verbrand zijn, gezien de tergingen die de ogen Zijner heerlijkheid getergd hebben. Maar de oneindige God is altijd onveranderlijk dezelfde en Hij handelt overeenkomstig Zijn aanbiddelijke deugden, met de rechtvaardigen en de onrechtvaardigen.

5. Droeve en hevige slagen mogen aan een land en volk overkomen hoewel zij lang gespaard zijn. De Heere heeft lang en veel verdragen van dit afvallige geslacht zowel in leer als in leven. Wij zijn reeds lange tijd bedreigd en door het uitstel zijn wij er toe gebracht te zeggen: "De dagen zullen verlengd worden en al het gezicht zal vergaan," Ez. 12 : 22. Maar uitstel is geen kwijtschelding. De wolk hangt nog over ons hoofd en het is te vrezen dat velen van ons zullen leven om het losbreken van de storm mee te maken.

Het tweede gebruik is tot vermaning.

1. Laten onheilige zondaren gewaarschuwd zijn dat zij zich bekeren van hun boze werken en laten zij er zich voor wachten misbruik te maken van de goddelijke lankmoedigheid over hen. Gij hebt het geduldig beleid der Voorzienigheid horen verklaren. Indien gij u nu toch wilt bedriegen en de genade Gods wilt veranderen in ontuchtigheid en gij uzelf wilt bemoedigen tot zonde omdat gij niet gestraft zijt en in voorspoed leeft, weet dan dat gij vrijwillig blind zijt, dat gij niet te verontschuldigen zult zijn en dat uw bloed op uw hoofd zal komen.

(1.) Laat daarentegen het gevoel van dankbaarheid u tot bekering leiden. Overleg bij uzelf wat uw toestand had kunnen zijn zo God u neergeveld had, gelijk Hij had kunnen doen, toen gij volop bezig waart in uw ongerechtige werken. Hoe gij nu reeds had kunnen zijn buiten alle hoop en mogelijkheid van herstel. Gij hebt uw leven te danken aan het geduld Gods met u. Zijn lankmoedigheid aan u betoond heeft tot hiertoe uw ziel bewaard voor het verderf. Daarom bekeer u en ga niet verder in die weg voort.

(2.) Laat de beschrijving die gij over het uitstel van het oordeel gehoord hebt u afschrikken er misbruik van te maken. Ik ben er zeker van dat gij er geen bemoediging tot zonde in kunt vinden. Indien gij voortgaat met er misbruik van te maken zo spot gij met een meest ernstige en wijze beschikking der Voorzienigheid. Dan verandert gij uw voedsel in vergif en dan struikelt gij in de middag. Zo zal het een voorteken van eeuwige ellende voor u zijn."Wie is wijs? die versta deze dingen; wie is verstandig? die bekenne ze; want des Heeren wegen zijn recht en de rechtvaardigen zullen daarin wandelen, maar de overtreders zullen daarin vallen,Hosea 14 : 10.

Laten allen zich wachten het geduld der Voorzienigheid met zondaren te veroordelen. Ziet toe hoe gij daarover spreekt. Zoekt bewaard te worden van opstand van uw verdorven hart bijzonder wanneer gij ziet dat Gods lankmoedigheid is over uw vijanden. Indien gij durft afkeuren wat God doet, zo zult gij het later moeten herroepen, hetzij vrijwillig of gedwongen.

1. Er mogen verborgenheden in de beschikkingen der Voorzienigheid zijn, maar er zijn geen onrecht, dwaling of vergissingen in. "Hij is de Rotssteen Wiens werk volkomen is, want alle Zijn wegen zijn gerichten; God is waarheid en is geen onrecht; rechtvaardig en recht is Hij," Deut. 32 : 4. Aanbid zwijgend die wijsheid en die diepe gedachten der Voorzienigheid. Er zijn zeker ondoorgrondelijke wegen in de lankmoedigheid die God bewijst aan sommige onheilige zondaren. Ofschoon gij niet kunt doorzien hoe God daarin verheerlijkt kan worden, geloof toch dat God er ongetwijfeld heerlijkheid uit zal ontvangen.

2. De verborgenheid van die beschikking over iedere onheilige zondaar zal ten laatste voor de hele wereld geopenbaard worden tot voldoening van alle nederige zielen die God hebben vrijgelaten. "Zo dan oordeelt niets vóór de tijd, totdat de Heere zal gekomen zijn, Welke ook in het licht zal brengen hetgeen in de duisternis verborgen is en openbaren de raadslagen der harten; en alsdan zal een iegelijk lof hebben van God," 1 Cor. 4 : 5. Wees niet te haastig, wacht op het einde en dan zal u toegestaan worden te oordelen. "Die antwoord geeft eer hij zal gehoord hebben, dat is hem dwaasheid en schande." Waarom zoudt gij oordelen over het weefsel der Voorzienigheid eer het uitgesponnen is?

3. Zijt niet afgunstig op de voorspoed der goddelozen. "Uw hart zij niet nijdig over de zondaren, maar wees te allen dage in de vreze des Heeren,Spr. 23 : 17. "Ontsteek u niet over de boosdoeners, benijd ze niet die onrecht doen," Ps. 37 : 1. Wie zou afgunstig zijn op de staat van een veroordeeld mens, hoewel hij een langdurig uitstel heeft en veel verkwikkingen geniet in het gevangenhuis? Want dat is de toestand van de werkers der ongerechtigheid, welke aardse verkwikkingen zij ook mogen genieten. Daarom zijn zij meer voorwerpen van medelijden dan van afgunst. Men behoorde liever een begenadigd mens te zijn in de diepte van aardse ellende dan in een veroordeelde staat te zijn in de hoogste trap van aardse voorspoed. "Want wat baat het een mens zo hij de gehele wereld gewint en lijdt schade zijner ziel? Of wat zal een mens geven tot lossing zijner ziel?'" Matth. 16 : 26.

(1.) Zulk een afgunst komt voort uit een ongesteld hart. Zij is een uitspruitsel uit een mengsel van onkunde, onbezonnenheid, ongeloof en wereldsgezindheid. Om daarvan genezen te worden hebt gij alleen nodig dat uw ogen geopend worden om de zaken in hun ware aard te zien; u is geloof en gespeendheid van de wereld noodzakelijk.

(2.) Ieders staat moet beoordeeld worden overeenkomstig wat hij voor God is. Iemand wiens vriend God is die is gelukkig hoewel de wereld hem nooit een goed woord of een vriendelijke blik zou geven. Indien God iemands vijand is die is een ellendig mens hoewel alle mensen van de wereld hem op zijn wenken zouden bedienen. Want gelijk iemands staat voor God is zo is hij voor tijd en eeuwigheid, hetzij wel of wee.

4. Laten wij allen leren ons gedrag te regelen naar het voorbeeld van God in Zijn regering van de wereld in zover het ons ter navolging wordt voorgesteld. "Zijt dan navolgers Gods als geliefde kinderen," Ef. 5 : 1. Wij moeten daaruit leren:

(1.) Geduldig te zijn en traag tot toorn. Hoe slecht bekomt het ons zo haastig vlam te vatten tegen onze medemensen, bij elke belediging, terwijl de Allerhoogste zoveel geduld met ons oefent? Hoe meer geduldig en zachtmoedig iemand zich gedraagt, hoe meer gelijkvormigheid hij met God heeft, die ons een voorbeeld heeft gegeven. "Leer van Mij dat Ik zachtmoedig ben en nederig van hart."

(2.) Wij behoren verdraagzaam te zijn jegens zondaren opdat wij hun genezing mogen zoeken. Broeders, indien ook een mens overvallen ware door enige misdaad, gij die geestelijk zijt, brengt de zodanige terecht met de geest der zachtmoedigheid; ziende op uzelf, opdat ook gij niet verzocht wordt," Gal. 6 : 1. Niet dat wij hem in zonde moeten laten voortgaan in zover het in onze macht is hem daarvan af te brengen. God kan het goede uit het kwade voort doen komen, maar dat kunnen wij niet. Daarom zijn wij niet geroepen om dat deel van het beleid der Voorzienigheid jegens de zondaren na te volgen. Maar laten wij het voorbeeld des Heeren volgen door de slechtsten der zondaren aan te spreken om ze te genezen en laten wij ze niet als ongeneeslijk overgeven.

(1) Wij moeten onze vijanden lief hebben en goed doen aan onwaardigen, ondankbaren en bozen. "Maar hebt uw vijanden lief en doet goed, en leent zonder iets weder te hopen. En uw loon zal groot zijn en gij zult kinderen des Allerhoogsten zijn; want Hij is goedertieren over de ondankbaren en bozen,"Lukas 6 : 35. Wij leven in een slechte wereld waarin de mensen zulk een voorbeeld nodig hebben om hen aan te sporen om goed te doen aan anderen. Indien wij ons goeddoen bepalen tot hen die ons goeddoen wat doen wij dan meer dan anderen? Indien wij ons bepalen tot hen die het naar onze mening waardig zijn dan doen wij het alleen terwille van het schepsel. Doch indien wij het voorbeeld dat God ons heeft gegeven wensen na te volgen dan zullen wij goeddoen aan allen wanneer wij daartoe gelegenheid hebben en zo zullen wij handelen uit een christelijk beginsel.

(4.) Laten wij niet rustig leven in het land en bij het geslacht in welks midden wij wonen. Laten wij niet menen dat God de ongerechtigheid van ons vaderen die trouweloos en wreed opgetreden zijn tegen de godzaligen, vergeten heeft. Of dat Hij de afval van de waarheid en van de heiligheid van het evangelie goedkeurt. In onze dagen neemt het onheilige geslacht de plaats in van het afvallige en vijandige geslacht dat voorging. Het vonnis is nog niet uitgevoerd doch het is slechts uitgesteld. Daarom moeten wij verwachten dat de uitvoering nog zal komen, indien het niet voorkomen wordt door berouw en bekering. Amen.

 

 

VIERDE PREEK

"Omdat niet haastelijk het oordeel over de boze daad geschiedt, daarom is het hart van de kinderen der mensen in henvol om kwaad te doen." Pred. 8 : 11.

In deze vierde of laatste predikatie over de lankmoedigheid die God met zondaren oefent zullen wij een verklaring geven van de derde leerstelling die wij uit onze tekstwoorden getrokken hebben. Het was de volgende:

Derde leerstelling. Gods uitstel in de uitvoering van het vonnis wordt dikwijls jammerlijk door zondaren misbruikt, zodat hun harten vol zijn om kwaad te doen en zij hoe langer hoe meer schuld maken.

In de verhandeling van dit leerstuk zal ik

Ten eerste aantonen het misbruik dat onheilige zondaren maken van het geduld Gods dat Hij verleent in het uitstel van de uitvoering van het vonnis zodat hun harten in hen vol zijn om kwaad te doen.

Ten tweede nagaan wat de oorzaak is dat zondaren zulk een misbruik maken van de lankmoedigheid Gods.

Ten derde een persoonlijke toepassing maken van die waarheden.

Ik zal dan ten eerste aantonen welk misbruik onheilige mensen maken van de lankmoedigheid Gods zodat hun harten vol zijn om kwaad te doen.

1. Zij misbruiken het geduld Gods dat Hij hun betoont, tot vleselijke onbezorgdheid. "Hij zegt in zijn hart: Ik zal niet wankelen want ik zal van geslacht tot geslacht in geen kwaad zijn," Ps. 10 : 6. Daar zij bevinden dat God Zijn bedreigingen tegen hen niet uitvoert komen zij tot het besluit dat zij in geen gevaar zijn en zij beginnen op de dreigementen te zien als op een loos alarm. "Zijn wegen maken te allen tijde smart; Uw oordelen zijn een hoogte verre van hem," Ps. 10 : 5. En zo gaan zij rustig voort in hun onheilige wandel. Vandaar dat de uitvoering van het vonnis hen onverwacht overvalt. "Want gij weet zelve zeer wel dat de dag des Heeren alzo zal komen gelijk een dief in de nacht. Want wanneer zij zullen zeggen: Het is vrede en zonder gevaar dan zal een haastig verderf hen overkomen gelijk de barensnood een bevruchte vrouw en zij zullen het geenszins ontvlieden," 1 Thess. 5 : 2, 3.

2. Zij misbruiken de lankmoedigheid Gods tot een wulps leven waarin hun toeleg niet is een reine consciëntie te hebben maar zoveel als hun omstandigheden in de wereld hun toelaten, hun begeerlijkheden te bevredigen zoals de rijke man deed. "Ik zal tot mijn ziel zeggen: Ziel, gij hebt vele goederen die opgelegd zijn voor vele jaren; neem rust, eet, drink, wees vrolijk," Lukas 12 : 19. Hoe meer de Voorzienigheid hen begunstigt in aardse dingen, hoe meer zinnelijk zij zijn, zodat zij de begeerten van hun vlees opvolgen. "Daarna zijn zij naardat hun weide was, verzadigd geworden; als zij verzadigd zijn geworden heeft zich hun hart verheven; daarom hebben zij Mij vergeten," Hosea 13 : 6. Zo verbeuzelen velen hun leven en zij brengen het door in het verzorgen van het vlees, "de begeerlijkheid des vleses, de begeerlijkheid der ogen en de grootsheid des levens." En dat is een eindeloos werk. "Al deze dingen worden zo moede dat niemand het zou kunnen uitspreken; het oog wordt niet verzadigd met zien en het oor wordt niet vervuld van horen," Pred. 1 : 8.

3. Zij misbruiken het uitstel hetwelk God hun verleent tot onbeschaamdheid in hun zondigen. Wanneer God mensen in een zondige loop slaat dan staan zij dikwijls beschaamd daar zij door de hand des hemels aangewezen worden als overtreders.

Maar wanneer mensen voorspoed hebben in een zondige loop dan tonen ze een voorhoofd van koper en een grote mate van onbeschaamdheid in hun zonde alsof de Voorzienigheid hun een vrijbrief had gegeven om goddeloos te zijn. "Zij zijn niet in de moeite als andere mensen en worden met andere mensen niet geplaagd. Daarom omringt ze de hovaardij als een keten, het geweld bedekt ze als een gewaad," Ps. 73 : 5, 6.

4. Zij misbruiken het uitstel om met God en met al wat heilig is te spotten. "Zij zetten hun mond tegen de hemel en hun tong wandelt op de aarde,Ps. 73 : 9. Agur zag het gevaar van die strik en daarom bad hij: "Doe ijdelheid en leugentaal verre van mij; armoede of rijkdom geef mij niet, voed mij met het brood mijns bescheiden deels; opdat ik zat zijnde U dan niet verloochene en zegge: Wie is de Heere? of dat ik verarmd zijnde dan niet stele en de naam mijns Gods aantaste," Spr. 30 : 8, 9. Israël viel in die strik: "Als nu Jeschurun vet werd zo sloeg hij achteruit; gij zijt vet, gij zijt dik, ja met vet overdekt geworden! en hij liet God varen Die hem gemaakt heeft en versmaadde de Rotssteen zijns heils," Deut. 32 : 15. De onheiligen hebben geen liefde tot God; indien zij iets in die geest hebben, dan is het slechts vrees voor Hem, een slaafse vrees voor Zijn toorn, voortkomende uit liefde tot zichzelf. Doch deze vrees verliezen ze ook wanneer God hun straf uitstelt. En zo ontaardt de vrees in verachting zoals bij mensen de gewoonte is ten opzichte van iemand die wij niet liefhebben en ook niet vrezen. Mist men liefde en vrees voor God dan wordt al wat heilig is versmaad.

5. Zij misbruiken de lankmoedigheid om in de zonde toe te nemen en de losse toom te geven aan verscheidene begeerlijkheden. De ene zonde baant de weg voor de andere en voorspoed in een zondige loop geeft vele gelegenheden tot zonde. Gelijk een bedorven maag, hoe meer zij ontvangt hoe meer kwade luimen zij opgeeft. Zo ook, hoe meer voorspoed iemand heeft in een zondige loop, hoe snoder hij wordt.

6. Zij misbruiken de verdraagzaamheid om meer te zondigen. "Welke ongevoelig geworden zijnde zichzelf hebben overgegeven tot ontuchtigheid om alle onreinheid gieriglijk te bedrijven," Ef. 4 : 19. Hoe meer de begeerlijkheden gevoed worden hoe sterker zij worden en hoe meer ze de mens aandrijven om ze te bevredigen. In dat geval is het hart als een schip dat met een stevige wind in de rug voortzeilt.

7. Zij misbruiken de tijd van uitstel van de straf, tot onverbeterlijkheid en hardnekkigheid. Een zondaar die voorspoedig is groeit spoedig boven alle berisping en vermaning uit. Zoals tegenspoed dikwijls meewerkt om een mens nederig te maken zo doet voorspoed een onbegenadigd hart opzwellen. Het hart dat door hoogmoed opgeblazen is weigert te bukken totdat God door Zijn genade of door oordelen het neerslaat.

Wij zullen ten tweede nagaan wat de oorzaak is dat zondaren misbruik maken van de lankmoedigheid Gods.

1. Daar de zonde in de goddelozen heerst is vrees voor de straf hun hoogste beweegreden om iets goeds te doen en dat is voor hen de krachtigste aansporing om iets kwaads na te laten. Doch wanneer die wederhouding wordt weggenomen door een gedurig uitstel van het oordeel dan keert het natuurlijk hart terug tot zijn eigen neiging en snuift met volle teugen de wind van de wereld op als het veulen van een woudezel. De liefde tot heiligheid om de heiligheid zelf en de liefde tot het beeld van God, kan zulk een uitslag voorkomen.

2. Zij leggen het doel van de Voorzienigheid verkeerd uit. Zij geven een verkeerde uitleg aan het langzame proces dat God met hen voert. Het oogmerk daarvan is hen tot bekering te brengen. Doch zij slaan daar geen acht op. Integendeel verklaren zij de lankmoedigheid zó, alsof God hun wegen goedkeurde en dat Hij nog wel zoveel achting voor hen had, dat Hij niet zo hard wil behandelen als sommigen hen willen doen geloven. Zij kunnen niet aannemen dat Hij vertoornd is over hun zonden daar zij in Zijn Voorzienigheid veel voorspoed hebben.

3. Er is een wortel van godloochening in de harten van alle natuurlijke mensen en dat kwaad heerst in de goddelozen. "De dwaas zegt in zijn hart: Daar is geen God," Ps. 14 :2. Hoewel God hun nu en dan bewijzen geeft van Zijn bestaan, regering en rechtvaardigheid door Zijn werken van oordelen en gerichten over hen, toch zijn zij geneigd Hem te vergeten en Hem te verloochenen. Van mensen die aan hun begeerlijkheden gekluisterd zitten is te verstaan dat zij wensen dat er geen God was; of indien er een is dat Hij dan niet zodanig was als de Bijbel ons voorstelt. Daarom zijn zij gereed om alles aan te vatten wat hun gedachte schijnt te bevestigen.

4. In zulke wegen laat God dikwijls op een heilige wijze een geest van verharding komen op mensen die zichzelf verharden. In dat geval zweren satan en het boze hart samen om hen in de strik te houden.

Laten wij hieruit zien en opmerken

1. Dat wij er ons niet over moeten verwonderen dat zondaren van het ene kwade werk in het andere vallen en dat zij al snoder worden terwijl uitwendige gunsten over hen worden uitgestort. Het is slechts een vervulling van de Schrift. De werken der Voorzienigheid zijn dikwijls onverklaarbaar voor ons totdat wij met de zaken tot de Bijbel komen. Daar zullen wij zien dat de Voorzienigheid volkomen beantwoordt aan het Woord.

2. Het is goed voor de mens om veel onder de slagen der Voorzienigheid te verkeren. Tegenspoed is smartelijk doch het is een veilig lot. "Het is mij goed dat ik verdrukt ben geweest opdat ik Uw inzettingen leerde," Ps. 119 : 71. Doch hoewel sommigen door de tegenslagen bij hun zonde bepaald worden, toch zijn anderen geneigd om God en zichzelf te vergeten. Het zou voor de verdrukten zeer nuttig zijn om veel te overdenken hoe het hart geneigd is om een jammerlijk misbruik te maken van rust en voorspoed.

3. Een langzaam komende straf zal een smartelijke straf zijn wanneer zij komt. Hoe langer de straf voor onboetvaardigen wordt uitgesteld, hoe dieper de zonde wortelt. Hoe langer God de verstokten spaart, hoe meer zij zich een schat van toorn vergaderen tegen de dag des toorns. De rekening loopt op en stijgt onrustbarend. Zodat, of de straf komt in de tijd of in de eeuwigheid, voor zondaren die niet tot berouw gekomen zijn onder de lankmoedigheid des Heeren, zal ze zwaar zijn.

4. De verdorvenheid van de menselijke natuur is groot. Zie het hier als in een spiegel hoe de verdraagzaamheid.en goedheid van God door het verdorven hart wordt veracht. Het wil zich niet laten trekken door zulke koorden van liefde. Zie hoe onze verdorvenheid ons voedsel in vergif verandert en hoe zij datgene wat tot onze welstand mocht dienen verandert in een strik en val. Merk op de ondankbare natuur van ons verdorven hart dat door ongevoeligheid geen banden van dankbaarheid kent aan onze beste weldoener.

Laten wij van de leer van de verdraagzaamheid Gods gebruik maken om u te vermanen.

Hoed u voor het misbruik maken van het geduld van een lankmoedig God, door Zijn genade, goedheid en verdraagzaamheid aan te leggen tot losbandigheid, door terwijl God u spaart uw hart vol te doen zijn om kwaad te doen.

Beschouw het kwaad dat daar in gelegen is.

1. Er is een overschatting van onszelf in, alsof wij niet verdiend hebben streng behandeld te worden en alsof wij aan onze Weldoener niets verplicht zijn. Mensen die niet beter worden door Gods verdraagzaamheid en niet dankbaar zijn wegens Zijn geduld, die zwellen van hoogmoed zoals ze beschreven worden in Ps. 73 : 6, "daarom omringt ze de hovaardij als een keten, het geweld bedekt ze als een gewaad."

2. Er is een onderschatting van anderen in, die niet zo zacht door de Voorzienigheid worden behandeld. Daarom zegt Job: "Hij is een verachte fakkel naar de mening desgenen die gerust is," Job. 12: 5. Zij die gerust zijn en het goed hebben in de wereld zien menigmaal ongevoelig neer op hen die het hard te verduren hebben. Zij zien dikwijls op de verdrukten en beproefden neer alsof ze van een lager ras waren. Indien de mensen gevoel hadden van Gods goedheid in Zijn geduld jegens hen, dan zouden zij met anderen medeleven en er zich over verwonderen dat zijzelf niet met al die plagen bezocht zijn.

3. Er is een droevig misbruik van de weldaden voor de tijd in gelegen. Het gebruik van aardse dingen is inderdaad aan de mens toegestaan tot zijn verkwikking, maar altijd om er uiteindelijk de eer van God in te bedoelen. Maar misbruikers van het goddelijk geduld keren de wapenen tegen God, dezelfde wapenen die Hij hun gegeven heeft om Hem te dienen. "Jeschurun werd vet en sloeg achteruit, en hij liet God varen Die hem gemaakt heeft en versmaadde de Rotssteen zijns heils." De apostel Jacobus noemt ze overspelers, omdat zij de goede gaven welke zij ontvangen in hun wellusten doorbrengen. Daarom zucht de ganse schepping onder de last van de kinderen der verderfenis," Rom. 8 : 21,

4. Er ligt een weigering in om aan onze soevereine Heere en Koning de verschuldigde schatting te betalen. Alles wat wij hebben is in de weg van vrije goedheid door Hem aan ons geschonken. De koning in zijn paleis en de bedelaar in zijn hut zij hebben beiden hun woning van God in huur. Ons voedsel en kleding, grof of fijn, met de verkwikkingen des levens zijn ons door God gegeven. Wij kunnen Hem niets betalen dan alleen de schatting van lof en dank, doch zelfs dat weigeren zij die Zijn geduld met hen niet erkennen.

5. Er is een monsterachtige ondankbaarheid in gelegen, een zonde van een diepe kleur. "Zult gij dit den Heere vergelden, gij dwaas en onwijs volk? Is Hij niet uw Vader Die u verkregen, u gemaakt en bevestigd heeft?" Deut. 32 : 6.

Het is een duivelse gesteldheid van het hart dat niet ingewonnen kan worden door weldaden. Het is een lage geest die zich niet verplicht gevoelt door het goede dat hij ontvangt. Maar misbruikers van weldaden, hoe meer God hen overlaadt met gunsten hoe meer zij Hem overladen met hun beledigingen. Ach! willen mensen zondigen omdat genade overvloedig is? Zullen hun harten vol zijn om kwaad te doen omdat het vonnis tegen een boos werk niet haastelijk wordt uitgevoerd?

6. Er is feitelijk godslastering in gelegen daar misbruikers van het uitstel hetwelk God verleent, als het ware zeggen dat zij bewaard zijn om kwaad te doen. Misbruikers van de leer van het evangelie tot losbandigheid zeggen met sprekende daden dat Christus een leraar van zonde is. Misbruikers van de vriendelijke Voorzienigheid doen hetzelfde tegen God in Zijn regering van de wereld. Terwijl de Hemel vriendelijk is jegens mensen in het geven van uitwendige gunsten en zij er evenwel misbruik van maken zo is ook hun leven een taal van godslastering.

7. In het misbruiken van de lankmoedigheid Gods tot losbandigheid is veel Godloochening gelegen. Het is een ontkenning van Zijn Voorzienigheid alsof menselijke zaken Hem niet aangingen. Het is een spotten met Zijn bedreigingen in Zijn woord. Het verloochent Zijn heilige natuur. Het is een uitdagen van God en een afwerpen van Zijn juk.

Overdenk aan welke gevaren gij u daardoor bloot stelt.

1. Indien gij zo voortgaat maakt gij uw herstel meer en meer hopeloos. Zonde is een stroom, hoe sneller hij loopt hoe dieper hij wordt. Tegen hoe meer goedheid de mens zondigt, hoe meer het hart verhard wordt en de consciëntie toegeschroeid. Bovendien zet het God aan om de mens over te geven en niet langer met hem te twisten en hem te laten in de handen van zijn begeerlijkheden en van de satan, om nog meer verhard te worden.

2. Mocht God gedachten des vredes over u hebben dan zal uw herstel er diep doorgaan. Voor oude kwalen moeten krachtige geneesmiddelen gebruikt worden. Lang misbruikt geduld zal op zijn best gebroken beenderen tengevolge hebben. Mocht gij behouden worden dan zal het gaan als door vuur. In het gunstigste geval maakt gij uzelf rijp voor een bitter berouw. Hoe meer onheilig en losbandig iemand is in zijn onbekeerde staat hoe meer schrikken en weeën hij in de nieuwe geboorte zal ondergaan. Denk aan Manasse, Paulus en anderen.

3. Laat het gaan zo het wil er zal een einde komen aan Gods geduld. Gij zult niet kunnen doorgaan in de zonde en God zal u niet altijd sparen. De band tussen deze twee, zonde en lankmoedigheid, zal verbroken worden en God zal u eindelijk tonen dat Hij uw misbruiken van Zijn gunsten niet langer verdragen wil. Gij zult gewaar worden dat God zal ontwaken ten oordeel en u wakker zal schudden uit uw droom. Dan zal een van beide geschieden, gij zult als een vuurbrand uit het vuur gerukt of anders door Hem in stukken gebroken worden.

4. Indien gij nog langer voortgaat in het misbruiken van Gods goedheid dan zal waarschijnlijk Zijn geduld plotseling en onverwacht afgebroken worden. Zo ondervond het de rijke man. God verdroeg de oude wereld lange tijd, maar ten laatste kwam de vloed als een donderslag, temidden van hun vleselijk vermaak en losbandigheid. God zal dan een rechtvaardige vergelding geven over een lang misbruikt geduld.

5. Wanneer misbruikt geduld eindigt zal het in vuur overslaan. Hoe langer God het oordeel heeft uitgesteld hoe zwaarder het zal wegen wanneer het komt. Hoe meer aan iemand toevertrouwd is hoe zwaarder het zal zijn de rekeningen te vereffenen wanneer eens de schuldeisers hem overvallen. Het is aangenaam voor het vlees in rust en overvloed te leven, doch wanneer die weldaden misbruikt worden zal God te zijner tijd komen en onderzoeken hoe men met Zijn gaven geleefd heeft.

Laten wij nu nog een korte beschouwing houden over de waarheid, dat hoe langzaam de uitvoering van het vonnis ook komt, het toch zeker zal uitgevoerd worden tegen onboetvaardige zondaars en werkers van het kwaad.

Wij zullen eerst de vraag behandelen in welk opzicht de uitvoering van het vonnis zeker zal zijn tegen onboetvaardige zondaars.

De uitvoering zal vast en zeker plaats hebben.

1. Omdat een volledige lijst van hun boze werken tegen hen ingeleverd zal worden. "Want God zal ieder werk in het gericht brengen met al wat verborgen is hetzij goed of hetzij kwaad," Pred. 12 : 14. Noch het grote getal van hun zonden noch de lange tijd waarin niet afgerekend is, zal oorzaak kunnen zijn dat er een enige overtreding vergeten wordt. Integendeel zullen de boze daden uit de verscheidene tijdperken van des zondaars leven hem ten laste gelegd worden zonder dat er een enkele zonde wordt vergeten. God houdt een register van alle boze werken en dat boek zal in de laatste dag geopend worden. De Heere heeft gezworen bij Jacobs heerlijkheid: Zo Ik al hun werken in eeuwigheid zal vergelen," Amos. 8 : 7.

2. Ook zal daar ingebracht worden de verzwaring van hun boze daden. Een rechtvaardig God zal tegen verstokte zondaars in gedachtenis brengen zowel hun zonden als de wijze waarop zij gezondigd hebben. De tijd, plaats en omstandigheden van hun kwade werken zullen tegen hen ingebracht worden. De misbruikte lankmoedigheid, het licht waartegen zij hebben gerebelleerd, de waarschuwingen die zij ontvingen door het Woord en de Voorzienigheid die zij licht geacht hebben, het kwade voorbeeld dat zij aan anderen hebben gegeven, de strikken waarin anderen werden gevangen door hun slechte voorbeeld, al deze dingen zullen hun onderscheidenlijk ten laste gelegd worden.

3. De overtuiging van hun eigen consciëntie zal daar tegen hen opstaan. Zondaren zoeken nu hun ongerechtige werken te bemantelen en te bedekken om ze daardoor te ontkennen of goed te praten. Er zijn slechts weinigen die nu gewaarschuwd of vermaand willen worden, maar zij hebben veel in te brengen tot hun eigen verdediging. Doch de liegende lippen en de hoogmoedige tongen zullen dan verstommen.

Het licht der consciëntie zal dan zijn als helder daglicht terwijl het nu zo donker is als de nacht. Het zal hen overtuigen van alles wat zij gedaan hebben, het zal ten hunnen laste gelegd worden zonder dat zij er iets van durven ontkennen. Zij zullen overtuigd worden van de rechtvaardigheid Gods in het proces dat Hij tegen hen voert.

4. Daar zal een rechtvaardige straf vanwege hun zonden aan hen opgelegd worden. Zolang God uitstelt dromen mensen met Agag dat de bitterheid des doods geweken is. Doch zij zullen zich bedrogen vinden gelijk toen Samuel het zwaard nam en Agag in stukken hieuw voor het aangezicht des Heeren. Zij zullen ten laatste niet kunnen ontkomen aan de verschuldigde straf over hun wangedrag. Maar gelijk een naald de draad achter zich trekt zo zal toorn op de zonde volgen. Het oordeel is de schaduw van de zonde.

5. Er zal evenredigheid zijn tussen hun zonde en de straf. God zal elke zonde van iedere onheilige zondaar in de straf doen uitkomen. Dikwijls is in de tijd de zonde zichtbaar in de straf die over hem uitgesproken wordt gelijk als bij Adoni-Bezek die verminkte koningen onder zijn tafel had en die onder het oordeel moest erkennen: Gelijk als ik gedaan heb alzo heeft God mij vergolden," Richt. 1 : 7. Doch in de eeuwigheid zal dat niet dikwijls maar altijd zo zijn als in het geval van de rijke man wiens houding tegenover Lazarus gegraveerd was op zijn straf. Daarom wordt gezegd dat hun worm niet sterven zal betekenende de eeuwige wroeging die zij zullen hebben op hun boze werken. Ook zal de mate van straf overeenkomen met de mate van hun zonden. Zij die vele zonden gedaan hebben zullen vele slagen ontvangen.

6. Het vonnis zal onvermijdelijk zijn wanneer het geduld tot een einde gekomen is. "Strijdt om in te gaan door de enge poort; want velen zeg Ik u zullen zoeken in te gaan en zullen niet kunnen, namelijk nadat de Heere des huizes zal opgestaan zijn en de deur zal gesloten hebben en gij zult beginnen buiten te staan en aan de deur te kloppen, zeggende: Heere, Heere doe ons open! en Hij zal antwoorden en tot u zeggen: Ik ken u niet, van waar gij zijt," Lukas 13 : 24, 25. De deur van genade mag lange tijd openstaan maar zij zal ten laatste gesloten worden. Dan zal er geen ontkoming meer zijn. Hier volgen de redenen:

(1.) Alwetendheid zal de vluchteling uitvinden en zijn meest verborgen zonden ontdekken en al zijn voorwendsels ontmaskeren. "En daar is geen schepsel onzichtbaar voor Hem, maar alle dingen zijn naakt en geopend voor de ogen Desgenen met Wie wij te doen hebben," Hebr. 4 : 13. "Waar zou ik heengaan voor Uw Geest en waar zou ik heenvlieden voor Uw aangezicht?" Ps. 139 : 7. Het oog van een alwetend Rechter kan niet verblind worden.

(2.) Almachtige kracht zal hem ten onder brengen en zal hem oproepen om de rechtvaardige vergelding op zijn daden te ontvangen. "Hij is wijs van hart en sterk van kracht; wie heeft zich tegen Hem verhard en vrede gehad?" Job. 9 : 4. Niemand zal Almacht kunnen weerstaan. De stoutste zondaar zal gelijk water uitgegoten worden voor een vertoornd God.

(1) De goddelijke gestrengheid zal daar alle smeekbeden moeten afslaan. Zij die niet wilden horen toen God riep zullen niet verhoord worden als zij roepen wanneer hun tijd voorbij is.

7. Wij moeten nog opmerken dat er een eeuwigheid in het oordeel zal zijn. Wanneer de uitvoering van het vonnis eens begonnen is zal het nimmer eindigen. God is eeuwig en zolang Hij leeft zal Hij de twist voortzetten. De onheiligen zondigen zolang zij in de wereld zijn en laten zij zolang leven als zij willen, zij zullen hun loop niet veranderen. Daarom, wanneer de lankmoedigheid en verdraagzaamheid Gods ten einde zijn zal het oordeel eeuwig op de zondaar rusten.

 

 

TOEPASSING.

Laten wij ter waarschuwing nog aantonen waarom de uitvoering van het vonnis tegen onboetvaardige zondaren vast en zeker is.

1. God heeft een onverbreekbare betrekking op Zijn heilige wet. Zondaren vertrappen de wet, achten haar geboden licht en verachten haar bedreigingen. Maar God acht de wet hoog omdat Hij daarin op een verheven wijze de heiligheid van Zijn natuur heeft uitgedrukt. Indien zondaren haar dan niet eren in de weg van plicht dan zal God ze in hen vereren in de weg van het oordeel. Gods liefde tot Zijn wet kan duidelijk gezien worden.

(1.) In de werken der Voorzienigheid. Zo spoedig als de zonde in de wereld kwam en de wet verbroken werd veranderde het aangezicht van de Voorzienigheid. En sedert die tijd heeft zij voortdurend min of meer geblazen in het aangezicht van de schepping. Zij is dikwijls gerezen tot hevige stormen om de ontering van de heilige wet door zondaars, te wreken. Herinner u hoe in die twist Adam uit het paradijs gedreven is, de wereld werd overstroomd door de zondvloed, Sodom verbrand, Jeruzalem verwoest werd en hoeveel vreeslijke slagen in latere tijden werden toegebracht aan onboetvaardige zondaars.

(2.) Zie Gods liefde tot Zijn wet in het werk der verlossing. God heeft sommigen van eeuwigheid uitverkoren, maar daar zij verbrekers van de wet waren moesten zij verlost worden en de prijs moest worden betaald tot vol herstel van de eer van de wet. Christus, de Zoon van God, was hun Verlosser. Doch opdat de eer van de wet mocht worden gezien werd de Borg niet gespaard. "Die ook Zijn eigen Zoon niet heeft gespaard maar heeft Hem voor ons allen overgegeven." Zo schreef God Zijn liefde tot de wet in de verlossing van Zijn uitverkorenen en in het bloed van Zijn Zoon.

2. De waarheid van God verzekert ons dat Zijn Woord zal uitgevoerd worden. Hij heeft gezegd: "Ten dage als gij daarvan eet zult gij de dood sterven," Gen. 2 : 17. Zijn Zoon heeft ons betuigd: "Indien gij u niet bekeert zo zult gij allen desgelijks vergaan,Lukas 13 : 3. Bijna elke bladzijde van de Bijbel verzekert het ons: "God is geen man dat Hij liegen zou noch eens mensen kind dat het Hem berouwen zou; zou Hij het zeggen en niet doen of spreken en niet bestendig maken?'' Num. 23 : 19. Gods waarheid moet vallen of onheilige zondaren moeten veroordeeld worden.

3. De rechtvaardigheid Gods vereist het. "Zou de Rechter der ganse aarde geen recht doen?" Gen. 18 : 25. Mensen kunnen onrechtvaardige rechters zijn, maar dat is bij God onmogelijk. Hij zal op elke overtreding een rechtvaardige vergelding geven. Het is in Zijn macht het te doen en Zijn natuur eist het. Hij haat de zonde en kan niet anders dan ze haten. Daarom, hoewel Hij voor een tijd uitstel geeft, toch zal Hij ten laatste het oordeel doen voortkomen.

4. Het beleid van de Voorzienigheid heeft het voortdurend bevestigd. Er zijn menigten van goddelozen in de wereld geweest en wij mogen vragen: "Wie heeft zich tegen Hem verhard en vrede gehad?" Job. 9 : 4. Sommigen zijn inderdaad lange tijd gespaard maar moesten zij ten laatste niet buigen of breken? Wat overkwam de reuzen in de oude wereld en wat was het lot van Farao of Korach, Dathan en Abiram? Deze dingen zijn geschied om ons te waarschuwen. En indien sommigen in dit leven ontkomen zijn, is er geen voldoende bewijs van het oordeel over hen na dit leven? Het is te bewijzen uit het voorbeeld van de rijke man.

5. De beslissende dag des oordeels zal het buiten twijfel stellen. "God dan de tijden der onwetendheid overzien hebbende, verkondigt nu allen mensen alom dat zij zich bekeren, daarom dat Hij een dag gesteld heeft op welke Hij de aardbodem rechtvaardiglijk zal oordelen, door een Man Die Hij daartoe geordineerd heeft, verzekering daarvan doende aan allen, dewijl Hij Hem uit den doden opgewekt heeft," Hand. 17 : 30, 31. De Rechter is reeds aangesteld, Zijn naam is reeds genoemd en in Zijn opstanding is het zegel aan Zijn opdracht gehecht. Het oordeel zal algemeen zijn daar allen door Hem geoordeeld moeten worden. Ja het vonnis tegen de goddelozen is reeds in Gods woord opgetekend: "Gaat weg van Mij gij vervloekten in het eeuwige vuur dat voor de duivel en zijn engelen bereid is."

Laat mij nog enkele woorden spreken tot de onheilige werkers van het kwaad. Tot u heb ik te zeggen:

(1.) Zijt niet gerust voor de toekomende tijd omdat gij nu nog niet gestraft wordt. Laat het met u niet zijn als met de goddeloze waarvan wij in Ps. 10 : 6 lezen: "Hij zegt in zijn hart: Ik zal niet wankelen; want ik zal van geslacht tot geslacht in geen kwaad zijn." Zo vast als gij meent dat uw berg nu staat, zo plotseling kan hij omgekeerd worden, wat zeker zal geschieden zo gij u niet bekeert. God geeft u tijd en ruimte om tot berouw te komen. Verbeuzel uw tijd niet en droom niet voort opdat gij geen berouw krijgt wanneer het te laat is.

(2.) Wanneer gij de voorspoed van andere zondaren ziet grijp daaruit geen moed om u te verharden in uw zondige loop. Zo deden zij die in Mal. 3 : 15 genoemd worden: "En nu wij achten de hoogmoedigen gelukzalig; ook die goddeloosheid doen worden gebouwd; ook verzoeken zij God en ontkomen." Gij hebt veel gezien van hun zondige loop en van Gods geduld, maar gij hebt hun einde nog niet gezien. "Ten tijde des avonds, zie zo is er verschrikking; eer het morgen is, is hij er niet meer," Jes. 17 : 14. Menige dag is schoon begonnen en heeft een stormachtige avond gehad. En wat gij ook in hun leven moogt gezien hebben, toch zal hun voorspoed in hun boze wandel eindigen in bitter berouw of in hun verwoesting want Gods woord kan niet verbroken worden.

(1) Geef tijdig acht op het alarmgeroep en vlied de toekomende toorn. "Zoekt de Heere terwijl Hij te vinden is roept Hem aan terwijl Hij nabij is. De goddeloze verlate zijn weg en de ongerechtige man zijn gedachten en hij bekere zich tot de Heere, zo zal Hij Zich zijner ontfermen en tot onze God want Hij vergeeft menigvuldiglijk," Jes. 55 : 6, 7. Weet dat gij in uw losbandige leven niet altijd voorspoed zult hebben. Gij moet tot Christus komen door geloof en afscheid nemen van de wereld die in het boze ligt. Gij moet uw zonden afbreken door bekering en anders zult gij omkomen. Zo gij niet tot berouw komt zo zult gij u herinneren dat gij getrouw gewaarschuwd zijt en dan zult gij eeuwig weeklagen omdat gij er geen gehoor aan gegeven hebt.

Tot de godzaligen wil ik zeggen:

(l.) Zie toe dat gij niet enige afgod in uw hart onderhoudt want God mocht daardoor tegen u verbitterd worden. Hij is onpartijdig in Zijn oordelen en zelfs Zijn eigen volk zal Zijn ongenoegen gewaar worden, "Wie heeft Jacob tot een plundering overgegeven en Israël aan de rovers? Is het niet de Heere, Hij tegen Wie wij gezondigd hebben? Want zij wilden niet wandelen in Zijn wegen en zij hoorden niet naar Zijn wet," Jes. 42 : 24. Voor hen die in Christus zijn is de afgrond van het eeuwige oordeel gesloten maar toch kunnen zij streng gekastijd worden. Gij kunt om uw zonden gebroken beenderen oplopen hoewel gij uw zielen niet kunt verliezen.

(2.) Verlies de moed niet in des Heeren weg, omdat gij daarin kennis maakt met vele smartelijke beproevingen terwijl anderen die ver van de Heere af leven rust hebben. De werk-os gaat met het juk op zijn nek terwijl de slacht-os vetgemest wordt. Maar de eerste wordt gespaard terwijl de laatste geslacht wordt.

Tot allen heb ik te zeggen:

(1.) Weet dat de Heere een heilig en ijverig God is voor Zijn eer. De weg der zonde is gevaarlijk en er zal aan het einde van die weg geen vrede zijn.

(2.) Laten wij ons voorbereiden om onze God in de weg van Zijn oordelen te ontmoeten. Gods gerichten tegen het land zijn traag in de uitvoering doch zij zullen zeker komen en smartelijk zijn. Hoe menigmaal heeft Hij de aarde reeds onder ons doen beven en hoe menigmaal heeft Hij Zijn toorn reeds getoond van de hemelen boven ons. Amen.

 

 

VIJFDE PREEK

"Raap mijn ziel niet weg met de zondaren", Ps. 26 : 9

Al wie de leer van de toekomende wereld gelooft en beschouwt, moet daarvan noodzakelijk gebruik maken om aan de ene kant met huivering te zien op de staat waarin de goddelozen daar zullen zijn en aan de andere kant met verlangen uit te zien naar de gelukzalige staat der vromen. Wie beider staat beschouwt, zal niet kunnen nalaten met de psalmist uit te roepen: "Raap mijn ziel niet weg met de zondaren."

Wij zullen eerst enkele opmerkingen maken.

1. In de tekst wordt uitgegaan van de waarheid dat de zielen der mensen door de dood zullen verzameld worden in twee soorten, der goddelozen en der rechtvaardigen. Er is in deze wereld een gemengde menigte van goeden en kwaden gelijk koorn en kaf op één dorsvloer of gelijk vissen in één net. Maar zij zullen in de toekomende wereld gescheiden worden, sommigen in een gelukkig en anderen in 'n ellendig gezelschap, een ieder bij die van zijn eigen soort.

2. Er ligt in de woorden een uitdrukking van huivering ten opzichte van de vergadering der zondaren in de toekomende wereld. De psalmist zegt: Heere, raap mijn ziel niet weg met hun zielen; wanneer ik van hier vertrek, laat mij dan niet mijn verblijf bij hen hebben; laat mij niet in hun gezelschap, staat en toestand zijn wanneer ik door de poort des doods zal henengaan.

3. Er is verband aan te wijzen tussen deze woorden van David en wat er aan voorafgaat. Zijn gebed komt hier voor als een terugslag op de gesteldheid van zijn ziel en van zijn weg die hij in deze wereld gekozen had. Zijn consciëntie getuigt van zijn afkeer van het gezelschap der zondaren. Hij had in de verzen 4 en 5 gezegd: "Ik zit niet bij ijdele lieden en met bedekte lieden ga ik niet om. Ik haat de vergadering der boosdoeners en bij de goddelozen zit ik niet." Hij getuigt daarentegen van zijn liefde en verlangen naar de tegenwoordigheid van God en van de gemeente der heiligen, want in vers 8 zegt hij: "Heere, ik heb lief de woning Uwes huizes en de plaats des tabernakels Uwer eer." Daarna bidt hij met hoop: "Raap mijn ziel niet weg met de zondaren." Hij zegt daarmee als het ware: Ik heb geen vermaak in het gezelschap van onheilige zondaren op aarde; het is een last voor mij in deze wereld; laat mij niet met hen opgesloten worden in de toekomende wereld. Mijn ziel heeft Uw huis lief; laat mij niet met de zondaren voor eeuwig uitgesloten worden van Uw tegenwoordigheid.

De tekstwoorden verschaffen ons duidelijk de volgende leer:

Nu is het de tijd dat mensen bezorgd en werkzaam moeten zijn dat hun ziel niet met de zondaren weggeraapt wordt naar de eeuwigheid.

In de verhandeling van deze leer zullen wij eerst twee vragen beantwoorden.

I. Welke zaken zijn in de tekst vervat?

II. Wie zijn de zondaren van welke onze zielen moeten huiveren bij de gedachte met hen weggeraapt te worden naar de eeuwigheid?

I. Wij zullen ten eerste enkele zaken beschouwen welke in onze tekst opgesloten liggen.

1. De zielen der mensen die in deze wereld leven zijn een gemengd gezelschap, heiligen en zondaren. Zij wonen in dezelfde plaats, onder gelijke uitwendige omstandigheden, het is een gemengde hoop. Onkruid en tarwe staan op één veld; koorn en kaf op één vloer; goede en kwade vissen in één net; schapen en bokken in één kudde; Cham in de ark en Judas in Christus' gezelschap; onheilige huichelaars met oprechte christenen in één zichtbare kerk.

Dat het gezelschap gemengd is heeft een drievoudige uitwerking.

(l.) Het houdt beide partijen onrustig; zij voelen zich bij elkander niet op hun gemak. De heiligen zijn onrustig bij de ontmoeting met zondaren en zondaren in tegenwoordigheid van heiligen, want de rechtvaardigen zijn een doorn in hun oog. De onheiligen zien Gods volk met tegenzin in hun omgeving en Gods volk zou dikwijls gaarne uit het midden van de goddelozen vertrekken. Hun beginselen, doel en wijze van leven zijn met elkaar in strijd en zij kunnen zich evenmin verenigen als ijzer met leem.

(2.) Zij zijn een belemmering voor elkander en of de wereld maatschappelijk goed is of kwaad, zij kunnen het niet eens worden. Het is in dit geval met de wereld als met de gelovige in wie een mengsel van vlees en geest woont. De omgang met zondaren besmet dikwijls de heiligen, want de wereld leidt hen in strikken en verzoekingen. Door een weinig toe te geven worden ze besmet en zo komen zij dikwijls treurende uit hun gezelschap zoals Petrus uit des hogepriesters zaal. Daar staat tegenover dat heiligen soms nuttig zijn voor zondaren door hen af te brengen van verkeerde wegen. En zelfs waar dat niet bereikt wordt kan het optreden en spreken van des Heeren kinderen oorzaak zijn dat temidden van een werelds gezelschap een bepaalde uitwendige orde bewaard wordt, vergeleken met wat het zou zijn zo alles gelijk ware of wanneer er geen rechtvaardigen in de wereld waren om een goed voorbeeld te geven. "Laat uw licht alzo schijnen voor de mensen dat zij uwe goede werken mogen zien en uw Vader Die in de hemelen is, verheerlijken," Matth. 5:16. Of dat zij zijn als "het zout der aarde," Matth. 5:13 hetwelk dient om verrotting en bederf te weren.

(1) Er is ook een algemene beschikking der Voorzienigheid in de wereld. Soms is het mooi stil weer, soms is het stormachtig. Soms worden algemene zegeningen uitgedeeld, soms algemene straffen. Want God heeft Zijn vrienden en Zijn vijanden allen in hetzelfde gezelschap. In de maatschappij worden tekenen van Gods goedheid gezien terwille van de rechtvaardigen en tekenen van Zijn toorn terwille van de goddelozen.

2. De zielen der mensen zullen in de toekomende wereld ordelijk gedeeld worden in twee groepen overeenkomstig hun verschillende natuur en gesteldheid, heiligen en zondaren, die twee afzonderlijke gezelschappen zullen uit maken. Hierin zijn twee dingen begrepen.

(1.) Er zal een afscheiding zijn van de soorten, welke niet bij elkaar passen, hoewel ze op aarde vermengd waren. "Wiens wan in Zijn hand is en Hij zal Zijn dorsvloer doorzuiveren en Zijn tarwe in Zijn schuur samenbrengen en zal het kaf met onuitblusselijk vuur verbranden," Matth. 3 : 12. De goeden en de kwaden zullen daar van elkander gescheiden worden hoewel zij op aarde naast elkaar leefden. Zij zullen niet langer één gezelschap uitmaken zoals ze op aarde waren. De scheiding zal volkomen zijn; er zal niet één bok tussen de schapen of één schaap tussen de bokken gelaten worden. "Daarom zullen de goddelozen niet bestaan in het gericht noch de zondaars in de vergadering der rechtvaardigen, Ps, 1 : 5. Welke vermenging er ook op aarde mag zijn, er zal daar een totale scheiding wezen, hoewel in de tijd burgerlijke, kerkelijke of huiselijke banden onder hen mogen bestaan hebben. "Alsdan zullen er twee op de akker zijn; de een zal aangenomen en de ander zal verlaten worden. Daar zullen twee vrouwen malen in de molen; de een zal aangenomen en de ander zal verlaten worden," Matth. 24 : 40, 41.

(2.) Er zal een verzameling zijn van de gescheiden partijen overeenkomstig de vergadering waarbij zij op aarde behoorden. Daardoor zullen zij gerangschikt worden naar hun eigen soort; heiligen bij heiligen en zondaren bij zondaren. Want er zullen twee, doch dan ook maar twee gezelschappen in de toekomende eeuw zijn, dat van Christus en dat van de duivel, de bundel der levenden en de bundel der doden. Op aarde worden velen verkeerd beoordeeld en krijgen verkeerde namen. Sommige van de bokken des duivels verschijnen in schaapsvacht en worden verkeerdelijk gehouden voor zulken die aan Christus toebehoren. Daarentegen worden sommige van Christus' schapen door de misdadige wereld gescholden voor bedrieglijke wolven, alsof ze aan de duivel toebehoorden. Doch van dat alles zal er niets in de toekomende wereld zijn.

3. De dood is de verzameltijd welke de psalmist in onze tekst op het oog heeft. Er is in een andere zin ook een verzameltijd in dit leven, wanneer de dienaren uitgaan om verdwaalde schapen op te zoeken en te roepen. Maar de dood is Gods verzameltijd waarin Hij de zielen vergadert die Hem toebehoren, op dezelfde tijd als waarop de duivel de zijnen zal hebben. Zij gingen lange tijd samen, maar dan zullen zij gescheiden worden. De heiligen worden thuis gehaald tot de gemeente der heiligen en de zondaren tot de gemeente der zondaren. Zo betaamt het ons uit te roepen: "Raap mijn ziel niet weg met de zondaren." Wie hier ons volk zijn, Gods volk of des duivels, in de dood zullen onze zielen verzameld worden tot hen bij wie wij behoren.

4. Het zal een vreeslijke ervaring zijn, in de toekomende wereld bij de zondaren gerekend te worden. De gedachte dat onze ziel daar met hen zal vergaderd worden mag het haar onzes hoofds ten berge doen rijzen. Velen vergaderen nu gaarne met zondaren, want daar is in hun ogen een vrolijk, opgewekt leven. En het is een pijn voor hen, op een sabbatdag met de heiligen voor God te verschijnen. Doch het zal een verschrikking voor hen zijn om eeuwig met de zondaren samen te moeten wezen.

(1.) De heiligen hebben er een afschrik van zoals uit onze tekst blijkt. De gedachte van in het gezelschap der goddelozen in de toekomende wereld neergestoten te worden, zou op zichzelf een hel zijn voor de godzaligen. David huiverde nooit zó voor het gezelschap van de armen, de kranken, de vervolgden en dergelijken als voor het gezelschap der zondaren. Hij was tevreden om vergaderd te worden met heiligen in welke toestand zij ook verkeren mochten, maar hij zegt tot de Heere: "Raap mijn ziel niet weg met de zondaren."

(2.) De goddelozen zelf hebben er een afschrik van. De goddeloze Bileam zei: "Mijn ziel sterve de dood der oprechten en mijn uiterste zij gelijk het zijne!" Num. 23 : 10. Hoewel zij tevreden zouden zijn op aarde met hen te leven en met hen samen te komen, zo geeft nochtans hun geweten getuigenis dat het vreeslijk zou zijn in de dood met de goddelozen weggeraapt te worden. Zij zouden met zondaars willen leven, maar zij zouden met heiligen willen sterven. Nu, dit is een arme, onredelijke, misleidende gedachte. Ik geloof, dat indien dronkaards, onreine mensen, spotters met de godsdienst die zich in elkanders gezelschap vermaken, evenals Belsasar de vingeren van een hand op de muur zouden zien, schrijvende dat dit het voornemen Gods was dat zij met elkander weggeraapt zouden worden naar de toekomende wereld, zij verslagen zouden zijn en zouden bezwijmen van schrik en ontzetting, denkende: O, zal mijn ziel weggeraapt worden met dronkaards, onreinen, spotters, ja met zondaren!

Daarom moeten allen terugdeinzen van in de tijd op de weg der zondaren te staan en met hen samen te komen, daar toch allen verschrikken bij de gedachte met hen in de toekomende wereld vergaderd te worden. Want het is een ongerijmde gedachte, te menen dat gij zult leven met de zondaren en zult sterven met de heiligen. Bileam wilde deze tegenstrijdige gedachten met elkander verzoenen, maar hij heeft bevonden dat het onmogelijk was. "Wee hun! want zij zijn door de verleiding van het loon Bileams henengestort," Judas 11.

II. Ik zal nu aantonen wie de zondaren zijn van welke wij huiveren moeten bij de gedachte met hen weggeraapt te worden naar de eeuwigheid.

Alle mensen in deze wereld zijn volstrekt beschouwd zondaren, zoals David zelf was. "Voorwaar, daar is geen mens rechtvaardig op aarde die goed doet en niet zondigt," Pred. 7 : 20. Doch sommigen zijn zondaren in vergelijking met anderen die rechtvaardig zijn. Zij zijn moedwillige zondaren, zoals het woord in de tekst eigenlijk betekent. Daarom worden zij ingedeeld bij de tollenaren, een zeer hatelijk volk onder de joden. "Waarom eet uw Meester met de tollenaren en zondaren?" Matth. 9 : 11.

Nu zondaren, moedwillige zondaren in de schriftuurlijke zin van het woord zijn alle onrechtvaardige mensen, zoals blijkt uit de tegenstelling gelijk wij die vinden in Ps. 1 : 5, "Daarom zullen de goddelozen niet bestaan in het gericht noch de zondaars in de vergadering der rechtvaardigen." En wij lezen: "Het kwaad zal de zondaars vervolgen; maar den rechtvaardige zal men goed vergelden," Spr. 13 : 21. Hij die niet rechtvaardig is, is in schriftuurlijke zin een zondaar, een hatelijk zondaar.

1. Alle mensen die niet gerechtvaardigd zijn, die zijn zondaars. Want zij zijn onrechtvaardig voor God als zijnde zonder een toegerekende rechtvaardigheid. Daar ongelovigen niet gerechtvaardigd zijn, wat ook hun levenswijze mag wezen, zijn zij zulke zondaars. Zij wandelen zonder kleed voor God en hun schande is niet bedekt.

2. Alle onbekeerde, ongeheiligde, onwedergeboren mensen zijn zondaars. Zij zijn niet rechtvaardig daar zij geen ingestorte rechtvaardigheid bezitten. Zij zijn niet tot God teruggebracht, maar zij zwerven in hun loop van Hem af. De onheilige gesteldheid van hun geest blijft; hun natuur is niet veranderd.

Zo zijn alle natuurlijke mensen zondaars. Hun staat in de toekomende wereld zal vreeslijk zij , wat hun houding en weg op aarde ook mag geweest zijn. Wij kunnen ze in vier soorten onderscheiden.

1. Er zijn grof onwetende mensen die onwetende zijn van de grondslagen der christelijke godsdienst of die er geen belang in stellen. Dezen kunnen niet anders dan zondaars zijn want al is hun wandel voor het oog van mensen ingetogen, toch zijn zij ergerlijke zondaren in het oog van God daar zij in duisternis leven. "Indien uw oog boos is zo zal geheel uw lichaam duister zijn. Indien dan het licht dat in u is duisternis is, hoe groot zal de duisternis zelve zijn!" Matth. 6 : 23, Ellendig zullen zij zijn wier zielen met hen weggeraapt worden naar de eeuwigheid. "Want het is geen volk van enig verstand", daarom zal Hij Die het gemaakt heeft Zich over hetzelve niet ontfermen en Die het geformeerd heeft zal aan hetzelve geen genade bewijzen," Jes. 27 : 11.

2. Ook zijn er onheiligen die de losse teugel geven aan hun begeerlijkheden in de besmetting van de uitwendige mens. Onder hen zijn goddeloze vloekers die hun mond tegen de hemel zetten en door God niet onschuldig zullen gehouden worden. Wij vinden onder hen hoereerders en overspelers die door God zullen geoordeeld worden. Er zijn mensen die spotten met godzaligheid, lasteraars en die de oprechten tegenstaan. In één woord allen die los en onheilig in hun leven zijn. Dezen zijn zondaars met een getuige. Wee over hen wier zielen met hen zullen weggeraapt worden naar de toekomende wereld. "De werken des vleses nu zijn openbaar; welke zijn overspel, hoererij, onreinheid, ontuchtigheid, afgoderij, venijngeving, vijandschappen, twisten, afgunstigheden, toorn, gekijf, tweedracht, ketterijen, nijd, moord, dronkenschappen, brasserijen en dergelijken van dewelke ik u te voren zeg gelijk ik ook tevoren gezegd heb, dat die zulke dingen doen, het koninkrijk Gods niet zullen beërven," Gal. 5 : 19-21. Doch dit oordeel zal over hen komen: "Doch deze Mijn vijanden die niet hebben gewild dat Ik over hen Koning zou zijn, brengt ze hier en slaat ze hier voor Mij dood," Lukas 19 : 27.

3. Onder hen bevinden zich ook bloot zedelijke mensen, die zichzelf tevreden stellen met zedelijke deugden in gehoorzaamheid aan het laatste gedeelte van de tweede tafel der zedelijke wet, maar de plichten der godsdienst jegens God nalaten. Zij zijn rechtvaardig en eerlijk in hun omgang met mensen maar zij voldoen niet aan de plichten die zij aan God verschuldigd zijn. Dezen zijn ook zondaars en ellendig zal het lot zijn van hen wier ziel met hen zal worden weggeraapt naar de eeuwigheid. "Want Ik zeg u, tenzij uw gerechtigheid overvloediger zij dan der schriftgeleerden en der farizeeërs, dat gij in het koninkrijk der hemelen geenszins zult ingaan," Matth. 5 : 20. Zij zoeken Gods aangezicht niet en zij willen er liefst voor verborgen zijn.

4. Dan zijn er onder hen ook vormelijke mensen die een gedaante van godzaligheid hebben in een belijdenis van godsdienst en in het volbrengen van daden die de godsdienst voorschrijft, doch vreemdelingen zijn van de ware godsdienst.In 2 Tim. 3 :5 lezen wij van de zulken: "Hebbende een gedaante van godzaligheid maar die de kracht derzelve verloochend hebben. Heb ook een afkeer van dezen." Sommigen van hen zijn grove huichelaars die hun belijdenis van de godsdienst bekladden met een slordige wandel in zaken van de tweede tafel: "Wee u gij schriftgeleerden en farizeeërs, gij geveinsden! want gij vertient de munt en de dille en de komijn en gij laat na het zwaarste der wet namelijk het oordeel en de barmhartigheid en het geloof," Matth. 23 : 23. Anderen zijn bedekte huichelaars, wier uitwendige wandel onberispelijk is maar zij zijn vreemdelingen van hartewerk, het geheime deel van het christelijk leven, en zij onderhouden altijd een of andere beminde lust. "Maar hij treurig geworden zijnde over dat woord ging bedroefd weg, want hij had vele goederen," Markus 10 : 22. Dezen zijn ook zondaars en wee over hen wier zielen met hen zullen worden weggeraapt naar de eeuwigheid. "Maar die zich neigen tot hun kromme wegen, die zal de Heere weg doen gaan met de werkers der ongerechtigheid," Ps. 125 : 5. "En zal hem afscheiden en zijn deel zetten met de geveinsden; daar zal wening zijn en knersing der tanden," Matth. 24 : 51.

Nu, al deze zijn zondaars, hatelijke zondaars, die indien zij zo willen voortgaan, zeker zullen verloren gaan. Zij worden terecht zondaars genoemd in tegenstelling met de heiligen. Wij zullen daarvoor enkele bewijzen bijbrengen.

1. Zij allen missen totaal het doel waarnaar mensen behoren te staan. Het woord waardoor de Heilige Geest de zonde aanduidt, betekent feitelijk, ons af te wenden van het doel waarnaar wij moeten staan. Het doelwit waarnaar alle mensen verplicht zijn te streven is de eer van God. Dat is het voorname oogmerk hetwelk alle mensen behoren te zoeken. "Hetzij dan dat gijlieden eet, hetzij dat gij drinkt, hetzij dat gij iets anders doet, doet het alles ter ere Gods," 1 Cor. 10 : 31. De heiligen die met God in Christus verzoend zijn, jagen daarnaar, hoewel niet volmaakt. "Niet dat ik het alrede gekregen heb of alrede volmaakt ben, maar ik jaag er naar of ik het ook grijpen mocht, waartoe ik van Christus Jezus ook gegrepen ben," Filipp. 3 : 12. Zij leven tot de eer van God, hun Schepper en Verlosser. Maar alle natuurlijke mensen missen dit totaal. Zij zijn opgesloten in de cirkel van hun eigen ik. Zij leven zichzelf en niet Gode. Hun begeerlijkheden, zedelijkheid en godsdienst lopen alle uit in de dode zee van hun eigen ik. Zij vormen tezamen een vergadering van liefhebbers van zichzelf, van zelfzoekers en zelfbehagers. "Want zij zoeken allen het hunne, niet hetgeen van Christus Jezus is," Filipp. 2 : 21. Nu, omdat zij en hun weg niet op God gericht zijn, zullen zij omkomen. "Want de Heere kent de weg der rechtvaardigen, maar de weg der goddelozen zal vergaan," Ps. 1 : 6. Hun omzwerven en dwalen zal eindigen in hun val in de put.

2. Zij allen zijn voor de Heere des doods schuldig. "Dewelken daar zij het recht Gods weten, namelijk dat degenen die zulke dingen doen, des doods waardig zijn," Rom. 1 : 32. Het vonnis des doods is tegen hen van kracht geworden en zij zijn zonen des doods. De vloek van de verbroken wet ligt op hen en levert hen over aan de wraakvorderende toorn van God. Doch zo is het niet met de heiligen. Ofschoon zij niet zonder zonde zijn, evenwel zijn zij verlost van de schuld die zij betalen moesten aan de vertoornde God. Zij zijn vrijgesproken in hun rechtvaardigmaking. "Zo is er dan nu geen verdoemenis voor degenen die in Christus Jezus zijn, die niet naar het vlees wandelen maar naar de geest," Rom. 8 : 1. Maar natuurlijke mensen, wat ook het verschil in hun misdragingen mag zijn, zijn allen zondaars, door de wet veroordeelde schuldigen.

3. Zij kunnen niets doen dan zonde. "Allen zijn zij afgeweken, tezamen zijn zij onnut geworden, daar is niemand die goed doet, daar is ook niet tot één toe," Rom. 3 : 12. Het is waar, de heiligen zondigen in alles wat zij doen en toch doen zij waarlijk goede dingen die van God aangenomen worden. "Hun brandoffers en hun slachtoffers zullen aangenaam wezen op Mijn altaar," Jes. 56 : 7. De onvolmaaktheid die hun plichten aankleeft bederft hun verrichtingen niet geheel. "Want indien te voren de volvaardigheid des gemoeds daar is, zo is iemand aangenaam naar hetgeen hij heeft," 2 Cor. 8 : 12. Doch alle daden van natuurlijke mensen zijn zonde. Hun natuurlijke, burgerlijke en godsdienstige werken zijn niet anders dan kwaad. Hun hele leven is in een web van zonde geweven van het begin af tot het einde toe zonder een enkele draad van zuiverheid er in. Zo zijn zij zondaars in de meest eigenlijke betekenis van het woord.

 

 

TOEPASSING.

Wij hebben gesproken over de verdorvenheid die het gehele wezen en alle daden van de natuurlijke mens besmet.

Evenwel kan hier de vraag gesteld worden hoe wij dat bewijzen daar natuurlijke mensen daden doen die onweersprekelijk goed zijn.

Opdat niemand zichzelf misleide zal ik aantonen dat door natuurlijke mensen nooit iets kan gedaan worden dat wezenlijk goed is.

1. Het beginsel waaruit zij werkzaam zijn is gans verkeerd. Zijzelf zijn geheel verdorven en bevlekt, en daarom moet hetzelfde gezegd worden van alles wat zij doen. Giet de beste wijn in een onrein glas, zo zal niemand hem willen aanzien. "Alle dingen zijn wel rein den reinen, maar den bevlekten en ongelovigen is geen ding rein, maar beide hun verstand en geweten zijn bevlekt," Tit. 1 : 15. Hun verdorven staat besmet hun plichten, maar hun plichten kunnen hun staat niet reinigen.

2. Het doelwit van de daden van natuurlijke mensen is geheel verkeerd. Zij zijn als een dienstknecht, zeer druk, maar inmiddels werkt hij voor zichzelf en niet voor zijn meester. "Toen gij vasttet en rouwklaagdet - - - hebt gij Mij, Mij enigszins gevast?" Zach. 7 : 5.

3. Zij allen zondigen gewillig met hun gehele hart. Zo doen de heiligen niet. "Een iegelijk die uit God geboren is die doet de zonde niet," 1 Joh; 3 : 9. Hun hart is veranderd en vernieuwd. Zij hebben een beginsel in zich dat de neiging tot zonde wederstaat, zodat zij in het ergste geval slechts met een halve wil zondigen. "Want het vlees begeert tegen de geest en de geest tegen het vlees, en deze staan tegen elkander alzo dat gij niet doet hetgeen gij wildet." Maar natuurlijke mensen zijn geheel vlees, geheel verdorven zodat zij met volle zeilen op de zonde afstevenen. Het is waar, er kan in de onwedergeborene iets zijn wat de zonde tegenstaat, doch hun worsteling is slechts in het vlees dat eensdeels de zonde begeert en anderdeels de straf vreest.

4, Alle zonden waaraan zij zich in de loop van hun leven schuldig gemaakt hebben wonen nog in hen. De zonden hebben nog volle heerschappij over hen en daarom blijft de schuld en besmetting op hen. Zo is het niet met de gelovigen. Zij hebben de oorlog aan de zonde verklaard en de heerschappij van de zonde is verbroken. De zonde in hen is als modder in een fontein maar in natuurlijke mensen is ze als modder in een poel. De zonde in de natuurlijke mens blijft op hem en verlaat hem nooit want zowel in de oorspronkelijke verdorvenheid als in de wandel kleeft ze hem aan. De heiligmaking door de Geest is vast aan de vergiffenis der zonde en de mens in zijn natuurstaat mist deze genaden. Ongeloof nagelt hen aan hun zonden vast. "Want indien gij niet gelooft dat Ik die ben, gij zult in uw zonden sterven," Joh. 8 : 24.

5. Zij zullen ook in de toekomende wereld zondaars blijven. "De goddeloze zal henengedreven worden in zijn kwaad," Spr. 14 : 32. De gelovigen zullen volmaakt worden wanneer zij sterven. Dan zullen zij geen zondaars meer zijn. Maar zonde blijft in natuurlijke mensen wanneer zij sterven. Dan zal het vonnis uitgevoerd worden: "Die onrecht doet, dat hij nog onrecht doe; en die vuil is, dat hij nog vuil worde," Openb. 22 : 11. Zij zullen als onreinen uitgeworpen worden.

Zo hebben wij enkele redenen genoemd waarom David bad: "Raap mijn ziel niet weg met de zondaren." Amen.

 

ZESDE PREEK

"Raap mijn ziel niet weg met de zondaren", Ps. 26 : 9

In de eerste preek over onze tekst hebben wij gehandeld over de zaken welke in de woorden opgesloten liggen. Ook hebben wij aangetoond wie de zondaren zijn van welke wij moeten huiveren bij de gedachte met hen weggeraapt te worden naar de eeuwigheid.

Wij zullen voortgaan en nog drie vragen stellen en beantwoorden.

I. Wat is er voor een ziel aan verbonden met de zondaren weggeraapt te worden in de dood?

II. Dragen wij bewijzen van zorg voor onze ziel door het ernstige gebed: Raap mijn ziel niet weg met de zondaren?

III. Wij zullen de redenen noemen waarom wij zulk een zorg voor onze ziel moeten hebben.

1. Wij zullen dan eerst beschouwen wat er voor een ziel aan verbonden zal zijn met de zondaren weggeraapt te worden.

1. Aller mensen zielen zullen door de dood weggeraapt worden uit het lichaam. "Indien Hij Zijn hart tegen hem zette, zijn geest en zijn adem zou Hij tot Zich vergaderen; alle vlees zou tegelijk de geest geven en de mens zou tot stof wederkeren," Job. 34 : 14, 15. De mens bestaat uit een ziel en een lichaam. Het lichaam was oorspronkelijk stof en lag hier en daar over de aarde verspreid en in de dood moet het tot dezelfde toestand teruggebracht worden. Doch de ziel kwam onmiddellijk van God en zij moet in de dood tot Hem wederkeren. "Dat het stof wederom tot aarde keert als het geweest is en de geest weder tot God keert die hem gegeven heeft," Pred. 12 : 7. Geen mens heeft macht haar in het lichaam te houden maar zij moet er van afscheiden wanneer hij sterft.

2. Verschillende zielen zullen op verschillende wijzen in de toekomende wereld ontvangen worden. Er is een gezegende plaats van ontvangst voor de zielen der heiligen waar zij alle in de toekomende wereld zullen verzameld worden. En er is een droeve ontvangkamer voor de zielen van zondaren waar zij zullen vergaderd worden. Hoewel de ontvangkamer voor de lichamen van heiligen en zondaren dezelfde is in deze wereld, daar zij tezamen op hetzelfde kerkhof worden neergelegd, toch zal het voor hun zielen niet zo zijn.

3. De zielen der zondaren zullen gescheiden worden van de vergadering der heiligen. In deze wereld verkeerden de zondaren in het midden der heiligen, doch zij zullen van hen worden gescheiden, gelijk het onkruid van de tarwe en het kaf van het koren. Daarom behoorden wij er zorg voor te hebben dat zulks ons lot niet zal zijn, want het zal een vreeslijke uitsluiting wezen. "De goddelozen zullen niet bestaan in het gericht, noch de zondaars in de vergadering der rechtvaardigen," Ps. 1 : 5.

4. De zielen van zondaren in deze wereld zullen worden overgebracht naar de vergadering der zondaren in de toekomende wereld. Zij zullen met hen in dezelfde plaats en in dezelfde Stad komen. Die droeve overgang moeten wij door ernstig smeken zoeken af te wenden, zoals David deed: "Raap mijn ziel niet weg met de zondaren." Weggeraapt te worden met zondaren als tot hen behorende, met hen opgesloten te worden in hun eeuwig huis, ons lot met hen te hebben in de toekomende wereld en voor eeuwig te varen als zij varen, dat is het waarvoor wij zeer bevreesd behoren te zijn en dat moet een reden voor ons zijn om ernstig te smeken dat het ons deel niet zal wezen.

II. Ik zal nu spreken over de zorg die wij voor onze ziel behoren te hebben in het ernstige gebed: Raap mijn ziel niet weg met de zondaren.

1. Er valt niet aan te twijfelen of onze zielen door de dood naar de eeuwigheid moeten overgaan. De psalmist bidt niet tegen de overgang van de tijd in de eeuwigheid, want daartegen helpen geen gebeden of tranen, geen kracht of geweld. "Wat man leeft er die de dood niet zien zal, die zijn ziel zal bevrijden van het geweld des grafs?" Ps. 89 : 49. Want hoewel wij weggeraapt moeten worden van deze aarde moeten wij bidden "niet weggeraapt te worden met de zondaren." Hier is geen misschien, maar het moet geschieden, want "het is den mensen gezet éénmaal te sterven," Hebr. 9 : 27. Wij moeten er rekening mee houden als met een onvermijdelijke gebeurtenis.

2. De tekstwoorden zijn gegrond op het besef van de ellendige staat van zondaren in de eeuwigheid en van de zaligheid der heiligen. Indien men daarvan niet overreed is zo zal men daaromtrent niet bezorgd zijn. Maar wij moeten uit deze wereld in de andere wereld zien en in de spiegel van het Woord het oog slaan op de staat waarin zondaren en heiligen aldaar zullen zijn, om ons te doen ontwaken tot een ware belangstelling in deze dingen. Dikwijls zien mensen op de staat van zondaren hier op aarde en als zij dan hun voorspoed beschouwen, dan wensen zij met hen gelijk te zijn. Maar wanneer wij overwegen wat zij in de toekomende wereld zullen wezen, dan wensen wij ver van hen af te zijn en niets met hen te doen te hebben.

3. De tekstwoorden geven een bewijs van afschrik van de staat van zondaren in de eeuwigheid. De mens die daarop ziet deinst terug en zegt: Bewaar mij daarvoor! Wanneer wij wezenlijk beseffen wat hun staat daar zal zijn dan is dat voldoende om zulk een ontzetting in ons te geven, dat wij niet alleen genezen zullen worden van onze afgunst over hun tegenwoordige voorspoed, maar dan zullen wij voor geen duizend werelden wensen dat onze ziel in hunner zielen plaats was.

4. Uit het gebed in onze tekst spreekt een ernstige zorg om niet met de zondaren weggeraapt te worden. Wie dat gebed doet is niet onverschillig in deze dingen, maar hij overweegt ze ernstig. Hij is niet zorgeloos omtrent de toekomende staat en toestand van zijn ziel. Wie ernstig bezorgd is omtrent zijn ziel voor de eeuwigheid zal tijdig gebruik maken van de middelen der genade, wetende dat het verzuim daarvan een verlies zal blijken te zijn dat nooit meer goed gemaakt zal kunnen worden.

5. Uit de smeekbede waarover wij handelen spreekt een erkenning dat God het recht heeft onze zielen weg te rapen met de zondaren. De besten hebben zoveel zonde dat zij dat oordeel verdienden en allen zijn van nature daaraan onderworpen. Een ieder die het kwaad van de zonde ziet en de rechtvaardigheid van de straf erkent, zal zien dat wanneer het recht Gods tegen hem uitgevoerd wordt, hij met de zondaren zal weggeraapt worden naar de eeuwigheid.

5. Uit de smeekbede waarover wij handelen spreekt een erkenning dat God het recht heeft onze zielen weg te rapen met de zondaren. De besten hebben zoveel zonde dat zij dat oordeel verdienden en allen zijn van nature daaraan onderworpen. Een ieder die het kwaad van de zonde ziet en de rechtvaardigheid van de straf erkent, zal zien dat wanneer het recht Gods tegen hem uitgevoerd wordt, hij met de zondaren zal weggeraapt worden naar de eeuwigheid.

6. In onze tekst vinden wij het toevlucht nemen van een ziel tot de ontferming van de Rechter om in Zijn eigen weg vergiffenis van zonde en kwijtschelding van de rechtvaardige straf te schenken.

Dat geschiedt in belijdenis van zonde, in het vlieden tot de altaar Jezus Christus door geloof en in zich af te scheiden van het gezelschap en de weg der zondaren in de tijd.

III. Wij komen nu tot het noemen van de redenen waarom wij zulk een zorg voor onze ziel behoren te hebben.

1. Wij beginnen met het geven van deze reden, dat weggeraapt te worden met de zondaren betekent voor eeuwig van God gescheiden te zijn en uitgesloten te worden van de heilige en gelukzalige vergadering waarvan Christus het Hoofd is. Hij zal tot hen zeggen: "Gaat weg van Mij gij die de ongerechtigheid werkt," Matth. 7 : 23. Het kan niet anders dan vreeslijk zijn, met de zondaren weggeraapt te worden.

2. Zij zullen weggeraapt worden naar een zeer akelige plaats. "Zij zullen samenvergaderd worden gelijk de gevangenen in een put en zij zullen besloten worden in een kerker," Jes. 24 : 22. Door de dood worden zondaren weggeraapt naar de gevangenis der hel en daar opgesloten tot het oordeel van de grote dag. En van de rechterstoel zullen zij allen tezamen weggedreven worden naar de poel om daar voor eeuwig opgesloten te worden. De vreeslijkheid van de plaats waar zij zullen verzameld worden, de eeuwige duisternis die daar zal heersen de ketenen van verschrikking waarmee zij zullen gebonden zijn en de donkerheid die daar nooit zal opklaren, mogen wel allen bewegen om uit te roepen: "Raap mijn ziel niet weg met de zondaren."

3. Een andere reden is dat zij weggeraapt zullen werden naar het meest verschrikkelijke gezelschap van de duivelen en zijn engelen. Zij zullen geworpen worden in de poel des vuurs met de duivel die hen bedroog. Dat zal vreselijker zijn dan geworpen te worden in het midden van draken, slangen en adders hier, die spoedig een eind aan hun leven zouden maken. O, dat de mensen mochten bedenken hoe de dienst van de duivel hier, hen zal brengen in zijn gezelschap en zijn engelen hiernamaals, opdat zij een afschrik mochten krijgen van te staan op de weg der zondaren.

4. De straf die de zondaars zullen ontvangen gaat ver uit boven alles wat wij er ons van kunnen voorstellen. "Dewelken zullen tot straf lijden het eeuwig verderf van het aangezicht des Heeren en van de heerlijkheid Zijner sterkte," 2 Thess. 1 : 9. Nu in de tijd nemen de zondaars vrijheid hun misdaden te bedrijven, Gods wetten te vertreden, Zijn Zoon te versmaden en Zijn Geest te bedroeven. Doch daarna zal de tijd komen dat zij moeten lijden en betalen voor al hun zonden tot voldoening van de beledigde rechtvaardigheid. En een gezicht op die vreeslijke afrekening mag wel een oorzaak voor ons zijn, te bidden: "Raap mijn ziel niet weg met de zondaren."

5. Zij zullen daar in hun zonde gelaten worden. "De goddeloze zal henengedreven worden in zijn kwaad," Spr. 14": 32. En Christus heeft gezegd: "Indien gij niet gelooft dat Ik die ben, gij zult in uw zonden sterven," Joh. 8 : 24. Op het ogenblik dat de dood intreedt wordt tot de zondaar gezegd: "Die vuil is, dat hij nog vuil worde," Openb. 22 : 11. En zo wordt hij weggeworpen als een onrein persoon in de onreine plaats, met al zijn schuld, vuilheid en macht van zijn zonden op hem en die zullen nooit van hem afgenomen worden.

Overweeg hierbij dat de verdorven gesteldheid van geest welke de mensen van nature eigen is, namelijk vijandschap tegen God, na de dood op de zondaren zal blijven. De Heilige Geest zal aan de andere zijde van de dood geen werk van heiligmaking in zondaren beginnen. Daar zal het geschil openbaar worden, er zal geen mogelijkheid van vrede meer zijn en de oorlog tussen God en de zondaren zal voor eeuwig afgekondigd worden. Het zal bitterheid zijn vanwege hun hopeloze, ellendige staat.

Overweeg dat hun zonde daar hun straf zal zijn. Daar zal een rechtvaardige wraak zijn over hun volharden in de zonde niettegenstaande alle bestraffingen, waarschuwingen en vermaningen. Zo zullen zij de vergelding van hun eigen weg vinden.

(l.) Zij zullen doorstoken worden door folterende smarten, als afgunst over de zaligheid der heiligen, kwelling onder hun eigen ellende en wanhoop daar zij weten nooit enige verkwikking te zullen ontvangen. "Daar zal wening zijn en knersing der tanden," Matth. 22 : 13.

(2.) De begeerte naar hun vermakelijke zonden, waar hun hart in de tijd op gezet was, zal hun bijblijven, maar in de eeuwigheid zal het onmogelijk zijn om ze ook maar in de geringste mate te bedrijven. Zo zullen zij voor eeuwig gepijnigd worden tussen het verlangen en het gemis van voldoening aan hun begeerlijkheden. Wie, die op zulk een diepe ellende ziet, zal niet uitroepen: "Raap mijn ziel niet weg met de zondaren?"

(1) Wanneer zij eenmaal weggeraapt zullen zijn met de zondaren zullen zij nooit meer van hen kunnen scheiden. Zo als de boom valt, zo blijft hij liggen, Zij die met de zondaren zijn weggeraapt in de dood, zullen met hen vergaderd worden in de opstanding en voor eeuwig met hen opgesloten worden in de put des verderfs.

Deze leer van de eeuwige vergelding die zal gaan over zondaren mag ons dienen:

Ten eerste, tot onderwijzing. Wij kunnen er uit leren:

1. Dat de staat en toestand van zondaren, welke voorrechten van rust en weelde ze ook mogen hebben, een ellendige staat is. Zulk een staat moet beklaagd, betreurd en vermeden worden, in plaats van er naar te verlangen of er afgunstig op te zien. Want het is onmogelijk dat al de weelde van deze wereld zal opwegen tegen het wee dat hen in de toekomende wereld wacht. Wie zou verlangen zijn lot in te werpen met een veroordeelde misdadiger hoewel hij elke dag vrolijk en prachtig leeft, of rustig de best voorziene dis geniet, terwijl een zwaard aan een dunne draad boven zijn hoofd hangt?

2. Wij behoren er uit te leren dat de voorname bezigheid in ons leven moet zijn om sterven te leren, en dat het grote werk dat wij in deze wereld te doen hebben is ons voor te bereiden voor de andere wereld. "Als een man gestorven is, zal hij weder leven? Ik zou al de dagen mijns strijd hopen totdat mijn verandering komen zou," Job. 14 : 14. Hier vertoeven wij slechts, maar daar moeten wij blijven. Hier zijn wij op de reis, maar daar komen wij tot ons eeuwig huis. Het is een vraag van het uiterste gewicht naar welk gedeelte van die wereld wij op reis zijn. En zij die daarmee niet in de eerste en voornaamste plaats rekening houden zijn dwazen met een getuige in hun geweten.

3. Wij zijn in gevaar bedrogen uit te komen ten opzichte van onze toekomende staat. Zorgeloosheid daaromtrent zal leiden tot een rampspoedig uiteinde. Indien voor allen zonder onderscheid de gelukzaligheid was weggelegd, zo mochten wij gerust zijn. Maar het is anders. Er zullen velen henengaan naar de gewesten van verschrikking, zowel als naar de gewesten van zaligheid. En wij kunnen er van verzekerd zijn dat wij diep teleurgesteld zullen worden indien wij niet tijdig in de aangewezen weg ons verzekeren van een zalige ontvangst.

4. Het gevaar van bedrogen uit te komen behoorde ons aan te sporen om gepaste middelen te gebruiken om onze eeuwige zaligheid uit te werken. Onze eeuwige staat is ons grootste belang en daar alle dingen naar hun waarde moeten geschat worden, behoren wij met de grootste zorg vervuld te zijn omtrent onze zaligheid. Zorgvuldigheden dezes levens of voordelen en vermaken, wanneer wij ze in de weegschaal leggen zijn van geen gewicht vergeleken met onze toekomende staat.

Ten tweede, tot berisping van verscheidene soorten van zondaren.

1. Van de zorgeloze zondaar die niet bezorgd is over zijn toekomende staat. Hoe velen zijn er die nooit eens ernstig nadenken over hun waarschijnlijk verblijf in de eeuwigheid? Zij leven alsof er geen ander leven dan wat zij hier hebben te wachten is. O, wat meent gij dat gij in een droom zult vertrekken naar de gewesten der zaligheid en dat gij de hemel zult binnenvallen waarnaar gij nooit omgezien hebt? Neen, als gij zo voortgaat zult gij in de put vallen en nooit op de heilige berg komen. De dwaze maagden die zorgeloos waren omtrent olie in haar lampen hadden hoofd en hart vervuld met zorgen voor de tijd en gij zijt haar gelijk indien gij voortgaat in uw zorgeloze gesteldheid.

2. De trage zondaar die er niet toe kan komen de moeite te nemen om zijn zaligheid uit te werken. Hoewel dezulken niet geheel onverschillig zijn omtrent hun eeuwige staat zijn zij er niet in arbeid over. Indien luie wensen en ijdele pogingen genoeg waren zouden zij gelukkig zijn. Maar zij kunnen niet in beweging komen om een aangeboden Christus, verbond en zaligheid aan te grijpen, om zondige rechterhanden af te houwen en zondige rechterogen uit te rukken, om het koninkrijk der hemelen met geweld te nemen en te overwinnen. De zaligheid is niet een zaak die verkregen wordt op het bed van luiheid. Gedenk aan het oordeel over de boze en luie dienstknecht die uitgeworpen werd in de buitenste duisternis, Matth. 25 : 26-30.

3. De uitstellende zondaar die het werk uitstelt van de ene tijd tot de andere totdat de tijd voorbij is en hij in verwoesting neerzinkt. De jongen stellen het uit tot ze ouder zullen zijn, de ouderen tot een ziekbed en de zieken ondervinden dikwijls dat ze genoeg met hun lichaam te doen hebben. Zo gaat de kostelijke tijd van zich van zijn zaligheid te verzekeren, ongebruikt voorbij, als in het geval van Felix die zei: "Voor ditmaal ga henen en als ik gelegener tijd zal hebben bekomen zo zal ik u tot mij roepen," Hand. 24 : 25. Doch waarom zal men uitstellen wat noodzakelijk moet worden gedaan, daar zij anders verloren zullen gaan? Waarom zal men uitstellen daar de tijd zo onzeker is?

4. De boosaardige zondaar die het gezelschap der heiligen haat en die ernst, een godzalig leven en oefeningen der godzaligheid schuwt en daarentegen het gezelschap en de weg der zondaren kiest. O, hoe zoudt gij met vertrouwen tot God kunnen roepen, uw ziel niet weg te rapen met de zondaren terwijl gij al uw vermaak in hen vindt? Hoe kunt gij verwachten met de heiligen in de hemel opgenomen te worden terwijl gij op aarde zulk een grote afkeer hebt van hun weg en geestelijk leven? Neen, uw boosaardigheid tegen Gods volk is een bewijs dat gij niet tot hen behoort. Daarom moet gij weggeraapt worden met uw eigen volk.

Ten derde, tot vertroosting van hen die oprecht ontsteld zijn bij de gedachte dat zij met de zondaren zullen worden weggeraapt naar de eeuwigheid. Dit is een gewichtige vraag voor hen die daardoor in angst verkeren en zij hebben troost nodig. Wij willen u vier gronden van troost noemen.

1. Het mag troostelijk voor u zijn te weten dat gij in de weg van de plichten zijt ten opzichte van uw toekomende staat. "Zalig is die dienstknecht, welke ,zijn Heere komende zal vinden alzo doende," Matth. 24 : 46. Terwijl anderen onbevreesd voortgaan, ziet gij vooruit en gij vraagt hoe het in het eind met u zal staan. Het is een stuk van wijsheid en het is hoopvol zo bezig te zijn in de overdenking van uw einde. Gods woord spreekt troost tot dezulken: "Versterkt de slappe handen en stelt de struikelende knieën vast," Jes. 35 : 3, 4. Er volgt: "Zegt den bevreesden (Eng.) van hart: Weest sterk, vreest niet. Zie ulieder God zal ter wrake komen met de vergelding Gods, Hij zal komen en ulieden verlossen."

2. Het mag troostelijk voor u zijn acht te slaan op uw werk, nu er nog hoop is. Er is geen zoon of dochter van Adam die niet de een of andere tijd bezorgd zal zijn dat hij mogelijk met de zondaars zal weggeraapt worden. Doch bij de meesten komt het te laat. De dwaze maagden riepen: Heere, Heere, doe ons open, doch de deur was gesloten. Daarom zeg ik in uw geval dat het troostelijk voor u mag zijn dat gij tijdig in zorg raakt, terwijl de Rechter op een troon van genade zit om zulke smekingen te horen. Ik mag hier zinspelen op wat wij lezen in 1 Sam. 25 : 8 "Want wij zijn op een goede dag gekomen," vergeleken met de tekst: "Zie nu is het de welaangename tijd, nu is de dag der zaligheid," 2 Cor. 6 : 2.

3. Deze zorg en werkzaamheid wordt door de Geest van Christus in alle uitverkorenen gewerkt. Het woord roept er u toe: "Wordt behouden van dit verkeerd geslacht," Hand. 2 : 40. De Heilige Geest werkt dienovereenkomstig. Hij was het die de begeerte of het gebed in onze tekst in het hart van de psalmist blies. De begeerten die van de Geest voortkomen kunnen niet tevergeefs zijn. Zo is de zorg en werkzaamheid voor uw ziel in overeenstemming met die van alle kinderen Gods, die met u samenstemmen in die geestelijke uitroep: "Raap mijn ziel niet weg met de zondaren."

4. Gij hebt te doen met een barmhartige en genadige God Die geen lust heeft in de ondergang van zondaren. "Zeg tot hen: Zo waarachtig als ik leef, spreekt de Heere Heere, zo Ik lust heb in de dood des goddelozen! Maar daarin heb Ik lust dat de goddeloze zich bekere van zijn weg en leve," Ez. 33 : 11. Geen tere christen zal zijn eed zonder noodzaak geven of wanneer er geen geschillen door behoeven opgelost te worden. Doch de duivel zegt tot zondaren, tegen God in, dat Hij alleen een behagen heeft in des zondaars verderf en dat daarom alle zorg en bidden vruchteloos zal zijn. Maar God maakt Zichzelf vrij door een eed en daarom moogt gij den duivel geen gehoor geven. Grijp moed uit de goedheid van Gods natuur in Christus en laat dat uw zorg en werkzaamheid zijn.

(1.) Hebt gij reeds genoeg gezien van de staat en weg van zondaars buiten Christus, zodat gij daar niet meer van verlangt, maar is uw begeerte om buiten hun bereik te zijn? De goedheid van Gods natuur in Christus wil niet toestaan dat dezulken met de zondaren worden weggeraapt naar de toekomende wereld. Zal die God Die het hart kent, een zondaar veroordelen die hier zucht, bezwaard en vermoeid is vanwege de staat en weg van zondaars buiten Christus en hem doen neerstorten in de put voor eeuwig? Neen, dat is verre van Hem.

(2.) Hebt gij een verlangen naar heiligheid verkregen, naar volmaakte heiligheid en een verlangen naar het in gerechtigheid aanschouwen van God zodat uw ziel schreit: "Raap mijn ziel niet weg met de zondaren," maar met de heiligen in de hemel? Waarlijk, dat is het werk van de Geest van Christus in u. "Want het bedenken des vleses is vijandschap tegen God," Rom. 8 : 7. Vandaar de belofte: "Ik zal Mijn wetten in hun verstand geven en in hun harten zal Ik die inschrijven," Hebr. 8 : 10. De geveinsden voelen angst voor de vergadering der zondaars, niet omdat zij zondaren, maar omdat zij ellendig zijn. En zij verlangen om in het gezelschap der heiligen te zijn niet om hun heiligheid maar om hun zaligheid, en daarnaar verlangen zij. Nu wat de oprechten betreft, het is onbestaanbaar met de goedheid van God om een verlangen en gelijkenis van heiligheid in een ziel te scheppen, en dat verlangen niet te vervullen. God zal niet de mond van de ziel openen om er een ledige lepel in te steken.

Hier kan een tegenwerping worden ingebracht. Gij zoudt kunnen zeggen: Een begeerte om niet met de zondaren te worden weggeraapt naar de eeuwigheid is iets hetwelk ook Bileam en de dwaze maagden hadden, zowel als de godzaligen. Welke troost kan er in zijn, die begeerte te hebben en toch in het einde met de zondaars weggeraapt te worden?

Ik antwoord: Er is een groot verschil tussen die begeerte in oprechte christenen en anderen. Er zijn vier zaken, welke indien gij ze in uw hart en begeerte vindt, u tot het besluit mogen brengen dat gij niet met de zondaren zult worden weggeraapt naar de toekomende wereld.

1. Indien Christus het voorname voorwerp van de liefde uwer ziel is, dan zal hun eeuwige scheiding van Christus u afkerig maken van met hen weggeraapt te worden. David bidt: "Heere, ik heb lief de woning Uwes huizes en de plaats des tabernakels Uwer eer. Raap mijn ziel niet weg met de zondaren, noch mijn leven met de mannen des bloeds," Ps. 26 : 8, 9. De onheiligen zouden het gemis van Christus kunnen verdragen want Hij is niet het voorname voorwerp van hun liefde. Maar gij bewijst door uw begeerte dat gij Christus boven alles liefhebt en die begeerte naar gemeenschap met Hem bewijst dat gij daarin uw gelukzaligheid zoekt. Wanneer gij ziet op de staat van de zondaren in de eeuwigheid en gij ziet dat Christus niet in hun midden is, zo roept uw ziel: Heere, laat mij niet bij hen zijn want het voorname voorwerp van mijn liefde is niet in hun midden. Indien dit het geval is zo zult gij voorzeker niet met hen weggeraapt worden. "Die tot Mij komt zal Ik geenszins uitwerpen," Job. 6 : 37. "Gij zult mij leiden door Uw raad en daarna zult Gij mij in heerlijkheid opnemen. Wien heb ik nevens U in de hemel? Nevens U lust mij ook niets op de aarde," Ps. 73 : 24, 25.

2. Indien gij een afschrik hebt van zondaren daar zij in de toekomende wereld in zonde gelaten zullen zijn, zowel als om hun liggen onder eeuwige straf, zo moogt gij hopen niet met hen weggeraapt te zullen worden. "Ik ellendig mens, wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods? Ik dank God door Jezus Christus, onze Heere," Rom. 7 : 24, 25. Iemand die gelooft dat zij die verloren gaan onuitsprekelijke smarten in het verderf zullen lijden, kan niet anders dan wensen dat zijn ziel niet zal weggeraapt worden met de zondaren. De goddelozen sterven onder de macht van hun verdorvenheden en begeerlijkheden, en het is een kwelling voor hen wanneer zij denken die te moeten verlaten. Doch gij die deelgenoten zijt van de nieuwe natuur hebt een afschrik van de zonde en gij verlangt heilig te zijn en zonder zonde, uitziende naar de volmaaktheid. Nu, God zal aan de nieuwe natuur die uitziet naar de volmaaktheid haar begeerte niet onthouden, en gevolgelijk zal een ziel die zo gesteld is niet verloren gaan met de goddelozen. Daarom bidt David: "De Heere zal het voor mij voleindigen; Uw goedertierenheid is in eeuwigheid; laat niet varen de werken Uwer handen," Ps. 138 : 8. "Zalig zijn die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid, want zij zullen verzadigd worden," Matth. 5 : 6.

3. Indien gij met een voornemen des harten uit het midden der goddelozen uitgaat, uit hun gezelschap, weg en wijze van leven in deze wereld, zo zal uw ziel niet met hen weggeraapt worden. Velen zouden met hen willen leven, hoewel niet met hen willen sterven. Zijt gij nog niet zover gekomen dat gij niet met hen wilt leven zomin als gij met hen wilt sterven? Hebt gij een afkeer gekregen van hun leven zowel als van hun dood, niet alleen van de openbare goddelozen, maar van allen die buiten Christus zijn, die vreemdelingen zijn van de kracht der godzaligheid? Hebt gij liefde ontvangen tot de heiligen en hebt gij de keus gedaan om in gemeenschap met hen te leven door het zien van de glans van het goddelijk beeld op hen? Vreest niet, God zal u niet wegrapen met de zondaren. Gij hebt op aarde het gezelschap der heiligen gekozen en daarom zult gij met hen opgenomen worden.

4. Gij moogt hopen niet met de zondaren verloren te gaan zo het u op aarde te doen is om algehele heiligheid. "Een iegelijk die deze hoop op Hem heeft die reinigt zichzelf, gelijk Hij rein is," 1 Joh. 3 : 3. De hoop die onheilige zondaren en geveinsden hebben verstrikt hen te vaster in de zonde, en staat hun toe om rustig voort te gaan in een of andere lust of begeerlijkheid. De oorzaak daarvan is, dat zij hopen alleen bevrijd te zullen worden van ellende doch niet van zonde. Maar de oprechten hebben een levendige hoop eens verlost te zullen worden van de zonde, en dat is een oorzaak waarom zij strijd voeren tegen alle zonden. "Och dat mijn wegen gericht werden om Uw inzettingen te bewaren."

TOEPASSING.

Laat mij u allen nu vermanen om een gepaste zorg en werkzaamheid te hebben voor uw zielen, dat ze niet weggeraapt worden met de zondaren naar de eeuwigheid. Die gepaste zorg en werkzaamheid zijn veelomvattend en daarom zal ik die vermaning uitbreiden in verscheidene bijzonderheden.

1. Laat de toekomende wereld na aan uw hart liggen en zijt niet langer zorgeloos omtrent uw eeuwige belangen. Een zorgeloos, onverschillig leven ten opzichte van uw eeuwige staat zal een vreeslijk ontwaken geven bij de dood. Zo gij uit een huis of hutje moest verhuizen zoudt gij naar een andere woning uitzien. En daar gij zeker uit deze wereld zult moeten verhuizen naar een andere, zie dan tijdig uit naar een aangename woning en toon daarmee dat gij wijs zijt en niet dwaas.

2. Stel het niet uit. De zorg voor uw ziel is niet recht zo gij vrijheid neemt ze één dag uit te stellen. Ik zeg dat, eer de dag van morgen aanbreekt uw ziel mag weggeraapt zijn met de zondaren en met hen voor eeuwig weggezonken zijn. "Heden indien gij Zijn stem hoort, zo verhardt uw harten niet," Hebr. 3 : 15. Ongetwijfeld zijn er velen in het verderf die eens hoopten daar nooit te komen en die voornamen zich te bereiden vóór de dag des doods. Doch de dood overviel hen onverwacht en rukte ze weg met de zondaren. Velen die hoopten naar hun Schepper te vragen in de dagen hunner jonkheid, zijn in hun jeugd afgesneden. En velen die hoopten zich voor te bereiden wanneer zij op jaren zouden komen, zijn in hun jonkheid gestorven. Een weinig slapens, een weinig sluimerens waaraan zij toegaven veroorzaakten hun ondergang, want hun armoede overviel hen als een wandelaar en velerlei gebrek als een gewapend man.

3. Laten uw zielen nu door geloof in de band des verbonds vergaderd worden tot Christus. Hij is de overste Leidsman der zaligheid en niemand komt in de hemel dan door Hem, als leden van Zijn geestelijk lichaam. Maar allen die niet met Hem verenigd zijn en persoonlijk niet gebracht zijn onder de band des verbonds zullen eindelijk weggeraapt worden met de zondaren. Sla daarom acht op het verbond hetwelk u in het Evangelie wordt aangeboden en zoek het in oprechtheid des harten aan te nemen opdat gij niet weggeraapt wordt tot het verderf.

4. Maak u los van de vergadering der zondaren op aarde. Ik zeg niet dat gij u, volkomen van hen kunt afscheiden, doch laten zij uw keuze, uw gemeenzame vrienden niet zijn, want de dood zal een iegelijk tot zijn eigen volk vergaderen. "Die met de wijzen omgaat zal wijs worden, maar die der zotten metgezel is zal verbroken worden," Spr. 13 : 20. De rechtvaardige wordt openbaar door het gezelschap dat hij kiest en waarin hij zich meest vermaakt. Hij die niet oprecht zoekt zich af te scheiden van de zondaren in deze wereld, heeft niet de rechte zorg van hen gescheiden te zijn in de toekomende wereld. Het is een ijdele verwachting te menen dat men met zondaren kan leven en te sterven met de heiligen.

5. Leg af uw tegenzin tegen ware belijders der godsdienst, tegen oprechtheid en tegen oefeningen der godzaligheid. Overweeg bedaard waar gij staat. Kunt gij wezenlijk geen christelijk leven, oprechtheid of oefeningen van godzaligheid verdragen, dan blijft er niets anders voor u over dan weggeraapt te worden met de zondaren naar de eeuwigheid, waar gij de godzaligen niet meer zult ontmoeten. Doch hebt gij enige de minste gedachte van hoop op de hemel, dan zijt gij onredelijk indien gij denkt daar te zullen komen, terwijl gij hier zulk een afkeer omdraagt tegen de eerste tekenen van hetgeen daar in volmaaktheid zal verkregen worden. Ik vraag welke soort van hemel gij uzelf inbeeldt, terwijl uw hart opstaat tegen heiligheid. Welke soort van mannen en vrouwen verwacht gij daar te zien, gij die altijd aanmerkingen hebt over de oprechten hoewel gij een dekmantel werpt over goddeloosheid en onheiligheid?

6. Voeg u bij de godzaligen. Kom samen met hen met wie gij wenst samen te zijn in de toekomende wereld. David zegt: "Ik ben een gezel van allen die U vrezen en van hen die Uw bevelen onderhouden, Ps. 119 : 63. Indien gij bij hen wenst te zijn aan het einde van de reis, dan is het redelijk dat gij ook met hen over de weg reist en niet met hen die een tegenovergestelde koers houden.Laten de gebreken die gij in Gods volk ziet u niet terughouden van hun gezelschap. Er zijn geen volmaakte vrienden in deze wereld te vinden. Het moet wel een jammerlijke gesteldheid zijn in mensen die ieders fouten verdragen willen behalve in Gods volk. Dat moet uit een diepgewortelde vijandschap voortkomen. Maar iemand die de Koning liefheeft zal Zijn kinderen eren, hoewel zij in lompen lopen. En God beproeft uw liefde tot Hem door de gebreken die Hij in Zijn volk heeft gelaten.

7. Onttrek u niet lichtvaardig van de gemeente des Heeren in de openbare godsdienstoefeningen. De samenkomsten van de gemeente op de dag des Heeren lijkt over de hele aarde het meest op de hemel. Daarom hebben zij de grootste plaats in het hart der heiligen. "Heere, ik heb lief de woning Uwes huizes en de plaats des tabernakels Uwer eer," Ps. 26 : 8. Laten de gedachten aan de samenkomst met de ene grote gemeente in het Hoger Huis, een spoorslag voor u zijn met de gemeenten in het Lager Huis samen te komen. Om welke redenen de mensen de openbare godsdienstige samenkomst op aarde ook mogen verzuimen, toch zullen zij met hen of met zondaren in de toekomende wereld vergaderd worden. Daar zal geen aparte hemel voor hen zijn.

8. Houd u verre van de weg der zondaars op aarde en laat uw gehele leven een volgen zijn van de voetstappen der schapen. Zoals uw loop nu is, zo zal uw einde zijn. Indien gij in deze wereld de weg der zondaren volgt zo zult gij met hen weggeraapt worden naar de eeuwigheid. Indien gij de weg der heiligen gaat zo zult ge eens met hen vergaderd worden.

Om deze vermaning bij u aan te dringen:

(1.) Overweeg ernstig dat er geen vraag van meer gewicht kan gedaan worden dan, waar gij heen gaat door de poorten des doods. De toekomende wereld is u in beide delen beschreven. Door al de blijdschap en heerlijkheid des hemels moet ik er op aandringen dat gij deze zaak ter harte neemt. En vanwege de akeligheid der plaats, de verschrikkingen van het gezelschap en de vreeslijke toestand van zondaren in het verderf moet gij er om zoeken dat uw zielen niet met hen weggeraapt worden.

(2.) Maak van uw andere belangen wat gij wilt, indien gij niet in de eerste plaats uitziet naar uw zielsbehoud, zo zult gij in alle opzichten alles verliezen. "Want wat baat het een mens zo hij de gehele wereld gewint en lijdt schade zijner ziel? Of wat zal een mens geven tot lossing van zijn ziel? Niets kan dit verlies vergoeden.

(3) De tijd des levens is de enige gepaste tijd om uw eeuwige belangen te verzorgen en waarin gij op vrucht moogt hopen. "Zie, nu is het de welaangename tijd, zie, nu is het de dag der zaligheid," 2 Cor. 6 : 2. Indien gij het hier niet zoekt en verkrijgt, zult gij later tevergeefs roepen. "Dan zullen zij tot Mij roepen maar Ik zal niet antwoorden, daarom dat zij de wetenschap gehaat hebben en de vreze des Heeren niet hebben verkoren," Spr. 1.

(4.) De vergadering zal voor eeuwig en daarom onveranderlijk zijn. Daarom is het nu voor u van het hoogste belang dat uw zielen niet weggeraapt worden met de zondaren.

Om alles samen te vatten, laat mij dit van u verkrijgen,

1. Dat gij wilt staan naar ernstige gedachten over beide delen van de toekomende wereld.

2. Dat gij wilt onderzoeken wat gij te verwachten hebt.

3. Dat gij tijdig de middelen wilt waarnemen opdat uw zielen niet worden weggeraapt met de zondaren.

Moge de Heere uw harten overreden en overbuigen om Hem te zoeken terwijl Hij te vinden is.

 

 

ZEVENDE PREEK

ZWARE TIJDEN IN DE LAATSTE DAGEN

"Weet dit, dat in de laatste dagen ontstaan zullen zware tijden." 2 Tim. 3 : 1

In de tekstwoorden zijn drie dingen op te merken:

Ten eerste. De bekendmaking van toekomstige gebeurtenissen. Er zullen zware tijden ontstaan. Niet dat er enige tijd op zichzelf beschouwd zwaar is of rampen zal brengen zoals bijgelovige mensen zich inbeelden. Maar zij zijn zwaar als gevolg van het kwaad dat onder de mensen heerst. Zo zal het zijn in de laatste dagen: "Want de mensen zullen zijn liefhebbers van zichzelf, geldgierig, laatdunkend, hovaardig, lasteraars, den ouderen ongehoorzaam, ondankbaar, onheilig" en wat verder genoemd wordt in de verzen 3-5 van ons teksthoofdstuk. De uitdrukking "zware tijden" betekent eigenlijk "moeilijke tijden". Met de aangekondigde "zware tijden" worden bedoeld tijden waarin het voor het volk moeilijk zal zijn op de been te blijven, te weten hoe zij zich gedragen moeten, zich buiten gevaar te houden en een goede consciëntie te bewaren. Dat zijn zware tijden.

Daarvan wordt gezegd dat zij "zullen komen". Zij zullen onder het bestuur van de Voorzienigheid over mensen komen, opdat zij beproefd zullen worden als goud in de smeltkroes. Zoals duisternis komt na licht zo zal tegenspoed komen na voorspoed.

Ten tweede. De tijd waarin die toekomstige gebeurtenissen zullen plaats hebben: "In de laatste dagen". In schriftuurlijke zin zijn dit de dagen van de

Messias, de dagen van het Evangelie, zelfs dat gehele tijdperk overeenkomstig Hand. 2 : 17, waar wij lezen: "En het zal zijn in de laatste dagen, zegt God, Ik zal uitstorten van Mijn Geest op alle vlees en uw zonen en dochteren zullen profeteren en uw jongelingen zullen gezichten zien en uw ouden zullen dromen dromen." En in Hebr. 1:1 en 2 staat geschreven: "God voortijds veelmaal en op velerlei wijze tot de vaderen gesproken hebbende door de profeten heeft in deze laatste dagen tot ons gesproken door de Zoon." Het is een Oudtestamentische uitdrukking welke de laatste dagen aankondigt. Ook wordt die uitdrukking gebruikt om de tijd aan te duiden en dan hebben wij door die dagen te verstaan de dagen van de wereld, lopende vanaf de schepping tot de voleindiging.

Nu, de dagen van het Evangelie zijn het laatste gedeelte van die dagen, het eind-tijdperk. In die laatste dagen zijn verscheidene bijzondere tijdperken. Het eerste daarvan was de laatste tijd van de Joodse staat, beginnende met de tijd van onze Zaligmaker tot aan de verwoesting van Jeruzalem. Er volgden meer tijdvakken en sommige moeten nog komen. Doch in het algemeen verstaan wij onder "de laatste dagen", de tijd van onze Zaligmaker tot aan het einde van de wereld.

Ten derde. Wij worden geroepen aandacht te schenken aan die gebeurtenissen De apostel zegt: "Weet dit," hetwelk wil zeggen, bedenk dit, overweeg het, bindt het op uw hart, opdat gij van te voren gewaarschuwd zijnde, gij u versterken moogt tegen de "zware tijden".

De leer, welke wij uit onze tekstwoorden trekken is deze: Daar de dagen van het Evangelie de laatste dagen zijn zo moeten de mensen weten dat onder het beleid van de Voorzienigheid er moeilijke en zware tijden in die dagen zullen aanbreken.

In het bespreken van deze leer, zullen wij beschouwen:

I. De dagen van het Evangelie als de laatste dagen.

II. De moeilijke en zware tijden die in de evangeliedagen zullen aanbreken.

III. De toepassing.

1. Wij zullen "de dagen van het Evangelie als de laatste dagen beschouwen." Zo zullen wij ze bezien in drieërlei opzicht.

1. Als de laatste dagen van de wereld, het laatste gedeelte van de tijd. In verband daarmee is deze eed gezworen, "dat daar geen tijd meer zal zijn," Openb. 10 : 6. De wereld heeft nu reeds lang gestaan en zij moet tot een einde komen. Het laatste gedeelte van haar tijd is begonnen en is reeds ver heen. De morgen en de middag van de wereld zijn voorbij. Het is nu de namiddag en de avond is nabij.

2. Wij hebben de laatste dagen te beschouwen als de laatste aanbieding van genade aan de wereld, waarmee Gods handelingen met zondaren over verzoening zullen afgesloten worden. "Maar in de dagen der stem des zevenden engels, wanneer hij bazuinen zal, zo zal de verborgenheid Gods vervuld worden," Openb. 10 :7.

Er zijn drie bedelingen van genade in de wereld geweest. De aartsvaderlijke bedeling in de eerste dagen; de Mozaïsche bedeling in de middelste dagen; en nu de christelijke bedeling in de laatste dagen. De eerste twee hebben de schouwplaats reeds verlaten en zullen nooit weer terugkeren. Wij beleven nu de derde en daarna zal er nooit een andere meer komen.

3. De beste dagen van de wereld gaan samen met de grootste voorrechten. De laatste werken van God zijn altijd de grootste zoals gij zien kunt in het verhaal van de schepping. Zo zijn de omstandigheden van de dagen der wereld die nog moeten komen gewichtiger dan die wij nu beleven. De evangeliebedeling overtreft ver de andere twee die voorbij zijn gegaan. Zij overtreft ze in helderheid, uitgebreidheid en kracht door een meerdere mate van de Heilige Geest.

Men kan hier vragen: Zijn er in al die dagen geen zware tijden geweest? Waren Noachs dagen, de Egyptische dienstbaarheid, de Babylonische gevangenschap, de vervolging onder Antiochius geen ware tijden in vroegere dagen? Is het een wonder dat het ook zo zal zijn in de laatste dagen? Wij geven u hierop de raad om de Oudtestamentische profetieën omtrent de laatste dagen te beschouwen en overweeg dan eens wat wij nog te wachten hebben. Gij zult dan zien dat er grote noodzaak was voor die waarschuwingen welke menigvuldig door de apostelen gegeven zijn, dat de "laatste dagen" gewichtige dagen zouden zijn en dat er "zware tijden" zouden ontstaan.

Wij willen u hier enkele waarschuwingen geven die u nuttig mogen zijn vóór of in boze tijden.

1. Let zorgvuldig op, welk gebruik gij maakt van het Evangelie. Stel niet uit in te stemmen met de roeping welke door het Evangelie tot u komt. Er zal binnenkort rekenschap van u afgeëist worden. De dagen waarin het gepredikt wordt zijn de laatste dagen van de wereld waarin de tijd een einde zal nemen. De wereld zal rekenschap moeten geven van het onthaal dat zij aan het Evangelie heeft gegeven. Zie, Hij komt "van de hemel met de engelen Zijner Kracht, met vlammend vuur wrake doende over degenen die God niet kennen en over degenen die het evangelie onzes Heeren Jezus Christus niet gehoorzaam zijn," 2 Thess. 1 : 7, 8.

2. Gij moet zalig worden door in te stemmen met de evangelieroeping en met de weg die u voorgesteld wordt tot zaligheid, en anders moet gij omkomen. Het is nu Gods laatste roeping tot een zondige, verloren wereld en daarna hebben zij geen nieuwe te verwachten. Het is het laatste schip dat afvaart naar Immanuels land. Indien gij de roeping licht acht, zult gij in der eeuwigheid geen gelegenheid meer krijgen. "Want zo wij willens zondigen nadat wij de kennis der waarheid ontvangen hebben, zo blijft daar geen slachtoffer meer over voor de zonden," Hebr. 10 : 26.

3. De verachting van het Evangelie is de gevaarlijkste onderneming die ooit door de wereld gewaagd werd en zij zal de meest vreeslijke uitslag hebben. De Evangeliedagen zijn de laatste en beste dagen. En hoe beter de dagen zijn hoe gevaarlijker de versmading van het Evangelie is. De verachting tijdens de patriarchale bedeling werd door de zondvloed gestraft. De Mozaïsche bedeling werd gevolgd door de Babylonische gevangenschap en andere zware plagen. "En zij verbrandden het huis Gods en zij braken de muur van Jeruzalem af en alle deszelfs paleizen verbrandden zij met vuur, verdervende ook alle deszelfs kostelijke vaten. En wie overgebleven was van het zwaard, voerde hij weg naar Babel en zij werden hem en zijn zonen tot knechten," 2 Kron. 36 : 19, 20. Doch hoe vreeslijk zal de straf zijn op de versmading van de evangelie-bedeling? De verwoesting van Jeruzalem was de eerste slag daarop en de wereldbrand zal het einde zijn.

4. Er mogen grote en goede dingen zijn in dagen welke toch gevaarlijke dagen zijn. "In de laatste dagen zullen zware tijden ontstaan." De beste dagen die ooit door Judea werden gezien waren de dagen die vooraf gingen aan de verwoesting van Jeruzalem. De Geest werd in zo'n mate uitgestort als nooit daarvoor of daarna plaats had. Jezus zei tot hen: "Gij zult ontvangen de kracht des Heiligen Geestes die over u komen zal en gij zult Mijn getuigen zijn, zo te Jeruzalem als in geheel Judea en Samaria en tot aan het uiterste der aarde," Hand. 2 : 8. Maar daarna is de toorn Gods uitgestort tot het uiterste. "Welke ook gedood hebben den Heere Jezus ... opdat zij altijd hun zonden vervullen zouden. En de toorn Gods is over hen gekomen tot het einde." 1 Thess. 2 : 15, 16.

In deze onze dagen zijn er grote dingen welke wij niet over het hoofd mogen zien. Wetenschappen en het burgerlijk bestuur in het ontginnen van de bodem en in het oprichten van fabrieken zijn tot een hoogte gerezen als nooit tevoren. Doch deze dingen kunnen ons in gedachtenis brengen het geval van de Kanaänieten onder wie kunsten bloeiden terwijl vroomheid op het punt stond schipbreuk te lijden. Wij lezen in Gen. 4 van Jabal die een vader is geweest dergenen die tenten bewoonden en vee hadden en van Jubal die de vader was van allen die harpen en orgels hanteerden en van Tubal-Kain, een leermeester van alle werkers in koper en ijzer. Doch in hetzelfde hoofdstuk wordt vermeld van Lamech die zei: "Ik sloeg wel een man dood om mijn wonde en een jongeling om mijn buile."

Nu, ook in onze dagen zijn er grote en goede dingen en werken op te merken wier gelijke nooit van te voren in ons land werden gezien. Wij wijzen hier bijzonder op de stichting van scholen tot verbreiding van christelijke godsdienstwetenschap en de oprichting van ziekenhuizen, over het gehele land. Doch helaas! Wij hebben er aan toe te voegen dat wij toch zeer gevaarlijke tijden beleven. Dit brengt er ons toe de volgende omstandigheden te beschouwen.

II. Wij zullen dan spreken over de moeilijke en zware tijden die in de evangeliedagen zullen aanbreken. Ja, in de dagen van het Evangelie, waarin soms zoete en heerlijke tijden voorkomen, doch op andere tijden komen er moeilijke en zware dagen.

Wil moeten onderzoeken wat de oorzaak is van die zware tijden.

1. Er kan een oud geschil zijn dat nog niet vereffend is. Zij die schuld hebben zijn altijd in gevaar. De joden waren een bloeddorstig geslacht. Van geslacht tot geslacht waren zij moordenaars van hun profeten. Nu, die oude schuld lag op het hoofd van het geslacht hetwelk leefde in de tijd toen onze Zaligmaker op aarde was. Jezus sprak: "Gij zegt: Indien wij ten tijde onzer vaderen waren geweest, wij zouden met hen geen gemeenschap gehad hebben aan het bloed der profeten. Aldus getuigt gij tegen uzelf, dat gij kinderen zijt dergenen die de profeten gedood hebben. Gij dan ook, vervult de maat uwer vaderen," Matth. 23 : 30-32. Dit maakte hun tijd gevaarlijk want het was een schuld die op hen lag, welke schuld hen ten laatste in grote ellende heeft gebracht. Daarom heeft Jezus hun voorzegd: "Voorwaar zeg Ik u, al deze dingen zullen komen over dit geslacht. Jeruzalem, Jeruzalem, gij die de profeten doodt en stenigt die tot u gezonden zijn, hoe menigmaal heb ik uwe kinderen willen bijeenvergaderen, gelijkerwijs een hen haar kiekens bijeenvergadert onder de vleugelen en gijlieden hebt niet gewild. Zie, uw huis wordt u woest gelaten," Matth. 23 : 36-38. Zo waren de dagen van de goede koning Josia gevaarlijke tijden uit oorzake van een oude schuld welke gemaakt was in de dagen van Manasse, zijn grootvader. "Nochtans keerde Zich de Heere van de brand Zijns groten toorns niet af, waar mede Zijn toorn brandde tegen Juda, om alle de tergingen waarmede Manasse Hem getergd had," 2 Kon. 23 : 26.

Onze dagen zijn ook zó wegens de ongerechtigheid van deze laatste tijden, welke gelijk is aan die van Baäl-Peor, welke "een plaag bracht op de ganse gemeente Israëls," Jozua 22.

De oude schuld die op ons land ligt is de erkende verbreking van het verbond tot reformatie, welk verbond met God gemaakt is. Daarbij komt het bloed van des Heeren volk vergoten in velden en op schavotten. In ons land zijn zij die getrouw wilden zijn aan het verbond met God, vervolgd, ingekerkerd, verbannen en op andere wijze wreed behandeld. Zo heeft ons land gedurende vele jaren oorlog met de hemel gevoerd. Dit is een oude schuld die op ons ligt welke God zal bezoeken en wij zullen moeten betalen, om zo te spreken, zowel de schuld als de intrest die ontstaan is gedurende de tijd waarin de schuld openstond. Deze dingen zijn vergeten of er wordt om gelachen als over iets dat ons niet aangaat. Er is een steen voor de mond van dat graf gerold. Doch God zal opstaan, hoewel het graf verzegeld schijnt te zijn en men vergeten is welk een schuld het herbergt. .,Want wanneer zij zullen zeggen: Het is vrede en zonder gevaar, dan zal een haastig verderf hen overkomen," 1 Thess. 5 : 3.

2. Een andere oorzaak van zware tijden zal zijn overtreding en dwaling en de verspreiding van verdorven beginselen. Het is voorzegd dat dit alles zou plaats hebben in de laatste dagen. "Doch de Geest zegt duidelijk dat in de laatste tijden sommigen zullen afvallen van het geloof, zich begevende tot verleidende geesten en leringen der duivelen," 1 Tim. 4: 1. Dan zullen de fonteinen waaruit de mensen drinken vergiftigd zijn. Het geloof hetwelk eens de heiligen overgeleverd is zal verwisseld worden voor sterke inbeeldingen, zodat zij de leugen zullen geloven. Dan zullen velen in gevaar zijn hun verderfelijke wegen te volgen.

Er zijn drie gevaarlijke krachten van die soort welke de poorten der hel in onze dagen richten tegen de grondslagen van de Kerk die op de rots gebouwd is.

(1). De eerste misleidende kracht is eigengerechtigheid. Dit is een aanslag op de genade van Christus. Daardoor wordt een stelsel van godsdienst ingevoerd hetwelk in geen enkele betrekking staat tot Jezus Christus en Zijn Geest. In die leer worden deugd of een deugdelijk leven gesteld in de plaats van Christus' gerechtigheid tot aanneming bij God en daarin wordt de inspanning van onze natuurlijke krachten in de plaats van de invloeden van de Heilige Geest gesteld. Door die middelen wordt de verdorvenheid van onze natuur en de noodzakelijkheid van wedergeboorte in diep stilzwijgen begraven. Daarbij wordt het leven door geloof wachtende op de invloeden van Gods Geest en van gemeenschap met God gebrandmerkt als overdreven ijver. De wanhoop aan zichzelf wordt gerekend voor een vrucht van ziekelijke inbeelding. Zo wordt een beschaafd heidendom ons aangeboden in plaats van een christelijk leven.

(2.) De tweede gevaarlijke kracht is het arianisme of de verloochening van de Godheid van Christus.

Daarmee word een Christus ingevoerd die niet eenswezens is met de Vader en niet de allerhoogste God is en niet onafhankelijk is noch uit Zichzelf bestaat. Maar daarmee wordt ons voorgesteld een mindere God, een afhankelijk Wezen. Daardoor wordt de grondslag van onze zaligheid weggeslagen, omdat de oneindige waardigheid van Zijn Persoon waardoor een oneindige, volkomen waarde aan Zijn offerande wordt toegebracht wordt ontkend. Het is te vrezen, dat wanneer Christus zal opstaan om Zijn eigen heerlijkheid te handhaven, zal worden vastgesteld dat de kerk in ons land geen genoegzaam getuigenis van haar verontwaardiging tegen deze godslastering heeft gegeven.

(3) Een derde verwoestende, kracht is het deïsme, of de leer die een God aanneemt zonder de openbaring te erkennen. Dit is een aanslag tegen alle geopenbaarde godsdienst, waardoor het gehele Evangelie en de Bijbel met de gehele weg ter zaligheid door Jezus Christus, worden verworpen. Daardoor wordt ons niets anders gelaten dan dat er een God is en dat deze God moet gediend worden zoals de rede ons voorschrijft. Zulk een slag is aan de christelijke godsdienst niet toegebracht ten tijde der bisschoppelijke kerkregering, zelfs niet onder de rooms-katholieke heerschappij. Wij waren reeds in verval doch de invoering van het deïsme zal ten laatste verwoesting over ons brengen.

3. Wij hebben nog een andere oorzaak van zware tijden te noemen en die is een overvloedig uitbreken van onzedelijkheid. Wanneer wij onze tekst en het verband waarin zij voorkomt bezien, dan zullen wij tot het besluit komen dat in de laatste dagen veel ongerechtigheid in het openbaar zal worden bedreven. "En weet dit, dat in de laatste dagen ontstaan zullen zware tijden. Want de mensen zullen zijn liefhebbers van zichzelf, geldgierig, laatdunkend, hovaardig, lasteraars, den ouderen ongehoorzaam, ondankbaar, onheilig, zonder natuurlijke liefde, onverzoenlijk, achterklappers, onmatig, wreed, zonder liefde tot de goeden, verraders, roekeloos, opgeblazen, meer liefhebbers der wellusten dan liefhebbers Gods, hebbende een gedaante van godzaligheid, maar die de kracht derzelve verloochend hebben. Heb ook een afkeer van dezen." De opening van de sluis van boosheid en goddeloosheid en van het heersen van schandelijke praktijken, maken de tijden zwaar.

TOEPASSING

Indien deze dingen oorzaak zijn van zware tijden, zo zijn onze dagen gevaarlijke tijden. Ik betwijfel of het verachten van God, van Zijn Evangelie en van al wat heilig is ooit groter hoogte bereikt heeft. De eerste en de tweede tafel worden vertrapt onder het oog van een Getuige. Daarom moeten wij zeggen: "Hoort des Heeren Woord, gij kinderen Israëls; want de Heere heeft een twist met de inwoners des lands omdat er geen trouw noch weldadigheid noch kennis Gods in het land is, maar vloeken en liegen en doodslaan en stelen en overspel doen; zij breken door en bloedschulden raken aan bloedschulden. Daarom zal het land treuren en een iegelijk die daarin woont wegkwijnen met het gedierte des velds en met het gevogelte des hemels, ja ook de vissen der zee zullen weggeraapt worden,"Hosea 4 : 1-3. Gods dienst wordt versmaad en licht geacht, Zijn naam misbruikt en gelasterd en Zijn sabbatten geschonden. Onbetrouwbaarheid heerst in alle opzichten. Moorden, onreinheid, verbreking van huwelijksbeloften worden meer dan ooit bedreven. Onrechtvaardigheid en bedrog in de handel, liegen en hebzucht komen overal aan den dag. Wat kan er onder een volk dat de naam van Christus belijdt gevonden worden waardoor de toorn Gods wordt opgewekt, hetwelk in onze dagen niet in ons land wordt gevonden?

Laten wij hier beschouwen het schandelijk uitbreken van de zonde in ons midden. Wij zien velen onder ons die de mond der vijanden openen om de weg van God te lasteren. Doch hoe weinigen zien wij die waarlijk verootmoedigd zijn, maar overal zien wij dezulken die méér opkomen voor hun eigen aangetaste eer en naam dan voor de eer van God! Behalve in dingen welke volgens gewoonte openbare voldoening vereisen, kan het volk niet verdragen dat hun fouten hun worden verweten of dat zij er over aangesproken worden,

Er zijn vele andere dingen die zware tijden veroorzaken en die ook onze dagen gevaarlijk maken. Zoals de verberging van Gods aangezicht, bedreigingen met wraak en verschijnselen van het ongenoegen Gods.

Ik zou hier kunnen aantonen in welke opzichten zulke tijden gevaarlijk zijn, dat het zware tijden zijn voor de tegenwoordige en aankomende geslachten en dat ze verwoestend zullen zijn voor ziel en lichaam beide.

Hier mag ik ook opmerken dat al deze droeve omstandigheden plaats hebben onder het bestuur en onder toelating van de Voorzienigheid, om mensen te toetsen en te beproeven. In dat verband lezen wij: "Want er moeten ook ketterijen onder u zijn opdat degenen die oprecht zijn, openbaar mogen worden onder u," 1 Cor. 11 : 19.

Maar ik zal besluiten met de vermaning dat gij behoort op te merken en ter harte zult nemen, dat onze dagen zware tijden zijn en dat gij daarom uzelf moet inspannen en tot uw eigen veiligheid de wacht moet waarnemen. Laat het gevaar der tijden voor u een oorzaak zijn dat gij u nader aan God in Christus verbindt en zoekt nabij Hem te blijven.

Wacht u voor wereldsgezindheid, voor onstandvastigheid en voor weifelen, hoogmoed en zelfbedrog. Strijd om tegen de stroom in te gaan opdat gij er niet door weggevoerd wordt. Amen.